|
|
Het Evangelie volgens Filippus
![]() Het evangelie volgens Filippus Jacob Slavenburg Het mysterie van het bruidsvertrek staat centraal in dit prachtige oudchristelijke evangelie. Het bestaat uit een verzameling wijsheidsspreuken van een zeer diepzinnig gehalte. Tevens bevat het enkele zeer oude tot nu toe onbekende uitspraken van en over Jezus. De honderd en een spreuken zijn als veelkleurige parels aan een schitterend collier. Iedere parel is een meditatie waard. Het snoer van de parels vormt een toegang tot een beter begrip van het intrigerende mysterie van het bruidsvertrek.
Het Evangelie volgens Filippus 1 Een Hebreeër maakt een Hebreeër. en zo iemand noemt men dan een bekeerling. Maar een bekeerling maakt geen bekeerling. [Enkele mensen) zijn zoals ze [ontstaan zijn) en maken anderen [aan zichzelf gelijk). Het is voor hen [voldoende) te zijn. 2 Een [slaaf] poogt alleen maar vrij te worden; hij is er niet op uit het bezit van zijn meester te verkrijgen. De zoon echter is niet alleen maar een zoon, maar maakt ook aanspraak op de erfenis van de vader. 3 Wie erven wat dood is, zijn zelf dood en ze erven wat dood is. Wie erven wat levend is, die leven; ze erven zowel wat levend als wat dood is. Zij die dood zijn erven niets. Want hoe kan een dode erven? Als de dode het levende erft, zal hij niet sterven, maar juist voluit kunnen leven. 4 Een heiden sterft niet, omdat hij nooit zo geleefd heeft dat hij zou kunnen sterven. Wie op de waarheid heeft vertrouwd, die heeft leven gevonden; deze mens loopt wel het gevaar om te sterven, omdat hij leeft. 5 Sinds de dag dat Christus gekomen is, is de wereld geschapen; de steden zullen versierd worden en de doden naar buiten gedragen. 6 Toen we nog Hebreeën waren, waren we wezen; we hadden alleen onze moeder. Doch toen we christenen werden, kregen we een vader en een moeder. 7 Zij die in de winter zaaien, die oogsten in de zomer. De winter is de wereld; de zomer is de andere eon. Laten we daarom zaaien in de wereld zodat we kunnen oogsten in de zomer. Daarom is het beter om niet in de winter te bidden. De winter gaat aan de zomer vooraf. Als iemand in de winter wil oogsten, zal hij niet oogsten, maar wieden. [Zo iemand zal dus] geen vruchten plukken. Niet alleen [nu zullen er geen vruchten tevoorschijn komen], maar ook op de sabbat zal [zijn akker] onvruchtbaar zijn. 8 Christus is gekomen om sommigen vrij te kopen, anderen te bevrijden, en weer anderen te verlossen. Vreemdelingen kocht hij los en maakte ze tot de zijnen. En hij scheidde de zijnen, die hij overeenkomstig zijn wil als onderpand had achtergelaten. Hij heeft zijn ziel niet pas vrijwillig afgestaan toen hij verscheen, maar al sinds de wereld bestaat, heeft hij zijn ziel afgestaan. Pas toen hij dat wilde, is hij gekomen om haar mee te nemen; omdat zij, toen ze als onderpand was afgestaan, in handen van rovers was gevallen en gevangengenomen. Maar hij bevrijdde haar en verloste de goeden in de wereld evenals de slechten. 9 Licht en duisternis leven en dood de rechtsen en de linksen zijn broers van elkaar. Zij kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Het is daarom dat noch de goeden goed zijn, noch de slechten slecht, leven alleen maar leven is, en dood alleen maar dood. Daarom zal iedereen ontbonden worden tot zijn oorsprong in het begin. Doch zij die boven de wereld verheven zijn, kunnen niet ontbonden worden; ze zijn eeuwig. 10 Namen die aan aardse dingen gegeven worden, zijn erg misleidend; want ze ontlenen hun betekenis aan onvergankelijke zaken en worden gebruikt voor vergankelijke dingen. Wie 'god' hoort, denkt niet aan het onvergankelijke, maar is aan het vergankelijke gaan denken. Zo is het ook met 'de vader' en 'de zoon' en 'de heilige geest' en met 'leven' en 'licht' en met 'opstanding' en 'gemeenschap' en al het andere. Men denkt niet meer aan het [ onvergankelijke], maar alleen aan het vergankelijke, [tenzij men] het onvergankelijke heeft leren kennen. [Doch de sterfelijke mensen die] in deze wereld zijn, zijn het slachtoffer van [vele dwalingen. Als ze] in de eon [zouden zijn], zouden namen nooit in de wereld gebruikt worden en zouden ze ook niet met aardse dingen worden verward. Ze hebben een einde in de eon. Eén enkele naam wordt in de wereld niet uitgesproken: dat is de naam die de Vader aan de Zoon gegeven heeft. Deze staat boven alle namen. Het is de naam van de Vader. Want de Zoon zou geen Vader kunnen worden als hij zich niet zou bekleden met de naam van de Vader. Wie deze naam heeft, kent hem wel, maar spreekt hem niet uit. Wie hem echter niet heeft, kent hem ook niet. Daarom schiep de waarheid namen in de wereld omdat het hier onmogelijk is de waarheid zonder namen te leren kennen. De waarheid is eenvuldig. Ze is echter omwille van ons veelvuldig, om ons in haar liefde door die veelvuldigheid heen tot één naam te brengen. 11 Krachten wilden de mens misleiden omdat ze zagen dat hij verwant is aan het werkelijk goede. Ze ontnamen aan het goede zijn naam en gaven die aan het niet-goede om hem (de mens) door deze namen zo te misleiden dat hij zich aan het niet-goede zou hechten. Slechts de genade kan bewerkstelligen dat ze (de mensen) zich van het niet-goede verwijderen en zich tot het goede wenden zodra ze daarvan kennis krijgen. Want ze (de machten) wilden de vrije mens gevangennemen en hem voor eeuwig tot slaaf maken. Het zijn deze krachten die de mens met [vergankelijkheid voeden] omdat ze niet willen dat hij [gered wordt] opdat hij [in hun macht blijft]. Als de mens [dit voedsel nuttigt ontstaan] er offers voor deze krachten. [En zo aten de mensen] en brachten aan deze krachten dieren ten offer: [dat zijn: de eigen dierlijke eigenschappen. Het zijn dus dieren die offers brachten]. Ze werden levend aan hen opgedragen, maar toen ze geofferd werden, stierven ze. Als de mens de dood aan God opdraagt, zal hij weer tot leven gewekt worden. 12 Voordat Christus kwam was er in de wereld geen brood. Dat was al zo in het paradijs, de plaats waar Adam was; daar waren veel bomen die de dieren van voedsel voorzagen, maar geen tarwe om de mens te voeden. De mens voedde zich als de dieren. Maar toen Christus, de volkomen mens, kwam, bracht hij brood mee uit de hemel, opdat de mens gevoed zou worden met het voedsel van de mens 13 De krachten dachten dat wat ze deden door hun eigen kracht en wil gebeurde. Maar in het geheim bracht de Heilige Geest door middel van hen alles tot stand zoals hij het wilde. Want de waarheid, die vanaf het begin bestaat wordt over alle plaatsen uitgezaaid. Velen zien dat ze uitgezaaid is, maar weinigen die haar zien, oogsten haar. 14 Sommigen zeggen: 'Maria is bevrucht door de Heilige Geest.' Ze dwalen. Ze weten niet wat ze zeggen. Wanneer is een vrouw ooit zwanger geworden door een vrouw? Maria is de reine maagd die door geen macht is bezoedeld. Ze is een onaantastbaar heiligdom voor de Hebreeën dat zijn de apostelen en apostolischen. Deze maagd is door geen enkele macht bezoedeld. De machten [hebben alleen] zichzelf bevlekt. De Heer [zou niet] gezegd hebben: 'Mijn Vader [die in de] hemel is' als hij niet [ook nog een andere] vader zou hebben; hij zou dan eenvoudig ['mijn Vader'] hebben gezegd. 15 De Heer zei tegen zijn leerlingen: [Ieder is meester van zijn eigen] huis. Kom in het huis van de Vader, doch steel er niets en neem er ook niets weg. 16 'Jezus' is een verborgen naam. 'Christus' is een openbare naam. Daarom komt 'Jezus' in geen enkele taal voor. 'Jezus' is zijn eigen naam - zoals hij genoemd wordt. Wat Christus betreft: zijn naam is in het Syrisch 'Messias' en in het Grieks 'Christos ' en ze komt bij anderen ook in hun taal voor. 'De Nazarener' is de openbare naam van de verborgen naam. Christus heeft alles in zich: mens, engel, mysterie en Vader. 17 Zij die zeggen: 'De Heer is eerst gestorven en toen opgestaan', die dwalen. Want hij is eerst opgestaan en toen gestorven. Als iemand zich niet eerst de opstanding verwerft, kan hij niet sterven! Alleen als God in hem gaat leven, kan hij sterven. 18 Niemand zal een voorwerp van grote waarde in een kostbaar ding verstoppen, maar vaak heeft iemand ontelbare duizenden verborgen in een ding dat nog geen stuiver waard is. Zo is het ook met de ziel. Zij is een kostbare schat, maar ze is in een nederig lichaam gekomen. 19 Sommigen vrezen dat zij naakt op zullen staan. Daarom willen ze in het vlees opstaan. Ze weten echter niet dat juist [zij die het vlees] dragen, naakt zijn, en dat zij die zich van het 'vlees' [ontdoen], (en) zich ontkleden, niet naakt zijn. 'Vlees en [bloed zullen] het Rijk [Gods] niet erven. ' Om wat handelt het hier, dat niet geërfd kan worden? En wat zal dan wel geërfd worden? Wel, dat wat van Jezus is en ook zijn bloed. Daarom heeft hij gezegd: 'Wie mijn vlees niet eet en mijn bloed niet drinkt heeft geen leven in zich.' Wat betekent dit? Zijn vlees is het Woord en zijn bloed de Heilige Geest. Wie dat ontvangen heeft, heeft eten en drinken en is bekleed. Ik bestrijd echter ook de anderen die zeggen: Het (vlees) zal niet opstaan. Ze hebben allebei ongelijk. Als je zegt: 'Het vlees zal niet opstaan' , zeg me dan wat wel zal opstaan, opdat we aan jou de eer laten. Als je zegt: 'De geest in het vlees zal opstaan' en 'dat is ook de lichtdruppel in het vlees, het is ook de Logos in het vlees', dan is dat ook iets dat in het vlees is. Want watje ook zegt, je noemt niets buiten het vlees. Het is noodzakelijk om in dit vlees op te staan, omdat alles daarin aanwezig is! 20 In deze wereld zijn zij die de kleren aantrekken meer waard dan de kleren zelf. In het Koninkrijk der Hemelen zijn de kleren meer waard dan zij die ze hebben aangetrokken. 21 Het is door water en vuur dat het hele oord gezuiverd wordt. Het zichtbare door het zichtbare, het verborgene door het verborgene. Sommige dingen zijn echter verborgen hoewel ze toch openbaar zijn. Want water bestaat in water, maar vuur bestaat in de zalving. 22 Jezus heeft alles in het geheim gedragen Hij openbaarde zich namelijk niet zo als hij [in werkelijkheid] was, maar hij openbaarde zich zo dat hij gezien kon worden. [...] Hij openbaarde zich aan [allen]. Aan de groten [openbaarde] hij zich groot, aan de kleinen klein, [...] aan de engelen als een engel en aan de mensen als mens. Daarom was zijn woord voor iedereen verborgen. Slechts enkelen hebben hem gezien, en de gedachte omvat dat ze zichzelf in hem zagen. Toen hij zich in heerlijkheid aan zijn leerlingen openbaarde op de berg, was hij niet klein. . Hij was groot geworden. Maar hij maakte ook de leerlingen groot zodat ze konden zien dat hij groot was. Op de dag van het avondmaal zei hij: 'U die het volkomene, het licht, verenigd heeft met de Heilige Geest, verenig ook de engelen met ons, de afbeeldingen daarvan.' 23 Veracht het lam niet, want zonder dat is het niet mogelijk de koning te zien. Niemand is in staat als hij naakt is de koning te naderen. 24 De hemelse mens heeft meer kinderen dan de aardse mens. Als de kinderen van Adam vele zijn en sterven, hoevele meer zijn dan de kinderen van de volkomen mens die niet sterven maar steeds weer geboren worden. De vader maakt een zoon, maar de zoon is niet in staat een zoon te maken. Want wie is voortgebracht, kan zelf niet voortbrengen; de zoon verwerft zich geen kinderen maar broers. Allen die in de wereld geboren worden, worden door de natuur voortgebracht. De anderen worden door [de Geest] voortgebracht. Zij die door deze worden voortgebracht [roepen] vandaar naar de mens, [met de boodschap] van de belofte die van boven komt. [Zo een mens zal] door het Woord uit de mond [van de Vader het leven vinden]. Zodra het Woord van boven komt kan de mens zich met dat Woord, dat door de mond van de Vader gaat, .. voeden en volkomen worden. Zo worden de volkomenen zwanger en baren door een kus. Daarom ook kussen wij elkaar. We worden zwanger door de genade die we elkaar mededelen. 25 Drie vrouwen trokken altijd met de Heer op: Maria, zijn moeder, zijn zuster en Maria Magdalena, die zijn metgezellin wordt genoemd. Want zowel zijn zuster als zijn moeder als zijn gezellin heetten Maria. 26 'Vader' en 'zoon' zijn enkelvoudige namen; de 'Heilige Geest' is een dubbele naam. De eersten zijn overal gelijk: zowel boven als beneden, zowel in het verborgene als in dat wat openbaar is. De Heilige Geest werkt echter anders in dat wat openbaar is: het benedenste, dan in het verborgene: het bovenste. 27 De kwade engelenmachten dienen de heiligen, want ze zijn verblind door de Heilige Geest, zodat ze, terwijl zij de heiligen helpen, denken dat ze de gewone mensen, die tot hen behoren, dienen. Zo vroeg een leerling aan de Heer eens iets over een wereldse zaak. Hij zei hem: 'Vraag het je moeder. Zij zal je geven van de dingen van een ander.' 28 De apostelen zeiden tegen hun leerlingen: 'Dat ons offer het zout mag behouden.' Zij refereerden [daarmee aan Sophia als] het zout, . want zonder dat is een offer niet aanvaardbaar. Sophia nu is onvruchtbaar [ en zonder] kinderen. Om deze reden wordt zij [de smaak] van het zout genoemd. Op de daarvoor toegemeten plaats echter, [de plaats] van de Heilige Geest, [zijn haar] kinderen talrijk. 29 Wat de vader bezit, behoort aan de zoon. Maar zolang de zoon nog klein is, wordt hem het zijne niet toevertrouwd. Wanneer hij tot man wordt, geeft zijn vader hem alles wat hij bezit. 30 Ook door de werking van de Heilige Geest kunnen dwalingen ontstaan; namelijk als mensen dwaas op haar reageren. Dus door een en dezelfde ademtocht vlamt het vuur op en wordt gedoofd. 31 Echamoth is één iets en Echmoth een ander. Echamoth is gewoon Sophia, maar Echmoth is de Wijsheid van de dood; de Wijsheid die de dood kent en die 'de kleine Sophia' wordt genoemd. 32 Er zijn dieren die de mens gehoorzamen, zoals de os en de ezel en dergelijke. Andere doen dat niet en zwerven eenzaam en in het wild rond. De mens ploegt de akker met behulp van de dieren die hem gehoorzaam zijn. Daarvan voedt hij zichzelf maar ook de dieren, zowel de huisdieren als de wilde dieren. Zo is het ook met de volkomen mens. Door middel van machten die gehoorzamen, ploegt hij, ervoor zorgend dat alles tot stand komt. Want zo is de gehele plaats weer op orde gebracht: goed en kwaad, links en rechts. De Heilige Geest weidt ze allemaal en heerst over alle machten, de gehoorzame, de wilde en de opzichzelfstaande. Want hij omringt ze, sluit ze in, zodat [ze (zelfs) als ze dat zouden] willen [niet kunnen ontsnappen]. 33 [Als iemand een] welgeschapen vorm heeft, zal men vinden dat ook zijn nageslacht nobele trekken heeft. Als iemand echter niet geschapen is maar verwekt, dan zal men vinden dat uit zijn nobel zaad nobel nageslacht voortkomt. De mens wordt zowel geschapen als verwekt. Dat is nog eens nobelheid! 34 Eerst ontstond het overspel, daarna de moord die uit overspel voortkwam. Want hij was het kind van de slang. Daarom werd hij een moordenaar, evenals zijn vader en doodde hij zijn broer. Elke gemeenschap die tussen ongelijken plaatsvindt, is overspel! 35 God is een verver. Anders dan de goede kleuren, die 'echt' worden genoemd, (en) vergaan met de stoffen waarop ze geverfd zijn, zo gaat dat niet met degenen die God heeft geverfd. Zij worden onsterfelijk door zijn verftinten omdat zijn kleur onsterfelijk is. Wat God onderdompelt, doopt hij in water. 36 Het is voor iemand niet mogelijk iets te zien van de dingen die werkelijk bestaan, tenzij hij eraan gelijk wordt. Zo gaat het niet met de mens in de wereld: hij ziet de zon zonder een zon te zijn, en hij ziet de hemel en de aarde en alle andere dingen zonder deze dingen te zijn. Zo gaat het wel met de plaats van de Waarheid. Je zag iets van die plaats en je werd er gelijk aan. Je zag de Geest en je werd Geest. Je zag Christus en je werd Christus. Je zag [de Vader] en werd tot Vader. Daarom zie je [hier] alles en niet jezelf, maar daar zie je jezelf, en wat je ziet, zul je [worden]. 37 Vertrouwen ontvangt, liefde geeft. [Niemand zal kunnen ontvangen] zonder vertrouwen. Niemand zal kunnen geven zonder liefde. Vandaar dat we vertrouwen om te ontvangen en dat we liefhebben om echt te kunnen geven.
Want als iemand niet uit liefde geeft, heeft hij zelf niets aan wat hij gegeven heeft.
38 Wie de Heer niet ontvangen heeft, is nog een Hebreeër. De apostelen voor ons noemden hem als volgt: 'Jezus de Nazoreeër, de Messias', dat wil zeggen: 'Jezus de Nazoreeër, Christus.' De laatste tiaam is 'Christus', de eerste 'Jezus', de middelste 'Nazoreeër'. 'Messias' heeft twee betekenissen: zowel 'Christus' als 'de tijd-gemetene'. 'Jezus' is Hebreeuws voor 'de verlossing'. 'Nazara' is 'de waarheid'; 'de Nazarener' betekent dus 'van de waarheid' . De Christus hebben ze begrensd (door) de Nazarener en Jezus, die beperkt zijn. 39 Als een parel in de modder wordt gegooid daalt haar waarde niet. En haar waarde stijgt niet als ze met balsemolie ingewreven wordt; in de ogen van de eigenaar behoudt zij haar waarde. Zo is het ook met de kinderen van God: waar ze ook terechtkomen; in de ogen van de Vader behouden ze steeds hun waarde! 40 Als je zegt: 'Ik ben een jood' , komt niemand in beweging. Als je zegt: 'Ik ben een Romein', zal niemand in verwarring raken. Als je zegt: 'Ik ben een Griek of een barbaar of een slaaf of een vrije', zal niemand verstoord worden. Als je zegt: 'Ik ben een christen', [dan zullen ze] in opschudding raken. Dat ik zo'n [naam mag ontvangen! De archonten] zullen het niet kunnen verdragen deze naam [te horen].
41 De god is een menseneter. Daarom worden mensen aan hem geofferd. Voordat mensen werden geofferd, werden dieren geofferd; maar aan wie ze werden geofferd was niet de ware god. 42 Glaswerk en aardewerk worden gemaakt met behulp van vuur. Maar als glaswerk breekt, wordt het opnieuw gemaakt, want glas is geblazen. Maar als aardewerk breekt, gaat het verloren, omdat het zonder adem is ontstaan. 43 Een ezel die een molensteen ronddraaide, legde al lopend honderd mijl af. Toen hij werd losgemaakt merkte hij dat hij nog steeds op dezelfde plaats was. Er zijn mensen die veel reizen maken zonder dichter bij enige plek te komen. Wanneer de avond hen overvalt, hebben ze nog geen stad of dorp, geen schepsel of iets anders uit de natuur, geen macht of geen engel, gezien. De ongelukkigen hebben zich vergeefs ingespannen. 44 De eucharistie is Jezus. Want hij wordt in Syrië 'pharisata' genoemd, wat betekent: dat wat is uitgespreid. Want Jezus kwam om de wereld te kruisigen. 45 De Heer ging de ververij van Levi binnen. Hij nam tweeënzeventig doeken in verschillende kleuren. Hij deed ze in een ketel en haalde ze er allemaal wit uit. Hij zei: 'Zo is ook de Zoon van de Mens gekomen: als verver.' 46 Sophia die ze 'de onvruchtbare (wijsheid)' noemen, is de moeder [van de] engelen en de metgezellin van de [Heer]; als zodanig heet ze Maria Magdalena. [Jezus hield op een andere wijze] van Maria dan van [de andere] leerlingen, en hij kuste haar vaak. De overige [leerlingen zagen hoe hij van Maria hield] en vroegen hem: 'Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?' De Heer antwoordde hun met de woorden: 'Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar? Wel, als een blinde en iemand die kan zien samen in het donker zijn, verschillen ze niet van elkaar. Maar als het licht wordt, zal de ziende het licht zien en de blinde in het donker blijven.' 47 De Heer zei: 'Gelukkig hij die al bestond vóór hij werd. Want hij die bestaat, is geworden en zal zijn.' 48 De superioriteit van de mens is niet zichtbaar, maar een verborgen werkelijkheid. Daarom is hij heer over dieren die groter en sterker zijn dan hij, zowel zichtbaar als in het verborgene. Dat stelt hem in staat te overleven. Als de mens zich van hen terugtrekt, doden en verscheuren zij elkaar. En ze eten elkaar op omdat ze geen voedsel vinden. Nu echter hebben ze voedsel gevonden omdat de mens de aarde heeft bewerkt. 49 Als iemand in het water afdaalt en weer bovenkomt zonder iets te hebben ontvangen . en dan zegt: 'Ik ben een christen', heeft hij deze naam in bruikleen ontvangen. Maar als hij de Heilige Geest ontvangt, krijgt hij deze naam als een geschenk. Van wie een geschenk heeft ontvangen wordt dit niet afgenomen, maar wat in bruikleen ontvangen is, wordt terugverlangd. Zo is het met eenieder die in een mysterie is. 50 Het mysterie van het huwelijk is groot. Want [zonder het huwelijk] zou de wereld niet [bestaan]. Het bestaan [van de wereld] berust op de mens en het bestaan van de mens berust op het huwelijk. Heb weet van de onbevlekte gemeenschap. want deze heeft grote macht. Haar beeld is dat van de lichamelijke bevlekking. Tussen de gestalten van onreine geesten zijn mannelijke en vrouwelijke. De mannelijke geesten hebben gemeenschap met zielen die in een vrouwelijke gedaante wonen; de vrouwelijke vermengen zich in gemeenschap met die welke in een mannelijke gedaante wonen. Niemand zal aan hen kunnen ontsnappen als hij nog vastgehouden wordt en als hij niet een mannelijke heilige kracht dan wel een vrouwelijke heilige kracht ontvangt, namelijk de bruidegom of de bruid. Die krachten nu ontvangt men vanuit het symbolische bruidsvertrek. Als onverstandige vrouwen merken dat een man alleen is, komen ze op hem af, maken grappen met hem en bevlekken hem. Zo is het ook met onverstandige mannen: als ze merken dat een mooie vrouw alleen is, bepraten ze haar en intimideren haar omdat ze haar willen bevlekken. Maar als ze merken dat de man en de vrouw bij elkaar zijn, kunnen de vrouwen de man geen avances maken en de mannen niet de vrouw. Zo is het ook als de afbeelding en de engel zich met elkaar verbinden; niemand zal het dan nog wagen de man of de vrouw avances te maken. Degene die zo uit de wereld komt, kan niet op grond van het feit dat hij in de wereld geweest is, verder worden vastgehouden. Want het is duidelijk dat hij boven de begeerte van [het vlees] en de angst is uitgestegen. Hij is meester over [zichzelf], en hij is verheven boven de afgunst. Als hij langs [de machten] komt, proberen deze hem te grijpen en te verstikken. Hoe zal hij [aan hun macht] kunnen ontkomen? Hoe zal hij [zich voor hen] kunnen [verbergen]? Dikwijls zijn er dan die [zeggen]: 'Wij zijn gelovig' , [met de bedoeling aan de onreine geesten] en de demonen [te ontkomen]. Als ze echter de Heilige Geest zouden bezitten, zou geen onreine geest zich aan hen hechten. 51 Wees niet bang voor het vlees en heb het ook niet lief. Als je er bang voor bent, zal het je de baas worden. Als je het liefhebt, zal het je verslinden en verlammen. 52 Men is of in deze wereld, of in de opstanding, of op de plaatsen die in het midden zijn - dat ik daar niet aangetroffen moge worden! - In deze wereld is er goed en kwaad. Maar het goede in de wereld is niet werkelijk goed. En het slechte in haar is niet werkelijk slecht. Doch in deze wereld is er een kwaad dat werkelijk kwaad is. Het wordt het 'midden' genoemd. Het is de dood. Zolang we nog in deze wereld zijn, moeten we alles doen om ons de opstanding te verwerven, opdat we, als we ons vlees afleggen, in de Rust aangetroffen mogen worden en niet in het 'midden' geraken. Want velen verdwalen onderweg. Het is goed de wereld te verlaten voordat men gezondigd heeft. Sommigen willen noch kunnen het. Anderen, die het willen, hebben er geen baat bij dat ze het niet hebben gedaan, want hun verlangen maakt hen tot zondaars. [Ook zijn er] die het niet willen, [maar toch doen.] De gerechtigheid zal aan beide groepen ontgaan: zowel aan hen die niet willen als aan hen die niet doen. 53. Een leerling van een apostel zag in een visioen enkele mensen die opgesloten waren in een brandend huis. Ze waren geketend in dat brandende [huis]; veroordeeld als ze waren in [dat huis] vol vuur. Ze riepen: 'Gooi water op het [vuur!] Maar er werd hun gezegd [dat ze] (hun redders) niet in staat waren hen te redden [volgens hun] wil. Ze hebben [de dood] ontvangen als de straf die de buitenste duisternis wordt genoemd omdat zij [...] van water en vuur. 54 Ziel en geest zijn uit water, vuur en licht ontstaan; welke door de zoon van het bruidsvertrek [...]. Het vuur is de zalvingsolie, het licht is het vuur. Ik spreek niet over het vuur dat geen vorm heeft, maar over het andere waarvan de vorm wit is en dat van een prachtig licht is. Het verleent schoonheid. 55 De waarheid is niet naakt in de wereld gekomen maar in symbolen en afbeeldingen; anders zou zij (de wereld) haar (de waarheid) niet kunnen ontvangen. Er is wedergeboorte en een afbeelding van wedergeboorte. Het is nodig dat men door de afbeelding tot werkelijke wedergeboorte komt. Want wat is de opstanding en wat is haar afbeelding? . Door de afbeelding wordt de opstanding bewerkstelligd. Door middel van de afbeelding kunnen het bruidsvertrek en haar afbeelding zich opmaken in het rijk van de waarheid; dat is de weg van het herstel. Het is bedoeld voor hen die niet alleen de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ontvangen hebben, maar die hen zelf ontvangen hebben. Als iemand hen niet daadwerkelijk ontvangt, zal hem ook de naam afgenomen worden. Men ontvangt hen in de zalving van [de Volheid] en de kracht van [het kruis], die onze apostelen 'de rechtse en de linkse' noemden. Zo iemand is niet langer meer een christen maar een Christus. 56 De Heer [voltrok] alles in één mysterie: doopsel, zalving, eucharistie, verlossing en bruidsvertrek. [De Heer] zei: 'Ik ben gekomen om [de dingen van beneden] gelijk te maken aan de dingen [van boven, en de dingen van] buiten aan de dingen [van binnen. Ik ben gekomen om] ze op die plaats [te verenigen].' Op deze plaats [heeft hij zich geopenbaard] in symbolen [en afbeeldingen]. 57 Zij die zeggen: 'Ook boven zijn [er gestalten]', die dwalen. [Want hij die in een zichtbare gestalte] is verschenen, [dat is de mens], die wordt 'de onderste' genoemd. En aan wie het verborgene toebehoort, is degene die boven hem is. Terecht spreekt men van 'het binnenste' en 'het buitenste' en van 'buiten het buitenste'. Daarom noemde de Heer de ondergang 'de buitenste duisternis'. Daarbuiten is niets meer. Hij zei: 'Mijn Vader die in het verborgene is.' Hij zei: 'Ga je kamer in en sluit de deur achter je en bid tot je Vader die in het verborgene is.' Dat wil zeggen: die in ons aller innerlijk is. Want dat wat binnen ons is, dat is het pleroma. Voorbij dat is er binnen niets meer. Het is dat waarvan men zegt: 'Wat boven ons is.' 58 Voor Christus waren sommigen uitgegaan. Vanwaar ze kwamen konden ze niet meer terugkeren, en waar ze binnenkwamen konden ze niet meer uitgaan. Maar Christus is gekomen! Die binnen waren gekomen, liet hij uitgaan, . en die uit waren gegaan, bracht hij weer binnen. 59 Toen Eva nog in Adam was, was er geen dood. Toen zij zich van hem scheidde, ontstond de dood. Als zij weer in hem gaat en hij haar weer in zich opneemt, zal er geen dood meer zijn. 60 'Mijn God, mijn God! Waarom, Heer, heeft u mij verlaten?' Het was aan het kruis dat hij deze woorden sprak, want daar scheidde hij [zijn lichamelijk deel af van de geest] van God. [De Heer stond op] uit de dood. [Hij leek sterk op hoe hij] was, maar [zijn lichaam was nu] volmaakt. [Hij bezat een lichaam] van vlees, maar dit vlees is het ware vlees, [terwijl ons vlees] niet het ware is doch [slechts] een afbeelding van het ware. 61 Een bruidsvertrek is er niet voor de dieren, evenmin voor de slaven, en ook niet voor hoeren; het is er voor vrije mannen en maagden. 62 Uit de Heilige Geest zijn we inderdaad geboren, maar we worden opnieuw geboren door Christus. In beide gevallen worden we gezalfd door de Heilige Geest. Als we opnieuw geboren worden, worden we weer verenigd. 63 Niemand zal zichzelf kunnen zien, in het water of in een spiegel, zonder licht. Evenmin zul je jezelf kunnen zien in het licht zonder water of spiegel. Daarom is het nodig gedoopt te worden in alle twee: in het licht en in het water. Het licht is namelijk de zalving. 64 Er waren in Jeruzalem drie gebouwen speciaal bestemd voor offers. Een, dat gericht was naar het westen, werd 'het heilige' genoemd. Een andere, gericht naar het zuiden, werd 'het heilige van het heilige' genoemd. Het derde, gericht naar het oosten, werd 'het heilige der heiligen' genoemd, de plaats waar alleen de hogepriester binnengaat. 'Het heilige' gebouw is de doop. 'Het heilige van het heilige' is [de verlossing]. 'Het heilige der heiligen' is het bruidsvertrek. De doop omvat de opstanding en de verlossing; de verlossing voert ons naar het bruidsvertrek. Maar het bruidsvertrek is op een verheven plaats; je zult [niets verheveners] vinden. [Er waren er die in Jeruzalem in 'het heilige' baden], anderen baden in Jeruzalem [in 'het heilige van het heilige' , en weer anderen] baden in Jeruzalem [in 'het heilige der heiligen'. Zij baden daar] en zagen uit naar [het bruidsvertrek, maar zij konden er niet binnentreden voordat] het voorhangsel scheurde. Toen tekende zich het ware bruidsvertrek af, waar voorheen slechts een afbeelding [van het bovenste was]. Het voorhangsel scheurde van boven tot beneden. Toen was het enkelen vergund van beneden naar boven te gaan. 65 Zij die zich met het volkomen licht hebben bekleed worden door de machten niet gezien en kunnen ook niet tegengehouden worden. Wie zich in het mysterie met licht bekleedt zal tot eenwording kunnen komen. 66 Als de vrouw zich niet van de man afgescheiden had, zou ze niet met de man sterven. Met deze scheiding begon de dood. Christus is gekomen om de scheiding, die in het begin is ontstaan, weer ongedaan te maken, de twee weer te verenigen en leven te geven aan hen die in de scheiding gestorven zijn, en hen weer te verenigen. Want vrouwen man verenigen zich met elkaar in het bruidsvertrek. En zij die zich in het bruidsvertrek hebben verenigd, zullen niet meer van elkaar worden gescheiden. Het is daarom dat Eva van Adam is gescheiden: omdat zij in het bruidsvertrek niet met hem verenigd was geweest. Adams ziel is ontstaan uit adem, die de metgezellin van de geest is. De adem die hem is ingeblazen, is afkomstig vanuit de moeder. Voor zijn ziel gaven ze (de machten) hem [een afbeelding] in de plaats. Want toen hij met de geest verenigd werd, sprak hij woorden die verhevener waren dan alle scheppingen van de machten. Daarom misgunden ze hem de vereniging met de geest. [Deze vereniging is het bruidsvertrek] die in het verborgene plaatsvond. [...] [.u] [u.] [.u] [u.] [.u] [.u] [...] [...] [...] het bruidsvertrek dat [de mensen verenigt]. 67 Jezus ontving [bij zijn doop in de] Jordaan de volheid [van het Konink]rijk der Hemelen. Hij die [reeds was voor] het Al, werd opnieuw verwekt. [Hij die tot zoon geworden was], werd opnieuw gezalfd. Hij die verlost was, verloste anderen. Is het toegestaan om over een mysterie te spreken? De Vader van het Al verenigde zich met de maagd die was neergedaald.
En een vuur verlichtte op die dag alles. Hij openbaarde zich in het grootse bruidsvertrek. Daarom is op die dag zijn lichaam ontstaan. Hij kwam de bruidskamer uit als iemand die door bruid en bruidegom is voortgebracht. Zo heeft Jezus door hen het Al gevestigd. En elke leerling dient die rust binnen te gaan. Adam is voortgekomen uit twee maagden, uit de Geest en uit de maagdelijke aarde. Christus is uit een maagd geboren om de val die in het begin plaats vond te herstellen. 68 Twee bomen staan er in het Paradijs. De ene brengt dieren voort en de andere mensen. Adam at van de boom die dieren voortbracht. Hij werd een dier en bracht dieren voort. Daarom vereren [de kinderen] van Adam [dieren]. De boom [van welke Adam de] vruchten at [is de boom van de kennis van de dieren, en zo] werden [zijn kinderen] talrijk. [Wanneer de mens echter] vruchten [eet van de boom van de mensen] brengt hij mensen voort. [Dan vereert de mens] de mensen. God schiep de mens en de mensen schiepen zich een god. Zo gaat het in de wereld: de mensen scheppen zich goden en vereren hun scheppingen. Waarlijk! (Zo) zouden de goden de mensen moeten vereren! 69 De werken van de mens ontstaan uit zijn macht. Daarom spreekt men van 'de machten'. Zijn werken zijn zijn kinderen, die uit de rust voortkomen. Zo woont zijn macht in zijn werken, terwijl de rust zichtbaar is in zijn kinderen.
Je zult bemerken dat dit ook voor de afbeelding opgaat; de afbeelding mens doet zijn werk vanuit zijn macht, maar hij verwekt zijn kinderen dankzij de rust. 70 In deze wereld dienen de slaven de vrijen. In het Koninkrijk der Hemelen zullen de vrijen de slaven dienen. De kinderen van het bruidsvertrek zullen de kinderen van het aardse huwelijk dienen. De kinderen van het bruidsvertrek hebben [geen] naam. [Want] zij [zijn in de] rust. Zij hebben geen [namen] nodig. De beschouwing [...] [...] [...] zij zijn meer [...] [...] [...] waarin zij zijn [...] [...] [...] heerlijkheid van de [...] [...] [...] zijn niet [...] 71 [Wie] afdaalt in het water zal [door hem] verlost worden. [Want hij steeg uit het water van de doop op. Zo zullen zij volmaakt worden] die in zijn naam [gedoopt zijn]. Want hij zei: '[Op deze wijze] moeten we alle gerechtigheid vervullen.' Zij die zeggen: 'Eerst sterft men en dan zal men opstaan', die dwalen. Want als men zich niet tijdens dit leven de opstanding verwerft, zal men zich ook niets verwerven als men sterft. Het is ook zo dat ze over het doopsel spreken en ze zeggen dat het doopsel iets groots is. Want als men dit ontvangt zal men leven. 72 De apostel Filippus vertelde dat Jozef de timmerman een tuin aanlegde, omdat hij voor zijn werk hout nodig had. Hij timmerde het kruis uit de bomen die hij had geplant. En zijn zaad hing aan wat hij geplant had. Zijn zaad was Jezus, de plant het kruis. Maar de levensboom staat in het midden van het Paradijs. Het is de olijfboom die de zalvingsolie voortbrengt; [dankzij dit] is er de opstanding. 73 De wereld is een lijken-eter. Alles wat men er eet is gehaat. De Waarheid eet wat leeft. [Daarom] zal niemand die [zich met haar] voedt sterven. Jezus kwam van die plaats en hij bracht vandaar voedsel mee. En aan wie dat wilde, gaf hij [leven], opdat ze niet zouden sterven.
74 God [schiep] een paradijs. De mens [leefde in het] paradijs. Daar was [geen scheiding tussen (hen), want de mens leefde in het aangezicht] van God. [In de wereld zijn het de mensen die zich afgescheiden hebben]. Dit paradijs [is de plaats waar] mij gezegd zal worden: '[Eet] dit of eet dit niet, [zoals je zelf] wilt.' Dit is de plaats waar ik van alles zal eten, omdat hier de boom der kennis is. Die daar doodde Adam, maar hier heeft de boom der kennis de mens levend gemaakt. De wet was de boom. Hij had de macht om kennis van goed en kwaad te geven, maar hij verwijderde hem (de mens) niet van het kwade, noch plaatste hij hem in het goede. Maar hij veroorzaakte de dood voor al degenen die van hem aten, want omdat hij zei: 'Eet dit, eet dat niet' , werd hij de oorzaak van de dood. 75 De zalving is meer dan de doop. Want het is door de zalving dat we christenen worden genoemd; niet door de doop. En ook Christus werd zo genoemd door de zalving; want de Vader zalfde de Zoon en de Zoon zalfde de apostelen en de apostelen zalfden ons. Wie gezalfd is, bezit het Al. Hij heeft de opstanding, het licht, het kruis, en de Heilige Geest. De Vader gaf hem (de Zoon) dit alles in het bruidsvertrek, waar hij het in ontvangst nam. De Vader was in de Zoon en de Zoon in de Vader. Dit is het Koninkrijk der Hemelen. 76 De Heer heeft eens treffend gezegd: 'Sommigen zijn lachend het Koninkrijk der Hemelen binnengegaan. want ze kwamen [lachend] uit [deze wereld.' Dat is het leven van] een christen; [bij de doop wordt hij] direct [een vreemdeling. Ook Christus] daalde af in het water tot de doop en kwam weer boven [bevrijd lachend over deze wereld. Hij zag er geen grotere betekenis in] dan een vluchtige scherts. Hij verachtte alle vergankelijkheid [en trad lachend] het Koninkrijk der Hemelen binnen. Wie [de wereld] veracht en haar vanwege haar betrekkelijkheid als een scherts afwijst [zal er] lachend [uit tevoorschijn komen]. Zo is het ook met het brood en de kelk en de olie, want er is iets nog hogers dan deze dingen. 77 De wereld is door een val ontstaan, want wie haar schiep wilde haar onvergankelijk en onsterfelijk maken. Hij maakte een val en bereikte niet waarop hij hoopte. Daarom werd de wereld niet iets onvergankelijks, evenmin als hij, die de wereld geschapen heeft, onvergankelijk was. Want niets in haar is onvergankelijk. Onvergankelijk zijn alleen de kinderen (van God). Niemand zal tot onvergankelijkheid kunnen komen als hij niet weer tot kind wordt. 78 Wie niet in staat is om te ontvangen, zal nog minder in staat zijn om te geven. 79 De kelk van het gebed bevat wijn en ook water als symbool van het bloed. Daarover spreekt men de dankzegging uit. Hij is vol van de Heilige Geest en behoort toe aan de volkomen mens die totaal is. Als we eruit drinken zullen we de volkomen mens ontvangen. 80 Het levende water is als een lichaam. Het is nodig dat we ons met de levende mens bekleden. Het is daarom dat iemand die komt om af te dalen in het water, zich ontkleedt opdat hij zich met hem kan bekleden. 81 Een paard verwekt een paard, een mens verwekt een mens, een god verwekt een god. Zo is het ook met de bruidegom en de [bruid. Hun kinderen] komen uit het [bruidsvertrek. Nooit] is een jood door Grieken [verwekt zolang [de wetten] bestaan. Ook wij waren joden] uit joden [geboren voor we] als christenen geboren [werden door Christus. Daarom] worden zij [de verlosten] genoemd en 'het uitverkoren geslacht van [de Heilige Geest)' en 'de ware Mens' en 'de Zoon van de Mens' en 'het zaad van de Zoon' . In de wereld worden ze 'dit ware geslacht' genoemd. Zij zijn op de plaats waar zich de kinderen van het bruidsvertrek bevinden. In deze wereld is de vereniging er één van man en vrouw, waar kracht en zwakheid (samengaan). In de eon is de vorm van de vereniging anders, maar we geven deze dezelfde naam. Maar er zijn andere die hoger zijn dan alle namen die genoemd zijn en die hoger zijn dan de sterkste kracht. Want Waar een sterke kracht is, is er ook iets dat deze kracht overstijgt. Het is niet het één en het ander, de twee zijn één en hetzelfde. Het is wat niet kan plaatsvinden in de harten van het vlees. 82 Zou niet elkeen die alles bezit totaal zichzelf moeten kennen? Want wie zichzelf niet kent, zal niet genieten van wat hij bezit. Maar wie zichzelf heeft leren kennen, zal ervan genieten. 83 De volkomen mens zal niet alleen niet vastgehouden kunnen worden, maar hij kan ook niet worden gezien, want als hij wordt gezien, wordt hij overmeesterd. Niemand verwerft zich deze genade op een andere wijze dan door zich te bekleden met het volkomen licht om zo zelf volkomen te worden. [Iedereen die zich hiermee heeft] bekleed zal [niet gezien worden als hij deze wereld verlaat] Dat is de volkomen [verlossing]. We moeten [volkomen mensen] worden, voordat we [de wereld] verlaten. Wie alles ontvangen heeft [zonder langs] deze plaatsen te geraken zal die plek [niet kunnen bereiken] maar hij zal als een onvolkomene [naar het 'midden' gaan]. Alleen Jezus kent het einde van zo iemand. 84 De heilige mens is helemaal heilig, tot aan zijn lichaam toe. Want als hij het brood ontvangen heeft, zal hij dat heiligen, evenals de kelk, of wat dan ook. Wat hij ontvangt zal hij heiligen. Waarom zou hij dan ook niet het lichaam heiligen? 85 Zoals Jezus het doopwater heeft vervolmaakt, zo heeft hij (ook) de dood weggespoeld. Daarom dalen we wel af in het water maar dalen we niet af in de dood, om niet met de geest van de wereld weggespoeld te worden. Als zij waait, wordt het winter; maar als de Heilige Geest waait, wordt het zomer.
Wie de kennis van de waarheid bezit is een vrij mens. De vrije mens zondigt niet, want 'wie zondigt is een slaaf van de zonde' . De waarheid is de moeder en de gnosis is de vader. Zij die zichzelf niet toestaan om te zondigen worden door de wereld 'vrije mensen' genoemd. Bij hen die zichzelf niet toestaan om te zondigen verheft de gnosis van de waarheid hun hart. Dat wil zeggen: ze hebben zich vrijgemaakt en verheffen zich boven de gehele plaats. Maar de liefde bouwt op. Want wie een vrij mens geworden is door de gnosis, is door de liefde een dienaar voor hen die nog niet door de vrijheid van de gnosis zijn verhoogd. Gnosis stelt hen dan in staat om vrije mensen te worden. De liefde eigent zich niets toe, want waarom zou ze zich iets toe-eigenen? Alles is immers van haar! Ze zegt niet: Dit is van mij of: dat is van mij, maar ze zegt: het is van jou. Geestelijke liefde is als wijn en geur. Allen die ervan genieten worden ermee gezalfd. En ook genieten zij die in de buurt zijn zolang de gezalfden in hun omgeving vertoeven. Want als de gezalfden zich van hen verwijderen, zullen de niet-gezalfden, die slechts in de buurt waren, in hun kwade geur blijven. De Samaritaan gaf aan de gewonde niets anders dan olie, die niets anders is dan zalf. Deze genas de wonden, want 'de liefde bedekt vele zonden'. 87 De kinderen die een vrouw gaat baren lijken op hem van wie ze houdt. Als dat haar man is . lijken ze op haar man. Als dat een echtbreker is, dan lijken ze op die echtbreker. Vaak, als een vrouw noodgedwongen met haar man slaapt terwijl haar hart bij de echtbreker is met wie ze gewoonlijk gemeenschap heeft, zal wat ze baart lijken op de echtbreker. Maar jullie die zijn met de Zoon van God: houd niet van de wereld, maar bemin de Heer, opdat wat jullie voortbrengen geen gelijkenis vertoont met de wereld, maar lijkt op de Heer. 88 De mens vermengt zich met de mens. Het paard vermengt zich met het paard, de ezel vermengt zich met de ezel. Al het gelijksoortige vermengt zich met elkaar. Zo vermengt de geest zich met geest, het woord verenigt zich met het woord, en het licht met het licht. Als je mens wordt, zal de mens je liefhebben; als je geest wordt, zal de geest zich met je verenigen; als je verstandig wordt, zal het verstand zich met je vermengen; als je licht wordt, zal het licht zich met je verenigen; als je wordt als die boven zijn zullen zij die boven zijn in je rusten. Als je paard wordt of ezel, stier, hond, schaap of een van de andere dieren die buiten en onder ons leven, zal noch de mens, noch de geest, noch het verstand, noch het licht, en evenmin dat wat boven is en in het binnenste is, je kunnen liefhebben. Ze zullen niet in je kunnen rusten en je zult geen deel aan hen hebben.
89 Wie tegen zijn wil slaaf is, zal vrij kunnen worden. Wie door een gunst van zijn meester vrij geworden is maar zichzelf weer als slaaf verkocht heeft, kan niet meer vrij worden. 90 De landbouw in de wereld (behoeft) vier krachten: want de oogst wordt in de schuur gebracht dankzij water, aarde, wind en licht. Zo kent ook Gods landbouw vier krachten: geloof, hoop, liefde en gnosis. Onze aarde is het geloof waarin we geworteld zijn; het water is de hoop waar we ons mee voeden; de wind is de liefde waardoor we groeien; en het licht is de gnosis waardoor we [rijpen]. 91 De genade is [als het zaad van] een land[man; dat wortel schiet in de aarde en reikt naar [de hemel].
92 Gezegend is hij die geen ziel [in dwaling gevoerd heeft]: Dat is Jezus Christus. Hij is naar de ganse plaats toe gegaan en heeft niemand belast. Daarom is iemand als hij gezegend, want hij is een volkomen mens. Hij is immers het Woord. Vraag ons over hem, want het is moeilijk zichzelf te verbeteren. Hoe zullen we in staat zijn zo'n groot werk te volbrengen? Hoe zal men in staat zijn ieder rust te geven? Allereerst en vooral is het onjuist iemand verdriet te doen, of hij nu groot is of klein, ongelovig of gelovig. Men is slechts in staat rust te geven aan hen die met het goede vertrouwd zijn. Sommigen denken er voordeel mee te hebben rust te geven aan wie het goed gaat. Maar iemand die weldoet, mag zo iemand geen rust geven, want dan gaat dit tegen diens eigen wil in. Hij kan geen leed berokkenen, omdat hij hen niet terneer drukt. Maar hij berokkent wie het goed gaat toch vaak verdriet. Niet hij doet dat echter; het is hun eigen verdorvenheid die hen leed berokkent. Hij die de natuur van het goede bezit, schept vreugde in het goede. Daardoor hebben sommigen onnodig verdriet. 94 Een heer des huizes had zich alles verworven: zonen, slaven, vee, honden, varkens, tarwe, gerst, stro, gras, [olie], vlees en eikels. Nu was hij een verstandig man en hij kende ieders voedsel. De kinderen zette hij brood voor [en olijfolie en vlees], de slaven [wonderolie en] koren. Het vee [kreeg gerst] en stro en gras, [de honden] botten, [de varkens] eikels en broodresten. Zo is het ook met de leerling van God. Als hij een wijs mens is, begrijpt hij het discipelschap. Lichamelijke vormen zullen hem niet misleiden; maar hij zal op ieders zielsgesteldheid letten en dan met hem spreken. Er zijn in de wereld veel dieren in een menselijke vorm. Als hij deze herkent, zal hij de varkens eikels geven, het vee gerst en stro en gras, de honden botten. De slaven zal hij de eerste (beginselen) bijbrengen en aan de kinderen het volmaakte geven.
95 Er is de Zoon van de Mens en ook de zoon van de Zoon van de Mens. De Heer is de Zoon van de Mens en de zoon van de Zoon van de Mens is hij die door de Zoon van de Mens geschapen wordt. De Zoon van de Mens heeft van God de kracht gekregen om te scheppen. Hij heeft ook het vermogen om voort te brengen. Wie het vermogen heeft gekregen om te scheppen, is zelf een schepsel. Wie in staat gesteld is om voort te brengen, is een nakomeling. Wie schept kan niet voortbrengen, doch wie voortbrengt, kan ook scheppen. Men zegt wel: 'Wie schept, brengt voort' maar diens maaksel is een schepsel; [daarom] zijn zijn nakomelingen niet zijn kinderen maar zijn [werken]. Wie schept, werkt [in het openbaar] en hij is zelf [zichtbaar]. (Maar) wie voortbrengt, [werkt] in het [verborgene] en hij is zelf [verborgen. De schepping is slechts] een nabootsing. Wie schept, [doet dat] openlijk. Wie voortbrengt, [brengt] zijn kinderen voort in het verborgene. Zo weet niemand op welke dag de [man] en vrouw zich met elkaar verenigen, behalve zijzelf. Want het huwelijk in de wereld is een mysterie voor hen die een vrouw genomen hebben. Als het huwelijk der bevlekking al verborgen is, hoeveel te meer is dan het onbevlekte huwelijk een waarachtig mysterie. Het is niet vleselijk maar zuiver. Het heeft niet te maken met de begeerte maar met de wil. Het heeft niet te maken met het donker van de nacht maar met de dag en het licht. Een huwelijk dat ontsluierd is, is ontuchtig geworden. De bruid is tot ontucht gekomen, niet pas als ze het zaad van een andere man ontvangt, maar ook als ze haar slaapkamer verlaat en gezien wordt. Ze mag zich alleen laten zien aan haar vader en moeder en aan de vriend van de bruidegom en aan de zonen van de bruidegom. Aan hen is het toegestaan dagelijks het bruidsvertrek te betreden. De anderen mogen er slechts naar verlangen om haar stem te horen en van haar balsemgeur te genieten. Zij mogen de kruimels eten die van de tafel vallen, als honden doen. Bruidegom en bruid horen in het bruidsvertrek en niemand zal bruidegom of bruid kunnen zien [tenzij hij er zelf] een wordt. 96 Toen Abraham [zijn ogen opsloeg] en zag wat hij moest zien besneed hij het vlees van de voorhuid, waarmee hij ons leerde dat het nodig is het vlees te versterven [en aan de wereld te laten]. Want zolang [het inwendige is verborgen blijft het bestaan] en leeft het. [Maar als het] zichtbaar wordt, sterft het zoals dat ook met de zichtbare mens [het geval is. Zolang] zijn ingewanden verborgen zijn, leeft de mens. Wanneer zijn ingewanden zichtbaar worden en naar buiten komen, zal de mens sterven. Zo is het ook met de boom. Zolang zijn wortel verborgen is, loopt hij uit en groeit hij. Wanneer zijn wortel zichtbaar wordt, verdort de boom. Zo is het met alles wat voortgebracht is in de wereld, niet alleen het zichtbare, maar ook het verborgene. Zolang de wortel van het kwaad verborgen is, is het sterk. Zodra men het kwaad echter herkent, dan lost het zich op. Wanneer het zichtbaar wordt, verdwijnt het. Daarom zegt het Woord: 'Reeds ligt de bijl aan de wortel van de boom.' Ze hakt niet om - want wat omgehakt wordt, pleegt weer uit te lopen - maar de bijl dringt diep in de grond totdat zij de wortel blootlegt. Jezus heeft de wortel van de gehele plaats (de wereld) losgetrokken, anderen deden dit slechts gedeeltelijk. Wat onszelf betreft: laat ieder van ons graven naar de wortel van het kwaad in zichzelf en het met wortel en al uit zijn hart wegrukken. Het kwaad zal weggerukt worden als we het kennen. Als we het niet kennen, schiet het wortel in ons en brengt het vruchten voort in ons hart. Dan beheerst het ons en zijn wij zijn knechten. Het neemt ons gevangen en laat ons dingen doen die we niet willen, en wat we willen, doen we niet. Het blijft machtig omdat we het niet hebben herkend. Zolang het er is, is het werkzaam. 97 De on[wetendheid] is de moeder van [alle kwaad]. De onwetendheid [is de voortbrenger van de dood]. Zij die uit [de onwetendheid] voortkomen, hebben niet bestaan, [bestaan] niet en zullen niet bestaan. [Maar zij die in de waarheid zijn] zullen vol(ge )maakt worden als de ganse waarheid openbaar wordt. Want de waarheid is als de onwetendheid: als ze verborgen is, rust ze in zichzelf, maar als ze openbaar wordt en men haar kent, wordt ze geprezen. Omdat ze machtiger is dan de onwetendheid en de dwaling, verleent ze vrijheid. Het Woord heeft gezegd: 'Als jullie de waarheid kennen, zal de waarheid jullie vrijmaken.' De onwetendheid is een slavin. De gnosis is vrijheid. Als we de waarheid kennen, zullen we de vruchten van de waarheid in onszelf oogsten. Als we ons met haar verenigen, zal ze ons in volheid ontvangen. Vandaag de dag bezitten we de zichtbaarheden van de schepping. En we zeggen: 'Dat zijn machtige zaken die heel waardevol zijn.' De verborgenheden lijken echter zwak en worden geminacht. Zo is het daadwerkelijk als de werken van de waarheid in de zichtbare wereld komen. Dan zijn ze zwak en worden ze geminacht. Verborgen echter zijn ze sterk en waardevol. De mysteriën van de waarheid zijn zichtbaar geworden in symbolen en afbeeldingen. Het bruidsvertrek zelf is verborgen. Het is het heilige der heiligen. 98 Hoe God de schepping bestuurt, was in het begin verborgen achter het voorhangsel. Als echter het [voorhangsel] scheurt en het binnenste tevoorschijn komt, zal dit huis van de wereld leeg achtergelaten worden, ja, het zal verwoest worden. Doch, alles wat een goddelijke afbeelding van de waarheid is, zal van deze plaats vluchten; evenwel niet in het heilige der heiligen, want met het zuivere [licht] en met het [duisterloze] pleroma zal ze zich niet kunnen verenigen, maar ze zal onder de vleugels van het kruis [en in zijn] armen vluchten. Deze ark zal [haar tot] redding zijn als de watervloed over hen heen komt. Vroeger konden er slechts enkelen, die tot de stam der priesters behoorden, met de hogepriesters achter het voorhangsel komen. Maar het voorhangsel is niet alleen vanboven gescheurd, want dan zou het alleen openstaan voor hen die boven zijn. Evenmin scheurde het alleen van onderen, want dan zou het slechts geopenbaard zijn aan hen die beneden zijn. Nee, het scheurde van boven tot onder. Zij die boven zijn, openden het voor ons die beneden zijn, opdat wij zouden binnengaan in het verborgene van de waarheid. Dit is waarachtig achtenswaardig en sterk. Maar we zullen daar binnengaan dankzij verachtelijke symbolen en zwakheid. Die zijn inderdaad verachtelijk in vergelijking met de volmaakte heerlijkheid. Er bestaat namelijk een heerlijkheid die andere heerlijkheden te boven gaat en een kracht die andere krachten te boven gaat. Daarom heeft het volkomene en dat wat in de waarheid verborgen is zich voor ons geopend. En het heilige der heiligen heeft zich aan ons geopenbaard en het bruidsvertrek heeft ons uitgenodigd binnen te treden. 99 Zolang het verborgen is blijft het kwaad weliswaar zonder effect, maar is het nog niet uit het midden van het zaad van de Heilige Geest verwijderd. Daarom zijn zij slaven van het kwaad. Maar als het volkomen licht zich openbaart, zal dat zich over iedereen uitstorten en allen die erin zijn zullen [ermee gezalfd] worden. Dan zullen de slaven vrij zijn en de gevangenen worden verlost. 100 (De Heer zei:) 'Elke plant die mijn hemelse Vader niet heeft geplant zal worden uitgerukt.' 101 Zij die gescheiden zijn, zullen verenigd en vol gemaakt worden. Allen die het bruidsvertrek [betreden], zullen zich [met het licht verenigen. Ze verenigen zich echter niet op de wijze] als in [het zichtbare] huwelijk dat 's nachts plaatsvindt. [Dat] vuur [brandt alleen] 's nachts en dooft uit. De mysteriën van het heilige huwelijk voltrekken zich daarentegen overdag en in het licht. Die dag en zijn licht gaan nimmer ten einde. Als iemand kind van het bruidsvertrek wordt, zal hij dat licht ontvangen. Als iemand het niet ontvangt in de tijd dat hij op deze plaatsen is, zal hij het ook niet kunnen ontvangen op die andere plaats. Wie dat licht ontvangen heeft, zal niet gezien kunnen worden. Evenmin zal hij door iemand vastgehouden of gekweld kunnen worden; of hij nu in de wereld vertoeft of de wereld verlaat. Hij heeft de waarheid al in afbeeldingen ontvangen. De wereld is voor hem de eeuwigheid geworden, want de eeuwigheid is voor hem het pleroma. Ze is aan hem, die weer tot één geworden is, geopenbaard: niet verborgen in de duisternis en de nacht, maar verborgen in een volmaakte dag en een heilig licht. Evangelie volgens Filippus.
Gastenboek van Spirituele Vrienden.
|