Het Evangelie volgens Filippus

   

Het evangelie volgens Filippus<br>


Jacob Slavenburg
Het evangelie volgens Filippus
Jacob Slavenburg

Het mysterie van het bruidsvertrek staat centraal in dit prachtige oudchristelijke evangelie. Het bestaat uit een verzameling wijsheidsspreuken van een zeer diepzinnig gehalte. Tevens bevat het enkele zeer oude tot nu toe onbekende uitspraken van en over Jezus. De honderd en een spreuken zijn als veelkleurige parels aan een schitterend collier. Iedere parel is een meditatie waard. Het snoer van de parels vormt een toegang tot een beter begrip van het intrigerende mysterie van het bruidsvertrek.

 

 

 

Het Evangelie volgens Filippus

 

1

Een Hebreeër maakt een Hebreeër.

en zo iemand noemt men dan een bekeerling.

Maar een bekeerling maakt geen bekeerling.

[Enkele mensen) zijn zoals ze [ontstaan zijn)

en maken anderen [aan zichzelf gelijk).

Het is voor hen [voldoende) te zijn.

 

2

Een [slaaf] poogt alleen maar vrij te worden;

hij is er niet op uit het bezit van zijn meester te verkrijgen.

De zoon echter is niet alleen maar een zoon,

maar maakt ook aanspraak op de erfenis van de vader.

 

3

Wie erven wat dood is, zijn zelf dood

en ze erven wat dood is.

Wie erven wat levend is, die leven;

ze erven zowel wat levend als wat dood is.

 

Zij die dood zijn erven niets.

Want hoe kan een dode erven?

Als de dode het levende erft,

zal hij niet sterven,

maar juist voluit kunnen leven.

 

4

Een heiden sterft niet,

omdat hij nooit zo geleefd heeft

dat hij zou kunnen sterven.

 

Wie op de waarheid heeft vertrouwd,

die heeft leven gevonden;

deze mens loopt wel het gevaar om te sterven,

omdat hij leeft.

 

5

Sinds de dag dat Christus gekomen is,

is de wereld geschapen;

de steden zullen versierd worden

en de doden naar buiten gedragen.

 

6

Toen we nog Hebreeën waren,

waren we wezen;

we hadden alleen onze moeder.

Doch toen we christenen werden,

kregen we een vader en een moeder.

 

7

Zij die in de winter zaaien,

die oogsten in de zomer.

De winter is de wereld;

de zomer is de andere eon.

 

Laten we daarom zaaien in de wereld

zodat we kunnen oogsten in de zomer.

Daarom is het beter om niet in de winter te bidden.

De winter gaat aan de zomer vooraf.

 

Als iemand in de winter wil oogsten,

zal hij niet oogsten,

maar wieden.

 

[Zo iemand zal dus] geen vruchten plukken.

Niet alleen [nu zullen er geen vruchten tevoorschijn komen],

maar ook op de sabbat zal [zijn akker] onvruchtbaar zijn.

 

8

Christus is gekomen

om sommigen vrij te kopen,

anderen te bevrijden,

en weer anderen te verlossen.

Vreemdelingen kocht hij los

en maakte ze tot de zijnen.

En hij scheidde de zijnen,

die hij overeenkomstig zijn wil

als onderpand had achtergelaten.

 

Hij heeft zijn ziel niet pas vrijwillig afgestaan

toen hij verscheen,

maar al sinds de wereld bestaat,

heeft hij zijn ziel afgestaan.

Pas toen hij dat wilde,

is hij gekomen om haar mee te nemen;

omdat zij, toen ze als onderpand was afgestaan,

in handen van rovers was gevallen

en gevangengenomen.

Maar hij bevrijdde haar

en verloste de goeden in de wereld evenals de slechten.

 

9

Licht en duisternis

leven en dood

de rechtsen en de linksen

zijn broers van elkaar.

Zij kunnen niet van elkaar worden losgemaakt.

Het is daarom dat noch de goeden goed zijn,

noch de slechten slecht,

leven alleen maar leven is,

en dood alleen maar dood.

 

Daarom zal iedereen ontbonden worden

tot zijn oorsprong in het begin.

Doch zij die boven de wereld verheven zijn,

kunnen niet ontbonden worden;

ze zijn eeuwig.

 

10

Namen die aan aardse dingen gegeven worden,

zijn erg misleidend;

want ze ontlenen hun betekenis aan onvergankelijke zaken

en worden gebruikt voor vergankelijke dingen.

Wie 'god' hoort,

denkt niet aan het onvergankelijke,

maar is aan het vergankelijke gaan denken.

Zo is het ook met 'de vader' en 'de zoon' en 'de heilige geest'

en met 'leven' en 'licht' en met 'opstanding'

en 'gemeenschap' en al het andere.

Men denkt niet meer aan het

[ onvergankelijke],

maar alleen aan het vergankelijke,

[tenzij men] het onvergankelijke heeft leren kennen.

 

[Doch de sterfelijke mensen

die] in deze wereld zijn,

zijn het slachtoffer van [vele dwalingen.

Als ze] in de eon [zouden zijn],

zouden namen nooit in de wereld gebruikt worden

en zouden ze ook niet

met aardse dingen worden verward.

Ze hebben een einde in de eon.

Eén enkele naam wordt in de wereld niet uitgesproken:

dat is de naam die de Vader aan de Zoon gegeven heeft.

Deze staat boven alle namen.

Het is de naam van de Vader.

Want de Zoon zou geen Vader kunnen worden

als hij zich niet zou bekleden met de naam van de Vader.

Wie deze naam heeft,

kent hem wel,

maar spreekt hem niet uit.

Wie hem echter niet heeft,

kent hem ook niet.

 

Daarom schiep de waarheid namen in de wereld

omdat het hier onmogelijk is

de waarheid zonder namen te leren kennen.

De waarheid is eenvuldig.

Ze is echter omwille van ons veelvuldig, om ons in haar liefde

door die veelvuldigheid heen

tot één naam te brengen.

 

11

Krachten wilden de mens misleiden

omdat ze zagen dat hij verwant is

aan het werkelijk goede.

Ze ontnamen aan het goede zijn naam

en gaven die aan het niet-goede

om hem (de mens) door deze namen zo te misleiden

dat hij zich aan het niet-goede zou hechten.

 

Slechts de genade kan bewerkstelligen

dat ze (de mensen) zich van het niet-goede verwijderen

en zich tot het goede wenden

zodra ze daarvan kennis krijgen.

Want ze (de machten) wilden

de vrije mens gevangennemen

en hem voor eeuwig tot slaaf maken.

 

Het zijn deze krachten die de mens

met [vergankelijkheid voeden]

omdat ze niet willen dat hij [gered wordt]

opdat hij [in hun macht blijft].

Als de mens [dit voedsel nuttigt ontstaan]

er offers voor deze krachten. [En zo aten de mensen]

en brachten aan deze krachten

dieren ten offer:

[dat zijn: de eigen dierlijke eigenschappen.

Het zijn dus dieren die offers brachten].

Ze werden levend aan hen opgedragen,

maar toen ze geofferd werden, stierven ze.

 

Als de mens de dood aan God opdraagt,

zal hij weer tot leven gewekt worden.

 

12

Voordat Christus kwam

was er in de wereld geen brood.

Dat was al zo in het paradijs,

de plaats waar Adam was;

daar waren veel bomen

die de dieren van voedsel voorzagen,

maar geen tarwe om de mens te voeden.

De mens voedde zich als de dieren.

Maar toen Christus, de volkomen mens, kwam,

bracht hij brood mee uit de hemel,

opdat de mens gevoed zou worden

met het voedsel van de mens

 

 

13

De krachten dachten dat wat ze deden

door hun eigen kracht en wil gebeurde.

Maar in het geheim bracht

de Heilige Geest door middel van hen

alles tot stand zoals hij het wilde.

Want de waarheid, die vanaf het begin bestaat

wordt over alle plaatsen uitgezaaid.

Velen zien dat ze uitgezaaid is,

maar weinigen die haar zien,

oogsten haar.

 

14

Sommigen zeggen:

'Maria is bevrucht door de Heilige Geest.'

Ze dwalen.

Ze weten niet wat ze zeggen.

Wanneer is een vrouw ooit zwanger geworden

door een vrouw?

 

Maria is de reine maagd

die door geen macht is bezoedeld.

Ze is een onaantastbaar heiligdom

voor de Hebreeën ­

dat zijn de apostelen en apostolischen.

Deze maagd is door geen enkele macht bezoedeld.

De machten [hebben alleen] zichzelf bevlekt.

 

De Heer [zou niet] gezegd hebben:

'Mijn Vader [die in de] hemel is'

als hij niet [ook nog een andere] vader zou hebben;

hij zou dan eenvoudig ['mijn Vader'] hebben gezegd.

 

15

De Heer zei tegen zijn leerlingen:

[Ieder is meester van zijn eigen] huis.

Kom in het huis van de Vader,

doch steel er niets

en neem er ook niets weg.

 

16

'Jezus' is een verborgen naam.

'Christus' is een openbare naam.

Daarom komt 'Jezus' in geen enkele taal voor.

'Jezus' is zijn eigen naam - zoals hij genoemd wordt.

Wat Christus betreft:

zijn naam is in het Syrisch 'Messias'

en in het Grieks 'Christos '

en ze komt bij anderen

ook in hun taal voor.

'De Nazarener' is de openbare naam

van de verborgen naam.

 

Christus heeft alles in zich:

mens,

engel,

mysterie en

Vader.

 

17

Zij die zeggen:

'De Heer is eerst gestorven en toen opgestaan',

die dwalen.

Want hij is eerst opgestaan

en toen gestorven.

Als iemand zich niet eerst de opstanding verwerft,

kan hij niet sterven!

Alleen als God in hem gaat leven,

kan hij sterven.

 

18

Niemand zal een voorwerp van grote waarde

in een kostbaar ding verstoppen,

maar vaak heeft iemand ontelbare

duizenden verborgen in een ding

dat nog geen stuiver waard is.

Zo is het ook met de ziel.

Zij is een kostbare schat,

maar ze is in een nederig lichaam gekomen.

 

19

Sommigen vrezen dat zij naakt op zullen staan.

Daarom willen ze in het vlees opstaan.

Ze weten echter niet dat juist

[zij die het vlees] dragen,

naakt zijn,

en dat zij die zich van het 'vlees' [ontdoen],

(en) zich ontkleden,

niet naakt zijn.

 

'Vlees en [bloed zullen] het Rijk [Gods] niet erven. '

Om wat handelt het hier,

dat niet geërfd kan worden?

En wat zal dan wel geërfd worden?

Wel, dat wat van Jezus is en ook zijn bloed.

 

Daarom heeft hij gezegd:

'Wie mijn vlees niet eet

en mijn bloed niet drinkt

heeft geen leven in zich.'

 

Wat betekent dit?

Zijn vlees is het Woord

en zijn bloed de Heilige Geest.

Wie dat ontvangen heeft,

heeft eten en drinken

en is bekleed.

 

Ik bestrijd echter ook de anderen die zeggen:

Het (vlees) zal niet opstaan.

Ze hebben allebei ongelijk.

 

Als je zegt: 'Het vlees zal niet opstaan' ,

zeg me dan wat wel zal opstaan,

opdat we aan jou de eer laten.

Als je zegt: 'De geest in het vlees zal opstaan'

en 'dat is ook de lichtdruppel in het vlees,

het is ook de Logos in het vlees',

dan is dat ook iets dat in het vlees is.

Want watje ook zegt,

je noemt niets buiten het vlees.

 

Het is noodzakelijk om in dit vlees op te staan,

omdat alles daarin aanwezig is!

 

20

In deze wereld zijn zij die de kleren aantrekken

meer waard dan de kleren zelf.

In het Koninkrijk der Hemelen

zijn de kleren meer waard

dan zij die ze hebben aangetrokken.

 

21

Het is door water en vuur

dat het hele oord gezuiverd wordt.

Het zichtbare door het zichtbare,

het verborgene door het verborgene.

Sommige dingen zijn echter verborgen

hoewel ze toch openbaar zijn.

Want water bestaat in water,

maar vuur bestaat in de zalving.

 

22

Jezus heeft alles in het geheim gedragen

Hij openbaarde zich namelijk niet zo als hij

[in werkelijkheid] was,

maar hij openbaarde zich zo dat hij gezien

kon worden. [...]

Hij openbaarde zich aan [allen].

Aan de groten [openbaarde] hij zich groot,

aan de kleinen klein, [...]

aan de engelen als een engel

en aan de mensen als mens.

Daarom was zijn woord voor iedereen

verborgen.

 

Slechts enkelen hebben hem gezien,

en de gedachte omvat

dat ze zichzelf in hem zagen.

Toen hij zich in heerlijkheid aan zijn

leerlingen openbaarde op de berg,

was hij niet klein.     .

Hij was groot geworden.

Maar hij maakte ook de leerlingen groot

zodat ze konden zien dat hij groot was.

 

Op de dag van het avondmaal zei hij:

'U die het volkomene,

het licht,

verenigd heeft met de Heilige Geest,

verenig ook de engelen met ons,

de afbeeldingen daarvan.'

 

23

Veracht het lam niet,

want zonder dat is het niet mogelijk

de koning te zien.

Niemand is in staat

als hij naakt is

de koning te naderen.

 

24

De hemelse mens heeft meer kinderen

dan de aardse mens.

Als de kinderen van Adam vele zijn

en sterven,

hoevele meer zijn dan de kinderen van

de volkomen mens

die niet sterven

maar steeds weer geboren worden.

 

De vader maakt een zoon,

maar de zoon is niet in staat

een zoon te maken.

Want wie is voortgebracht,

kan zelf niet voortbrengen;

de zoon verwerft zich geen kinderen

maar broers.

 

Allen die in de wereld geboren worden,

worden door de natuur voortgebracht.

De anderen worden door

[de Geest] voortgebracht.

Zij die door deze worden voortgebracht

[roepen] vandaar naar de mens,

[met de boodschap] van de belofte die van

boven komt.

 

[Zo een mens zal] door het Woord

uit de mond [van de Vader

het leven vinden].

Zodra het Woord van boven komt

kan de mens zich met dat Woord,

dat door de mond van de Vader gaat, ..

voeden

en volkomen worden.

 

Zo worden de volkomenen zwanger

en baren door een kus.

Daarom ook kussen wij elkaar.

We worden zwanger door de genade

die we elkaar mededelen.

 

25

Drie vrouwen trokken altijd met de Heer op:

Maria, zijn moeder,

zijn zuster

en Maria Magdalena,

die zijn metgezellin wordt genoemd.

Want zowel

zijn zuster

als zijn moeder

als zijn gezellin

heetten Maria.

 

26

'Vader' en 'zoon' zijn enkelvoudige namen;

de 'Heilige Geest' is een dubbele naam.

De eersten zijn overal gelijk:

zowel boven

als beneden,

zowel in het verborgene

als in dat wat openbaar is.

 

De Heilige Geest werkt echter anders

in dat wat openbaar is:

het benedenste,

dan in het verborgene:

het bovenste.

 

27

De kwade engelenmachten dienen de

heiligen,

want ze zijn verblind door de Heilige Geest,

zodat ze, terwijl zij de heiligen helpen,

denken dat ze de gewone mensen, die tot hen

behoren, dienen.

 

Zo vroeg een leerling aan de Heer

eens iets over een wereldse zaak.

Hij zei hem: 'Vraag het je moeder.

Zij zal je geven van de dingen van een ander.'

 

28

De apostelen zeiden tegen hun leerlingen:

'Dat ons offer het zout mag behouden.'

Zij refereerden [daarmee aan Sophia als]

het zout,       .

want zonder dat is een offer

niet aanvaardbaar.

Sophia nu is onvruchtbaar

[ en zonder] kinderen.

Om deze reden wordt zij

[de smaak] van het zout genoemd.

Op de daarvoor toegemeten plaats echter,

[de plaats] van de Heilige Geest,

[zijn haar] kinderen talrijk.

 

29

Wat de vader bezit,

behoort aan de zoon.

Maar zolang de zoon nog klein is,

wordt hem het zijne niet toevertrouwd.

Wanneer hij tot man wordt,

geeft zijn vader hem alles wat hij bezit.

 

30

Ook door de werking van de Heilige Geest

kunnen dwalingen ontstaan;

namelijk als mensen dwaas op haar reageren.

 

Dus door een en dezelfde ademtocht

vlamt het vuur op

en wordt gedoofd.

 

31

Echamoth is één iets

en Echmoth een ander.

Echamoth is gewoon Sophia,

maar Echmoth is de Wijsheid van de dood;

de Wijsheid die de dood kent

en die 'de kleine Sophia' wordt genoemd.

 

32

Er zijn dieren die de mens gehoorzamen,

zoals de os en de ezel en dergelijke.

Andere doen dat niet

en zwerven eenzaam

en in het wild rond.

 

De mens ploegt de akker

met behulp van de dieren die hem

gehoorzaam zijn.

Daarvan voedt hij zichzelf

maar ook de dieren,

zowel de huisdieren als de wilde dieren.

 

Zo is het ook met de volkomen mens.

Door middel van machten die gehoorzamen,

ploegt hij,

ervoor zorgend dat alles tot stand komt.

Want zo is de gehele plaats

weer op orde gebracht:

goed en kwaad,

links en rechts.

 

De Heilige Geest weidt ze allemaal

en heerst over alle machten,

de gehoorzame,

de wilde

en de opzichzelfstaande.

Want hij omringt ze,

sluit ze in,

zodat [ze (zelfs) als ze dat zouden] willen

[niet kunnen ontsnappen].

 

33

[Als iemand een] welgeschapen vorm heeft,

zal men vinden dat ook zijn nageslacht

nobele trekken heeft.

Als iemand echter niet geschapen is

maar verwekt,

dan zal men vinden dat uit zijn nobel zaad

nobel nageslacht voortkomt.

De mens wordt zowel geschapen

als verwekt.

Dat is nog eens nobelheid!

 

34

Eerst ontstond het overspel,

daarna de moord

die uit overspel voortkwam.

Want hij was het kind van de slang.

Daarom werd hij een moordenaar,

evenals zijn vader

en doodde hij zijn broer.

 

Elke gemeenschap die tussen ongelijken

plaatsvindt,

is overspel!

 

35

God is een verver.

Anders dan de goede kleuren,

die 'echt' worden genoemd,

(en) vergaan met de stoffen

waarop ze geverfd zijn,

zo gaat dat niet met degenen

die God heeft geverfd.

Zij worden onsterfelijk door zijn verftinten

omdat zijn kleur onsterfelijk is.

Wat God onderdompelt,

doopt hij in water.

 

36

Het is voor iemand niet mogelijk

iets te zien van de dingen

die werkelijk bestaan,

tenzij hij eraan gelijk wordt.

 

Zo gaat het niet met de mens in de wereld:

 

hij ziet de zon

zonder een zon te zijn,

en hij ziet de hemel

en de aarde

en alle andere dingen

zonder deze dingen te zijn.

 

Zo gaat het wel met de plaats van

de Waarheid.

Je zag iets van die plaats

en je werd er gelijk aan.

Je zag de Geest

en je werd Geest.

Je zag Christus

en je werd Christus.

Je zag [de Vader]

en werd tot Vader.

 

Daarom zie je [hier] alles

en niet jezelf,

maar daar

zie je jezelf,

en wat je ziet,

zul je [worden].

 

 

37

Vertrouwen ontvangt,

liefde geeft.

[Niemand zal kunnen ontvangen]

zonder vertrouwen.

Niemand zal kunnen geven

zonder liefde.

Vandaar dat we vertrouwen

om te ontvangen

en dat we liefhebben

om echt te kunnen geven.


 

 

Want als iemand niet uit liefde geeft,

heeft hij zelf niets

aan wat hij gegeven heeft.


 

38

Wie de Heer niet ontvangen heeft,

is nog een Hebreeër.

De apostelen voor ons noemden hem

als volgt:

'Jezus de Nazoreeër, de Messias',

dat wil zeggen:

'Jezus de Nazoreeër, Christus.'

De laatste tiaam is 'Christus',

de eerste 'Jezus',

de middelste 'Nazoreeër'.

'Messias' heeft twee betekenissen:

zowel 'Christus' als 'de tijd-gemetene'.

'Jezus' is Hebreeuws voor 'de verlossing'.

 'Nazara' is 'de waarheid';

'de Nazarener' betekent dus 'van de

waarheid' .

De Christus hebben ze begrensd

(door) de Nazarener en Jezus,

die beperkt zijn.

 

39

Als een parel in de modder wordt gegooid

daalt haar waarde niet.

En haar waarde stijgt niet

als ze met balsemolie ingewreven wordt;

in de ogen van de eigenaar

behoudt zij haar waarde.

 

Zo is het ook met de kinderen van God:

waar ze ook terechtkomen;

in de ogen van de Vader

behouden ze steeds hun waarde!

 

40

Als je zegt:

 

'Ik ben een jood' ,

komt niemand in beweging.

Als je zegt:

'Ik ben een Romein',

zal niemand in verwarring raken.

Als je zegt:

'Ik ben een Griek

of een barbaar of een slaaf of een vrije',

zal niemand verstoord worden.

Als je zegt:

'Ik ben een christen',

[dan zullen ze] in opschudding raken.

Dat ik zo'n [naam mag ontvangen!

De archonten] zullen het niet kunnen

verdragen

deze naam [te horen].


 

 

 

41

De god is een menseneter.

Daarom worden mensen aan hem geofferd.

Voordat mensen werden geofferd,

werden dieren geofferd;

maar aan wie ze werden geofferd

was niet de ware god.

 

 

42

Glaswerk en aardewerk

worden gemaakt met behulp van vuur.

Maar als glaswerk breekt,

wordt het opnieuw gemaakt,

want glas is geblazen.

Maar als aardewerk breekt,

gaat het verloren,

omdat het zonder adem

is ontstaan.

 

43

Een ezel die een molensteen ronddraaide,

legde al lopend honderd mijl af.

Toen hij werd losgemaakt

merkte hij dat hij nog steeds

op dezelfde plaats was.

 

Er zijn mensen die veel reizen maken

zonder dichter bij enige plek te komen.

Wanneer de avond hen overvalt,

hebben ze nog geen stad of dorp,

geen schepsel of iets anders uit de natuur,

geen macht of geen engel, gezien.

De ongelukkigen hebben zich vergeefs

ingespannen.

 

 

44

De eucharistie is Jezus.

Want hij wordt in Syrië 'pharisata' genoemd,

wat betekent: dat wat is uitgespreid.

Want Jezus kwam om de wereld te kruisigen.

 

45

De Heer ging de ververij van Levi binnen.

Hij nam tweeënzeventig doeken in

verschillende kleuren.

Hij deed ze in een ketel

en haalde ze er allemaal wit uit.

Hij zei:

'Zo is ook de Zoon van de Mens gekomen:

als verver.'

 

 

46

Sophia die ze 'de onvruchtbare (wijsheid)'

noemen,

is de moeder [van de] engelen en

de metgezellin van de [Heer];

als zodanig heet ze Maria Magdalena.

 

[Jezus hield op een andere wijze] van Maria

dan van [de andere] leerlingen,

en hij kuste haar vaak.

De overige [leerlingen zagen hoe hij van

Maria hield]

en vroegen hem:

'Waarom houdt u meer van haar

dan van ons allemaal?'

De Heer antwoordde hun met de woorden:

'Waarom houd ik niet van jullie

zoals van haar?

Wel, als een blinde

en iemand die kan zien

samen in het donker zijn,

verschillen ze niet van elkaar.

Maar als het licht wordt,

zal de ziende het licht zien

en de blinde in het donker blijven.'

 

47

De Heer zei:

'Gelukkig hij die al bestond

vóór hij werd.

Want hij die bestaat,

is geworden

en zal zijn.'

 

48

De superioriteit van de mens

is niet zichtbaar,

maar een verborgen werkelijkheid.

Daarom is hij heer over dieren die groter

en sterker zijn dan hij,

zowel zichtbaar als in het verborgene.

Dat stelt hem in staat te overleven.

 

Als de mens zich van hen terugtrekt,

doden en verscheuren zij elkaar.

En ze eten elkaar op omdat ze geen voedsel

vinden.

Nu echter hebben ze voedsel gevonden

omdat de mens de aarde heeft bewerkt.

 

49

Als iemand in het water afdaalt

en weer bovenkomt zonder iets te hebben

ontvangen .

en dan zegt: 'Ik ben een christen',

heeft hij deze naam in bruikleen ontvangen.

Maar als hij de Heilige Geest ontvangt,

krijgt hij deze naam als een geschenk.

 

Van wie een geschenk heeft ontvangen

wordt dit niet afgenomen,

maar wat in bruikleen ontvangen is,

wordt terugverlangd.

 

Zo is het met eenieder

die in een mysterie is.

 

50

Het mysterie van het huwelijk is groot.

Want [zonder het huwelijk] zou de wereld

niet [bestaan].

Het bestaan [van de wereld]

berust op de mens

en het bestaan van de mens

berust op het huwelijk.

 

Heb weet van de onbevlekte gemeenschap.

want deze heeft grote macht.

Haar beeld is dat van de lichamelijke

bevlekking.

 

Tussen de gestalten van onreine geesten

zijn mannelijke en vrouwelijke.

De mannelijke geesten hebben gemeenschap

met zielen die in een vrouwelijke

gedaante wonen;

de vrouwelijke vermengen zich in

gemeenschap met die welke in een

mannelijke gedaante wonen.

 

Niemand zal aan hen kunnen ontsnappen

als hij nog vastgehouden wordt

en als hij niet een mannelijke heilige kracht

dan wel een vrouwelijke heilige kracht

ontvangt,

namelijk de bruidegom of de bruid.

Die krachten nu ontvangt men

vanuit het symbolische bruidsvertrek.

 

Als onverstandige vrouwen merken dat een

man alleen is,

komen ze op hem af,

maken grappen met hem

en bevlekken hem.

Zo is het ook met onverstandige mannen:

als ze merken dat een mooie vrouw alleen is,

bepraten ze haar

en intimideren haar

omdat ze haar willen bevlekken.

Maar als ze merken dat de man en de vrouw

bij elkaar zijn,

kunnen de vrouwen de man

geen avances maken

en de mannen niet de vrouw.

 

Zo is het ook als de afbeelding en de engel

zich met elkaar verbinden;

niemand zal het dan nog wagen

de man of de vrouw avances te maken.

 

Degene die zo uit de wereld komt,

kan niet op grond van het feit

dat hij in de wereld geweest is,

verder worden vastgehouden.

 

Want het is duidelijk dat hij boven

de begeerte van [het vlees]

en de angst is uitgestegen.

Hij is meester over [zichzelf],

en hij is verheven boven de afgunst.

 

Als hij langs [de machten] komt,

proberen deze hem te grijpen en te verstikken.

Hoe zal hij [aan hun macht] kunnen

ontkomen?

Hoe zal hij [zich voor hen] kunnen

[verbergen]?

Dikwijls zijn er dan die [zeggen]:

'Wij zijn gelovig' ,

[met de bedoeling aan de onreine geesten]

en de demonen [te ontkomen].

Als ze echter de Heilige Geest

zouden bezitten,

zou geen onreine geest zich aan hen hechten.

 

51

Wees niet bang voor het vlees

en heb het ook niet lief.

Als je er bang voor bent,

zal het je de baas worden.

Als je het liefhebt,

zal het je verslinden en verlammen.

 

52

Men is

of in deze wereld,

of in de opstanding,

of op de plaatsen die in het midden zijn

- dat ik daar niet aangetroffen moge worden! -

In deze wereld is er goed en kwaad.

Maar het goede in de wereld

is niet werkelijk goed.

En het slechte in haar is niet werkelijk slecht.

 

Doch in deze wereld is er een kwaad

dat werkelijk kwaad is.

Het wordt het 'midden' genoemd.

Het is de dood.

 

Zolang we nog in deze wereld zijn,

moeten we alles doen om ons de opstanding

te verwerven,

opdat we, als we ons vlees afleggen,

in de Rust aangetroffen mogen worden

en niet in het 'midden' geraken.

Want velen verdwalen onderweg.

 

Het is goed de wereld te verlaten

voordat men gezondigd heeft.

 

Sommigen willen noch kunnen het.

Anderen, die het willen,

hebben er geen baat bij

dat ze het niet hebben gedaan,

want hun verlangen maakt hen tot zondaars.

[Ook zijn er] die het niet willen,

[maar toch doen.]

 

De gerechtigheid zal aan beide groepen

ontgaan:

zowel aan hen die niet willen

als aan hen die niet doen.

 

53.

Een leerling van een apostel

zag in een visioen enkele mensen die

opgesloten waren in een brandend huis.

Ze waren geketend in dat brandende [huis];

veroordeeld als ze waren in [dat huis] vol

vuur.

Ze riepen: 'Gooi water op het [vuur!]

Maar er werd hun gezegd [dat ze] (hun

redders)

niet in staat waren hen te redden

[volgens hun] wil.

Ze hebben [de dood] ontvangen als de straf

die de buitenste duisternis wordt genoemd

omdat zij [...] van water en vuur.

 

54

Ziel en geest

zijn uit water, vuur en licht ontstaan;

welke door de zoon van het bruidsvertrek [...].

Het vuur is de zalvingsolie,

het licht is het vuur.

 

Ik spreek niet over het vuur dat geen vorm

heeft,

maar over het andere waarvan de vorm wit is

en dat van een prachtig licht is.

Het verleent schoonheid.

 

55

De waarheid is niet naakt in de wereld

gekomen

maar in symbolen en afbeeldingen;

anders zou zij (de wereld) haar (de waarheid)

niet kunnen ontvangen.

 

Er is wedergeboorte en een afbeelding van

wedergeboorte.

Het is nodig dat men door de afbeelding

tot werkelijke wedergeboorte komt.

 

Want wat is de opstanding en wat is haar

afbeelding? .

Door de afbeelding wordt de opstanding

bewerkstelligd.

Door middel van de afbeelding

kunnen het bruidsvertrek en haar afbeelding

zich opmaken in het rijk van de waarheid;

dat is de weg van het herstel.

 

Het is bedoeld voor hen

die niet alleen de naam

van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest

ontvangen hebben,

maar die hen zelf

ontvangen hebben.

 

Als iemand hen niet daadwerkelijk ontvangt,

zal hem ook de naam afgenomen worden.

 

Men ontvangt hen in de zalving van [de

Volheid] en de kracht van [het kruis],

die onze apostelen 'de rechtse en de linkse'

noemden.

Zo iemand is niet langer meer een christen

maar een Christus.

 

56

De Heer [voltrok] alles in één mysterie:

doopsel,

zalving,

eucharistie,

verlossing

en bruidsvertrek.

 

[De Heer] zei:

'Ik ben gekomen om [de dingen van beneden]

gelijk te maken aan de dingen [van boven,

en de dingen van] buiten

aan de dingen [van binnen.

Ik ben gekomen om] ze op die plaats [te

verenigen].'

 

Op deze plaats [heeft hij zich geopenbaard]

in symbolen [en afbeeldingen].

 

57

Zij die zeggen:

'Ook boven zijn [er gestalten]',

die dwalen.

[Want hij die in een zichtbare gestalte]

is verschenen,

[dat is de mens],

die wordt 'de onderste' genoemd.

En aan wie het verborgene toebehoort,

is degene die boven hem is.

Terecht spreekt men van 'het binnenste' en

'het buitenste'

en van 'buiten het buitenste'.

Daarom noemde de Heer de ondergang 'de

buitenste duisternis'.

Daarbuiten is niets meer.

 

Hij zei:

'Mijn Vader die in het verborgene is.'

Hij zei:

'Ga je kamer in

en sluit de deur achter je

en bid tot je Vader die in het verborgene is.'

Dat wil zeggen: die in ons aller innerlijk is.

Want dat wat binnen ons is,

dat is het pleroma.

Voorbij dat is er binnen niets meer.

Het is dat waarvan men zegt:

'Wat boven ons is.'

 

58

Voor Christus waren sommigen uitgegaan.

Vanwaar ze kwamen

konden ze niet meer terugkeren,

en waar ze binnenkwamen

konden ze niet meer uitgaan.

 

Maar Christus is gekomen!

Die binnen waren gekomen,

liet hij uitgaan,        .

en die uit waren gegaan,

bracht hij weer binnen.

 

59

Toen Eva nog in Adam was,

was er geen dood.

Toen zij zich van hem scheidde,

ontstond de dood.

Als zij weer in hem gaat

en hij haar weer in zich opneemt,

zal er geen dood meer zijn.

 

60

'Mijn God, mijn God!

Waarom, Heer, heeft u mij verlaten?'

Het was aan het kruis

dat hij deze woorden sprak,

want daar scheidde hij [zijn lichamelijk deel

af van de geest] van God.

 

[De Heer stond op] uit de dood.

[Hij leek sterk op hoe hij] was,

maar [zijn lichaam was nu] volmaakt.

[Hij bezat een lichaam] van vlees,

maar dit vlees is het ware vlees,

[terwijl ons vlees] niet het ware is

doch [slechts] een afbeelding van het ware.

 

61

Een bruidsvertrek is er niet voor de dieren,

evenmin voor de slaven,

en ook niet voor hoeren;

het is er voor vrije mannen en maagden.

 

62

Uit de Heilige Geest zijn we inderdaad

geboren,

maar we worden opnieuw geboren door

Christus.

In beide gevallen worden we gezalfd door

de Heilige Geest.

Als we opnieuw geboren worden,

worden we weer verenigd.

 

63

Niemand zal zichzelf kunnen zien,

in het water of in een spiegel,

zonder licht.

Evenmin zul je jezelf kunnen zien

in het licht

zonder water of spiegel.

 

Daarom is het nodig gedoopt te worden in

alle twee:

in het licht en in het water.

Het licht is namelijk de zalving.

 

 

64

Er waren in Jeruzalem drie gebouwen

speciaal bestemd voor offers.

 

Een, dat gericht was naar het westen,

werd 'het heilige' genoemd.

Een andere, gericht naar het zuiden,

werd 'het heilige van het heilige' genoemd.

Het derde, gericht naar het oosten,

werd 'het heilige der heiligen' genoemd,

de plaats waar alleen de hogepriester

binnengaat.

 

'Het heilige' gebouw is de doop.

'Het heilige van het heilige' is [de

verlossing].

'Het heilige der heiligen' is het bruidsvertrek.

 

De doop omvat de opstanding en de

verlossing;

de verlossing voert ons naar het bruidsvertrek.

Maar het bruidsvertrek is op een verheven

plaats;

je zult [niets verheveners] vinden.

[Er waren er die in Jeruzalem in 'het heilige'

baden],

anderen baden in Jeruzalem [in 'het heilige

van het heilige' ,

en weer anderen] baden in Jeruzalem [in 'het

heilige der heiligen'.

 

Zij baden daar] en zagen uit naar [het

bruidsvertrek,

maar zij konden er niet binnentreden

voordat] het voorhangsel scheurde.

Toen tekende zich het ware bruidsvertrek af,

waar voorheen slechts een afbeelding [van

het bovenste was].

Het voorhangsel scheurde van boven tot

beneden.

Toen was het enkelen vergund van beneden

naar boven te gaan.

 

65

Zij die zich met het volkomen licht hebben bekleed

worden door de machten niet gezien

en kunnen ook niet tegengehouden worden.

 

 

 

Wie zich in het mysterie met licht bekleedt

zal tot eenwording kunnen komen.

 

66

Als de vrouw zich niet van de man

afgescheiden had,

zou ze niet met de man sterven.

Met deze scheiding begon de dood.

Christus is gekomen om de scheiding,

die in het begin is ontstaan,

weer ongedaan te maken,

de twee weer te verenigen

en leven te geven aan hen

die in de scheiding gestorven zijn,

en hen weer te verenigen.

 

Want vrouwen man verenigen zich met elkaar

in het bruidsvertrek.

En zij die zich in het bruidsvertrek

hebben verenigd,

zullen niet meer van elkaar

worden gescheiden.

 

Het is daarom dat Eva van Adam

is gescheiden:

omdat zij in het bruidsvertrek

niet met hem verenigd was geweest.

 

Adams ziel is ontstaan uit adem,

die de metgezellin van de geest is.

De adem die hem is ingeblazen,

is afkomstig vanuit de moeder.

Voor zijn ziel gaven ze (de machten)

hem [een afbeelding] in de plaats.

 

Want toen hij met de geest verenigd werd,

sprak hij woorden die verhevener waren

dan alle scheppingen van de machten.

Daarom misgunden ze hem de vereniging

met de geest.

[Deze vereniging is het bruidsvertrek]

die in het verborgene plaatsvond.

[...] [.u] [u.] [.u]

[u.] [.u] [.u] [...]

[...] [...] het bruidsvertrek dat

[de mensen verenigt].

 

67

Jezus ontving [bij zijn doop in de] Jordaan de volheid

[van het Konink]rijk der Hemelen.

Hij die [reeds was voor] het Al,

werd opnieuw verwekt.

[Hij die tot zoon geworden was],

werd opnieuw gezalfd.

Hij die verlost was,

verloste anderen.

 

Is het toegestaan om over

een mysterie te spreken?

De Vader van het Al verenigde zich

met de maagd die was neergedaald.

 

En een vuur verlichtte op die dag alles.

Hij openbaarde zich

in het grootse bruidsvertrek.

 

Daarom is op die dag zijn lichaam ontstaan.

Hij kwam de bruidskamer uit

als iemand die door bruid en bruidegom

is voortgebracht.

 

Zo heeft Jezus door hen het Al gevestigd.

En elke leerling dient die rust

binnen te gaan.

 

Adam is voortgekomen uit twee maagden,

uit de Geest en uit de maagdelijke aarde.

Christus is uit een maagd geboren

om de val die in het begin plaats vond

te herstellen.

 

68

Twee bomen staan er in het Paradijs.

De ene brengt dieren voort

en de andere mensen.

 

Adam at van de boom

die dieren voortbracht.

Hij werd een dier

en bracht dieren voort.

Daarom vereren [de kinderen]

van Adam [dieren].

De boom [van welke Adam de]

vruchten at [is de boom van de kennis

van de dieren, en zo] werden

[zijn kinderen] talrijk.

[Wanneer de mens echter] vruchten

[eet van de boom van de mensen]

brengt hij mensen voort.

[Dan vereert de mens] de mensen.

 

God schiep de mens

en de mensen schiepen zich een god.

Zo gaat het in de wereld:

de mensen scheppen zich goden

en vereren hun scheppingen. Waarlijk!

(Zo) zouden de goden

de mensen moeten vereren!

 

69

De werken van de mens ontstaan

uit zijn macht.

Daarom spreekt men van 'de machten'.

Zijn werken zijn zijn kinderen,

die uit de rust voortkomen.

Zo woont zijn macht in zijn werken,

terwijl de rust zichtbaar is

in zijn kinderen.

 

Je zult bemerken dat dit ook voor de afbeelding opgaat;

de afbeelding mens doet zijn werk vanuit zijn macht,

maar hij verwekt zijn kinderen dankzij de rust.

 

70

In deze wereld

dienen de slaven de vrijen.

In het Koninkrijk der Hemelen

zullen de vrijen de slaven dienen.

De kinderen van het bruidsvertrek

zullen de kinderen

van het aardse huwelijk dienen.

 

De kinderen van het bruidsvertrek

hebben [geen] naam.

[Want] zij [zijn in de] rust.

Zij hebben geen [namen] nodig.

 

De beschouwing [...]

[...] [...] zij zijn meer [...]

[...] [...] waarin zij zijn [...] [...]

[...] heerlijkheid van de [...] [...]

[...] zijn niet [...]

 

71

[Wie] afdaalt in het water

zal [door hem] verlost worden.

[Want hij steeg uit het water

van de doop op.

Zo zullen zij volmaakt worden]

die in zijn naam [gedoopt zijn].

Want hij zei:

'[Op deze wijze] moeten we

alle gerechtigheid vervullen.'

 

Zij die zeggen:

'Eerst sterft men

en dan zal men opstaan', die dwalen.

Want als men zich niet tijdens

dit leven de opstanding verwerft,

zal men zich ook niets verwerven

als men sterft.

Het is ook zo dat ze

over het doopsel spreken

en ze zeggen dat

het doopsel iets groots is.

Want als men dit ontvangt

zal men leven.

 

72

De apostel Filippus vertelde dat

Jozef de timmerman een tuin aanlegde,

omdat hij voor zijn werk hout nodig had.

Hij timmerde het kruis

uit de bomen die hij had geplant.

En zijn zaad hing aan wat hij geplant had.

 

Zijn zaad was Jezus, de plant het kruis.

 

Maar de levensboom staat

in het midden van het Paradijs.

Het is de olijfboom

die de zalvingsolie voortbrengt;

[dankzij dit] is er de opstanding.

 

73

De wereld is een lijken-eter.

Alles wat men er eet is gehaat.

De Waarheid eet wat leeft.

[Daarom] zal niemand

die [zich met haar] voedt sterven.

 

Jezus kwam van die plaats

en hij bracht vandaar voedsel mee.

En aan wie dat wilde, gaf hij [leven],

opdat ze niet zouden sterven.

 

74

God [schiep] een paradijs.

De mens [leefde in het] paradijs.

Daar was [geen scheiding tussen (hen),

want de mens leefde in het aangezicht]

van God.

[In de wereld zijn het de mensen

die zich afgescheiden hebben].

 

Dit paradijs [is de plaats waar] mij gezegd

zal worden:

'[Eet] dit of eet dit niet, [zoals je zelf] wilt.'

Dit is de plaats waar ik van alles zal eten,

omdat hier de boom der kennis is.

Die daar doodde Adam,

maar hier heeft de boom der kennis de mens

levend gemaakt.

De wet was de boom.

Hij had de macht om kennis van goed en

kwaad te geven,

maar hij verwijderde hem (de mens)

niet van het kwade,

noch plaatste hij hem in het goede.

Maar hij veroorzaakte de dood

voor al degenen die van hem aten,

want omdat hij zei: 'Eet dit, eet dat niet' ,

werd hij de oorzaak van de dood.

 

75

De zalving is meer dan de doop.

Want het is door de zalving

dat we christenen worden genoemd;

niet door de doop.

En ook Christus werd zo genoemd

door de zalving;

want de Vader zalfde de Zoon

en de Zoon zalfde de apostelen

en de apostelen zalfden ons.

Wie gezalfd is, bezit het Al.

Hij heeft de opstanding,

het licht,

het kruis,

en de Heilige Geest.

De Vader gaf hem (de Zoon) dit alles

 in het bruidsvertrek,

waar hij het in ontvangst nam.

De Vader was in de Zoon

en de Zoon in de Vader.

Dit is het Koninkrijk der Hemelen.

 

76

De Heer heeft eens treffend gezegd:

'Sommigen zijn lachend het Koninkrijk

der Hemelen binnengegaan.

want ze kwamen [lachend] uit [deze wereld.'

Dat is het leven van] een christen;

[bij de doop wordt hij] direct [een

vreemdeling.

 

Ook Christus] daalde af in het water

tot de doop

en kwam weer boven

[bevrijd lachend over deze wereld.

Hij zag er geen grotere betekenis in]

dan een vluchtige scherts.

Hij verachtte alle vergankelijkheid

[en trad lachend] het Koninkrijk der Hemelen

binnen.

 

Wie [de wereld] veracht en

haar vanwege haar betrekkelijkheid

als een scherts afwijst

[zal er] lachend [uit tevoorschijn komen].

Zo is het ook met het brood en de kelk

en de olie,

want er is iets nog hogers dan deze dingen.

 

77

De wereld is door een val ontstaan,

want wie haar schiep wilde haar

onvergankelijk en onsterfelijk maken.

Hij maakte een val en bereikte niet waarop

hij hoopte.

Daarom werd de wereld niet iets

onvergankelijks,

evenmin als hij, die de wereld geschapen heeft,

onvergankelijk was.

Want niets in haar is onvergankelijk.

Onvergankelijk zijn alleen de kinderen (van

God).

Niemand zal tot onvergankelijkheid

kunnen komen

als hij niet weer tot kind wordt.

 

78

Wie niet in staat is om te ontvangen,

zal nog minder in staat zijn om te geven.

 

79

De kelk van het gebed

bevat wijn

en ook water

als symbool van het bloed.

Daarover spreekt men de dankzegging uit.

Hij is vol van de Heilige Geest

en behoort toe aan de volkomen mens

die totaal is.

 

Als we eruit drinken zullen we

de volkomen mens ontvangen.

 

80

Het levende water is als een lichaam.

Het is nodig dat we ons met de levende mens

bekleden.

Het is daarom dat iemand die komt om af te

dalen in het water,

zich ontkleedt

opdat hij zich met hem

kan bekleden.

 

81

Een paard verwekt een paard,

een mens verwekt een mens,

een god verwekt een god.

 

Zo is het ook met de bruidegom en de [bruid.

Hun kinderen] komen uit het [bruidsvertrek.

Nooit] is een jood door Grieken [verwekt

zolang [de wetten] bestaan.

Ook wij waren joden]

uit joden [geboren

voor we] als christenen geboren [werden

door Christus.

Daarom] worden zij [de verlosten] genoemd

en 'het uitverkoren geslacht van [de Heilige

Geest)'

en 'de ware Mens'

en 'de Zoon van de Mens'

en 'het zaad van de Zoon' .

 

In de wereld worden ze 'dit ware geslacht'

genoemd.

Zij zijn op de plaats waar zich de kinderen

van het bruidsvertrek bevinden.

 

In deze wereld is de vereniging

er één van man en vrouw,

waar kracht en zwakheid (samengaan).

In de eon is de vorm van de vereniging

anders,

maar we geven deze dezelfde naam.

Maar er zijn andere

die hoger zijn dan alle namen

die genoemd zijn

en die hoger zijn dan de sterkste kracht.

Want Waar een sterke kracht is,

is er ook iets dat deze kracht overstijgt.

Het is niet het één en het ander,

de twee zijn één en hetzelfde.

Het is wat niet kan plaatsvinden

in de harten van het vlees.

 

82

Zou niet elkeen die alles bezit

totaal zichzelf moeten kennen?

Want wie zichzelf niet kent,

zal niet genieten van wat hij bezit.

Maar wie zichzelf heeft leren kennen,

zal ervan genieten.

 

83

De volkomen mens zal niet alleen

niet vastgehouden kunnen worden,

maar hij kan ook niet worden gezien,

want als hij wordt gezien,

wordt hij overmeesterd.

 

Niemand verwerft zich deze genade op een

andere wijze dan door zich te bekleden

met het volkomen licht

 

om zo zelf volkomen te worden.

[Iedereen die zich hiermee heeft] bekleed

zal [niet gezien worden

als hij deze wereld verlaat]

Dat is de volkomen [verlossing].

We moeten [volkomen mensen] worden,

voordat we [de wereld] verlaten.

Wie alles ontvangen heeft

[zonder langs] deze plaatsen te geraken

zal die plek [niet kunnen bereiken]

maar hij zal als een onvolkomene [naar het

'midden' gaan].

Alleen Jezus kent het einde van zo iemand.

 

84

De heilige mens is helemaal heilig,

tot aan zijn lichaam toe.

Want als hij het brood ontvangen heeft,

zal hij dat heiligen,

evenals de kelk,

of wat dan ook.

Wat hij ontvangt

zal hij heiligen.

Waarom zou hij dan ook niet het lichaam

heiligen?

 

85

Zoals Jezus het doopwater heeft vervolmaakt,

zo heeft hij (ook) de dood weggespoeld.

Daarom dalen we wel af in het water

maar dalen we niet af in de dood,

om niet met de geest van de wereld

weggespoeld te worden.

 

Als zij waait,

wordt het winter;

maar als de Heilige Geest waait,

wordt het zomer.

 

86

Wie de kennis van de waarheid bezit

is een vrij mens.

De vrije mens zondigt niet,

want 'wie zondigt

is een slaaf van de zonde' .

 

De waarheid is de moeder en

de gnosis is de vader.

Zij die zichzelf niet toestaan om te zondigen

worden door de wereld 'vrije mensen' genoemd.

Bij hen die zichzelf niet toestaan

om te zondigen

verheft de gnosis van de waarheid hun hart.

Dat wil zeggen: ze hebben zich vrijgemaakt

en verheffen zich boven de gehele plaats.

 

Maar de liefde bouwt op.

Want wie een vrij mens geworden is

door de gnosis,

is door de liefde

een dienaar voor hen

die nog niet door de vrijheid

van de gnosis

zijn verhoogd.

Gnosis stelt hen dan in staat

om vrije mensen te worden.

 

De liefde eigent zich niets toe,

want waarom zou ze zich

iets toe-eigenen?

Alles is immers van haar!

Ze zegt niet: Dit is van mij

of: dat is van mij,

maar ze zegt: het is van jou.

 

Geestelijke liefde

is als wijn en geur.

Allen die ervan genieten

worden ermee gezalfd.

En ook genieten zij die in de buurt zijn

zolang de gezalfden in hun

omgeving vertoeven.

Want als de gezalfden zich

van hen verwijderen,

zullen de niet-gezalfden,

die slechts in de buurt waren,

in hun kwade geur blijven.

 

De Samaritaan gaf aan de gewonde

niets anders dan olie,

die niets anders is dan zalf.

Deze genas de wonden,

want 'de liefde bedekt vele zonden'.

 

 

87

De kinderen die een vrouw gaat baren

lijken op hem van wie ze houdt.

Als dat haar man is   .

lijken ze op haar man.

Als dat een echtbreker is,

dan lijken ze op die echtbreker.

Vaak, als een vrouw noodgedwongen

met haar man slaapt

terwijl haar hart bij de echtbreker is

met wie ze gewoonlijk gemeenschap heeft,

zal wat ze baart

lijken op de echtbreker.

 

Maar jullie

die zijn met de Zoon van God:

houd niet van de wereld,

maar bemin de Heer,

opdat wat jullie voortbrengen

geen gelijkenis vertoont met de wereld,

maar lijkt op de Heer.

 

88

De mens vermengt zich met de mens.

Het paard vermengt zich met het paard,

de ezel vermengt zich met de ezel.

Al het gelijksoortige vermengt

zich met elkaar.

 

Zo vermengt de geest zich met geest,

het woord verenigt zich met het woord,

en het licht met het licht.

 

Als je mens wordt,

zal de mens je liefhebben;

als je geest wordt,

zal de geest zich met je verenigen;

als je verstandig wordt,

zal het verstand zich met je vermengen;

als je licht wordt,

zal het licht zich met je verenigen;

als je wordt als die boven zijn

zullen zij die boven zijn in je rusten.

 

Als je paard wordt

of ezel, stier, hond, schaap

of een van de andere dieren

die buiten en onder ons leven,

zal noch de mens,

noch de geest,

noch het verstand,

noch het licht,

en evenmin dat wat boven is

en in het binnenste is,

je kunnen liefhebben.

Ze zullen niet in je kunnen rusten

en je zult geen deel aan hen hebben.

 

89

Wie tegen zijn wil slaaf is,

zal vrij kunnen worden.

Wie door een gunst van zijn meester

vrij geworden is

maar zichzelf weer als slaaf verkocht heeft,

kan niet meer vrij worden.

 

90

De landbouw in de wereld

(behoeft) vier krachten:

want de oogst wordt in de schuur gebracht

dankzij water, aarde, wind en licht.

Zo kent ook Gods landbouw vier krachten:

geloof, hoop, liefde en gnosis.

Onze aarde is het geloof

waarin we geworteld zijn;

het water is de hoop

waar we ons mee voeden;

de wind is de liefde

waardoor we groeien;

en het licht is de gnosis

waardoor we [rijpen].

 

91

De genade is [als het zaad van] een land[man;

dat wortel schiet in de aarde

en reikt naar [de hemel].

 

92

Gezegend is hij die geen ziel [in dwaling

gevoerd heeft]:

Dat is Jezus Christus.

Hij is naar de ganse plaats toe gegaan

en heeft niemand belast.

Daarom is iemand als hij gezegend,

want hij is een volkomen mens.

Hij is immers het Woord.

 

Vraag ons over hem,

want het is moeilijk zichzelf te verbeteren.

Hoe zullen we in staat zijn zo'n groot werk te

volbrengen?

 

93

Hoe zal men in staat zijn ieder rust te geven?

Allereerst en vooral is het onjuist

iemand verdriet te doen,

of hij nu groot is of klein,

ongelovig of gelovig.

Men is slechts in staat rust te geven

aan hen die met het goede vertrouwd zijn.

Sommigen denken er

voordeel mee te hebben rust te geven

aan wie het goed gaat.

Maar iemand die weldoet,

mag zo iemand geen rust geven,

want dan gaat dit tegen diens eigen wil in.

Hij kan geen leed berokkenen,

omdat hij hen niet terneer drukt.

 

Maar hij berokkent wie het goed gaat

toch vaak verdriet.

Niet hij doet dat echter;

het is hun eigen verdorvenheid

die hen leed berokkent.

Hij die de natuur van het goede bezit,

schept vreugde in het goede.

Daardoor hebben sommigen onnodig verdriet.

 

94

Een heer des huizes had zich alles verworven:

zonen, slaven, vee, honden, varkens,

tarwe, gerst, stro, gras,

[olie], vlees en eikels.

Nu was hij een verstandig man

en hij kende ieders voedsel.

De kinderen zette hij brood voor

[en olijfolie en vlees],

de slaven [wonderolie en] koren.

Het vee [kreeg gerst] en stro en gras,

[de honden] botten,

[de varkens] eikels en broodresten.

 

Zo is het ook met de leerling van God.

Als hij een wijs mens is,

begrijpt hij het discipelschap.

Lichamelijke vormen zullen hem niet misleiden;

maar hij zal op ieders zielsgesteldheid

letten en dan met hem spreken.

Er zijn in de wereld

veel dieren in een menselijke vorm.

Als hij deze herkent,

zal hij de varkens eikels geven,

het vee gerst en stro en gras,

de honden botten.

De slaven zal hij de eerste (beginselen) bijbrengen

en aan de kinderen het volmaakte geven.

 

95

Er is de Zoon van de Mens

en ook de zoon van de Zoon van de Mens.

De Heer is de Zoon van de Mens

en de zoon van de Zoon van de Mens

is hij die door de Zoon van de Mens

geschapen wordt.

De Zoon van de Mens

heeft van God de kracht gekregen

om te scheppen.

Hij heeft ook het vermogen om voort te brengen.

 

Wie het vermogen heeft gekregen

om te scheppen,

is zelf een schepsel.

Wie in staat gesteld is om voort te brengen,

is een nakomeling.

Wie schept kan niet voortbrengen,

doch wie voortbrengt, kan ook scheppen.

Men zegt wel: 'Wie schept, brengt voort'

maar diens maaksel is een schepsel;

[daarom] zijn zijn nakomelingen

niet zijn kinderen

maar zijn [werken].

Wie schept, werkt [in het openbaar]

en hij is zelf [zichtbaar].

(Maar) wie voortbrengt,

[werkt] in het [verborgene]

en hij is zelf [verborgen.

De schepping is slechts] een nabootsing.

Wie schept,

[doet dat] openlijk.

Wie voortbrengt,

[brengt] zijn kinderen voort

in het verborgene.

 

Zo weet niemand op welke dag

de [man] en vrouw zich met elkaar verenigen,

behalve zijzelf.

Want het huwelijk in de wereld

is een mysterie voor hen

die een vrouw genomen hebben.

Als het huwelijk der bevlekking

al verborgen is,

hoeveel te meer is dan het onbevlekte

huwelijk een waarachtig mysterie.

Het is niet vleselijk

maar zuiver.

Het heeft niet te maken met de begeerte

maar met de wil.

Het heeft niet te maken

met het donker van de nacht

maar met de dag en het licht.

 

Een huwelijk dat ontsluierd is,

is ontuchtig geworden.

De bruid is tot ontucht gekomen,

niet pas als ze het zaad     

van een andere man ontvangt,

maar ook als ze haar slaapkamer verlaat

en gezien wordt.

Ze mag zich alleen laten zien

aan haar vader en moeder

en aan de vriend van de bruidegom

en aan de zonen van de bruidegom.

Aan hen is het toegestaan

dagelijks het bruidsvertrek te betreden.

 

De anderen mogen er slechts naar verlangen

om haar stem te horen

en van haar balsemgeur te genieten.

Zij mogen de kruimels eten

die van de tafel vallen,

als honden doen.

Bruidegom en bruid

horen in het bruidsvertrek

en niemand zal bruidegom of bruid

kunnen zien

[tenzij hij er zelf] een wordt.

 

 

 

96

Toen Abraham [zijn ogen opsloeg]

en zag wat hij moest zien

besneed hij het vlees van de voorhuid,

waarmee hij ons leerde

dat het nodig is het vlees te versterven

[en aan de wereld te laten].

 

Want zolang [het inwendige is verborgen

blijft het bestaan] en leeft het.

[Maar als het] zichtbaar wordt,

sterft het

zoals dat ook met de zichtbare mens

[het geval is.

Zolang] zijn ingewanden verborgen zijn,

leeft de mens.

Wanneer zijn ingewanden zichtbaar worden

en naar buiten komen,

zal de mens sterven.

Zo is het ook met de boom.

Zolang zijn wortel verborgen is,

loopt hij uit en groeit hij.

Wanneer zijn wortel zichtbaar wordt,

verdort de boom.

Zo is het met alles wat voortgebracht is

in de wereld,

niet alleen het zichtbare,

maar ook het verborgene.

 

Zolang de wortel van het kwaad verborgen is,

is het sterk.

Zodra men het kwaad echter herkent,

 

dan lost het zich op.

Wanneer het zichtbaar wordt,

verdwijnt het.

Daarom zegt het Woord:

'Reeds ligt de bijl aan de wortel van de

boom.'

Ze hakt niet om

- want wat omgehakt wordt,

pleegt weer uit te lopen ­-

maar de bijl dringt diep in de grond

totdat zij de wortel blootlegt.

 

Jezus heeft de wortel van de gehele plaats

(de wereld) losgetrokken,

anderen deden dit slechts gedeeltelijk.

Wat onszelf betreft:

laat ieder van ons graven

naar de wortel van het kwaad

in zichzelf

en het met wortel en al

uit zijn hart wegrukken.

Het kwaad zal weggerukt worden

als we het kennen.

Als we het niet kennen,

schiet het wortel in ons

en brengt het vruchten voort

in ons hart.

Dan beheerst het ons

en zijn wij zijn knechten.

Het neemt ons gevangen

en laat ons dingen doen die we niet willen,

en wat we willen, doen we niet.

Het blijft machtig

omdat we het niet hebben herkend.

Zolang het er is,

is het werkzaam.

 

97

De on[wetendheid]

is de moeder van [alle kwaad].

De onwetendheid

[is de voortbrenger van de dood].

Zij die uit [de onwetendheid] voortkomen,

hebben niet bestaan,

[bestaan] niet

en zullen niet bestaan.

[Maar zij die in de waarheid zijn]

zullen vol(ge )maakt worden

als de ganse waarheid openbaar wordt.

 Want de waarheid is als de onwetendheid:

als ze verborgen is,

rust ze in zichzelf,

maar als ze openbaar wordt

en men haar kent,

wordt ze geprezen.

Omdat ze machtiger is

dan de onwetendheid en de dwaling,

verleent ze vrijheid.

 

Het Woord heeft gezegd:

'Als jullie de waarheid kennen,

zal de waarheid jullie vrijmaken.'

De onwetendheid is een slavin.

De gnosis is vrijheid.

Als we de waarheid kennen,

zullen we de vruchten van de waarheid

in onszelf oogsten.

Als we ons met haar verenigen,

zal ze ons in volheid ontvangen.

 

Vandaag de dag bezitten we

de zichtbaarheden van de schepping.

En we zeggen:

'Dat zijn machtige zaken die heel

waardevol zijn.'

De verborgenheden lijken echter zwak en

worden geminacht.

Zo is het daadwerkelijk als de werken          

van de waarheid

in de zichtbare wereld komen.

Dan zijn ze zwak en worden ze geminacht.

Verborgen echter zijn ze sterk en waardevol.

De mysteriën van de waarheid

zijn zichtbaar geworden

in symbolen en afbeeldingen.

Het bruidsvertrek zelf is verborgen.

Het is het heilige der heiligen.

 

98

Hoe God de schepping bestuurt,

was in het begin verborgen achter het

voorhangsel.

Als echter het [voorhangsel] scheurt

en het binnenste tevoorschijn komt,

zal dit huis van de wereld leeg

achtergelaten worden,

ja, het zal verwoest worden.

Doch, alles wat een goddelijke afbeelding

van de waarheid is,

zal van deze plaats vluchten;

evenwel niet in het heilige der heiligen,

want met het zuivere [licht]

en met het [duisterloze] pleroma

zal ze zich niet kunnen verenigen,

maar ze zal onder de vleugels van het kruis [en in zijn] armen vluchten.

 

Deze ark zal [haar tot] redding zijn

als de watervloed over hen heen komt.

Vroeger konden er slechts enkelen,

die tot de stam der priesters behoorden,

met de hogepriesters achter het

voorhangsel komen.

Maar het voorhangsel is niet alleen

vanboven gescheurd,

want dan zou het alleen openstaan

voor hen die boven zijn.

Evenmin scheurde het alleen van onderen,

want dan zou het slechts geopenbaard zijn

aan hen die beneden zijn.

Nee, het scheurde van boven tot onder.

Zij die boven zijn, openden het voor ons

die beneden zijn,

opdat wij zouden binnengaan in het

verborgene van de waarheid.

Dit is waarachtig achtenswaardig en sterk.

Maar we zullen daar binnengaan

dankzij verachtelijke symbolen en zwakheid.

Die zijn inderdaad verachtelijk

in vergelijking met de volmaakte heerlijkheid.

 

Er bestaat namelijk een heerlijkheid

die andere heerlijkheden te boven gaat

en een kracht

die andere krachten te boven gaat.

Daarom heeft het volkomene

en dat wat in de waarheid verborgen is

zich voor ons geopend.

En het heilige der heiligen

heeft zich aan ons geopenbaard

en het bruidsvertrek

heeft ons uitgenodigd binnen te treden.

 

99

Zolang het verborgen is blijft het kwaad

weliswaar zonder effect,

maar is het nog niet uit het midden van het

zaad van de Heilige Geest verwijderd.

Daarom zijn zij slaven van het kwaad.

Maar als het volkomen licht zich openbaart,

zal dat zich over iedereen uitstorten

en allen die erin zijn zullen [ermee gezalfd]

worden.

Dan zullen de slaven vrij zijn

en de gevangenen worden verlost.

 

100

(De Heer zei:)

'Elke plant die mijn hemelse Vader

niet heeft geplant

zal worden uitgerukt.'

 

101

Zij die gescheiden zijn,

zullen verenigd en vol gemaakt worden.

Allen die het bruidsvertrek [betreden],

zullen zich [met het licht verenigen.

Ze verenigen zich echter niet op de wijze]

als in [het zichtbare] huwelijk

dat 's nachts plaatsvindt.

[Dat] vuur [brandt alleen] 's nachts

en dooft uit.

De mysteriën van het heilige huwelijk

voltrekken zich daarentegen overdag

en in het licht.

Die dag en zijn licht gaan nimmer ten einde.

 

Als iemand kind van het bruidsvertrek wordt,

zal hij dat licht ontvangen.

Als iemand het niet ontvangt

in de tijd dat hij op deze plaatsen is,

zal hij het ook niet kunnen ontvangen

op die andere plaats.

Wie dat licht ontvangen heeft,

zal niet gezien kunnen worden.

Evenmin zal hij door iemand

vastgehouden of gekweld kunnen worden;

of hij nu in de wereld vertoeft

of de wereld verlaat.

Hij heeft de waarheid al in afbeeldingen

ontvangen.

De wereld is voor hem de eeuwigheid

geworden,

want de eeuwigheid is voor hem het pleroma.

Ze is aan hem,

die weer tot één geworden is,

geopenbaard:

niet verborgen

in de duisternis en de nacht,

maar verborgen

in een volmaakte dag

en een heilig licht.

 

Evangelie volgens Filippus.

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL