Vertaalde Gedichten

 

Een verzameling gedichten die oorspronkelijk in een andere taal werden geschreven en later in het Nederlands werden vertaald. Dit komt niet altijd het ritme en rijm ten goede, maar het blijft poëzie om van te genieten.


01.
Boris Pasternak - 02.
Christian Morgenstern - 03. Federico Garcia Lorca - 04. Hermann Hesse - 05. Joseph von Eichendorff - 06. Hildegard Knef - 07.  Dannie Abse -

Vooreerst komt hier een aantal 'gedichten van Zjivago' uit het gelijknamige boek van Boris Pasternak. (vertaald uit het Russisch)

 

HET WONDER

 

Hij liep van Bethanië naar Jeruzalem.

Gevoelens van droefheid vervulden hem.

 

De doornige struiken geleken verschroeid.

Geen rook bij de hut werd de lucht ingezogen.

De smoorhete lucht liet het riet ongemoeid.

Door niets werd de Dode Zee nog bewogen.

 

En bitter, zo bitter misschien als de zee,

Liep hij door het stof heen, geheel in gedachten,

Door wolken geleid, naar de pleisterplaats toe

Waar hem, in de stad, zijn discipelen wachtten.

 

Hij liep, en was zo in gedachten verdiept,

Dat de velden naar alsem begonnen te ruiken.

Het leek of de ganse omgeving nog sliep.

Hij stond als een eenzame tussen de struiken

En alles veranderde plotseling van plaats:

De hitte, de bron, de woestijn en de beken.

 

Een vijgenboom groeide vlakbij in het zand:

Slechts takken en bladeren had hij, geen vruchten.

Hij zei tegen hem: 'Wat sta jij daar verkrampt?

Op zo'n manier breng je geen enkele vreugde

 

Ik hunker, maar vruchten verschaf je mij niet.

Ons treffen is troostlozer nog dan graniet.

Een lastering ben je, talentloos geboren.

Dat blijf je voorgoed, tot het einde van jaren !'

 

Een rilling doorvoer de veroordeelde boom,

Zoals ook een bliksem een bliksemafleider.

De boom werd verast tot een laakbare droom.

 

Wanneer dat moment slechts een ogenblik vrijheid

In takken en stam was te vinden geweest,

Had de wet der natuur tussenbei kunnen komen.

Maar een wonder is een wonder, en een wonder is God.

Op 't meest onverwachte moment wordt ons lot

Door 't goddelijk wonder in handen genomen....

 

 

DE BOZE DAGEN

 

Jeruzalem zag hem verschijnen,

Hij werd met hosanna's begroet.

Zij liepen hem na met hun takken

Of kwamen hem blij tegemoet.

 

Maar dreigender werden de dagen,

Geen mens werd door liefde beroerd.

Men fronste verachtelijk het voorhoofd:

Dat was het beslissende woord.

 

De hemelen lagen als grijze

En loodzware last op de stad.

De huichelaars zochten bewijzen

En kruisten als vossen zijn pad.

 

Hij werd door de duistere machten

Des tempels vergeven aan 't schuim.

Met evenveel gloed als zij vroeger

Hem prezen, vervloekten zij hem.

 

De menigte zag hem voorbijgaan

Vanuit de aangrenzende buurt.

In afwachting van de ontknoping

Verdrongen zij zich in de poort.

 

Het wemelde van de geruchten,

Een slang van gefluister kroop rond.

Toen schoot hem als droom in gedachten

Zijn vlucht naar Egypte, zijn jeugd.

 

Hij zag weer die prachtige helling.

Die steilte, waar in de woestijn

De duivel hem bracht in verzoeking:

Hij zou 's werelds machtigste zijn!

 

Het bruiloftsfeest, waar hij het wonder

Van water dat wijn werd volbracht.

De dag waarop hij over water

De boot van de vissers bezocht.

 

De hut met de armen, de kelder,

De afdaling, plotseling de vrees

Door welke de kaarsvlam doofde

Toen Lazarus langzaam verrees...

 

 

MARIA MAGDALENA

 

I

 

Mijn demon zoekt mij op bij nacht

Als afkoopsom voor mijn verleden.

Ik heb mijn leven doorgebracht

Als veile vrouw van losse zeden

En was ten volle in de macht

Van elke man, - ik was bezeten!

De straat heeft mij asiel verschaft.

 

Er rest mij nog slechts weinig tijd

Voordat de stilte in zal treden,

Maar voordat deze tijd verstrijkt

Zal ik, als een albasten beker,

Mijn leven, gaande tot het eind,

Voor U in duizend stukken breken.

 

0, zeg mij waar ik nu zou zijn,

Mijn Leraar, Meester, mijn Verlosser,

Wanneer niet 's nachts de eeuwigheid

Op mij zou wachten bij mijn bed

Als een door mij verleid, in 't net

Van wat mijn ambacht is, bezoeker.

 

Maar leg mij uit wat zonde is

En dood en hel en zwaveldampen

Als ik tot elks getuigenis

Als loot, in mijn bekommernis,

Met U, de boom, ben opgeklommen.

 

Als ik Uw voeten, Jezus, steun

Zacht in mijn schoot, leer ik misschien

De harde balk van 't kruis omhelzen

En werp ik, zonder mij t' ontzien,

Mij op Uw lichaam, om 't nadien

Voor de begrafenis te zalven.

 

 

MARIA MAGDALENA

 

II

 

Men veegt en tooit de huizen en de straten

Terwille van het feest, maar gans alleen

Zit ik en was Uw allerreinste voeten

Met mirre uit een emmertje, en ween.

 

Ik zoek, maar tevergeefs, naar de sandalen.

Ik kan niets zien door al mijn tranen heen.

De lokken van mijn losgebonden haren

Vallen verward voor mijn gezicht dooreen.

 

Uw voeten heb ik in mijn schoot genomen,

Ik heb ze met mijn tranen nat bevlekt

En met de kralen van mijn hals omwonden

En met mijn haar als een boernoes bedekt.

 

Alsof Gij haar voor mij hebt stilgehouden,

Zo zie ik nu de toekomst voor mij staan.

Als een Sibylle kan ik helderziende

De dingen zeggen die nog komen gaan.

 

Als morgen scheurt de voorhang van de tempel

Staan wij terzijde, in een kring bijeen.

De aarde onder ons zal voelbaar wank'len,

Misschien uit medelij met mij alleen.

 

Dan zullen de soldaten zich verspreiden,

De ruiters trekken weg zonder betoog.

Als in de storm een windhoos, zal dit kruis zich

Verheffen naar de hemel daar omhoog.

 

Ik zal mij aan zijn voet ter aarde werpen,

Ik zal bezwijmen, wijl 'k mijn lippen bijt.

Gij aan het kruis, Gij strekt Uw beide armen

Naar te veel mensen ter omhelzing uit.

 

Aan wie ter wereld schenkt Gij zoveel wijdte,

En zoveel smart en wie krijgt zulk een macht?

Zijn er dan zoveel levens op de wereld,

Zoveel rivieren, dorpen saamgebracht?

 

Maar de drie dagen zullen wel verstrijken

En mij in zulk een leegte stoten, dat

Ik snel tot de Herrijzenis zal rijpen

In die afgrijselijke tussentijd.

 

 

DE HOF GETHSEMANE

 

De sterren flonkerden wat onbekommerd

Maar er viel licht toch waar de bocht begon.

De weg lag om d' Olijfberg heen gekronkeld

En daar beneden stroomde de Kedron.

 

De kleine weide stokte halverwege

En ging vervolgens in de Melkweg op.

De zilveren olijven liepen tegen  .

De hemel met zijn stergewemel op.

 

Aan 't einde bij een hof liet Hij hen achter

En zei dat Hij weer bij hen komen zou.

'Blijf waken bij de muur,' zei Hij, 'en wacht er

Mijn ziel is diep bedroefd, tot stervens toe.'

 

En zonder weerstand deed Hij afstand van de

Almachtigheid en wonderdadigheid,

Als waren 't dingen die Hij eenmaal leende.

Hij was nu even sterfelijk als wij.

 

De nachtelijke verte leek een oord van

Vernietiging en van het niet-bestaan.

De wereld was volkomen uitgestorven

En leven was slechts mooglijk in die tuin.

 

Terwijl Hij in de zwarte diepten staarde,

Zij waren leeg, geen eind en geen begin

­Bloeddroppels zwetend, bad Hij aan Zijn Vader:

Neem deze drinkbeker van mij vandaan!

 

Hij bad en zie, zijn moeheid was te dragen,

Hij liep weer naar de schuur en zag terstond

Dat Zijn discipelen te slapen lagen,

Vlak langs de weg, in 't priemgras op de grond.

 

Hij zei: 'De Heer heeft jullie uitverkoren

Voor deze tijd, maar jullie slapen maar...

De Zoon des Mensen is de dood beschoren,

Hij geeft zichzelve over aan 't gevaar.'

 

Direct daarop verschenen de verraders,

Met fakkels en met zwaarden toegerust.

Het waren slaven, vergezeld van Judas,

Met op zijn lippen de verraderskus.

 

De enige die weerstand bood was Petrus:

Hij sloeg het oor van een der slaven af.

'Een twist wordt nooit door 't zwaard beslecht,' zei Jezus,

'Dus steek dat zwaard weer in de schede weg.

 

Kan God de Vader mij geen eng'len zenden,

Zijn legioenen om mij bij te staan?

Dan zouden, zonder mij een haar te krenken,

Mijn vijanden weer spoorloos verder gaan.

 

Maar 't levensboek is aan de bladzij toe

Die 't liefste is van alle heiligdommen.

Al het geschrevene tot heden moet

Nu in vervulling gaan. Het zij zo. Amen.

 

De loop der eeuwen lijkt op een parabel

En kan in brand geraken, onderweg.

In naam van haar verschrikkelijke luister

Daal ik vrijwillig af in 't smart'lijk graf.

 

En op de derde dag zal ik herrijzen.

Dan drijven eeuwen, als een karavaan

Van barges, zoals vlotten verder drijven,

Te mijnen oordeel uit het duister aan.'

 

Uit: Dokter Zjivago – Boris Pasternak – de gedichten van Zjivago.

Vriend, bedenk waarover wij te zamen spraken.

Was het de moeite waard, de stilte te verbreken,

om elkaar van dergelijke nietigheden deelgenoot te

maken?

 

Zo kwetteren toch twee vogels met elkander,

terwijl de stroom, zonder zijn strenge loop te onderbreken,

zijn golven ruisend zeewaarts voert, de ene na de ander.

 

Ontwaakt in u niet een gevoel van leegheid,

wanneer gij nagaat hoe op deze wijze, jaar na jaar,

niets dan gezwets uit u en uit de ander voort zal komen,

 

terwijl inmiddels naar de schoot der Godheid,

naar oceanen van de Wijsheid, wateren zó klaar,

dat zij de sterren spiegelen, rusteloos en machtig stromen?

 

Christian Morgenstern

 

 

SONNET VAN DE ZACHTE KLACHT

 

Ik ben bang het wonder te verliezen

van je standbeeldogen, en de nadruk

die' s nachts aan mijn wangen komt leggen

de eenzame roos van je adem.

 

Ik ben bedroefd op deze oever stam zonder

takken te zijn; en wat ik het meest voel

is niet de bloem te hebben, vruchtvlees of klei,

voor al de wormen van mijn lijden.

 

Als jij de occulte schat bent van mij,

als je mijn kruis en mijn bevochtigde pijn bent,

als ik de hond ben van je hoogheid,

 

doe me niet verliezen wat ik heb gewonnen

en versier de wateren van je rivier

met bladeren van mijn krankzinnige herfst.

 

Federico Garcia Lorca

 

 

ODE AAN HÖLDERLIN

 

Vriend van mijn jeugd, tot u keer ik vol dankbaarheid

Steeds weer des avonds, als in het vliergewas

Van de slaapoverrompelde tuin

Enkel brongeruis hoorbaar is.

 

Niemand kent u, 0 vriend; ver ontweek deze tijd

Griekenlands tover, aan stilte ontbloeid,

Zonder gebed, godverlaten

Trekt nuchter het volk door het stof.

 

Maar wie de god de ziel met heimwee sloeg,

Verborgen schare van ingekeerden,

Haar klinken nu nog de liederen

Van uw goddelijk bewogen harp.

 

Vol verlangen keren wij, moe van het daglawaai

Ons tot de ambrosische nacht van uw gezang

Waarvan de weidse vleugelslag

Ons hult in een gouden droom.

 

Ach, en gloeiender vlamt, vervoerd door uw lied,

Smartelijker vlamt naar voortijds verheerlijkt land,

Naar de tempels der Grieken

Ons onstilbaar heimwee op.

 

Hermann Hesse

 

***

 

VERWELKT BLAD

Elke bloesem wil tot vrucht,
Elke morgen wil avond worden,
Niets eeuwigs bestaat op aarde
dan de verandering, het verwaaien. 

Ook de mooiste zomer wil
Ooit eens herfst en verwelking ervaren.
Houd jij, blad, je geduldig stil,
Wanneer de wind je wil ontvoeren.

Speel je spel en verzet je niet,
Laat het stil gebeuren.
Laat door de wind, die je breekt,
je naar huis toe waaien.

Hermann Hesse

 

 

 

 AVONDROOD

 

Wij zijn samen overeind gebleven

Pijn en vreugde sterkten onze band

Van onze levensreis rusten wij nu uit

In het stille avondland

 

Rondom geuren de lelietjes der dalen

Het donkert al in de lucht

Met twee late leeuweriken klimmen we

Dromend in hun vlucht

 

Ik blijf bij je zonder dralen

We zijn dicht bij onze slaaptijd

Kom laten we niet verdwalen

In deze eenzaamheid

 

O wijde oneindige vrede

Verzonken in 't avondrood

Wij voelen ons zo zwervensmoe

Is dit soms de dood?

 

naar Joseph von Eichendorff

 

 

 

BANG GEWORDEN

 

Bang geworden

sinds wij zoveel

van elkander weten

en nog altijd niet genoeg.

Bang geworden

sinds wij zoveel

voor elkander verbergen

en nog altijd niet genoeg.

Moedig durf je te bedenken

of je met anderen

beter, gelukkiger, vrolijker, slimmer,

magerder, ronder, tevredener geweest was,

en je weet wel van niet.

 

Bang geworden

sinds wij zoveel

voor elkander verbergen

en nog altijd niet genoeg.

Moedeloos ga je overdenken

of je alléén misschien

wijzer, sterker en stiller,

vrijer en blijer, bescheidener geweest was

en je weet wel van niet.

 

Bang geworden

sinds wij zoveel

van elkander weten

en nog altijd niet genoeg.

Bang geworden

sinds wij zoveel

met elkander beleefden

en nog altijd niet genoeg.

 

 Hildegard Knef

 

 

MYSTERIES


 

At night, I do not know who I am

when I dream, when I am sleeping.


 

Awakened, I hold my breath and listen:

a thumbnail scratches the other side of the wall.


 

At midday, I enter a sunlit room

to observe the lamplight on for no reason.


 

I should know by now that few octaves can be heard,

that a vision dies from being too long stared at;


 

that the whole of recorded history even

is but a little gossip in a great silence;


 

that a magnesium flash cannot illumine,

for one single moment, the invisible.


 

I do not complain. I start with the visible

and am startled by the visible.

 

Dannie Abse

MYSTERIËN


 

's Nachts, weet ik niet wie ik ben

als ik droom, als ik slaap.


 

Wakker geworden, houd ik mijn adem in en luister:

een duimnagel krast over de andere kant van de muur.


's Middags ga ik een zonverlichte kamer binnen

en neem er waar dat er zonder enige reden de lamp brandt.


Ik hoorde nu wel te weten dat je weinig octaven kunt horen,

dat een visioen sterft als je er te lang naar staart;


 

dat zelfs de hele geboekstaafde geschiedenis

maar wat geklets is in een grote stilte;


 

dat een magnesiumflits nog niet één enkel moment

het onzichtbare kan verlichten.


 

Ik klaag niet. Ik ga uit van het zichtbare

en het zichtbare ontstelt mij.

 

vertaling: C. Buddingh

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL