Een spirituele visie op het Oude Egypte - Is de geschiedenis van het Oude Egypte doelbewust vervalst? -

Een spirituele visie op
het Oude Egypte
Hendrik Klaassens

   

    

De lezing bestaat uit drie gedeelten:

 

1.In de allereerste plaats de oergeschiedenis van de mensheid totdat de eerste groep mensen zich ging vestigen in Egypte.

2.In de tweede plaats – en dat is ook het hoofdbestanddeel – gaat het over de geschiedenis van de Egyptische cultuur en dan met name over de periode tot ongeveer 2200 v. Chr.  Globaal valt dat samen met het tijdperk van het zgn. Oude Rijk – 2700 – 2200 v. Chr.

3.In de derde plaats gaan we aan de hand van dia’s in op enkele aspecten en gebouwen van de Egyptische cultuur, en dan met name de kleding van de Egyptenaren, de piramiden en de sfinx.

 

 

   

De oergeschiedenis van de mensheid.


Ooit, in een onpeilbaar ver verleden, was er alleen een geestelijke wereld. Aeonen lang schiep God daarin met de kracht van zijn goddelijke gedachten geestelijke wezens. De eerste en grootste van allemaal was Lucifer. Zijn naam betekent ‘de lichtdrager’: hij was een stralende wijsheidsgeest, die zich ook heel goed van zijn scheppende vermogens bewust was.

 

Aeonen verstreken en samen met God schiep Lucifer ontelbaar veel nieuwe geesten. Maar na verloop van tijd werd Lucifer hoogmoedig; hij meende dat hij God van Zijn troon zou kunnen stoten en zelf de macht kon overnemen. Samen met andere, gelijkgezinde geesten kwam hij in opstand, maar onder leiding van de aartsengel Michael werden Lucifer en zijn trawanten verslagen.  

 

Ze tuimelden uit de lichtende geestelijke wereld en verdichtten en verhardden zich steeds meer. Je zou ook kunnen zeggen dat hun frequentie, hun geestelijk trillingsgetal steeds meer afnam, totdat uit de myriaden van deze duistere geesten de “oerwolk van de materie”  ontstond. Uit deze oerwolk van de materie is het hele heelal ontstaan. De geesten, die uit hun oorspronkelijk tehuis waren getuimeld, raakten steeds meer verdeeld en versplinterd, omdat ze zich steeds meer gingen verharden.

 

Op dat moment besloot God om in te grijpen. Hij bedacht een reddingsplan om alle gevallen geesten terug te brengen naar de wereld van hun oorsprong. Dit reddingsplan om de gevallen geesten stap voor stap te zuiveren heet de ‘natuurzielenontwikkeling’. In het kort komt dit erop neer, dat deze geesten een lange ontwikkelingsweg moesten doormaken, waarbij hun versplinterde zieledeeltjes via de fasen van mineralen, planten en dieren op den duur weer de menselijke vorm zouden verkrijgen. Deze ontwikkelingsweg was en is voor álle gevallen geesten bedoeld.

 

Adam was de eerste mens die de hele natuurzielenontwikkeling vanaf het rijk van de mineralen via de planten en dieren tot aan het mensenstadium had doorlopen. Zijn opdracht was eigenlijk heel eenvoudig: als de eerste mens op aarde, die nog direct contact had met de hele natuur – hij kon spreken met de sterren, de planeten, de dieren en de planten – hoefde hij zich alleen maar te houden aan dit ene gebod, nl. gehoorzaamheid aan God. Hij moest leven in liefde en harmonie met de Schepper. Als dat lukte, zou er een brug worden gelegd waarover de mensheid weer teruggevoerd kon worden naar de goddelijke wereld. Het was dus heel belangrijk dat hij zijn opdracht naar behoren zou vervullen.

 

Door de ongehoorzaamheid van hem en Eva werd die weg afgesneden. Maar dat gebeurde in een aantal fasen. Door de eerste overtreding van Gods geboden in het paradijs - zoals in Genesis beschreven wordt - schonden zij Gods heiligheid en onaantastbaarheid; zij hadden de goddelijke orde verstoord. Weliswaar hadden zij  berouw over hun overtreding, maar dit moest op de één of andere manier toch weer worden goedgemaakt: Gods heiligheid eiste dat dit consequenties had.

 

De Liefde uit God sprong toen echter voor dit eerste mensenpaar in de bres en beschermde hen tegen de goddelijke toorn. De hele kosmos werd hierbij verwoest en sterren en planeten tuimelden door het heelal. Maar de Liefde van God beschermde Adam en Eva tegen deze wanorde: Hij beloofde de schuld voor de overtreding op Zich te nemen en de aantasting van Gods Heiligheid te verzoenen. Later zullen we zien wat dit precies inhield. Maar laten we in elk geval dit vasthouden, dat dit de basis legde voor de komst van Christus op aarde, om alsnog, in tweede instantie, nadat Adam gefaald had om die brug te leggen, die terugkeer van de mens naar de geestelijke wereld mogelijk te maken. We zullen zien dat de mythe van Isis en Osiris hier direct mee te maken heeft. Maar dat bewaren we voor het laatst.

 

We waren gebleven bij de eerste overtreding van de mens.  Kaïn was het kind dat geboren werd door de zonde van Adam en Eva. Zijn naam betekent ‘brenger van de dood’. Na hem werd Abel geboren, wat betekent ‘zoon van de zegen’. Hij is de eerste voorloper van Christus (HG I/12).

 

Dertig jaar lang leefden Adam en Eva nog in het paradijs; in die tijd kregen zij 30 kinderen. Maar op een dag, die God als rustdag had aangewezen, liep Adam langs de oever van een rivier; daar ontdekte hij een plant waaraan bessen groeiden. De engel, die hem alle nuttige gewassen van de aarde had laten zien, had hem niets over die plant verteld. Omdat hij nog steeds heer over de schepping was – daarbij geholpen door de engel – vroeg hij aan de plant welk nut hij had. De plant antwoordde dat hij daar achter zou komen als hij bessen had geplukt en het sap eruit had geperst. Thuis gekomen dronken ze allemaal van het sap – op Abel na, die de Heer aan het offeren was. Ze werden allemaal bedwelmd door deze plant en raakten in een roes, waarbij ze gemeenschap met elkaar hadden. Daarbij vergaten zij eerst hun hart te offeren, zoals God hun bevolen had. Het gevolg daarvan was, dat Adam, Eva en hun kinderen werden verdreven uit het paradijs.

 

Abel krijgt daarop de opdracht om zijn ouders, broers en zussen samen met een engel weg te leiden naar een land ergens in het Midden-Oosten (wsch. Palestina). De mensen verloren daarbij hun vermogen om te spreken met de natuur. Kaïn was tot op zekere hoogte de slang – Lucifer – zelf, die in hem tot mens werd om zich van zijn zwakte a.g.v. zijn zondeval bewust te worden: daardoor zou in hem de beslissing rijpen om uit vrije wil terug te keren naar God.

 

Kaïn dood later Abel omdat zijn offer niet aangenomen werd; hij vlucht daarop met zijn vrouw en kinderen naar het gebied van de Zwarte Zee.

Adam en Eva en hun kinderen trokken later naar Oost-Azië ten oosten van het Oeral-gebergte, waar zij een grote hoogvlakte bewoonden waar nog hele generaties van hun nakomelingen hebben geleefd. Hun nakomelingen worden ‘de kinderen van de hoogvlakte’ genoemd.

 

Kaïn zelf was dus gevlucht naar het gebied van de Zwarte Zee. Zijn zoon Hanoch  – (die naam betekent ‘de eer van Kaïn’) wordt later de eerste wetgever en vorst van het rijk Hanoch. Hij handelt echter alleen vanuit de wet, dus vanuit de strenge gerechtigheid, maar niet vanuit de liefde. Elke geringe overtreding werd er zwaar bestraft en het volk werd zwaar onderdrukt.

 

Kaïn wordt door zijn zoon Hanoch ook gedwongen om hard te werken, maar protesteert daartegen. Hanoch zegt dan tegen hem, dat hij dan maar zijn biezen moet pakken. Kaïn vlucht uit het rijk van Hanoch en komt aan bij de zee. Daar verschijnt Abel aan hem: deze geeft hem een nieuwe naam ‘Artheope’ = de willoze naar de wil van God. De nieuwe naam betekent, dat hij zijn boze wil en het volgen van de slang in Hanoch heeft achtergelaten en zich heeft overgegeven aan de wil van God. Hij en zijn nakomelingen worden allemaal zwart. Hij krijgt de opdracht om samen met zijn vrouw en zijn vier kinderen een grote boot te maken en de zee over te steken. Ze komen op eilanden terecht. Zijn laatste nakomelingen bevolkten alle eilanden in de zeeën en na de zondvloed ook Afrika, Amerika en Australië.  

 

Ergens middenin het grote water, op een onvindbaar eilandje, leeft deze Artheope nog als een waarnemer van ons doen en laten. Hij is de eerste mensenzoon; door de liefde van de Vader heel diep in zich op te nemen kan hij niet meer sterven. Hij kan het handelen van alle mensen waarnemen. Daardoor is hij een getuige van al God’s daden tot nu toe. Hij zal zo blijven totdat de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, volledig is neergedaald op aarde.

Het rijk Hanoch, dat genoemd was naar de eerste koning, breidde zich uit. Er ontstonden tien vorstendommen, die alleen nog maar in naam onderhorig waren aan de koning. Het volk werd er zwaar onderdrukt. Sommigen van jullie kennen misschien wel de film “De Tien Geboden”, waarin Charlton Heston als Mozes het volk van de Joden wegleidt uit Egypte. De beelden die je in die film ziet, met opzichters die de zweep laten knallen, komen aardig overeen met de onderdrukking die plaats vond in het rijk Hanoch. Veel arbeiders werden als dieren gebruikt voor allerlei kolossale bouwwerken.

 

Bij perioden, waarin profeten en wijze mannen optreden, gaat het weer iets beter, maar o.h.a. was het een rijk waarin iedereen uit was op eigen voordeel en op aanzien, macht en de eigen positie.

Dat leidde ertoe dat verschillende groepen – vaak ook leidinggevenden – uit Hanoch wegtrokken. De aanleiding tot de vlucht van de eerste groep mensen was de moord op twee rechtmatige troonopvolgers. Toen dat bekend werd, vluchtten 3.000 mannen o.l.v. Meduhed met hun vrouwen en kinderen uit Hanoch weg naar het oosten. Zij worden naar hun leider de ‘Meduhedieten’ genoemd.  Op Gods aanwijzing kwamen zij na een lange trektocht bij de Stille Oceaan uit.

                                        

De ontwikkeling van het schrift:

 

1.  Aan deze Meduhedieten werd door God een eigen schrift gegeven. (De ‘kinderen van de hoogvlakte’, dus de nakomelingen van Adam en Eva, ontvingen van God ook een schrift). Dat schrift bestond uit overeenstemmende beelden. Ook de uiterlijke, natuurlijke vorm ervan had een geestelijke betekenis. Na een kort verblijf aan de kust voeren de Meduhedieten vervolgens weg naar het eiland Ihypon = Japan.   Dit gebeurde omstreeks 3400 v. Chr.

2.      Korte tijd later werd aan de Chinezen (Sihiniten), eveneens na hun vlucht uit het rijk Hanoch, ook een eigen schrift gegeven (I HG 37,8)

 

3.  Vervolgens ontvingen de Tibetanen (Horadaliten) na hun vlucht uit Hanoch een schrift. Daar stammen de latere Egyptische hiëroglyfen van af, die echter een verbasterde variant is op het oorspronkelijke schrift van de Tibetanen.

4.   Dat Egyptische schrift werd meegenomen door 650 raadslieden – je zou kunnen zeggen: hogere ambtenaren – die omstreeks 2920 v.Chr. vluchtten uit Hanoch.

 

 

 

                                                                  

 

De geschiedenis van de Egyptische cultuur.




Van alle volkeren die waren weggetrokken uit het rijk Hanoch, hebben zij de verering van de enige ware God het duidelijkst tot uitdrukking gebracht; hun onovertroffen, monumentale bouwwerken leggen hier getuigenis van af.

De innerlijke, geestelijke betekenis van dit volk is hierin gelegen, dat het was uitverkozen als een leerschool ter voorbereiding op de komst van de Heer. Hun relatie tot de stamvaders van de mensheid (“de kinderen van de hoogvlakte”) en de veel grotere betekenis van de Egyptenaren t.o.v. de Japanners, Chinezen en Tibetanen hangen hier ook mee samen.

 

De eerste bewoners van Egypte waren de 650 raadslieden uit Hanoch. Zij waren oorspronkelijk “kinderen van de hoogvlakte” uit de geslachtslijn van Seth en Noach, dus geen pure Hanochieten. Zij vestigden zich rondom 2922 v. Chr. in Boven-Egypte, in de omgeving van Elephantine (El-ei-fanti = nakomelingen van de kinderen Gods, zie GJE IV/204,4) en bouwden daar meteen na aankomst een kleine stad.

De barre omstandigheden in dit gebied dwongen hen om zich weer tot God te keren, en zo werd dit land al gauw rijk en machtig. Deze manier van leven, waarbij de enige ware God werd vereerd, duurde meer dan 700 jaar (GJE X/192,1).

 

In de beginperiode van de Egyptische beschaving vond er een gebeurtenis plaats, die een heel belangrijk stempel zou drukken op hun hele cultuur. Zeven bewoners van Mallona stortten omstreeks 2720 neer in de Egyptische woestijn.

 

De genoemde zeven reuzen waren vóór het begin van de bouw van de tempel binnen een periode van tien dagen vanuit de ruimte op verschillende open plaatsen in Opper-Egypte neergestort; zij stortten neer op onderlinge afstanden van soms wel ¼ dagreis van elkander, waarbij zij een krachtige aardschok veroorzaakten. De Egyptenaren dachten eerst dat er nog meer zouden komen en in hun angst stelden zij nog tien jaar lang vaste wachten op om voorbereid te zijn op nog meer van zulke reizigers. Maar er kwam niets meer (GJE IV/203,4 ff).

Het betrof hier helemaal verdorde lijken. De Egyptenaren hadden er vijftig jaar voor nodig om ze stukje bij beetje te verbranden.

 

De landing van deze reuzen, die bij hun neerstorten nog intact waren en nog hun oorspronkelijke kleren van de planeet Mallona droegen, was mogelijk door de moeilijk oplosbare bestanddelen van hun lichaam en hun kleding, maar ook door de inwerking van de geestelijke wereld. In GJE VIII/75,11 wordt vermeld, dat heel wat van deze reusachtige mensenlichamen op aarde zijn gevallen en daar na ettelijke honderden jaren waren verteerd. Bij die gelegenheid zijn ook talrijke witte brokken steen bv. op de Choralpe bij Graz neergekomen.

 

Het was voor de oude Egyptenaren duidelijk, dat het moest gaan om door de Geest van God bestrafte reuzen van een groot, ver weg gelegen hemellichaam.

Het betrof hier de planeet Mallona die ongeveer even groot was als Jupiter en tussen Mars en Jupiter een baan om de zon beschreef; De resten hiervan bevinden zich nu nog steeds in dezelfde zône van het zonnestelsel in de vorm van asteroïden. God zou daarmee hebben willen laten zien, dat Hij ook de machtigste reuzen niet ontzag als zij tegen Zijn wil in handelden.

 

De verpletterende indruk die deze ervaring op de Egyptenaren maakte, had diverse gevolgen. De belangrijkste daarvan waren:

 

  1. De Egyptenaren ontwikkelden vanaf die tijd hun zin voor al het kolossale op geestelijk gebied. Zij bouwden vanaf die tijd reusachtige tempels en piramiden.
  2. Omdat de Egyptenaren tot dan toe bijna geen kleren hadden gedragen, kleedden zij zich op dezelfde manier als de reuzen (witte, tot de knieën reikende, geplisseerde schorten; de vrouwen droegen kleren die tot de enkels reikten; zowel mannen als vrouwen droegen pruiken). Dat is tegenwoordig nog steeds aan de mummies en de sarcofagen te zien.
  3. Ze begonnen hun doden te verbranden in stenen sarcofagen, waar overheen later de piramiden werden gebouwd.

 

De lijken van de reuzen werden verbrand, omdat ze in het droge zand van Egypte nauwelijks tot ontbinding konden overgaan. In de buurt van de Nijl wilde men de doden ook niet begraven omdat men de rivier niet wilde verontreinigen. Men wilde hen ook niet laten liggen of opvoeren aan de wilde dieren, omdat de oude Egyptenaren te veel respect hadden voor de lijken van deze overleden broeders om hen zoiets oneervols aan te doen.

 

De enige overgebleven mogelijkheid, nl. de verbranding ervan, pasten zij daarom ook toe op hun eigen doden doordat zij voor een deel heel grote lijkkisten (voor maximaal 3 personen) maar later ook heel kleine exemplaren uit steen beitelden. Voor dat doel beitelden zij verhoudingsgewijs grote en zware dekplaten, balsemden de lijken met mum (muma, ook mumie = aardhars, aardbalsem), maakten het deksel gloeiend heet en dekten de lijkkist daarmee af. Daardoor droogden de lijken in de kist helemaal uit. Als men heel grote en sterk verhitte dekplaten gebruikte, verkoolden de stoffelijke resten vaak helemaal of verbrandden tot as.

Het balsemen werd dus niet toegepast om het lichaam langer te bewaren, maar juist om het beter tot ontbinding te laten overgaan!

 

In grotere plaatsen en gemeenschappen had men ook lijkkisten voor algemeen gebruik, die iedere zeven jaar weer voor een deel werden geopend. Deze werden dan weer met lijken gevuld en helemaal afgedekt, waarna de lichamen in de grote kist tot as verbrandden. Als zo’n kist eenmaal vol as zat, werd hij niet meer geopend, maar bleef ter herinnering aan de vergankelijkheid van al het aardse staan als een monument waaraan men eer bewees.

 

Mettertijd bouwde men gewelven en piramiden over deze sarcofagen (=gloeiend, zwaar deksel, van sakko = gloeiend, en vaga = zwaar deksel)  heen. Dat is de reden waarom men nog heden ten dage in de omgeving van de piramiden een heleboel van zulke kisten vindt in soms zeer nauwe, soms ook brede gewelven (kaitu comba = catacomben, verborgen vertrek) Daardoor wordt nu ook duidelijk waarom er zich - tot verbazing van de huidige mensheid – géén mummies meer in de sarcofagen bevinden. De zeven reuzen zijn dus in de periode ná de explosie van Mallona (omstreeks 2720 v. Chr.) en het begin van de bouw van de tempel van Abu Simbel, 107 jaar later, neergestort . De Egyptenaren hadden alleen al 50 jaar nodig om de lichamen van de reuzen te verbranden. De bouw van de piramiden begon pas 170 jaar na het begin van de bouw van Abu Simbel en ongeveer 50 jaar na de zondvloed (die plaats vond in 2495 v. Chr.).

 

 

 


 

Welke betekenis hadden de piramiden en obelisken

in het Oude Egypte?


De eerste echt grote piramiden zijn gebouwd door koning Shivinz (Sfinx) die regeerde van 2440-2190 v. Chr. In die tijd leefden de mensen veel langer dan tegenwoordig, omdat ze nog leefden volgens de goddelijke orde.   

De grote piramide met de twee obelisken was een leerhuis waarin de mens zichzelf moest leren kennen. Zij bevatte in haar binnenste grote vertrekken en gangen die zich ver in alle richtingen uitstrekten. Daarin bevonden zich allerlei voorzieningen waarmee de mens tot zelfkennis kon komen en tot kennis van de allerhoogste God. Deze hulpmiddelen waren soms nogal hardhandig, maar zij misten zelden doel. (GJE IV/206,3).

 

De andere piramiden in Egypte zijn meestal gebouwd rondom ommuurde sarcofagen. Ten tijde van Jezus bevonden zich nog een heleboel piramiden en tempels in het Nijldal, die veel later zijn ontstaan onder de farao’s, ten tijde van Abraham, Izaäk en Jakob.

Pira mi dai = “schenk mij wijsheid”, was hun oorspronkelijke naam. De beide zuilen met een puntige spits droegen de naam Oubeloiska = “de reine mens zoekt het verhevene, schone, zuivere”. Belo betekent eigenlijk ‘wit’, maar omdat de kleur wit bij de oude Egyptenaren als een teken van reinheid, verhevenheid en schoonheid gold, duidde men daarmee ook het verhevene, reine en schone aan. Om die reden was de grote piramide bedekt met witte kalksteenplaten.

 

De Egyptische piramiden stellen op kleine schaal de hersenpiramiden van de mens voor (GJE IV/232). Ze werden gebouwd als leerscholen, omdat de oorspronkelijke inwoners van Egypte nog volmaakte zielenmensen waren. Daarom hebben de piramiden van binnen ook zoveel gangen en vertrekken, waarin men al gauw de weg kwijtraakt. De muren van de piramiden zijn van binnen beschilderd met allerlei tekens, teksten en voorstellingen, die al datgene aanduidden,

“wat een mens op deze aarde in zijn lichaam allemaal moet doormaken en bestrijden, hoe hij zichzelf moet leren kennen en hoe de ware liefde het middelpunt van al het leven is” (GJE IV/232,14).

 

Het inwendige van de piramide zag er zo uit, dat de mens helemaal afgesloten was van de buitenwereld en daarom moest gaan schouwen in zijn innerlijk om daar zijn innerlijk levenslicht te vinden. Daarom was het in de lange gangen in het inwendige van de piramide ook steeds zo pikkedonker, en het werd er niet eerder licht vóórdat de mens alles kon zien in het schijnsel van zijn innerlijk levenslicht. Want als bij een mens het innerlijke gezichtsorgaan wordt geopend, bestaat er voor hem geen nacht en geen duisternis meer. Een tastbaar bewijs daarvoor wordt geleverd door al die mensen, die sensitief zijn en zich in een staat van geestvervoering bevinden.

Deze mensen zien met volkomen gesloten ogen zeer veel meer dan 1000 mensen met de allerbeste, gezondste en scherpste ogen, want zij kijken dwars door de materie heen, ook al is deze nog zo vast en ondoorzichtig; zij kijken gemakkelijk door de hele aarde heen. Deze mensen, die zich in een vergaande staat van (magnetische) geestvervoering bevinden, kunnen zelfs haarscherp in het inwendige van de sterren kijken.

 

Hoe mensen echter de zalige toestand van geestvervoering kunnen bereiken – wanneer en zo vaak als ze maar willen – werd in het inwendige van de piramiden geleerd en vormde daar de belangrijkste oefening.

Om deze reden gaf men de piramiden de veelzeggende naam She’oul a. Daar stamt voor de oude Hebreeërs de afgekorte vorm Sheol’ vanaf; voor de Grieken was dit het woord schole, voor de Romeinen schola  en voor de Perzen en Indiërs Schehol.

 

Omdat de oude wijzen door hun schouwen heel goed beseften in wat voor een beklagenswaardige toestand díe zielen na de dood terecht komen, die de wereld en zichzelf boven alles lief hebben gehad, noemden zij zo’n betreurenswaardige toestand dan ook she oul a, wat ‘hel’ betekent! (GJE V/72,7).

Dat zo’n toestand ten opzichte van het leven van een ware wijze, die zich binnen de orde van God bevindt, met de ‘dood’ wordt aangeduid, stemt overeen met de waarheid. En omdat dat een onveranderlijke en noodzakelijke eigenschap van al datgene is, wat tot de ‘wereld’ en de ‘materie’ behoort, zal het dan ook duidelijk zijn waarom zoiets de ‘eeuwige dood’ werd genoemd.

 

Zolang een ziel hier of in het hiernamaals in zo’n toestand verkeert, bevindt zij zich duidelijk in een toestand van de eeuwige dood en het is dan ook een heel lastige opgave om zich daaruit los te maken. Veel zielen hebben er een zeer lange tijd voor nodig om op eigen kracht enige vooruitgang te bereiken.

De reden waarom de oude Egyptenaren hun leerhuizen in de vorm van piramiden hebben gebouwd, is gelegen in het feit dat zij nog volmaakte zielenmensen waren, die over een innerlijk licht beschikten waarmee zij de organische bouw van hun lichaam konden waarnemen.

 

De piramidevormen beschouwden de oude Egyptenaren als de belangrijkste vormen waarmee men het innerlijk van de mens kon leren kennen. Naar dat voorbeeld hebben zij hun imposante leerscholen gebouwd. Zij hebben het inwendige van elke afzonderlijke piramide precies dezelfde structuur gegeven als de piramidevormen in de menselijke hersenen, maar dan op zeer grote schaal. Daarom heeft een piramide ook zoveel gangen en vertrekken, waaruit geen verstandig mens meer kan opmaken waartoe ze allemaal dienen.

 

De zuilen met een puntige spits vóór de piramide gaven aan dat in de piramiden naar wijsheid moest worden gezocht, en daarom werd alleen iemand toegelaten die er blijk van had gegeven dat hij een zuivere inborst had.

De twee zuiltjes vóór de vlakken van de hersenplaatjes, waarvan iedere hersenpiramide er acht bezit, zijn de schrijfstiften die – door middel van de beweging van hersenzenuwen, die in verbinding staan met de gezichts- en gehoorzenuwen  - de plaatjes volgens bepaalde regels beschrijven, óf met nog andere overeenkomstige, geestelijke lichtbeelden vullen. (GJE IV/232, 12 en 233,2).

 

Het heilzame resultaat van deze leerscholen raakte al gauw wijd en zijd bekend, zodat op den duur zó veel vreemdelingen toestroomden, dat ze nergens meer konden worden ondergebracht. Daarom verzon Shivinz (de naam ‘sfinx’ is van hem afgeleid) in zijn laatste regeerperiode een afschrikwekkend middel om te voorkomen dat vreemdelingen al te vaak de door hem opgerichte scholen zouden bezoeken.

 

Na de regeerperiode van Shivinz formeerden de geïmmigreerde Phoeniciërs, die weldra de macht grepen, als vreemde heersers (Varion = ‘farao’) een strijdmacht en werden tirannen en onderdrukkers van het volk.

Weinig mensen hadden meer toegang tot de leerscholen. En wát er geleerd werd, week hemelsbreed af van de vroegere lessen, waardoor de eens zo zuivere waarheid afgleed tot de meest absurde afgodendiensten. (GJE IV/207,6).  De kinderen van de bevoorrechte priesterklasse kwamen – wat oorspronkelijk niet slecht was, maar later diende tot het behoud van de macht – meteen na hun geboorte tot aan hun 20e levensjaar naar de piramiden, verstoken van elk glimpje daglicht, om het geestelijke schouwen te leren. Alleen de weergaloos goed geconstrueerde naftalampen dienden hen tot kunstlicht. (Meer daarover is in GJE III/95 te lezen!)

In de tijd van Mozes zakte het onderricht in de leerscholen van Egypte af naar een bedenkelijk niveau. Men begon er toen al mee om alleen een uiterlijk onderricht te geven. Plato en Socrates (ca. 400 v. Chr.) waren zo ongeveer de laatsten die nog iets begrepen van de innerlijke levensschool. (GJE V/72,11).

 

Onmiddellijk daarna is Jezus op aarde gekomen om ons mensen een nog beter levensvoorschrift te geven dan de wijsheidsscholen van de piramiden. Volgens Zijn leer kan iedereen de hoogste levenswijsheid verkrijgen.

Toch is het lang niet voldoende om dit alleen maar te weten en vast te geloven: men moet dit ook volledig in praktijk brengen, ook al zijn de omstandigheden nog zo moeilijk. Men moet dit te allen tijde blijven oefenen, want alleen door het steeds maar weer te proberen kan men zich die vaardigheid verwerven.

 

In de periode vóór de verlossing van de mens door Jezus kon, ondanks de leerscholen in de piramiden, niemand volledig geestelijk wedergeboren worden. Sinds de tijd van Adam is niemand daarin geslaagd, zelfs Mozes en alle profeten niet. Pas door de daad van de verlossing heeft de Vader het voor ons mogelijk gemaakt dat iedereen de staat van de wedergeboorte kan bereiken. (De apostelen waren bv. na de 3-jarige leerperiode van Jezus zover gekomen.

 

De grootte van de piramiden, die als grafmonument werden gebruikt, hing af van de grootte en macht van diegenen voor wie ze bestemd waren. Dat wordt duidelijk uit de aanzienlijke verschillen in de afmetingen ervan.

De farao’s Ramses II (1290-1224 v. Chr.), Sesostris III (1878-1841 v. Chr.) en Moeris (Shivinz ?; 2240-2190 v. Chr.) lieten in hun regeringsperiode de meeste gebouwen verrijzen.

 

Het bouwen van grafmonumenten (piramiden) en tempels was voor de oude Egyptenaren het belangrijkste doel in het leven, belangrijker nog dan het bouwen van hun woonhuizen. Daaruit blijkt dat zij niet alleen afwisten van het geestelijke leven na de materiële dood, maar ook dat zij beseften dat alles draaide om de verering en liefde voor de ene God – dit i.t.t. onze huidige manier van leven!

Dat is ook de reden voor de enorme duurzaamheid van deze geweldige bouwwerken: zij hebben al bijna 4000 jaar lang alle stormen getrotseerd en ze zullen nog meer dan 6000 jaar zonder noemenswaardig uiterlijk verval blijven staan (GJE IV/102,6).

 

Wat is het geheim van de sfinx?

 

In de buurt van enkele piramiden, vóór de Grote Piramide van Gizeh, stonden vroeger twee obelisken (zuilen met een puntige spits) en een paar honderd passen verder, naast de Grote Piramide, staat nog steeds de kolossale sfinx – voor de helft een vrouw en voor de helft een dier. Het beeldhouwwerk heeft het hoofd van een vrouw, vrouwelijke handen en een vrouwelijke, gewelfde borst. Ter hoogte van de buik verandert het in het lichaam van een onherkenbare diersoort (GJE IV/206,2). Achter het beeld bevindt zich in een cirkelvorm een muur, die omgeven is door een groot weidegebied.

 

Dit kolossale standbeeld stelt Shivinz=Sfinx voor, om hem te eren als de grote weldoener. Het werd uit eigen beweging en op eigen kosten vervaardigd door het volk gebouwd m.b.v. de beste beeldhouwers en metselaars. De buitengewone capaciteiten van de oude Egyptenaren zorgden ervoor dat al gauw veel vreemdelingen hun leerscholen bezochten. Daarom bedacht Shivinz een slimme manier om te voorkomen dat al te veel vreemdelingen hun scholen zouden bezoeken. Voor dat doel gebruikte hij de sfinx, die van binnen hol was: binnenin kon je via een wenteltrap doorlopen tot aan de kop. Uit de mond van het beeld, dat naar beneden toe trechtervormig was uitgehold, kon je op luide toon en duidelijk verstaanbaar spreken. Vanwege dat harde stemgeluid leek het dan alsof het beeld sprak. Als er nu vreemdelingen tot de school wilden worden toegelaten, dan werden zij door een dienaar van het beeld erop opmerkzaam gemaakt dat zich één voor één op moesten stellen voor het verheven standbeeld, dat er van levenloos uitzag, maar van binnen levend zou zijn. Aan iedereen werd dan door de verheven Shivinz een raadsel opgegeven; wie het niet kon oplossen, moest sterven. Als de kandidaat het raadsel had opgelost, werd hij tot de school toegelaten en tegelijkertijd werd hem ook het recht gegund om het beeld een wedervraag te stellen. Als het beeld hem daarop geen bevredigend antwoord zou kunnen geven, mocht hij hem vernietigen. Die vraag luidde: welk dier loopt ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten? (antwoord: een kind, een volwassene en een oude man met een stok). Deze vraag werd drie dagen van tevoren ter overdenking aan de kandidaat meegegeven. De bedoeling ervan was, dat niemand zich drie dagen later wilde blameren en iedereen zich daarom heel bescheiden terugtrok, de vereiste belasting betaalde en terugreisde naar zijn vaderland.

 

Voor het geval iemand de vraag ten overstaan van de sfinx niet correct kon beantwoorden, had men het volgende bedacht: de kandidaat moest zich op een bepaalde plaats opstellen, waar een valluik was aangebracht: via dat valluik kwam hij in een put terecht. Als hij eenmaal beneden was, werd hij door enkele dienaren gegrepen en via onderaardse gangen alsnog naar de school gebracht, ook al had hij het raadsel niet opgelost: dit was een beloning voor zijn moed. Hij mocht de school pas verlaten wanneer hij een volmaakt mens was geworden. Jammer genoeg durfde niemand het aan om de vraag van de sfinx te beantwoorden.

 

Heel lang na de tijd van Shivinz loste Mozes het raadsel op, zonder trouwens de sfinx te vernietigen. In zijn tijd was deze holte binnen de sfinx al zó erg met slik en zand gevuld, dat ze volkomen onbruikbaar was geworden.

Na de eerste herderkoningen (met inbegrip van Shivinz) werd Egypte door de Phoeniciërs geregeerd. De farao’s ten tijde van Abraham waren al Phoeniciërs (GJE IV/206,14).

 

De Nijl treedt meestal om de honderd jaar, maar soms ook pas na tweehonderd jaren, bijzonder ver buiten zijn oevers, zodat hij in de nauwe gedeelten van het Nijldal 30 el (= ruim 20 meter) boven zijn gemiddelde waterstand komt te staan. Daarbij wordt er veel gruis, zand en slik afgezet op het vruchtbare land. Na de tijd van Shivinz vonden er twee Nijloverstromingen plaats, waarbij de golven hoog over de toppen van de piramiden spoelden. Eén zo’n overstroming vond in 840 v. Chr. plaats: als gevolg daarvan werd de tempel van Aboe Simbel voor bijna de helft gevuld met zand en slik.  Sinds die tijd heeft men hem niet meer volledig van al het zand en slik kunnen reinigen. Hetzelfde geldt voor de sfinx: deze zit van binnen vol met opgedroogd slik en zand, die niemand meer kan verwijderen (GJE IV/206,12).

 

Over de vraag of de sfinx van binnen nu eigenlijk hol is, discussiëren tegenwoordig nog de geleerden. Het is alleen vreemd dat dit niet meer concreet kan worden vastgesteld (een precieze vaststelling van de ouderdom is niet mogelijk, maar aan de hand van de gemengde minerale structuur – zowel bestaande uit afzettingsgesteenten als uit rotsblokken – zou die vraag toch gemakkelijk moeten kunnen beantwoord! In het tijdperk van de ‘onbegrensde mogelijkheden’ is dat vermoedelijk ook al lang gebeurd).

Ongeveer 567 jaren na Shivinz vond een extreem hoge Nijloverstroming plaats met een waterstand die meer dan 160 el (= ca. 110 m.) hoger was dan normaal; deze overstroming duurde 5 weken. (GJE IV/207,9).

 

 

Met welke krachten zijn de piramiden eigenlijk gebouwd?

 

Je kunt je afvragen hoe de Oude Egyptenaren hun piramiden en tempels hebben kunnen bouwen. Was dat echt een kwestie van slavenarbeid? Of hadden ze misschien de beschikking over bijzondere krachten, waardoor ze bv. piramiden konden bouwen met een grotere precisie dan we tegenwoordig kunnen bereiken met onze beste instrumenten?

 

In het GJE deel IV staat een gesprek beschreven dat Jezus had met een groep Nubiërs, ook wel Moren genoemd, die via Egypte naar Palestina waren gekomen. Dit waren oermensen, die hun oorspronkelijke staat van zuiverheid hadden behouden. Zij waren nog heersers over de natuur, net zoals de eerste mensen dat waren. Zij leefden zoals de mens eigenlijk zou moeten leven, in harmonie met God, met elkaar en met alle levende wezens die in hun land voorkwamen. Om aan alle aanwezigen, waaronder Grieken en Romeinen, te laten zien waartoe mensen in hun zuivere oertoestand in staat zijn, vraagt Jezus hen om hun macht over de natuur te demonstreren.

Voor onze lezing is dit gedeelte héél belangrijk, want hieruit blijkt ook welke krachten de Oude Egyptenaren gebruikt moeten hebben bij de bouw van hun piramiden en tempels. Zo legden deze Moren of Nubiërs met hun dertienen hun handen om de stam van een reusachtige boom, waarbij de rechterhand van de één steeds de linkerhand van zijn buurman of buurvrouw bedekte. Na zo’n 7 minuten begon de woudreus langzaam te draaien; al snel daarna draaide het gevaarte rond in de lucht, waarna ze het heel langzaam op de grond lieten neerkomen, precies op de plek waar ze hem hebben wilden.

Ook legden zij met een groep hun armen om een rotsblok van 5.000 centenaren = 250 ton, waarna het ging zweven en precies op de plaats terecht kwamen waar ze hem wilden hebben. (!) Op deze manier konden de Oude Egyptenaren heel gemakkelijk hun piramiden bouwen.

Verder konden zij met hun geestelijke krachten vuur maken en  weer laten uitdoven. Ook konden zij zich ‘sneller dan een zwaluw in duikvlucht’ over het water bewegen en erover lopen. Wilde dieren bleven voor hen op een afstand en als ze wilden, konden ze dieren dwingen om naar hen toe te komen en te doen wat zij verlangden.

 

Waarom konden zij dit allemaal? Welke eigenschappen ze, die wij níet hebben? Jezus legt in het Grote Johannes Evangelie uit, dat zij volmaakte heersers over de natuur waren door volmaakt vertrouwen, geloof zonder ook maar een moment te twijfelen en door een rotsvaste wil, die letterlijk bergen kan verzetten.

In de ‘volmaakte zielen’ van de Oude Egyptenaren, Nubiërs enz. is de geest van Christus al werkzaam, maar deze zielen zijn er nog niet helemaal één mee geworden. Zulke mensen zijn baas over alle schepselen. Ze krijgen soms visioenen uit de zuiver geestelijke sferen en kunnen het woord van de geest van God vernemen. Daniël was zo iemand. In de leeuwenkuil van de Perzische koning gingen de uitgehongerde leeuwen in een kring om hem heen zitten, omdat ze zich aan hem onderwierpen. In drie dagen tijd schreef hij daar profetieën op, die aan de koning werden overhandigd. De koning kreeg toen spijt en liet hem er weer uit halen.

Jezus vergelijkt zo’n volmaakte ziel met de uitstralende levenssfeer van de zon. Zoals de zon door het licht en de uitstralende kracht die van hem uitgaan de planeten om hem heen in hun baan houdt en het zonnestelsel tot ver buiten de banen van de planeten domineert, zo heeft ook een volmaakte ziel een grote, uitstralende levenssfeer waardoor hij heer over de natuur wordt. Bij zulke mensen is éérst op jonge leeftijd het gemoed ontwikkeld, d.w.z. de zin voor geestelijke waarheid en ook de liefde voor God en de andere mensen, en daarná ontwikkelt zich bij hen het verstand als een uitvloeisel daarvan, d.w.z. als een vermogen dat volkomen gebaseerd op de innerlijke, geestelijke ontwikkeling die daaraan vooraf is gegaan.

Maar als bij een mens éérst het verstand wordt ontwikkeld, en daarna het gemoed en het gevoelsleven, ontstaat er bij de mens al heel gauw hoogmoed, eerzucht, competitiedrang en als gevolg daarvan weer minachting voor anderen. Zo iemand gaat anderen puur beschouwen als middelen om de eigen behoeften en verlangens na te jagen. Er is dan al géén goede basis meer om het gevoel te ontwikkelen.

 

Vóór de komst van Christus kon een ziel, die verkeerd gevormd was, zich wél helemaal op God richten en alle verkeerde eigenschappen en neigingen de baas worden, maar daarbij leek deze ziel meer op een dichtgestopte gaatjespan, die al gauw weer leegliep als de mens toegaf aan de één of andere zwakheid. Die volmaaktheid was dus zeker niet blijvend, maar meer iets wat krampachtig in stand moest worden gehouden.

Door de komst van Christus is er iets wezenlijks veranderd: daardoor kon Hij de verlossersvonk in het hart van iedere ziel leggen. Door de liefde voor Christus en voor de anderen wordt deze verlossersvonk gevoed. Als hij eenmaal groot en sterk genoeg is geworden, verenigt hij zich met de genezen ziel. Dat leidt tot de wedergeboorte van de geest.

 

Kortom : de Oude Egyptenaren waren al heel ver en beschikten oorspronkelijk over een wedergeboren ziel, waarmee zij de natuur en zijn krachten beheersten, maar zij hadden nog niet de wedergeboorte van de geest bereikt, waardoor de mens pas echt helemaal vrij wordt en tot in alle diepten van de schepping kan doordringen. 

 

 

De  mythe van Isis en Osiris en de diepere betekenis ervan

 

 

De ouders van Osiris waren Geb, de aarde, en Nut, de hemelgodin. Osiris werd koning van Egypte en bracht het land en zijn bevolking tot bloei. Hij leerde het volk hoe het graan moest zaaien en oogsten, hoe zij akkers moesten aanleggen en de grenzen ervan moesten meten, en hoe zij het land moesten bevloeien met kanalen en dammen. De wetgeving, de godsdienst en het stadsleven waren allemaal giften van Osiris. Hij was kortom de grote organisator van Egypte en hun leidende geest: hij maakte Egypte tot wat het was. Ook wordt hij in verband gebracht met de aardse en hemelse orde, en daarom ook met de sterrenhemel.  

Zijn successen als koning van Egypte en zijn werk als organisator brachten met zich mee dat hij veel reizen ondernam, maar toen hij van één van zijn vele ondernemingen huiswaarts keerde naar zijn zuster en echtgenote Isis, werd hij gedood door een groep samenzweerders die werden aangevoerd door zijn broer Seth.

Nu was Seth een dubieus figuur in het Egyptische pantheon. Hij werd geassocieerd met de sterren van de Grote Beer , die door de Egyptenaren het sterrenbeeld 'Meskhetiu' werden genoemd, oftewel 'de poot en heup van de stier'. Als tegenstander van Osiris stond Seth voor steriliteit, de woestijn, botte kracht en geweld. In de mythe van Osiris is Seth de personifiëring van de chaos.

Tijdens een feestmaal wisten Seth en de andere samenzweerders Osiris ertoe te bewegen om in een grote doos te klimmen, die eruit zag als een doodskist en precies zijn formaat had. Vervolgens dromden ze om hem samen, sloten het deksel, spijkerden het vast en wierpen het in de Nijl.

De kist met zijn lichaam dreef stroomafwaarts en verliet de Nijl om uit te monden in de Middellandse Zee. Zijn vrouw Isis volgde de kist en vond zijn lichaam terug in de Syrische plaats Byblos; vandaar bracht ze het terug naar Egypte. Hoewel ze hem niet weer tot leven kon wekken, slaagde zij er met behulp van toverkracht in om hem een kind te laten verwekken. Zij verborg zijn lichaam in de rietvelden van de Nijldelta en verzorgde diep in het geheim het pasgeboren kind van Osiris.

Op een nacht vond Seth, die op jacht was bij het licht van de maan, echter het lichaam van Osiris. Hij sneed het in 14 stukken en verspreidde deze over de rivier de Nijl. Toen Isis dit zag, deed zij haar uiterste best om de verspreide lichaamsdelen van haar echtgenoot weer bij elkaar te zoeken. Met heel geduld vond zij ze allemaal, op één na: zijn mannelijk lid. Het symbool van zijn vitaliteit was verloren gegaan in de Nijl.
De mythe van Osiris vervolgt met zijn wederopstanding. Isis balsemde en mummificeerde hem, en dankzij haar hulp verkreeg hij het eeuwige leven. In talloze graven en tempels wordt dit aspect van zijn mythe belichaamd in een hemels persoon - het sterrenbeeld Orion.

Orion en Sirius - de nachtelijke tegenhanger van Isis - worden vaak afgebeeld terwijl ze varen in een hemelse boot. Gewoonlijk staat Orion daarbij op de plecht, terwijl hij omkijkt naar zijn vrouw, die hem volgt tijdens de nachtelijke reis van oost naar west. De sterrenhemel is het gebied waar de rest van de mythe zich afspeelt. Zoals de dode Osiris in zijn kist via de Nijl uit Egypte wegvoer, gevolgd door Isis, zo gaat Orion onder aan de nachtelijke hemel, even later gevolgd door Sirius.

In het GJE Deel XI komt een Egyptische priester voor, een oude ingewijde in de dienst van Horus. In uren van geestvervoering ontving hij de geest der profetie en werd zijn geestelijk oog geopend. Deze man, die dus ook de oude leer van Isis en Osiris kende, profeteerde t.t.v. Christus aan een Joodse man het volgende – en daaruit blijkt ook hoe sterk de Oud Egyptische wijsheidsleer leek op de leer van Christus.:
“De geest van wijsheid daalt af, gezonden door de eeuwige Liefde, en zal het helderste licht verspreiden. Dan zal Isis jammeren om haar gedode echtgenoot, maar de eeuwige Zoon zal de heerschappij op zich nemen van de troon van de Vader. Dan breekt er een nieuwe tijd aan. De aarde zal omvallen en er zal een nieuwe wereld ontstaan, totdat opnieuw de Zoon toegerust met alle kracht, het grote dodengericht zal houden en zal scheiden wat goed en verkeerd is.”

Hieruit zien we ook hoe meerduidig de mythe van Osiris en Isis is en hoe sterk deze mythe in essentie lijkt op het christendom. “De geest van wijsheid, gezonden door de eeuwige Liefde”, is Christus die incarneert op aarde. “Dan zal Isis jammeren om haar gedode echtgenoot” betekent dat Christus lichamelijk zal sterven. “De eeuwige Zoon zal de heerschappij op zich nemen van de troon van de Vader” betekent, dat Christus na Zijn overwinning op de dood zal heersen . “Er zal een nieuwe wereld ontstaan” betekent dat de brug naar de hemel door Christus weer geopend is. “Totdat de Zoon, toegerust met alle kracht het grote dodengericht zal houden en zal scheiden wat goed en verkeerd is” verwijst naar de toekomst, en wel naar de tijd die er aan zit te komen, de tijd van de grote verandering, waarin goed en kwaad steeds meer gaan schiften en er uiteindelijk een definitieve scheiding komt tussen die twee.

Aan dit voorbeeld kunnen we tegelijkertijd zien hoe diep de oorspronkelijke godsdienst van de Oude Egyptenaren ging. Als we hun symboliek goed verstaan, zien we daarin al de basistrekken van de nieuwe godsdienst, die ontstaat door de komst van Christus. Egypte wordt ook terecht ‘de voorschool’ voor de komst van Christus op aarde genoemd.

 

Gebruikte afkortingen:
GJE = Het Grote Johannes Evangelie van Jakob Lorber. Het Romeinse cijfer achter deze afkorting betreft het boekdeel, bv. GJE XI is het elfde deel van het Grote Johannes Evangelie. Achter de schuine streep staan de hoofdstukken waarin een bepaald citaat voorkomt, bv. GJE XI/20.

HG = De Huishouding van God.

Tekst van de lezing van Hendrik Klaassens voor Stichting Lorberlezingen op 8 januari 2004.

 


 

 

      

Is de geschiedenis van het Oude Egypte

doelbewust vervalst?

 Hendrik Klaassens

   

Pogingen tot geschiedvervalsing zijn er altijd al geweest. Recente voorbeelden kun je o.a. vinden in het stalinistische tijdperk, toen partijfunctionarissen die in ongenade waren gevallen, werden 'weggeretoucheerd' van oude foto's. Ook de nazi's deden aan geschiedvervalsing. Denk in dat verband maar eens aan Goebbels' "Ministerie van Propaganda". Dat is allemaal nog gemakkelijk voor te stellen. Maar hoe zat het met de oude culturen, zoals de Oud-Egyptische beschaving? Werden er toen ook al pogingen gedaan om historische gegevens te manipuleren, en zo ja, met welk doel gebeurde dat dan?


ECHNATON
Ook de oudste culturen van de aarde kenden milde vormen van geschiedvervalsing. Zo heeft men uit religieuze of politieke overwegingen al vaak geprobeerd om de namen van voorgangers van verdachte signatuur weg te laten beitelen uit tempels en annalen. Soms om een onrechtmatige troonswisseling te verdoezelen, soms ook omdat er een ware religieuze revolutie had plaatsgevonden, zoals in het geval van Echnaton, die de troon had bestegen als Amenhotep IV. Toch is het wel degelijk gelukt om de regeerperiode van hem nauwkeurig te reconstrueren. Zijn residentie El-Amarna heeft men volledig opgegraven. Daardoor weten we ook, dat zijn denkbeeld van de ene God Aton weliswaar nieuw was, maar toch ook in zekere zin nogal materiëel van aard: hij stelde zich die ene God voor als de concrete zonneschijf, die zijn zegenende stralen naar de aardbewoners deed uitgaan. De cultussen van de andere goden, waaronder de eredienst voor Amon, werden verboden of op een laag pitje gezet. De priesters van ‘foute’ goden werden gedood of gedwongen zich bij de verering van Aton aan te sluiten, wat natuurlijk veel vijandschap kweekte. Al vrij snel na zijn dood lieten de regenten van zijn zoon Tuth-anch-Amon daarom de naam van de ketterfarao wegbeitelen van alle officiële inscripties. Zijn hoofdstad El-Amarna werd zelfs gebruikt als bouwmateriaal voor de latere farao's.



DE BETROUWBAARHEID VAN DE OUD-EGYPTISCHE CHRONOLOGIE: ZIJN HISTORISCHE GEGEVENS GEMANIPULEERD?


Van de Egyptische geschiedenis heeft men een redelijk betrouwbaar beeld. Verschillende dateringsmethoden worden gebruikt om de ouderdom en leeftijd van iets vast te stellen. Zo gebruikt men bv. de geslachtsregisters en dynastielijnen van de farao's voor de datering, maar ook de koolstof C14-methode. Verder kan men iets dateren aan de hand van karakteristieke bouwstijlen, types gebruiksvoorwerpen, jaarringen van de bomen, veranderingen in de vegetatie, afzettingsgesteenten enz. Kortom: een heel scala aan dateringsmethoden wordt tegelijkertijd gebruikt voor een zo scherp mogelijke tijdsbepaling. Bovendien zijn er dan nog de dwarsverbindingen met de chronologie van andere beschavingen uit die tijd. Ik denk dat dit redelijk betrouwbaar is. Op welk punt laten deze dateringsmethoden het dan afweten, waardoor er een scheefgetrokken beeld ontstaat? Welke harde bewijzen bestaan er, waaruit zou moeten blijken dat de geschiedenis van de oude culturen bewust is vervalst? Met welk doel zou dat dan zijn gebeurd? En vooral: wie profiteert hier dan van en op welke manier?



Naar mijn overtuiging is nog nooit bewezen dat de geschiedenis van oude culturen bewust is vervalst om hedendaagse politieke doelen te verwezenlijken. Wél zou men misschien kunnen wijzen op gemanipuleer met historische gegevens om huidige gebiedsaanspraken hard te kunnen maken. Zo wordt binnen de Joodse staat door fanatiek-orthodoxe groeperingen gewezen op de vroegere omvang van het rijk van Salomo; dat wordt dan als legitimatie gebruikt om gebied van andere staten bezet te houden. Saddam Hoessein gebruikte oude territoriumclaims en landkaarten om zijn bezetting van Koeweit te rechtvaardigen. De nazi’s maakten het nog bonter door ook gebieden te claimen, waarin Duitse minderheden woonden, zoals bv. het Tsjechische “Sudetenland”.

Deze voorbeelden staan niet op zichzelf. Meestal is er slechts dán sprake van gemanipuleer met historische feiten, als dit gerelateerd is aan gebiedsaanspraken. Soms speelt ook persoonsverheerlijking een rol, of is er sprake van mythevorming, waarbij men de huidige economische en politieke malaise probeert te vergeten door het verre verleden te idealiseren. Dat kan bewust door machthebbers worden uitgebuit. Desondanks worden historische feiten dan meestal niet verdraaid; er is eerder sprake van een zeer selectieve en willekeurige manier van het omgaan met historische gegevens.



DE OUDERDOM VAN DE PIRAMIDEN


Dat sommige piramiden tienduizenden jaren oud zijn, zoals wel in New Age-kringen wordt beweerd, geloof ik persoonlijk niet. Kijk maar eens naar de grote piramide van Gizeh: de grote schacht vanuit de koningskamer is gericht op Thuban, de poolster van ca. 2500 v. Chr. Er zijn nog wel meer bewijzen voor de stelling dat die datering redelijk klopt. Waarom zouden we er dan van uit moeten gaan dat de piramiden tienduizenden jaren oud zouden zijn? De bewijzen voor een datering van rond 2500 v. Chr. zijn vrij hard. Dat wordt nog geloofwaardiger als we kijken naar de ontwikkeling van de Oud-Egyptische architectuur en de logische reeks, die we in de bouw van de verschillende piramiden kunnen ontdekken.


Bij de stichting van het Oude Rijk was het nog de gewoonte om koninklijke personen te begraven in rechthoekige bouwwerken, de zgn. mastaba’s. Men gaat ervan uit dat de eerste piramiden zijn ontstaan doordat men een aantal mastaba's op elkaar ging stapelen. Zo werd onder het bewind van farao Djoser tijdens de 3e dynastie van het Oude Rijk de zgn. ‘trappenpiramide’ gebouwd. Deze lijkt op een aantal mastaba's, waarbij er telkens een kleiner exemplaar op de daaronder gelegen mastaba werd gestapeld. Onder de latere farao Snofroe, de eerste farao van de 4e dynastie, werd de zgn. ‘knik-piramide’ opgericht, die je nog als een min of meer mislukte poging tot piramidebouw kunt beschouwen. Pas onder Cheops, de tweede farao van de 4e dynastie, slaagde men erin een piramide te bouwen met een strakke, klassiek-geometrische vorm.

Het belangrijkste is echter, dat er een duidelijke, logische ontwikkeling zit in de piramidebouw. De ouderdomsdateringen van al deze gebouwen zijn toch vrij safe. Waarom zou men dan opeens moeten aannemen dat bv. de piramide van Cheops, die een veel hogere graad van architectonische ontwikkeling laat zien dan bv. de mastaba’s, toch véél ouder zou zijn?

Er bestaan daarom m.i. géén betrouwbare, doorslaggevende bewijzen dat de piramiden ouder zouden zijn dan de aangeduide periode van ca. 2500 v.Chr. Afgezien daarvan is het moeilijk voor te stellen waarom iemand er tegenwoordig nog belang bij zou kunnen hebben om de geschiedenis van de Oud-Egyptische cultuur bewust te verdraaien. Een dergelijke gedachtegang hoort eerder thuis in het schimmige domein van de conspiracy-theorieën dan in dat van de serieuze geschiedschrijving.

Hendrik Klaassens 


 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL