II Religie: eenheid in verscheidenheid.

I Religies en religieuze stromingen

Hier komen teksten die van belang zijn  voor meer inzicht in de huidige overgangstijd naar het Aquariustijdperk. Een tijd waarin kerken en religies hun waarde dreigen te verliezen omdat zij sinds lang  'Het Levende Woord' vervangen hebben door de 'dode letter'.

Wat de wereld tegenwoordig nodig heeft - Een universele godsdienst - Aan synagoge, kerk en moskee voorbij - De geschenken van de verschillende religies - De universele religie bestaat al -

Wat de wereld tegenwoordig nodig heeft.

 Inayat Khan 

 

Als men goed overweegt, in welke toestand de mensheid zich tegenwoordig bevindt, dan zal niemand met gezond verstand het feit kunnen loochenen, dat de wereld ‘de’ godsdienst nodig heeft. Dat ik zeg ‘de’ godsdienst en niet ‘een’ godsdienst, is omdat er vele godsdiensten tegenwoordig bestaan, die ‘een’ godsdienst heten. Maar wat heden ten dage vereist wordt is ‘de’ godsdienst. En nu komen we tot de vraag wat ‘de’ godsdienst moet zijn. Moet het een nieuwe godsdienst zijn? Als het een nieuwe godsdienst zou zijn, dan zou het niet ‘de’ godsdienst genoemd kunnen worden; dan zou het zijn als zovele godsdiensten. Ik noem ‘de’ godsdienst die religie, die men in zichzelf kan waarnemen, wanneer men uitrijst boven de sekten en de verschillen, welke de mensen verdeeld houden; en door ‘de’ godsdienst te begrijpen zullen wij alle godsdiensten begrijpen, die een godsdienst genoemd kunnen worden.

Ik bedoel niet dat alle godsdiensten geen godsdienst zijn, maar zij zijn slechts de noten. Er is muziek, en die muziek is ‘de’ Godsdienst. Iedere godsdienst slaat één bepaalde noot aan, welke beantwoordt aan de vraag der mensheid, die in een bepaald tijdperk leeft. Maar tezelfdertijd is de bron van iedere noot dezelfde muziek, die gehoord wordt, wanneer de noten samengevoegd worden. Al de verschillende godsdiensten zijn de verschillende noten, en hun samenvoeging maakt muziek.

Nu zal men vragen, waarom in ieder van die tijdperken niet de gehele muziek gegeven werd en alleen maar een enkele noot. Het antwoord is, dat er tijden in het leven van een kind zijn, dat het genoeg heeft aan een rammelaar en voor de viool komt er een andere tijd in zijn leven. Gedurende de tijd van de Chalaeërs, Arabieren, Grieken en Romeinen werden er verschillende godsdienstige idealen gegeven. Voor de enkelen werd de muziek gebracht, voor de velen slechts een enkele noot. Dit bewijst dat deze muziek altijd bestaan heeft, maar dat de mensen in het algemeen niet in staat waren haar te begrijpen, en zó werd er alleen maar één noot gegeven. Maar het gevolg was dat hij, aan wie de noot C was gegeven en een ander, aan wie de noot G was gebracht, elkaar bestreden doordat ieder zei: ‘de noot die mij gegeven is, is de juiste noot.’ En er hebben altijd zielen bestaan, die zeiden: ‘G is de ware’ en anderen die zeiden: ‘C is het ware’. Alle noten zijn juist, en als zij mét elkaar gebruikt worden, dan ontstaat er muziek. Dat bewijst dat het uiterlijk deel van de Godsdienst is, de vorm, en de innerlijke essentie: de wijsheid. Wanneer de ziel door innerlijke wijsheid gezegend is, dan heeft de ziel de hemelse muziek gehoord.

Zij, die hun harten gestemd hadden om naar muziek te luisteren, die hun zielen hoog genoeg hadden opgevoerd, zij hoorden deze goddelijke muziek. Maar zij, die met hun rammelaar speelden, hun enige noot, zij twistten met elkaar. Zij zouden een viool geweigerd hebben; zij waren er niet aan toe; zij zouden niet geweten hebben hoe ermee om te gaan.

Heden ten dage hongert de wereld meer dan ooit naar muziek. En wat is de reden? De reden is, dat eenvoudige zielen, die gehecht waren aan het geloof van hun voorvaderen, hun geloof in ere hielden en godsdienst in het leven noodzakelijk achtten; maar dat vele zielen, begaafd met verstand, rede en begrip van het leven, tegen de godsdienst in opstand kwamen, zoals het kind, als het volwassen is, zijn rammelaar wegwerpt; hij heeft er geen belangstelling meer voor.

En zo is tegenwoordig de toestand, dat de godsdienst in handen blijft van hen, die hem bewaard hebben in zijn uiterlijke vorm, uit devotie en trouw aan het geloof van hun voorouders; en dat zij, die om zo te zeggen, volwassen zijn in verstand en in geest, en iets beter willen hebben, niets kunnen vinden.

Hun zielen hongeren naar muziek en als zij vragen om muziek, dan geeft men hun een rammelaar en zij werpen de rammelaar weg, zeggend, dat zij niets geven om muziek. En toch bestaat er dat innerlijk verlangen naar muziek, naar de muziek der ziel, en waar zij ontbreekt wordt hun leven leeg.

Maar toch, als men hun over religie spreekt, dan zeggen zij: ‘Nee, nee, spreek van iets anders, wij hebben geen religie nodig.’ Dit betekent dat zij alleen de rammelaar-partij van de religie kennen, en niet de vioolpartij. Zij denken niet dat er iets bestaat, dat anders kan zijn dan de rammelaar, en toch is er een verwarring in hen, een geestelijke honger, die niet gestild wordt door al hun geleerde en geestelijke onderzoekingen.

 

Bron: De eenheid van religieuze idealen.


                                                          EEN UNIVERSELE GODSDIENST

                                                                        Jan Kruisheer

 

Een vergelijkende studie der godsdiensten, indien op de juiste wijze ondernomen, n.l. zonder voorkeur of vooroordeel en wanneer de nadruk meer speciaal ge­legd wordt op het zoeken van overeenkomsten dan op verschillen en tegenstellingen, zal ongetwijfeld een verruiming van inzicht, een uitbreiding van visie en een groter waardering van elkanders inzicht en standpunt kunnen brengen. Ogenschijnlijk onover­komelijke verschillen worden onbelangrijk als wij daar tegenover de onberekenbare winst plaatsen, die uit de vele overeenkomsten voortspruit. Dan zal blijken, dat in hoofdzaken en in vele gevallen dikwijls zelfs tot in details, allen op dezelfde grondslagen berusten, dezelfde principiële moraal verkondigen, dezelfde levenslessen onderrichten, dat allen trachten de mens op te voeden tot een edeler, geestelijker bestaan.

Indien dat juist is - en de onderhavige studie is een zwakke eerste poging de waarheid hiervan aan te tonen - dan bezitten wij daarmee een machtig hulpmiddel tot het bevorderen van beter begrijpen en waarderen van elkanders levensbeschouwing en dit weer is de beste methode tot het aankweken van universele verdraagzaamheid. Gegrond op kennis, begrijpen en waarderen, kan aldus de vergelijkende godsdienststudie een krachtig tegenwicht zijn tegen alle bekrompenheid en onverdraagzaamheid, welke alleen in onkunde en onwetendheid kunnen bestaan. Maar al te vaak voert een vast geloof en de over­tuiging van de grote waarde van de eigen godsdienst de eenzijdig georiënteerde mens tot een afwijzen van eens anders geloof. En aan de andere zijde vindt men dan een dergelijk standpunt: belijders van elke godsdienst zijn vast ervan overtuigd zelf alleen de Waarheid en de Alleenzaligmaking te bezitten en te vertegenwoordigen; alle anderen zijn betreurens­waardige dwalingen voor hen. Waar allen met even­veel overtuiging eigen standpunt voorstaan, hoewel meestal zeer onvoldoende ingelicht omtrent het ge­zichtspunt der anderen, daar is men geneigd reeds te gaan vermoeden, hoe allen ongelijk (of wellicht allen gelijk) moeten hebben.

Maar bij dergelijke beoordelingen en veroordelingen wordt de toch zo belangrijke vraag buiten beschou­wing gelaten of het menselijk denken, zoals dat nu is, wel in staat is De Gehele Waarheid te onderkennen en te bevatten. Zou men niet redelijkerwijs moeten verwachten, dat elke eventuele Visie van de Waar­heid gekristalliseerd en beperkt moet worden, zodra zij wordt neergelegd in taal (Prediking, Heilige Boe­ken), in riten, ceremoniën, liturgieën en in leerstel­lingen bovenal? Door dit proces móet elke vaststel­ling der Ene Waarheid omsluierd, verstoffelijkt worden. Zou de gewone mens van thans in staat zijn de ganse Grote Waarheid in al haar omvang te kun­nen omvatten? Klaarblijkelijk niet. En als een gro­tere dan de gemiddelde mens Zijn Visie der Waarheid brengt, waarmee Hij dan poogt de mens tot Gids in het Leven te zijn, dan kan het niet anders of al heel spoedig wordt dat, wat Hij brengt, tot onherkenbaar geworden toe verwrongen en verdraaid.

Geen van de huidige godsdiensten is erin geslaagd de oorspronkelijke leer zuiver te handhaven en het was de uitgesproken overtuiging van Mohamed, de Profeet van Arabië, dat zulks ook onvermijdelijk altijd moest gebeuren, dat in verloop van tijd elke Leer der Waarheid naar omlaag getrokken wordt door hen, die na de Leraar komen, omdat deze nog niet gelijke hoogte bereikt hebben als de Leraar Zelf en zij dus daardoor alleen al niet in staat kunnen zijn die Leer in al zijn grootheid te omvatten, laat staan te prediken.

Alle godsdiensten zijn terug te voeren tot één zulk een oorspronkelijk Stichter; alle wijzen terug naar Eén, die ver boven alle anderen uitstekend, een god­delijk Leraar was, Die kennis en inzicht en de Wijs­heids-Waarheid bezit en daardoor in staat is de men­sen de Weg te wijzen, hun te tonen hoe te leven. Maar al deze Leraren, die allen getuigen van de Zekerheid van Hun Weten, staan ver uit boven de mensen en geven die Kennis in allegorieën, parabelen en symbolen, waarin en waarachter zij verborgen (en tegelijkertijd bewaard) ligt. En hoe verder in de loop der tijden men van de Oorspronkelijke Leraar ver­wijderd geraakte, hoe verder men ook afdwaalde van dat, wat Hij had gebracht. Vandaar juist de onver­mijdelijke oorzaak en noodzaak, waarop Mohamed wees, dat telkens weer opnieuw het Licht der Waarheid moet worden ontstoken en een volgend Lichtdra­ger verschijnt.

Wel is het waar, dat deze Grote Leraren, Stichters van godsdiensten, niet immer letterlijk en woordelijk hetzelfde onderricht brachten, doch Hun lering gaven al naar de aard en de behoeften van het volk en het ras, waaronder Zij moesten optreden en werken. Maar toch ligt aan aller Leer duidelijk herkenbaar Eén en dezelfde Waarheid ten grondslag, welke Zij in de taal en naar de behoeften van hun tijd en om­geving trachten te geven. En even onmiskenbaar duidelijk is, dat die originele Leer in al haar hoogheid door velen nog moeilijk kon worden begrepen en nog moeilijker kon worden geleefd, opgevolgd. Zeker hebben hier en daar enige zeer enkelen de Leraar iets beter of meer begrepen dan de anderen, de massa, doch zelfs die weinigen waren klaarblijkelijk niet zelf in staat Zijn zo hoog verheven standpunt volledig in te nemen.

Wanneer wij inderdaad onbevooroordeeld naar ver­heldering en opklaring van inzicht streven, geen vooropgezette meningen willen opdringen ter bevoor­rechting van de een of andere bijzondere godsdienst­vorm dan zullen wij ontdekken, dat elk van hen zijn

bijzondere schoonheid en waarde bezit, dat elk van hen beoogt de Waarheid te verduidelijken, te onder­richten en dat uitsluitend menselijke beperking steeds weer de oorzaak is van elkander niet begrijpen ten gevolge van verschillen, van onderling niet begrepen uitdrukkingen, van het gebruik van verschillende voorstellingswijzen en gewoonten, verschil in ge­bezigde symbolen, allegorieën, legenden en parabellen, riten, en ceremoniën. Toch zijn dit alle slechts hulpmiddelen, gebezigd om in de gemanifesteerde tijd­ruimte wereld de Ene tijdruimteloze, want Eeuwige Waarheid en Werkelijkheid die er achter ligt, uit te drukken. Alle zijn zij pogingen om de Ene Waarheid weer te geven voor zover dit in gemanifesteerd be­staan mogelijk is.

Het zal wellicht nuttig zijn - zij het toch, naar wij hopen, ten overvloede - met nadruk erop te wijzen, dat wij "godsdienst" in geen geval kunnen aanvaar­den als zijnde alleen een complex van leerstellingen en dogma's, welke de mens slechts aan te nemen of te "geloven" heeft, zulks op poene[1] van de' aller-verschrikkelijkste en meest onrechtvaardige gevolgen voor hem. Godsdienst kan niet van buitenaf worden opgelegd, doch is - of moest in elk geval zijn - een zaak van hart en van gemoed, van het Innerlijk Leven zelve. Het is uitsluitend en alleen iets, wat elk individu bijzonderlijk voor zichzelf alleen aangaat en dat ten nauwste met zijn eigen innerlijk leven ver­band houdt. Ware levende godsdienst kan niet be­staan uit woorden, dogma's, leerstellingen, nog min­der is het een uitsluitend intellectueel stelsel; gods­dienst is verwerkelijking, is leven en in geen geval slechts een aanhoren en aanvaarden zonder begrijpen. Godsdienst is leven en veranderen - die twee zijn synoniem en identiek.

Ware godsdienstkennis sluit alle wetenschappelijk en filosofisch kennen in (of moest dat doen). Eigen­lijk zijn dit drie wegen als gevolg van het feit van de Drie-Ene wijze, waarop het Ene Leven Zich in de wereld manifesteert. Inderdaad zijn zij onscheid­baar en zouden zij tezamen beoefend moeten worden, wat de Wijzen der Oudheid dan ook deden. De een vult de ander aan. Inderdaad zullen zij nooit tot waarlijk verschillende of tegenstrijdige conclusies kunnen leiden, daar het alle drie methoden zijn tot het benaderen van de Ene Waarheid. Verschillen zij wel in hun momentele conclusies, dan moet dit een aanduiding zijn, dat een of meer der drie zich ver­gist. Zij zijn eigenlijk drie aanzichten in de gemani­festeerde wereld van de Ene Onbeschrijfbare Wijs­heids-Waarheid. Geloof, Rede en Kennis, de drie ver­mogens tot waarnemen, die in de mens ontplooid moeten worden en die in verloop van Evolutie in hem zullen moeten worden ontwikkeld tot de Hoogste Levensuitingen in hem, zijn de drie aardse aspecten van de Ene Geest, die hij is. Godsdienst, Wijsbegeerte en Wetenschap vormen de drie wegen, die ten slotte moeten samenvallen en samenwerken in het zoeken en vinden van het Ene Doel, de Ene Wijsheids-Waar­heid, het Ene Alomtegenwoordige Inwezen Zelf.

De innerlijke wereld, ons meest innerlijke Zelf van de Geest, is in werkelijkheid die Eenheids-Kern Zelf, zoals alle godsdiensten ons zeggen. De uiterlijke wereld der verschijningsvormen is ver, heel ver van die Eenheid af en dáár zal het dan ook moeilijk zijn om de werkelijkheden van Bestaan en Leven-zelf te ontdekken. Ware godsdienst nu, tracht de begren­zingen en beperkingen der zinnen te boven te komen door in zichzelf in te keren, in het eigen centrale Inwezen door te dringen. Alle Stichters en werkelijk belangrijke Leiders van alle godsdiensten verklaren nadrukkelijk, dat zij erin geslaagd zijn binnen in zichzelf tot dat Centrale Inwezen door te dringen, waar zij dan in zichzelf een geheel nieuwe en gans andere wereld vonden, alwaar zij boven de tijdruimtelijke manifestatie der lichamen waren uitgestegen en waar zij ontdekten, dat daar de Ene Werkelijkheid van alle werkelijkheden, de Ene Bron en Oor­sprong van alle bestaan gekend kan worden.

Het is deze mogelijkheid die de mens bezit, om op zekere momenten en onder zekere en bepaalde voor­waarden en omstandigheden, boven de mogelijkheden der gewone aardse zinnen en zintuigen uit te stijgen, welke alle godsdiensten der wereld hebben verkon­digd. Allen komen zij tot het vaststellen van zekere gegevens en feiten, welke alsnog gewoonlijk voor het verstand niet waarneembaar of bewijsbaar zijn, doch welke desniettegenstaande door hen allen als definitief wáár zijn vastgesteld - het vermogen van de Geest Zelf.

Als allerhoogste Wijsheids-Waarheid moest gods­dienst dus eigenlijk alle vormen van kennis en waar­neming omvatten, welke dan van beneden-af steeds meer en meer benaderd kan worden. En zulk een godsdienst kan niet anders dan Universeel zijn; de Weg, de Waarheid en het Leven, welke alle drie voeren tot de ontdekking van Het Ene Doel, het vinden van God van-binnen.

Want het voornaamste gevolg van zulk een objectief vergelijkende studie der godsdiensten zal zijn, dat voor allen duidelijk wordt aangetoond, dat alle gods­diensten berusten op een aantal door allen gelijkelijk waargenomen en bewezen, want ondervonden feiten van het innerlijk hoger Leven des mensen, waar de materialen verkregen worden, die kennis verschaffen omtrent 's mensen ineigen aard en wezen, met alle consequenties daaraan verbonden. De identieke on­derdingen van metafysische aard, waarop alle godsdiensten berusten, blijken steeds en ten allen tijde overal dezelfden te zijn geweest.

 Bron: De Synthese der godsdiensten

                                                                           

Aan synagoge, kerk en moskee voorbij

Aan synagoge, kerk en moskee voorbij<br>

Hans Stolp & Margreet van den Brink
Aan synagoge, kerk en moskee voorbij
Hans Stolp

Beschrijving:

Door de opkomst van de islam in het Westen ontstaat er een nieuwe belangstelling voor religies. Zijn alle religies in wezen aan elkaar gelijk of is de een 'beter' of 'hoger' dan de ander? Die vraag is belangrijk omdat de conflicten en oorlogen van de laatste tijd steeds meer langs religieuze lijnen lijken te lopen. Elke religie blijkt een eigen opdracht te hebben in de tijd en de cultuur waarbinnen deze is ontstaan.
Bovendien hebben alle religies in wezen dezelfde bedoeling: de mens te leiden en te ondersteunen op diens weg naar werkelijke menswording. Wat is de opdracht van de afzonderlijke religies? En hoe ziet die weg naar menswording er dan wel uit?

 

Een Uittreksel:

 

1 Zijn alle godsdiensten gelijk?

 

Een onmogelijk dilemma

 

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam de idee dat alle godsdiensten weliswaar verschillend, maar in wezen gelijk aan elkaar zijn, sterk naar voren. Ook in onze tijd kun je die opvatting nog vaak horen: 'Alle godsdiensten vertellen in wezen hetzelfde', hoor je sommige mensen wel zeggen. Tot aan die roemruchte jaren zestig leefden wij hier in het Wes­ten vrij algemeen vanuit de gedachte, dat het christendom een superieure godsdienst is die boven alle andere religies uitsteekt. Missie en zending waren voor de meeste mensen in vroeger tijden dan ook vanzelfsprekend: heel de wereld moest 'gekerstend' worden, zoals men dat noemde. Kerste­nen is een verbastering van 'verchristelijken'. Vele ouderen weten nog dat er vroeger op christelijke scholen in de mees­te klassen een zendingsbusje stond, waarin scholieren geld voor missie en zending spaarden. Zo vanzelfsprekend was het in die tijd dat het christendom wereldwijd moest worden uitgedragen en dat iedereen tot dat geloof moest worden be­keerd.

Deze aandacht voor missie en zending stond overigens in een lange en eerbiedwaardige traditie. De apostelen waren al in de eerste eeuw de wijde wereld in getrokken om de boodschap van Jezus overal door te geven. Paulus stak bij­voorbeeld de Bosporus over om naar Europa te gaan, Petrus ging naar Rome en stierf daar een gewelddadige dood, en Thomas ging naar India. Later brachten beroemde bis­schoppen en zendelingen zoals Willibrord en Bonifatius de boodschap verder. Weer later, in de tijd van de kruistochten, in de Middeleeuwen dus, was de bevrijding en kerstening van Jeruzalem een opdracht die het christelijke Westen zichzelf oplegde, ook al kostte dat vele levens en ongeken­de inspanningen. En toen Columbus aan het einde van de vijftiende eeuw Amerika ontdekte, was zowat het eerste wat daarheen geëxporteerd werd, het christendom. De cultuur van de Maya's (gebouwen, gebruiken en geschriften) werd grondig vernietigd. Eerst veel later begon de westerse mens zich te realiseren dat een dergelijk optreden wel van erg weinig respect voor die zo bijzondere cultuur getuigde en dat er achter die vernietigingsdrang een uitgesproken supe­rioriteitsgevoel van het christelijke Westen verborgen lag. Natuurlijk waren er altijd wel mensen geweest die moeite hadden met dat gevoel van superioriteit dat onvermijdelijk met missie en zending verbonden was, maar tot aan de jaren zestig waren het altijd enkelingen of minderheden geweest die vraagtekens zetten bij deze pretenties van het christelij­ke Westen.

Pas in de roerige jaren zestig van de vorige eeuw begonnen steeds meer mensen zich openlijk af te vragen of dit gevoel van superioriteit wel terecht was. Sinds die tijd werd steeds vaker de vraag gesteld of het eigenlijk niet zo is dat alle godsdiensten niet alleen gelijkwaardig zijn aan elkaar, maar in wezen ook gelijk aan elkaar, en in feite dus een en de­zelfde boodschap brengen.

Deze opvatting vond, zeker in progressieve kringen, algauw brede instemming en werd daardoor in snel tempo vrij al­gemeen gedeeld. Natuurlijk bleven er, met name van kerke­lijke zijde, allerlei stemmen klinken die zeiden dat er geen sprake van kon zijn dat alle godsdiensten in wezen aan el­kaar gelijk zijn. Maar met het verglijden van de tijd ver­stomden steeds meer van die stemmen en werd zelfs in ker­kelijke, en met name in protestantse kringen steeds vaker in alle openheid gezegd: alle godsdiensten zijn in wezen aan elkaar gelijk.

 

De eigen impuls die iedere religie te geven heeft

 

Pas in de laatste tijd en in het laatste decennium worden er weer vraagtekens gezet bij deze opvatting. Dat komt omdat we wereldwijd vrij onverwacht geconfronteerd werden met het fundamentalisme, en dan met name het moslimfunda­mentalisme. 9-11-2001 staat in ons collectieve geheugen gegrift. In ons eigen land ontstonden door de terreurdrei­ging van dat fundamentalisme en door de moord op Theo van Gogh toenemende spanningen tussen autochtonen en (een deel van de) allochtonen, van wie de meeste moslim zijn. Door die toenemende spanningen ontstond er gaande­weg ook een negatief beeld van de islam, alsof fundamen­talisme en islam een en hetzelfde zouden zijn. Dat is niet zo, maar dit negatieve beeld heeft velen wel tot het besef gebracht dat kennelijk niet alle godsdiensten gelijk zijn. Door­dat men fundamentalisme en islam gelijkstelde (wat dus niet klopt), begonnen velen zich af te vragen of christendom en boeddhisme bijvoorbeeld niet een heel ander type gods­dienst zijn dan de islam, vredelievender, minder agressief. Maar als dat waar is, luidde de volgende vraag, hoe zit het dan met de verschillende godsdiensten? Is de ene gods­dienst dan toch beter, liefdevoller of vredelievender dan de andere? En als dat waar is, hoe moet je dan tegen de ver­schillende godsdiensten aankijken?

Je mag, kortom, zeggen dat we tegenwoordig min of meer klem zitten in dat oude dilemma: zijn alle godsdiensten ge­lijk, of zijn er godsdiensten die superieur aan, en beter dan de andere zijn?

Omdat geen van beide antwoorden ons in deze tijd aan­spreekt, kwam de volgende vraag op: hebben we slechts de keuze tussen deze beide standpunten, of bestaat er soms een mogelijkheid om aan dit onmogelijke dilemma te ontsnap­pen? En kunnen we misschien op een andere manier aan­kijken tegen de verschillende godsdiensten en hun onder­linge verhouding?

Een antwoord op deze vraag kunnen we alleen vinden, als we ons bezinnen op de vraag wannéér de verschillende godsdiensten eigenlijk ontstaan zijn, en wat nu eigenlijk de boodschap is die elke godsdienst in de eigen tijd en de eigen cultuur bracht. Een dergelijke bezinning bracht mij na gron­dige studie en doordenken tot de volgende stellingname: de verschillende godsdiensten zijn bepaald niet gelijk aan elkaar, maar hadden elk in de eigen tijd en in de eigen cul­tuur een heel eigen impuls te geven die voor die tijd en die cultuur beslissend was.

Vervolgens kwam ik tot de conclusie dat elke godsdienst, en dus elke impuls die daarmee aan de ontwikkeling en evolu­tie van de mensheid gegeven werd, een zinnige en noodza­kelijke impuls was. Daarom mogen we stellen dat elke godsdienst in de eigen tijd en op de eigen cultuur een posi­tieve inwerking had.

Hoe meer ik mij met dit thema bezighield, hoe meer ik tot het inzicht kwam dat dit het antwoord op bovenstaand di­lemma moet zijn: elke godsdienst geeft een belangrijke en

heel eigen impuls aan de evolutie van de mens op aarde. Maar die impuls is wél gebonden aan een bepaalde tijd en een bepaalde cultuur. Godsdiensten zijn nooit 'algemeen geldig', dat wil zeggen dat ze geen waarheid brengen die voor alle tijden en voor alle volken geldt, nee, ze zijn dui­delijk cultuur- en tijdbepaald. Iedere godsdienst wil name­lijk op een heel eigen moment van de evolutie een nieuwe impuls daaraan geven, en dat betekent dat die impulsen na­tuurlijk heel verschillend zijn: passend bij wat de mensheid op dát moment, in die cultuur, nodig heeft.

De eigenlijke vraag die we in het kader van ons thema kun­nen stellen, luidt dan ook: wélke impuls geeft iedere gods­dienst eigenlijk in de eigen tijd aan de evolutie? En de vol­gende vraag luidt: binnen welke cultuur wil iedere gods­dienst eigenlijk werkzaam zijn? En hoe werken de verschil­lende godsdiensten zó op die verschillende culturen in, dat

deze culturen ieder een beslissende stap vooruit kunnen be­tekenen op de weg van de evolutie van de mens?

Wanneer we op deze wijze naar iedere godsdienst leren kij­ken, dan begint het heel eigene ervan voor ons op te lichten, en beginnen we te begrijpen waarom deze godsdienst in die tijd en in die cultuur noodzakelijk was, en welke bijdrage deze gaf aan de ontwikkeling van de mensheid.

 

 

 

 

De geschenken van de verschillende religies.
Hans Stolp.

 

De ware mens is een Hindoe én een Boeddhist; hij is een Confuciaan én een Taoïst, een Jood, een Christen én een Islamiet. De ware mens draagt de geschen­ken van de verschillende religies in het eigen hart mee als de gaven die God hem gegeven heeft en die hem maken tot de mens zoals God die bedoeld heeft.

 

1.        Het Hindoeïsme leert mij hoe je als mens in een blijvende verbondenheid met de geestelijke wereld kunt leven. Ook geeft het mij inzicht in de ware vrede: die van het hart. Bovendien legt het Hindoeïsme - denk aan Mahatma Gandhi - het geschenk van de geweldloosheid in mijn hart neer.

 

2.        Het Boeddhisme leert mij de kracht die van mededogen uitgaat. Dat mededogen wordt zichtbaar in een diepe eerbied voor alles wat leeft. Daarnaast leert het Boeddhisme mij de onschatbare betekenis van pacifisme, vegetarisme en het werken aan jezelf.

 

3.        De Chinese religies – het Confucianisme en het Taoïsme - maken mij bewust van de kosmische wetten van harmonie, vrede en eerbied. Heel het aardse leven dient door deze wetten gedragen te worden. De Chinese religies leren mij ook dat ik in een blijvende verbondenheid leef met al mijn gestorven geliefden. Ook geven zij mij inzicht in de weg van het midden: tussen Yin en Yang, donker en licht, vrouwelijk en mannelijk.

 

4.        Het Jodendom leert mij dat ik een individu ben: een mens met een eigen, persoonlijk leven. Het richt mijn aandacht op de kracht van mijn geweten en opent mijn ogen voor het aardse leven, voor een rechtvaardige samenleving en voor de wetten die het menselijk leven dragen.

 

5.        Het Christendom leert mij de alomvattende betekenis van de liefde. Het aardse leven is een inwijdingsweg, waarop ik leer steeds zuiverder, eerlijker en liefdevoller te worden. Wie deze weg gaat, komt in verbinding met het hoger zelf, wordt een wetende en is niet langer een gelovige.

 

6.        De Islam vestigt mijn aandacht op de betekenis van de Jihad: het gevecht met mijn eigen ego. Heel mijn leven staat in het teken van die heilige oorlog.

Van de Islam leer ik ook hoe belangrijk naastenliefde is. Hier op aarde heb ik te leven, en hier mag ik de liefde van Allah - die in zijn 99 namen tot uitdrukking komt - zichtbaar maken.

 

 

De Universele Religie bestaat al.

een gesprek met Swami Vivekananda

 

Vraag: Zijn de religies van de wereld werkelijk strijdig met elkaar? Spreken ze elkaar tegen of vullen ze elkaar aan?

 

Swami Vivekananda:

Ik begon mij in deze vraag te verdiepen toen ik nog een jongen was en ik heb haar mijn levenlang bestudeerd. Ik geloof niet dat ze met elkaar in tegenspraak zijn - ze vullen elkaar aan. Elke religie pakt als het ware een deel van de grote universele waarheid op en gebruikt al haar kracht om dat deel van de grote waarheid te belichamen en te symboliseren. Het is daarom aanvulling, niet uitsluiting.

 

We weten dat er haast tegenstrijdige standpunten over iets kunnen zijn, terwijl ze allemaal hetzelfde ding betreffen. Stel dat een man naar de zon reist en naarmate hij verder komt maakt hij een foto van de zon, in elk stadium. Als hij terugkeert heeft hij vele foto's van de zon, die hij voor ons neerlegt. We zien dat er geen twee hetzelfde zijn, maar wie zal ontkennen dat dit allemaal foto's zijn van dezelfde zon vanuit verschillende standpunten? Maak vier foto's van deze kerk, vanuit verschillende hoeken. Hoe verschillend zouden ze eruit zien, en toch zouden ze allemaal deze kerk weergeven. Op dezelfde manier kijken wij allen naar de waarheid vanuit verschillende standpunten, die verschillen al naar onze geboorte, scholing, omgeving enzovoorts.

 

Mijn idee is daarom dat al deze religies verschillende krachten zijn in Gods economie, werkzaam ten behoeve van de mensheid, en dat niet één ervan dood kan gaan, dat niet één ervan gedood kan worden. Zoals u geen enkele kracht in de natuur kunt doden, zo kunt u geen enkele van deze spirituele krachten doden.

 

En die universele religie, waarover filosofen en anderen in elk land dromen, bestaat al. Zij is hier. Zoals de universele broederschap der mensen al bestaat, zo is er ook de universele religie.

 

Samengesteld uit: Vedanta - stem van innerlijke vrijheid, Swami Vivekananda

 

 

Website statistieken gratis, LetsStat X1