Rudolf Steiner

27 februari 1861Ė 30 maart 1925

 

Biografie

 

 

en zijn geesteswetenschappelijke leer.

 

In het huidige tijdsgewricht

heeft de mens opnieuw

geestelijke inhoud nodig

voor de woorden die hij spreekt;

 

Want gedurende het slapende

vertoeven buiten het lichaam

behouden ziel en geest datgene van het woord,

wat naar het geestelijke verwijst.

 

Want slapende mensen moeten zover komen

dat zij zich kunnen verstaan

met de aartsengelen.

 

Die echter nemen slechts geestelijke,

niet-materiŽle inhoud van de woorden op.

 

Indien de mens zich niet aldus

verstaanbaar maken kan,

Lijdt hij schade aan geheel zijn wezen.

 

R. Steiner

 

 

Veel grote denkers, filosofen, geestelijke meesters zijn hier al voorbijgekomen op mijn homepage. Onlangs ontdekte ik de werken van Rudolf Steiner - wiens naam me natuurlijk al lang bekend was, maar waar ik nog niets van had gelezen. Daar ben ik nu wel mee bezig en ik vind het tijd worden om uit die werken aan een aantal opmerkelijke stukjes wat meer aandacht te besteden. Voor zover ik kan zien zijn de inzichten van Steiner actueler dan ooit, nu de mensen steeds meer behoefte krijgen aan geestelijke verdieping buiten de reguliere kerken.

Ik wens jullie veel 'inzicht' bij het lezen van deze teksten.

 

 

01. HET WEZEN VAN DE MENS - 02. DE WEG TOT HOGER INZICHT - 03. OVER DE GEDACHTENVORMEN EN DE MENSELIJKE AURA - 04. DE WACHTERS OP DE DREMPEL - 05. MYSTERIEN EN MYSTERIE-WIJSHEID - 06. DE OPVOEDING VAN HET KIND - 07. DE OPVOEDING VAN HET KIND II -

 

 

01.  Iets meer over de drievoudige samenstelling van de mens.

 

Wanneer we ons willen verdiepen in een wetenschap moeten we aanvangen bij datgene waar we al enigszins weet van hebben. Om dus iets te kunnen vatten over de geesteswetenschappen, over de bovenzinnelijke werelden en over het wezen van God zelf, zullen we eerst bij onszelf moeten beginnen en ons de vraag stellen: wat is het dat een mens tot mens maakt?

 

Citaat: HET WEZEN VAN DE MENS

 

De volgende woorden van Goethe geven een mooi beeld van het punt van uitgang bij een der methoden, volgens welke men het ware wezen van de mens kan leren ken­nen:

 

 "Zodra de mens zich bewust wordt van de hem om­ringende voorwerpen, bekijkt hij ze met betrekking tot zichzelf, en terecht, want zijn gehele lot hangt ervan af, of ze hem al of niet bevallen, of ze hem aantrekken dan wel afstoten, of ze nuttig of schadelijk voor hem zijn. Deze geheel vanzelfsprekende wijze om dingen te be­schouwen en te beoordelen schijnt even eenvoudig te zijn als zij noodzakelijk is, en niettemin wordt de mens daar­bij aan duizend vergissingen blootgesteld, welke hem vaak beschaamd doen staan en zijn leven vergallen.

Een veel zwaardere dagtaak nemen degenen op zich, wier levendige drang naar kennis hen aanzet tot het beschouwen van de voortbrengselen der natuur, zowel op zichzelf als in onderling verband, want zij moeten al spoedig de maatstaf ontberen die hen te hulp kwam toen zij de dingen in hun omgeving tot zichzelf in betrekking brachten. Zij missen dan namelijk de maatstaf van het al of niet bevallen, van aantrekken of afstoten, van nut dan wel schade. Zij moeten zich deze geheel ontzeggen, zij dienen onbevangen en als het ware gelijk goddelijke wezens te zoeken, en te onderzoeken wat is, en niet wat behaagt. Op deze manier moet de ware botanicus zich noch door schoonheid, noch door het nut van planten la­ten beÔnvloeden: hij dient hun ontwikkeling, hun verhouding tot de overige planten in de plantenwereld te onder­ zoeken. En gelijk deze planten alle door het zonlicht worden gewekt en beschenen, dient hij ze objectief te bekijken en steeds weer te bezien. De maatstaven voor dit onderzoek, de gegevens voor de beoordeling, moeten niet uit hemzelf voortkomen, maar gevonden worden te­midden van datgene wat hij waarneemt."

 

Deze door Goethe uitgesproken gedachte richt de aan­dacht van de mens op drie zaken. Allereerst zijn er de voorwerpen waarvan hem door zintuiglijke waarneming voortdurend mededelingen bereiken, die hij kan voelen, ruiken of proeven, die hij hoort of ziet. In de tweede plaats zijn er de indrukken die ze op hem maken en die zich, doordat ze hem al of niet bevallen, of doordat hij ze begeert of verafschuwt, zo voordoen dat hij het ene sympathiek, het andere antipathiek, het ene nuttig en het andere schadelijk oordeelt. En in de derde plaats is er het inzicht dat hij zich gelijk een goddelijk wezen over de dingen verwerft: het zijn de geheimen van de wer­king en het bestaan ervan, die hem worden geopenbaard. In het menselijke leven zijn deze drie gebieden duidelijk van elkaar gescheiden. En de mens komt daardoor tot de ontdekking dat hij op drieŽrlei wijze met de wereld verbonden is.

De eerste daarvan wordt gevormd door iets wat hij er­vaart, wat hij als een gegeven vaststaand feit aanneemt. Op de tweede wijze maakt hij de wereld tot zijn eigen aangelegenheid, tot iets wat een bepaalde betekenis voor hem heeft. De derde beschouwt hij als een doelstel­ling, waarnaar hij zonder ophouden dient te streven.

 

Waarom doet zich de wereld voor de mens op deze drie­ledige wijze voor? Een eenvoudige beschouwing kan dit verduidelijken: Ik loop door een met bloemen begroeide weide. Door mijn oog vertonen de bloemen mij hun kleu­ren. Dat is een vaststaand feit, dat wij als gegeven kun­nen beschouwen. Verder: ik verheug mij over deze kleu­renpracht. Daardoor maak ik dit feit tot mijn eigen aan­ gelegenheid. Ik verbind door mijn gevoel de bloemen aan mijn eigen bestaan. Nu loop ik na een jaar weer door dezelfde weide. Er zijn andere bloemen, die in mij een nieuwe blijdschap tevoorschijn roepen. Mijn vreug­de van een jaar tevoren zal als herinnering bovenkomen. De herinnering is in mij; datgene wat haar deed ont­staan, is verdwenen. Maar de bloemen die ik thans zie, lijken op die van een jaar terug, zijn volgens dezelfde wetten gegroeid. Zijn deze gelijkenis en deze wetten mij duidelijk geworden, dan vind ik in de bloemen van dit jaar terug, wat ik aan die van een jaar tevoren heb on­derkend. En ik zal er wellicht op deze wijze over naden­ken: de bloemen van het vorige jaar zijn vergaan, de vreugde die ik eraan beleefde is in mij gebleven als her­innering. Die is alleen met mijn bestaan verbonden. Dat­gene echter wat ik vorig jaar bij deze bloemen ontdekt heb en dit jaar terugvind, dat zal er altijd zijn zolang er bloemen bloeien. Dat betreft iets wat zich aan mij heeft geopenbaard, wat echter van mijn bestaan niet in dezelfde mate afhankelijk is zoals mijn vreugde. Mijn gevoelens van vreugde blijven in mij; de wetten, het we­zen van de bloemen blijven buiten mij, in de wereld. Op deze manier verbindt de mens zich steeds op drieledige wijze met datgene wat in de wereld is. Aanvankelijk moet men aan dit feit geen uitleg geven, maar een en an­der aanvaarden zoals het zich voordoet. Er vloeit uit voort dat de mens als een drieledig wezen kan worden beschouwd. Dit - en niets anders - zal hier voorlopig met de woorden lichaam, ziel en geest worden aange­duid.

 

Wie met deze drie woorden een of andere vooropgezette mening of hypothese verbindt, zal de volgende uiteenzet­tingen onvermijdelijk verkeerd begrijpen. Met lichaam wordt hier datgene bedoeld, waardoor zich de dingen in de wereld aan de mens openbaren, zoals in het gegeven voorbeeld de bloemen in de weide. Door middel van het woord ziel wordt bedoeld datgene, waardoor de mens de dingen met zijn eigen bestaan verbindt, zij hem be­hagen of mishagen, waardoor hij lust of onlust, vreugde of smart ondervindt. Met geest wordt datgene bedoeld wat in hem duidelijk wordt als hij - zoals Goethe het uitdrukt - de dingen gelijk een goddelijk wezen beziet. In deze betekenis bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest.

 

Door middel van zijn lichaam is de mens in staat zich met dingen te verbinden gedurende een korte spanne tij ds. Door zijn ziel bewaart hij de indruk die ze daarbij op hem maakten, binnen in zich, en door zijn geest wordt hem duidelijk wat er in de dingen zelf verborgen is. Al­leen wanneer men deze drie zijden van de mens be­schouwt, kan men de hoop koesteren inzicht in zijn we­zen te krijgen. Want deze drie aspecten laten zien hoe hij op drievoudige wijze verwant is met de hem omringende wereld. Door zijn lichaam is de mens verwant met datgene wat zich van buiten af aan zijn zintuigen voordoet. De mate­rie van de hem omringende wereld bouwt zijn lichaam op; de in deze wereld werkende krachten werken daarin ook. En gelijk hij de in de buitenwereld voorkomende zaken beschouwt met zijn zintuigen, kan hij tevens zijn eigen lichamelijk bestaan bezien.

 

Maar het bestaan van de ziel kan hij onmogelijk langs dezelfde weg doorgron­den. Alles wat zich met betrekking tot zijn lichaam voor­doet, kan ook met de lichamelijke zintuigen worden waargenomen. Mijn behagen of misnoegen, mijn vreug­de en smart evenwel kunnen noch door mij, noch door een ander met lichamelijke zintuigen worden geconsta­teerd. De ziel bevindt zich in een gebied dat niet toegan­kelijk is voor zintuiglijke waarneming. Het lichamelijk bestaan van de mens is voor iedereen waarneembaar; al wat de ziel betreft draagt hij als zijn wereld in zich. Door de geest echter krijgt hij op een hoger plan inzicht in de hem omringende wereld.

 

Innerlijk wordt hij zich weliswaar bewust van de gehei­men van de buitenwereld, maar in zijn geest wendt hij zich naar buiten en laat de dingen over zichzelf spreken, over datgene wat niet voor hem, maar voor henzelf van betekenis is. De mens ziet op naar de nachtelijke ster­renhemel: de verrukking die zijn ziel daarbij beleeft, behoort hem toe. De eeuwige wetten der sterren, die hij in zijn gedachten, in zijn geest omvat, behoren niet hem toe, maar aan de sterren zelf.

 

Op deze wijze is de mens burger van drie werelden. Door zijn lichaam behoort hij tot de wereld die hij ook met zijn lichaam waarneemt. Met behulp van zijn ziel vormt hij zich zijn eigen wereld. Door zijn geest open­baart zich voor hem een wereld, die boven de beide anderen verheven is.

In verband met het wezenlijke verschil tussen deze drie werelden is het wel duidelijk, dat ook drie wijzen van beschouwing nodig zijn, om over deze werelden en het aandeel dat de mens daarin heeft, een helder inzicht te verwerven.

 

 

 

02. DE WEG TOT HOGER INZICHT [1]

 

 

De mens is een denkend wezen. Hij kan de weg naar hoger inzicht slechts vinden indien hij uit­gaat van het denken. Wordt hem een verstandelijk beeld van de hogere werelden gegeven, dan is dat voor hem niet onvruchtbaar, ook wanneer het aanvankelijk als het ware slechts een mededeling van feiten uit deze werelden is, die hij zelf door eigen aanschouwing nog niet kan waarnemen. Want de gedachten die hem gege­ven worden, vertegenwoordigen zelf een kracht die in zijn gedachteleven verder werkt. Deze kracht zal in hem actief worden en sluimerende mogelijkheden wak­ker roepen. Wie de opvatting mocht zijn toegedaan dat de overgave aan zulk een gedachteschildering overbo­dig is, vergist zich. Want hij ziet in die gedachten slechts het onwezenlijke, abstracte. Er ligt evenwel een levende kracht aan ten grondslag. En zoals bij degene die reeds in staat is tot het doen van waarnemingen op hoger ge­bied, deze gedachten de rechtstreekse uitdrukking zijn van datgene wat in de geest wordt aanschouwd, zo heeft het mededelen van deze gedachten tot gevolg dat bij hem die de mededeling ontvangt, als het ware de kiem wordt gelegd voor een later optredende eigen waarne­ming. Wie zich terwille van het bereiken van een hoger inzicht van andere in de mens aanwezige krachten wil bedienen en de gedachtearbeid daarbij versmaadt, geeft zich er geen rekenschap van dat juist het denken de hoogste bekwaamheid vormt waarover de mens op aar­de beschikt.

 

Wie dus vraagt: op welke wijze verkrijg ik zelf hoger inzicht op het gebied van de geestesweten­schap?, tot hem ware te zeggen: begin met u terzake te oriŽnteren aan de hand van de mededelingen van ande­ren hierover. En als hij daarop antwoordt dat hij zelf wil zien, dat hij niets wil weten van wat anderen gezien hebben, dan kan hem worden gezegd dat juist in het zich eigen maken van de mededelingen van anderen de eerste stap naar eigen inzicht ligt. Men kan daartegen inbren­gen dat men dan gedwongen is om aan andermans mededelingen blindelings geloof te hechten. Maar bij deze mededelingen gaat het niet om geloof of ongeloof, maar alleen om een onbevangen opnemen van wat men hoort. Een waarachtig geestesonderzoeker spreekt nim­mer in de verwachting dat men hem blindelings zal geloven. Hij bedoelt steeds niet anders dan: dit of dat heb ik ondervonden in de geestelijke regionen van het bestaan en van deze belevenissen spreek ik. Maar hij weet ook dat het beluisteren van zijn ervaringen en het doordringen van de gedachten van de ander, voor die ander levende krachten zijn, waarmede hij zich geeste­lijk kan ontwikkelen.

 

Wat hier in aanmerking komt kan alleen door hem op de juiste wijze worden ingezien, die bedenkt hoe alle kennis van de werelden van ziel en geest rust in de ver­borgen diepten van de menselijke ziel. Men is in staat om langs de weg tot hoger inzicht deze kennis naar de oppervlakte te brengen.

 

"Inzien" kan men niet alleen wat men zelf, maar ook wat anderen uit de diepten van de ziel naar boven heb­ben gebracht, dit laatste zelfs dan, wanneer men zelf in het geheel nog geen aanstalten heeft gemaakt om de weg tot hoger inzicht te betreden.

Een juist inzicht op geestelijk gebied is in staat om in een gemoed, dat niet door vooroordelen is beÔnvloed, de kracht tot begrip op te wekken. Het onbewuste weten treedt het door anderen gevonden geestelijke feit tege­moet. En dit aanvaarden is geen onvoorwaardelijk ge­loven, maar een juiste reactie van het gezonde mense­lijke verstand. In dit gezonde begrijpen behoort men een zeer veel betere methode te zien om zelf tot hoger in­zicht te komen, dan in dubieuze mystieke "verzonken­heid" en dergelijke, waarin men zo vaak iets beters meent te hebben gevonden dan in datgene, wat door iemand met gezond verstand kan worden begrepen, in­dien het hem als resultaat van waarachtig geestesonder­zoek wordt geboden.

 

Men kan er niet sterk genoeg de nadruk op leggen hoe nodig het is dat degene die zijn vermogens tot hoger in­zicht wil ontwikkelen, zich ernstig voorneemt om zijn denken op de juiste wijze te scholen. Dit klemt des te meer omdat velen die "ziener" willen worden, de ern­stige opofferende gedachtearbeid bepaald onderwaar­deren. Zij zeggen dat "denken" hen toch niet kan helpen, dat het op de gewaarwording, het gevoel of iets anders aankomt. Tegen dit alles dient te worden gesteld dat niemand in de hogere betekenis (d.w.z. waarachtig) "helderziende" kan worden, die zich tevoren niet inten­sief in het denken heeft geoefend. Bij velen speelt daarbij een zekere innerlijke gemakzucht een hachelijke rol. Zij worden zich daarvan niet bewust omdat de gemak­zucht optreedt in de gedaante van verachting voor het "abstracte denken" en het "doelloze bespiegelen" enz. Maar men miskent het denken, wanneer men het verwisselt met het uitspinnen van nutteloze abstracte ge­dachten reeksen. Dit abstracte denken kan het hogere inzicht gemakkelijk vernietigen, maar het van leven vervulde denken kan er de grondslag van worden. In ieder geval zou het veel gemakkelijker zijn als men tot de gave van het "hogere zien" zou kunnen komen met vermijding van gedachtearbeid. Dat zouden velen graag willen.

 

Voor de ontwikkeling van hoger inzicht is echter een innerlijke standvastigheid, een psychische zekerheid nodig, die alleen via het denken kan worden verworven. Anders ontstaat toch slechts een onwezenlijk opflakkeren van beelden, een verwarrend spel in de ziel. dat weliswaar menigeen genoegen geeft, maar wat niets te maken heeft met een waarachtig doordringen in de hogere werelden.

 

Als men verder bedenkt welke zuiver geestelijke beleve­nissen plaats vinden bij iemand, die werkelijk doordringt in de geesteswereld, dan zal men ook begrijpen dat er  nog een andere kant aan de zaak is. Het zielenleven van een "helderziende" behoort absoluut gezond te zijn. En voor het in stand houden daarvan bestaat er geen beter middel dan het ware denken. Daarentegen kan de ge­zondheid van het zielenleven worden benadeeld, wanneer de oefeningen tot het verkrijgen van hoger inzicht niet gebaseerd zijn op het denken. Zo waar als het is dat iemand die gezonde en juiste gedachten koestert, door de gave der helderziendheid nog gezonder, nog  geschik­ter voor het leven wordt dan hij zonder deze is.

 

Even waar is het ook, dat het zich willen ontwikkelen met ver­mijding van ingespannen denkarbeid, dat alle dromerij op dit gebied wilde fantasieŽn en een verkeerde levens­instelling in de hand werkt. Niemand die met inacht­neming van wat hier gezegd wordt de weg tot hoger in­zicht wil betreden, behoeft ook maar iets te vrezen: Hij dient slechts de gestelde voorwaarde in acht te nemen. Deze voorwaarde heeft alleen met 's mensen ziel en geest te maken; het is absurd daarbij te spreken van enigerlei schadelijke invloed op de lichamelijke gezondheid.

Het nergens op gebaseerde ongeloof echter is schadelijk. Want dat werkt als een afstotende kracht en vormt voor degene die het betreft een beletsel om de vruchtbare gedachten te kunnen opnemen, die geboden worden.

 

 Geen blind geloof, maar wel het opnemen van de geestes­wetenschappelijke gedachtewereld, is voorwaarde voor de ontsluiting van de hogere zintuigen. De geestesonder­zoeker komt zijn leerling tegemoet met de eis: wat ik u zeg, moet ge niet geloven, maar overdenken, en tot inhoud maken van uw eigen gedachtewereld; dan zul­len mijn gedachten zelf reeds in u bewerkstelligen, dat u hun waarheid erkent. Dit is de instelling van de gees­tesonderzoeker. Hij geeft de aansporing; de kracht om de waarheid te onderkennen komt uit het innerlijk van de leerling zelf voort. En op deze wijze zouden geestes­wetenschappelijke beschouwingen benaderd moeten wor­den. Wie ertoe kan komen zich daarin denkend te verdie­pen, kan er zeker van zijn dat deze beschouwingen hem na kortere of langere tijd tot eigen waarneming zullen brengen.

 

Reeds in dat wat hier gezegd is, is de eerste eigenschap aangeduid die iemand tot ontwikkeling moet brengen om tot eigen waarneming van hogere feiten te geraken. Het betreft de volkomen onbevangen overgave aan datgene, wat het mensenleven of ook wat de wereld buiten de mens openbaart. Wie begint met een of ander zich in de wereld voordoend feit te benaderen met een (voor)oor­deel dat hij uit het verleden meebrengt, die sluit zich­zelf daardoor af voor de rustige, objectieve invloed wel­ke dit feit op hem had kunnen hebben. De leerling moet zich als het ware op ieder moment tot een volkomen lege schaal kunnen maken waarin de vreemde wereld kan binnenstromen. Alleen die momenten waarop alle kritiek, alle oordelen die van ons uitgaan, tot zwijgen gebracht worden, brengen ons tot inzicht. Het komt er bijvoor­beeld als wij iemand anders ontmoeten, in het geheel niet op aan of wij wijzer zijn dan hij. Ook het onnozelste kind kan nog iets openbaren aan de grootste wijsgeer.

En ook al benadert deze het kind met een nog zo wijs oordeel, dan nog zal zijn wijsheid zich als een matglas plaatsen voor datgene wat het kind hem zou kunnen openbaren.[2]

 

 

Een volledige innerlijke onbaatzuchtigheid is nodig voor de overgave aan datgene wat de ons vreemde buiten­wereld openbaart. En wanneer iemand bij zichzelf na­gaat in hoeverre hij tot deze overgave in staat is, dan zal hij over zichzelf verbaasd staan. Indien iemand de weg tot hoger inzicht wil betreden, dan moet hij zich erin oefenen om zichzelf met al zijn vooroordelen op elk gewenst ogenblik te kunnen uitschakelen. Zolang hij dat doet, kan het andere bij hem binnenstromen.

 

Slechts een hoge graad van zulk een onzelfzuchtige toe­wijding of overgave stelt iemand in staat om de hogere geestelijke feiten die de mens overal omringen, op te nemen. Het is mogelijk om deze bekwaamheid doelbe­wust bij zichzelf te ontwikkelen. Men trachte bv. zich te onthouden van ieder oordeel over mensen in zijn omge­ving. Men dient zich te distantiŽren van het aanleggen van de gebruikelijke maatstaven volgens welke men ge­wend is te oordelen, zoals sympathiek, antipathiek, dom of schrander en men trachte zonder deze criteria de mensen zuiver vanuit henzelve te begrijpen. De beste oefeningen kan men maken met betrekking tot mensen die men verafschuwt. Deze afschuw dient krachtig te worden onderdrukt; daarbij late men alles wat de ander doet onbevangen op zich inwerken.

Of, wanneer men in een gezelschap verkeert dat een of ander oordeel probeert uit te lokken, dan behoort zulk een oordeel te worden onderdrukt en men late de indruk­ken onbevangen op zich inwerken.[3]

 

Men late de dingen en gebeurtenissen meer tot zich spre­ken dan dat men over hen spreekt. En dit dient men ook uit te breiden tot het gedachteleven. Men onderdrukke in zichzelf datgene wat tot een of andere gedachte aanlei­ding zou geven en men late slechts dat wat van buitenaf komt, de gedachten impulseren.

Alleen als deze oefeningen met heilige ernst en vasthou­dendheid worden gedaan, leiden ze tot het gestelde doel: het bereiken van een hoger inzicht. Wie dergelijke oefe­ningen onderschat, begrijpt niets van hun waarde. En wie ervaring heeft in deze dingen, weet dat overgave en onbevangenheid reŽle krachtbronnen zijn. Zoals de warmte die men aan een stoomketel toevoert zich om­zet in de kracht welke een locomotief voortbeweegt, zo worden de oefeningen in onbaatzuchtige overgave op geestelijk gebied in de mens tot een kracht om de hogere werelden te kunnen aanschouwen.

 

Met behulp van deze oefening bewerkstelligt iemand dat hij in staat is om alles wat hem omringt in zich op te nemen. Maar daarbij dient ook nog het vermogen te komen alles naar juiste waarde te schatten. Zolang de mens nog neiging heeft zichzelf ten koste van zijn omge­ving te overschatten, zolang verspert hij zichzelf de toegang tot hoger inzicht. Wie zich ten opzichte van enig feit of gebeurtenis in de wereld overgeeft aan de vreug­de of smart welke ze hem veroorzaken, is in een derge­lijke zelfoverschatting bevangen. Want zijn vreugde en zijn leed doen hem niets beleven van de dingen, maar alleen iets van zichzelf. Indien ik voor iemand sympathie koester, dan ervaar ik vooreerst slechts mijn instelling ten opzichte van hem. Maak ik mij in mijn oordeel, in mijn houding alleen maar afhankelijk van deze lust­gevoelens, van mijn sympathie, dan plaats ik mijn eigen natuur op de voorgrond: ik dring deze aan de wereld op. Ik wil mij dan zoals ik ben in 'de wereld invoegen, in plaats van de omgeving onbevangen op mij te laten inwerken en de kans te geven om zich te uiten volgens de in haar werkende krachten. Met andere woorden: ik ben alleen maar tolerant ten opzichte van dat, wat met mijn eigen natuur overeenkomt. Ten opzichte van al het andere oefen ik een terugstotende kracht uit.

 

Zolang de mens in de zintuiglijke wereld gevangen is reageert hij in het bijzonder afstotend op alle niet-zin­tuiglijke invloeden. De leerling moet zich het vermogen eigen maken zich tegenover dingen en mensen naar hun aard te gedragen, alles en iedereen tot zijn recht te laten komen naar eigen waarde en betekenis. Sympathie en antipathie, lust en onlust moeten geheel nieuwe functies gaan vervullen. Daarmede wordt niet bedoeld dat de mens deze gevoelens moet gaan uitroeien, dat hij ten opzichte van sympathie en antipathie ongevoelig moet worden. Integendeel, hoe meer hij zich de eigenschap verwerft van niet dadelijk een oordeel of een handeling te laten volgen op iedere opwelling van sympathie of antipathie, des te fijner besnaard zal zijn gevoelsleven worden. Hij zal ervaren dat sympathieŽn en antipathieŽn een hogere vorm zullen bereiken als hij ze in de vorm

waarin ze reeds in hem bestonden, aan banden legt. Zelfs het op het eerste gezicht meest onsympathieke object heeft verborgen kwaliteiten en het openbaart deze wanneer de mens in zijn verhouding ertoe zich niet laat leiden door zelfzuchtige gevoelens.

Wie zich op deze wijze ontwikkelt zal in alle opzichten fijner aanvoelen dan anderen, omdat hij zich niet door de eigen persoonlijkheid laat verleiden tot onontvanke­lijkheid. Iedere neiging welke men blindelings volgt werkt afstompend op de mogelijkheid om de dingen in de omgeving in hun juiste licht te zien



 Rudolf Steiner Ė Theosofie Ė ISBN 90 6038 003 7



[1] Wanneer Steiner het heeft over geestesonderzoek bedoelt hij hiermee niet Ďhet spiritismeí  en het zoeken naar contact met overledenen, maar wel het zoeken naar de Ware Geest.

[2] ) Men merkt uit deze uiteenzetting wel dat het met betrekking tot de voorwaarde van "onbevangen overgave" niet gaat om de uitschakeling van het eigen oordeel of om blindelings geloven. Iets dergelijks toch zou ten opzichte van een kind geen zin hebben.

[3] Deze onbevangen overgave heeft niet het minst uitstaande met een blindelings onvoorwaardelijk geloof. Het komt er niet op aan of men iets onvoorwaardelijk gelooft, maar wel dat men geen blind oordeel in de plaats van een levende indruk stelt.

 

 

 

­

 

03. OVER DE GEDACHTENVORMEN EN DE MENSELIJKE AURA

 

Er is op gewezen dat de scheppingen van elk der drie genoemde werelden alleen dan voor de mens een reali­teit zijn, indien hij de vermogens of de organen bezit om ze waar te nemen. Bepaalde ruimtelijke gebeurte­nissen neemt de mens alleen daardoor als lichtverschijn­sel waar, omdat hij een goed ontwikkeld oog bezit. Hoe­veel van hetgeen realiteit is zich aan enig wezen open­baart, hangt af van diens ontvankelijkheid. Nimmer zal iemand dus mogen zeggen dat datgene slechts werke­lijk bestaat, wat hij kan waarnemen. Veel kan werke­lijk bestaan waarvoor hem de organen ontbreken om het waar te nemen.

 

Nu zijn de werelden van ziel en geest even werkelijk, zelfs in een veel hogere betekenis dan de zintuiglijke wereld. Weliswaar kan geen stoffelijk oog gevoelens of voorstellingen zien, maar deze zijn reŽel. En zoals de mens door middel van zijn uiterlijke zintuigen de fysieke wereld als waarneming tegenover zich ziet, zo wor­den voor zijn geestesorganen gevoelens, neigingen, in­stincten, gedachten enz. tot waarnemingen. Precies zoals bv. voor het fysieke oog bepaalde zich in de ruimte afspelende processen zich in de vorm van kleuren kun­nen manifesteren, kunnen de eerder genoemde fenomenen in de gebieden van ziel en geest tot waarnemingen wor­den voor de innerlijke zintuigen, waarnemingen die te vergelijken zijn met de zintuiglijke kleurverschijnselen.

 

Slechts iemand die de in het volgende hoofdstuk beschre­ven weg welke leidt tot een hoger inzicht, heeft betreden en daardoor zijn innerlijke zintuigen ontwikkeld heeft, kan volkomen begrijpen in welke betekenis dit bedoeld is. Voor zo iemand worden de verschijnselen op het ge­bied van de ziel in de hem omringende zielenwereld, en de fenomenen op het gebied van de geest in de geestelijke wereld, op bovenzintuiglijke wijze zichtbaar. Gevoelens die hij bij andere wezens ervaart, doen zich aan hem voor als lichtverschijnselen welke van de ander uitstra­len. Gedachten waarop hij zijn aandacht vestigt, ziet hij als het ware door de geestesruimte stromen. Voor hem is de gedachte die iemand over een ander heeft, niet iets onzichtbaars, maar een waarneembaar gebeu­ren. De inhoud van een gedachte leeft als zodanig alleen maar in de ziel van degene die denkt, maar de inhoud verwekt reacties in de geestelijke wereld. Deze reacties vormen voor het geestesoog een waarneembaar proces. Als een feitelijke realiteit stroomt de gedachte die van de ene mens uitgaat, naar de andere toe. En de manier waarop die gedachte op de ander inwerkt, wordt be­leefd als een waarneembaar voorval in de geestelijke wereld.

 

Aldus is voor degene wiens geestelijke zintuigen ontwik­keld zijn, de fysiek waarneembare mens niet meer dan een deel van de totale mens. Deze fysieke mens wordt tot een middelpunt, van waaruit het psychische en het geestelijke uitstroomt. Van de rijk geschakeerde wereld die zich hier voor de ziener opent, kan slechts op zeer summiere wijze iets worden weergegeven.

 

Een (uitgesproken) menselijke gedachte welke anders slechts door de toehoorder in zijn denken wordt ver­werkt, doet zich bv. als geestelijk waarneembaar kleur­verschijnsel voor. De kleur stemt overeen met de aard van de gedachte. Een gedachte welke ontspringt aan een zinnelijke neiging van de mens, heeft een andere schakering dan een gedachte welke gewijd is aan hoger inzicht, aan edele schoonheid of aan het eeuwig goede. Een gedachte die ontspringt aan een zinnelijke drift, stroomt door de zielenwereld in rode kleurschakeringen.

 

In fraaie helder gele kleur verschijnt de gedachte waar­door de denker tot hoger inzicht komt. De gedachte die haar oorsprong in toegewijde liefde vindt, straalt een prachtige roze rode kleur uit. En evenals de inhoud van een gedachte komt ook zijn meerdere of mindere zeker­heid in zijn bovenzintuiglijke verschijningsvorm tot uit­drukking. De nauwkeurige gedachte van een denker doet zich voor als een vorm met duidelijke omtrekken; een verwarde voorstelling treedt als een wazige, wolkach­tige gedaante op.

En het ziel- en geesteswezen van de mens verschijnt op deze wijze als bovenzintuiglijk deel van het totale menselijk wezen. De voor het "geestelijke oog" waar­neembare kleurenwerkingen, die van de in zijn activitei­ten geobserveerde mens uitstralen en hem als een wolk (zo ongeveer in een eivorm) omhullen, vormen een men­selijke aura. De grootte van deze aura is bij diverse mensen verschillend. Als gemiddelde maatstaf kan men zich niettemin voorstellen dat de totale mens tweemaal zo lang en viermaal zo breed is als de fysieke.

 

In de aura nu vloeien de meest uiteenlopende kleurnuan­ces dooreen. En dit door elkaar stromen geeft een ge­trouw beeld van het innerlijke leven van de mens. Even afwisselend  als dit leven zijn de afzonderlijke kleurscha­keringen. Niettemin komen bepaalde permanente eigen­schappen, zoals talenten, gewoonten en karaktereigen­schappen ook in blijvende grondkleuren tot uitdrukking. Bij degenen die nog ver verwijderd zijn van de ervarin­gen die men opdoet bij het betreden van de in het vol­gend hoofdstuk beschreven "weg tot hoger inzicht", kun­nen zich misverstanden voordoen omtrent de essentie van wat hier met "aura" wordt bedoeld. Men zou zich bv. kunnen voorstellen dat hetgeen wat hier als "kleur" wordt beschreven, zo voor de ziel zou staan als een fy­sieke kleur voor het oog. Zulk een "zielenkleur" zou niets meer dan een hallucinatie zijn. Met indrukken welke op hallucinaties berusten, heeft de geesteswetenschap niets te maken, En deze indrukken zijn in ieder geval in de voorgaande uiteenzettingen niet bedoeld,

 

Men komt tot een juiste voorstelling van zaken indien men het volgende voor ogen houdt. Bij het waarnemen van een fysieke kleur heeft de ziel niet alleen een zin­tuiglijke, maar ook een psychische ervaring. Deze laat­ste varieert met de kleur: zij is bij het waarnemen ­door middel van de ogen - van een gele oppervlakte anders dan een blauwe. Men noemt deze ervaring "leven in geel", of "leven in blauw", De ziel die de weg tot hoger inzicht betreden heeft, heeft eenzelfde "beleven in geel" ten opzichte van de actieve Ziele-ervaringen van andere wezens, en een "beleven in blauw" met betrek­king tot zielenstemmingen vol toewijding. Het essentiŽle is niet dat de "ziener" bij het zich vormen van een beeld van een andere ziel, "blauw" zo ziet als hij dit in de fysieke wereld zou waarnemen, maar dat hij iets beleeft dat hem het recht geeft, daaraan de voorstelling "blauw" te verbinden, gelijk de fysieke mens bijvoorbeeld een gordijn "blauw" noemt. En verder is het essentieel dat de ziener zich ervan bewust is dat hij bij het beleven van dit alles los staat van zijn stoffelijk lichaam, waar­door hij in staat is om te spreken van de waarde en de betekenis van het zielenleven in een wereld, welke hij niet door bemiddeling van het fysieke lichaam heeft waar­genomen. Al moet deze strekking van het beschrevene volledig in het oog worden gehouden, voor de "ziener" is het toch vanzelfsprekend om van "blauw", "geel", "groen" enz. in de aura te spreken.

De aura is zeer verschillend van voorkomen, al naarge­lang de verschillende temperamenten en gemoedsaanleg van de mensen, verschillend ook 'naar de mate van gees­telijke ontwikkeling. Iemand die zich geheel aan dier­lijke driften overgeeft, heeft een totaal andere aura dan iemand die veel in gedachten leeft. De aura van een godsdienstig aangelegde natuur wijkt radicaal af van de aura van iemand die geheel in beslag wordt genomen door de triviale gebeurtenissen van elke dag. Daarbij komt dat alle wisselende stemmingen, alle neigingen, vreugde en leed in de aura tot uitdrukking komen.

 

Men dient de aura's welke zich bij verschillende inner­lijke belevingen voordoen, met elkaar te vergelijken om de betekenis van de kleurschakeringen te leren begrijpen. Daartoe schenke men eerst de aandacht aan zielenbeleve­nissen, die doortrokken zijn met sterk uitgesproken ge­moedsbewegingen. Hierbij kunnen twee soorten worden onderscheiden, affecten waarbij de ziel hoofdzakelijk door haar animale natuur wordt gedreven en gemoeds­bewegingen welke een meer geraffineerde vorm aanne­men, welke om het zo uit te drukken sterk door naden­ken worden beÔnvloed. Bij de eerste soort van belevingen stromen voornamelijk bruine en roodachtig-gele kleuren in allerlei nuanceringen op bepaalde plaatsen door de aura. Bij de affecten van meer geraffineerde aard ko­men op dezelfde plaatsen tinten voor in lichter roodgeel, alsmede groen. Men kan constateren dat bij toenemende intelligentie de groene tinten steeds toenemen. Bijzonder verstandige mensen, die echter geheel opgaan in de be­vrediging van hun animale driften, vertonen veel groen in hun aura. Toch zal dit groen steeds een min of meer sterke toets van bruin of roodbruin vertonen. Niet-intel­ligente mensen hebben een aura die voor een groot deel doortrokken is met bruinrode of zelfs donker-bloedrode stromingen.

Geheel anders dan bij dergelijke gemoedstoestanden vertoont zich de aura bij een rustige, evenwichtige, pein­zende zielestemming. De bruin- en roodachtige tinten treden op de achtergrond 'en worden vervangen door groen in diverse nuances. Bij ingespannen denken toont de aura een weldadig aandoende groene basiskleur. Zo doen zich hoofdzakelijk die naturen voor van wie men kan zeggen dat ze zich in iedere situatie welke zich in het leven voordoet, weten te schikken.

 

De blauwe kleurschakeringen treden op de voorgrond wanneer de ziel met toewijding vervuld is. Hoe meer de mens zich in dienst van een bepaalde zaak stelt, des te belangrijker worden de blauwe nuances. Ook in dit verband kan men twee geheel van elkaar verschillende soorten mensen ontmoeten. Er zijn karakters die niet ge­wend zijn    

  om hun denkvermogen te ontplooien; passieve zielen, die om zo te zeggen niets anders tot de wereld­gebeurtenissen hebben bij te dragen dan hun "goede hart". Hun aura glanst in mooie blauwe kleuren. En zo laten zich ook de aura's aanzien van offervaardige, religieuze naturen. Medelijdende zielen en zij die gaarne opgaan in een leven van weldadigheid, bezitten een der­gelijke aura. Zijn dergelijke mensen bovendien nog intel­ligent, dan wisselen groene en blauwe stromingen elkaar af, of het blauw krijgt ook zelf wel een groenachtige tint. Typerend voor actieve zielen - in tegenstelling tot passieve - is dat bij hen het blauw van binnen uit met lichte tinten doortrokken is. Vindingrijke naturen, zij die vruchtdragende gedachten produceren, zenden als het ware van een inwendig punt stralen uit in heldere tinten. Dit is in de hoogste mate het geval bij die persoonlijk­heden welke men "wijs" noemt, en met name bij dege­nen die rijk zijn aan vruchtbare ideeŽn. In het algemeen heeft alles wat wijst op geestelijke activiteit en centri­fugaal stralende vorm. Daarentegen heeft alles wat stamt uit het animale leven de vorm van onregelmatige wolken, welke door de aura stromen.

 

Al naargelang de voorstellingen welke ontstaan uit de activiteit van de ziel, zich in dienst stellen van eigen dierlijke neigingen, of aan objectieve idealistische be­langen, vertonen de overeenkomstige auravormen diver­se kleurschakeringen. Het inventieve brein dat zijn ge­dachten in dienst stelt van de bevrediging zijner zinnelijke hartstochten, vertoont donkere blauw-rode kleur­nuances. Bij degene evenwel wiens gedachten onzelf­zuchtig gewijd zijn aan objectieve belangen, treden licht­rood-blauwe tinten op. Een intensief geestelijk leven, ge­paard aan edele toewijding en opofferingsgezindheid kenmerkt zich door rozerode of lichtviolette kleuren.

 

Niet alleen de blijvende geaardheid van de ziel, maar ook affecties, stemmingen en andere innerlijke beleve­nissen van voorbijgaand karakter brengen kleurstromin­gen in de aura teweeg. Een plotseling optredende heftige ergernis veroorzaakt rode effecten. Gekrenkt eergevoel dat zich ineen plotselinge opwelling uitleeft, kan men in donkergroene wolken zien verschijnen.

 

De kleurfenomenen treden echter niet alleen in de vorm van onregelmatige wolkachtige vormen op maar ook als duidelijk begrensde, regelmatig gevormde figuren. Bespeurt men bij iemand een opwelling van angst, dan ziet men dit bv. in de aura als een menigte gegolfde strepen, van boven naar beneden, blauw van kleur, met een blauwachtig-rode glans. Bij iemand bij wie men merkt dat hij in spanning op een bepaalde gebeurtenis zit te wachten, kan men voortdurend rood-blauwe stre­pen waarnemen, die de aura van binnen naar buiten straalsgewijs doorlopen.

 

Iedere gewaarwording die van buiten af tot de mens komt kan door een exact geestelijk waarnemingsver­mogen worden bespeurd. Personen die door iedere in­druk van buiten af sterk opgewonden raken, vertonen in de aura een voortdurend opflikkeren van kleine punten en vlekjes van blauw-roodachtige kleur. Bij mensen die geen levendig gewaarwordingsleven hebben, vertonen deze vlekjes een oranje-gele kleur, soms ook een fraaie gele tint. Zogenaamde "verstrooidheid" manifesteert zich in de vorm van blauwachtige, naar groen tenderen­de vlekken van min of meer afwisselende vormen.

 

Een hoger ontwikkeld geestelijk waarnemingsvermogen maakt het mogelijk om binnen de aura die de mens be­weeglijk en stralend omgeeft, drie soorten kleurver­schijnselen te onderscheiden. In de eerste plaats zijn er kleuren die min of meer ondoorzichtig en dof zijn. Niet­temin, wanneer wij deze kleuren vergelijken met die welke onze fysieke ogen kunnen waarnemen, dan zijn ze vergeleken daarmee vluchtig en doorzichtig. Maar in de bovenzinnelijke wereld zelf maken ze de ruimte waar­in ze zich voordoen, vergelijkenderwijs ondoorzichtig; ze doen er als het ware een soort nevel ontstaan.

 

Een tweede soort bestaat uit kleuren die als het ware een en al licht zijn. Zij vervullen de ruimte waarin ze zich bevinden, geheel roet licht, waardoor deze zelf tot een lichtende ruimte wordt.

Geheel afwijkend van deze twee doet zich de derde soort kleurverschijnselen voor. Deze bezitten namelijk een stralend, fonkelend, glinsterend voorkomen. Zij versprei­den niet alleen licht in de ruimte waarin ze zich bevin­den, maar ze vervullen deze met glans en stralen. Er is iets actiefs, iets beweeglijks in deze kleuren. De andere daarentegen hebben een meer verstild karakter, zonder glans. Deze derde soort kleurverschijnselen ontstaat als het ware steeds opnieuw uit zichzelf.

 

Door de eerste twee kleursoorten wordt de ruimte waar­in ze zich bevinden, gevuld als met een ijle, vloeibare materie welke daar rustig aanwezig blijft; de derde soort brengt daarin steeds opnieuw aanwakkerend leven, steeds opnieuw een nimmer rustende activiteit. Deze drie kleurensoorten nu zijn in de menselijke aura volstrekt niet naast elkaar gegroepeerd; ze bevinden zich niet in duidelijk van elkaar gescheiden ruimten, maar ze dringen in elkaar door op de meest verschillen­de wijze.

 

Het is mogelijk om op een bepaald punt van de aura alle drie soorten door elkaar spelend te zien optreden zoals men een fysiek voorwerp, bijvoorbeeld een kerkklok, tegelijkertijd kan horen en. zien. Dit geeft de aura een uitermate gecompliceerd aanzien. Want men heeft, om het zo uit te drukken, te maken met drie aura's die elkaar doordringen. Het is echter mogelijk om een juist beeld te verkrijgen indien men zijn aandacht afwisse­lend op een der drie aura's vestigt. Men doet dan in de bovenzinnelijke wereld iets desgelijks als wanneer men in de stoffelijke wereld - om zich geheel aan de indruk van een muzikale compositie over te geven - de ogen sluit. Een "ziener" beschikt als het ware over drieŽrlei waarnemingsorganen voor de drie kleurensoorten en hij kan terwille van een ongestoorde waarneming naar be­lieven het ene orgaan openen en de beide andere gesloten laten.

 

Over het algemeen komt het voor dat bij een "ziener" vooreerst maar ťťn der organen - bestemd om de eer­ste kleurensoort waar te nemen - ontwikkeld is. Zo iemand kan slechts ťťn auravorm zien: de beide andere blijven voor hem onzichtbaar. Ook kan iemand in staat zijn om de eerste twee soorten waar te nemen, maar de derde niet. Een hogere fase van de "gave der helder­ziendheid" bestaat dan daarin dat een mens alle drie aura's kan waarnemen en daarbij terwille van zijn stu­die zijn aandacht nu eens op de ene, dan .weer op een andere kan vestigen.

 

De drievoudige aura is de bovenzinnelijk-zichtbare uit­drukking voor het wezen van de mens. De drie bestand­delen: lichaam, ziel en geest manifesteren zich erin.

De eerste aura is een spiegelbeeld van de invloed welke het lichaam uitoefent op de menselijke ziel. De tweede brengt het eigen leven van de ziel tot uiting, dat zich verheven heeft boven alles wat rechtstreeks de zintuigen prikkelt maar nog niet aan het dienen van het eeuwige toe is. De derde weerspiegelt de heerschappij welke de eeuwige geest over de vergankelijke mens heeft verkre­gen. Wanneer beschrijvingen van de aura worden gegeven - zoals hier gebeurd is - dan moet er de nadruk op worden gelegd dat deze dingen niet alleen moeilijk zijn om te worden waargenomen, maar bovenal ook lastig om weer te geven. Daarom zou niemand in deze be­schrijvingen iets anders moeten zien dan een stimulans, een opwekking tot verdere bestudering van deze materie. Voor de "ziener" drukken zich dus de bijzonderheden van het zielenleven uit in de gesteldheid van de aura. Ontmoet hij zielenleven dat geheel in beslag wordt ge­nomen door de zinnelijke driften en begeerten van het moment en zich geheel heeft overgegeven aan de uiter­lijke prikkels van het ogenblik, dan ziet hij de eerste aura in de meest schreeuwende kleurschakeringen, ter­wijl de tweede daarentegen slechts zwak ontwikkeld is. Men treft er slechts spaarzaam kleuren in aan; de derde aura valt nauwelijks waar te nemen. Hier en daar ont­waart men een glinsterend gekleurd vonkje, dat erop wijst dat ook bij een dergelijke stemming van de ziel in de mens het eeuwige althans in aanleg leeft, maar dat het door de geschetste zinnelijke invloeden wordt ver­drongen.

 

Hoe meer de mens zijn lagere natuur overwint, des te minder kan het eerste deel van de aura zich op de voor­grond dringen. Het tweede deel wordt dan voortdurend groter en vervult het kleurenlichaam, waarbinnen de fysieke mens leeft, steeds meer en meer met

      zijn stra­lende kracht. En hoe meer de mens zich "dienaar van het eeuwige" toont, des te duidelijker wordt de wonder­baarlijke derde aura zichtbaar: het deel dat ervan ge­tuigt in welke mate de mens burger is van de geestelijke wereld. Want het goddelijke zelf straalt door dit deel van de menselijke aura de aardse wereld binnen. Voor zover mensen deze aura bezitten, zijn zij vlammen waar­door de godheid de wereld verlicht. Door dit deel van de aura tonen zij in welke mate zij hebben geleerd om niet voor zichzelf, maar voor het eeuwig ware, het edele schone en het goede te leven: in' hoeverre zij hun be­grensde "Ik" hebben overwonnen en zich offeren op het altaar van het grote wereldgebeuren.

 

Op deze wijze komt in de aura tot uitdrukking wat de mens in de loop van zijn incarnaties van zichzelf heeft gemaakt.

In alle drie delen van de aura zijn kleuren in de meest verschillende schakeringen voorhanden. De aard van deze schakeringen wijzigt zich echter met de graad van ontwikkeling van de mens.

 

Men kan in het eerste deel van de aura het primitieve driftleven in alle nuanceringen zien, van rood tot blauw. Deze nuanceringen hebben een troebel, somber karak­ter. Opvallend rode nuances duiden op zinnelijke begeer­ten, op vleselijke lusten, op het verlangen naar genot van tong en maag. Groene nuances worden blijkbaar voornamelijk aangetroffen bij die lagere naturen, die tot stompzinnigheid, onverschilligheid neigen, die zich gretig overgeven aan ieder genot maar toch de inspan­ning welke tot bevrediging leidt schuwen. Waar de hartstochten hevig verlangend op een object gericht zijn, voor het verwerven waarvan de beschikbare capacitei­ten ontoereikend zijn, treden bruinachtig-groene en geel­groene aurakleuren op. Bepaalde moderne levenswijzen brengen vooral juist deze soort aura's voort.

 

Een gevoel van eigenwaarde dat geheel ontsproten is aan lagere neigingen en dus een laagste vorm van egoÔs­me voorstelt, openbaart zich in troebel-gele tot bruine tinten.

Nu is het wel duidelijk dat er aan het animale driften­leven ook kanten zijn welke reden tot blijdschap geven.

 

Er bestaat een louter natuurlijke offervaardigheid, wel­ke men reeds in het dierenrijk in hoog ontwikkelde vorm aantreft. Deze ontwikkeling van het dierlijke driftleven vindt in de natuurlijke moederliefde haar schoonste ver­vulling. Deze onbaatzuchtige natuurdriften komen in de schone en het goede te leven: in' hoeverre zij hun be­grensde "Ik" hebben overwonnen en zich offeren op het altaar van het grote wereldgebeuren.

Op deze wijze komt in de aura tot uitdrukking wat de mens in de loop van zijn incarnaties van zichzelf heeft gemaakt.

In alle drie delen van de aura zijn kleuren in de meest verschillende schakeringen voorhanden. De aard van deze schakeringen wijzigt zich echter met de graad van ontwikkeling van de mens.

Men kan in het eerste deel van de aura het primitieve driftleven in alle nuanceringen zien, van rood tot blauw. Deze nuanceringen hebben een troebel, somber karak­ter. Opvallend rode nuances duiden op zinnelijke begeer­ten, op vleselijke lusten, op het verlangen naar genot van tong en maag. Groene nuances worden blijkbaar voornamelijk aangetroffen bij die lagere naturen, die tot stompzinnigheid, onverschilligheid neigen, die zich gretig overgeven aan ieder genot maar toch de inspan­ning welke tot bevrediging leidt schuwen. Waar de hartstochten hevig verlangend op een object gericht zijn, voor het verwerven waarvan de beschikbare capacitei­ten ontoereikend zijn, treden bruinachtig-groene en geel­groene aurakleuren op. Bepaalde moderne levenswijzen brengen vooral juist deze soort aura's voort.

 

Een gevoel van eigenwaarde dat geheel ontsproten is aan lagere neigingen en dus een laagste vorm van egoÔs­me voorstelt, openbaart zich in troebel-gele tot bruine tinten.

Nu is het wel duidelijk dat er aan het animale driften­leven ook kanten zijn welke reden tot blijdschap geven.

Er bestaat een louter natuurlijke offervaardigheid, wel­ke men reeds in het dierenrijk in hoog ontwikkelde vorm aantreft. Deze ontwikkeling van het dierlijke driftleven vindt in de natuurlijke moederliefde haar schoonste ver­vulling. Deze onbaatzuchtige natuurdriften komen in de In ieder geval dient nog te worden opgemerkt dat in dit deel van de aura de kleuren totaal anders zijn dan de kleurschakeringen waaraan de mens op aarde gewend    is. De "ziener" ontwaart hier een verheven schoonheid, waarmede niets in de fysieke wereld kan worden verge­leken.

 

Niettemin kunnen de voorgaande uiteenzettingen over de aura niet op juiste wijze worden beoordeeld, indien niet wordt ingezien dat met het "aanschouwen van de aura" vooral bedoeld wordt een uitbreiding, een verrijking van dat wat in de fysieke wereld wordt waargenomen. Een uitbreiding die erop gericht is om die vorm van zielenleven te leren kennen, welke buiten de zintuiglijke wereld een geestelijke realiteit bezit. Met het verklaren van een karakter of van gedachten van iemand uit een als hallu­cinatie waargenomen aura heeft deze beschrijving niets uit te staan. Zij wil het inzicht zodanig verdiepen dat- het naar de geestelijke wereld voert en wenst niets te maken te hebben met de dubieuze kunst van mensenzielen uit hun aura's te verklaren.

 


.

04. DE WACHTERS OP DE DREMPEL

1. de kleine wachter.

 

Belangrijke ervaringen bij het binnentreden van de hogere we­relden zijn de ontmoetingen met de 'wachter aan de drempel'. In feite is er niet ťťn, maar zijn er twee wachters, een 'kleine' en een 'grote' 'wachter aan de drempel'. De eerste ontmoet de mens wanneer de verbindingslijnen tussen willen, denken en voelen in zijn ijlere lichamen (het astrale lichaam en het ether­lichaam) beginnen op te lossen. Voor de 'grote wachter aan de drempel' komt de mens te staan wanneer het oplossen van die verbindingen plaatsvindt tot in de fysieke delen van het lichaam (eerst en vooral de hersenen).

 

De 'kleine wachter aan de drempel' is een op zichzelf staand wezen. Het blijft voor de mens onzichtbaar zolang deze het vereiste niveau van ontwikkeling nog niet heeft bereikt. Hier kunnen alleen enkele van zijn meest wezenlijke eigenschappen worden beschreven.

 

Eerst zal worden gepoogd de ontmoeting van de leerling met de wachter aan de drempel in verhalende vorm weer te geven. Pas door deze ontmoeting merkt de leerling dat zijn denken, voelen en willen zich hebben losgemaakt uit hun wetmatige verbinding.

 

Een werkelijk schrikwekkend, spookachtig wezen staat voor de leerling. Deze heeft al zijn tegenwoordigheid van geest en het volste vertrouwen in zijn ontwikkelingsweg nodig, die hij zich echter tijdens zijn scholing tot dusver voldoende heeft kunnen eigen maken.

 

De 'wachter' drukt zijn betekenis ongeveer in de volgende woorden uit:

 

'Over jou waakten tot nu toe machten die onzicht­baar voor je waren. Zij bewerkstelligden dat gedurende je voor­afgaande levenswegen al je goede daden werden beloond en al je slechte daden hun schadelijke gevolgen hadden. Onder hun invloed werd je karakter opgebouwd uit je levenservaringen en uit je gedachten. Zij veroorzaakten jouw lot. Zij bepaalden de mate van vreugde en smart die jou in een van je incarnaties toebedeeld werd, afhankelijk van je gedrag in vroegere incarna­ties. Zij heersten over jou in de vorm van de alomvattende wet van het karma. Deze machten zullen je nu ten dele uit hun teugels loslaten. En iets van het werk dat zij aan jou hebben verricht, moet jij nu zelf verrichten. - Je werd tot dusver door menig ongeluk getroffen. Je wist niet waarom? Het was het gevolg van een schadelijke daad in een van je vorige levens. Je vond geluk en vreugde en nam ze voor wat ze waren. Ook zij waren het gevolg van vroegere daden. Je hebt in je karakter menige mooie zijde, menige lelijke vlek. Beide heb je zelf ver­oorzaakt door eerdere ervaringen en gedachten. Deze kende je tot nu toe niet; je nam alleen de gevolgen waar. Maar zij, de karmische machten, zagen al je voorafgaande levensdaden, je meest verborgen gedachten en gevoelens. En daaruit hebben zij bepaald hoe je nu bent en hoe je nu leeft.

 

Voortaan echter zullen alle goede en alle kwalijke kanten van je eerdere levens ook voor jezelf zichtbaar zijn. Tot nu toe waren zij met jouw eigen wezen verweven, zij waren in je en je kon ze niet zien, zoals je fysiek je eigen hersenen niet kunt zien. Maar nu maken zij zich van je los, ze treden uit je persoonlijk­heid naar buiten. Ze nemen een zelfstandige gestalte aan, die je kunt zien zoals je de stenen en planten om je heen kunt zien. En dat wezen, dat zich een lichaam heeft gevormd uit al je edele en onedele activiteiten: dat ben ik zelf. Mijn spookachtige gestalte is geweven uit het contoboek van jouw leven.

 

Onzichtbaar heb jij mij tot dusver in je gedragen. Maar het was heilzaam voor je dat dit zo was. Want daardoor werkte de wijsheid van jouw verborgen lot tot nu toe ook aan het uitwissen van de lelijke vlekken in mijn gestalte. Maar nu ik buiten je getreden ben, is ook deze verborgen wijsheid van je geweken. Zij zal zich verder niet meer om je bekommeren. Zij zal het werk nu in je eigen handen leggen. Ik moet een innerlijk volmaakt en heerlijk we­zen worden, wil ik niet te gronde gaan. Zou dat laatste gebeu­ren, dan zou ik met mijzelf ook jou omlaag trekken naar een donkere wereld van verderf. - Jouw eigen wijsheid moet nu, om dat te voorkomen, zo groot zijn dat zij de taak van die

verborgen wijsheid die nu van je geweken is, over kan nemen. ­

 

Zodra jij mijn drempel hebt overschreden, zal ik geen ogenblik meer als voor jou zichtbare gestalte van je zijde wijken. En wanneer jij voortaan iets doet of denkt dat onjuist is, zul je onmiddellijk je schuld als een lelijke, demonische misvorming aan mijn gestalte waarnemen. Pas wanneer jij al je vroegere onjuiste daden hebt goedgemaakt en je zo hebt gelouterd dat het je volstrekt onmogelijk is verder kwaad te doen, zal mijn wezen herschapen zijn in stralende schoonheid. En dan zal ik mij tot heil van je verdere werken weer met jou tot ťťn wezen kunnen verenigen.

 

Mijn drempel is echter opgetrokken uit ieder gevoel van vrees dat nog in je is, iedere vorm van schroom jegens de kracht die nodig is om de volle verantwoordelijkheid voor al je doen en denken zelf op je te nemen. Zolang je nog een spoor van vrees voelt om zelfleiding te geven aan je lot, zolang is deze drempel nog niet afgebouwd. Zolang er nog een enkele bouwsteen aan ontbreekt, zou je als betoverd bij deze drempel moeten blijven staan of struikelen. Probeer deze drempel niet eerder te over­schrijden dan wanneer je vrij bent van alle angst en bereid tot het nemen van de hoogste verantwoordelijkheid.

 

Tot nu toe trad ik alleen buiten je wanneer de dood je uit een aardse levensloop wegriep. Maar ook dan was mijn gestalte voor jou versluierd. Alleen de lotsmachten die over je heersten zagen mij en konden, naar de maatstaf van mijn uiterlijk, in de tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte krachten en vermo­gens in je ontwikkelen, opdat je in een volgend leven op aarde aan de verfraaiing van mijn gestalte kon werken, ten dienste van

je verdere ontwikkeling. Ik was het ook wiens onvolmaaktheid de machten van het lot steeds weer dwong jou in een nieuwe belichaming op aarde terug te brengen. Stierf je, dan trad ik naar voren; en omwille van mij bepaalden de bestuurders van het karma jouw wedergeboorte. Alleen als jij mij door steeds nieuwe levens op deze wijze onbewust tot volledige volmaakt­heid had gebracht, zou je niet meer aan de doodsmachten zijn overgeleverd; dan had jij je geheel met mij verenigd en zou je in eenheid met mij tot de onsterfelijkheid zijn overgegaan.

 

Zo sta ik nu zichtbaar voor je, zoals ik steeds onzichtbaar in je stervensuur naast je stond. Als je mijn drempel overschreden hebt, betreed je de rijken die je vroeger pas na de fysieke dood betrad. Je betreedt ze bij vol bewustzijn en je zult voortaan, terwijl je uiterlijk zichtbaar op aarde vertoeft, tegelijk ook ver­toeven in het rijk van de dood, maar dat is het rijk van het eeuwige leven. Ik ben werkelijk ook de engel des doods; maar zie, ik ben tegelijk de brenger van een onuitputtelijk hoger leven. Levend in het lichaam zul je door mij sterven, om je wedergeboorte tot een onvergankelijk bestaan te beleven.

 

Het rijk dat jij nu betreedt, zal je bekend maken met wezens van bovenzinnelijke aard. Diepe vervulling zal jou in dit rijk ten deel vallen. Maar de eerste kennismaking met deze wereld moet ikzelf zijn, ik die door jou ben geschapen. Vroeger leefde ik van jouw leven; maar nu ben ik door jou ontwaakt tot een eigen bestaan en sta ik voor jou als een zichtbaar richtsnoer voor je toekomstige daden, wellicht ook als een altijddurend verwijt. Jij kon mij scheppen; maar daarmee heb je tegelijk ook de plicht op je genomen mij te herscheppen.'

 

Wat hier verhalenderwijs is aangeduid, moet men zich niet voorstellen als iets symbolisch, maar als een in de hoogste zin reŽle ervaring van de leerling.

De wachter moet hem waarschuwen vooral niet verder te gaan wanneer hij niet de innerlijke kracht voelt om aan de eisen die in bovenstaande toespraak zijn vervat te voldoen. Hoe ver­ schrikkelijk de gestalte van de wachter ook is, zij is toch slechts het resultaat van het eigen voorafgaande leven; zij is slechts het eigen karakter van de leerling, dat nu tot een zelfstandig leven buiten hem is gewekt. En die verzelfstandiging vindt plaats wanneer de wil, het denken en het gevoel zich van elkaar losma­ken. - Alleen dat is al een ervaring van indrukwekkende bete­kenis wanneer voor de eerste keer wordt gevoeld dat men zelf een geestelijk wezen tot leven heeft gewekt. - Het doel van de voorbereiding die de leerling heeft ondergaan, is nu dat hij deze afschrikwekkende aanblik zonder enige vorm van angst kan verdragen en op het moment van de ontmoeting zijn krachten dusdanig versterkt weet dat hij zijn verantwoordelijkheid voor het herscheppen van de 'wachter' met vol bewustzijn op zich kan nemen.

 

Heeft de leerling de ontmoeting met de 'wachter aan de drempel' met goed gevolg doorstaan, dan betekent dit onder meer dat de eerstvolgende fysieke dood voor hem een heel andere gebeurtenis wordt dan de dood vroeger was. Hij beleeft zijn sterven bewust en legt het fysieke lichaam af zoals wij een kledingstuk uitdoen dat versleten is of wellicht door een scheur plotseling onbruikbaar is geworden. Zijn fysieke dood is dan alleen voor de anderen, die hun leven met hem delen en die in hun waarnemingen nog beperkt zijn tot de zintuiglijke wereld, een gebeurtenis van gewicht. Voor hen 'sterft' de leerling. Voor hemzelf verandert er niets van betekenis in zijn hele omgeving. De hele bovenzinnelijke wereld die hij nu is binnengegaan, was voor zijn dood al voor hem aanwezig en dezelfde wereld zal ook na zijn dood voor hem aanwezig zijn.

 

2.  de grote wachter.

 

 

Zo verschijnt de eerste 'wachter aan de drempel' als het evenbeeld van de mens in zijn dubbele natuur, gemengd uit vergankelijke en onvergankelijke elementen. En duidelijk is aan de 'wachter' te zien wat er nog ontbreekt voordat de verheven lichtgestalte is bereikt die weer de zuivere geestelijke wereld kan bewonen.

 

De mate waarin een mens nog in de fysiek-zintuiglijke wereld is verstrikt, wordt hem door de 'wachter aan de drem­pel' aanschouwelijk gemaakt. Dit verstrikt zijn manifesteert zich allereerst in het bestaan van instincten, driften, begeerten, egoÔstische wensen, in alle vormen van eigenbelang enzovoort. Verder komt het tot uitdrukking in het gegeven dat hij tot een ras, een volk enzovoort behoort. Want volkeren en rassen zijn enkel verschillende ontwikkelingsstadia op weg naar een zuive­re mensheid. Hoe volmaakter de representanten van een ras of volk de zuivere, ideale mens tot uitdrukking brengen, hoe meer zij zich van het fysiek vergankelijke hebben opgewerkt tot het bovenzinnelijk onvergankelijke, des te hoger dat ras of volk staat. De ontwikkeling van de mens via zijn incarnaties in steeds hogere vormen van volkeren en rassen is daarom een bevrijdingsproces. Uiteindelijk moet de mens in zijn harmoni­sche volmaaktheid verschijnen. - Op soortgelijke wijze is de doorgang door steeds zuiverder morele en religieuze voorstel­lingswijzen een proces van vervolmaking. Want ieder moreel niveau omvat nog de zucht naar het vergankelijke naast de idealistische kiemen voor de toekomst.

 

Nu manifesteert zich in de 'wachter aan de drempel' alleen het resultaat van de verleden tijd. En van de kiemen voor de toekomst is alleen aanwezig wat in dat verleden is geweven. Maar in de toekomstige bovenzinnelijke wereld moet de mens alles meebrengen wat hij uit de zintuiglijke wereld kan winnen. Zou hij niet meer willen meenemen dan wat vanuit het verleden in zijn tegenbeeld is geweven, dan zou hij zijn aardse opdracht maar ten dele vervullen. Daarom voegt zich bij de 'kleine wach­ter aan de drempel' na enige tijd de grote wachter. Wederom zal in verhalende vorm worden weergegeven wat zich in de ont­moeting met deze tweede 'wachter aan de drempel' afspeelt.

 

Nadat de mens heeft ingezien waar hij zich van moet be­vrijden, treedt hem een verheven lichtgestalte tegemoet. Het is moeilijk de schoonheid van die gestalte met de woorden van onze taal te beschrijven. - Deze ontmoeting vindt plaats wan­neer de organen van denken, voelen en willen ook in het fysieke lichaam zodanig van elkaar zijn losgeraakt dat hun onderlinge relaties niet meer door henzelf worden geregeld maar door het hogere bewustzijn, dat zich nu volledig onafhankelijk heeft ge­maakt van de fysieke omstandigheden. De organen van het denken, voelen en willen zijn dan werktuigen geworden die door de menselijke ziel geheel en al vanuit bovenzinnelijke regionen worden beheerst. - Tot deze ziel, die van alle zin­tuiglijke banden is bevrijd, wendt zich nu de tweede 'wachter aan de drempel', die ongeveer als volgt spreekt.

 

'Je hebt je losgemaakt uit de zintuiglijke wereld. Je hebt het recht verworven de bovenzinnelijke wereld jouw thuis te noe­men. Van hieruit kun je nu werkzaam zijn. Voor jezelf heb je je fysieke natuur in haar huidige vorm niet meer nodig. Als je je alleen het vermogen wilde verwerven om in deze bovenzin­nelijke wereld te wonen, hoefde je niet meer terug te keren naar de zintuiglijke wereld. Maar zie naar mij. Zie, hoe onmetelijk verheven ik ben boven alles wat je nu al van jezelf hebt gemaakt. Je bent tot je huidige niveau van volmaaktheid gekomen door de vermogens die je in de zintuiglijke wereld kon ontwikkelen zolang je nog op die wereld was aangewezen. Maar nu moet voor jou een tijd beginnen waarin jouw bevrijde krachten op hun beurt aan deze zintuiglijke wereld werken.

 

Tot dusver heb je alleen jezelf verlost, nu kun je, zelfbevrijd, al je lotgenoten in de zintuiglijke wereld mede bevrijden. Tot nu toe was je stre­ven gericht op jou alleen; voeg je nu in het geheel, opdat je niet alleen jezelf meeneemt naar de bovenzinnelijke wereld, maar ook al het andere dat in de zintuiglijke wereld bestaat. Eens zul je je kunnen verenigen met mijn gestalte; maar ik kan niet zalig zijn zolang er nog onzaligen zijn! Niettemin zou je, als bevrijde eenling, nu al het rijk van het bovenzinnelijke mogen betreden. Maar dan zou je moeten neerzien naar de nog niet verloste wezens van de zintuiglijke wereld. En dan zou je jouw lot heb­ben losgemaakt van het hunne. Maar jullie zijn allen met elkaar verbonden.

 

Jullie allen moesten afdalen naar de zintuiglijke wereld om daaruit de krachten te putten voor een hogere we­reld. Zou jij je van hen afscheiden, dan zou je de krachten misbruiken die je toch alleen in gemeenschap met hen hebt kunnen ontwikkelen. Zouden zij niet zijn afgedaald, dan had jij het ook niet gekund; zonder hen zouden jou de krachten ont­breken voor je bovenzinnelijk bestaan. Je moet deze krachten die je je met hen hebt verworven, ook met hen delen. Daarom ontzeg ik je de toegang tot de hoogste gebieden van de boven­zinnelijke wereld zolang je niet al je verworven krachten hebt gebruikt om de wereld waartoe je behoort te verlossen.

 

Met wat je al bereikt hebt, kun je vertoeven in de lagere gebieden van de bovenzinnelijke wereld, maar voor de poort naar de hogere gebieden sta ik "als de engel met het vurige zwaard voor het paradijs", en ik ontzeg jou de toegang zolang jij nog krachten hebt die ongebruikt zijn gebleven in de zintuiglijke wereld. En wil jij de jouwe niet gebruiken, dan zullen er anderen komen die hun krachten gebruiken; dan zal een hoge bovenzinnelijke wereld alle vruchten van de zintuiglijke in zich opnemen; maar jou zal de bodem ontnomen zijn waarmee je was vergroeid. De gelouterde wereld zal zich boven jou uit ontwikkelen. Jij zult ervan uitgesloten zijn. Zo is jouw pad het zwarte, degenen echter van wie jij je hebt afgescheiden gaan het witte pad.'

 

Zo kondigt de 'grote wachter aan de drempel' zich aan, spoe­dig nadat de ontmoeting met de eerste wachter heeft plaatsge­vonden. De ingewijde weet echter heel nauwkeurig wat hem te wachten staat wanneer hij de verlokkingen van een voortijdig verblijf in de bovenzinnelijke wereld volgt. Een onbeschrijflijke glans straalt van de tweede wachter aan de drempel uit; de vereniging met hem staat als een ver doel voor de schouwende ziel. Maar evenzeer is er de zekerheid dat deze vereniging pas mogelijk wordt wanneer de ingewijde alle krachten die hem uit deze wereld zijn toegevloeid, ook heeft aangewend in dienst van de bevrijding en verlossing van deze wereld.

 

Besluit hij te doen wat de verheven lichtgestalte vraagt, dan zal hij kunnen bijdra­gen aan de bevrijding van het mensengeslacht. Hij offert zijn gaven op het altaar van de mensheid. Kiest hij voor zijn eigen voortijdige verheffing in de bovenzinnelijke wereld, dan neemt de stroom van de mensheid haar loop zonder hem. Voor zich­zelf kan hij na zijn bevrijding uit de zintuiglijke wereld geen nieuwe krachten meer winnen. Stelt hij zijn inspanningen toch in haar dienst, dan aanvaardt hij dat hij uit de plaats van zijn verdere werkzaamheid niets meer voor zichzelf kan putten.

 

Het is zeker niet vanzelfsprekend dat de mens het witte pad zal kiezen wanneer hij zo voor de keuze wordt gesteld. Dat hangt er namelijk helemaal van af of hij ten tijde van deze keuze zo gelouterd is dat geen enkele vorm van egoÔsme hem ontvan­kelijk maakt voor de verlokkingen van de gelukzaligheid. Want die verlokkingen zijn de grootst denkbare. En aan de andere zijde zijn eigenlijk helemaal geen bijzondere verlokkingen te vinden. Daar is niets dat het egoÔsme aanspreekt. Wat de mens in de hogere regionen van de bovenzinnelijke wereld zal ont­vangen, is niets dat naar hem toekomt maar iets dat van hem uitgaat: de liefde voor de wereld waartoe hij behoort. Van alles wat het egoÔsme verlangt, wordt namelijk op het zwarte pad niets ontbeerd.

 

Integendeel: de vruchten van dit pad zijn juist de volmaaktste bevrediging van het egoÔsme. En wil iemand de gelukzaligheid alleen voor zichzelf, dan zal hij heel zeker dit zwarte pad bewandelen, want dit is wat hij zoekt. - Daarom mag niemand van de occultisten van het witte pad verwachten dat zij hem aanwijzingen geven voor de ontwikkeling van zijn eigen egoÔstische ik. Voor het zielenheil van de enkeling hebben zij niet de minste interesse. Dat mag ieder voor zichzelf zien te bereiken. Die ontwikkeling te bespoedigen is niet de taak van de witte occultisten. Hun streven is enkel de ontwikkeling en bevrijding van alle wezens die mensen zijn en lotgenoten van de mens.

 

Daarom geven zij alleen aan hoe de mens zijn krachten kan ontwikkelen om mee te werken aan deze taak. Daarom stellen zij onzelfzuchtige toewijding en offerbereidheid boven alle andere eigenschappen. Zij wijzen niemand bij voorbaat af, want ook de grootste egoÔst kan zich louteren. Maar wie alleen voor zichzelf iets zoekt, zal zolang hij dat doet niets bij de occultisten vinden. Zelfs als dezen hem hun hulp niet onthou­den, is hij het, de zoekende, die zich aan de vruchten van de hulp onttrekt. Wie daarom werkelijk de aanwijzingen van goe­de leermeesters volgt, zal na het overschrijden van de drempel begrijpen wat de grote wachter van hem vraagt; wie hun aan­wijzingen niet volgt, hoeft ook niet te verwachten dat hij ooit door die leermeesters tot de drempel zal komen.

 

Hun aanwij­zingen leiden ten goede of zij leiden tot helemaal niets. Want de weg te wijzen naar egoÔstisch geluk en een leven in de bovenzin­nelijke wereld zonder meer valt buiten hun taak. Deze is van meet af aan zo gericht dat de leerling verre wordt gehouden van de bovenzinnelijke wereld totdat hij die met de wil tot toe­gewijde medewerking betreedt. 

 

 

 

                                                  05.  MYSTERIEN EN MYSTERIE-WIJSHEID

 

In de oude culturen zochten zij, die geestelijk niet bevre­digd werden door hetgeen het volksgeloof hen bood, op andere wijze naar dieper inzicht en religieus beleven.

Over deze wijze van zoeken ligt een waas van geheim­zinnigheid. Tracht men hier achter door te dringen, dan stuit men op raadselachtige cultische plechtigheden. Iedere persoonlijkheid, die daarbij een inwijding door­maakt, is dan gedurende een bepaalde tijd aan de waar­neming onttrokken.

 

Wie de weg van de inwijding gaat, - omdat het volks­geloof hem niet kan geven, wat hij van binnenuit zoekt - aanvaardt weliswaar nog de goden, maar weet dat in de gebruikelijke opvattingen over de goden de grote levensvragen niet worden onthuld. Hij zoekt wijsheid die zorgvuldig behoed wordt door een gemeenschap van priester-wijzen. Hij zoekt voor zijn strevende ziel toe­vlucht bij deze gemeenschap. Wanneer hij door de pries­ters is rijp bevonden, wordt hij door hen langs een reeks trappen van inwijding gevoerd naar hoger inzicht. Wat dan met hem gebeurt, blijft verborgen voor de onin­gewijde. Hij schijnt voor enige tijd geheel aan de aardse wereld ontrukt te zijn. Het lijkt of hij naar een geheime wereld is verplaatst. Wanneer hij weer in het daglicht komt staat daar een andere, geheel vernieuwde persoon­lijkheid voor ons. Een persoonlijkheid, die geen woor­den kan vinden verheven genoeg, om uit te drukken van welk een grote betekenis het doorleefde voor hem is ge­weest. Het lijkt hem, dat hij niet alleen symbolisch, maar in werkelijkheid door de dood is gegaan en in een nieuw hoger leven is ontwaakt. En hij is zich bewust, dat niemand zijn woorden goed kan begrijpen, die niet hetzelfde heeft beleefd.

Zo was het gesteld met de mensen, die door de mysteriŽn werden ingewijd in de geheimzinnige wijsheid, die aan het volk werd onthouden en die klaarheid bracht over de hoogste vragen.

 

Naast de volksreligie bestond deze "geheime" religie der uitverkorenen, die voor de historische blik verdwijnt in het duister van de oorsprong der volkeren. Men treft haar aan bij alle oude volkeren. De wijzen van deze volkeren spreken met grote eerbied over de mysteriŽn. Wat werd daarin verborgen gehouden? En wat werd onthuld als men werd ingewijd?

Het raadselachtige wordt nog verhoogd, als men hoort, dat de mysteriŽn ook als iets gevaarlijks werden be­schouwd. Door een wereld van verschrikkingen voerde de weg naar de geheimen van het bestaan. En wee degene, die deze als nog onwaardige wilde bereiken. Er bestond geen groter misdrijf dan "verraad" van de geheimen aan een oningewijde.  Veelzeggend, maar ook dubbelzinnig, klinkt alles wat in de oudheid over de geheimen wordt vermeld. De inge­wijde is ervan overtuigd, dat het een zonde is om te vertellen wat hij weet; en ook dat het voor de oninge­wijde een zonde is om het te horen.

 

Plutarchus spreekt over de schrik van de inwijdeling en vergelijkt zijn situatie met de voorbereiding voor de dood.

Aan de inwijding moest een speciale levenswijze voor afgaan. De bedoeling hiervan was, de zinnelijkheid in de beheersing door de geest te brengen. Vasten, een­zaamheid, kastijdingen en bepaalde oefeningen voor de ziel waren daarbij nodig. Alles waaraan de mens in het gewone leven gehecht is, moest zijn waarde voor hem verliezen. De hele richting van zijn waarnemings- en gevoelsleven moest een andere worden.

Over de bedoeling van dergelijke oefeningen en beproe­vingen kan geen twijfel bestaan. De wijsheid, die de inwijdeling zou deelachtig worden, kon slechts dan de juiste werking op zijn ziel uitoefenen wanneer hij tevo­ren zijn lager gevoelsleven had omgevormd. Hij werd binnengeleid in het leven van de geest. Hij zou een hoge­re wereld schouwen. Tot die wereld kon hij zonder voorafgaande oefeningen en beproevingen geen verhou­ding krijgen. En op die verhouding kwam het aan.

 

Om over deze dingen op de juiste wijze te kunnen den­ken moet men ervaren zijn in een subtiel onderscheiden op het gebied van het kennen. Men zal dan beleven, dat er twee totaal verschillende verhoudingen bestaan t.o.v. de hoogste kennis.

De wereld, die de mens omgeeft is in eerste instantie zijn werkelijke wereld. De mens tast, hoort en ziet wat er gebeurt. Omdat hij dat met zijn zintuigen waarneemt, noemt hij het werkelijk. En hij denkt na, om zich over de samenhangen klaarheid te verschaffen. Wat daarentegen in de ziel van de mens opstijgt, is aanvankelijk niet in dezelfde zin werkelijkheid: dat zijn "alleen maar" ge­dachten en ideeŽn. Daarin ziet hij hoogstens beelden van de zintuiglijke werkelijkheid: zij zijn niet zelf werkelijk­heid. Men kan hen niet betasten, men hoort hen niet en ziet hen niet.

 

Er bestaat echter nog een andere verhouding tot de we­reld. Wie onvoorwaardelijk zich houdt aan de zo juist beschreven werkelijkheid, kan voor die andere werkelijk­heid nauwelijks begrip hebben. Maar voor bepaalde mensen openbaart deze zich op een zeker ogenblik in hun leven. De hele verhouding tot de wereld keert zich dan voor hen om. Beelden, die in het geestelijk beleven van de ziel opkomen, noemen zij dan de ware werkelijk­heid en wat hun zintuigen horen, tasten en zien, dat noe­men ze een werkelijkheid van lagere rang. Zij weten, dat zij niet kunnen bewijzen, wat zij nu zeggen. Zij weten, dat zij van hun nieuwe ervaringen alleen maar kunnen vertellen; en dat zij met hun verhalen zo staan tegen­over de ander, als iemand die zien kan, staat met zijn verhalen tegenover iemand, die blindgeboren is. Van hun innerlijke belevenissen delen zij iets mede, omdat zij het vertrouwen hebben, dat bij hun toehoorders weliswaar het geestelijk oog nog niet ziende is, maar dat een denkend begrijpen door de kracht die in het mee­gedeelde ligt, mogelijk kan zijn. Want zij hebben ver­trouwen in de mensheid en willen ertoe bijdragen, dat de geestelijke ogen geopend worden. Zij kunnen de vruchten, die hun eigen geest heeft geplukt, slechts tonen; of de ander deze ziet, hangt ervan af, of hij begrip heeft voor wat een geopend geestesoog kan zien.

 

Er is in de mens iets, dat hem vooralsnog belet met eigen geestesogen te zien. Zijn bestaan is aanvankelijk niet daarop gericht: zijn zintuigen bepalen slechts zijn bestaan en zijn ver­stand verklaart en ordent wat hij waarneemt. Deze zin­tuigen zouden hun taak slecht vervullen, wanneer zij niet rekenden op de betrouwbaarheid en onfeilbaarheid van hun getuigenissen. Een oog zou een slecht oog zijn als het niet als zodanig vasthield aan de volstrekte wer­kelijkheid van zijn gezichtswaarnemingen. Het oog heeft voor zichzelf gelijk. Het verliest ook zijn gelijk niet door de ontwikkeling van het geestesoog. Het geestesoog maakt alleen mogelijk, dat men de door het fysieke oog waargenomen dingen in een hoger licht ziet. Men ontkent dan ook niets van dat alles. Maar wat men ziet, straalt met een nieuwe glans, die men vroeger niet heeft waargenomen. En dan weet men, dat men aanvankelijk alleen een lagere werkelijkheid zag. Men ziet nog hetzelfde, maar men ziet het doortrokken van iets bovenaards, van de geest. Het gaat er nu om of men ook beleeft en voelt wat men zo ziet.

 

Wie alleen de materiŽle wereld tegemoet treedt met een levendig waarnemen en voelen, ziet het hogere als een Fata Morgana, als "maar" een voortbrengsel van de fan­tasie. De gevoelens van zo iemand, zijn slechts op het zintuiglijk waarneembare gericht. Hij grijpt in een leeg­te, wanneer hij beelden in het geestgebied wil grijpen. Deze trekken zich van hem terug, wanneer hij hen be­nadert. Zij zijn "maar" gedachten. Hij denkt die ge­dachten; hij leeft niet in hen. Beelden blijven het voor hem, onwerkelijker dan vervliegende dromen. Schimmen worden ze, wanneer hij zijn eigen werkelijkheid daar­naast plaatst; zij verdwijnen dan tegenover de massieve in zichzelf vastgeklonken werkelijkheid, waarover zijn zintuigen hem inlichten. Anders is het gesteld met ie­mand, die in zijn belevenissen en gevoelens een andere verhouding tot de werkelijkheid heeft gevonden. Voor zo iemand heeft de gewone werkelijkheid haar absolute stabiliteit, haar onbetwiste waarde verloren. Zijn zin­tuigen en gevoelens behoeven niet af te stompen, maar er begint twijfel te ontstaan over hun onbetwiste opper­heerschappij; er begint ruimte te komen voor iets anders. De wereld van de geest begint in deze ruimte te leven.

 

Hier ligt een mogelijkheid, dat iets verschrikkelijks op­treedt. Het is nl. mogelijk, dat de mens zijn beleven van de onmiddellijke werkelijkheid verliest en dat zich nog geen nieuwe werkelijkheid aan hem voordoet. Het lijkt op een zweven in een lege ruimte. Hij komt zichzelf als gestorven voor. De oude waarden zijn verdwenen en geen nieuwe bestaan er nog voor hem. De wereld en de mens zijn voor hem niet meer voorhanden. Dit is zelfs meer dan louter een mogelijkheid. Het wordt door ieder, die tot hoger inzicht wil komen, eens doorgemaakt. Men komt dan in een gebied, waar de geest alle leven dood verklaart. Men is niet meer in de wereld. Men is onder de wereld - in de onderwereld. Men maakt de tocht door de Hades. Gelukkig hij, die nu niet verzinkt, maar voor wie dan een nieuwe wereld opengaat. Hij gaat ten onder of hij beleeft zich als geheel veranderd en her­boren. In dit geval staan een nieuwe zon en een nieuwe aarde voor de mens. Uit het geestelijk vuur is de gehele wereld nieuw geboren voor hem[1][1].

 

Dit nieuwe bestaan is niet onderworpen aan de wetma­tigheden van het gewone leven. Het wordt niet beroerd door ontstaan en vergaan. Iemand kan veel over het eeuwige spreken; als hij daarmee niet hetzelfde bedoelt als diegenen, die de tocht door de Hades hebben ge­maakt, dan zijn zín woorden holle klanken en vervliegen als rook. Ingewijden hebben een nieuw inzicht in leven en dood verworven. Daardoor pas beschouwen zij zich­zelf gerechtigd om over onsterfelijkheid te spreken. Zij weten, dat hij, die daarover iets zegt zonder de kennis waarmee men na de inwijding over onsterfelijkheid kan spreken, geen juist begrip heeft. Zo iemand schrijft de onsterfelijkheid toe aan iets, dat aan de wetten van ont­staan en vergaan is onderworpen.

 

De mysten wilden niet alleen maar de overtuiging heb­ben, dat de levenskiem eeuwig is. Volgens de mysterie­opvatting zou zo'n overtuiging zonder enige waarde zijn. Want volgens die opvatting beleeft de niet-myste het eeuwige niet echt in zich: spreekt hij van iets eeuwigs, dan spreekt hij eigenlijk van een niets. Het is juist het eeuwige zelf, wat de mysten zoeken. Zij moeten eerst het eeuwige in zichzelf wekken: dan kunnen zij erover spreken. Volkomen werkelijkheid is daarom voor hen Plato's harde uitspraak, dat wie niet ingewijd is, in het slijk verzinkt en dat alleen hij, die mystiek leven heeft ervaren, de eeuwigheid binnen treedt[2][2]. Zijn dat niet gevaren, die men beschrijft, als men over de mysteriŽn spreekt? Berooft men niet degeen, die men naar de poort van de onderwereld voert, van een geluk, van een hoogste levenswaarde? Inderdaad is de ver­antwoordelijkheid, die men daarmee op zich neemt, schrikwekkend groot. En toch: mogen wij ons aan deze verantwoordelijkheid onttrekken? - Dat waren de vra­gen die de ingewijde zich moest voorleggen.

 

Hij was van mening, dat de voorstellingswereld van het volk zich tot zijn kennis verhielden als het duister tot het licht. Maar in dit duister woont een onschuldig geluk. De mysten nu meenden, dat in dit geluk niet schendend mocht worden ingegrepen. Want wat had het aanvankelijk voor betekenis gehad, wanneer de myste zijn geheim "ver­raden" zou hebben? Hij zou slechts woorden, niets dan woorden gesproken hebben. Nergens waren het beleven en de gevoelens aanwezig geweest, die uit deze woorden de geest hadden kunnen slaan. Daartoe zouden immers de voorbereiding, de oefeningen en beproevingen, de gehele omvorming van het zintuiglijk leven, nodig zijn geweest. Met het ontbreken daarvan, zou men de toe­hoorder in de leegte, in het niets hebben geslingerd. Men zou hem afgenomen hebben, wat zijn geluk uit­maakte en men had hem niets daarvoor in de plaats kunnen geven. Ja, men had hem eigenlijk niet eens iets echt kunnen ontnemen, want met louter woorden zou men zijn gevoelsleven niet hebben kunnen veranderen. Alleen bij de dingen, die zintuiglijk waar te nemen zijn zou hij werkelijkheid hebben kunnen voelen en beleven. Men zou hem slechts een schrikwekkend levenverwoes­tend vermoeden hebben kunnen geven. Dat zou als een misdrijf beschouwd moeten worden.

 

Dit geldt niet meer ten volle voor het verwerven van kennis op geestelijk gebied in de tegenwoordige tijd. Want deze kennis kan men nu verstandelijk opnemen, omdat de moderne mensheid een begripsvermogen heeft, dat de vroegere mensheid nog niet had. Tegenwoordig is het mogelijk, dat er bepaalde mensen zijn, die door eigen beleven zich kennis van de geestelijke wereld ver­worven hebben; daartegenover kunnen zich mensen be­vinden, die deze belevenissen verstandelijk kunnen begrijpen. Een dergelijk verstandelijk begripsvermogen ontbrak aan de vroegere mensheid.

 

Bron: Christelijk Opstandingsmysterie en Voorchristelijke MysteriŽn Ė R. Steiner



[1][1] Zo schilderen de ingewijden wat zijzelf in de mysteriŽn hebben doorleefd. Menippus vertelt, dat hij naar Baby­lon is gereisd om door de volgelingen van Zoroaster de Hades binnen en weer uitgeleid te worden. Hij vertelt, dat hij op zijn tocht door het grote water is gezwommen; dat hij door vuur en ijs is gegaan. Men kan van inwijde­lingen horen, dat zij verschrikt werden door een getrok­ken zwaard en dat daarbij "bloed vloeide". Zulke woor­den kan men begrijpen, wanneer men de doorgangspoort van het gewone inzicht naar hoger inzicht zelf kent. Dan heeft men zelf gevoeld hoe alle vaste materie, hoe al het zintuiglijk waarneembare als water vervloeide; men had zelf alle vaste grond verloren. Alles wat men tevoren als levend had ervaren, was dood geworden. Zoals een zwaard door een warm lichaam gaat, zo is de geest gegaan door alles wat zintuiglijk waarneembaar is in het leven; men heeft het bloed van de lichamelijk­heid zien vloeien. Maar nieuw leven is verschenen. Men is uit de onderwereld opgestegen.

De redenaar Aristides spreekt daarover als volgt: "ik meende God aan te raken, zijn nabijheid te voelen en daarbij bevond ik mij tussen waken en slapen; mijn geest was heel licht, geen mens kan zoiets vertellen en begrij­pen, die niet "ingewijd" is."

 

[2][2] Alleen op die manier kunnen ook de woorden uit een fragment van Sophokles worden begrepen: "Hoe begenadigd treden zij het schimmenrijk binnen, die ingewijd zijn. De enigen die daar leven zijn zij; de anderen valt slechts ellende en ongerief ten deel."

 

 

De opvoeding van het kind in het licht der antroposofie

Dr Rudolf Steiner

 

Deel I Ė De menselijke natuur.

 

De natuur van het kind wordt eenvoudig beschreven. Uit het wezen van de opgroeiende mens zullen zich vanzelf de gezichtspunten voor de opvoeding voor­doen.

Om dit wezen van de opgroeiende mens te leren kennen, moet men bij de beschouwing uitgaan van hetgeen over het geheel genomen als het verborgene in de menselijke natuur ligt.

 

01. Het fysieke lichaam

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werke­lijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geestes­wetenschappelijk onderzoek slechts een deel van 's mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onder­worpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelf­de stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zogenaamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het gehele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.

 

02. Het levenslichaam

De geesteswetenschap komt tot de erkenning van een tweede krachtencomplex in de mens, dat onderscheiden moet worden van het fysieke lichaam; dit wordt aangeduid met de naam van levenslichaam of aetherlichaam. De na­tuurkundige neme geen aanstoot aan het woord "aether­lichaam". "Aether" betekent hier wat anders dan de hypo­thetische aether in de natuurkunde. Men neme dit woord eenvoudig als benaming voor hetgeen hieronder beschreven wordt. Enige tijd geleden beschouwde men het als hoogst onweten­schappelijk van een dergelijk "aetherlichaam" te spreken. Tegen het eind van de 18e en in de eerste helft van de 1ge eeuw werd dat echter geenszins "onwetenschappelijk" ge­acht. Men kwam toen tot de overweging, dat de stoffen en krachten, die in een mineraal werken, uit zichzelf dit mine­raal niet tot een levend wezen kunnen vormen. Hierin zou nog een speciale kracht aanwezig moeten zijn, welke men "levenskracht" noemde. Men stelde zich ongeveer voor, dat een soortgelijke kracht als die, welke in de magneet de aantrekking veroorzaakt, in mens, plant en dier de levens­verschijnselen teweegbracht. Deze voorstelling is later, in de tijd van het materialisme, verworpen. Men meende toen, dat een levend wezen op dezelfde wijze zijn organische bouw vormt als een stuk anorganische natuur; dat er in het mineraal geen andere krachten heersen dan in een levend organisme, maar dat deze alleen op een gecompli­ceerder wijze werken, dat ze een ingewikkelder structuur opbouwen. Tegenwoordig houden alleen nog maar de meest verstokte materialisten vol, dat er geen "levenskracht" be­staat. Een reeks van natuuronderzoekers heeft door erva­ring geleerd, dat men toch genoodzaakt is zoiets als een levenskracht of levensbeginsel aan te nemen. Op deze wijze komt de nieuwere wetenschap in zekere zin nader tot het­geen de geesteswetenschap met betrekking tot het levens­lichaam te zeggen heeft. Maar toch bestaat er een belangrijk verschil. De tegenwoordige wetenschap komt door ver­standelijke overweging op grond van zintuiglijk waar­neembare feiten tot het aannemen van een soort levens­kracht. Dit is echter niet de weg van een reŽel onderzoek, waar de geesteswetenschap van uitgaat en waarvan zij de resultaten meedeelt. Er kan niet genoeg op gewezen wor­den, hoe de geesteswetenschap zich op dit punt onder­scheidt van de wetenschap zoals deze tegenwoordig in de regel beoefend wordt. Deze laatste beschouwt de zintuiglijke ervaring als de grondslag van alle kennis, en wat niet op dit fundament kan worden opgebouwd, kan volgens haar geen object voor het weten zijn. Zij maakt gevolg­trekkingen uit de indrukken, die de zintuigen opleveren. Wat daar echter bovenuit gaat, wijst zij af, verklarend, dat dit buiten de grenzen van het menselijk kenvermogen ligt. Voor de geesteswetenschap lijkt een dergelijke opvat­ting op die van een blinde, die slechts wil laten gelden, wat tastbaar is en wat door conclusies uit tastervaringen valt af te leiden, terwijl hij datgene, wat mensen met een normaal gezichtsvermogen over de wereld te vertellen hebben als on­toegankelijk voor het kennen afwijst. Want de geestes­wetenschap toont aan, dat de mens mogelijkheden tot ont­wikkeling in zich draagt; dat hij zich nieuwe werelden kan veroveren door ontplooiing van nieuwe organen. Zoals kleuren en licht de blinde omgeven en hij deze alleen niet kan waarnemen, omdat hij er geen orgaan voor heeft, zo is de mens volgens de geesteswetenschap door vele werelden omgeven, welke hij kan waarnemen, wanneer hij slechts de daartoe noodzakelijke organen ontwikkelt. Zoals voor een blinde een nieuwe wereld opengaat, zodra hij geopereerd is, zo kan de mens door ontplooiing van hogere organen nog geheel andere werelden leren kennen dan die, welke de gewone zintuigen hem aanvankelijk doen waarnemen. Of nu een lichamelijke blindheid door een operatie te ver­helpen is of niet, hangt van de gesteldheid van de organen af; die hogere organen echter, door middel waarvan de mens in hogere werelden kan doordringen, zijn bij ieder mens in kiem aanwezig. Iedereen kan ze ontwikkelen, die het geduld, de volharding en de energie bezit om de me­thoden toe te passen, welke in het boek "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden?" zijn beschreven. De geesteswetenschap verklaart dus allerminst, dat de mens door de beperktheid van zijn organisme voor kengrenzen is gesteld, maar zij zegt: voor de mens bestaan die werelden, waarvoor hij waarnemingsorganen heeft. En zij spreekt over de middelen om de bestaande grenzen te overschrijden. Dat is ook haar werkwijze bij het onderzoek van al wat in de volgende bladzijden nog verder als hogere delen in het geheel van de menselijke natuur wordt onderscheiden. De geesteswetenschap erkent, dat slechts het fysieke lichaam met behulp van de gewone zintuigen onderzocht kan wor­den en dat men op grond van dit zintuiglijk onderzoek hoogstens door verstandelijke overweging het bestaan van een hoger "lichaam" kan concluderen. Maar zij laat zien, hoe men zich een wereld kan ontsluiten, waarin de be­schouwer deze hogere delen van de menselijke natuur ont­waart, evenals een blindgeborene, die geopereerd is, de kleuren en het licht aan de dingen waarneemt. Voor diege­nen, welke hun hogere waarnemingsorganen ontwikkeld hebben, is het aether- of levenslichaam een waarnemings­object, een direct gegeven en niet iets, waartoe men slechts door verstandelijke overweging indirect geleid wordt.

Dit aether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een organisch ge­heel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enz. optreden. Het aetherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. Daarom kan men ook zeggen, dat het levens­lichaam zichzelf in het fysieke lichaam uitdrukt als in een beeltenis. Beide zijn bij de mens, wat betreft hun vorm en grootte, ongeveer, geenszins geheel en al, gelijk. Bij dieren en sterker nog bij planten verschillen vorm en afmeting van het aetherlichaam aanmerkelijk van die van het fysieke lichaam.

 

03. Het gewaarwordinglichaam.

Het derde complex van werkingen, dat van de twee voor­afgaande "lichamen" onderscheiden moet worden, is het zogenaamde gewaarwordings- of astrale lichaam. Het is de drager van pijn en welbehagen, van driften, begeerte, hartstochten enz. Dit alles ontbreekt bij een wezen, dat slechts uit een fysiek en een aetherisch lichaam bestaat. Men kan alles wat hier genoemd wordt als behorend tot het astrale complex samenvatten met het woord: gewaar­wording.[1] De plant heeft geen gewaarwording. Wanneer tegenwoordig vele geleerden op grond van het feit, dat sommige planten met bewegingen of anderszins op prikkels reageren, tot de gevolgtrekking komen, dat planten een zeker gewaarwordingvermogen bezitten, bewijzen zij daarmee slechts de werkelijke aard van de gewaarwording niet te kennen. Het komt er in zulke gevallen namelijk niet zozeer op aan, of er een reactie volgt op een prikkel van buitenaf, dan wel of de prikkel zich in het betrokken wezen afspiegelt door een innerlijk proces zoals lust, pijn, drift, begeerte enz. Zou men dit niet in het oog houden, dan zou men met hetzelfde recht kunnen zeggen, dat blauw lakmoespapier een gewaarwording heeft van bepaalde stof­fen, omdat het bij de aanraking daarvan reageert met een rode verkleuring.[2]

Dit gewaarwordinglichaam heeft de mens alleen met de dierenwereld gemeen. Het is dus de drager van het gewaar­wordingsleven.

Men mag niet in de fout van bepaalde theosofische kringen vervallen door te menen, dat het aether- en astrale lichaam eenvoudigweg uit ijlere substanties bestaan dan die, welke in het fysieke lichaam voorkomen. Zodoende zou men deze hogere delen van de menselijke natuur vermaterialiseren. Het aetherlichaam is een gesloten complex van krachten, het bestaat niet uit materie, maar uit krachtwerkingen; en het astrale- of gewaarwordinglichaam is een gesloten vorm van stromende kleurige licht uitstralende beelden.[3]

Het gewaarwordinglichaam wijkt in zijn vorm en grootte van het fysieke lichaam af. Bij de mens heeft het de vorm van een langwerpig ei, dat het fysieke en het aetherische lichaam omsluit. Het breidt zich aan alle zijden om deze beide uit als een weefsel van lichtgevende beelden.

 

04. Het ik-lichaam

Nu is er in de opklimmende reeks geledingen van 's mensen natuur nog een vierde lid te onderscheiden, dat hij met andere aardse wezens niet gemeen heeft. Dit is de drager van het menselijke "ik". Het woordje "ik" is in onze taal een benaming, die zich van alle andere naamwoorden onderscheidt. Wie over de aard van dit woord nadenkt, zo, dat hij het wezen van de zaak raakt, die verschaft zich daarmee tegelijkertijd een toegang tot dieper inzicht in de menselijke natuur. Ieder ander naamwoord kan door alle mensen op precies dezelfde wijze gebruikt worden om er een overeenkomstig ding mee aan te duiden. Een tafel kan iedereen tafel, een stoel, stoel noemen. Bij het naamwoord "ik" is dat niet het geval. Niemand kan dat woordje ge­bruiken om er een ander mee aan te duiden; ieder kan slechts zichzelf met "ik" aanspreken. Nooit kan mij het voornaamwoord "ik" in de oren klinken als een aan­duiding van mij. Door het feit, dat de mens "ik" zegt, alleen met betrekking tot zichzelf, moet hij in zichzelf zich deze naam geven. Een wezen, dat dit innerlijke "ik"-woord uitspreken kan, is een wereld op zichzelf. In de gods­diensten, die op geesteswetenschappelijke inzichten berus­ten, is dit ook altijd aangevoeld. Daar wordt gezegd: Met het "ik" begint de Godheid, die zich bij de lagere wezens slechts van buitenaf in de verschijnselen der omgeving openbaart, in de innerlijke wereld te spreken. De drager van het hier beschreven vermogen is het "ik-lichaam", het vierde lid in de totale geleding van het mensenwezen.[4]

Dit "ik-lichaam" is de drager van de hogere mensenziel; hierdoor is de mens de kroon van de aardse schepping. Het "ik" is echter in de tegenwoordige mens geenszins een­voudig naar zijn aard en wezen. Men kan deze aard leren kennen, wanneer men mensen van verschillende ontwik­kelingshoogte met elkaar vergelijkt. Men beschouwe de on­ontwikkelde natuurmens en de gemiddelde Europeaan, en vergelijke deze dan weer met een mens, bezield door hoge idealen. Zij hebben alle drie het vermogen "ik" tot zich­zelf te zeggen; het "ik-lichaam" is bij alle drie aanwezig. De onontwikkelde wilde volgt evenwel met dit "ik" zijn hartstochten, driften en begeerten bijna als een dier. De hoger ontwikkelde mens zegt ten aanzien van bepaalde neigingen en lusten tot zichzelf: aan deze mag je toegeven; andere beteugelt en onderdrukt hij. De idealist heeft naast de oorspronkelijke neigingen en hartstochten hogere drijf­veren in zich ontwikkeld. Dit alles is geschied, omdat het "ik" aan de andere delen van de menselijke natuur gewerkt heeft. En daarin ligt juist de taak van het "ik", dat het door zijn inwerking de andere delen veredelt en loutert.

 

05. Opdracht van het Ďikí

Bij de mens, die innerlijk uitgegroeid is boven de toestand, waarin hij door de uiterlijke natuur geplaatst was, zijn dus de lagere delen van zijn wezen onder invloed van het "ik" min of meer omgewerkt. Op het moment, dat het "ik" ont­vonkt en de mens zich daardoor boven het dier verheft, lijkt hij, wat de lagere delen van zijn wezen betreft, nog steeds op een dier. Zijn aether- of levenslichaam is enkel en alleen nog maar de drager van de vitale vormkrachten, van groei en voortplanting. Zijn gewaarwordinglichaam brengt slechts zulke driften, begeerten en hartstochten tot uiting, welke door de buitenwereld worden opgewekt. Ter­wijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnaties opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het "ik" gaandeweg op de drie andere "lichamen" in, zodat deze veranderd worden. Zodoende wordt het gewaarwordinglichaam de drager van gelouterde gevoelens van sympathie en antipathie, van meer verfijnde wensen en begeerten. En ook het aether- of levens lichaam wijzigt zich. Het wordt de drager van gewoonten, van diepgewortelde neigingen, van het temperament en het geheugen. Een mens, wiens "ik" nog niet aan zijn levenslichaam gewerkt heeft, be­houdt geen herinnering aan zijn belevenissen. Hij leeft slechts van moment tot moment, de drang volgend, die de natuur in hem heeft gelegd.

De gehele ontwikkeling van de cultuur is een uitdrukking van het feit, dat in de mens deze omwerking der lagere lichamen door het "ik" plaats vindt, een omwerking, die zich tot in het fysieke lichaam voortzet. Onder invloed van het "ik" veranderen het gelaat, de gebaren en bewegingen, het gehele aanzien van het fysieke lichaam.

Men kan ook onderscheiden, hoe de verschillende gebieden van de cultuur en middelen van beschaving op de afzon­derlijke delen van het mensen wezen verschillend inwerken. De gewone cultuurelementen beÔnvloeden het gewaarwordinglichaam; zij brengen hierin een verandering teweeg, zodat andersoortige gevoelens van sympathie en antipathie, andere neigingen enz. optreden dan tevoren. Het zich aan­dachtig verdiepen in kunstwerken oefent een werking op het aetherlichaam uit. Doordat het kunstwerk de mens in aanraking brengt met iets wat hoger en edeler is dan de gegeven zintuiglijke wereld, wordt het aetherlichaam tot hogere ontwikkeling gebracht. Een machtig middel tot loutering en veredeling van het aetherlichaam is de religie. De religieuze impulsen hebben daardoor hun grootse en verstrekkende taak in de mensheidsontwikkeling.

Dat wat men "geweten" noemt, is niets anders dan het resultaat van de arbeid van het "ik" aan het levenslichaam gedurende een reeks van incarnaties. Wanneer de mens inziet, dat hij de een of andere daad niet moet verrichten en wanneer dit inzicht een zo sterke indruk op hem maakt, dat deze zich tot in zijn aetherlichaam voortplant, dan ont­staat geweten.

Nu kan deze arbeid van het "ik" aan de genoemde drie lagere "lichamen" meer voor het gehele mensengeslacht gelden, of er kan sprake zijn van een zuiver individuele arbeidsverrichting van het afzonderlijke "ik" aan zichzelf. Aan de eerstbedoelde arbeid ter verandering van de mens werkt in zekere zin de menselijke soort als totaliteit mede; de laatst bedoelde moet berusten op de oereigen activiteit van het "ik". Wanneer nu het "ik" zo sterk wordt, dat het uitsluitend door zijn meest eigen kracht het gewaarwordinglichaam omwerkt, dan noemt men datgene, wat het "ik" op deze wijze uit het gewaarwordings- of astrale lichaam maakt: het geestzelf (of met een woord dat de oude IndiŽr hiervoor gebruikte: manas). Deze intensieve omwerking berust in wezen op een scholing, een verrijking van het innerlijke leven door hogere ideeŽn en inzichten. Het is echter mogelijk, dat het "ik" komt tot een nog hogere individuele activiteit ter ontwikkeling van 's men­sen eigen wezen. Dit geschiedt, wanneer niet alleen het astrale lichaam wordt omgewerkt. De mens leert in zijn leven velerlei dingen; en wanneer hij op het een of andere moment terugblikt op de afgelegde levensweg, dan kan hij dit bij zichzelf constateren. Maar hij zal in veel geringere mate een verandering kunnen bespeuren in zijn tempera­ment, zijn karakter, of zijn geheugen, hetzij dat beter of slechter is geworden tijdens zijn leven. Het leren houdt verband met het astrale lichaam, de verandering van tem­perament, karakter enz. echter met het aether- of levens­lichaam. Het is daarom geen onjuist beeld, wanneer men de verandering van het astrale lichaam tijdens het leven met de gang van de grote wijzer, de omwerking van het levenslichaam daarentegen met het tempo van de kleine wijzer van een klok vergelijkt.

Wanneer de mens de weg van de geestelijke, of zo genoemde occulte scholing inslaat, komt het er vooral op aan, dat hij deze verandering van het aetherlichaam door de hoogste krachtsontplooiing van het "ik" tracht tot stand te bren­gen. Hij moet volkomen bewust en individueel werken aan de her-vorming van gewoonten, temperament, karakter, geheugen enz. In zoverre men op deze wijze ingrijpende veranderingen in het aetherlichaam teweegbrengt, ontwik­kelt men dit tot levensgeest (of tot budhi, zoals het oosterse equivalent van deze geesteswetenschappelijke uitdrukking luidt).

Op een nog hogere trap van ontwikkeling verwerft de mens uiteindelijk die krachten, waardoor hij ook in zijn fysieke lichaam diepgaande omwerkingen tot stand kan brengen, b.v. in zijn bloedsomloop en polsslag. Wat zich zodoende door deze allerdiepste inwerking uit het fysieke lichaam ontwikkelt, wordt "geestmens" (atman) genoemd. De metamorfosen van de lagere "lichamen", die verworven worden, hetzij door het mensengeslacht als totaliteit, hetzij door een deel daarvan, b.v. door een volk, een stam of familie, dragen in de geesteswetenschap de volgende na­men: Het door het "ik" veranderde astrale- of gewaarwordinglichaam heet de gewaarwordingziel, het gemetamor­foseerde aetherlichaam wordt verstandsziel en het gemeta­morfoseerde fysieke lichaam de bewustzijnsziel genoemd. Men moet zich echter niet voorstellen, dat de omwerkingen van deze drie "lichamen" na elkander plaats vinden. Het opwerkingsproces geschiedt vanaf het ogenblik dat het "ik" ontvonkt, gelijktijdig in alle drie lagere delen van het mensenwezen. Het is zelfs zo, dat de activiteit van het "ik" voor de mens pas duidelijk waarneembaar wordt, wanneer een deel van de bewustzijnsziel zich heeft gevormd.

Uit het voorafgaande blijkt, dat men van een vierledigheid bij de mens kan spreken: het fysieke lichaam, het aether- of levenslichaam, het astrale- of gewaarwordinglichaam en het ik-lichaam. Gewaarwordingziel, verstandsziel, be­wustzijnsziel en zelfs de nog hogere delen van het mensen­wezen: geestzelf, levensgeest en geestmens zijn metamorfo­sen van deze vier delen. Wanneer er sprake is van dragers van de menselijke eigenschappen, komen in feite alleen deze vier delen in aanmerking.

 

Het werk van de opvoeder is op deze vier delen van de menselijke natuur gericht. Wil men dus op de juiste wijze opvoeden, dan moet men deze delen naar hun aard en wezen doorvorsen. Nu mag men zich geenszins voorstellen, dat deze delen zich bij de mens zodanig ontwikkelen, dat zij op een willekeurig tijdstip van zijn leven, b.v. bij zijn geboorte, alle reeds dezelfde graad van ontplooiing zouden vertonen. In werkelijkheid voltrekt zich de ontwikkeling der vier "lichamen" in de verschillende levensperioden ook op verschillende manier. Op de kennis van deze ontwikke­lingswetten van de menselijke natuur berust de ware grond­slag van opvoeding en onderwijs.

 



[1] In het Duits staat: Empfindung, hetgeen gewaarwording Ťn het daarbij aansluitende gevoel betekent. (vert.)

[2] Men moet bijzondere nadruk leggen op hetgeen hier gezegd is, omdat juist in onze tijd op dit punt een grote verwarring heerst. Velen verdoezelen tegenwoordig het verschil tussen planten en gewaar­wordende wezens, omdat zij omtrent het eigenlijke karakter van de gewaarwording geen helder inzicht hebben. Als een wezen (of ding) op de een of andere manier reageert op een indruk, die er van buiten­af op gemaakt wordt, dan heeft men nog niet het recht te zeggen, dat het deze indruk gewaarwordt. Dat kan men alleen zeggen, wanneer het die indruk innerlijk beleeft en er dus een soort innerlijke spiegeling van de uiterlijke prikkel plaats vindt. De grote vooruitgang van onze natuurwetenschap, die de geesteswetenschappelijke onderzoeker zeer zeker in hoge mate bewondert, heeft ten aanzien van principiŽle be­grippen verwarring gebracht. Zekere biologen weten niet wat ge­waarwording is, daarom schrijven zij deze ook toe aan wezens, die dit vermogen missen. Wat zij - deze biologen - onder gewaarwording verstaan, dat mogen ze ook aan dergelijke wezens toeschrijven. Maar wat de geesteswetenschap daaronder moet verstaan, is iets totaal anders.

[3] Men moet een onderscheid maken tussen het innerlijke beleven van het gewaarwordinglichaam zelf en het waarnemen daarvan door de geschoolde geestesblik. Hier is bedoeld, wat waarneembaar is voor de bovenzinnelijke organen van de geesteswetenschappelijke onder­zoeker.

[4] Men neme geen aanstoot aan het woord "ik-lichaam". Daarmee is natuurlijk niet iets grof-materieels bedoeld. In de geesteswetenschap kunnen geen andere woorden gebruikt worden, dan die van de ge­wone taal, en omdat men deze voor materiŽle dingen aanwendt, moet men ze bij gebruik in de geesteswetenschap eerst in geestelijke zin ver­talen.

 

Deel II Ė Opvoeding van het kind.

 

Bij de opvoedkunst komt het aan op gedetailleerde kennis van de menselijke natuur, op een in­zicht in de speciale ontwikkeling van elk onderdeel apart en in samenhang. . . Men moet weten op welk deel van de vierledige totaliteit van het kind men behoort in te werken en hoe deze inwerking vakkundig dient te geschieden. On­getwijfeld kan een opvoedkunst, die op een reŽle mensen­kennis gegrondvest is, zoals hier beschreven, zich slechts langzaam baanbreken. Dat vindt zijn oorzaak in de op­vattingen van onze tijd, die nog lang de feiten van de geestelijke wereld zal aanzien voor uitvloeisels van een volslagen fantasterij. Onomwonden zal hier datgene uitgesproken worden, wat door vele mensen nu nog wordt aangezien voor een ver­dichtsel, maar wat in de toekomst als onloochenbare waar­heid zal gelden.

 

Van 0 tot 7 jaar

Bij de fysieke geboorte wordt het stoffelijk lichaam van de mens aan de buitenwereld blootgesteld, terwijl het tevoren omgeven was door het beschuttende hulsel van het moeder­lichaam. Wat in die vroegere toestand de krachten en voe­dingssappen van het moederlichaam bewerkstelligden, dat moet thans door de krachten en elementen van de fysieke buitenwereld aan de mens verricht worden. Tot aan het wisselen der tanden, omtrent het zevende jaar, heeft het menselijk lichaam een taak aan zichzelf te verrichten, die wezenlijk verschilt van alle taken, welke in andere levens­fasen volbracht moeten worden. De fysieke organen moeten in deze tijd bepaalde vormen aannemen, hun structuur moet gericht worden volgens de tendensen, die hun speciale functie meebrengt. Later groeien de organen uit, maar zo­lang als dit groeien doorgaat, geschiedt het volgens het vormmodel, dat zich voor elk orgaan tot aan het moment van de tandenwisseling ontwikkeld heeft. Is het vorm­model goed, dan groeien de vormen ook op de juiste wijze uit, is het model gebrekkig, dan ontstaat misvorming bij de verdere groei. Wat men als opvoeder in de periode tot het zevende jaar verzuimd heeft, kan men in de daarop volgende tijd niet meer goed maken. Vůůr de geboorte schept de natuur de juiste omgeving voor het fysieke men­senlichaam, na de geboorte behoort de opvoeder voor de juiste fysieke omgeving te zorgen. Alleen deze juiste fysieke omgeving werkt zo op het kind, dat zijn fysieke organen het goede vormmodel ontwikkelen.

Er bestaan twee toverwoorden, die de relatie van het kind tot zijn omgeving aanduiden: nabootsing en voorbeeld. De Griekse filosoof Aristoteles noemde de mens het meest na­bootsende dier en voor geen enkele leeftijd geldt die uit­spraak in sterkere mate dan voor de leeftijdsfase, die met de tandenwisseling teneinde loopt. Wat er in zijn stoffelijke omgeving voorvalt, bootst het kind na en door de activi­teit van het nabootsen worden zijn fysieke organen in de vormen gesmeed, die dan als model behouden blijven. Men moet echter het woord "stoffelijke omgeving" in de ruim­ste zin opvatten. Hiertoe behoort bijvoorbeeld niet alleen, wat zuiver stoffelijk om het kind heen voorvalt, maar ook alles, wat zich in zijn omgeving afspeelt en wat waarge­nomen kan worden door zijn zintuigen, wat van de stoffe­lijke ruimte uit op zijn geest kan inwerken. Daartoe be­horen ook alle morele of immorele, alle verstandige en dwaze handelingen, die het kind voor ogen krijgt.

Geen zedenpreken, geen wijze lessen werken op het kind met het hierboven genoemde effect, maar datgene, wat het de volwassenen in zijn omgeving ziet doen. Belerende woor­den werken niet vormend op het fysieke lichaam, maar op het aetherlichaam en dit is immers tot aan het zevende jaar net zo door een beschermend aetherisch moederomhulsel omsloten als het fysieke lichaam tot de geboorte omsloten is door een fysiek omhullend moederorganisme. Wat zich als voorstellingen, gewoonten, geheugen enz. v66r het zevende jaar in dit aetherlichaam ontwikkelt, dat moet zich even "vanzelf" ontwikkelen als de ogen en oren zich binnen in de moederschoot ontwikkelen zonder de inwer­king van het uiterlijke licht.

Het kind leert nu eenmaal niet door wijze lessen, maar door nabootsing en zijn fysieke organen krijgen hun structuur door de inwerking van de stoffelijke omgeving. Een gezond gezichtsvermogen ontstaat, wan­neer het kind omgeven is door goede kleuren en juiste licht­werkingen en in de hersenen en de bloedsomloop wordt de fysieke grondslag voor morele vermogens gelegd, wanneer het kind moraliteit in zijn omgeving voor ogen krijgt. Wan­neer het kind v66r zijn zevende jaar alleen maar dwaze handelingen om zich heen ziet, dan nemen de hersenen een zodanige vorm aan, dat ze in het latere leven de mens ook alleen maar geschikt maken om dwaasheden te begaan.

 

Evenals de spieren van de hand sterk en krachtig worden, wanneer ze arbeid verrichten, die met hun functie over­eenstemt, worden de hersenen en de andere organen van het fysieke mensenlichaam tot de juiste werking gebracht, wanneer ze de juiste indrukken uit de omgeving ontvan­gen. Een voorbeeld kan het beste verduidelijken waar het hier om gaat. Men kan voor een kind een pop fabriceren door een oud servet zo te vouwen, dat men van twee slip­pen benen, van twee andere slippen armen en van een knoop het hoofd maakt, waarop men met inkt ogen, neus en mond tekent. Of men kan een zogenaamd "mooie" pop kopen met echt haar en een geverfd blosje op de wangen en die dan aan het kind geven. Allicht is het onnodig om hierbij op te merken, dat deze pop natuurlijk toch af­schuwelijk lelijk is en alleen maar deugt om de gezonde schoonheidzin van het kind voor zijn gehele verdere leven te bederven. Voor de opvoeder valt het hoofdaccent hierbij nog op iets anders. Wanneer het kind het in elkaar ge­vouwen servet voor zich heeft, moet het door de kracht van zijn fantasie juist dat aanvullen, wat het ding pas op een mens doet lijken. Deze activiteit van de fantasie werkt vormgevend op de hersenen. Deze ontplooien zich, even­als de spieren van de hand zich ontplooien door arbeid, die bij handspieren past. Krijgt het kind de zogenaamd "mooie" pop, dan hebben de hersenen niets meer te doen, zij verkommeren en verdorren inplaats van zich te ont­plooien... Konden de mensen evenals de geestesvorser een diepere waarneming hebben van de krachten, die het hersenorganisme in zijn vormen opbouwen, dan zouden ze zeer zeker alleen zulk speelgoed aan hun kinderen geven, dat geschikt is om deze vormscheppende activiteit in de hersens tot een levendige werking te brengen. Al het speel­goed, dat alleen uit levenloze, mathematische vormen be­staat, werkt verdorrend en dodend op de vormende krach­ten van het kind, daarentegen werkt alles ten goede, wat de voorstelling van iets levends opwekt. Onze materialis­tische tijd levert maar weinig goed speelgoed. Zeer goed zijn ook prentenboeken, waarin de figuren door touwtjes onderaan bewogen kunnen worden, zodat het kind zelf het dode beeld schijnbaar tot leven wekt. Dat alles brengt inwendige activiteit in de organen en uit deze activiteit ontstaat de juiste orgaanvorm.

 

Deze dingen kunnen hier natuurlijk alleen maar kort aan­gestipt worden, maar in de toekomst zal de geestesweten­schap er toe geroepen zijn tot in details het noodzakelijke op dit gebied aan te geven en zij is daartoe in staat. Want zij is geen holle abstractie, maar een groot geheel van rea­liteiten, zo vervuld van leven, dat hieruit richtlijnen voor de praktijk gevonden kunnen worden. Een enkel voorbeeld slechts moge hier nog genoemd worden. Volgens de geestes­wetenschap moet een opgewonden kind, wat men een ner­veus kind noemt, anders behandeld worden wat zijn omgeving betreft dan een lethargisch, onactief kind. Daarbij komt alles in aanmerking, van de kleuren van de kamer en de voorwerpen, die het kind gewoonlijk omringen, tot de kleuren van de kleren, die men het aantrekt. Vaak zal men daar juist het verkeerde doen, wanneer men zich niet door de geesteswetenschap laat leiden, want de materialis­tische gezindheid zal een opvoeder in vele gevallen precies naar het tegendeel van het goede middel doen grijpen. Een opgewonden kind moet men met rode of oranje kleuren omringen en in die kleuren kleden, een passief kind daar­entegen moet blauwe en blauwgroene kleuren in zijn om­geving hebben. Het komt namelijk op de tegenkleur aan, die inwendig opgewekt wordt. Bij rood is deze complemen­taire kleur groen, bij blauw oranjegeel, waarvan men zich gemakkelijk overtuigen kan, als men een poosje naar zulk een gekleurd vlak kijkt en dan snel de ogen op een wit vlak richt. Deze tegenkleur wordt door de fysieke organen van het kind geproduceerd en bewerkt hierin een structuur, die overeenstemt met deze kleur, hetgeen noodzakelijk is voor het kind. Heeft een opgewonden kind de kleur rood om zich heen, dan wordt binnen in hem het groen als tegen­beeld opgewekt. En de activiteit, die daarvoor nodig is, werkt kalmerend, de organen nemen de tendens van rust in zich op.

 

Een ding moet men bij deze leeftijd streng in acht nemen; namelijk, dat het fysieke lichaam zelf de maatstaf levert voor hetgeen gunstig voor het organisme is. Dit gebeurt, als er verlangens aangekweekt worden, die overeenstem­men met gezonde behoeften. In het algemeen kan men zeg­gen, dat het gezonde fysieke lichaam datgene voor zich verlangt, wat ook goed ervoor is. Zolang het bij de ont­wikkeling van de mens aankomt op het fysieke lichaam, moet men zorgvuldig acht geven op alles, waarnaar het gezonde verlangen, de begeerte en de vreugde uitgaan. Vreugde en welbehagen zijn krachten, die op de allerbeste wijze de stoffelijke orgaan vormen tot ontplooiing brengen. In dit opzicht kan men werkelijk zwaar zondigen door het kind in omstandigheden te plaatsen, waarin het niet de juiste verhouding tot zijn stoffelijke omgeving vindt. Dit gebeurt in het bijzonder met betrekking tot het voedings­instinct. Men kan het kind met zodanige spijzen overladen, dat het zijn gezonde voedingsinstincten volledig verliest, terwijl men deze door de juiste voeding zo levend kan houden, dat het kind nauwkeurig tot op een glas water toe, verlangt wat onder bepaalde omstandigheden goed voor hem is en afwijst wat schadelijk kan zijn. Wanneer op de geesteswetenschap een beroep zal worden gedaan om een opvoedkunst tot stand te brengen, zal zij tot in details kunnen aangeven hoe de voedings- en genotmiddelen in de praktijk van de opvoeding te gebruiken zijn. Want zij is concreet op het leven gericht en geen grauwe theorie.

 

Tot de krachten, die vormend inwerken op de stoffelijke organen, behoort dus de vreugde, die aan de dingen van de omgeving en met deze omgeving samen beleefd wordt. Opgewekte gezichten van de opvoeders en bovenal natuur­lijke, geen geforceerde liefde. Een liefde, die het kind met een atmosfeer van warmte omgeeft, broedt in de ware zin van het woord de vormen van de organen uit.

Wanneer de nabootsing van gezonde voorbeelden in een dergelijke atmosfeer van warme genegenheid mogelijk is, dan is het kind in zijn ware element. Daarom moet er streng op toegezien worden, dat er in de omgeving van het kind niets gebeurt, wat het niet zou mogen nabootsen. Men zou niets behoren te doen, waarvan men moet zeggen tegen het kind: dat mag jij niet doen. Men kan zich ervan overtuigen, hoe het kind er op uit is te imiteren, als men ziet, dat de kleuter de letters natekent, lang voordat hij ze begrijpt. Het is zelfs heel goed, wanneer hij de letters eerst met kleuren nabootst en dan pas later hun betekenis leert ken­nen. Want de nabootsing behoort tot de ontwikkelingsfase van het fysieke lichaam, terwijl de betekenis tot het aether­lichaam spreekt en daar moet men pas na de tanden wisse­ling op inwerken, wanneer. de aetherische omhulling is afgevallen. In het bijzonder moet het leren spreken in deze jaren geheel door nabootsing geschieden. Door het horen leert het kind het beste spreken. Alle regels en elk kunst­matig aanleren deugen hierbij niet.

In de kleuterleeftijd is het bijzonder belangrijk, dat de opvoedingsmiddelen, zoals bijv. kinderliedjes zoveel moge­lijk een mooie ritmische indruk op de zintuigen maken. De nadruk moet hierbij niet zozeer op de betekenis als wel op de mooie klank gelegd worden. Hoe verfrissender iets op oog en oor inwerkt, des te beter is het. Men moet de vor­mende kracht niet onderschatten, die op het organisme uitgeoefend wordt door dansbewegingen op het ritme van muziek[a]

 

Van 7 tot 14 jaar 

Met het wisselen van de tanden bevrijdt het aetherlichaam zich van de aetherische omhulling en daarmee begint de fase, waarin van buitenaf opvoedend op het aetherlichaam gewerkt kan worden. Men moet zich duidelijk voor ogen stellen, wat van buitenaf kan inwerken op het aether­lichaam. Het omwerken, de ontplooiing van het aether­lichaam betekent omwerken of ontwikkelen van neigingen, gewoonten, geweten, karakter, geheugen en temperament.

Men werkt op het aetherlichaam in door beelden, door voorbeelden, door het leiden van de fantasie in geregelde banen.

Zoals men aan het kind tot het zevende jaar het uiterlijk voorbeeld leveren moet, dat het kan nabootsen, zo moet tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid het op­groeiende mensenkind omgeven worden door al datgene, naar welks innerlijke zin en waarde het zich richten kan. Thans is de zinrijke inhoud, die door middel van beeld en gelijkenis werkt, op zijn plaats. Het aetherlichaam ontwik­kelt zijn kracht, wanneer de geleide fantasie zich richten kan naar datgene, wat zij ontraadselt of tot richtsnoer kiest uit beelden en gelijkenissen. Deze kunnen direct aan het leven ontleend zijn of op indirecte wijze tot de geest spreken. Abstracte begrippen werken niet in de juiste zin op het zich ontplooiende aetherlichaam, maar wel wat aan­schouwelijk is, niet zintuigelijk-aanschouwelijk, maar geestelijk-aanschouwelijk. In deze jaren is de innerlijke aanschouwing het juiste opvoedingsmiddel. Daarom komt het er in de eerste plaats op aan, dat de jonge mens tijdens deze jaren zulke personen als opvoeders voor zich heeft, die in hem de gewenste intellectuele en morele krachten kunnen opwekken door de wijze, waarop zij zelf als inner­lijk aanschouwingsvoorbeeld werken. Zoals voor de eerste kinderjaren nabootsing en uiterlijk voorbeeld de toverwoor­den van de opvoeding zijn, zo zijn het nu voor de betref­fende fase: navolging en autoriteit. De vanzelfsprekend aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit moet voor het in­nerlijk beleven van de jonge mens staan als een onmiddel­lijk beeld, waaraan hij zijn geweten, zijn gewoonten en neigingen ontwikkelt, waarnaar zijn temperament zich regelt, en door welks ogen hij de wereld beziet.

 

 Het dichter­woord: "Ieder mens moet zijn held kiezen, die hij volgen wil in zijn streven de top van de Olympus te bereiken" geldt in het bijzonder voor deze leeftijdsfase. Eerbied en ontzag zijn krachten, die het aetherlichaam op de juiste wijze tot ontplooiing brengen. Wie niet de mogelijkheid heeft gehad in de genoemde ontwikkelingsperiode naar iemand op te zien met een grenzeloos ontzag, zal daar­voor zijn gehele verdere leven moeten boeten. Waar deze verering ontbreekt, verkommeren de levende krachten van het aetherlichaam. Men moge zich levendig voorstellen, hoe het volgende werkt op een jeugdig gemoed: Een knaap van acht jaar hoort spreken over een persoon, die bijzondere eerbied afdwingt. Alles wat hij over deze mens hoort, boezemt hem een heilige schroom in. De dag breekt aan, waarop hij voor de eerste maal deze bewonderde persoon­lijkheid zal zien. Een huivering van eerbied bevangt hem, als hij op het punt staat de deur te openen, waarachter degeen, die hij zozeer vereert, zichtbaar zal worden. De zuivere gevoelens, die een kind door zulk een ervaring be­leeft, behoren tot de blijvende schatten van het leven. En men kan de mens gelukkig prijzen, die niet alleen op ge­denkwaardige ogenblikken van zijn leven, maar gedurende lange tijden tot zijn leraren en opvoeders kan opzien als tot autoriteiten, die hij op een vanzelfsprekende manier aanvaardt.

 

Naast deze levende dragers van gezag, deze belichamingen van morele en intellectuele kracht, moeten de autoriteiten gesteld worden, die het kind geestelijk in zich opneemt. De grote figuren uit de geschiedenis, de verhalen over man­nen en vrouwen, wier voorbeeld navolging waard is, moeten het geweten bepalen en een richtsnoer geven aan de geest, en niet zozeer abstracte morele principes. Deze hebben pas hun juiste uitwerking, wanneer het astrale lichaam zich met de geslachtsrijpheid ontdaan heeft van zijn astrale omhulling. In het bijzonder moet het geschiedenis­onderwijs in een richting geleid worden, die door dergelijke gezichtspunten bepaald is. Vůůr de tandenwisseling kun­nen de verhalen, sprookjes enz., die men aan het kind ver­telt, alleen tot doel hebben, dat er vreugde, verkwikking en vrolijkheid geschonken wordt. Na die tijd moet men er bij de vertelstof bovendien nog op letten, dat voor de ziel van de jonge mens levensbeelden worden opgeroepen, die hij met geestdrift wil navolgen. Het is niet te veronacht­zamen, dat slechte gewoonten gecorrigeerd kunnen worden door toepasselijke afschrikwekkende beelden. Tegen der­gelijke slechte gewoonten en neigingen helpen vermaningen meestal weinig; laat men echter het levendig gekleurde beeld van een mens, behept met dezelfde slechte neigingen als die, welke het kind moet overwinnen, op zijn fantasie inwerken, en laat men zien tot welke gevolgen een derge­lijke neiging in werkelijkheid voert, dan kan men tot het uitroeien ervan veel bijdragen. Steeds moet voor ogen ge­houden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende aetherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reŽel en levendig voor de innerlijke aan­schouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen averechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeurig door voorlezen te vervangen.

 

Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voorstellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puberteit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min mogelijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in sym­bolen. De geestelijke samenhang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wetmatigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstande­lijk begrepen worden. "Alles Vergšngliche ist nur ein Gleichnis", dat moet bepaald een strak te volgen stelregel voor de opvoeding in deze fase zijn.

 

Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van gelijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.

Veronderstel, dat men met een kind wil spreken over de onsterfelijkheid van de ziel, over het uittreden van de ziel uit het lichaam. Men moet dat zo doen, dat men bijvoor­beeld de vergelijking gebruikt van de vlinder, die uit de pop te voorschijn komt. Zoals de vlinder zich uit de pop losmaakt, zo stijgt de ziel na de dood uit de woning van het lichaam op. Geen mens zal in verstandelijke begrippen precies vatten, wat er in werkelijkheid bij zoiets gebeurt, als hij niet vroeger dit gebeuren in een dergelijke beeldvorm heeft leren kennen. Door zulk een gelijkenis spreekt men namelijk niet alleen tot het verstand, maar ook tot het ge­voel, tot de innerlijke gewaarwording, tot de gehele ziel. De jonge mens, die dat alles in zich heeft opgenomen zal later, wanneer hem de dingen in verstandelijke begrippen geleerd worden, daar met een geheel andere stemming tegenover staan. Het is zelfs zeer ongelukkig voor de mens, als hij niet eerst met het gevoel de levensraadselen kan be­naderen. Het is noodzakelijk, dat de opvoeder voor alle natuurwetten en wereldgeheimen gelijkenissen tot zijn be­schikking heeft.

 

Hieruit blijkt buitengewoon duidelijk, hoezeer de geestes­wetenschap bevruchtend op het praktische leven werken moet. Wanneer iemand gelijkenissen bedenkt op grond van een materialistische intellectuele beschouwingswijze en deze gelijkenissen dan aan kinderen vertelt, zal hij in de regel zeer weinig indruk maken. Zo iemand moet namelijk die beelden eerst geheel intellectualistisch in elkaar flansen. Zulke verzonnen beelden, waartoe men zich met moeite verwaardigd heeft, werken niet overtuigend op kinderen. Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aantoont, maar er gaat van degene, die vertelt, een fijne geestelijke stroom uit naar degeen, die de mededeling ontvangt. Als de ver­teller zelf niet een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijkenis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het ge­vormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen zelf uit de geesteswetenschap voortvloeien. Iemand die de antroposofische inzichten als levende gedachten in zich draagt, behoeft zich niet af te pijnigen om de bovengenoemde gelijkenis van de vrij­komende ziel te vinden, want voor hem is dit waarheid. Voor hem is het te voorschijn komen van de vlinder uit de pop dezelfde gebeurtenis op een lagere trap van de na­tuur, als het zich losmaken van de ziel uit het lichaam, waarbij zich dit gebeuren op een hoger niveau afspeelt. Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzinnige stroom van de spreker op de toe­hoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmiddellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer.

 

 Maar juist om deze directe stroom van leven te laten ontstaan is het nodig, dat de opvoeder uit de volle bron van de geesteswetenschap put en dat zijn woord en alles wat er van hem uitgaat, bezield, doorgloeid en rijk geschakeerd wordt door de gezindheid, die de ware geesteswetenschap in de ziel teweeg brengt. Hiermee openen zich wijde per­spectieven voor de gehele opvoedkunde. Zal deze zich een­maal laten bevruchten door de levenskracht van de antroposofie, dan zal opvoeden zelf een kunst worden, die vol leven is, vol werkelijk begrip voor het kind. Het blinde­lings tasten, dat op dit gebied zo veelvuldig voorkomt, zal dan ook ophouden. Elke opvoedingskunst, elke pedago­giek is bloedeloos en dood, die niet steeds weer nieuwe levenssappen toegevoerd krijgt uit dergelijke geestelijke bronnen. In de geesteswetenschap vindt men voor alle wereldraadselen gelijkenissen, die de kern van de zaak raken, beelden, die uit het wezen der dingen voortvloeien, die niet pas door de mens in elkaar gezet zijn, maar die zelf als scheppingskrachten aan het ontstaan van de wereld ten grondslag liggen. Daarom moet de geesteswetenschap de levende voedingsbodem voor elke opvoedkunst zijn.

Een innerlijk vermogen, dat in deze ontwikkelingsfase van het kind een bijzondere aandacht verdient, is het geheugen. De ontwikkeling van het geheugen is immers ten nauwste verbonden met de ontplooiing van het aetherlichaam. Daar deze ontplooiing zo verloopt, dat juist tussen tanden wis­seling en geslachtsrijpheid het aetherlichaam vrij wordt, moet ook in deze tijd van buitenaf, bewust, gewerkt wor­den aan een verdere vorming van het geheugen. Als tijdens deze fase het noodzakelijke op dit gebied verzuimd wordt, dan zal het geheugen van degeen, die dat verzuim betreft, zwakker blijven dan wel nodig was geweest. Het verzuim­de kan later niet meer worden ingehaald.

 

Een intellectueelmaterialistische denkwijze kan op dit ge­bied veel fouten maken. De opvoedkunde, die uit zulk een denkwijze voortvloeit, komt gemakkelijk tot vooroordelen tegen het zuiver memoreren. Uit deze richting komt een aanhoudend scherp verzet tegen het alleen maar oefenen van het geheugen. Men past de meest spitsvondige metho­den toe om het kind niets uit het hoofd te laten leren, wat het niet begrijpt. Ja, die kwestie van het begrijpen heeft heel wat voeten in de aarde! Iemand, die materialistisch denkt, gelooft zo gauw, dat men alleen met abstracte begrippen in de dingen kan doordringen; het kost hem de grootste moeite om tot het inzicht te komen, dat de andere krachten van de ziel minstens evenzo nodig zijn voor het begrijpen van de dingen als het verstand. Het is niet alleen maar beeldspraak, wanneer gezegd wordt, dat men evengoed met het gevoel, de gewaarwording, het hart, kan begrijpen als met het verstand. Verstandelijk begrip vormt slechts ťťn middel om de dingen van deze wereld te begrijpen. En alleen een materialistische gezindheid houdt dit voor het enige middel. Er zijn natuurlijk veel mensen, die menen geen materialist te zijn en die toch geen andere vorm van begripsvermogen erkennen dan het intellect. Zulke mensen zijn misschien een idealistische, misschien zelfs een spiri­tuele wereldbeschouwing toegedaan, doch innerlijk staan zij daar op materialistische manier tegenover. Want het verstand is nu eenmaal het zieleninstrument voor het be­grijpen van het materiŽle. Het hiernavolgend citaat maakt veel duidelijk:

 

[b]ďBedenk, dat het kind zijn moedertaal eerder leert verstaan dan spreken, evenals wij bij het Grieks of een andere vreem­de taal. Vertrouw er op, dat het tijdsverloop en de samen­hang der dingen veel ontraadselen. Een kind van vijf jaar begrijpt de woorden: "toch, weliswaar, nu, daarentegen, zeker"; maar probeer eens deze woorden duidelijk te om­schrijven, niet voor het kind, maar voor de vader! Alleen al het woord "weliswaar" brengt een filosofie in minia­tuur. Wanneer een driejarig kind de reeds behoorlijk ont­wikkelde taal van een achtjarige begrijpt, waarom wilt U dan de Uwe tot een babytaaltje reduceren? Spreek toch altijd als tot een paar jaar oudere (genieŽn zeggen ons in hun werken immers ook dingen, die pas na eeuwen be­grepen worden); spreek tegen het eenjarige kindje als tot een tweejarige, en tot deze als tot een zesjarig kind, aange­zien de verschillen in ontwikkeling afnemen met het toe­nemen van de jaren. Laat de opvoeder, die te zeer in de mening verkeert, dat alles, wat het kind leert aan zijn onderwijzers te danken is, toch bedenken, dat het kind zijn halve wereld, namelijk de geestelijke helft (bijv. de morele en metafysische inzichten) immers al kant en klaar in zich draagt, en dat juist daarom de taal, die slechts beelden van de materiŽle wereld bevat, de geestelijke oerbeelden nooit scheppen kan, doch alleen maar belichten. Vreugde en zekerheid bij het spreken met kinderen zou ons reeds ge­schonken moeten worden door de vreugde en de zekerheid, die het kind zelf daarbij aan de dag legt. Zoals men aan kinderen door middel van de taal wat leert, kan men ook van kinderen taal leren: gewaagde en toch juiste woord­vormingen heb ik b.v. van drie- en vierjarige kinderen ge­hoord: de biertonner, snaarder, flesser (de maker van bier­tonnen, snaren en flessen) - de luchtmuis (stellig beter dan ons woord vleermuis) - de muziek vioolt, - de kaars uit­scharen (snuiten met een schaar), - dorsvlegelen (dorsen), - ik ben de doorkijkman (achter een verrekijker staande), - ik zou wel pepernoten eter willen worden, - op het laatst word ik nog te knapper, - hij heeft mij van mijn stoel afgegrapt, - kijk eens, hoe ťťn het al is (op de klok) - enz."

 

Weliswaar ligt het geciteerde voorbeeld van het gevoels­matige begrijpen, dat aan het intellectueel begrijpen voor­afgaat, op een ander gebied dan dat, waarvan hier sprake is, maar hiervoor geldt precies hetzelfde als wat Jean Paul over de taal zegt. Evenals het kind de gehele taalstructuur in zijn zielenorganisme opneemt zonder de wetten van het taalbouwwerk, in intellectuele begrippen vervat, daartoe nodig te hebben, zo moet de jonge mens ter oefening van zijn geheugen dingen leren, waarvan hij zich pas later een intellectueel begrip verwerft. Men leert zelfs later het beste datgene in begrippen te vatten, wat men in deze levensfase eerst zuiver als geheugenstof heeft opgenomen, zoals men de taalregels het beste leert van die taal, welke men reeds spreekt. Het gepraat over onbegrepen geheugenstof is niets anders dan een materialistisch vooroordeel. Het kind hoeft bijvoorbeeld alleen maar de meest elementaire regels van het vermenigvuldigen aan enige voorbeelden te leren, waar­bij men geen telraam nodig heeft, maar waarvoor de vingers veel beter te gebruiken zijn, om dan de tafels van vermenig­vuldiging behoorlijk uit het hoofd te leren. Als men zo te werk gaat, houdt men rekening met de aard van de op­groeiende mens. Terwijl men tegen deze aard zondigt, als men in de periode, waarin het geheugen gevormd moet worden, te veel vergt van het verstand. Het verstand is een zielenvermogen, dat pas met de geslachtsrijpheid geboren wordt, waar men dus vůůr de puberteit geenszins direct op mag inwerken. Tot de tijd van de geslachtelijke rijping behoort het kind door middel van zijn geheugen zich de geestesschatten te verwerven, waarover de mensheid heeft nagedacht; daarna komt de tijd, waarin de leerstof, die voordien deugdelijk is opgenomen door het geheugen, met begrippen doordrongen moet worden. De mens moet dus niet zozeer onthouden wat hij begrepen heeft, maar hij moet begrijpen wat hij reeds weet, dat wil zeggen, wat hij in zijn geheugen heeft opgenomen op dezelfde wijze als het kind zijn taal. Dit geldt in zeer ruime zin. Eerst ge­schiedkundige feiten zuiver memoreren, dan deze feiten in begrippen vatten. Aardrijkskundige dingen eerst goed in het geheugen prenten, dan hun verband begrijpen enz. In zekere zin moet de begripsvorming putten uit de voorraad van opgestapelde geheugen schatten. Hoe meer "weten" de jonge mens reeds verzameld heeft als geheugen­bezit voor hij tot intellectueel begrijpen komt, des te beter is het. Het is zeker niet nodig uitdrukkelijk uiteen te zetten, dat dit alles eigenlijk alleen geldt voor de leeftijdsfase, waarover hier voortdurend gesproken is, niet voor later. Leert men in een latere ontwikkelingsfase iets, wat inge­haald moet worden, of iets anders, wat dan ook, dan kan natuurlijk de omgekeerde weg juist en wenselijk zijn, of­schoon men ook dan nog veel van de innerlijke geaardheid van de betrokkene moet laten afhangen. In de leeftijd tus­sen tanden wisseling en puberteit mag de geest echter niet uitgedroogd worden door een overmatige toediening van intellectuele begrippen.

 

Ook een te ver gedreven aanschouwingsonderwijs, dat op zuiver zintuiglijk waarnemen berust, komt voort uit een materialistische denkwijze. Alle aanschouwing moet voor kinderen van deze leeftijd van geest doortrokken worden. Het is bijv. niet voldoende om een plant, een zaadje of een bloem alleen maar aan de leerlingen te laten zien. Alles moet tot gelijkenis voor geestelijke realiteiten worden. Een zaad­korrel is immers niet alleen maar dat uiterlijke ding, dat het voor het oog schijnt te zijn. Onzichtbaar is de gehele nieuwe plant er in verborgen. Dat zulk een korreltje meer is dan hetgeen de zintuigen waarnemen, moet levendig met het gevoel, de fantasie, het gemoed begrepen worden. De raadselen van het leven moeten tastend worden aange­voeld. Men kan niet de tegenwerping maken, dat door een dergelijke methode de zuiver zintuiglijke aanschouwing vertroebeld wordt: in tegendeel, door het slechts bij de zintuiglijke aanschouwing te laten, komt de waarheid in het gedrang. Want de totale werkelijkheid van een ding bestaat uit geest en stof en de waarneming hoeft niet min­der getrouwen zorgvuldig beoefend te worden, wanneer men alle zielekrachten tot activiteit brengt in plaats van alleen maar de fysieke zintuigen. Konden de mensen toch maar zien, zoals de geesteswetenschappelijke onderzoeker dat kan, wat er al niet aan ziel en lichaam verdort door louter zintuiglijk aanschouwingsonderwijs, dan zouden zij minder prijs op zulk een onderwijs stellen. Welk nut heeft het uiteindelijk, wanneer men jonge mensen alle mogelijke mineralen, planten, dieren, natuurkundige proeven enz. laat zien zonder daarmee een zodanige behandeling te ver­binden, waarbij de zintuiglijke realiteit, als gelijkenis op­gevat, gebruikt wordt om de verborgen geestelijke realiteit te laten doorschemeren? Een materialistisch denkend mens zal met het hier aangevoerde stellig niet veel kunnen be­ginnen; en dat wordt maar al te goed begrepen door de beoefenaar der geesteswetenschap. Maar hem is ook duide­lijk, dat een werkelijk praktische opvoedkunst nooit uit een materialistische gezindheid kan voortkomen. Zo praktisch als deze gezindheid zichzelf acht, zo onpraktisch is zij in werkelijkheid, wanneer het er op aankomt het leven te begrijpen. Tegenover de ware werkelijkheid is de materia­listische gezindheid fantastisch, terwijl deze gezindheid de zakelijke beschouwingen van de geesteswetenschap wel  voor fantastisch houden moet.

 

Ongetwijfeld moet er ook nog menige hinderpaal uit de weg worden geruimd, voordat de grondbeginselen van de geesteswetenschap, die geheel en al uit de werkelijkheid van het leven voortvloeien, in de opvoeding doordringen. Maar dat spreekt immers vanzelf. De waarheden van deze wetenschap moeten tegenwoordig vele mensen nog vreemd aandoen. Wanneer zij echter waar zijn, zullen zij in de cul­tuur worden opgenomen.

Slechts door een duidelijk besef van de uitwerking, die elke opvoedingsmaatregel op het kind heeft, kan de opvoeder steeds de juiste tact vinden om in ieder afzonderlijk geval de goede maatregel te treffen. Zo moet men weten, hoe de verschillende zielekrachten, n.l. het denken, voelen en willen behandeld moeten worden, opdat hun ontwikke­ling weer terugwerkt op het aetherlichaam gedurende de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puberteit, waarin de invloeden van buiten dit aetherlichaam verder en ver­der laten ontplooien.

 

De grondslag voor de ontwikkeling van een gezonde, krachtige wil wordt gelegd door in de eerste zeven jaar van het kinderleven de hier beschreven opvoedingsbeginse­len op de juiste wijze toe te passen. Want zulk een krachtige wil moet gefundeerd zijn in de volkomen ontwikkelde vormen van het fysieke lichaam. Vanaf het moment, dat de tandenwisseling inzet, gaat het er om, dat het aether­lichaam, dat zich nu vrij ontwikkelt, die krachten toevoert aan het fysieke lichaam, waardoor dit in staat is zijn or­gaanvormen stevig te bestendigen. Wat het sterkst inwerkt op het aetherlichaam, werkt ook het sterkst terug op deze fysieke bestendiging. Nu worden de aller krachtigste im­pulsen op het aetherlichaam gegeven door die gevoelens en voorstellingen, waardoor de mens zijn verhouding voelt en beleeft tot de eeuwige oerscheppingskrachten van het wereld-al, dat wil dus zeggen, door een religieus beleven. Nimmer zal de wil en daarmee het karakter van de mens zich gezond ontwikkelen, wanneer hij niet in de hier be­doelde leeftijdsfase diepgaande religieuze impulsen kan opnemen. Hoe de mens zich ingeschakeld voelt in het wereldgeheel, komt tot uitdrukking in de gave gesloten­heid van zijn totale wilsfunctie. Voelt de mens zich niet sterk met het goddelijk-geestelijke in de wereld verweven, dan moeten de wil en het karakter onzeker, verbrokkeld en ongezond blijven.

 

De gevoelswereld ontwikkelt zich op de juiste wijze door de reeds beschreven gelijkenissen en zinnebeelden, in het bijzonder door alles wat uit de geschiedenis of uit andere bron aan karakterbeelden van belangwekkende mensen ge­toond wordt. Ook het zich verdiepen in de geheimen en schoonheden der natuur is van belang voor de ontwikkeling van de gevoelswereld. Eveneens komt in het bijzonder hier­bij het aankweken en ontplooien van schoonheidszin in aanmerking en het opwekken van kunstgevoeligheid. Het muzikale element moet het aetherlichaam zodanig van ritme doortrekken, dat het een vermogen verkrijgt om het ritme in alle dingen aan te voelen, ook waar dit meestal in het verborgene werkt. Er wordt een mens voor zijn latere leven veel onthouden, wanneer hij als kind de welda­dige werking van het muzikale in zijn opvoeding moet missen. Zou het gevoel voor muziek bij iemand geheel mankeren, dan zouden bepaalde aspecten van het wereld­bestel voor hem ten enenmale verborgen blijven. De andere kunsten echter mogen daarbij niet verwaarloosd worden. Een gevoel voor architectuur, plastiek en tekenkunst, voor vorm, lijn en kleurenharmonie moet gewekt worden; dat mag niet ontbreken in het leerplan. Hoe eenvoudig dit alles ook onder bepaalde omstandigheden aan de kinderen gebracht moet worden, toch mag nooit als tegenwerping gelden, dat de omstandigheden helemaal niets mogelijk maken op dit gebied. Met de eenvoudigste middelen kan veel bereikt worden, wanneer de opvoeder zelf met het ware vuur bezield is. Voor het gehele verdere leven is een vruchtbare bodem gelegd, waaruit vreugde, levensblijheid en werkkracht kunnen opbloeien, wanneer het gevoel voor schoonheid en kunst in de jeugd ontwikkeld is. En de ver­houding van mens tot mens, hoeveel edeler en zuiverder wordt deze niet door de zin voor het schone. De moraliteit, die in deze jaren ook ontwikkeld wordt door de beelden van de wereld en het leven, door het voorbeeld van de op­voeder, die als autoriteit aanvaard wordt, krijgt vastheid, wanneer door de schoonheidszin al het goede tevens als schoon, al het slechte als lelijk wordt aangevoeld.

 

Het eigenlijke denken als innerlijk leven in abstracte be­grippen moet in de hier besproken leeftijdsfase nog op de achtergrond blijven. Het moet zich onbeÔnvloed, als het ware vanzelf ontwikkelen, terwijl aan de ziel de beelden en gelijkenissen gegeven worden, die duiden op de ge­heimen van natuur en leven. Zo moet het denken tussen het zevende jaar en de puberteit groeien in de ziel als het ware ingebed in de andere innerlijke ervaringen. Het oordeels­vermogen moet op deze wijze rijpen, zodat de mens, na het intreden van de geslachtsrijpheid, in staat is zijn meningen over de leerstof en over de dingen van het leven in volledige zelfstandigheid te vormen. Hoe minder men van te voren rechtstreeks op de ontwikkeling van het oordeelsvermogen inwerkt en hoe meer men dit indirect doet door de ontwik­keling van de andere zielekrachten, des te beter voor het gehele latere leven van de desbetreffende mens.

De geesteswetenschap levert niet alleen de juiste grond­slag voor de geestelijke, maar ook voor de lichamelijke opvoeding. Om ook hier een karakteristiek voorbeeld te noemen, zij gewezen op gymnastiek en spel. Zoals in de eerste kinderjaren de omgeving doortrokken moet zijn van liefde en vreugde, zo moet het aetherlichaam bij zijn ont­plooiing het gevoel van groeien, van steeds toenemen in kracht door de lichamelijke oefeningen werkelijk innerlijk bespeuren.

Wanneer de geesteswetenschappelijke inzichten toegepast zouden worden vooral juist op zulke praktische gebieden als de opvoeding, dan zou spoedig het volkomen nutteloze gepraat ophouden over de noodzakelijkheid, dat deze in­zichten eerst bewezen moeten worden. Wie ze op de juiste manier toepast, zal in zijn leven zelf deze bewijzen vinden en wel daardoor, dat ze dit leven gezond en sterk maken. Doordat de inzichten van de geesteswetenschap in de prak­tijk deugdelijk blijken, zal men beseffen, dat ze waar zijn en dit bewijs uit ervaring is overtuigender dan alle "logische" en zogenaamd "wetenschappelijke argumen­ten." De geestelijke waarheden kent men het beste aan de vruchten, die zij dragen, niet door bewijzen, want al zijn deze nog zo wetenschappelijk, ze kunnen toch nauwelijks veel meer zijn dan een steekspel op het terrein van de logica.

 

Van 14 jaar tot volwassenheid

Met het intreden van de geslachtsrijpheid wordt het astrale lichaam geboren. Pas wanneer dit lichaam zich zonder omhulling vrij ontplooien gaat, kan al datgene, wat het abstracte voorstellingsvermogen, het zelfstandige oordeel en de vrije denkkracht bij de mens tot ontwikkeling brengt, van buitenaf tot hem gebracht worden.

Er is reeds gezegd, dat deze zielenvermogens van te voren zich zo moeten ontwikkelen, dat zij door een juiste toepas­sing van de pedagogische maatregelen, die op andere ver­mogens betrekking hebben, niet direct beÔnvloed worden, evenals ogen en oren zich binnen de moederschoot ont­wikkelen zonder directe invloed van buitenaf. Met de puberteit is de fase aangebroken, waarin de mens, behalve de geslachtelijke rijpheid, ook de rijpheid verwerft zich een eigen oordeel te vormen over de dingen, die hij te voren geleerd heeft. Men kan geen groter schade aan een mens berokkenen, dan wanneer men te vroeg zijn eigen oordeel wakker roept. Een mens kan pas oordelen, als hij in zich eerst stof tot oordelen, tot vergelijken vergaard heeft. Vormt men voor die tijd zelfstandige oordelen, dan moet daaraan alle grond ontbreken. Alle eenzijdigheid in het leven, alle dorre "geloofsovertuigingen", slechts gefun­deerd op een paar brokstukken van kennis, waarmee men een oordeel vellen wil over hetgeen de mensheid vaak door lange tijdperken heen als waar beleefd heeft, komen voort uit opvoedingsfouten op dit gebied. Om rijp te zijn tot zelfstandig denken, moet men eerst leren achten wat andere mensen hebben gedacht. Er bestaat geen gezond denken, of het is voorbereid door een gezond waarheidsgevoel, dat gefundeerd is in de natuurlijke autoriteitsverhouding van opvoeder tot kind. Als dit grondbeginsel van de opvoeding in praktijk werd gebracht, zou het niet voorkomen, dat mensen op te jeugdige leeftijd zich reeds rijp achten tot oordelen en zich daardoor de mogelijkheid afsnijden on­bevangen op alle aspecten van het leven in te gaan. Want elk oordeel, dat niet wortelt in de passende bodem van rijke ziele-ervaringen, vormt een belemmering op het levenspad van degene, die het oordeel velt. Heeft men immers eenmaal een oordeel over iets gevormd, dan wordt men hierdoor blijvend beÔnvloed. Een ondervinding wordt dan niet meer zo opgenomen als men gedaan zou hebben, wanneer men er zich van tevoren geen oordeel over had gevormd. In de jonge mens moet de neiging leven om eerst te leren en dan te oordelen. Wat het verstand over iets te zeggen heeft, behoort pas gezegd te worden, nadat alle andere zielekrachten gesproken hebben. Voor die tijd mag het verstand alleen een bemiddelende rol spelen. Het moet slechts dienen om te bevatten, wat er gebeurt, wat er ge­voeld wordt, om de dingen zo op te nemen, zoals ze zich voordoen, zonder dat het onrijpe oordeel zich meteen er van meester maakt. Om deze reden moet de jeugd v66r de puberteit verschoond blijven van elke theorie over de dingen. De hoofdzaak is, dat het kind in zijn ziel opneemt, wat hem over de wereld en het leven medegedeeld wordt. Natuurlijk kan men hem ook vertellen, wat er over een of ander onderwerp door mensen is gedacht, maar men moet vermijden, dat de jonge mens door een vervroegd oordeel zich aan een bepaalde mening bindt. Ook meningen moet hij met zijn gevoel opnemen. Hij moet kunnen aanhoren, zonder meteen partij te kiezen: de ťťn heeft dit gezegd, de ander dat. Er wordt stellig veel tact geŽist van leraren en opvoeders om een dergelijke innerlijke houding bij het kind aan te kweken en te ontwikkelen, maar juist de geesteswe­tenschap schenkt de gezindheid, waaruit deze tact geboren wordt.

 

 

Slechts enkele gezichtspunten aangaande de opvoeding in geesteswetenschappelijke zin konden hier ontwikkeld wor­den. Het lag ook in de bedoeling om slechts te wijzen op de taak, die deze geestelijke stroming op dit gebied van de cultuur te vervullen heeft. Dat dit mogelijk is, zal van het volgende afhangen: een steeds wijdere kring van mensen zal zich moeten open stellen voor deze denkwijze. Wil dit geschieden, dan zijn twee dingen beslist noodzakelijk: ten eerste, dat men de vooroordelen ten opzichte van de gees­teswetenschap laat varen. Wie zich werkelijk moeite geeft om deze wereldbeschouwing te leren kennen, zal wel mer­ken, dat hier geen sprake van fantasterij is, waarvoor vele mensen haar tegenwoordig nog aanzien. Dit is niet als verwijt bedoeld aan het adres van degenen, die zo denken, want alles wat onze tijd aan middelen biedt om gedachten te vormen, moet aanvankelijk de mening post doen vatten, dat, wie zich met geesteswetenschap inlaat een fantast en een dromer is. Bij oppervlakkige beschouwing is een ander oordeel eenvoudig uitgesloten, want er schijnt de meest vol­komen tegenspraak te bestaan tussen de als geestesweten­schap optredende antroposofie en alles wat de huidige civi­lisatie aan de mens als grondslag voor een gezonde levens­opvatting levert. Pas bij een diepere beschouwing treedt aan het licht, hoe paradoxaal de inzichten van de huidige tijd moeten blijven zonder de grondslag van deze geestes­wetenschap, ja zelfs, hoe zij reeds door hun eigen aard deze grondslag dwingend noodzakelijk maken en die op den duur absoluut niet missen kunnen. Het tweede punt be­treft een noodzaak, die met een gezonde ontwikkeling van de geesteswetenschap zelf samenhangt. Eerst wanneer in antroposofische kringen overal het inzicht zal zijn doorgedrongen, dat het er op aankomt de geestelijke in­houden op de meest verstrekkende wijze voor alle levens­omstandigheden vruchtbaar te maken, en er niet alleen maar over te theoretiseren, dan zal ook de geestesweten­schap een begrijpend gehoor vinden in het leven. Gebeurt dit niet, dan zal men de antroposofie blijven beschouwen als een soort godsdienstige sekte van enkele dweepzieke zonderlingen. Als de geesteswetenschappelijke beweging echter positieve, nuttige prestaties levert, dan zal men op den duur begrip krijgen voor deze richting en ermee in­stemmen.



[a] Dit werd uitgesproken in een tijd, toen de eurythmische bewegings­kunst nog niet was ontstaan. Sedertdien heeft deze zich ontplooit ook op pedagogisch gebied, zodat er tegenwoordig een "kleutereurythmie" bestaat, geheel in de geest van het hierboven beschrevene. (vert.)

 

[b] Citaat uit ĎLevana of Opvoedingsleer Ė Jean Paul)

Voor wie veel meer wil lezen van Steiner: men is een paar jaar geleden begonnen met het heruitgeven van zijn werken in Nederlandse  vertaling bij uitgeverij Christofoor.

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken