Mijn overdenkingen.

   

 

Inleiding.

 

 Beste bezoeker,

 

Zoals je wel hebt kunnen vaststellen wanneer je mijn homepage, Spirituele Vrienden, regelmatig bezocht, lees ik heel veel. Ik heb daar gelukkig de tijd voor en dus grijp ik deze kans met beide handen aan. Mijn grote interesse gaat uit naar wat verschillende religies en spirituele auteurs met elkaar gemeen hebben.

 

 Ik zoek dus niet naar de verschillen, maar naar de overeenkomsten omdat ik geloof dat, juist in die overeenkomsten – ook al zitten ze soms verscholen achter verschillend taalgebruik en verschillende beelden – de diepste waarheid te vinden is. Een waarheid die van alle tijden en van alle volkeren is.

 

Wanneer ik dan weer een stukje gelezen heb is het mijn gewoonte om daar, voor het slapengaan, over te mediteren. Voor mij is mediteren niet: ‘mezelf helemaal leegmaken van gedachten’, maar juist wél: ‘een bepaald item in gedachten nemen en dat ten gronde uitdiepen’. Dit is voor mij dé uitgelezen manier om elke keer weer puzzelstukjes op de juiste plaats te zien vallen zodat ik in staat ben om verbindende schakels te zien in het grote geheel.

 

Wanneer ik zo in gedachten verzonken ben probeer ik, om datgene wat ik gelezen heb om te zetten in een universele taal en om de beelden die in die taal verwerkt zijn – het is namelijk meestal zo dat religieuze en spirituele lectuur in beelden spreekt – met elkaar samen te laten vallen.

 

Op deze pagina wil ik graag sommige van mijn overdenkingen met jou, Spirituele Vriend, delen in de hoop dat mijn conclusies niet jouw conclusies worden, maar jou mogen aanzetten om zelf ook geschreven woorden uit te diepen en vooral: ‘tussen de regels te lezen en daar de betekenis van de beelden te vinden’. 

 

Ik ben er namelijk achter gekomen dat het oppervlakkig lezen van religieuze geschriften en spirituele boeken meestal tot misverstanden en verscheidenheid moet leiden, omdat je op die manier alleen het papiertje ziet waarin het geschenk verpakt is.

 

 Alleen bij lezen met zowel hart als verstand komt de echte boodschap tevoorschijn en doet het inpakpapiertje er niet meer toe. Dit is het verschil tussen exoterisch (het papiertje) en esoterisch (het geschenk) lezen. Kerken en religies gaven ons steeds weer het inpakmateriaal te zien; het geschenk moeten we zelf ontdekken.

 

PS. Intussen heeft Hans B., mijn filosofeer-maatje, beloofd om ook af en toe een stukje te schrijven over zijn bedenkingen in verband met spiritualiteit. Die stukjes zullen mettertijd ook op deze pagina verschijnen.

 

         

Opmerkingen, vragen en reacties over mijn bedenkingen zijn welkom via het gastenboek of via email

(zie onderaan deze pagina)         

 

Donderdag 03 augustus 2006 - Francine

 

Ik heb de laatste tijd veel boeken gelezen die als uitgangspunt hebben dat een ziel, om te groeien in spiritualiteit en hogerop te komen, moet onthechten, het ego moet loslaten, aan de horizontale wereld (wereld van de materie) moet ontsnappen om te kunnen leven in de verticale wereld (wereld van de geest) en meer van dergelijke gedachten. Denk hierbij aan het boedhisme, de theosofie, de antroposofie, het hindoeïsme, de hermetische geschriften en ook een groot aantal van de teksten die gevonden werden bij NagHammadi, etc.

 

Heel veel heb ik daarover nagedacht. Ik vond het altijd moeilijk om die raadgevingen een plaats te geven in het leven van elke dag. Uiteindelijk leven wij wel op deze stoffelijke wereld, midden in de materie en met een stoffelijk lichaam dat ons alle kanten opdrijft om aan zijn eisen te voldoen.

 

Tot ik ineens, in een helder moment, inzicht kreeg in de betekenis van al deze aanmaningen om het stoffelijke zelf te overwinnen ten gunste van het hogere Zelf ( = onze godsvonk of goddelijk beginsel dat onze ziel aanzet tot steeds nieuwe manifestaties in een stoffelijk lichaam tot zij volmaakt geworden zal zijn en in staat om, net als Jezus, de Christusgeest te kunnen dragen en te kunnen manifesteren) en toch te kunnen blijven functioneren in de aardse wereld, zonder te vervallen in navelstaren of in zweverige gedachten  aan hogere sferen of in, beslist niet bedoelde, onverschilligheid voor de stoffelijke wereld.  

Het waren woorden van Jezus zelf die in me opkwamen en die me ineens lieten inzien wat al die andere geschriften proberen te zeggen. Het gaat om volgend fragment (zoals gewoonlijk gebruik ik de vertaling van het NT door Greber) en ik besefte dat hierin de sleutel verborgen was om te begrijpen hoe we in de wereld van de stof kunnen leven zonder gehechtheden en egogebondenheid.

 

Matt. 18: 1 Bij deze gelegenheid kwamen de leerlingen naar Jezus toe met de vraag: "Wie kan dan wel een hogere sfeer aan gene zijde bereiken?" 2 Daarop riep Jezus een kind bij zich, zette het in hun midden 3 en zei: "Ik zeg jullie: als jullie je niet veranderen en worden als de kinderen, kunnen jullie geen toegang vinden tot de hogere sferen aan gene zijde. 4 Maar wie deemoedig is, zoals dit kind, zal de hogere sferen aan gene zijde bereiken.

 

Ik probeerde me voor te stellen hoe ik dacht en voelde toen ik zelf nog een kind was en kwam tot de vaststelling dat ik toen tegen elke nieuwe dag aankeek als naar een nieuw avontuur, dat ik elke volwassene die ik ontmoette vol verwondering ontmoette en aanhoorde, zonder oordeel en vol verwachting over wat ik aan nieuwe dingen zou horen en beleven; met andere woorden: dat ik nog geen oordeel vastkleefde aan mensen of aan gebeurtenissen en alles met dezelfde vreugdevolle spanning tegemoet zag.

Gebeurtenissen en mensen waren nog niet bezoedeld met negatieve aanhechtingen en ik had nog de openheid om alles en iedereen zonder enige vorm van oordelende antipathie of vrees te bekijken.

En zo ontdekte ik meteen ook de geesteshouding die ervoor kan zorgen om als stoffelijke persoonlijkheid te leven in de materie zonder er last van te hebben en om op die manier een spiritueel en liefdevol leven te kunnen leiden: 'in de wereld, maar niet van de wereld'.

 

Het geheim zit erin om elke dag te beginnen met een open houding waarbij alle waardeoordelen van de voorgaande dag uit het geheugen worden gewist; om daarvoor elke nacht door het ‘bad der vergetelheid’ te gaan en ’s morgens op te staan met een geest die vrij is om alles weer ‘nieuw’ te zien, onbevangen als een kind.

Dit bad der vergetelheid kennen we als datgene wat er gebeurt, tussen twee levens in, wanneer onze ziel in een nieuwe persoonlijkheid incarneert; zonder dat bad zouden we al onze vorige persoonlijkheden moeten meetorsen in een nieuw bestaan, iets wat zo belastend zou zijn dat we nauwelijks in staat zouden zijn om het huidige leven te leiden.

Dus heeft onze schepper ervoor gezorgd dat we wél de resultaten van voorgaande ervaringen meekrijgen in onze ziel (resultaten die ik vertaal als ‘geweten’ ) maar niet de herinnering aan die ervaringen.

Zo zouden we, volgens mijn inzicht dan, erin moeten slagen om alle belastende herinneringen van de voorbije dagen van ons af te schudden voor we ’s avonds inslapen en elke nieuwe dag te beginnen met de ogen van  ‘een kind’ . Dat dit niet vanzelf gaat moge duidelijk zijn. Maar het lijkt me zeer de moeite waard om het te proberen.

 

                                                                                                                

                                                                                                              

Vrijdag 04 augustus 2006 - Francine

 

Vandaag wilde ik het graag hebben over ‘geweten’. Wat dit is – zoals ik erover denk :) en dus geen evangelie – waar het vandaan komt, hoe het gevormd (of juist niet gevormd) wordt, waarom er blijkbaar zoveel verschillende menselijke ‘gewetens’ zijn.

Van sommige mensen wordt gezegd dat ze zeer gewetensvol zijn, van anderen weer dat ze zich gewetenloos gedragen. Ligt dit alleen aan de omgeving waarin iemand opgroeit, aan de opvoeding die iemand krijgt, of … komt het van veel dieper?

Dit is weer een van de dingen waar ik al vaak en diep over nagedacht heb en waarvan ik hoop een verklaring gevonden te hebben door mijn lectuur en mijn mediteren over dit en aanverwante onderwerpen.

 

In van Dale lees ik, als verklaring van geweten: geweten: innerlijk besef van goed en kwaad, de gezamenlijke al of niet bewuste voorstellingen en begrippen, waarnaar de mens de zedelijke waarde van eigen handelen beoordeelt, het bewustzijn van plicht, in zoverre het zich zelfs tegenover natuurlijke wensen en begeerten stelt.

 

Wat meteen opvalt in het woord ‘geweten’ is het werkwoord ‘weten’. En weten is, zoals niemand zal willen betwisten, kennis hebben verkregen over iets. Iets weten komt niet vanzelf.

Het ganse woord ‘geweten’ is dan weer het voltooid deelwoord van ‘weten’ zoals het vaak gebruikt wordt in zinnen als: ‘dát heeft hij geweten!’ wanneer iemand iets gedaan heeft waarvan later de nare gevolgen voor zijn neus staan. (bv. iemand die zich lichamelijk veel te hard heeft ingespannen en daardoor de dagen erna met zware spierpijn krijgt af te rekenen)

Hieruit kunnen we al – voorzichtig – de conclusie trekken dat ‘geweten’ dus ontstaat als gevolg van opgedane ervaringen, zowel ten goede als ten kwade.

 

Of een ‘geweten’ goed gevormd is zal dus noodzakelijkerwijs afhangen van de ervaringen die iemand heeft opgedaan, de gevolgen die daaruit voortvloeiden en, niet op de laatste plaats, de lering die iemand daaruit getrokken heeft.

 

Wanneer dit afhankelijk zou zijn van de omgeving en opvoeding, dan zouden we moeten aannemen dat kinderen uit eenzelfde gezin ongeveer eenzelfde soort geweten zouden moeten hebben.

 

Dat dit niet zo is zullen de meesten onder jullie zeker niet betwisten. Hoe vaak komt het niet voor dat in één gezin een kind, van kleins af aan al tekenen van gewetensvol handelen vertoont en bijvoorbeeld mama gaat troosten en helpen wanneer er iets niet goed met haar gaat, terwijl een ander kind, uit datzelfde gezin en in dezelfde situatie, doorgaat met zijn eigen dingetjes alsof er niets aan de hand is. Zo ook zal het ene kind een ander kind, dat gepest wordt, ter hulp snellen en een ander zal toekijken of zelfs meedoen aan de pesterij.

 

Hoe is dit te verklaren? Want ik ga ervan uit dat niemand in staat is om echt helemaal tegen zijn/haar ‘geweten’ in te handelen. Het moet dus zo zijn dat niet iedereen in het bezit is van eenzelfde soort sprekende gewetensinhoud.

 

Het ‘geweten’ waar ik het over heb is niet – en dat wil ik benadrukken – een verstandelijk ‘weten’ (is kennen van wetten die door de sociale omgeving worden opgelegd) maar een toestand van de ziel waar echt niet tegenin te gaan is, waar niet over hoeft nagedacht te worden voor iemand iets doet of zegt, die een leidende functie heeft bij heel onze handel en wandel.

Het is, met andere woorden, de wet van oorzaak en gevolg die in ons leeft als gevolg/lering van eerder handelen en de gevolgen daarvan, op een dieper niveau dan de materie.

 

Om het voorgaande nog even te verduidelijken door een voorbeeld: wanneer iemand door het rode verkeerlicht rijdt en daarvoor een boete krijgt, dan zal hij hierdoor voortaan voorzichtiger worden omdat hij/zij verstandelijke ‘weet’ wat het gevolg is van een verkeersovertreding: een flink gat in zijn/haar geldbeugel. Maar dit is geen ‘gewetensvorming’.

Wanneer diezelfde persoon echter dieper gaat nadenken over zijn/haar onbezonnen handeling en tot het besef komt dat die boete verdiend is omdat hij/zij door die overtreding wellicht mensenlevens in gevaar heeft gebracht, dan is dit wél een stukje ‘gewetensvorming’.

 

En dan kom ik nu terug bij mijn uitgangspunt: hoe is het te verklaren dat sommige mensen een zeer goed gevormd geweten hebben, zelfs al van kleins af aan en anderen totaal niet?

Ik geloof dat daar maar één mogelijke verklaring voor is, namelijk de reïncarnatie van de ziel.

 

Ikzelf geloof vast in reïncarnatie: manifestaties van de ziel in steeds nieuwe aardse persoonlijkheden,

om daarin ervaringen op te doen in relatie tot anderen,

om steeds weer bij te leren door de gevolgen die uit eigen handelen voortkomen,

om, door deze leringen te integreren in de ziel en mét dat pakket – dit is wat ik ‘geweten’ noem -  terug te keren op aarde totdat de ziel uiteindelijk niet meer tot kwaad (= tegenwerking aan het goddelijk plan) in staat is en volledige kennis bezit van en in harmonie is met het goddelijk plan.

 

Omdat niet elke ziel evenveel incarnaties heeft doorgemaakt, omdat niet elke ziel even snel lering trekt uit de gevolgen van zijn daden, is het logisch dat niet elk mens eenzelfde geweten bezit. Het moet groeien naarmate wij de school van het leven doorlopen. Dat dit niet in één enkel stoffelijk leven mogelijk is, staat voor mij als een paal boven water.

 

Maar de gevolgen van onze daden, woorden en gedachten stuwen ons, uiteindelijk, onweerstaanbaar tot dat punt waarin het ‘geweten’ volmaakt zal zijn geworden en wij niet anders meer kunnen dan handelen in samenwerking met, en tot volbrenging van, Gods scheppingsplan.

Slechts wanneer we zover gekomen zijn kunnen en mogen we beweren dat we ‘gewetensvolle’ mensen zijn.

 

                                                                                                               

 

 

 

31 augustus 2006 - Francine

KENNIS EN SEMI- KENNIS

 

Ik ben twee jaar geleden met deze website: ‘Spirituele Vrienden’ begonnen door de drang in mijzelf tot ‘zoeken naar Waarheid’.

Op internet en op de planken van de hedendaagse boekenwinkels wemelt het van opvattingen en boeken die allemaal beweren ‘de Waarheid’ in pacht te hebben. Honderden cursussen en workshops, die allemaal beloven te leiden tot Verlichting, worden tot in alle uithoeken van het land aanbevolen. Ook zijn er ook nog eens tientallen religies en pseudo-religieuze groeperingen die hetzelfde beweren waaronder zich mensen bevinden die bereid zijn tot moord en doodslag ter wille van ‘hun waarheid/religie’.

 

Ter illustratie een citaat van Kahlil Gibran:

 

 VIER KIKKERS ZATEN Op een houtblok dat vlak langs de oever in een rivier dreef.

Plotseling werd het blok door de stroom gegrepen en langzaam meegesleurd.

De kikkers waren ver­rukt en volkomen geabsorbeerd, want zij had­den nog nooit gevaren.

 

Tenslotte sprak de eerste kikker, en zei,

'Dit is werkelijk een zeer wonderlijk blok.

Het beweegt alsof het leeft.

Nooit hebben wij eer­der van een dergelijk blok gehoord'.

 

Toen sprak de tweede kikker, en zei,

'Nee, mijn vriend, het blok is net als andere blok­ken, het beweegt niet.

Het is de rivier die naar de zee wandelt,

en ons en het blok met zich mee draagt'.

 

En de derde kikker sprak, en zei,

'Het is noch het blok noch het water dat beweegt.

De beweging is in ons denken.

Want zonder het denken beweegt er niets'.

 

En de drie kikkers begonnen te kijven over wat er nu werkelijk bewoog.

De ruzie werd al heviger en luidruchtiger, maar zij konden het niet eens worden.

Toen wendden zij zich tot de vierde kikker,

die tot op dat moment aan­dachtig had geluisterd,

maar stil had gezwe­gen, en ze vroegen zijn mening.

 

En de vierde kikker zei,

'Ieder van jullie heeft het bij het rechte eind, en geen heeft ongelijk.

De beweging is in het blok én in het water en óók in ons denken'.

 

En de drie kikkers werden zeer boos,

want geen van hen was bereid toe te geven dat zijn waarheid niet de hele waarheid was, e

n dat de beide anderen niet geheel ongelijk hadden.

Toen gebeurde er iets vreemds.

De drie kik­kers verenigden zich en duwden de vierde van het blok af de rivier in.

 

 

Het is, door de kwantiteit van het aanbod bijna niet meer mogelijk om nog een keuze te maken in deze ‘spirituele supermarkt’. En elke auteur, elke beweging, elke religie, elke genezer en would-be spiritueel leraar beweert dé Waarheid in pacht te hebben.

 

Omdat het m.i. niet mogelijk is dat er zoveel waarheden als mensen zouden zijn – want zo lijkt het intussen wel – ben ik er steeds naar blijven streven om in al die verschillende opvattingen naar een gemeenschappelijke noemer te zoeken, m.a.w. naar de bron waaruit al deze rivieren en bijriviertjes ontstaan zijn.

 

Daarom heb ik ook zoveel boeken gelezen,die naar mijn aanvoelen de waarheid benaderen, en citaten eruit gelicht om deze met de bezoekers van Spirituele Vrienden te delen.  Hoe meer ik las, hoe kritischer ik werd. Waar ik aanvankelijk

door mijn aversie tegen de dogmatiek van de kerken, bijna het kind met het badwater weggooide, keerde ik langzaam terug tot Christus en het Christendom. Die terugkeer dank ik aan verschillende auteurs die het ‘esoterische Christendom’ toegankelijk maken[1] en daardoor mijn ogen en bevattingsvermogen, om de ‘ware boodschap’ van Jezus Christus te vatten, hebben opengemaakt.

 

Het 2de logion, uit het gnostische evangelie volgens Thomas, heb ik intussen tot mijn lijfspreuk verheven: ‘Jezus zei: Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt. En als hij vindt zal hij verontrust worden, en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen, en hij zal over het Al heersen.’  

 

Dit was een zeer intrigerende uitspraak, toen ik die voor het eerst las, en voor mij een aansporing om het zoeken niet op te geven.  Want Jezus geeft hier duidelijk te kennen dat De Waarheid er wel degelijk is en ook gevonden kan worden. Niet in allerlei spirituele cursussen en workshops of in gechannelde geschriften, maar in de vele woorden die Hij gesproken heeft toen Hij onder ons verkeerde, als Boodschapper van De enige Weg. Ik denk hierbij vooral aan de Bergrede en de vele parabels die woord voor woord bedoeld zijn als wegwijzers om te worden zoals Hij: een Zoon van de Vader en een inwoner van Het enige Koninkrijk. Hij heeft ons in beeldspraak, voor iedereen die wil kijken met de ogen van het hart, getoond hoe we die weg kunnen gaan: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”,  en waar dat Koninkrijk te vinden is: “ Mijn koninkrijk is niet van déze wereld.”

 

Waarom dan zoeken om op deze aarde, in onze aardse persoonlijkheid, geëerd te worden als koningen, bewierookt te worden om wat we hier bereikt hebben (ook op pseudo-spiritueel vlak), ons hoofd en ons hart te vullen met stoffelijke verlangens naar alles wat vergankelijk is (waaronder ook de waardering van onze medemensen), als we toch weten dat ons een ander Koninkrijk wacht dat onvergankelijk is en dat niet bereikt kan worden wanneer we, beladen als een kameel met aardse goederen en hechtingen, de poort proberen binnen te gaan?

 

Niet alleen Jezus heeft hierover getuigd. Ook meesters als de Boeddha bv., hebben deze boodschap naar de mensheid gebracht, in woorden die geschikt waren voor hun tijd en voor die bevolking waartussen ze leefden. Ook in onze tijd komen nog boodschappen uit de geestelijke wereld tot de mensheid (heeft Jezus immers niet gezegd: “Ik zal niet lang meer zichtbaar bij jullie zijn, maar ik zal U mijn helper sturen”)

 

Die helpers zijn er steeds geweest op aarde, in de 20 eeuwen nadat Jezus terugkeerde naar Zijn Koninkrijk, waar wij allemaal verwacht worden als ‘verloren zonen’. En hun hedendaagse geschriften getuigen nog steeds van dezelfde boodschap als die van Jezus Christus.

 

Alleen is het zaaks om met hart en verstand alert te zijn op valse profeten en valse boodschappers die, in plaats van ons dichter bij het ware Koninkrijk te brengen, proberen ons te laten geloven dat het koninkrijk tóch hier op aarde zou te verwezenlijken zijn. Laat dit, in de eerste plaats, een graadmeter zijn om boodschappen en geschriften te toetsen op hun waarheidsgehalte en of zij ‘uit Christus’ zijn.

 



[1] Hans Stolp, Sutherland, Bram Moerland, Jacob Slavenburg e.v.a. 

    

                                                                                         

13 september 2006

 

Stel je eens voor dat je op een dag ergens leest of hoort dat er, boven op een hoge berg, een prachtig land is. Een land zonder oorlog of na-ijver, een land waar iedereen in ware liefde samen leeft en werkt en de een niet meer is dan de ander, waar voor iedereen genoeg is. Met andere woorden, een land waar elk weldenkend mens naar verlangt.

Er is echter een groot probleem: de berg is bijna onbeklimbaar. Er is nog geen pad dat naar boven leidt, er groeien alom stevige, bijna ondoordringbare  struiken en doornen, soms zijn er diepe afgronden en spleten en er zijn nauwelijks steunpunten voor handen en voeten.

 

Maar natuurlijk wil je dolgraag naar dat land, boven op die berg. Je hele hart en ziel verlangt om daarheen te trekken, samen met al jouw vrienden en familieleden.

En jullie beginnen aan de tocht.

Jullie beloven elkaar om elkaar zo goed mogelijk te helpen onderweg.

 

Dan komen jullie aan de voet van de berg en zien dat het niet mogelijk is om met verschillende mensen naast elkaar te lopen en dat ieder apart zijn weg naar boven zal moeten zoeken.

En dan, na veel ontberingen en inspanningen, en vooral met achterlaten van heel wat bagage, die alleen maar ballast blijkt te zijn,  kom je boven en ziet daar, inderdaad zoals jou verteld was, een paradijselijk land waar je zomaar kan binnenstappen en er voor altijd blijven, in vrede en geluk.

 

Maar dan kijk je nog eens achterom, om jouw familieleden en vrienden te omhelzen, vol vreugde omdat jullie het doel bereikt hebben, en tot je grote ontsteltenis zie je dat er nog een tientallen van hen aan het worstelen zijn op de berghelling; dat sommigen zelfs vasthangen in doornstruiken of gevallen zijn in rotsspleten waar ze niet meer alleen kunnen uitkomen.

 

Hoe vreselijk dit ook is, je zal – om jouw geluk in het gevonden paradijs volkomen te maken, zonder hen zou het geluk immers onvolledig zijn – niet anders kunnen dan deze heerlijke plaats opnieuw te verlaten om de achtergebleven leden van de groep te bevrijden uit hun netelige omstandigheden en om hun te laten zien dat het echt wel mogelijk is om de top van de berg te bereiken omdat het jou al gelukt is. Jij weet ook langs welke weg dit te bereiken is en vooral ook dat je, om te slagen in het bereiken van deze top, moet kunnen besluiten om alle ballast achter te laten. Die ballast heb je daarboven immers niet meer nodig en hij verhindert jou alleen maar om te top te bereiken.

 

En hoeveel moeite het je ook kost, stap voor stap daal je de berg weer af om te helpen en de weg te wijzen tot de hele groep de tocht volbracht heeft.

 

Dit hele verhaal heb ik opgeschreven om duidelijk te maken wat een enorm offer Jezus voor de mensheid heeft gebracht toen hij het Al verliet, waar hij reeds lang als Zoon Gods verbleef, om weer af te dalen in een zwaar en stoffelijk lichaam, om voor ons mensen, zijn broeders en zusters, de weg terug naar huis te komen uitstippelen. Hij kende die weg reeds, hij had alle moeilijkheden al overwonnen en hoefde dus niet meer terug. Maar hij werd zo door mededogen bewogen toen hij zag hoe de mensheid in diepe duisternis worstelde in spleten en afgronden, vastgeklonken aan de doornen van de materie, dat hij met alle Liefde het Koninkrijk Gods verliet om ons te komen leren op welke manier wij daar ook kunnen komen; om ons te herinneren aan de plaats waar wij thuis horen en dat wij niet voor eeuwig in deze smartelijke aardse omstandigheden dienen te blijven leven maar ook terug kunnen keren naar het Vaderhuis.

                                                                                             

20 september 2006

Het Koninkrijk Gods is niet van deze wereld.

 

Tientallen keren heeft Jezus gedurende de drie jaren toen hij, bezield door de Christusgeest, op aarde rondging om zijn verlossende boodschap aan de mensheid te brengen, gezegd dat wij het Gods Koninkrijk niét op deze aardbol moeten zoeken omdat het Koninkrijk niet van déze wereld is. En toch zien we nog altijd dat iedereen meent om toch op aarde dat koninkrijk te kunnen stichten. We zien het in de politiek, we zien het bij ‘wereldverbeteraars’ van allerlei slag en, we zien het helaas ook in de verschillende religies. Elk van hen meent hét enige en echte koninkrijk in bezit te hebben en dit ook nog eens te moeten verdedigen tegen alle buitenstanders; zelfs als daar ontelbare mensenlevens mee gemoeid zijn.

Na 2000 jaar heeft de mensheid nog steeds de heilsboodschap van Jezus Christus (en zijn voorgangers) niet begrepen.

 

In onderstaande verzen uit het evangelie van Mattheus  staat die boodschap nochtans in duidelijke woorden te lezen. ( bijna identieke woorden zijn trouwens ook te vinden bij Marcus 8 en Lucas 9 )

 

Matt: 16:21-28

 

21 Vanaf deze dag begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar

Jeruzalem moest gaan en daar door de oudsten, de opperpriesters en schriftgeleerden veel lijden zou moeten ondergaan en uiteindelijk gedood zou worden; maar dat hij op de derde dag zou worden opgewekt.

22 Toen nam Petrus hem terzijde en begon hem ernstig toe te spreken. "Heer," zei hij, "dat verhoede God! Nooit mag je zoiets overkomen!"

23 Toen wendde Jezus zich tot Petrus met de woorden: "Ga uit mijn ogen, satan! Jij wilt mij van het rechte pad afbrengen. Want jouw gedachten komen niet overeen met de wil van God, maar alleen met je zuiver menselijke gevoelens."

24 Daarop zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Wie in mijn voetstappen wil treden,

moet afstand doen van zijn louter menselijke verlangens. Hij moet het voor hem

bestemde kruis op zich nemen. Pas dan kan hij mijn volgeling zijn.

25 Want wie alleen zijn lichamelijk welzijn probeert veilig te stellen, zal het geestelijke verliezen. Wie echter het lichamelijk welzijn om mijnentwil prijsgeeft, zal het geestelijke vinden.

26 Want wat zou het een mens baten als hij de hele wereld zou winnen, maar zijn geestelijk welzijn daarbij verloor? Of wat zou een mens aan aards losgeld kunnen betalen voor zijn verloren geestelijk welzijn?

 27 Want de mensenzoon zal in de heerlijkheid van zijn Vader komen met zijn geestenboden en dan een ieder vergelden naar zijn daden."

28 "Ik zeg jullie: sommige van degenen die hier staan, zullen de aardse dood niet

ervaren, voordat ze de mensenzoon in de glans van zijn koninklijke waardigheid

hebben zien verschijnen."

 

Laat ons deze boodschap eens wat beter bekijken om er de ware betekenis uit te puren. In deze paar verzen staat alles wat we moeten weten om het Koninkrijk te vinden en ook de manier waarop wij er deel aan kunnen hebben.

Jezus wist heel goed dat ons stoffelijk lichaam alleen maar een omhulsel is dat ons aan de aarde bindt. Omdat hij ons wilde leren dat wij – door in dat stoffelijk omhulsel ons echte zelf menen te vinden – nooit de weg naar het Vaderhuis zouden gaan zoeken, kwam hij zelf terug in zo’n lichaam.

Toen hij wist dat de tijd gekomen was om afscheid te nemen van dat lichaam en dit ook duidelijk probeert te maken aan zijn leerlingen, laten de woorden van  het snel ontvlambare ego van Petrus merken dat hij de boodschap van Jezus nog niet echt begrepen heeft. Hij snapt nog steeds niet dat de materie niet geschikt is voor het Koninkrijk en daarom roept hij meteen: “Nee, dat mag niet gebeuren meester! Dat men jouw lichaam zou doden!” Waarna Jezus hem meteen hardhandig terecht wijst met de woorden: “Ga uit mijn ogen, Satan!”  Niet omdat hij Petrus nu ineens een duivel vindt, maar wel omdat zijn woorden in tegenstelling zijn met het Goddelijk Plan waarvoor Jezus hier gekomen is. De mens, het ego, is niet geneigd tot afstand doen van iets of iemand. Petrus laat hier duidelijk merken dat hij zijn wens om Jezus, als stoffelijke persoon, dichtbij zichzelf te houden laat voorgaan op de wens om Jezus zijn taak te laten vervullen.

 

Na deze ongewenste opmerking van Petrus legt Jezus nog een keer, met duidelijke woorden, uit aan zijn leerlingen hoe elkeen Hem kan volgen naar het ware Koninkrijk: namelijk door Hem ook te volgen in de dood. Hiermee bedoelt Hij niet dat wij ons lichaam moeten verwaarlozen of zelfmoord moeten plegen, maar wel dat wij ons geestelijk niet mogen vereenzelvigen met dat lichaam en alles wat tot de materiewereld behoort. Wij leven hier dan wel op aarde, maar alles wat we hier zien, beleven en menen te ‘bezitten’ is slechts geleend goed behoort niet tot ons ware zelf, ons goddelijk deeltje dat als een zaadje verstikt wordt door de materie, maar dat in feite de enige ware erfgenaam van het Koninkrijk en is.

Wanneer we dus menen dat we al de bij het ego behorende bezittingen moeten (of kunnen) meeslepen, beladen we onszelf alleen maar met dode ballast die ons zal verhinderen om het Koninkrijk – dat enkel via Golgotha te bereiken is – ooit binnen te gaan. Want wat Jezus ons wil laten zien op Golgotha is het sterven van alles wat bij de persoonlijkheid hoort om de geest, de godsvonk (die bij Jezus helemaal volgroeid was) in de handen van de Vader te leggen als een teruggekeerde Zoon.

 

Op tientallen plaatsen in zijn leringen heeft Jezus ons duidelijk gemaakt dat we met de rijkdommen van de materie/de aardse persoonlijkheid niet door het smalle poortje - dat toegang geeft tot het Koninkrijk – kunnen komen. En met die rijkdommen bedoelt hij niet alleen de stoffelijke dingen die we kunnen vastpakken, maar ook de intellectuele rijkdommen die wij als ‘ons bezit’ menen te kunnen beschouwen. Denk hierbij aan het citaat over de kameel en het oog van de naald.

 

Wordt vervolgd.

 

                                                                                          

 27 september 2006
over verdraagzaamheid.

 

Soms is het moeilijk om een juiste houding aan te nemen tegenover mensen die ons – naar onze interpretatie dan – iets hebben aangedaan. Dat geldt zowel op persoonlijk vlak als op wereldvlak. Door de één wordt ‘verdraagzaamheid’ en ‘lijdzaam toezien’ verkondigd, door een ander weer het Bijbelse gezegde: ‘Oog om oog, tand om tand.’

Of meer hedendaags: ‘Je moet niet over je heen laten lopen, je moet voor jezelf opkomen.’
Toen ik daarover nadacht kwam ik tot de vaststelling dat Jezus op sommige momenten uiterst vergevingsgezind was – en dat ook van ons vraagt – maar op andere momenten ook behoorlijk te keer kon gaan, tegen schriftgeleerden bv.

Daarom ben ik zijn woorden nog eens goed gaan bekijken om te zien in welke omstandigheden hij de ene houding aannam, de houding van vergevingsgezindheid en verdraagzaamheid, en wanneer de andere, de houding van gerechtvaardigde verontwaardiging.


Hieronder eerst enkele voorbeelden:

 

Toen Jezus op nog op aarde rondging om de mensen en zijn apostelen te leren over de Vader en over Zijn Koninkrijk gaf hij er steeds blijk van dat het belangrijk is voor elkeen om zijn naaste te vergeven wanneer die zich misdragen heeft. Eén van de vele voorvallen die daarop wijzen is de uitspraak die we vinden bij Matteüs over vergeven:

Matt. 18:21-22 Toen kwam Petrus naar hem toe en vroeg; "Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven als hij een misstap tegen mij begaat? Soms tot zevenmaal toe?" Jezus antwoordde: "Ik zeg je: niet slechts zevenmaal, maar zeventig maal zevenmaal.

 

Zelf zagen we Jezus steeds weer vergiffenis schenken aan diegenen die zich tegenover hem hadden misdragen. Zelfs toen hij gegeseld en bespot werd en later aan het kruis hing te sterven,  kon hij nog steeds woorden van vergeving uitspreken tegenover degenen die hem dit alles hadden aangedaan.

 

Op andere plaatsen in het evangelie echter merken zien we ineens een andere Jezus, waar hij zeer harde woorden spreekt die juist heel weinig verdraagzaamheid laten zien.

Zo zien we dat hij kooplieden, die de tempel ontheiligen, naar buiten ranselt met al hun koopwaar.

We horen hem de farizeeërs en schriftgeleerden met harde woorden toespreken in Matteüs 23, waaronder dit vaak geciteerde vers:

27 "Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars! Jullie zijn als

witgekalkte grafkamers. Van buiten lijkt een grafkamer lieflijk in haar

bloemenpracht. Maar van binnen zit zij vol met doodsbeenderen en vergane resten.

28 Zo lijken ook jullie voor de mensen uiterlijk godvruchtig; maar je innerlijk is

vol huichelarij en goddeloosheid."

 

Toen ik verder ging lezen en zoeken naar situaties als hierboven, in de verschillende evangelies, had ik het ineens door en zag ik  waar het verschil lag.

Wanneer Jezus werd aangevallen of misverstaan in zijn menselijke persoonlijkheid – gewoon als mens onder de mensen – dan kon hij alles verdragen en vergeven omdat hij het totaal geen ego bezat dat kon gestreeld of gekwetst worden, hij was immers, na zijn doopsel in de Jordaan, niet langer gewoon ‘Jezus, zoon van Maria en Jozef’, maar puur Christus-bewustzijn en dus ‘Zoon van God’.

Wanneer het echter ging om de hypocrisie van Schriftgeleerden, om minachting van de Boodschap die hij kwam brengen, om mensen die de inhoud van de Wet vervingen door de dode letter om de mensen op die manier af te snijden van de levende Boodschap en van de Weg naar de Vader, dan vond hij het gerechtvaardigd om daar heftig tegen te protesteren.

 

Als je zelf gaat zoeken in de evangelies zal je zeker nog veel meer gelijksoortige situaties herkennen.

 

 

                                                                                                      

 16 oktober 2006

 

Ik had het al eerder over het ‘zaad’ [1]dat door de zaaier (Christus) wordt gezaaid in de harten der mensen en dat in weinige gevallen echt tot wasdom komt.
Het zaad, waarover in de parabel van de zaaier gesproken wordt, is de Gnosis (=de ware Kennis) van Christus, door Jezus naar de aarde gebracht aan de mensen die ‘oren hebben om te horen.’

Echter, in elk van onze harten, ligt ook een zaadje te wachten om te kiemen en een grote boom te worden. Daar ligt ons ware Zelf waarin we deel zijn van God; daar ligt onze Godsvonk, ons Christusbewustzijn (of Boedha- of Krisnabewustzijn) of, met andere woorden: het bewustzijn dat wij van goddelijke afkomst zijn. Dat bewustzijn is echter  ingekapseld als een zaadje in de donkere aarde, dat eerst licht en voeding en water moet krijgen om tot wasdom te kunnen komen.

Daarvoor zijn steeds, in alle tijdperken, mensen die dit zaad al helemaal tot een vruchtdragende boom hebben laten groeien – en dus het Koninkrijk al hebben bereikt – vrijwillig terug als mens gereïncarneerd om als een ‘Messias’ en ware Zoon van God aan alle achterblijvers de weg terug naar Huis te tonen.
Voor ons, Westerse mensen, was het vooral Jezus, de Christus, die deze boodschap naar de mensheid bracht. Als Zoon Gods, als mens met een volkomen Christusbewustzijn, kon Hij als geen ander de Weg en de voorwaarden beschrijven opdat ook wij allemaal dat Koninkrijk terug zouden vinden.

Wanneer hij zijn leerlingen onderwees en de mensen die Hem volgden om Hem te horen spreken, sprak Hij dan ook altijd vanuit dat Christusbewustzijn.


Die hele inleiding dient ervoor opdat de woorden die ik in het evangelie las en die ik jou ook opnieuw wil laten lezen, met horende oren en ziende ogen, duidelijk zouden zijn.
Het gaat om een stukje uit Matt. 25: 42-44

 

41 "Daarna zal hij tot diegenen aan zijn linkerkant zeggen: 'Ga weg van mij, jullie

vervloekten, in het vuur van het lijden dat onbepaalde tijdperioden duurt en dat

mijn Vader voor de duivel bestemd heeft en voor de geesten die bij hem horen. 42

Want ik was hongerig en jullie gaven mij niets te eten; ik had dorst en jullie gaven

mij niets te drinken; 43 ik was een vreemdeling en ik vond bij jullie geen onderdak;

ik was zonder kleding en jullie bedekten mijn naaktheid niet; ik was ziek en zat in

de gevangenis en jullie hebben mij niet bezocht. '"

 

Deze tekst is, zoals zovele in de evangelies, te lezen en te verklaren op twee niveaus.
Eerst gewoon op het niveau van de mens, in een fysiek lichaam en levend op deze planeet, maar daarna ook een dieper niveau, op het niveau van onze slapende en verwaarloosde godsvonk, het goddelijke zaadje dat ruimte, warmte, voeding, water en licht moet krijgen om te kunnen ontkiemen.
Wanneer we – op dit diepere niveau – de tekst die hierboven staat lezen, dan horen we niet Jezus, de mens, maar wel het Christusbewustzijn zelf tot ons spreken.

En dan krijgen de woorden: “ ‘IK’ was vreemdeling en je gaf me geen onderdak, ‘IK’ had honger, dorst en je hebt me niet gevoed, ‘IK’ was naakt, had het koud en je gaf me geen kleding, geen warmte, ‘IK’ was ziek en gevangen en je hebt me niet bezocht/bevrijd” een heel andere betekenis. Want hier spreekt het goddelijke Zaadje dat we ons hele leven verwaarloosd hebben en niet de kans hebben gegeven om te ontkiemen, te groeien en vruchten voort te brengen.

 

De diepere betekenis van deze woorden is belangrijker dan de letterlijke betekenis (die spreekt over naastenliefde) want wanneer een mens gehoor heeft gegeven aan de diepere betekenis en die roep heeft beantwoord, dan volgt de naastenliefde vanzelf. Een mens die zijn ‘individuele zelf’ heeft geofferd om plaats te maken voor het Christusbewustzijn, kan niet anders meer dan ook de roep tot naastenliefde beantwoorden want dan is hij/zij zich ten diepste bewust van alles wat leeft en is een ware bewoner geworden van ‘het Koninkrijk’ dat niet van deze wereld is.



[1] http://fran.sneeknet.nl/homepage/show/pagina.php?paginaid=180364

 

Wie door het lezen van deze teksten geraakt wordt en meer wil weten over de Gnostische betekenis van de woorden van Jezus Christus verwijs ik graag naar de website van Het Goddelijk Plan

                                                                                         

31 oktober 2006  Wie heeft de teugels in handen?

 

Zodoende is de eerste stap tot het vinden van het ware Zelf ons lichaam niet als onszelf te beschouwen, maar als het huis, waarin wij tijdelijk wonen, of de kleding, die wij dragen, of zoals Meester K.H. dit in Aan de Voeten van de Meester zegt:

als “het paard, waarop wij rijden.”
Dit laatste is de beste vergelijking van alle, want ons lichaam is een levend ding met een vaag eigen elemen­taalleven, dat los staat van ons innerlijk leven. Gesteld dat wij nergens heen kunnen gaan dan op een paard, wat zouden wij dan veel zorg besteden aan dat paard, het voeden, schoonhouden en het behoorlijk oefenen.

Op dezelfde wijze moeten wij ons waardevol lichaam be­handelen, maar ons bewustzijn er niet mee vereenzel­vigen.

Citaat uit: Het pad van de leerling – Clara M. Codd.

 

Dit waardevolle citaat deed mij,  zoals wel vaker gebeurd wanneer ik Wijsheidsteksten lees, verder mediteren over wat hier precies bedoeld wordt.
Ik ben er al jarenlang helemaal van overtuigd dat IK niet mijn stoffelijk lichaam ben, maar wel degene die dit lichaam mag gebruiken om mij in deze wereld mee uit te drukken.

 

Door het beeld van  “het paard, waarop wij rijden.” uit het citaat, kwamen er nieuwe inzichten bij en die wil ik met jou, die dit leest, proberen te delen.
Wanneer wij een paard voor onze wagen spannen, of wanneer we zelf paard gaan rijden, dan weet iedereen dat we teugels nodig hebben om aan dat ‘paard’ onze bedoeling over te brengen: moet het naar rechts, naar links, recht vooruit, stoppen? Al deze intenties kan een goede paardenmenner via de teugels overbrengen naar het paard. Als dit niet goed gebeurt, dan slaat het paard, letterlijk en figuurlijk op hol.

 

Verder denkend volgt natuurlijk de vraag: wie is dan diegene die het hier de teugels in handen heeft, die het paard ment?

De eerste reactie is dan vanzelfsprekend: “ja, IK natuurlijk!”
Maar daaruit volgt dan weer een nieuwe vraag: “wie is dan dat IK?”
Zo verder mediterend kwam ik ineens tot de vaststelling dat er meerdere ikken zijn, waarvan echter maar één geschikt is om de ware paardenmenner te zijn.

--------------------------------------------------------
Wie nog niet enigszins op de hoogte is van de verschillende lichamen – naast het stoflichaam – waaruit een menselijk individu is samengesteld zal dit niet goed kunnen volgen, daarom even een kleine toelichting:

De mens bestaat uit:

1ste: het met de zintuigen waarneembare stoffelijke lichaam verweven met het levenslichaam dat de stof ‘levend’ maakt.

2de: het begeertelichaam: een astraal waarneembaar lichaam dat het stoflichaam doordringt en omringt en waarin al onze begeertes, verlangens, emoties, voor- en afkeuren zich bevinden

3de: het denklichaam dat ook weer de andere lichamen doordringt en van waaruit ons persoonlijk gedachtepatroon en wil afkomstig zijn.
Deze drie samen vormen de aardse persoonlijkheid en houden deze in stand.


Daarenboven echter is in het hart van elk mens een vonkje van God aanwezig. Het is dit vonkje – of zaadje – dat ons in staat stelt, wanneer we het tot bloei en tot groei laten komen, om terug te keren naar onze oorsprong: het Koninkrijk waar Jezus over sprak, het Huis van de Vader, daar waar op de Verloren Zoon wordt gewacht.

----------------------------------------------------------   

Om verder te gaan over wie nu eigenlijk de teugels van ‘het paard’ in handen krijgt en dus de paardenmenner is.
Er zijn - uit wat ik hierboven uitlegde – verschillende mogelijkheden:

  1. Het begeertelichaam wordt als IK beschouwd en krijgt de teugels in handen waardoor emoties, verlangens en begeertes het leidende principe worden van de persoonlijkheid. Of....

 

  1. Het denklichaam wordt als paardenmenner aangesteld waardoor het verstand alle beslissingen neemt, voornamelijk met de intentie om de persoonlijkheid in stand te houden en te laten groeien.
    (hieraan verbind ik de woorden van Johannes de doper: Hij(de Christus) moet wassen (groeien), ik (de persoonlijkheid) moet minder worden. )
     
    Of......

 

  1. De twee voorgaande betwisten elkaar om het bezit van de teugels, waardoor het paard dan weer die kant op getrokken wordt en dan weer de andere kant.

 

  1. Ofwel : de mens komt tot Bewustzijn (in onze cultuur: Christus Bewustzijn genoemd) , erkent het Goddelijke deeltje dat eigenlijk de ware aard van de mens is, het IK dat de dood niet zal smaken, volgens Jezus, en laat dit ware IK de paardenmenner zijn. Dit is, waarover Jezus het heeft in zijn woorden:  "Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; en een ieder die het leven bezit en het geloof bewaart, zal nooit meer sterven.”

 

Deze woorden sprak Jezus niet als de mens, Jezus, maar vanuit het Christus Bewustzijn dat  bij hem de echte en enige paardenmenner was.


Laat ons dus, wanneer ons reisdoel het Koninkrijk in het Huis van de Vader is, dit Christusbewustzijn in ons laten groeien zodat dit ook onze paardenmenner kan zijn. Want alle andere menners, aan wie wij de teugels toekennen, zullen ons niet naar Het Koninkrijk brengen maar voeren paard en menner regelrecht in de afgrond.
Ik ben er mezelf van bewust geworden – eigenlijk door dat citaat waarmee ik dit stukje begon - dat ik ook de teugels maar al te dikwijls aan menner 1 of menner 2 heb afgestaan en werd, door dit inzicht, verontrust en die verontrusting is een duidelijk signaal… dat het de hoogste tijd is om van paardenmenner te wisselen.

 

vrijdag, 02 maart 2007

 

Over mensen die wij ontmoeten en het ‘heilige’ doel van die ontmoetingen.

 

Al enige tijd, sinds ik me verdiep in esoterische en gnostische kennis en ik in de Gnosis steeds meer de ware Weg ben gaan zien, heb ik veel nagedacht over de woorden die Jezus zo vaak sprak – en die we ook, met andere woorden en beelden, in oude gnostische teksten van andere religies kunnen terugvinden – over het Eeuwige Koninkrijk. Jezus zei: ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.’

 

Het Eeuwige Koninkrijk roept bij mij altijd beelden op van een toestand van volkomen, niet-dualistische geluk. Dat dit een toestand is waar elk mens naar verlangt, moge duidelijk zijn.

 

Deze toestand is echter onmogelijk te vinden in deze dualistische wereld van de materie waarin we op aarde leven. Hoeveel mensen ook hun best doen om aardig, liefdevol, behulpzaam en vredevolle daden te stellen, we blijven heen en weer slingeren tussen korte momenten van geluk, die telkens weer omslaan in momenten van pijn, verdriet, angst; omdat het bereikte zogenaamde geluk niet bestendig blijkt te zijn, hoe hard we er ook naar streven om die geluksmomenten vast te houden. Alleen het proberen vasthouden al is aanleiding om het gevonden geluk onvolmaakt te maken, door de angst om het weer te verliezen.

 

Dit komt voornamelijk tot uiting in onze relaties met mensen, is mijn ervaring. (de zeer materialistische mens, die zijn geluk zoekt in stoffelijk bezit, laat ik hier even buiten beschouwing)

 

We zijn jong, we worden verliefd. Wanneer dat gebeurt is er in ons denken en doen alles op gericht om bij de geliefde te zijn. “Als dat eens zou lukken, als diegene ook van ons zou houden, dan was het leven ‘volmaakt’”, zo denken we op dat moment. Helaas, volmaakt geluk is er niet lang bij, want al snel komen we tot de bittere vaststelling dat we, nu we die relatie hebben kunnen vastleggen, er een voortdurende angst ontstaat dat we die ene wel eens zouden kunnen verliezen; hetzij door ziekte, door een ongeluk of gewoon door een veranderde belangstelling. Om te weten dat dit geen ongegronde angst is, stoffelijk bezien, moeten we maar eens kijken naar het aantal echtscheidingen en/of ongelukken, dodelijke ziektes die jongen mensen treffen.

 

Of, we krijgen kinderen … een groot moment van geluk voor veel ouders die het krijgen van zo’n kindje als het ultieme geluk beschouwen. Maar pas is het kind geboren en ook hier slaat weer de angst toe. “Zal het niet ziek worden? Zal het geen handicaps hebben? Zal het opgroeien als een mooi en verstandig mens die zich staande kan houden in de maatschappij? Wordt het geen misdadiger, drugsgebruiker of erger?”

 

En vaak genoeg gaat het inderdaad fout, zo lijkt het ons, en worden onze kinderen ons ontnomen of keren ze zich tegen ons; worden ze niet wat wij ervan verwachtten.

We ontmoeten mensen, krijgen vrienden, worden door diezelfde mensen – waarbij we ‘geluk’ meenden te vinden – weer verlaten of zelfs verraden.

 

Hoe vaker dit gebeurt, hoe meer je ervan bewust wordt dat dit altijd zo zal gebeuren en dat geen duurzaam geluk te vinden is in het samenzijn met mensen. Zelfs het meest volmaakte huwelijk, de meest volmaakte relatie, wordt uiteindelijk verbroken door het sterven van een van beide.

Een mens zou er bijna wanhopig van worden, wanneer duidelijk wordt dat alle streven naar geluk, alle ontmoetingen met mensen, uiteindelijk uitdraaien op teleurstelling en verdriet. Ware het niet dat Jezus sprak: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.”

  

We mogen dus hopen op een andere wereld, waar geluk wél bestendig zal zijn.

Maar wat voor nut heeft het dan om hier banden aan te gaan met andere mensen? Waarom dan niet meteen hier van alles en iedereen afstand doen en maar meteen op weg naar het Eeuwige Koninkrijk?

 

In deze vraag ligt, denk ik, het antwoord al besloten. We hebben die anderen nodig – en zij ons – om ‘heel’ te worden (heilig komt van helen). We weten dat we, als ziel, al eeuwenlang rondwentelen in het wiel van reïncarnatie op reïncarnatie. We weten dat we, gedurende al deze incarnaties, karma hebben opgebouwd. We weten dat we daardoor geen onbevlekte zielen meer zijn, maar dat we leven in een microkosmos vol ongerechtigheden waarin de afstemming op het Koninkrijk vrijwel helemaal verstikt is onder onkruid en ongerechtigheden, waarin het Licht ons niet meer kan bereiken. Het lijkt op een huis met ramen die in eeuwen niet zijn schoongemaakt en waardoorheen uiteindelijk geen straaltje zonlicht meer kan binnenschijnen.

 

Die ongerechtigheden zijn ontstaan in al die incarnaties waarin we – in relatie tot anderen – ons misdragen hebben, ons hebben laten leiden door eigenbelang en hebzucht, waarin we anderen hebben laten lijden door gebrek aan liefde en mededogen. Anderen hebben dit ook aan ons gedaan.

 

Dat alles mogen we opruimen, schoonmaken, reinigen door en met de mensen die we nu weer tegenkomen, als  nieuwe persoonlijkheden in een eeuwige microkosmos, sommige voor een hele tijd, sommige voor heel even; naargelang we elkaar kunnen en mogen helpen met dat schoonmaakproces. Soms hebben we aan zo iemand goed te maken, anderen doen dit weer aan ons; soms mogen we voor elkaar een spiegel zijn om diep in onszelf te kunnen zien en daar de ongerechtigheden te herkennen; om ze daarna met wortel en al uit te rukken; soms mogen we anderen een eindje begeleiden op hun pad, sommigen maar een enkele kilometer, anderen weer tot aan het einde van de reis.

 

Dat is – voor zover mijn inzichten nu reiken – het ‘heiligende’ doel van elke ontmoeting met medemensen. Niet het bereiken van aards geluk, maar een weg banen naar het éne, eeuwige en volmaakte Koninkrijk waarover Jezus sprak.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL