Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

 

      

      

Verhalen van Hendrik.

 

Deel 1
Long tall ships - Het monster - Het land Nimmermeer  - Aan de andere kant van de  spiegel -De tijd, de herinnering

Deel 2

Ruiter op de sterren -  De zee, de stilte en God - Ervaring bij een kloosterruïneDe Duivelskunstenaar - Gezicht op een zomeravond - Op weg naar het licht

 

 

Deel 3

Deel 4

 

 

 



Ruiter op de sterren

 

Luttele meters scheidden hem van de bosrand. De lichtbundel van zijn zaklantaarn danste op de cadans van zijn voetstappen door de steeds dunner wordende laag naaldhout. Daarachter, zo wist ‘ie, wachtte de weidsheid van de sterrennacht. De donkere silhouetten van de takken staken als een kronkelend netwerk af tegen de lichtere achtergrond van het uitspansel. Hij knipte zijn zaklantaarn uit; hier eindigde het bos.

 

Aan de rand van de vlakte, staande in het hoge gras, kwam hij op adem. Nu pas merkte hij dat zijn hart bonsde en dat dunne adertjes zweet langs zijn zij naar beneden dropen. Hij blikte omhoog: breed en wit, als een flinterdun laagje rijp op het nachtelijk zwart, slingerde de melkweg zich vanaf de horizon omhoog tot aan het zenit. Myriaden sterren, te zwak om afzonderlijk te kunnen worden gezien, vormden een lichtende band die – steeds zwakker wordend – oploste in het noorden. Hij kalmeerde. Langzaam kwam de gedachtenjacht in zijn binnenste tot rust, alsof de vaste, onverstoorbare orde van de sterren op hem overging en geleidelijk bezit van hem nam. De muur van vijandigheid die hij steeds om zich heen had gevoeld, week terug, loste op. Met kalme blik overzag hij alles: de krankzinnige samenloop van omstandigheden die hem naar hier had gevoerd, de onafgebroken strijd, het taaie, geduldige wachten op verandering...

 

Wie was hij eigenlijk, hij, de magiër, de woordkunstenaar, verlate monnik in een wereld die waanzinnig afstevende op haar onverbiddelijke ondergang? Sinds hij – nog maar net een kwartier geleden – de bungalow had verlaten die hij voor het weekend had gehuurd om er ongestoord te kunnen schrijven, had een even onverklaarbare als onweerstaanbare drang hem naar hier gedreven, naar deze open plek in het bos, naar de abstracte verten van de sterrennacht. Zoals zo vaak wanneer hij wilde schrijven, had een steeds sterker wordende onrust bezit van hem genomen. Uiteindelijk had hij zijn schrijfmachine maar weer opgeborgen en was voor de portable tv gekropen die tot het basispakket van deze viersterren-bungalow behoorde. Zappend over de kanalen was hij op veel bloot en voetbalbeelden gestuit, met als gunstige uitzondering een oude sf-klassieker, die hij tot het einde toe had uitgezien. Na de aftiteling was hij wel een half uur lang op het bankstel bij de tv blijven zitten. Zonder dat hij nu precies kon zeggen waarom, had hij de neiging om de hele boel kort en klein te slaan of zich in een café te bezatten. En nu stond hij hier, in het hoge gras aan de rand van het bos.

 

Nadat hij daar ongeveer een half uur had gestaan – zwijgend, wachtend – vuurde hij de eerste lichtkogel af. De weidse stilte brak open, een vurig projectiel boorde zich de hemel in. Alle sterren overstralend in glans, verlichtte het de eindeloze grasvlakte vóór hem. Steeds zwakker wordend plantten de echo’s zich door het naaldwoud voort, een blindganger van geluid in de heldere nacht.

Hij laadde het pistool opnieuw en haalde andermaal de trekker over. Vanaf een hoogte van driehonderd meter wierp de kogel een rode gloed over het landschap, daarna verdween hij langzaam in een flauwe boog achter de bossen.

Vijf minuten later was zijn voorraadje patronen uitgeput. Zijn nachtelijke actie was echter niet onopgemerkt gebleven: in een bungalow een paar honderd meter verderop werden de lichten aangeknipt; verbaasde middenstanders op leeftijd, die een weekje vrijaf wilden hebben van hun drukke winkelnering en in de zuurstofrijke Gelderse boslucht weer op krachten hoopten te komen, tuurden angstig door een spleet in de gordijnen. Hij maakte een lange neus naar hen. In die bungalowtjes was toch geen telefoon en het servicegebouw van deze shitcamping bevond zich op tien minuten lopen van hier; niets om je zorgen over te maken dus. Balorig gooide hij een steentje in hun richting. Daarna sloop hij op de tast terug naar zijn eigen vakantiehuisje.

 

De nacht was nog lang, het liep pas tegen tweeën. Hij stopte een bandje van Enya in zijn meegebrachte gettoblaster en draaide de volumeknop op maximaal. IJle, ritmische melodieën swingden de huiskamer in. Hij plofte neer in de leren fauteuil naast de tv en stak een sigaret op. “Groots en meeslepend wil ik leven”, prevelde hij en spuwde ondertussen een plukje shag weg dat aan zijn lippen was blijven plakken. “Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan/terwijl ranke populieren als ijle pluimen aan den einder staan!”

Die verveling ook altijd. Verveling en angst: ze hingen samen, vormden een onafscheidelijk duo. Bij alles wat hij deed was het alsof een zwerm geniepige duiveltjes toekeek en hem in het oor fluisterde dat alles wat hij ondernam tóch wel weer zou mislukken; alle pogingen om iets van het leven te maken leken tot mislukken gedoemd, alle moeite was tevergeefs, zijn leven één struikeltocht op weg naar het onvermijdelijke einde, de slotsomberingen van de dood… Nee, er móest méér zijn, hij voelde het dichtersbloed in zich ruisen, bruisen, opgulpen uit onvermoede diepten. Altijd was er een kracht in hem, een taaie onverzettelijkheid, een ijzeren wil om iets tot stand te brengen dat stond als een huis en sterker was dan de dood. Déze fermheid was er in ieder geval, dít gevoel: incidenteel manifesteerde het zich in gedichten van superieur niveau, geschreven met een ijl raffinement. Maar gesteld dat het hem zou lukken om een geniale bundel te laten verschijnen – wat zou hem dat méér opleveren dan een tijdelijke roes waarin hij zich kon koesteren in nieuwe, nóg weidsere dromen van eigen voortreffelijkheid? Wat wilde hij dan eigenlijk: een hele schare vriendinnen die hem om de hals hingen, geld, roem, onsterfelijkheid? Zou de leegheid, de ijdelheid van zijn leven daardoor verdwijnen, oplossen in het niets?

 

Wat deed hij allemaal niet om een sympathieke indruk op anderen te maken, wat liet hij allemaal niet na om te voorkomen dat ze een hekel aan hem kregen? Het was oneindig veel beter om een leven te leiden waar hij zélf tevreden over was en anderen minachtend op neerzagen, dan om willoos, als een gekooide adelaar, mee te hobbelen met de stompzinnige burgerlijkheid rondom! Zo’n leven van illusies, angst en slaafse kruiperigheid verachtte hij – alles beter dan dat! Dan maar de vrijheid, het wilde leven in ongetemperde kracht!

Woest smeet hij de asbak door de kamer. Het glas versplinterde tegen het aanrecht in duizend stukjes, een halo van glinsterend gruis onder het neonlicht. Hij trapte zijn peuk uit op de parketvloer en liep naar de slaapkamer, waar hij zich op het bed liet neerploffen. Met zijn kleren nog aan viel hij in slaap.

 

Hij werd wakker door een melodietje dat steeds maar door zijn hoofd heen speelde. Slaapdronken richtte hij zich op en liep naar de wastafel om een glas water te drinken. Hij keek op zijn horloge: half zes. Eigenlijk was het nog te vroeg om nu al op te staan. Toch wist hij zeker dat hij de slaap niet meer kon vatten. Lusteloos sjouwde hij naar de woonkamer. Door de gele overgordijnen drong het eerste morgenlicht al binnen. Zijn gezicht klaarde plotseling op: was het misschien niet een goed idee om naar de open vlakte terug te keren en daar naar de zonsopkomst te kijken? Die gedachte stond hem wel aan. Twee minuten later was hij al op weg.

 

Aan de rand van de open plek in het bos klom hij in een stevige beuk. Hiervandaan, zo’n meter of vijf boven de grond, had hij een prachtig uitzicht op het oosten. Over het hoge gras lag een dun laagje dauw, dat zilverwit glinsterde in het eerste morgenlicht.

Hij haalde zijn camera met zoomlens tevoorschijn en tuurde door de zoeker. Nergens waren herten te zien. Maar wat bewoog daar, pal in het zuidoosten? Met zijn rechterarm leunde hij tegen een tak om het toestel heel stil te kunnen houden. In de verte ontdekte hij een mannelijke gestalte. Kalmpjes liep deze over de vlakte in zijn richting. Het was alsof zijn voeten nauwelijks de bodem raakten, zó lichtvoetig en gemakkelijk bewoog hij zich voort. Hij verstarde van schrik en wilde al teruggaan naar het vakantiehuisje, maar iets dwong hem om te blijven kijken.

De gestalte droeg een lang, wit habijt; zijn sneeuwwitte haren golfden onder het gaan en in zijn rechterhand hield hij een voorwerp. Op deze afstand was niet te onderscheiden om wat voor een voorwerp het ging. Losjes, alsof hij alle tijd van de wereld had, stak hij de vlakte over. Hij was nu zeker tot op minder 200 meter genaderd.

 

 

Vanuit de beuk probeerde hij er een foto van te nemen, maar zijn vingers trilden té erg. Had hij nu maar een statief meegenomen!

Een paar minuten later was de man tot onder de beukenboom genaderd. Hij knikte hem vriendelijk toe. ‘Had u misschien iets verloren?’ vroeg de man, terwijl hij zijn rechterhand opende. Daar lag het alarmpistool waarmee hij gisteravond lichtkogels had afgevuurd.  In de euforie van het knalfestijn van gisteravond was het vast en zeker uit zijn zak gegleden.

“Ja”, antwoordde hij met een bibberend stemmetje, “maar hoe komt u daaraan?”

De man glimlachte. “Dat doet er nou niet toe. Steek het maar weer bij je. Waarom heeft een knaap als jij trouwens zulk speelgoed nodig? Heb je niks beters te doen, hm?”

Snel klom hij uit de boom en nam het schiettuig in ontvangst. Er had wat ergernis doorgeklonken in de stem van de grijsaard, maar meer zoals een vader zijn zoon toespreekt nadat deze een schelmenstreek heeft uitgehaald.

“Verveel je je soms…. Freek?”

Verrast keek de aangesprokene op. Hoe kon de man in vredesnaam weten hoe hij heette? Hij had hem nog nooit eerder gezien.

“Wie bent u eigenlijk en wat wilt u van me?”, vroeg de jongeman.

“Alles op zijn tijd. Kom, laten we naar jouw bungalowtje toe gaan, daar kunnen we wat gemakkelijker praten.” De man had iets gebiedends over zich, waardoor je hem meteen zou willen gehoorzamen, maar het viel moeilijk te definiëren waardoor dat kwam. In zijn ogen lag een zachte, diepe glans, maar toch zou je zijn hele voorkomen niet direct weekhartig kunnen noemen; daarvoor was hij te resoluut en zelfverzekerd. Het was meer alsof hij de situatie elk moment volledig onder contrôle had en exact wist wat hij moest doen; hij had een bepaald doel – zoveel was zeker. Hij wílde iets van hem – geen twijfel mogelijk – maar wát?

 

Gedwee liep hij naast de man voort. Even later gingen ze het huisje binnen. De voordeur had hij nota bene niet eens op slot gedaan, want zijn metgezel stapte zomaar het halletje in.

De jongeman wees de grijsaard in zijn wit habijt een plaats aan, waarop deze in een gemakkelijke houding op het bankstel ging zitten.

“Je zult wel nieuwsgierig zijn naar mijn naam” sprak hij en monsterde zijn gesprekspartner kort met zijn grijsblauwe ogen. “Naftaniël noemen ze mij; ik kom overal waar men mijn hulp nodig heeft. Dat wil zeggen: waar het verlangen leeft naar hulp vanuit de geestelijke wereld. Dat is ook het enige wat voor mij telt: voor de rest maakt het mij niet uit met wie ik te maken heb of onder wat voor omstandigheden degene verkeert, die wil worden geholpen.”

De man pauzeerde even als om de aangesprokene gelegenheid te geven het gezegde te verwerken.

“Kijk, in wezen ben jij een prachtkerel, een vent van goede wil. Toch maak jij – zacht gezegd – een rotzooi van je leven. Heb je je wel eens afgevraagd hoe dat komt? Wat denk je?”

Freek zocht naar woorden. Zo’n ad rem iemand was hij zelden tegengekomen.

“Nou?”, drong de oude man aan, “Waarom heb je deze bungalow gehuurd? Ik denk, mijn beste jongen, dat iets jou geweldig dwars zit. Maar,” – en hij maakte een wegwerpgebaar met zijn arm – “laat ik niet aandringen. Ik zeg je alleen dit: je kunt me vertrouwen, en wel volledig. Alles wat hier gesproken wordt, blijft tussen ons. Zeg me eens, voel je je eigenlijk niet onzettend triest, hm?”

 

Op dat moment brak er iets in hem. Of het nu kwam doordat de man hem zo vertrouwelijk had toegesproken, haast als een vader, of dat het zonderlinge van de hele situatie hem te machtig werd – hij wist het niet, maar hij slaagde er niet langer in zijn emoties in bedwang te houden. Schokkend, bevend over zijn hele lichaam, dook hij ineen, niet langer slag leverend tegen een tot cynisme verstard verdriet, maar als een kind, een pasgeborene, die snakt naar lucht, naar de eerste ademtocht die zijn longen vult.

Terwijl Naftaniël hem met zijn ondoorgrondelijke blik bleef aankijken, vervaagde de omgeving: de bungalow, het bankstel, de contouren van de kamer – alles loste op in een grijze mist die geleidelijk overging in het inktzwart van de ruimte. Gewichtloos voelde hij zich drijven door eindeloze verten. Zo ver het oog reikte waren er sterren te zien. Sommige waren samen geclusterd tot gigantische bolvormige hopen sterlicht, andere straalden solitair of in kleine groepjes. Hij had het gevoel dat hij adembenemend ver de ruimte in kon kijken, alsof er een sluier voor zijn ogen was weggetrokken.

Nadat hij zo een tijdje had voort gezweefd, maakte er zich uit de achtergrond iets los: pijlsnel schoot er een lichtstraal op hem af. Duizelingwekkend snel doorkliefde het de verten. In een oogwenk had het de afstand naar hem overbrugd: vlak vóór hem verdichtte het zich tot een groot scherm, en hij hoorde een stem: : Dit is jouw leven. Kijk eerst maar rustig toe; straks mag je vragen stellen. We laten je nu jouw leven zien vanuit het perspectief van de eeuwigheid. Kijk goed!”

Voor zijn ogen ontvouwde zich een breed panoramascherm waarop hij zichzelf zag, glashelder en driedimensionaal. Hij liep door een smalle straat en duwde een buggy met een tweejarig kind voor zich uit. Het was een opgewekt kereltje dat naar een groepje eenden wees die ronddreven in een vijvertje. “Anja, anja!” kraaide het opgewekt. Hij volgde de blikken van het kind. “Ja, een paar eendjes”, zei hij afwezig. Hij voelde zich onbehaaglijk en wierp af en toe een blik om zich heen, alsof hij zich bedreigd voelde. In de verte zag hij een vrouw lopen met lang, zwart haar. Ze had twee kleine kinderen bij zich en liep in zijn richting. Toen ze hem in het oog gekregen had begon ze tegen haar kinderen te giechelen en naar hem te wijzen. Hij verstarde – een golf van woede en angst kolkte in hem omhoog, alsof er een oeroude wond was aangeraakt. Hij keek niet op of om, maar liep snel door.

 

Een ander fragment. Hij zag zichzelf zitten op zijn zolderkamer. De gordijnen waren gesloten, er brandde een bureaulamp op de tafel voor hem. Kalm concentreerde hij zijn gedachten op een man, die hem zojuist had opgebeld met het verzoek hem van de pijn in zijn rechterknie af te helpen. Naast hem ontstond – heel dun en ijl, maar toch nog zichtbaar – de gestalte van de oudere man. Met steeds grotere intensiteit bouwde hij deze etherische gestalte op met pure gedachtenkracht. Toen dit beeld zich voldoende had verdicht, legde hij zijn rechterhand op de denkbeeldige plaats waar zich de knie van de oudere man moest bevinden. Een stroom weldadige warmte vloeide uit zijn handpalm en werd zichtbaar als een rode gloed, die een zwarte plek in de etherische gestalte van de oudere man langzaam oploste.

De man in kwestie, die in werkelijkheid thuis in een ontspannen houding op de bank zat, ervoer dat de pijn uit zijn knie wegtrok. Met een gevoel van dankbaarheid onderging hij de warmtegloed die zich daar verspreide. De magnetische behandeling-op-afstand had goed geholpen!

 

Daarna begonnen de beelden snel door elkaar te wervelen, alsof allerlei scenes uit zijn leven om de voorrang streden. Het leek wel alsof er een film in een krankzinnig hoog tempo voor zijn ogen werd afgedraaid. Sneller en sneller ging het. Tot slot groepeerden ze zich in twee reusachtige kegels: de bovenste wees met de punt naar beneden en de onderste stond recht overeind, zodat de scherpe punten van de beide kegels elkaar precies in het midden raakten. Majestueus wentelden ze voor hem in de ruimte rond. Precies in het midden, waar de kegels elkaar met hun scherpe punten aanraakten, steeg een geraas op dat steeds sterker aanzwol.

Hij had het gevoel dat hij dit niet langer kon verdragen, maar desondanks nam het geraas alsmaar in intensiteit toe. Op het moment dat hij dacht zijn bezinning te verliezen, hield het lawaai plotseling op: al wat restte was een diepe, vredige stilte.

Hij sloeg zijn ogen op. Naftaniël zat nog steeds op de bank tegenover hem. Een brede bundel zonlicht viel door een zijraam naar binnen; de hemel was opgeklaard en de zon stond al hoog aan de hemel. Dat betekende dat hij een hele tijd buiten westen was geweest. Maar waar dan precies? Flarden van een droom – of wat het ook maar was geweest – schoten hem te binnen.

“We hebben je verbonden met de wereld van de geest”, verklaarde Naftaniël. Hij glimlachte en pauzeerde even. “Ben je ervan geschrokken?”

Freek antwoordde niet. Moeizaam richtte hij zich op en zocht zijn shag. Met bevende vingers begon hij een sigaret te draaien. Terloops keek hij Naftaniël aan. Het voelde alsof er een last van hem afgevallen was, alsof een hoop ballast daar in de ruimte was achtergebleven. Toch was hij ook verward; hij had tijd nodig om alles te laten bezinken.

Toen hij wat kalmer was geworden, vroeg hij: “Waarom heb je mij dit alles laten zien? En wat waren die twee kegels? Wat hebben die eigenlijk met mijn leven te maken?”

Naftaniël pakte zijn hand en legde die vaderlijk in de zijne. “Ik heb je je grootste kracht en je grootste zwakheid laten zien: het zwakst ben je in je angst voor het oordeel van anderen, het sterkst in de liefde die je in je hart voor anderen kunt voelen. Feitelijk is dat al genoeg om de basislijnen van een mensenleven weer te geven, omdat ze de uiterste grenzen bepalen waarbinnen een leven zich afspeelt: de diepste liefde en de grootste angst, die zich als volstrekte tegenpolen tot elkaar verhouden.

Daarna zag je allerlei afzonderlijke beelden uit je leven in hoog tempo aan je geestesoog voorbijtrekken totdat het geheel in twee gigantische delen voor je begon rond te wentelen: de bovenste kegel stelde alle liefdevolle, opbouwende elementen voor, de onderste alle destructieve, liefdeloze ervaringen en gedachten. Maar wees gerust: ook het negatieve, alles wat zo op het oog negatief en pijnlijk is, hoort erbij: het zijn de donkere ondertonen in de symfonie van jouw leven. Vanuit een hoger perspectief bekeken vullen ze elkaar aan.”

 

Hij keek Freek onderzoekend aan en vervolgde toen: “De kegels stonden met de uiteinden naar elkaar toe gekeerd, d.w.z. dat goed en kwaad, licht en donker, liefde en haat weliswaar elkaars tegengestelden zijn, maar toch ook een zeker raakvlak met elkaar hebben. Het gaat in het leven in de diepste kern steeds om de keus tussen die twee: dáár vallen de beslissingen, dáár wordt geestelijke groei bevorderd of belemmerd, dáár bouwt de mens zich een hemel of een hel. Daarom kwam het lawaai, het aanhoudende geraas dat je bijna overweldigde, ook daar vandaan: dat is de voortdurende strijd die je voert om door allerlei negatieve ervaringen die je in het leven hebt opgedaan níet verbitterd te raken, maar open en ontvankelijk te blijven – liefdevol en vertrouwend op je goede wil en de stille verwachting dat je geleid wordt en beschermd. Die strijd in je is hevig en onophoudelijk, maar je hield vol en wankelde niet. Dat betekent dat je bereid bent alles te ondergaan en je kop niet te laten hangen, wat je in je leven ook op je bordje geserveerd krijgt. Juist daardoor – door die taaie, onverzettelijke kracht in je hart - wijkt op den duur het gekrakeel van die strijd in je binnenste; op slag was alles opeens weer stil en vredig als voorheen. En je zweefde weer in de ruimte, net als vóórdat je al die beelden zag – wat de tijdloze periode vóór je geboorte voorstelde.

 

Kortom, beste jongen, blijf vertrouwen op je vermogen om lief te hebben en raak niet verbitterd: dan zal uiteindelijk al dat uiterlijk vertoon en gekrakeel ophouden. Ik zou je nog veel meer kunnen vertellen, maar dit lijkt me voorlopig voldoende. Heb je nog vragen? Stel ze dan nu, want straks moet ik weer gaan, omdat er nog veel zielen wachten die geholpen moeten worden.”

“Ja, er is nog één vraag die me alsmaar bezig houdt”. Hij verzamelde moed, slikte even, maar herwon zijn kalmte. “Houden de herinneringen aan de verschrikkingen die ik tijdens mijn jeugd hebt meegemaakt, dan niet tijdens mijn leven op, maar verdwijnen ze pas als ik overleden ben? Is het dan alléén maar een kwestie van volhouden en doorbijten? Komt er dan nooit een eind aan? Zeg het me dan, vertel me wanneer deze hele klerezooi over is, want houd ik die onrust in m’n binnenste haast niet meer uit.”

Naftaniël glimlachte. “Mijn zoon”, zei hij, “als je dieper in je binnenste had gekeken en daarnaar had geluisterd, had je het antwoord al geweten, zo helder als het volste licht van de zon. Wat denk je? Ik zeg je alleen maar dit: wat je geeft is wat je ontvangt. Zo lang je door blijft gaan met verbitterd en boos te zijn, zo lang je anderen verafschuwt en mijdt om hun daden, zolang zullen deze pijnlijke ervaringen doorgaan. Vanaf het moment waarop je oprecht in liefde probeert te leven – ook vanuit liefde voor jezelf, want daar mankeert nog wel het een en ander aan – zal al dat geraas en getier om je heen ophouden. Het is de stalen klem waarin de geestelijke wereld je gevangen houdt om je ertoe over te halen om milder en liefdevoller te worden tegenover anderen én tegenover jezelf.”

 

Er viel een diepe stilte. De zon klom hoger en hoger aan de hemel, stofbundels zonlicht stonden als glinsterende banen in het vertrek en verlichtten grote vlakken van de vloer, de bank en de leunstoelen. Binnen noch buiten bewoog er iets, de tijd leek verstard, bevroren in deze serene stilte, alsof ook de natuur de adem inhield.

“Ik begrijp het”, antwoordde Freek zwakjes. Daarop voelde hij zó’n intens verdriet uit zijn binnenste opwellen dat hij dacht eraan te bezwijken. Alles draaide en tolde om hem heen. En hij begon te snikken met lange, diepe uithalen.

Naftaniël boog zich over hem heen en legde zijn handen op Freek’s schouders.

“Mijn zoon”, sprak hij, “ieder van ons gaat ooit eens door de nacht van de ziel, maar er zullen altijd sterren zijn en een maan om ons de weg te wijzen. Ook ik heb ooit eens met mezelf overhoop gelegen zoals jij nu, maar uiteindelijk komen wij allemaal verder, niemand uitgezonderd. Wie eens op weg is gegaan, zal vroeg of laat zijn doel bereiken.

Kom, ik moet verder, er zijn nog velen die mijn hulp nodig hebben. Lange tijd zul je mij niet meer zien. Maar aan het eind van je leven, tijdens het stervensuur, zul je mij weerzien. Dag, mijn jongen. “

Freek keek op: voor zijn ogen zag hij de rijzige gestalte van Naftaniël, gehuld in een goudkleurig licht. De gloed verdiepte zich, alsof de grijsaard door een hemels licht werd omspeeld. Zijn ogen twinkelden en hij gaf Freek een knipoog. “Tot ziens, mijn jongen, en denk aan mijn woorden. We zullen elkaar weerzien.”

 

Langzaam loste de gestalte van de grijsaard voor zijn ogen op. Nog een hele tijd bleef er een zwakke gloed hangen op de plaats waar hij verdwenen was. Toen verdween ook die laatste herinnering aan de bezoeker uit een andere wereld.

Verwonderd, maar met nog een heel leven voor zich in plaats van een somber verleden dat hem als een schim achtervolgde, dacht Freek na over wat hem nu te doen stond. Kalm en tevreden draaide hij een sigaret. Wat hem betrof kon de toekomst nu wel beginnen – voor hem, de ruiter op de sterren!

 

ã Hendrik Klaassens, 1994/2005.

 



 De zee, de stilte en God


 

Er is één bijzondere plek waar ik me het dichtst met God verbonden voel: dat is de Friese waddenkust. Vooral 's avonds laat, als de schemering al is ingevallen en het laatste daglicht nog boven de horizon in het westen gloort, als je alleen nog het gekrijs van overvliegende meeuwen kunt horen en vage, onbestemde geluiden tot je doordringen die over het wad worden aangedragen, voel ik in die ruisende stilte hoe God soms heel dicht bij me is en Zijn gedachten in me vloeien. Het zijn deze stille gesprekken met Hem, die me op momenten van grote rusteloosheid en soms vertwijfeling dichter bij Hem hebben gebracht. Alsof er dan een last van me afviel en er zich verten voor me openden, die ik in mijn rondcirkelende gedachtenjacht niet had gezien, alleen maar vermoed.


Sommige plaatsen lenen zich er bij uitstek voor om je weer te verbinden met de Ongeziene, met onze Vader - ver van de drukte en het rumoer van de stad. Staande op de dijk, met uitzicht over het eindeloze wad, waar je in de verte het zwaailicht van vuurtorens ritmisch over de eindeloze golven ziet glijden, voel ik  me soms innig verbonden met Hem.


Het zijn geen woorden die ik dan hoor, maar meer het invloeien van gedachten, beelden soms ook, die me mijn dagelijkse zorgen plotseling, als in een flits, in een heel ander licht laten zien. Hoe groter de afstand is tot het dagelijkse 'ik' met al zijn zorgen, plannen en bezigheden, des te kleiner is de afstand tot Hem, die eigenlijk altijd wel bij ons is, maar die we meestal door ons gejaag en gejacht niet eens opmerken.

Langzaam wordt de schemering dan dieper; als de eerste sterren verschijnen en de Melkweg langzaam zichtbaar wordt als een flonkerend lint van licht, zich uitstrekkend van horizon tot horizon, voel ik de adem van Zijn gedachten, Zijn aanwezigheid: véél milder, weidser en dieper dan mijn eigen gedachten, ze liefdevol omvattend, maar toch niet helemaal samenvallend daarmee.


Inzichten worden me dan soms gegeven, gedachten die ik alleen maar vaag had vermoed, rustend op de bodem van mijn ziel, klaar om te worden gewekt.


Binnen en buiten vloeien samen, de diepten van de ziel openen zich en worden doordrongen door de eindeloze weidsheid van Hem, die ons tot in elke vezel kent, maar ons nooit veroordeelt, hooguit op een liefdevolle manier wijst op dingen die we anders zouden moeten doen om onszelf en anderen gelukkiger te maken.



Als ik die rust en stilte eenmaal in mezelf heb gevonden, gaan mijn gedachten uit naar de liefdevolle dingen die ik graag voor anderen zou willen doen. Dan vraag ik Hem om een zegen en om kracht om vol te houden, ook als het moeilijk wordt, om niet te verslappen als mij allerlei hindernissen in de weg worden gelegd.



Voor mij is dit een manier van bidden - bidden met de ogen open, met de blik vooral naar binnen gericht. Een vorm van zelfbeschouwing, van meditatie, waarbij ik me liefdevol verbonden voel met Hem.

Lang werken zulke ervaringen na, als een wolk van liefde en licht waardoor je wordt omgeven, als een diepe stilte die bezit van je heeft genomen - een stilte die ver draagt, kracht geeft, je weg verlicht.

 

 

Hendrik Klaassens



Ervaring bij een kloosterruïne


 

In de zomer van 2004 gingen we op vakantie naar een bungalowpark dicht bij het Duitse plaatsje Frankenau. Het park grensde aan een natuurgebied, bestaande uit bossen en heuvels, dat vooral bekend stond vanwege de vele uilen die daar nestelden. Volgens een plattegrond van de omgeving moest zich in dat natuurgebied echter ook een kloosterruïne bevinden. Dat intrigeerde mij en twee dagen nadat we waren aangekomen kon ik 's avonds tegen een uur of negen, toen het nog licht was, mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en besloot ik er met een fototoestel op uit te trekken om te kijken wat er nog van dat klooster over was.


Na een half uur lopen over een slingerend bospad, dat geleidelijk begon te stijgen, viel de schemering in. De kaarsrechte stammen van de dennen en sparren staken inktzwart af tegen de halfbewolkte lucht. Er waren bijna geen voorbijgangers en op wat vogelgeluiden na heerste er in het woud een diepe stilte. Ook het ‘Rotwild’, dat zich volgens educatieve bordjes in deze omgeving moest ophouden,  liet zich niet zien. 

 

Pas na een klein uur lopen bereikte ik een open plek met een lage heuvel; op de westelijke flank daarvan stond een uitkijktoren. Een bordje, dat vlak daarbij was aangebracht, beschreef de geschiedenis van het klooster. Het was in de 8e eeuw gesticht door de Ierse monnik Bonifatius, dezelfde Bonifatius die in 754 tijdens één van zijn missiereizen op gruwelijke wijze door de Friese koning Radboud is vermoord. Jammer genoeg waren alleen de fundamenten van het klooster bewaard gebleven: in het hoge gras zag je hier en daar nog een gitzwarte stenen plaat. Dat was alles wat er van het middeleeuwse complex restte. Het meest werd ik echter getroffen door een zin op het bordje: "Man sagt, dass hier viele Greuel von Menschen und Geistern geschehen sind." Dat gaf me een nogal 'unheimisch' gevoel.

 

Ik liep de heuvel op. Was hier misschien ooit de bliksem ingeslagen? De top van de heuvel was bezaaid met zwartgeblakerde bomen, waarvan alleen de stam was overgebleven.  En ik probeerde me voor te stellen hoe het hier ooit was geweest. Voor mijn geestesoog zag ik monniken in bruine pijen die als in trance door kaarsrechte gangen de rozenkrans liepen te bidden, terwijl de zon van opzij bundels stuifmeellicht door de gangen wierp. Ook zag ik in gedachten de bedrijvigheid op de akkers rondom het klooster en ving ik beelden op van de middeleeuwse markten die hier werden gehouden. En ik realiseerde me, dat er op zulke marktdagen vaak recht werd gesproken. Werden hier vroeger misschien mensen opgehangen?

 

Terwijl ik dit alles overdacht, voelde ik een naargeestige aanwezigheid. De sfeer begon drukkend te worden, alsof hier entiteiten rondspookten. Ik hoorde een vreemd gekraak, als van iemand die droge takjes plattrapte. Ook klonk er een geruis in het hoge gras, dat zich tot een stemgeluid leek te willen verdichten. Eerst dacht ik dat dit geluid veroorzaakt werd door krekels, maar die maakten een veel schriller, doordringender geluid: dit klonk veel ijler, fluisterend bijna. En bijna zonder erover na te denken sloeg ik - wat ik anders zelden doe - een paar keer een kruis. Ik zegende die plek en dacht met liefde aan alle mensen die hier vroeger ooit geweest waren, alsof ik de trillingen van al hun daden wilde omgeven met licht. Als hier al ooit mensen waren opgehangen, wier gedachten ronddoolden op deze eenzame heuvel, dan wenste ik hen de eeuwige vrede toe en de opgang naar liefdevolle sferen, waar zij door hemelse geesten verder konden worden geleid. Ook bad ik in stilte tot Christus om te vragen of hij die plek wilde zegenen.

 

Daarop beklom ik een uitkijktoren die even verderop stond. Boven aangekomen brak het licht van de zon door de wolken en voelde ik me weer helemaal opgeklaard. In de verte zag ik heuvels, die zich verloren in de blauwgrijze lijnen aan de horizon. Sommige dorpjes op grote afstand baadden in de oranjerode gloed van de ondergaande zon – een feeëriek gezicht, dat heel weldadig aandeed. Op dat moment voelde ik me heel sterk door liefde omgeven, als een warme deken die om me heen geslagen werd. Ik herademde; de schaduwen waren geweken. De warmte en vrede, die door me heen stroomden, waren zó intens, dat ik me opgetild voelde boven de lagere trillingen die hier ongetwijfeld nog eeuwen lang waren blijven hangen. Toch was het al aardig donker aan het worden en ik besloot maar weer terug te keren naar het huisje dat we hadden gehuurd.

 

De rest van de avond gebeurde er niet veel bijzonders en tegen een uur of elf gingen de anderen allemaal naar bed. Ik bleef nog wat in de kamer zitten om te lezen in een boek over “Genezingen door Christus”. Ongeveer een half uur later moest ik onwillekeurig terugdenken aan de kloosterruïne. Ook werd mijn aandacht getrokken door vage schaduwen die ik in de keuken meende te zien. Het drukkende, 'unheimische' sfeertje van bij de kloosterruïne kwam opnieuw tot leven. Ik probeerde die gedachten weg te drukken, maar zoals dat meestal gaat werd het daardoor alleen maar erger. Ik voelde lagere entiteiten bij me in de buurt, die zelfs aan mijn aura zaten. Daarom begon ik te bidden om hen te verjagen.

 

In eerste instantie lukte dat niet, waarschijnlijk omdat ik het te veel op eigen kracht probeerde: als je er alleen maar op uit bent om iets wat pijnlijk voor je is te verdrijven, handel je puur uit eigenbelang. Maar de tweede keer dacht ik vol liefde aan Christus en bad ik óók voor de geest, die me belaagde. Ik merkte, dat het tweede gebed wél werd gezegend – en in een mum van tijd was alles weer normaal. De rust in en om me heen keerde terug, waardoor ik korte tijd later zonder verdere belemmeringen de slaap kon vatten.

 

In het daarop volgende jaar bezocht ik de ruïne opnieuw, maar nu niet in de avondschemering, maar aan het eind van de middag en in gezelschap van mijn vrouw en dochter. Het was een broeierige, klamme julidag, bijna te warm om lange afstanden te voet af te leggen. Van een beklemmende sfeer was nu niets meer te merken. Toen we daar aankwamen werd mijn aandacht echter getrokken door twee arbeiders, die op de heuvel aan het graven waren. Naderbij gekomen zag ik, dat ze de fundamenten hadden blootgelegd van een soort kloosterkerk. Ik liep ernaar toe en zag tot mijn verbazing een paar ondiepe openingen in de vloer, die precies groot genoeg waren om er iemand in te begraven. Hadden de arbeiders die graven misschien geruimd?

 

Ik nam enkele foto’s van de vloer van de kloosterkerk en omdat de arbeiders kort daarna vertrokken, stapte ik over het lint dat om de opgraving heen gespannen was. Terwijl ik op de fundamenten van de middeleeuwse kerk stond, probeerde ik diep en intens te peilen hoe de monniken hier vroeger moesten hebben geleefd en welke sfeer er van hen moest zijn uitgegaan. Was er nog iets te bespeuren van de onrust en dreiging, waarvan de atmosfeer hier een jaar eerder bezwangerd was? Maar al wat ik kon voelen was slechts een diepe stilte en een vrede, die me gelukkig stemde: misschien waren de schaduwen nu voor altijd verdwenen, opgelost in de tijd, opgetild naar het licht, verzoend, verstild, eindelijk tot rust gekomen.

 

Ik nam een paar shots van de vloer van de kerk, waarvan sommige tegels nog bewaard waren gebleven. Daarna borg ik mijn fototoestel kalmpjes op en liep samen met de anderen door het woud terug, terwijl het geleidelijk aan begon te regenen. De zolen van mijn schoenen lieten scherpe afdrukken na in de vochtige bodem: weldra zouden ze zijn opgelost in de regen, die steeds sterker begon te vallen.

Peinzend keek ik nog eenmaal om voordat de ruïne door een bocht in de weg uit het zicht verdween. Daarna restte alleen nog een diepe stilte, die slechts werd gevuld met het zachte ruisen van de bomen en het gezang van vogels, dat door een verre heuvelflank werd weerkaatst.

 

Hendrik Klaassens.

 

 



DE DUIVELSKUNSTENAAR

 

Sinds de dag waarop mijn familieleden mij hier brachten en mijn moeder huilend afscheid van mij nam aan de poort, zijn er vijf maanden verstreken. Vijf maanden - en volgens mijn psychiater moet de eigenlijke behandeling nog beginnen. Voorlopig vindt hij me nog te verward en ontoegankelijk om nu al te starten met psychotherapie. Daarom moet ik eerst nog een paar maanden lang elke dag trouw de arbeidstherapie bezoeken en vier maal daags medicijnen slikken die eruit zien als koffieboontjes. Hij be­weert dat ik daar rustiger en evenwichtiger van zal worden. Maar daar heb ik nog niet veel van gemerkt. Sinds ik die rare koffieboontjes slik zijn mijn handen gaan trillen en kan ik mijn benen maar met moeite in bedwang houden,anders ga ik ermee trappelen. Mijn mond voelt kurkdroog aan en m'n ogen zitten halfdicht alsof ze zijn ontstoken. Dat zijn de bijver­schijnselen, zegt 'ie, dat moet nog wennen.

 

Uitslapen is er ook niet meer bij. Elke morgen word ik stipt om zeven uur gewekt door een meid van negentien, die aan mijn oren begint te trekken als ik niet dadelijk aanstalten maak om eruit te komen. De eerste keer dat ze dat probeerde werd ik zo razend dat ik haar een klap voor haar billen verkocht. Daar hadden ze eigenlijk blij mee moeten zijn omdat ik het altijd moeilijk vind om voor mijzelf op te komen. Maar niets daarvan: in een mum van tijd werden er enkele potige ziekenbroeders opgetrommeld die mij in de houdgreep namen en mij vervolgens een injectie toedienden waar ik twee dagen van heb geslapen. Toen ik bijkwam lag ik in een kale cel met een stalen deur, waarin een kijkgaatje was aangebracht. Daar stond dat kreng geniepig doorheen te loeren. Het spreekt vanzelf, dat ik haar sindsdien geen woord meer waardig heb gekeurd,ook niet toen ik er twee dagen later weer uit mocht. Therapie noemen ze dat, bah.

 

Toch heb ik hier ook veel aardige mensen leren kennen, enkele medepatiënten bijvoorbeeld. Dan bedoel ik niet de man, die de hele dag shagjes zit te draaien en ze voor een stuiver per stuk probeert door te verkopen. Ook heb ik niet die twee gekken op het oog, die alsmaar in zichzelf zitten te praten. Storend vind ik dat, vooral als ik eens rustig in de serre een goed boek wil lezen. Nee, mijn gedachten gaan daarbij vooral uit naar Willem Drijver.

 

Enkele weken na mijn eigen opname werd hij in alle vroegte binnengebracht. We zaten al aan het ontbijt, toen hij, verge­zeld door twee verpleegsters, in de deuropening van de eetzaal verscheen, met in zijn ene hand een sporttas en in zijn andere een klein zwart koffertje. Nadat hem kort en duidelijk te ver­staan was gegeven, dat hij daar elke morgen stipt om half acht werd verwacht, lichtte hij beleefd zijn hoed en groette ons allen vriendelijk: "Heren, ik wens u allen een smakelijke voortzetting van uw ontbijt!" En hij verdween weer, voorafgegaan door de beide verpleegsters die hem naar de gesloten opname-­afdeling brachten voor een intakegesprek. Mijn maatje Anton ­en ik wisselden een blik van verstandhouding met elkaar: die moest nog veel leren, de opschepper! Zulke manieren kun je in een inrichting niet lang volhouden. Als patiënt moet je niet te veel kapsones hebben, niet te deftig of voornaam willen doen, anders lig je er bij de anderen al gauw uit. Daar zou hij nog wel achter komen!

Ongeveer een week later kwam hij bij ons op de open afdeling.

 

In het begin zag ik hem alleen 's avonds, want hij mocht nog niet naar de arbeidstherapie. Eigenlijk was hij wel prettig gezelschap, want hij zei heel weinig en dan kon ik lekker doorlezen - de meesten waren 's avonds toch naar het recreatie­centrum om er te biljarten of te kegelen. Dan zat ik vaak met hem alleen in de serre. Heerlijke uren waren dat, want je merk­te haast niet dat hij er was. Eerst las hij de krant helemaal uit. Dan schonk hij koffie voor ons beiden in. Als we die op hadden gedronken verliet hij de serre altijd op zijn tenen alsof hij bang was gerucht te maken. De hele verdere avond zag ik hem niet meer. Wat hij allemaal uitspookte mag Joost weten, lekker rustig was het in elk geval wel. Tot een uur of tien tenminste, wanneer de anderen terugkwamen van het recrea­tiecentrum. Dan deden ze de televisie aan en staken zware shagjes op. Binnen een half uur kon je de rook wel in plakjes snijden en hing er een doordringende teerlucht. Maar voordat het zo ver was had ik al lang mijn kamer opgezocht om er onge­stoord verder te kunnen lezen.

 

In het begin zei Willem dus praktisch niets tegen me, hij ging gewoon zijn eigen gang. Totdat hij me 'es aansprak op een avond, waarop de anderen tot elf uur weg bleven omdat er in het recreatiecentrum een optreden was van Mieke Telkamp of de Zangeres-Zonder-Naam, dat weet ik niet meer precies. Ik zat op mijn gemak een boek te lezen over het leven van Salvador Dali, een man die geen zee te hoog gaat om de meest bizarre fantasieën die er onder zijn schedeldak opkomen natuurgetrouw vast te leggen op het witte doek. Zwevende schaakborden, krom­getrokken horloges, masturberende vrijgezellen, brandende giraffes, dat soort werk. Zoiets interesseert me. Hoe je met je eigen gekkigheid wereldberoemd kunt worden, gewoon door consequent jezelf te zijn. Ik had er net een paar bladzijden in gelezen, toen Willem de serre binnenkwam. Hij schonk zich een kop koffie in en kwam naast me zitten.

 

"Mag ik dat boek eens zien?" vroeg ‘ie. Ik overhandigde het hem. Kalmpjes begon hij erin te bladeren. Af en toe liet hij een goedkeurend gemompel horen.

"Kijk", zei ‘ie, terwijl hij een reproductie aanwees van een schilderij waarop een groepje mensen in zestiende-eeuwse klederdracht stond afgebeeld, "dat vind ik nou aardig, ziet u dat?" Ik volgde zijn vinger die een cirkelvormige beweging maakte over het papier. "Als je goed kijkt, dan zie je hoe die drie figuurtjes samen een menselijk gezicht vormen."

 

Ik boog me voorover, tuurde er een tijdje naar en begreep toen opeens wat hij bedoelde. "Met dergelijke technieken werk ik op 't ogenblik ook”, vervolgde hij. “Ik ben net weer met de voorbereidingen voor een doek begonnen. Daar komen allemaal verpleegsters op te staan die hier op ‘t paviljoen werken. Leuke kopjes, aardige meiden met blozende gezichtjes, hele pelotons ervan gooi ik er tegenaan. Daarachter, achter dit groepsportret van het zusterpark, komen een paar mannenfiguren. Dat zijn de co-assistenten. Frisse jongens, je haalt ze zo weg achter de bar van de ballentent. Ook een paar broeders en psy­chiaters schilder ik erop, handen een beetje onverschillig in de zakken. Samen vormen ze het complete personeel van dit paviljoen. Akkoord. Maar wat zie je als je het doek op grote afstand houdt? Als ik het klaar heb tenminste? Nou?"

 

"Ik zou het echt niet weten," antwoordde ik. "Nou?" drong hij aan. Verzin 'es iets?" En zijn ogen begonnen te stralen van genot. “Een duivelskop! Een duivelskop!” Hij hief zijn handen in de hoogte alsof hij daarmee een monstrueus groot hoofd wilde omvatten. “Ik leg de diepere structuren bloot, ik laat de mensen zélf ontdekken wat er achter de schone schijn wérkelijk aan de hand is! Wat vindt u daarvan?"

“Och, wel aardig," antwoordde ik. "Doet u dat wel meer in uw vrije tijd?”

“Vrije tijd? Vrije tijd?" Hij wierp mij een vernietigende blik toe. "Man, dag en nacht ben ik ermee bezig! Ik ben kunstschilder, wist u niet? Willem Drijver,nog nooit van gehoord?"

“Eh ••• nee. Eigenlijk niet.” Ik wilde hem niet kwetsen, maar voelde ook weinig behoefte om de zaken florissanter voor te stellen dan ze waren.

 

“Ach, dat krijg ik nou altijd te horen”. Zijn houding zakte wat in en er verscheen een droevige blik in zijn ogen. "Sinds ik van de kunstacademie af ben gekomen heb ik nu al acht jaar geploeterd. Acht jaar! Denkt u eens in! Abstracten heb ik er tegenaan gegooid, in het begin. Dat waren mijn beste jaren. Een opdracht je hier en daar, gemeentehuizen die zo nodig vol moesten worden gehangen met werk van kunstenaars uit de bijstand. "Phantasy in blue", “A rainy sunday afternoon in Orvelte", grijsblauwe pasteltinten, dat soort toestanden. Maar door de bezuinigingen kwamen er steeds minder opdrachten binnen. Toen ben ik portretten gaan schilderen. Wethouders, specialisten, huisartsen, bankdirecteuren, alles heb ik in mijn atelier gehad. Je had die tronies 'es moeten zien! IJdeltuiten waren het, en dan gingen ze er nog even lekker voor zitten ook. Als die portretten dan klaar waren zeiden ze dat ze ze niet zo erg sympathiek vonden. En dat terwijl ik hen juist natuurgetrouw moest schilderen! Ach meneer, dan gaat de lol er al snel af. Dus toen ben ik maar landschappen gaan schilderen, die verkopen altijd wel. Maar moest ik daar tot mijn vijfenzes­tigste mee doorgaan? Nou?

 

Zo kwam de klad erin, de overtuiging was eruit, en dat voelen de mensen. Mijn werk werd zwakker en zwakker. Ik begon te tobben en op den duur ben ik naar een psychiater gegaan. Hij vond me wel een interessant geval, zo'n geflopte kunstenaar. Af en toe moest ik schilderijen voor 'm meenemen, daar praatten we dan over. Ook mocht ik 'es een portret van 'm maken, vijftig gulden en de materiaalkosten. Dat was de afspraak. Maar hij heeft me nooit betaald, het bedrag heeft 'ie zelfs niet eens in mindering gebracht op z'n honorarium. Razend was ik! Ik heb hem toen 'es bij de strot gegrepen en 'm een klap voor z'n kop verkocht waar hij van suizebolde! Maar ik kreeg m'n geld niet en bovendien kon ik niks bewijzen, er stond niks zwart op wit. Die rotzak heeft me zelfs met een rechterl1jke machtiging laten opnemen. 'Drijver', zei 'ie, 'uw agressiviteit loopt de spuigaten uit.' Maar is zo'n oplichter niet veel gevaar­lijker? Nou vraag ik je! Hij zal nog van me horen. Ik zal me op 'm wreken, op hem en op de hele psychiatrie!" Zijn vuist maakte een stompende beweging die aan duidelijkheid niets te wensen overliet. "Op dat groepsportret komt zijn duivelskop, ik hoef hem haast niet te vervormen. Daar zullen ze nog raar van staan te kijken!"

Ik vroeg hem of ik wat werkjes van hem mocht zien. Niet alleen uit medelijden; ik voelde ook een stille bewondering voor de originele manier waarop hij af wilde rekenen met zijn kwelgeesten, hoe absurd zijn methoden me ook toeschenen. Daar had hij wel oren naar en met pretlichtjes in zijn ogen ging hij me voor naar zijn kamer.

 

Aan de muur boven zijn bureautje hing een groot aantal foto's van personeelsleden. Daarvan had hij stuk voor stuk de achtergrond weggeknipt, zodat er een soort groepsfoto was ontstaan, een mozaïek van lachende en ginnegappende broeders, zusters, coassistenten en psychiaters, sommige in witte jas, andere in vrijetijdskleding. Daaronder, op zijn bureau, lagen ver­schillende voorontwerpen, getekend met dunne potloodlijnen. Trots liet hij mij zijn verzameling zien. "Overmorgen kan ik eindelijk beginnen met olieverf. Maar dat doe ik niet hier, daarvoor heb ik in deze kamer te weinig ruimte." Hij pauzeerde even en keek mij onderzoekend aan. "Kun je geheimen bewaren?" Ik knikte, want als het moet kan ik zwijgen als het graf. "Akkoord. Het doek, waar ik de voorontwerpen op overbreng, heb ik opgespannen op een tafelblad, in de bergruimte van het theehuisje. Die heb ik gekraakt. Er komt toch nooit iemand in. Zo kan ik er ongestoord aan werken. Geen gesodemieter met de verpleging, niemand kan me daar zien. Overmorgen kan ik daar beginnen."

 

Sinds die avond waren we onafscheidelijke vrienden. Voor zover mijn bezigheden overdag het ook maar enigszins toelieten wipte ik even bij hem aan. Omzichtig sloop ik dan naar het theehuisje. Eerst klopte ik driemaal op het kelderraam. Dan deed ‘ie een luikje open, waar ik me slechts met de grootst mogelijke moeite doorheen kon wringen. Soms bleef ik er een hele avond, zolang het nog licht was tenminste, want de elektrische bedrading was er al jaren geleden uitgesloopt. Aan de verpleging op het pavil­joen vertelde ik steeds dat ik naar het recreatiecentrum ging, gewoon om er te kegelen of te biljarten, zomaar voor de gezel­ligheid. Dat vonden ze prachtig. Al dat lezen in mijn eentje was toch maar niks gedaan, zeiden ze, daar word je depressief van. Ik ging vooruit, dat kon je aan alles wel merken.

 

En het kunstwerk vorderde. Uit een raamwerk van dunne lijnen doemden langzaam hele regimenten zusters, broeders en artsen op. Hij had er juist weer een nieuwe rij verpleegsters tegenaan gegooid, toen ‘ie me op een avond vertelde dat hij het doek even een paar dagen in de steek zou laten om op adem te komen. Al weken lang had hij er elke middag en avond aan gewerkt en dat had zijn sporen nagelaten: er stonden donkere kringen om zijn ogen en zijn hand was niet meer zo vast als eerst. Terwijl ‘ie er op een afstandje door zijn oogharen naar stond te turen, wees ‘ie me de plaatsen aan waar de ogen van het monster moesten verschijnen. Daarvoor zouden twee psychiaters worden gebruikt. De bokkenhorens en de oren kwamen daarna aan de beurt, die vulde hij op met broeders. Maar eerst wilde ‘ie eventjes uitrusten. Over drie dagen moest ik maar weer 'es langskomen.

 

Op de afgesproken dag - een woensdag - glipte ik er kort na het middageten tussenuit om de verdere verrichtingen van mijn vriend te volgen. Eerst was ik van plan geweest om hem 's avonds op te komen zoeken, maar het vooruitzicht om - zoals gewoonlijk - van twee tot vijf oude jaargangen van 'Medisch Contact' te moeten inbinden lokte me allerminst. En dat nog wel onder het toeziend oog van een man, die in zijn vrije tijd als Jehova's getuige de stad afstroopte op zoek naar zieltjes, die van de eeuwige verdoemenis moesten worden gered! Die gedachte wekte zo'n weerzin in me op, dat ik in een vlaag van woede de arbeidstherapie opbelde. Ik deelde mee, dat ik bezoek verwachtte van mijn familie. Dat le­verde geen problemen op. Ze wensten me een plezierige middag. Wat ze echter niet wisten was, dat ik op dat moment al lang geen contacten meer onderhield met mijn ouders of andere familieleden. In de eerste periode na mijn opname kwamen ze me nog wel 'es opzoeken. Maar sinds ik, om hen te sarren, maoïstische denkbeelden ben gaan verkondigen, die door hen als het summum van gekte worden beschouwd, keuren ze mij geen woord meer waardig. Hun bezoeken zijn abrupt opgehouden. Maar dat zal me een rotzorg zijn: die zak sinaasappels, die ze altijd voor me meenemen, mogen ze voor mijn part wel houden. Ik heb geen extra vitaminen nodig; ik heb zelden last van de griep. En op hun zelfmedelijden omdat ze een zoon hebben die in het gesticht is opgeborgen stel ik al helemaal geen prijs. Bovendien kan ik me wel aangenamere manieren voor­stellen om een woensdagmiddag door te brengen. Vooral als ik iemand mee kan helpen om op een even geniale als oorspronkelijke manier af te rekenen met de inrichtingspsychiatrie.

 

Opgetogen over het succes van mijn bezoektruc begaf ik me die middag naar het clandestiene atelier in het theehuisje. Drie maal klopte ik op het kelderraam, maar in het binnenste van het ronde gebouw klonk geen enkel gerucht. Was hij misschien zo geconcentreerd bezig, dat hij nu niet gestoord wilde worden? Ik probeerde het nog 'es, maar ook deze keer bleven de nadere voetstappen van Willem uit. Op mijn knieën ging ik voor het kelderraampje zitten en tuurde naar binnen. In het vaag verlichte vertrek zag ik een paar bezems staan en een bus vim. Kennelijk was de vloer pas geboend. De roodstenen tegels glommen van het vocht en op sommige plekken, waar de tegels wat waren uitgesleten, hadden zich kleine plasjes water gevormd.

 

Vol bange voorgevoelens wurmde ik me door het luik naar binnen. Ik forceerde de kelderdeur en kwam uit in de salon. Ook hier het zelfde beeld: zwabbers, stofdoeken en schoonmaakmiddelen.

In een hoek van het vertrek stonden enkele rieten stoelen rondom een laag tafeltje waarop een opengevouwen Panorama lag en een theeschoteltje met uitgedrukte sigarettenpeuken erin. Sporen van de huishoudelijke dienst. Wat hadden die lui hier te zoeken? Wilden ze het gebouw na jaren leegstand weer in gebruik nemen? Ik mompelde een verwensing en opende met trillende vingers de deur van onze werkruimte aan de achterzijde van het gebouw. Middenin het kamertje, dat ooit als keuken had gediend maar later was gedegradeerd tot bergruimte, prijkte een lichtblauwe vuilnisemmerzak die tot de rand toe was gevuld. Ik keerde hem om. Een stroom van roestige spijkers, gebroken serviesgoed, stukken hout, oude kranten en gedeukte koffiekannen viel bonkend en rinkelend op de vloer. Als een soort toegift rolde daar traag en kleverig een enorme prop wit linnen achteraan. Ik vouwde het open. Hele rijen verkreukelde verpleegstersgezichtjes lachten me vrolijk toe. Op sommige plaatsen vertoonde het doek scheuren en één kop, die van een psychiater, was met een viltstift onbeholpen tot een clowntje vervormd. Fröbelwerk en zeker niet van Willem. De lui van de huishouding. Natuurlijk, wie anders?

 

Mijn handen trilden, de woede golfde in me omhoog. En ik zag die proleten al voor me, zoals ze die morgen het doek hadden ontdekt, er ginnegappend naar hadden staan kijken. Om de meisjes aan het lachen te maken had één boerenpummel z'n viltstift gepakt. Gegiechel, stagi­aires van de huishoudschool die in de billen werden geknepen. Geproest, gehinnik, Hilversum drie op de achtergrond, gekras van een viltstift over het linnen. Een paar snelle halen, jongens, we maken er clowntjes van! Schaapachtig gelach, domme grapjes. Daarna het doek verfrommelen, samenwringen tot een dikke prop en onder schouderophalen in de plastic zak gooien. Och, het was toch maar gekkenkunst, gekkenwerk, hi hi hi. En nog even goed aanstampen, want er moet nog meer in! Nog even goed aanstampen!

 

Laaiend van drift liep ik naar de salon, pakte de bezems en zwabbers en brak de stelen op mijn geheven knie middendoor. Op de vensterbank ontdekte ik een transistorradio met een opzichtige metalen strip waarop alle tijdzones van de aard­kloot stonden aangegeven. Die had zijn beste tijd gehad. Met de hak van mijn schoen trapte ik 'm kapot. De batterijen, die er aan de achterkant uit rolden, smeet ik door de ruit, de rieten stoelen en het rotantafeltje ondergingen hetzelfde lot. Een paar bussen met schoonmaakmiddel reet ik met een glasscherf open, de inhoud ervan goot ik uit over de vloer. Daarbij viel m'n blik op een dameshorloge, kennelijk door één van de meiden van de huishoudelijke dienst achtergelaten. Ik raapte het op: vijf voor twee. Over een paar minuten zouden ze terug komen om het karwei af te maken. Ik stopte het pot­sierlijke ding in m'n zak. Gehaast verliet ik daarna het thee­huisje, op zoek naar Willem. Hij moest zo snel mogelijk worden gewaarschuwd. Of was 'ie al op de hoogte?

 

De hele middag en avond heb ik hem lopen zoeken; op het paviljoen, in de binnenstad, het stadspark, de cafés en boekhandels waar hij wel 'es kwam, overal heb ik gekeken en naar 'm gevraagd. Ik waagde me zelfs in het arbeidstherapiegebouw, waar ik vroeg in de middag naar toe had gebeld om te zeggen dat mijn ouders me zouden komen opzoeken. Maar overal haalde men niet begrijpend de schouders op. Nee meneer, die hebben we niet gezien, het spijt ons, probeert u het ergens anders, is hem iets overkomen, wát is hem dan overkomen, komt u van de inrichting, aha! Overal hetzelfde liedje,  ik werd er moedeloos van.

Om tien uur 's avonds keerde ik van mijn vergeefse speurtocht terug uit de stad. Vol walging liép ik het terrein van de inrichting op. Het was alsof de lelijkheid van de gebouwen nu pas goed tot me doordrong, alsof onder hun uiterlijk en onder­linge rangschikking iets veel diepers zichtbaar werd, dat mij met afgrijzen vervulde. Was dat de invloed van het schilderij? Misschien.

 

Helemaal vooraan, aan mijn linkerhand, weggemoffeld achter het groen, waren vaag de omtrekken zichtbaar van een woning met een rieten dak. Daarin woonde de man, die één van de langste psychiatrische carrières achter de rug had van alle ingezetenen van het gesticht: de geneesheer-directeur. Daarna passeerde ik de paviljoens, sombere kazerneachtige gebouwen met brede vleugels, waarin hier en daar neonverlichting brandde. Boven de ingangen prijkten stichtelijke namen, die me deden denken aan vreugdeloze kerkdiensten en pepermunten, die met gedempte knalletjes werden stuk gebeten: Sion, Rehoboth, Bethel, Habakuk. Ze verwezen naar de gereformeerde grondslag van het gesticht waaraan met niet aflatende ijver werd herinnerd in briefhoofden, op enveloppen, badlakens, kussens, slopen en ondergoed. Zelfs de lepels, vorken en messen, die uit veiligheidsoverwegingen nooit mochten worden geslepen, werden niet gespaard. Iedereen die dat las wist: men is hier streng doch rechtvaardig. Onwillekeurig moest ik daarbij denken aan Willem en zijn schilderij, dat door personeel met een positief-christelijke levensovertuiging als een vod tussen andere vodden was opge­ruimd. Misschien zat hij nu wel in een cafeetje om zich te bedrinken of had hij de trein genomen, zomaar ergens heen, ontgoocheld, woedend, moedeloos.

 

Die avond kroop ik al vroeg onder de wol, het gesjouw in de stad en op het terrein had me erg vermoeid. Maar 's nachts schrok ik telkens wakker uit nare dromen waarin beelden van de voorbije dag zich herhaalden, grotesk en indringend. Pas aan het begin van de morgen slaagde ik erin enige tijd onaf­gebroken te slapen.

Om zeven uur werd ik gewekt. Zeer tegen mijn gewoonte in kwam ik er vlot uit, waste me en kleedde me aan. Was Willem inmiddels teruggekomen? Ik vroeg het aan de andere 'heren' met wie ik samen op liep naar de eetzaal, sommigen waren nog in pyjama. Maar niemand wist waar hij gebleven was. Ze vermoedden, dat hij was gaan stappen, dat deed 'ie wel 'es vaker. Ook de ver­pleegster die therapeutisch - en dus gratis – mee tafelde kon me geen uitsluitsel geven. Verder aandringen had geen zin, dat zou zelfs argwaan kunnen wekken. Zwijgend werkte ik daarom mijn ontbijt naar binnen. Aan een apart tafeltje schuin tegenover mij zat iemand onophoudelijk in zichzelf te prevelen, waarbij hij vreemde grimassen maakte tegen een denkbeeldige gespreks­partner. Maar het stoorde me deze keer niet, ik had wel wat anders aan mijn hoofd.

 

Kwart over acht. We werden door een broeder gemaand om naar de arbeidstherapie te gaan. Samen met een aantal andere 'heren' van de afdeling verliet ik daarop de eetzaal en begaf me op weg. Uit alle paviljoens kwamen nu kleine groepjes patiënten die zich aaneensloten tot een traag voortbewegende stroom met als eindbestemming het therapieëncomplex aan de rand van het inrichtingsterrein. Sommigen liepen schuifelend, voetje voor voetje, anderen vertoonden een bizar trippelpasje of werden door de zorgzame hand van een verpleegkundige in een invaliden­karretje naar de wasknijpertherapie gereden. Maar de meesten onderscheidden zich in geen enkel opzicht van werknemers, die zich 's morgens in alle vroegte op weg begeven naar hun bedrijf of kantoor - zij het dan, dat de laatstgenoemden wél en deze arbeidskrachten niet werden gesalarieerd. In gedachten verzonken liet ik mij meevoeren met de stroom.

 

Tot mijn verrassing zag ik echter, dat de lange rij therapiegangers enkele honderden meters voor mij uit tot stilstand was gekomen. Voor twee paviljoens, die pal tegenover elkaar stonden, vormde zich een oploopje en er klonk druk geroezemoes. Zelfs rolstoelgebruikers spoedden zich erheen, terwijl hun begeleiders hen op een sukkeldrafje volgden. Overal werd druk gewezen en gekeken naar de frontgevels van de beide gebouwen. Anderen liepen of renden naar een klein park iets verderop, waarin zich, diep verscholen achter de begroeiing, enkele schuurtjes en het thee­huisje bevonden. Een enorme brandweerslang kronkelde zich dwars over de weg en verdween ergens in de struiken. Daarachter was een dunne zwarte rookkolom zichtbaar die traag boven de toppen van de sparren uit kringelde.

 

Geschrokken liet ik de anderen van ons groepje in de steek en rende naar het park. In het voorbijgaan wierp ik een blik op de voorgevels van de beide paviljoens. En eigenlijk wist ik toen al genoeg. Bloedrood, met letters waar de verf in dunne straaltjes vanaf was gedropen, stond over de volle gevelbreedte van de beide gebouwen het woord "PROLETEN!" geschreven. Daaronder was in kleinere letters te lezen: "PSYCHIATRIE, HET HANDWERK VAN DE DUIVEL!". Buiten adem bereikte ik het park. Ik volgde de loop van de brand­weerslang en kreeg al gauw twee spuitgasten in het oog, die een ferme straal gericht hielden op de rokende resten van het theehuisje. Enkele verfbussen, die kennelijk inderhaast door de nachtschilder waren achtergelaten, lagen schots en scheef over de weg. Daaromheen hadden zich grote plassen bloedrode verf gevormd.

 

Ik drong me door de menigte naar voren tot aan de dranghekken, die in allerijl rondom het smeulende optrekje waren opgesteld. Zwijgend, met een mengeling van bewondering en afgrijzen, keek ik naar het resultaat van de nachtelijke wraakoefening. Het dak van het gebouw was volledig afgebrand op een paar steunbalken na, die zich zinloos welfden over het geblakerde interieur van de salon en de bergruimte daarachter. De muren stonden nog gedeeltelijk overeind, maar op twee plaatsen helden ze gevaarlijk over zodat het voor de hand lag dat ze het spoedig zouden begeven. Ze gloeiden nog dofrood na en stootten dunne zwarte rookslierten uit. Van de rieten stoelen en het rotan­tafeltje was geen spoor meer te bekennen. Wel ontdekte ik na enig turen de verkoolde resten van twee rolschuivers op de cemen­ten vloer, die zelf weinig schade had opgelopen.

 

De achterdeur van de salon was uit zijn scharnieren gebarsten en verleende nu vrije doorgang naar de bergruimte, ons vroegere atelier. Voor een walmende muur, die steeds gevaarlijker begon over te hellen, stond daar een plastic zak met afval. Als door een godswonder was deze tot nu toe gespaard gebleven. Flarden wit linnen kronkelden zich, rossig door de gloeiende sintels rondom verlicht, over de rand van het plastic. Toen, eigenlijk nog onverwacht, stortte de muur aan de achterzijde van het gebouw in met een doffe dreun die de aarde onder mijn voeten licht deed trillen. Een enorme steekvlam schoot onheilspellend uit de zak met afval op.

 

Terwijl ik toekeek hoe de inhoud ervan in hoog tempo door de vlammen werd verteerd, hoorde ik iemand achter mij roepen. Ik draaide mij om. "Heren", riep een broedertje van een jaar of twintig, "gaat u nog naar de arbeidstherapie? Het is al kwart voor negen, de hoogste tijd!"

Gelaten verliet ik het toneel van de brand. Ook anderen gaven schoorvoetend aan deze oproep gehoor. Enigszins voorover gebogen, met mijn handen diep in m'n zakken, begaf ik mij op weg terwijl ik zorgvuldig de grote plassen rode verf meed die het asfalt ontsierden.       

 

 

Hendrik Klaassens, 1986.

 

 



Gezicht op een zomeravond

 

Het gebeurde iets voor twaalven. Terwijl ik op de dijk stond, met uitzicht op de zee vóór me en de eindeloze sterrennacht boven me, maakte een lichtpuntje zich los uit het sterrenbeeld Bootes. Eerst had ik er geen erg in. Met de handen losjes in m'n zakken en m'n verrekijker bungelend voor mijn borst stond ik naar de vuurtoren van Terschelling te kijken. Een prachtig gezicht is dat altijd, die zwaaibundel van de Brandaris die door de verten strijkt. Het heeft iets feeëriek, iets weemoedigs, die verre lichten aan de horizon, dat rusteloze tasten en speuren van een vuurtoren over de einder.
Omdat ik ingespannen naar de horizon tuurde, bemerkte ik niet dat er zich iets
ongewoons voordeed aan het uitspansel. Het komt wel vaker voor dat je, staande op de dijk, plotseling vanuit je ooghoeken een meteoor opmerkt. Bliksemsnel richt je je blikken dan naar de plek waar het ongewone schijnsel zich voordoet. Soms heb je geluk en kun je nog net het laatste deel van het lichtend spoor volgen, maar vaak zijn die grappenmakers je te snel af en heb je het nakijken.


Dit was echter geen meteoor: het leek meer een ster, die zich geleidelijk los begon te maken uit het sterrenbeeld Bootes en langzaam helderder werd. Het bewoog naar het westen en kwam zo'n 45 graden boven de horizon tot stilstand. Ondertussen nam de helderheid ervan steeds meer toe. Oogverblindend werd het, maar juist op het moment waarop ik m'n blikken wilde afwenden, gebeurde er iets vreemds wat ik nog nooit eerder had gezien: het schijnsel van de ster veranderde geleidelijk in een het beeld van een grote stad, die zich majestueus tussen de sterren uitstrekte.


Ik hapte naar adem, maar bleef gefascineerd kijken. Was dit misschien een hologram of een beeld dat door een laserbeam werd geprojecteerd? Welke mafkees kwam er nu op het idee om 's nachts laserbeelden te projecteren boven het wad? Maar nee, dat was volstrekt onmogelijk: het beeld, dat ik zag, was loepscherp. Het moest uit een andere dimensie komen, misschien vanuit de geestelijke wereld. Toch bewaarde ik diep van binnen mijn kalmte en bleef geconcentreerd en met volledig overzicht van de situatie alles registreren wat zich voor mijn ogen afspeelde.


Vóór me, boven de lichtbundel van de Brandaris, zag ik een brede straat van een mij onbekende stad. Zo te zien lag deze straat op een heuvel, want hij liep glooiend af naar een plein dat ik nog net in de verte kon waarnemen. Aan weerszijden van de straat stonden huizen met drie en vier verdiepingen. Het leken wel huizen uit het eind van 19e en het begin van de 20e eeuw. De gevels ervan waren allemaal in verschillende kleuren beschilderd: groen, geel, zalmkleurig, blauw, diep donkerrood. Kennelijk was het het oude centrum van een grote stad. Het was midden overdag, maar toch was het behoorlijk donker. Inktzwarte wolken pakten zich boven de stad samen. Even later flitsten de eerste bliksemschichten door het zwerk. Maar het was geen gewone bliksem: ik huiverde toen ik een enorme bolbliksem zag, die zich als een slang van elektriserend licht door de straat voortbewoog, als een wild, verscheurend dier, op zoek naar zijn prooi.


De hemel werd snel donkerder en steeds meer bliksems doorkliefden het zwerk. Het leek wel alsof een fotograaf vanaf de wolken onophoudelijk flitsfoto's nam van de stad. Enkele ogenblikken later begon het te stortregenen. Het water kolkte schuimend door de straten, terwijl de bolbliksems er overheen sisten als slangen.


Wat er zich in de huizen afspeelde, kon ik niet zien, daar kon ik alleen maar naar gissen. Maar het aantal elektrische ontladingen was zó overweldigend groot, dat er ongetwijfeld slachtoffers moesten vallen. Op de straat zelf was het uitgestorven; er was geen sterveling te zien.


Op dat moment verschoof het beeld, alsof ik door een onzichtbare hand werd opgetild. Met grote snelheid zonk de stad onder me weg, zodat ik een overzicht kreeg van de omgeving waarin ik mij bevond. En plotseling drong het tot me door, dat ik San Francisco onder me zag, San Francisco, en dat nog wel in het uur, waarop de oude aarde verging...


De aarde brak open, spleet, scheurde. Ik keek in de gapende muil van een trechter in het aardoppervlak, een diepe voor die snel breder en dieper werd. Ik zag hele straten, wijken en wegen weg tuimelen in de afgrond. Daar bleef het niet bij, want vanuit mijn positie zag ik op veel meer plaatsen in de stad openingen ontstaan, waarin de bebouwing wegzakte.


Terwijl het bleef bliksemen en donderen en de regen onophoudelijk neer gutste, begon het allerergste wat ik ooit gezien heb: er openden zich steeds meer vurige aders in de aarde, die alles opslokten wat nog overeind was gebleven. Rook steeg op uit de vurige schachten en een dichte smog hulde de miljoenenstad in nevelen. Een waas van rook en vuur onttrok de stad steeds meer aan het zicht.

Het was alsof ik nog verder werd opgetild en nu zo'n tweehonderd kilometer boven de aarde zweefde. Heel westelijk Californië brak af van het Amerikaanse vasteland en zonk in een orgie van rook en vuur in zee. Enorme dampen stegen uit de Pacific op, giftige dampen vol zwavel. Vanaf de plek waar ik me bevond kon ik andere delen van de aarde zien. Overal zag ik hetzelfde beeld: enorme bliksemschichten, inktzwarte wolken, aardbevingen en ook vulkanen die sidderend tot ontlading kwamen. Was dit nu het definitieve einde van de aarde, het laatste shot van de wereld zoals ik die kende?


Heel langzaam trokken de nevels op. De damp, die boven verschillende continenten en oceanen had gehangen, vervluchtigde. Toen de contouren van de zeeën en de landmassa's weer geleidelijk opdoemden uit de sluier die boven de planeet had gehangen, zag ik dat het aanzien van de aarde grondig was veranderd. Waar eens het water van de oceaan had geklotst in eindeloze deining, strekte zich nu een breed vasteland uit; delen van de oude continenten waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor de zee. Het leek wel alsof ik naar een andere planeet keek met een andere topografie: de aarde was onherkenbaar geworden.


Het belangrijkste verschil met vroeger zat 'm echter niet in de verdeling van water en land: de hardheid van de vroegere contouren was verdwenen. Het leek alsof de aarde werd omspeeld door een onaards, mild licht, een tintelende gloed, een zachte aanraking van licht, als door een engelenhand beroerd.
Ik bleef kijken, ademloos, staande op de dijk, maar in de geest als door een reuzenhand hoog boven de aarde weg getild. Onder me straalde een vriendelijk licht me tegemoet, de glans van een andere wereld, een nieuwe aarde, een aarde waaruit al het kwaad was verdwenen, verdampt, weg belicht door een hemelse gloed.


Het beeld van de aarde, dat ik al die tijd boven de horizon had gezien, loste geleidelijk op. Toen alle contouren waren vervaagd, verdichtte het zich tenslotte tot dezelfde ster, die aanvankelijk mijn aandacht had getrokken. Terwijl de intensiteit van zijn schijnsel langzaam afnam, zocht hij zijn oorspronkelijk plaats tussen de sterren van Bootes weer op.


Lang bleef ik naar dat onooglijk sterretje van de vierde grootte kijken. Wat had die ster in vredesnaam met de radicale omvorming van de aarde te maken? Misschien wel niets, misschien betekende dat alleen maar een verandering van perspectief en duidde het op een verplaatsing in tijd en ruimte.

Zwijgend, roerloos bleef ik staan. Maar toen er tien minuten later niets bijzonders meer was voorgevallen, herademde ik weer. Ik kreeg weer aandacht voor de geluiden van de zee, voor meeuwen die krijsend over scheerden, voor de lichten in de verte van schepen die langzaam voort stoomden, op weg naar Duitse en Scandinavische havensteden. En plotseling, als uit een oude, diepe zweer, welden tranen in me op, tranen waartegen ik geen verweer had. Tranen van vreugde en verdriet, tranen over het heden, het verleden en de toekomst van de aarde, de planeet waar hemel en hel dicht bij elkaar leven, waar liefde en haat zich met elkaar lijken te vermengen, waar woorden, daden en gedachten een mens kunnen optillen naar het goddelijke licht, maar ook naar de diepste afgronden van de hel. En ik zegende de dag waarop er eind zou komen aan alle kwaad, alle duisternis, alle onvrede, alle haat, al het onrecht dat er wordt begaan...


Ik spreidde mijn armen uit, met mijn handpalmen omhoog naar de sterren, en bad om innerlijke vrede. Alle onrust verdween daardoor uit me, zodat ik even later met een gerust hart terug kon reizen naar de stad, peinzend, ontroerd, een intense ervaring rijker.

 

Hendrik Klaassens.

 



Op weg naar het licht


I

 

Met de afstandsbediening in de ene en een sigaret in de andere hand zapte hij over de kanalen. Om zijn huisgenoten, die allemaal al lagen te slapen, niet te storen had hij de speakers van de tv in de laagste stand gezet. Nog net hoorbaar las de nieuwslezer op BBC-1 het laatste nieuws voor over de overstromingsramp in West-Polen en het oosten van Duitsland. Beelden trokken aan hem voorbij van ondergelopen boerengehuchten en modderige stadjes, waarin mensen in onderbroek rondscharrelden tussen de schamele resten van hun huizen. Nieuwe vloedgolven werden aangekondigd en op een keurig grafiekje was een dreigende piek zichtbaar, die de te verwachten hoogste waterstand van de komende 24 uur moest voorstellen. Zap.

Op TMF dansten zwarte danseresjes in strakke minirokjes en veel te korte truitjes op de maat van hip-hop. Verveeld volgde hij hun zwoele huppelpasjes enige ogenblikken. De blitze tafereeltjes die elkaar in hoog tempo afwisselden konden hem nauwelijks bekoren. Zap.

Op BRT-2 was een praatprogramma aan de gang over het leven met een handicap. Rolstoelgebruikers, liefdevol omstuwd door hulpverleners en familieleden, bevolkten de studio. Een presentatrice met rood geverfd haar dribbelde met een draadloze microfoon van de ene rolstoel naar de andere.

Zap. Zap. Zap. Uit.

 

Hij stond op, rekte zich uit en liep naar de tuindeur. Bijna geluidloos liep hij de achtertuin in. Hij haalde diep adem en keek naar boven. Het was veel helderder dan hij had verwacht. Laag in het zuidoosten prijkte Mars aan de nachtelijke hemel. Daarboven herkende hij al gauw de Leeuw. Meer naar het noorden schitterde de oranje Arcturus. Een brede baan van gedempt wit licht slingerde zich van het noordoosten naar het zuiden. Op dit middernachtelijk uur was de melkweg heel duidelijk zichtbaar. Sinds hij de straatlantaarn in het gemeenteperkje naast zijn achtertuin stiekem met tape had afgeplakt, had de duisternis zich daar geïntensiveerd en was deze locatie in een woonwijk zelfs geschikt geworden voor observaties met een telescoop. Melkwegstelsels, wier schijnsel anders verdronk in het blauwwitte neonlicht, waren sinds die heimelijke actie duidelijk zichtbaar geworden en sterrenhopen, die hij vóór die tijd alleen maar van hoogglanzende foto’s uit sterrenatlassen kende, lagen nu binnen het bereik van zijn bescheiden sterrenkijker. 

Terwijl hij zo stond te mijmeren en de koele nachtlucht inademde, was het alsof hij geleidelijk uit een verdoving ontwaakte. Langs de omweg van de sterren kwam hij tot zichzelf. Eigenlijk zou hij nu het liefst de fiets willen pakken en de stad uit willen rijden om ergens langs een stil landweggetje weg te dromen bij de aanblik van de sterren. Een opkomende vermoeidheid vanwege het late uur en de gedachte aan zijn verplichtingen voor de volgende dag weerhielden hem er echter van om dit voornemen ten uitvoer te brengen.

Hij liep weer de kamer in. Dit was eigenlijk geen leven voor hem, dacht hij. Een wild en vrij leven wilde hij leiden, stoer en ongebonden lokkende verten tegemoet gaan, op zoek naar nieuwe uitdagingen en avonturen die zijn stoutste dromen overtroffen. Bah, wat was hij een doorsnee burgermannetje geworden. Waar waren de dichter, de dromer en de zoeker in hem gebleven? Stapels ongepubliceerde verhalen en gedichten lagen in zijn bureauladen te wachten om door een breed publiek te worden gelezen. Over een paar jaar was hij vijftig en wat had hij dan per saldo van zijn leven gemaakt? Het onvervulde leven jankte in zijn borst, huilde als een kind dat maar niet tot bedaren kwam. Gesmoord schreeuwde het om gehoord te worden. Het was als een vlam die opgloeien wilde en de wijde omgeving wilde laten baden in het schijnsel van zijn wilde, romantische licht. Bont gevederd waren nog immer zijn dromen en zijn fantasieën, schilderachtig waren de ideeën die in hem opkwamen. Maar in de sleur, de grauwheid en de lichte, nauw verholen angst van alledag was dat licht aan het verbleken geraakt. Opgloeien moest het, oplaaien tot een hoog, toverachtig vuur dat anderen in vuur en vlam kon zetten door de oerkracht van het woord dat in zijn inborst leefde. Dromer, dichter, zoeker, waar heb je je schrijfstift gelaten, waar heb je de foute afslag genomen die je deed verworden tot een bleke schim van de schrijver die in je school?

O ja, uitgestaard over de zee, de zee van je dromen, heb je meermalen, maar uit dat sterrenstof heb je maar zelden een vuurpijl de hemel ingestuurd. Af en toe vonkte het in je en vulde je je woorden op met trillende levenskracht, met het vuur waaruit de sterren laaiend zijn geboren en de oceanen ruisen van de ene einder naar de andere. Maar vaker nog was er donkerte in je, sloeg de vlam neer en zwoegden je verhalen zich moeizaam en bibberend voort, op weg naar een gekunsteld einde. Niet omdat je het vuur niet meer aan kon blazen, kon aanwakkeren tot een helder stralende vlam, maar meer omdat je verkrampt was, bang om fouten te maken en stilistisch het schip in te gaan door nodeloze hoogstandjes waarmee je jezelf en je vaardigheden zo nodig moest bewijzen. Weg met die verrekte angst, weg met die zinloze verkramping, die aap op zijn rug. Van nu af aan gold het credo van de vrijheid. Al het vet en vuil dat in de loop der jaren die vlam had gesmoord zou hij verwijderen door een innerlijke daad, door een nieuw en daadkrachtig begin van het leven vanuit zijn binnenste.

 

II

 

Op dit late uur was er in de verste verte geen sterveling te bekennen. De rook van zijn sigaret verwaaide in de koele bries die over het eindeloze akkerlandschap streek. Gezeten op een verlaten picknickplaats, enkele meters van zijn auto, staarde hij uit over het landschap dat langzaam oploste in de avondschemering. Het was een warme dag geweest, ietwat zwoel, en het vocht kroop langzaam uit de velden omhoog. Witte nevels vormden zich in de buurt van sloten en kanalen. Dit is het uur waarop de witte wieven verschijnen, dacht hij. Het bijgeloof waart nog door de polders, maar niemand durft dat meer toe te geven. Men schurkt samen rond de tv Waarschijnlijk wordt in deze contreien waarin toch niks te beleven viel veel gekeken naar de geile programma’s van SBS-6.

Hij trapte zijn sigaret uit en stapte in de auto. Tien over elf was het; nog een half uur rijden en hij was weer thuis. Hij startte de motor en reed langzaam weg. Vreemd eigenlijk dat zo weinig mensen nadachten over de werkelijke zin van hun leven, van de redenen waarom hun overkwam wat hun overkwam. Ze namen het leven zoals het kwam, morrelden wat in de marge van het toeval of bedachten grootse plannen die tot mislukken waren gedoemd. Dit leven is slechts een façade, peinsde hij, een ononderbroken oefening om het kleine, zielige ik met al zijn ontelbare verlangens en behoeften te laten ondergaan in de wijde oceaan van het leven zelf, in het leven zonder bijbedoelingen met het eeuwige nu als middelpunt. En hij – hij bedreef zijn eeuwige alchemie van het zielenrijk, de bodemkunde van de geest. Hij was een diepzeeduiker geworden in het grottenrijk van herinneringen, dromen en gedachten, waaruit hij schaarse parels dolf voor zijn epische verhalen en gedichten. Morgen – wat zou hij morgen nu ‘es doen? Stel dat geen enkele angst of bekrompenheid hem hinderde, hoe zou hij dan de volgende dag het liefst willen doorbrengen?

Eigenlijk was dat laatste niet zo moeilijk. In gedachten reed hij al met zijn kinderen naar de dierentuin. Hij wist dat de jongste twee verzot waren op beesten; de oudste was dol op computers. In het Noorder Dierenpark had je ze allebei. Als hij een uitpuilende tas met proviand meenam moest het zeker lukken om er een genoeglijke dag van te maken. Gewoon niet zeuren, maar doen. Tussen de bedrijven door kon hij misschien video-opnamen maken.

Het was inmiddels helemaal donker geworden. In de verte zag hij de flatgebouwen opdoemen aan de rand van de stad waarin hij woonde.  Nog een paar kilometer en hij was weer thuis. Uit de speakers van zijn autoradio schalde sonoor “Moonlight Shadow” van Mike Oldfield. Hij neuriede zachtjes mee. De toekomst kon wat hem betreft beginnen. Niet meer denken, dat eindeloze denken. Hij zou wel zien.

 

Hendrik Klaassens, 1998.

 

   

 

 


 

Lees ook: Gedichten van Hendrik

 

 

 


 

Hendrik

 


 

 

 

 

 

Website statistieken gratis, LetsStat X1