Literatuur Nederland en Vlaanderen

   

Ik trof in de volkskrant een artikel aan over de 100 grootste - overleden - schrijvers uit ons taalgebied. Gezien mijn belangstelling en liefde voor literatuur heb ik de top 100 hier geplaatst en zal proberen om over elk van deze 100 meer informatie en citaten te zoeken voor deze pagina.

 


 

 

Het Letterkundig Museum heeft een eigen canon, Pantheon genaamd.

 

Donderdag, 25 januari 2007,  maakte directeur Korteweg de Top 100 bekend van onze grootste dode schrijvers aller tijden; vanaf Anna Bijns en Erasmus, via Hooft, Vondel en Multatuli tot aan Hans Faverey en Frans Kellendonk.De geboortedatum van de auteur staat tussen haakjes.

 

 0. Anoniem (Beatrijs, Karel en de Elegast, Mariken etc)


1. Henric van Veldeke (*1128)


2. Hadewych (*ca.1200)


3. Willem, die Madoc maakte (*1230)


4. Jacob van Maerlant (*ca 1230)


5. Jan van Ruusbroec (*1293)


6. Thomas à Kempis (*1380)


7. Erasmus (*1466)


8. Anna Bijns (*1493)


9. Dirk Volkertszoon Coornhert (*1522)

10. Jan van der Noot (*1539)

11. Marnix van St. Aldegonde (*1540)

12. Jacob Cats (*1577)

13. P.C. Hooft (*1581)

14. Hugo de Groot (*1583)

15. Karel van Mander (*1584)


16. Anna Roemers Visscher (*ca 1584)


17. G.A. Bredero (*1585)
18. Jacob Revius (*1586)
19. Joost van den Vondel (*1587)
20. Constantijn Huygens (*1596)
21. Spinoza (*1632)
22. W.G. van Focquenbroch (*1640)
23. Pieter Langendijk (*1683)
24. Justus van Effen (*1684)
25. H.C. Poot (*1689)
26. Betje Wolff/Aagje Deken (*1738/*1741)

27. Belle van Zuylen (*1740)
28. Rhijnvis Feith (*1753)
29. Willem Bilderdijk (*1765)
30. A.C.W. Staring (*1767)
31. Hendrik Tollens (*1780)
32. Jacob van Lennep (*1802)
33. E.J. Potgieter (*1805)
34. De Schoolmeester (*1808)
35. Hendrik Conscience (*1812)
36. Geertruide Bosboom-Toussaint (*1812)
37. Nicolaas Beets (*1814)
38. Multatuli (*1820)
39. Conrad Busken Huet (*1826)
40. P.A. de Genestet (*1827)
41. J.J. Cremer (*1829)
42. Guido Gezelle (*1830)
43. Piet Paaltjens (*1835)
44. Virginie Loveling (*1836)
45. Marcellus Emants (*1848)
46. Vincent van Gogh (*1853)
47. Jacques Perk (*1859)
48. Willem Kloos (*1859)
49. Cyriel Buysse (1859)
50. Frederik van Eeden (*1860)
51. Louis Couperus (*1863)
52. Lodewijk van Deyssel (*1864)
53. Herman Gorter (*1864)
54. Herman Heijermans (*1864)
55. J.H. Leopold (*1865)
56. Stijn Streuvels (*1871)
57. Johan Huizinga (*1872)
58. Arthur van Schendel (*1874)
59. Karel van de Woestijne (*1878)
60. Theo Thijssen (*1879)
61. Carry van Bruggen (*1881)
62. Jacob Israel de Haan (*1881)
63. Willem Elsschot (*1882)
64. Nescio (*1882)
65. F. Bordewijk (*1884)
66. J.C. Bloem (*1887)
67. A. Roland Holst (*1888)
68. Maria Dermoût (*1888)
69. Martinus Nijhoff (*1894)
70. Paul van Ostaijen (*1896)
71. S. Vestdijk (*1898)
72. Gerard Walschap (*1898)
73. J. Slauerhoff (*1898)
74. E. du Perron (*1899)
75. H. Marsman (*1899)
76. Maurice Gilliams (*1900)
77. Menno ter Braak (*1902)
78. Belcampo (*1902)
79. Cola Debrot (*1902)
80. Albert Helman (*1903)
81. Ida Gerhardt (*1905)
82. Gerrit Achterberg (*1905)
83. Anna Blaman (*1905)
84. Theun de Vries (*1907)
85.
M. Vasalis (*1909)
86. A. Alberts (*1911)
87. Marten Toonder (*1912)
88. Louis-Paul Boon (*1912)
89. Godfried Bomans (*1913)
90. Simon Carmiggelt (*1913)
91.
Bert Schierbeek (*1918)
92. W.F. Hermans (*1921)
93. Karel van het Reve (*1921)
94. F
.B. Hotz (*1922)
95. Gerard Reve (*1923)
96. Lucebert (*1924)
97. Renate Rubinstein (*1929)
98. Anne Frank (*1929)
99. Hans Faverey (*1933)
100. Frans Kellendonk (*1951)

 

Beatrijs

 

 Van dichten comt mi cleine bate.
 Die liede raden mi dat ict late
 Ende minen sin niet en vertare.
 Maer om die doghet van hare 
5
 Die moeder ende maghet es bleven,   
 Hebbic een scone mieracle op heven,
 Die God sonder twivel toghede 
 Marien teren, diene soghede.
 Ic wille beghinnen van ere nonnen
10
 Een ghedichte. God moet mi onnen 
 Dat ic die poente moet wel geraken   
 Ende een goet ende daer af maken
 Volcomelijc na der waerheide
 Als mi broeder Ghijsbrecht seide,
15
 Een begheven willemijn.
 Hi vant in die boeke sijn;  
 Hi was een out ghedaghet man.
 Die nonne daer ic af began, 
 Was hovesche ende subtijl van zeden;
20
 Men vint ghene noch heden   
 Die haer ghelijct, ic wane,  
 Van zeden ende van ghedane.

 

Lees meer



Karel ende Elegast

 

FRaeye historie ende al waer
 Mach ic v tellen hoort naer
 Het was op enen auontstont
 Dat karel slapen begonde

 

Tengelem op den rijn
 Dlant was alle gader sijn.
 Hi was keyser ende coninc mede.
 Hoort hier wonder ende waerhede
 Wat den coninc daer gheuel

 

Dat weten noch die menige wel
 Tenghelem al daer hi lach
 Ende waende op den anderen dach
 Crone draghen ende houden hof
 Om te meerderen sinen lof

 

Daer die coninc lach ende sliep
 Een heilich engel aen hem riep
 So dat die coninc ontbrac
 Biden woerden die dengel sprac
 Ende seyde staet op edel man.

 

lees meer

 

 

Mariken


Die waerachige ende Een seer wonderlijcke historie
van Mariken van Nieumeghen
die meer dan seven iaren metten duvel
woende ende verkeerde

 

Inden tijde dat hertoghe Arent van Gheldre te Grave ghevanghen wert gheset van sijnen sone hertoghe Olof ende sijnen medepleghers, so woende op dri milen na Nieumeghen een devoet priester gheheeten heer Ghijsbrecht ende met hem woende een schoon ionghe maecht gheheeten Mariken, zijnder suster dochter, wiens moeder doot was. Dese voerscreven maecht regeerde haers ooms huys, hem zijn gherief wel eerlijck ende neerstelijck doende.

 

lees meer

 

 

1. Henric van Veldeke (*1128)

 (of Heinric van Veldeke)

(1128? te Veldeke, overleden 1190?)

 

standbeeld in Hasselt

 

 Oudst bekende Nederlandse dichter uit de 12e eeuw  

 Hendrik van Veldeke is de eerste Nederlandse schrijver die we bij naam kennen.

 

Onzeker is het, of hij te Veldeke bij Maastricht dan wel te Veldeke tussen Hasselt en Diest geboren werd; onzeker ook of hij van adel was. Ook wanneer hij stierf is onbekend; Gotfrid von Straszburg spreekt in 1210 in zijn Tristan over hem als over een overleden voorganger.

Zijn werk wordt zowel tot de Duitse als de Nederlandse literatuur gerekend daar hij leefde en werkte op de grens van twee taalgebieden. Veldeke is afkomstig uit het Maasland, uit de omgeving van Hasselt in Belgisch Limburg. In die streek treffen de Nederlandse en Duitse taal en cultuur elkaar en in Veldekes tijd bloeiden hier de kunst en de economie.

Hij schreef in het Middelnederlands, ook Diets genoemd.

Uit zijn werk valt te concluderen, dat Veldeke een veelzijdig geschoold man was, zowel voor wat ridderlijke als geestelijke zaken betreft. Hij beheerst het Frans van de hoofse maatschappij; hij kent de moderne hoofse epiek en lyriek van Noord-Frankrijk, ook de lyriek van de Provence; hij kent Latijn. Hij sprak en schreef waarschijnlijk Maaslands-Oudlimburgs, de taal van de landschappen aan de Maas. Mogelijk bezat de door Veldeke - en anderen - gebruikte Maaslandse literatuurtaal een speciale aantrekkingskracht, die van een modetaal, met invloeden uit de bewonderde Franse cultuur.

 

 

Werken

 

Sint Servaes legende.

 (1170-1180), een heiligenleven over Sint Servaes van Maastricht in zijn moedertaal het Limburgs geschreven. Het verhaal volgt vele conventies van de Middeleeuwen: Servaes is een Griek die naar Lotharingen trekt, een heilige uit de 4e eeuw met middeleeuwse karaktertrekken, een heilige bovendien die tegelijkertijd een vechtjas was en zelfs Atilla de Hun zou hebben getrotseerd.

 

Doen coninck Karle ende sijne man

den seghe dae alsoe ghewan

- daer hem God dede ghenade -

doen waert hij des te rade

dat hij sijne boden sande

in Vranckrijke tot sijnen lande.

Doe hem God loeste uuter noet

den busscoppen hijt ontboet

clercken ende gheleerden,

abden ende bekeerden.

Mit goeden trouwen hij dat dede

ende bat hon mit soeter bede,

den heren van Vranckrike,

ende ontboet hon vriendelike

wie dat heme erganghen was,

datten God ende Sinte Servaes

uuter sorghen verloeste

ende ghenadeliken trooste.

Hij ontboet hon sijne holde

op dat hon God gheven wolde

ter zielen dat ewich liecht,

dat sij voeren te Triecht

ende Sinte Servaes den werden

verhieuen uuter eerden

ende hoechden ende eerden

ende sijnen loff vermeerden,

want hoem die eer wale betam

ende hij heme te hulpen quam

doen hoem des noet was;

want hem der goede Sinte Servaes

uuter sorghen verloeste

wijseliken hijt bedachte.

Dat Karle gheboden hadde soe

des waren die keersten voele vroe.

 

Eneas

In 1174 begon hij aan een ridderverhaal over de Trojaanse held Eneas van Vergilius. Veldeke baseerde zich op een Franse roman die kort daarvoor was gedicht. Hij was kennelijk goed op de hoogte van de nieuwste literatuur.

 

Liefdesliederen

Ook de hoofse minnepoëzie die hij schreef, was geliefd aan de adellijke hoven. Van deze liefdesliederen zijn er zo'n dertig bewaard. De meeste liedjes beginnen met een verwijzing naar de natuur, die de dichter in een bepaalde stemming brengt. De liederen van Hendrik van Veldeke behoren tot een internationaal netwerk van middeleeuwse liefdeslyriek. In het twaalfde-eeuwse Frankrijk zongen de troubadours hun minneliederen, die al gauw over heel Europa bekend raakten. Wie de liederen onderling vergelijkt, ziet dat dichters nogal eens beeldspraak en motieven uit elkaars poëzie overnemen, vaak voorzien van speelse variaties.

 

Ez tuont diu vogelîn schîn,

Daz siu die boume sehent gebluot,

Ir sanc machet mir den muot

Sô guot, daz ich vrô bin

Noch trûric niht kan sîn.

Got êre sî, diu mir daz tuot,

Al über den Rîn,

Daz mir der sorgen ist gebuot,

Aldâ mîn lîp verre ist in ellende.

 

Lees meer

 

 

 


2. Hadewych (*ca.1200)

 

 

 Het leven van de dichteres en mystica Hadewijch was gewijd aan de liefde van en voor God. Uit haar Strofische Gedichten, die op deze pagina verzameld zijn, spreekt een grote liefde (minne) voor hem. Naar vorm en inhoud zijn deze gedichten wel vergeleken met de Zuid-Franse liefdeslyriek uit de twaalfde en dertiende eeuw. Sommige gedichten zijn ook zonder problemen als liefdegedichten te lezen. Maar haar voorwerp van liefde was geen aardse minnaar of minnares, maar God.

 

Altoes mag men van minnen singhen

 

Altoes mag men van minnen singhen,
Eest herfst, eest winter, eest linten, eest zomer,
Ende jeghen hare ghewout verdinghen,
Want en onsteet hare niemen vromer.
Waer wi, traghe, segghen dicke in comer:
''Soude si mi also na bedwinghen?
Ic mach mi metten ghenen minghen
Die rasten hebben gheploen
Ende bliven thuus; waer mochtic
Gaen omme mijn verdoen?''

 

Die nedere metten armen sinnen,
Die sijnt die den cost ontsien,
Dat si hen scouwen van der minnen
Daer hen al goet af soude ghescien.
Ocht si hen vanden dienste ontien,
Nemen dat sire ane winnen.
Trouwe salse toenen ende arm doen kinnen
Vore der minnen rike al bloet.
Dese sijnt die dat hare verdaden
Sonder der minnen noet.

 

Die gherne woude doghen tsuete ellende,
Die weghe ter hogher minnen lant,
Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende:
Dies gheeft die trouwe zeghel ende pant.
Nu es menich dorpre so truwant,
Hi neemt dat hem es naest ghehende,
Ende blijft vore minne die onbekinde
Metter truwanten cleet.
Soe en heeft hi vorme noch ere,
Daer minne dat hare bi versteet.

 

Scone ghelaet ende scone cleder
Ende scone redene scieren den man.
Al doghen om minne Ende niet te wreder,
Dat es scone ghelaet die dat wel can.
Die werke sijn die cleder dan,
Met nuwen niede ende niet te ghemeder,
Ende den vremden te aller noet ghereder
Dan ane sijns selfs bekinnen:
Dats varuwe, die tekene scieren
Alre meest vore hogher minnen.

 

Vorwaerdeghe wort ende grote ghichten
Buten huus, ende scone cost daer binnen,
Eren den man meest ende verlichten.
Hier bi machmenne best bekinnen.
Also eest oec met hen die minnen,
Eest dat si inder waerheit stichten
Ende met scoenre cost daer binnen dichten,
Alsoet minnen best betame,
Ende gheven al minne om minne:
Die ghichte es minnen best bequame.

Ic segghe van minnen ende rade
Ghecierden cost ende hoghe daet.


Dat trouwe soude ghelden dat minne verdade,
Dats meneghen cleyne toeverlaet
Die inden bande van minnen staet,
On onghebrukenne ende in onghenade.
>Die minne loent altoes al comt si spade=
Dats daertoe mine saghe.
Die hare volghen, si liden
Meneghen nacht bi daghe.

Wie soude van minnen altoes geprisen
Die ghevet bi daghe so meneghen nacht?
Dien si soude cleden, eren ende spisen,
Dien doet si al ute sijnre macht.


Die gherne goude der minnen pacht,
Soudsi in allen rechte wisen,
Ende met trouwen zeghele so hoghe doen risen
Daer lief mochte lief hantieren
Ende in allen ghebrukene van minnen
Eren ende chieren.

Dat scoenste hanteren dat minnen dochte,
Dat ware: lief met lieve so dore mint,
Dat lief met minnen so lief dore sochte,
Dat hem el niet en ware bekint
Dan: >ic ben die minne met minnen verwint.=


Maer hi waer meer verwonnen die minne vervochte
Ende dan in minnen in nieute werden mochte.
Die cracht ghinghe als te voren.
Die hoghe matherie, daaraf wardt minne
Van yersten gheboren.

Maer wij, lichtecope, metten lichten sinne,
Ons duncken minnen vare swaer.
Wij sijn nieloop met clenen ghewinne;
Dies darven wij minnen clare waer.


Ic weet - al en wetict niet al daer,
Daer mens ghebruket in weelden van minnen,
Maer verlichte redenne doet al bekinnen -
Hoe men minnen ghenoech volsteet:
Daer en es redenne te waer
Noch werc te swaer Ende al nuwe ghereet.

Die vroech hare claer
Hebben openbaer
Ende saen hare bliscap kinnen,
Ende glorieren daer binnen,
Eest dat hen wel vergheet,
So bebbense, god weet!
Vele beteren coep der minnen
Dan icker noch weet.

 

 

 Meer over Hadewijch




3. Willem, die Madoc maakte (*1230)
 

Er is nauwelijks iets bekend over Willem die Madoc maakte, de auteur van het omstreeks 1260 geschreven dierenverhaal Van den Vos Reynaerde (of Reinaert). Een vroeger werk van hem, waarnaar hij in de proloog verwijst, Madoc, is niet bewaard. Met zekerheid was Willem een Oost-Vlaming en schreef hij voor een luisterend publiek dat goed vertrouwd was met plaatsnamen en situaties uit het Waasland en omstreken. Verder weten we vrijwel niets met zekerheid, wat geleerde filologen en enthousiaste amateurs er niet van weerhouden heeft een indrukwekkende, schier onoverzichtelijke bibliotheek over deze mysterieuze “Willem, die Madoc maakte” bijeen te schrijven. Volgens sommige vossenjagers (zo noemt men de geleerden en amateurs die zich met de Reinaertmaterie bezighouden) dient men hem in Aardenburg, Hulst of in “Waes, int soete lant” (vers 2257) te zoeken, anderen opteren resoluut voor Gent (Leonard Willems, Wytze Gs Hellinga, Jozef Goossenaerts, Maurits Gysseling). De laatste tijd lijkt de balans in het voordeel van het Waasland door te wegen, maar dat zal wel hoofdzakelijk te maken hebben met de intense, cultureel-toeristische Reinaertdynamiek aldaar. Wat er ook van zij, er bestaat in en rond het meesterlijke vossenverhaal onmiskenbaar “a Ghent connection”.

 

Van den vos Reynaerde

 

Het mooiste boek uit de Nederlandse middeleeuwse literatuur blijft Van den vos Reynaerde. Het is een prachtig schelmenverhaal, met dubbele bodems, grapjes en talloze verwijzingen naar de maatschappelijke structuur en de menselijke kleinheid. Sla het boek op een willekeurige plaats open en lees bijvoorbeeld de scene waar Reinaert onder de galg het koningspaar inpakt door te speculeren op hebzucht. In een zeer verantwoorde luxe uitgave, de Delta-reeks, kan elke liefhebber nu genieten van de 13e eeuwse tekst en in herhaling (deel 2) van het verwante Reynaerts historie (15e eeuw). Via Reynke de Vos en Goethe's Reineke Fuchs (1794) begon de "Europese zegetocht", zoals deze voorbeeldige uitgave leert. De Vos kent geen handschrift in Leiden, wél een Leids tekstbezorger, UB-conservator André Bouwman, die ook bij deze uitgave betrokken was. 

 

Citaat:

Willem, die Madoc maecte,
Daer hi dicken omme waecte,
Hem vernoyde so haerde
Dat die avonture van Reynaerde
In dietsche onghemaket bleven
(Die Arnout niet hevet vulscreven)
Dat hi die vijte van Reynaerde dede soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus hevet begonnen.



4. Jacob van Maerlant

 

 

Jacob van Maerlant (ca. 1225 – ca. 1300) was een dichter uit de zuidelijke Nederlanden. Jacob van Maerlant werd geboren in de omgeving van Brugge en vestigde zich in het nabijgelegen Damme. Omstreeks 1260 werd hij koster in het plaatsje Maerlant, vlakbij Brielle, waar hij zijn schrijverschap begon.

In zijn eerste werken sloot hij aan bij de traditie van de ridderromans. Alexanders Geesten was een biografie van Alexander de Grote in ruim 14.000 verzen. Andere werken in die traditie waren Historie van den grale, Merlijns boeck en de Istory van Troyen.

Rond 1270 keerde hij terug naar Damme. Daar ontstond het beroemde Der naturen bloeme (naar 'De natura rerum' van Thomas van Cantimpré), de eerste natuurencyclopedie in de volkstaal. In 1271 schreef hij de Rijmbijbel, een vertelling van de bijbelse geschiedenis in de volkstaal, waartegen onder de kerkelijke prelaten veel tegenstand bestond, omdat zo de bijbel voor iedereen leesbaar werd. Van 1285 tot 1288 werkte Maerlant aan zijn grootste werk, de Spieghel historiael, waarin hij de wereldlijke geschiedenis beschreef.

Bron  

 

Citaat uit: Der Naturen Bloeme

 

 

Jacob van Merlant , die dit dichte,
omme te sendene tere ghifte,
wil dat men dit boec nome
in Vlaems: der Naturen Bloeme.

Want noch noint in Dietscen boeken
ne gheen dichtre wilde soeken
iet te dichtene van naturen
van so messeliken creaturen
alse in desen boeken staen.

Niemene n'hebbe dies waen
dat ic die materie vensede,
els dan ic die rime pensede.
Want de materie vergaderde recht
van Colne meester Albrecht
ute desen meesters, die hir comen,
die ic ju sal bi namen nomen.

 

Vertaling: Jacob van Maerlant, die dit boek schreef om het als geschenk aan te bieden, wenst dat het als titel Der Naturen Bloeme krijgt, De schoonheden uit het boek der natuur. Nog nooit heeft een auteur het gewaagd om in onze taal een boek te schrijven over de aard van zoveel verschillende wezens. Maar denkt u nu niet dat ik de inhoud zelf verzonnen heb. Ik heb slechts de gegevens berijmd die Albertus Magnus gewetensvol bijeenzamelde uit de geschriften van de grote geleerden die ik voor u zal opnoemen.

 

Bron en verder lezen

5. Jan van Ruusbroec.

 

 

Ruusbroec (Jan van), de oudste onzer mystieke schrijvers en de vader van het Nederlandsche proza, werd in 1293 te Ruusbroeck, bij Brussel, geboren uit Brabantsche ouders. Hij koos den geestelijken stand, werd prior der abdij van Groenendale, bij Brussel, en overleed er 2 Dec. 1381. Zijn leven was zoo voorbeeldig, dat men hem heilig verklaarde. In vroegere eeuwen werden enkele zijner werken gedrukt of vertaald, want de meeste zijn slechts in handschrift tot ons gekomen. Thans zijn ze volledig uitgegeven door Prof. J.B. David, in de werken van de Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen te Gent, onder de titels: Dat boec van den gheesteleken tabernacule, Gent 1858, 2 dln.; Dat boec vanden twaelf dogheden; Die Spieghel der ewigher salicheit; Van den Kerstenen ghelove, Gent 1860; Dat boec van VII trappen inden graet der gheesteleker minnen; Dat boec van seven sloten; Dat boec van den rike der ghelieven; Dat boec vanden vier becoringhen, Gent 1861; Dat boec van den twaelf beghinen, Gent 1863; Die chierheit der gheesteleker Brulocht; Dat hantvingherlyn oft van den blickenden steene; Dat boec der hoechster waerheit, Gent 1868.

Bron: Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891)

 

Citaat uit: Een rymwerk van Jan van Ruysbroeck.

 

die eerste sprac:

 Jhesus minne wil ic draghen,

 Des en wil ic niemanne vraghen;

 God gheve my die crachte.

 Met rechte sullen wine minnen,

 Den wi soe edele kinnen,

 Ende soe hoghe van gheslachte.

 

die ander sprac:

 Ic souden gaerne minnen

 Wistics hoe beghinnen;

 Hi is my verborghen.

 Mijn herte is menichfoudich;

 Ic biechte dicke, ic gheve my scoudich:

 Altoes leve ic in sorghen

 

Lees verder


 

 

6. Thomas a Kempis

 

Thomas a Kempis (eigenlijk Thomas van Kempen of Thomas Hemerken ("hamertje"); Kempen, ca. 1380 - Zwolle, 1472) was een middeleeuwse augustijner kanunnik, kopiist, schrijver en mysticus. Hij was lid van de spirituele beweging van de Moderne Devotie en een volgeling van Geert Grote en Floris Radewijnsz, de stichters van de Broeders des Gemenen Levens.

 

Hij werd geboren uit eenvoudige ouders in Kempen, nabij Krefeld. In 1395 werd hij naar de school in Deventer gestuurd, die geleid werd door de Broeders des Gemenen Levens. Hij werd een vaardig kopiist en kon zo zichzelf onderhouden. Later trad hij toe tot de reguliere kanunniken in de priorij van de Sint-Agnietenberg bij Zwolle, waar zijn broer voor hem was geweest en prior was geworden. Hij werd gewijd tot priester in 1413 en werd subprior in 1429.

Lees meer

 

 

                                          Belangrijkste werk: De Navolging van Christus

                                                              

                                                                   

 

Citaat uit boek 1

3.   Hoe meer iemand ingetogen is, en van al het tijdelijke onthecht, des te meer en verhevener zaken hij zonder moeite begrijpen zal, omdat hij van boven de genade van verstand ontvangt.

Een zuivere eenvoudige en standvastige ziel is te midden van drukke bezigheden niet verstrooid, omdat zij alles ter liefde Gods doet, en altoos tracht alle eigengenot te vluchten.

Wat gaat er u meer tegen en valt lastiger, dan de onverstorven genegenheden van uw hart?

Een goed en godvruchtig mens overlegt eerst inwendig de werken, die hij uitwendig moet doen.

En deze trekken hem niet tot de lusten der ongeregelde genegenheid; maar hij wendt ze naar het voorschrift der gezonde rede.

Wie heeft een grotere strijd, dan die tracht zichzelf te overwinnen?

En dit zou toch onze voornaamste bezigheid moeten zijn, te weten: onszelf overwinnen, dagelijks zich meer meester worden en vooruitgaan in het goed.

 

Uit het Latijn vertaald, Uitgave Turnhout, Brepols, 1935

 

Lees meer

 

 

 

7. Erasmus

 

 

 

Volledige naam Desiderius Erasmus

Geboren 28 oktober 1469

Overleden 12 juli 1536

 

 

Erasmus werd geboren als Gerrit Gerritszoon op de vroege ochtend van 28 oktober waarschijnlijk in het jaar 1466, 1467 of 1469. De geboorteplaats van Erasmus is hoogstwaarschijnlijk Rotterdam, maar staat niet vast aangezien er geen vermelding in de doopregisters bewaard is gebleven. Op een bekend houten borstbeeld staat Goudæ conceptus, Roterodami natus (Latijn: te Gouda verwekt; te Rotterdam geboren). Volgens een notitie van historicus Renier Snooy (1478-1537), zou Erasmus in Gouda zijn geboren. Erasmus zelf schrijft: 'Ik ben geboren in Rotterdam. Mijn moeder was de dochter van een medicijnmeester uit Zevenbergen, mijn vader had heimelijk met haar een verhouding, in de hoop haar te trouwen. Hij was van tien broers op één na de jongste en men besloot dat een van hen, mijn vader, aan God gewijd zou worden.'

 

vervolg

 

Zijn belangrijkste werk:

 

Lof der Zotheid

1

De mensen mogen allemaal over mij zeggen wat ze willen - ik weet namelijk best hoe slecht Dwaasheid bekendstaat, zelfs bij de grootste dwazen -, toch ben ík het en ik alleen die de macht bezit goden en mensen vrolijk te maken, en dat wordt alleen al afdoende bewezen doordat, zodra ik voor deze enorme menigte naar voren kwam om mijn rede te houden, op slag ieders gezicht opklaarde in haast ongekende, uitzonderlijke vrolijkheid, doordat u dadelijk de rimpels uit uw voorhoofd hebt gestreken, doordat u mij met zo'n blije, gulle lach hebt toegejuicht dat het wel lijkt of heel het toegestroomde publiek dat ik hier zie totaal beneveld is door de nectar van de homerische goden gemengd met nepenthe, terwijl u er eerst zo verdrietig en gekweld bij zat alsof u regelrecht uit het hol van Trophonius kwam. Maar zoals geschiedt wanneer de ochtendzon de aarde zijn schone gouden gelaat toont, of wanneer na een grimmige winter een nieuwe lente met zoele zefiers zachtjes waait -alles ziet er dadelijk anders uit, krijgt een nieuwe kleur, ja welhaast een nieuwe jeugd: zo heeft u bij mijn aanblik meteen een ander gezicht opgezet. Wat erkend grote redenaars pas met moeite na een uitvoerige, lang ingestudeerde redevoering kunnen bereiken, de mensen problemen uit hun hoofd praten, dat heb ik dus in één klap gepresteerd alleen door me te laten zien.

2

Waarom ik eigenlijk zo vreemd uitgedost optreed vandaag, zult u straks horen, als u tenminste bereid bent mij uw oor te lenen, niet het oor dat u aan vrome predikers gunt, maar dat u spitst voor marktkooplui, clowns en narren en dat onze vriend Midas ooit aan Pan liet zien. Ik heb namelijk zin om een tijdje de sofist voor u uit te hangen, maar dan niet zo een die tegenwoordig schooljongens allerlei vermoeiende haarkloverijen inprent en ze nog hardnekkiger ruziemakers maakt dan vrouwen zijn. Nee, ik zal de klassieken imiteren die de infame betiteling `filosofen' wilden vermijden en zich daarom `sofisten' lieten noemen. Het was hun werk in panegyrieken de lof van goden en grote helden te zingen. Een lofrede gaat u dus horen, niet van Hercules of Solon, maar van mijzelf, van Dwaasheid dus.

3

In elk geval geef ik geen klap om al die wijze mannen die betogen dat het buitengewoon dwaas en onbeschaamd is om je eigen lof te zingen. Voor mijn part is het zo dwaas als ze maar willen, zolang ze maar toegeven dat het gepast is. Want wat klopt en beter dan dat Zotheid haar eigen loftrompet steekt en haar eigen lied zingt? Wie kan mij immers beter typeren dan ikzelf - tenzij iemand mij beter kent dan ik mezelf ken. Trouwens, ik vind dat eigenlijk zelfs een stuk bescheidener dan de algemene praktijk van aristocraten en wijze mannen die uit een soort valse schaamte een pluimstrijkende redenaar of een grootsprekende dichter instrueren en inhuren om uit zijn mond hun eigen lof te horen, pure leugens dus. Toch zet zo'n timide man daarbij zijn veren op als een pauw en blaast zich op als een kikker, wanneer de onbeschaamde vleier die figuur van niks aan de goden gelijkstelt, wanneer hij hem als volmaakt voorbeeld van alle deugden afschildert (al weet de man in kwestie zelf dat er een wereld van verschil is), wanneer hij een domme kraai met geleende veren laat pronken, wanneer hij een neger wit wast, en uiteindelijk een olifant maakt van een mug. Mijn laatste argument is dat ik me graag aansluit bij de versleten en banale uitdrukking `als je jezelf niet kietelt, doet niemand het'. Wat me trouwens wel verbaast in dit verband is de ondankbaarheid van het mensdom - luiheid, kan ik ook zeggen: iedereen vereert mij ijverig en wil graag mijn gunst genieten, maar al zoveel eeuwen is er niemand opgestaan om in een succesvol betoog de Lof van de Dwaasheid te zingen, terwijl kerels als Busiris en Phalaris, de derdedaagse koorts, vliegen, kaalhoofdigheid en al dergelijke ellende toch vaak genoeg in uitvoerige lofredes, die met veel moeite een slaaptekort tot diep in de nacht in elkaar zijn gezet, de hemel in geprezen zijn. Van mij gaat u nu een redevoering horen die geïmproviseerd en onopgesmukt is, maar daarom des te meer waarheid bevat.

 

 

8. Anna Bijns

 

 

Bijns (Anna), de gevierde dichteres, was dochter van een kousenmaker en werd, volgens haar eigen verklaring, in 1494 te Antwerpen geboren in het huis de kleine Wolvinne,   op de Grote Markt. Van drie kinderen was Anna het jongste; haar broer Marten, de oudste der drie, werd schoolmeester, welk ambt ook onze dichteres zou uitoefenen. Gedurende haar beste jaren had zij geleefd van de erfenis van haar ouders; maar omstreeks het einde van 1536 was zij genoodzaakt onderwijs te gaan geven. Zij begon haar lessen te geven in haar huisje het Roosterken, dat nu in de Keizerstraat het nummer 61 draagt.   Alhoewel zij met het onderwijzen der jeugd zo min als met haar dichterlijke pennenvruchten fortuin maakte, werd zij op haar zeven en veertigste jaar toch eigenares van het door haar bewoonde huisje.

 

Dat Anna Bijns veel levensgeluk genoot, is te betwijfelen. Zij leefde tot op haren ouden dag alleen en hare kenspreuk luidde: Meer suers dan soets. Niettemin verwierf zij als dichteres veel roem. In haar tijd noemde men haar de Brabantsche Sappho. Stellig bekleedt zij de eerste rang onder de dichters die vóór en in haar eeuw het licht zagen. Hare beeldrijke taal is, voor die tijd, bijzonder zuiver en zoo gespierd en ingrijpend, dat zij de hedendaagse lezer nog in vervoering brengen kan. Tevens had zij een levendige en echt dichterlijke verbeelding. Haar verzen waren geen rijmend proza, zoals bij vele der toenmalige rijmelaars van Retorica, maar zij hadden een eigenaardige en goed volgehouden cadans, waarbij het rijm steeds ongekunsteld en soms met kwistige overvloed gebruikt wordt. Anna Bijns was een overtuigde Rooms-katholieke. Tegen de in haren tijd opkomende hervormers en vooral tegen hun aanvoerder Maarten Luther, valt zij dan ook hevig uit in een referein, dat niet ten onrechte voor haar meesterstuk wordt gehouden.

 

Eerst op de hoge leeftijd van tachtig jaar hield Anna Bijns op aan de jeugd haar lessen te geven. Zij ging toen in de Lange Nieuwstraat, bij de familie Stollaert, op lijfrente wonen. Echter mocht zij niet lang van haar rust genieten; want reeds den 10 April 1575 werd zij, met een ‘schellijk’ of allergeringste burgerlijkdienst, op het Onze-Lieve-Vrouwenkerkhof begraven. Was de geniale dichteres, de onverschrokken wreekster van het oude Roomsch-Katholiek Geloof, in dien tijd van zegepraal der Hervorming, bijna als vergeten ten grave gedragen, hare meesterlijke refereinen zouden niettemin de onsterfelijkheid genieten.

 

 

Enkele voorbeelden uit haar 'refereinen'

 

Luther werct wondere, ic bens orcondere. [1]  

Dat (wat) hier voortijts recht was, maekt hij nu crom;

Duecht heet hij sonde[2], ende ooc bijsondere   

Wijse geleerde mannen maect hij dom.

 

 

Princen en princessen, als u Luters ghespuys
Wilt genaken, maect geringhe een cruys,
Geeft hem geen geloove, haer fondament is wack [...]
Luegenachtich spreken sij met twee monden,
Men soude haer bedroch niet meten met ellen.
Al dat sij soecken, is vrijheit in sonden.
Tsijn eertsce duvels, die de menschen quellen
[3]

 



[1] getuige

[2] deugd noemt hij zonde

[3] Prinsen en prinsessen, als het Lutherse gespuis
u nadert, sla dan snel een kruis.

Vertrouw ze niet want hun fundament is zwak. [...]
Ze spreken met twee monden leugenachtige taal,

hun bedrog is niet te meten.

Al wat zij zoeken is vrijheid om te zondigen.
Het zijn aardse duivels die de mensen kwellen.

 

 

 

9. Dirk Volkertszoon Coornhert (1522-1590)

 

Dirk Volkertszoon Coornhert werd te Amsterdam geboren uit welgestelde ouders, in 1522. Hij vertegenwoordigt ook een iets oudere mentaliteit, zit nadrukkelijker vast aan de rederijkersopvattingen, verweert zich zelfs aanvankelijk met klem tegen het nieuwe voor zover dit typisch in de versmaat tot uitdrukking kwam, maar toch is ook bij Coornhert een ‘duidelijke ontwikkeling te zien van rederijkerstradities naar klassieke vormen’ . Coornhert is ook een uitgangspunt van een ontwikkeling die via Roemer Visscher zich in en rond Amsterdam voltrekt met Spiegel als centrale figuur.

De jonge Coornhert ontving een zorgvuldige opvoeding, - een onderdeel daarvan was een reis naar Spanje en Portugal ‘om wat lands te besoucken’ - maar hij ging niet studeren. Hij trouwde op jeugdige leeftijd tegen de zin van zijn ouders, en vestigde zich omstreeks 1542 met zijn vrouw in Haarlem, waar hij de kost won als kopergraveur. Zijn belangstelling voor theologische problemen bracht hem er na zijn dertigste jaar toe Latijn te gaan studeren om de kerkvaders in hun oorspronkelijke taal te kunnen lezen. Ook de geschriften van de hervormers echter trokken zijn aandacht en ontwikkelden in hem de polemist. In 1561 werd hij notaris, in 1564 secretaris van Haarlem, waardoor hij in de staatkunde belandde en Oranje leerde kennen. In 1567 voor de Raad van Beroerten gedaagd, werd hij gevangen gezet, maar vrijgesproken. Vrijwillig ging hij daarop in ballingschap: van 1568 tot '72 woonde hij te Kleef en Xanten. Terug in Holland werd hij, op aanbeveling van Oranje, secretaris der Staten van Holland. Zijn onderzoek naar de wandaden van Lumeys geuzen haalde hem hun haat op de hals; opnieuw week hij uit, in hetzelfde jaar '72, opnieuw naar Xanten, waar hij toen tot '77 verbleef. De Pacificatie van Gent maakte het hem mogelijk naar Haarlem terug te keren; hij kon toen ook zijn werkzaamheid als notaris hervatten. Hij schreef en polemiseerde veel, vooral tegen de calvinisten, die hem opnieuw, maar thans voor korter tijd (1585), dwongen naar Duitsland uit te wijken. De laatste jaren van zijn leven woonde hij te Gouda, waar hij 29 oktober 1590 stierf.

 

Korte bibliografie

1550 Comedie van de Rijckeman, toneelstuk

1561, vertaling van 'de officiis van Cicero'

1567 Comedie van Lief en Leedt, toneelstuk

1582 Liedboek Dirk Volkertszoon Coornhert

1585 Zedekunst dat is Wellevenskunste

 

Uit: Vertaling van Horatius' tweede epode Beatus ille (1570)

 

Zalig leeft hij met onz' voorouders rustig

Die los en vrij van handeling onlustig

Met ossen sterk bouwt vaderlijke landen,

Van 't knagen vrij der woekerige tanden.

 5

Hij schrikt niet voor des krijgs trompetten bloedig,

En vreest ook niet der golven toorn verwoedig.

Des vierschaars twist vermijdt hij onpartijdig,

En huizen hoog, vol hovaardije nijdig.

Hij huwelijkt de wijnstok rijk, volwassen,

10

Aan bomen hoog wiens ranken daar om passen,

En ziet met lust zijn vette melkfonteinen

Herkauwen 't groen van zijn grasrijke pleinen.

d' Onvruchtbaar spruit zijn kloeke hand kan snoeien,

Die ent goê vrucht op stammen goed van groeien.

15

De honing zoet persen zijn trouwe knapen,

Die ook ontkleên zijn ruig beklede schapen,

Als d' herfst vruchtbaar verguldt de groene bomen

Met appels geel, die op de dis dan komen.

Hij plukt met lust veel nieuw geënte peren

20

En druiven grof, als purper schoon vol ere,

Waarmee hij dan zijn vrienden gaat beschinken,

Ook u, Sylvaan, het vrolijk nat doet drinken.

In 't groene gras rust hij, bevrijd van kwaden.

Een oude eik beschaduwt met veel bladen.

25

Het pluimgediert' zijn vreugd met klank doet blijken.

Dat orgelt zoet natuurlijke muzijken.

Van klippen steil, versierd met wilde pruimen

Ruist snellijk daal veel waters, wit van schuimen.

De beekjes klaar al suizelende vlieten.

30

Deez' lust met rust doet licht in slaap beschieten.

Maar als het jaar treedt op des winters wegen

Met koude sneeuw, met hagel, wind en regen,

Ziet men hem ras met rasse honden jagen

Het wilde zwijn in zijn verborgen lagen;

35

Of hij belaagt met dunn' en blinde netten

Houtsnippen vet, die op 't bedrog niet letten.

Een zoete vangst is ook de haze duchtig.

De valse strik bestrikt de kraan hoogvluchtig.

Wie zoude niet in zulke lust gezeten

40

Wellustelijk des druks onlust vergeten?

Ja ook de liefd', vol leed door liefs ontberen,

Moet ruimen zelf, met al zijn zorglijk deren.

 

Bron: http://www.dbnl.org/

 

 

 

10. Jan van der Noot (*1539)

 

 

Omstreeks 1538 geboren te Brecht, bij Antwerpen, op het Hof van Pul, was van adellijke afkomst en genoot een zeer geleerde opvoeding. Nog jong zijnde, vestigde hij zich in de stad Antwerpen, waar hij in de jaren 1562 en 1565 schepen was. In Maart 1567 was hij een der Calvinistische belhamels bij een oproer tegen de wettelijke overheid en toen deze poging, om het bewind in handen te krijgen, mislukt was, trok hij kort daarna af bij de nadering van de gevreesde Hertog van Alva. Een geruimen tijd verbleef hij te Londen en had er de dichter Spencer tot vriend; vervolgens doorreisde hij Europa gedurende elf jaren en in Frankrijk knoopte hij nauwe betrekkingen aan met den vorst der Franse dichters, Pierre Ronsard, en andere voorname personen.

 

Omtrent 1579 keerde hij terug naar Antwerpen, doch in zulk een bekrompen toestand, dat hij op 27 Juli 1581 genoodzaakt was aan het Antwerpse Magistraat 100 gulden te leen te vragen. De stad leende de arme dichter slechts de helft van wat hij verlangde en dan nog als aalmoes; want zij ontving het geleende niet terug en schonk hem bovendien reeds het volgende jaar nog 100 gulden voor de uitgaaf van zijn werk Olimpias, terwijl zij hem ook verscheiden daaropvolgende jaren nog dergelijke sommen gaf ‘tot onderstandt van zijne behoefelijcheyt’.

 

Niettemin achtte hij zich zoodanig miskend, dat hij dreigde zijn vaderland te verlaten, om, naar het voorbeeld van de Comines, in milder oorden de lof te gaan zingen van vreemde groten. In 1581 noemde de Antwerpsche Geuzen-regeering hem ‘een van den goeden der stadt’, en in December 1585 ontving hij van de koningsgezinden een onderstandgeld voor het uitgeven van een werk ‘tenderende ter eeren van Syne Majesteyt, Syne Hoochheyt ende der stadt’ en hij noemde Filips II ‘den grootsten en besten aller koningen’.

 

Jonker Jan van der Noot overleed na 1595. 's Mans tijdgenoten vereerden hem met de titel van ‘vorst der Nederlandsche dichters’ en hijzelf noemde zich ‘Patricius der stad Antwerpen’.

 

Hij sprak en schreef verscheiden talen en leverde Franse en Nederlandse verzen. Volgens zijn eigen verklaring was hij het, die in onze dichtkunst de Franse voet of alexandrijn invoerde. Zijne kenspreuk was: Tempera te tempori, en zijn werken verschenen onder de titels:

*De Poëticsche wercken van myn heere van der Noot, Antw. 1565, waarvan in weinig jaren nog acht andere uitgaven verschenen;

*Het Theatre ofte tooneel des Werelts, Antw. 1568, in 1569 overgebracht in het Engelsch door den dichter Spencer en in 1572 in het Hoogduitsch vertaald door Balthazar Froe; *Cort begryp der XII Boeken Olympiados, beschreven deur Jr. Jan van der Noot, Patricius van Antwerpen, Antw. 1574 en 1579;

*Lofzang van Brabant, beschreven deur Jr. Jan van der Noot, Antw. 1580.

 

Bron

 

Sonet.

 

En ist de liefde niet, wat ist dan dat my quelt? 1

En ist de liefdé ooc, wat mach de liefde wesen? 2

Is sy soet ende goet, hoe valt sy hert in desen? 3

Is sy quaet, hoe is dan soo suete heur ghewelt? 4

 

Brande ic met mynen danc, hoe ben ic dan ontstelt? 5

Ist teghen mynen danc, sal tsuchten my genesen? 6

O vreucht van pynen vol, pyne vol vreucht geresen 7

O droefheyt vol ioleyts! o blyschappé verfelt! 8

 

Leuende doot hoe moecht ghy teghen mynen danck 9

Dus velé ouer my? maer ben ick willens cranck, 10

My claghende tonrecht, de liefde ick tonrecht blame. 11

 

Liefde goet ende quaet, my leet en aenghename, 12

Gheluck en ongheluck, suer en soet ick gheuule: 13

Ic suke vryicheyt, en om slauen ick wule. 14

 

 2 mach: kan

 3 hert: hard, wreed

 5 danc: wil (ook in reg. 6 en 9)

 8 vol ioleyts: vol blijdschap; verfelt: wreed geworden

 9 moecht ghy: vermoogt gij

 10 dus velé: zoveel

 11 dan laster ik, mij ten onrechte beklagende, ten onrechte  de liefde

 12 leet: onaangenaam

 13 gheuule: gevoel

 14 suke: zoek; om slauen ick wule: om slaaf te worden span ik mij in.

 

 

 

 

11. Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde


(Brussel,  1540 – Leiden, 15 december 1598)

 

 

Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde (Brussel,  1540 – Leiden, 15 december 1598) was een Zuid-Nederlands schrijver, politicus, geleerde en assistent van Willem van Oranje. In het Frans luidde zijn naam Philippe de Marnix, seigneur de Sainte-Aldegonde.

Marnix is tegenwoordig vooral bekend als auteur van het "Wilhelmus", het Nederlandse volkslied. Of hij daadwerkelijk de schrijver is, staat echter allerminst vast. Wellicht is het aan hem toegeschreven omdat hij schrijver was en voor Willem van Oranje werkte in de tijd dat het "Wilhelmus" is ontstaan.

Filips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, is ongetwijfeld één van de belangrijkste medewerkers van Willem van Oranje. Van Marnix begint zijn carrière als student theologie bij Calvijn in Genève. In 1557 vlucht hij naar Duitsland, waar hij in 1569 het satirische werk De Byencorf der H. Roomsche Kercke schrijft, bedoeld als propaganda voor het calvinisme. Zijn broer Jan sterft als geuzenleider bij Antwerpen.

Meer uit de biografie

 

HET WILHELMUS

Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duytschen Bloedt,
Den Vaderland ghetrouwe
Blijf ick tot inden doet;
Een Prince van Orangien
Ben ick vry onverveert.
Den Coninck van Hispangien
Heb ick altijt gheeert.

In Godes vrees te leven
Heb ick altijt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Land, om Luyd ghebracht:
Maer Godt sal my regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick sal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Lijdt U, mijn Ondersaten,
Die oprecht zijn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven,
Bidt Godt nacht ende dach.
Dat Hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Lijf ende goed al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders, hooch van Namen,
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven,
In Vrieslandt in den Slach,
Sijn siel int eewich leven
Verwacht den jonghsten dach.

Edel en Hooch gheboren
Van Keyserlicken stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren,
Als een vroom Christen-man,
Voor Godes Woort ghepreesen,
Heb ick vrij onversaecht,
Als een helt zonder vreesen
Mijn edel bloet gewaecht.

Mijn schilt ende betrouwen
Zijt ghy, O Godt, mijn Heer.
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet my nimmermeer;
Dat ick doch vroom mag blijven
U dienaer t'aller stond
Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Val al die my beswaren,
End mijn vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verasschen
In haeren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Als David moeste vluchten
Voor Saul den tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich edelman:
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israël, seer groot.

Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt, mijn Heer, dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn vorstelick ghemoet,
Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren, in dat velt,
Een eeuwich rijk verwerven
Als een ghetrouwe helt.

Niet doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks landen goet,
Dat ud de Spaengiaerts crencken,
O edel Neerlandt soet,
Als ick daeraen ghedencke,
Mijn edel hert dat bloet.

Als een Prins opgheseten
Met mijnes heyres cracht,
Van den tyran vermeten
Heb ick den slach verwacht,
Die, by Maestricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt;
Mijn ruyters sach men draven
Seer moedich door dat velt.

Soo het den wil des Heeren
Op die tijt had gheweest,
Had ick geern willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert,
Die men altijt moet loven,
En heeftet niet begeert.

Seer christlick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat Hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen oircont.

Oorlof mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noot.
U Herder sal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit:
Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

 

Voor Godt wil ick belijden
End sijner grooter macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere,
Der hoochster Majesteyt,
Heb moeten obedieren,
In der gherechticheyt.

auteur onbekend

 

Hij werd vooral bekend als schrijver van Den Byencorf der H. Roomsche Kercke (1569), een satire op de rooms-katholieke kerk. Een werk dat tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw voor katholieken verboden was.

 

 

Uittreksel

 

NU VOLGT DE UYTLEGGINGHE OP HET DERDE STUCK DES SENDTBRIEFS GENTIANI HERVET:
Daer in gehandelt wordt van de Oorbiechte, ende van de Sacramenten des Houwelijcx, des Vormsels, ende des heyligen Olysels.

DAT EERSTE CAPITTEL.

Van de Oorbiechte ende hare nutticheyt, ende bevestinghe des selfs uyt de Schrift.

 

Nu volght dan het derde stuck des Briefs meester Gentiani: aldaer hy seer verwondert is, dat dese nieuwe evangelische predicanten willen de Oorbiechte af setten. Gans muysenesten, hoe soude dat toe gaen?

Daer onse h. Moeder soo scherpelijck bevolen heeft, op straffe van de eeuwighe verdoemenisse, dat een yeghelijck die van beyde natueren is, (dat is, die half manneken, half wijfken is) soo haest als hy tot jaren der discretie  *   ghecomen is, sal ten minsten eenmael int jaer, alle sijne zonden aen sijnen eyghen priester biechten. Verstaende dat nochtans alleen op de dootzonden, soo als den glose op den text uytleght: midts dat de dagelijcksche oft verghevelijcke zonden met een Pater noster, oft met een quispel wywaters reyn afghevaeght worden  .

Hoe souden doch dese Ketters   hier teghen willen spreken? Ware dat niet effen alsoo    veel, als oft sy onse Moeder de h. Kercke beyde de oogen uyt het hooft wilden steken? Want dese Oorbiechte is haer ontwijffelick een paer ooghen weerdt: namelijck de eene, daer mede sy alle de secreten ende verborgen aenslaghen aller coninghen ende vorsten des weerelts can sien ende verstaen: waer door sy gheraeckt is tot een vredelijck posses ende besittinghe van het regiment aller landtschappen ende coninckrijcken; ende de andere, daer mede sy tot in den diepsten boesem der jonge meyskens ende bedruckte vroukens sien ende tasten can, om hare secreten te verstaen: ende haer alsulcke lieve penitentien op te legghen, dat hare benaude conscientien vertroostet werden, ende hare herten grootelijcx verlichtet. Och hoe menichmael hebben de h. Papen ende Monicken den bedroefde onvruchtbare vroukens goeden raedt ghegheven in de Oorbiechten, waer door sy blijde moeders gheworden zijn, ende hebben nae dier tijdt hare heylighe    biechtvaderen eene inwendighe liefde toeghedraghen, als of het hare eyghen mans gheweest waren.

 De volledige tekst

 

de naam van Van Marnix leeft verder in:

 

Kasteel Marnix de Sainte Aldegonde in Bornem

 

 

“ Mijn voorouders beschouwden het domein van Bornem als een historisch monument, een waardevol geheel dat hen door erfenis was toevertrouwd en met de plicht het intact en verrijkt met een persoonlijke inbreng door te geven aan het nageslacht.

Moge die familiale traditie ook in de toekomst worden nageleefd, opdat dit unieke Belgische patrimonium zou overleven. ”

Graaf John de Marnix de Saint-Aldegonde, 14de graaf van Bornem

 

Een Antwerpse vrijmetselaarsloge

Marnix van St Aldegonde is de naam van een Antwerpse vrijmetselaarsloge die behoort tot de Grootloge van België.

 

Een basisschool

Protestants-christelijke basisschool te Hapert, gemeente Bladel.

http://www.marnixschool.nl/ 

 

 

12. Jacob Cats


Jacob Cats (Brouwershaven, 10 november 1577 – Den Haag, 12 september 1660) was een Nederlands dichter, jurist en politicus. Cats is ook bekend onder de naam Vader Cats, door zijn veelal didactische gedichten (bijvoorbeeld de frase:  Kinderen zijn hinderen, zei vader Cats).

Cats werd geboren als vierde kind van het gezin. Zijn familie was een weinig bekende regeringsfamilie uit Zeeland. Jacob Cats zat eerst op de Latijnse school in Zierikzee en bezocht daarna de universiteit te Leiden, hoewel zijn naam in het studenten-album ontbreekt. Hij promoveerde in Orléans en deed zijn eed als advocaat in Den Haag.

Lees verder voor een uitgebreide biografie

 

Voorbeeld van een gedicht:

Bedenckinghe Op de Steert-Sterre, Ghesien int Jaer 1618. ende gheduydet op de vergaderinghe van de Synode, Ghehouden tot Dordrecht.

 

ALs Godes vveerde Soon, der menschen vvaren Hoeder,

Vercoos hier op der Eerd' een Maget tot sijn Moeder,

En dat hy 't arme volck genade quam aen-bien,

VVert aen des Hemels throon een nieuvve Sterr' gesien:

Een sterr', een vvonder Sterr', die teghens ander Sterren

Quam stieren haren loop, en ging den geest vervverren

En sluyten toe den mont van al den grooten hoop,

Die meynden te verstaen des hemels hoogen loop.

 Een Sterr', een vvonder Sterr', een Leytsman van de VVijsen,

Die om den nieuvven Vorst te loven en te prijsen

Verlieten 't Oosters lant, en traden na den Stal,

VVaer in doen lach het Kint dat Vader vvas van al.

 

EEn ander nieuvve Sterr' heeft haer vergulde stralen,

Met onghevvoonen glans, op 't Aertrijck laten dalen,

Als door het Fransche lant om Godes suyver vvoort

VViert over al ghepleecht dien grouvvelijcken Moort,
En even-vvel nochtans, door Godes vvonder vvercken,

Der Martelaren bloet vvas als het zaet der Kercken,

En Godes heylich volck, int midden van de doot,

VViert tot het recht gheloof noch meer als oyt ghenoot.
VVat bracht dees Sterre goets? God quam sijn uyt-vercoren

Begroeten op een nieu, en vvert als nieu gheboren,

Niet in der Ossen stal, maer in een sacht ghemoet,

Vervveckt door sijne doot, ghereynicht door sijn bloet.

 

GOd laet nu vvederom haer thoonen in de vvolcken

Een onghevvoone Sterr', dies is het hert der volcken

Verslaghen en verbaest; dus staet een yder stil,

En vvacht met vrees en angst vvat dit beduyden vvil.

Coom Godes vvare Soon, coom vvare Son, coom vveder,

Coom naerdert uvve Kerck, en dael nu immers neder

Met dijnen vveerden geest, en Goddelijcke cracht,

Ter plaetse daer u vverck met vlijt nu vvert betracht.

Geeff dat dit nieuvve Iaer, en dese nieuvve Sterre

Vernieuvv' ons ouden mensch; drijff, lieve God, drijff verre,

Drijff uyt ons Neder-lant dien vreemden Tuymel-geest,

Die over al het hert der vromen maeckt bevreest.

Coom vvare Vrede-vorst, en stel doch in de stede

Van desen langhen tvvist dijn Goddelijcken vrede:

Geeff dat der menschen hert verhart ghelijck een steen,

Door dijnen sachten geest mach vveder vverden een.

                                                            

Jacob Cats, Sinne- en minnebeelden  

 

 

 

Jacob Cats   was eenenveertig jaar toen hij in 1618 debuteerde met zijn Silenus Alcibiadis, sive Proteus, later Sinne- en minnebeelden genoemd. Hij woonde te Middelburg, was stadsadvocaat en inmiddels dertien jaar getrouwd. Zijn emblematische werken droegen wezenlijk bij aan de ontwikkeling van de Nederlandse emblemataliteratuur die de aan het begin van de zeventiende eeuw tot grote bloei kwam.

Plaatjes uit dit boek

 

 

Spreuken van Cats

“Als de wijn gaat in de man, ligt de wijsheid in de kan”

”Wie op 2 hazen jaagt, vangt er vaak geen.”

“De punt van een gouden pen, is het machtigste wapen wat ik ken.”  

 “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.”  

“Al geef je een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding!!

“Kinderen zijn hinderen”

“Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is”

“Om de wille van de smeer, likt de kat de kandeleer”

’t Zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen”

 

“Dickwijls siet men dat de sotten

Met de wijse lieden spotten;

Maer wie sich nae wijsheyt stelt,

Laat de gecken ongequelt”

 

Dikwijls ziet men dat de zotten,

Met de wijze lieden spotten;

Maar wie zich nooit wijsheid stelt,

Laat de gekken ongekweld.

 

 

13. P. C. Hooft.



Pieter Cornelisz. Hooft (Amsterdam, 16 maart 1581 - Den Haag, 21 mei 1647) was een geschiedkundige, dichter en toneelschrijver. Hooft was de zoon van Cornelis Hooft, die tal van functies in het bestuur van Amsterdam had bekleed, onder andere als burgemeester. Hooft kan beschouwd worden als een van de grondleggers van een serieuze literaire cultuur in het Nederlandse taalgebied, naar het Franse en Italiaanse voorbeeld.

Na een reis door Europa studeerde hij rechten in Leiden. Hooft werd een exponent van de renaissance in Nederland en had humanistische ideeën.

 

Waarschijnlijk op vrij jonge leeftijd schreef Hooft het toneeldrama Achilles en Polyxena. In 1605 schreef hij het herdersspel Granida. Dit laatste toneelspel bevatte de twee herdersfiguren Dafilio en Granida en was een in de 17e eeuw veel voorkomend schildersonderwerp. De bekendste werken van Hooft zijn de historische treurspelen Geeraerdt van Velsen uit 1613 en Baeto (1617). Beide toneelstukken hebben het beeld van de Nederlandse geschiedenis sterk beïnvloed: dat van de moord op Graaf Floris V (Geeraert) en dat van de rol van de Bataven bij de totstandkoming van Nederland. Het blijspel Warenar uit 1617 is gebaseerd op Plautus` "Aulularia" en was tamelijk succesvol. Hooft schreef ook veel liefdespoëzie, waaronder sonnetten. Het bekendste werk is Emblemata amatoria, (Liefdesemblemen) uit 1611. Hooft begon in 1628 aan de Nederlandsche historiën. Tot zijn dood in 1647 werkte hij er aan. Zevenentwintig delen daarvan zijn verschenen, de laatste zeven postuum.

 

Meer bij Wikepedia

Meer bij DBNL

 

Sonnet  - P.C. Hooft

 

Al troont geleerde hand, met vingren wis en snel,
Vloeizoete wijzen uit het zangrig snarenspel;
Al lokt uw sneêge zang, met streelend lief geluid,
De vlotte ziele tot het zwijmend ligchaam uit:

 

In strikjes van uw hair mijn geest niet is verwart.
Uw blinkend aangezigt sticht mij geen brand in 't hart.
Van 't schittren uwes oogs en word ik niet verblind.
Noch stem, noch kunstig spel mijn zacht gemoed verwint.

 

Maar wijze goedheids kracht, en 't needrig braaf gelaat
Dat teedre borst verkwikt en trotsche borst verslaat;
Maatwijze geestigheên, bevalliglijk vertaald:
Deez' hebben op mijn ziel verwinnings roem behaald.

 


 

14. Hugo de Groot.



Hugo de Groot (Delft, 10 april 1583 – Rostock, 28 augustus 1645) was een Nederlands rechtsgeleerde. Hij is vooral bekend als Hugo Grotius, maar wordt her en der ook aangeduid als Huig de Groot. Hij schreef Latijnse tragedies en gedichten, theologische verhandelingen en Nederlandse gedichten. Zijn belangrijkste werken liggen op historisch en juridisch gebied. Zijn beroemdste werk is De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. Dit werk vormt de basis voor het moderne volkenrecht. Hugo de Groot is ook bekend vanwege zijn pleidooi voor de vrije toegang tot de zee (en de vrijhandel) het Mare Liberum (1609), eerst in 1864 teruggevonden en gepubliceerd.

Bron

 

Meer over Hugo de Groot

 

Het onsen Vader:
Op de wyse van den CIV. Psalm.

 

O Vader ons die in den Hemel woont,
Aen uwen naem sy alle eer betoont.
Uw rijk toecom’, uw wille zy van waerde
In ’t hemelrijk en ook hier op der aerde.
U is bekent ons dagelyksche nood:
Geeft huyden ons ons huydendaeghsche brood.
Vergeeft ons schuld, gelijk wy ook vergeven
Wie dat yet quaeds heeft tegen ons bedreven.
    Leyd ons ook niet in al te swaren strijd,
Maer uit genaed’ ons can het quaed bevrijd.
Rijk, kragt en eer zijn u in d’eeuwigheden.
Laet Amen dan het slot zijn der gebeden.

 

DE ZEILWAGENGEDICHTEN



 

XII.
Hadt dese vondt geweest den ouden tijdt gewesen,
Een groote watervloet en stont hun niet te vresen.
Wilt dit met peck, en lijm, besluyten, en bedecken,
Tsal op u nat en droogh voor schip en wagen strecken.
Wie sou dan vresen noch ondiepte, zandt, of strandt,
Als t’radt liep over zee, en t’zeyl liep over t’landt?

 

XVII.
Nu laestmael was op t’Strandt een ongepaerde Wagen,
Men siet een heele Vloet nu vande Windt gedragen.

XVIII.
O Son, zijt niet verbaest: siet vry de Wagen aen:
Want had ghy sulcken een, den dach sou sneller gaen.

 

 
 

15. Karel van Mander (*1584)

 


Karel of Carel van Mander (Meulebeke, mei 1548 – Amsterdam, 11 september 1606) was een kunstschilder en schrijver van Zuid-Nederlandse afkomst.

 

In 1583 vestigde hij zich in Haarlem. Daar zou hij twintig jaar blijven wonen en werken. Hij had er met Cornelis van Haarlem en Hendrick Goltzius een 'academie', vermoedelijk een kleine studieclub waarbij naar naakte modellen werd getekend, wat toen eigenlijk verboden was. Zij wisselden daarbij teven kunstopvattingen uit, met name over het maniërisme. Van Mander schilderde, dichtte en schreef proza.

 

Tot Van Manders leerlingen behoorde volgens diverse bronnen Frans Hals. Van Mander leefde zijn laatste jaren eerst in Heemskerk, in het buiten Sevenbergen, en daarna in Amsterdam. In de hoofdstad overleed hij op 58-jarige leeftijd. 'Als de doot komt daer en is geen anderen raet, dan stille legghen en sterven,' zou hij hebben opgemerkt.

 

foto van Mander uit het boek

Boeken

Zijn belangrijkste boek is Het Schilderboeck, dat verscheen in 1604. Het boek was bedoeld als handleiding voor schilders die verhalen uit de klassieke mythologie wilden afbeelden. Zestiende-eeuwse schilders uit de Lage Landen gingen in die periode wel vaker op reis naar Italië om kennis op te doen van de klassieke beeldtaal. Omdat steeds vaker mythologische onderwerpen werden afgebeeld, werd het voor schilders noodzakelijk zich te verdiepen in het mythologische verhalengoed, opdat de verhalen op de juiste wijze werden verbeeld. Niet iedereen kon zich echter zo’n reis veroorloven.

 

Carel van Mander besloot daarom nadat hij in 1573 een reis naar Italië had ondernomen en drie jaar in Rome en Florence had gewoond, Het Schilderboeck samen te stellen, waarin hij niet alleen lessen opnam over de renaissancistische schildertechnieken die hij had geleerd in Italië, maar ook uitleg gaf bij de mythologische verhalen uit Ovidius' Metamorphosen. Schilders die niet bekend waren met het mythologische verhalengoed of het Latijn niet beheersten, konden uit Van Manders werk putten om een voorstelling correct weer te geven.

 

The Continence of Scipio - Van Mander

 

16. Anna Roemer Visscher

Amsterdam 2 februari 1583 - Alkmaar 6 december 1651

 

 

 

VISSCHER (Anna Roemer), oudste dochter van Roemer Visscher en Margaretha Jans, werd in 1584 te Amsterdam geboren. Geen zorg werd aan hare opvoeding gespaard, zij werd in allerlei fraaije kunsten en jufferlijke bandwerken onderwezen, gelijk mede in de Fransche en Italiaansche talen. Al vroeg werd zij met de huiszorg belast door het afsterven van hare moeder. Om hare vader bij het klimmen zijner jaren bij te staan, wees zij alle huwelijksvoorstellen van de hand. Hoogelijk werd zij door verscheiden dichters deswegens geroemd en als voorbeeld van ouderliefde voorgesteld. Cats inzonderheid ging zeer hoog met haar, gelijk op verscheiden plaatsen in zijne werken blijkt; al de overige dichters verhieven om strijd haren lof. Zij behoorde tot den Muiderkring. Hooft roemde hare bekwaamheden

 

 

Gebedt op den Bid-dach.

 

O Eeuwich groote God, die een beangst gemoet,

En een gebroken hert (voor 'treutelende bloet

Van het geslachte vee) aen-neemt als offerhanden,

Soo dickmael als wy dat tot uwer eeren branden

Op 't Altaer van 'tGeloof. Siet neer, ach! siet ons aen;

Laet u bedruckte Kerck niet hulpeloos vergaen.

De damp klimt in de lucht van veel benaude suchten,

Die moedeloos vol moet tot uwe goetheyt vluchten.

Wie moeloos door de sond schier in der hellen sijght,

Die moedicht u genaed, dat hy ten hemel stijght,

En bidt, en smeect, en schreyt, en derf om bystant vergen

Die hy niet heeft ontsien tot grimmicheyt te tergen.

Wy kennen onse schult! en vallen in ootmoedt,

Eendrachtich met berouw, u Majesteyt te voet;

Belijden dat niet een is onder ons gevonden,

Die niet gepropt is vol verdoemelicke sonden,

Door 'tovertreden van u wetten en gheboon,

Hebt mé-lyen met ons, om 'tlyen van u Soon.

Doet onse haters sien (die trots zijn en vermeten)

Dat ghy ons wel castijt, maer niet en wilt vergheten.

Laet u verdrieten dat ons herten-leet en clacht

Van hun wel spijtig, dreuts, en schamper wert belacht,

Helaes! keert u tot ons; op dat ons bitter schreyen

In vreucht verkeer, en wy met sang u lof verbreyen.

 

Anna Roemers.

 

Meer over deze auteur bij DBNL

 

 


 

24. Justus van Effen (*1684)



Justus van Effen werd geboren op 21 Februari 1684 te Utrecht; zijn vader was daar een officier van bescheiden rang en beperkte middelen, zodat de aangevangen letterkundige opleiding onder Samuel Pitiscus niet aan de Utrechtse universiteit kon volbracht worden. Het ontbreken van zijn naam in het album maakt echter het beweren zijner gedeeltelijke geleerde vorming niet onaannemelijk, doch zij werd als dan afgebroken, wellicht door den dood van zijn vader of diens afscheid uit den dienst. Justus heeft zijn bestaan reeds vroeg moeten vinden in de hogere kringen, als gouverneur, reisgezel, zelfs met den rang van 2en of 1en gezantschapssecretaris, letterkundig huisgenoot, mentor van studerende jongelui. Hierdoor bezocht hij Engeland en Zweden en sloot vriendschap met vermaardheden in de beschaafde gezelschappen van Den Haag, Rotterdam, Leiden en vooral te Londen, waar hij lid der Kon. Academie werd. Gedurende zijne betrekkingen en in de herhaalde tussenpozen, dat hij er geen had, schreef hij naar de toenmalige smaak in spectatoriale geschriften of weekbladen en wel in de sinds zijne geboorte heersende taal der refugiés, die hij echter eerst laat had aangeleerd; ook vertaalde hij daarin Eng. werken van naam. Gedurende een verblijf als mentor te Leiden, promoveerde hij daar in de rechten, 18 April 1737. Acht jaar later bezorgde hem de aanbeveling van een dankbaar leerling van aanzien het baantje van commies van 's lands oorlogsmagazijn in Den Bosch, waarop hij trouwde, doch van zijn minder kommervol leven slechts het genot mocht hebben tot den 18 April 1735, nadat hij vijf maanden vroeger zijn vaardige pen had neergelegd, waarmede hij, vol geest en smaak, jarenlang gewerkt had aan de veredeling en verbetering zijner tijdgenoten. De beroemde 's-Gravesande, overleden 1742, en Th. van Snakenburg, waren zijne trouwe vrienden.

Zijn hoofdwerk is: De Hollandsche Spectator. Dit weekblad verscheen van 20 Augustus 1731, totdat hij het wegens ziekelijkheid moest staken op 8 April 1735, in 360 vertogen, en is veelmaal herdrukt.

 (W. Bisschop, J.v.E. geschetst, Utr. 1859.)

 

Een fragment uit zijn geschriften:

Onder de menschen die hun werk schynen te maken, van zich een eeuwige gelukzaligheid te bezorgen, vind ik driederley slag. Zommige zyn fyn, en niet godvrugtig; andere fyn, en godvrugtig teffens; andere wederom godvrugtig, en niet fyn. Hoewel het woord fyn, hier ter plaatze niet zeer dubbelzinnig is, vind ik egter raadzaam omstandiglyk de betekenis welke ik aan het zelve hegte, uit te leggen. De Fynigheid openbaard zich, met de zelfde natuur, dog, onder verscheidene gedaantens in alle bekende Religien, zo wel de Heidensche, en Mahometaansche, als in alle de takken des Christelyke Godsdienst. Wat onze Gereformeerde aangaat ik verstaa door een fyn perzoon iemand, die zich van de gemeene hoop zyner medeburgeren afzonderd, onder voorgeven van zich van alles, dat niet direct tot uitwerking zyner zaligheid diend, volmaakt te ontledigen. Hy verschild van hen in kleding, in spraak, in gang, in houding, wil hy zyne gedagten uiten zelfs in zaken, die op de godvrugt geen betrekking hebben, zyn styl en tonen swemen naar de gewoone preektrant; Hy sleept zyne woorden traaglyk voort, 't eene schynt het andere af te wagten; zyn gesprek is onophoudelyk vermengt en afgebrooken door zugten en steunen. Zyne aangezigt is strak, en betrokken, zyne tred is met gemaaktheid plomp, zyne ligchamelyke beweegingen zyn traag, en onagtzaam; Hy schynt in geduurige innige bespiegelingen verdronken; zyn stem komt zelden voor den dag, als door de neus, als of ze door middel van dien doorgang, een nieuwe heiligheid konde erlangen. Zyn droefgeestig en neerslagtig hooft hangt opzyde, als eene door de wind gedrukte bies, de vriendelyke lag heeft de weg van zyne geslootene lippen vergeten. De glans van zyne oogen is door een bestendige nevel verduistert. 't Minste woord, dat hem als los en ongebonden voorkomt doet hem trillen en beven, de minste daad of beweging wiens vrolykheid hy dartelheid, en waereldgezindheid, denkt te kunnen noemen, rukt hem de berisping ten halze uit; zo zyn broodwinning het kan lyden, en zomtyds, al kan ze het niet, verzuimt hy geen predicatie, geen Catechezatie, geen oefening. De overige tyd, die hy spaaren kan, word door hem besteed, in 't lezen van geestelyke boeken, in uitgesprookene gebeden, in 't zingen van godvrugtige liederen; In wat gezelschap hy zich bevind, in schuiten, op wagens, zonder in te zien of de gelegentheid het toelaat of niet, tragt hy zyn ligt te doen schynen, en mist hy niet zyn heiligheid te doen uitblinken. Voor het danzen, een vrolyk deuntje te neuren, en voornamentlyk voor 't kaartspel, heeft hy een gruwel en zo iemand hem tragte te overreden de Schouwburg te bezoeken, hy zoude zich verbeelden dat men hem levendig naar de Hel wilde slepen. Voeg hier by dat zyne effen en eenvoudige kleding even zo ontdaan van zwier, als van slordigheid, hem van verre, voor 't geen hy is, aankondigt, en ik twyfel of 'er iets aan het karacter van fynheid ontbreken zal. Luiden, aan wie het zelve vreemd is, vatten omtrend die uiterlyke ingetoogenheid twee verscheidene, en reets strydige gevoelens op: zommige, die geen denkbeeld van godvrugt hebben, bedrogen door dien uiterlyke schyn zien alle de fynen aan, als ware heiligen, naar welken den Hemel reeds rykhalst; anderen niet minder in getal, meten ze allen met de zelfde maat, en verslyten ze zonder onderscheid voor geveinsden, en schynheiligen, die voorbedagtelyk hun werk maken van hunne ondeugden, met de bedriegelyke mantel van uitwendige heiligheid te bedekken, en te verduisteren. Beiden dwalenze van 't spoor der waarheid af; Dat dikwils de uitwendigheid, van ware godvrugt ontbloot is, weet niemand beter als de fynen zelven, die zich niet ontzien te bekennen dat zy dikmaals die droevige waarheid t' hunnen kosten beproeft hebben. De gedagten van de anderen ten hoogste ligtvaardig, roekeloos en strydig met de kristelyke liefde zyn niet min onwaaragtig. De regte schynheiligheid, die met moedwil en voorbedagte raad het momaanzigt van godvrugt aandoet, om daar door 't oogmerk van waereldsche belangen te treffen, ondersteld, of eene inwendige verloochening van een opperwezen, of de baldadigste veragting en bespotting van een erkende Godheid, en is dienvolgens een wanschepzel van ondeugd en boosheid, daar zelfs de ontaardste zielen voor zidderen moeten. 't Is derhalven geloofbaar dat een gering getal met zo een afgryzelyke godloosheid besmet is.

 

Bron: http://www.dbnl.org/

 



 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL