Inzichten van mezelf met behulp

van esoterische kennis.

 

Zie ook : oud testament - nieuw testament

 

01. Erfzonde? - 02. Jezus, Petrus en water -

 

 

01. De erfzonde en ‘in de vreze des Heeren’

 

 

Sinds ik in Nederland woon word ik, in gesprekken met vrienden en kennissen, wanneer we het over religie hebben, steeds weer geconfronteerd met het begrip ‘erfzonde’ en ‘leven in de vreze des Heeren’.

 

Dit zijn termen die in de katholieke kerk, waarmee ik ben opgegroeid, nauwelijks voorkomen (erfzonde wel – vreze des Heeren totaal niet) maar waarmee de preken van de protestantse dominees doorspekt lijken te zijn.

Eigenlijk is dit, zeer duidelijk, een Oud Testamentische levenshouding die voorbijgaat aan de boodschap die Jezus is komen brengen, de boodschap van een liefdevolle Vader die er alleen maar op wacht om AL Zijn kinderen weer in Zijn Huis te begroeten.

 

Laat ons eerst even stilstaan bij het begrip ‘erfzonde’.

De protestantse kerken doordringen hun kerkleden van de idee dat ieder mens geboren wordt in zonde en, uit zijn aard, ook alleen maar tot zonde en kwaad geneigd is.

 

 

Hoe kan een redelijk denkend mens nu, wanneer die een baby in de stralende oogjes kijkt, ook maar één moment geloven dat dit wezentje van nature slecht zou zijn en tot alle mogelijke boosheid geneigd?

Hoe zou een God, die Liefde is, zo’n onschuldig wezentje kunnen opzadelen met een erfenis van voorouders uit een onmeetbaar ver verleden, zonder dat het zelf ooit maar enig kwaad heeft gedaan?

De kerken kunnen hier zelf geen antwoord op verzinnen en wanneer iemand daar vragen over stelt, dan krijgt die alleen maar een ‘dogma’ te horen, maar geen fatsoenlijke uitleg.

Heeft Jezus trouwens niet gezegd: 'Als gij niet wordt als kinderen, zult gij het koninkrijk niet binnengaan'?

Hij heeft daar niet aan toegevoegd: "als kinderen, belast met de erfzonde... "

 

Voor dit  probleem is er dan ook geen zinnige uitleg, wanneer men ervan uitgaat dat een mens hier één keertje op aarde geboren wordt – zijn hele leven moet leven met de erfenis van Adam en Eva, in de voortdurende angst om die erfschuld nooit goed te kunnen maken – om daarna te sterven in een toestand tussen hoop en vrees om voor eeuwig in de hel te belanden of héél misschien de hemel verdiend te hebben.

 

En nochtans is het simpel om te begrijpen wat er nu echt bedoeld wordt met ‘erfzonde’ wanneer we dat geloof in één enkel menselijk leven loslaten en aanvaarden dat reïncarnatie bestaat – dan kunnen we ook vatten waarop de term ‘erfzonde’ slaat.

 

 

In Genesis1 kunnen we, bij het begin, het Scheppingsverhaal lezen. Op mijn pagina over het OT heb ik al uitgelegd dat er in feite twee scheppingsverhalen beschreven zijn, de schepping van ‘de mens naar Gods beeld’ en de schepping van de stoffelijke, aardse mens, uit klei.

En hier ligt de sleutel tot begrip van wat een ‘mens’ nu in wezen eigenlijk is.

 

God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. Daaruit mogen we dus opmaken dat het in het Gods plan begrepen is dat de mens goddelijke eigenschappen bezit, dat hij/zij dus zelf ook het scheppend vermogen bezit. Het gaat hier om de ‘geestelijke mens’. Deze geestelijke mens, als beginsel (zaadje) moest zich nu gaan verwerkelijken in de materie. Uit de oermaterie kon hij putten om zich in de stof te manifesteren – net zoals God Zelf zich manifesteert in alles wat zichtbaar en onzichtbaar is. Wanneer deze manifestatie zou verlopen volgens het Goddelijke plan, dan zou de mens ook ‘in de stof’ kunnen groeien tot beeld van God. Dat was de bedoeling.

Samen met deze macht tot scheppen kreeg de mens echter ook nog eens een vrije wil. Zo kon het gebeuren dat hij/zij niet meer meewerkte met het Gods plan, zich op eigen houtje ging gedragen om egodoelen te verwezenlijken in de stof waardoor het zaadje helemaal bedolven raakte onder het onkruid van het ego (denk hierbij aan de parabel van de zaaier) De mens, als kind van God, had het vaderhuis verlaten om te gaan experimenteren in de wereld daarbuiten ( parabel van de verloren zoon)

 

Onze goddelijke Vader – die niet laat gaan het werk Zijner handen – laat zijn schepping echter niet zomaar verloren gaan.

Daarom kreeg de ‘geest’ de mogelijkheid om steeds opnieuw stoffelijke persoonlijkheden te verwerkelijken in de materie. De totale (godgeschapen) mens moet gezien worden als een microkosmos die telkens weer nieuwe, sterfelijke persoonlijkheden tot leven roept en bezielt met wat als resultaten (zowel positief als negatief) van de levens van de vorige persoonlijkheden in zijn atmosfeer werd opgeslagen. Daardoor krijgt de nieuwe persoonlijkheid dus zijn persoonsgebonden lichaamsbouw, omgeving waarin hij/zij ter wereld komt, karaktertrekken, mogelijkheden, gaven etc. én, wat meer is, de lessen die hij/zij in dit leven te leren heeft om dichter bij het grote doel te komen: het oorspronkelijke goddelijke zaadje tot leven wekken, tot groei en tot bloei brengen, m.a.w. : terugkeren naar het Vaderhuis.

 

Het is dus niet de stoffelijke egopersoonlijkheid ( Jan of Klaas of Lien) die reïncarneert, maar het is de totale mens die een nieuwe persoonlijkheid voortbrengt. Deze persoonlijkheid wordt ‘bezield’ door het geheel van verworvenheden en tekortkomingen van de ware mens, en dat is nu wat ‘erfzonde’ betekent. Dus niet iets waarmee we opgescheept worden omdat ooit, in ver verleden tijden, onze voorouders een zonde zouden hebben bedreven, maar alles wat we zelf hebben veroorzaakt.

 

 

 

God, onze Vader die Liefde is, zadelt ons  niet op met allerlei leed en smarten en met de dreiging dat wij, als we Zijn wil niet doen, verworpelingen zullen worden en eeuwig zullen branden in de hel.

Integendeel, door de scheppingskracht die Hij ons schonk, stelt Hij ons in staat om opnieuw Zijn kinderen te worden, in de ware zin van het woord, door ons toe te staan om voortdurend aan onszelf te werken met nieuw materiaal (nieuwe persoonlijkheid) en de handleiding voor dat werk is ons gebracht door Zijn eerstgeboren Zoon, Jezus Christus.

 

Wanneer we die handleiding volgen – die in duidelijke woorden ( Bergrede en parabels )  in de evangelies staat, ook in de evangelies die gevonden werden bij Nag Hammadi – dan zijn wij in staat om te worden zoals van bij het begin bedoeld was: Een kind en erfgenaam van God, een bewoner van het Koninkrijk, kortom: een broeder/ zuster van Jezus Christus en van elkaar.

 

Er is dus duidelijk geen enkele reden om God te vrezen, noch om te sakkeren over een ‘erfzonde’ waaraan we part nog deel hebben gehad.

 

 

De inspiratie voor deze teksten schud ik niet uit mijn mouw. Ik word geïnspireerd door de waardevolle boeken van volgende auteurs:  C.G.Jung, Hans Stolp, Johan Pamijer, J.G.Sutherland, Jacob Slavenburg, Jan van Rijckenborg ea. en probeer dan neer te schrijven hoe ik bepaalde passages begrijp.

 

 

 

 

02. Jezus, Petrus en het water

 

Graag wil ik proberen om enkele van mijn eigen inzichten, die ik kreeg bij het lezen van bepaalde stukjes uit het Nieuwe Testament, met jou te delen.


Hierbij tracht ik de inzichten te gebruiken die aangereikt worden door verschillende boeken die ik las over esoterisch Bijbellezen; wat betekent dat ik niet lees alsof de gebeurtenissen stoffelijk plaatsvonden, ooit, meer dan 2000 jaar geleden; maar wel alsof alles zich binnenin mezelf afspeelt en de personages delen zijn van mijn eigen persoonlijkheid als mens. Niet als alleen maar een mens in het vlees, maar als microkosmos waarin zich afspeelt wat ook buiten mezelf gebeurt in de macrokosmos.

 

Voor wat ik hieronder zal schrijven werd ik geïnspireerd door het boek van Emil Bock over Mozes en zijn tijd (Het boek staat besproken op deze pagina van mijn website) waarin me duidelijk werd dat ‘water’ staat voor de wereld der materie en vooral, voor alle emoties die ons aan die stoffelijke wereld binden: angsten, verlangens en begeertes etc.

Het viel me ineens op dat heel vaak, wanneer Petrus in het NT genoemd wordt, er ook sprake is van water… en zo ging ik dus een en ander associëren …

 

 

Lees aub, iedere keer wanneer ik ‘Petrus’ schrijf: ‘mijn eigen stoffelijk bewuste ik’ en wanneer ik ‘Jezus’ schrijf, lees dan ‘het Christusbewustzijn in mezelf’.

 

Petrus wordt gekozen als leerling

 

Mt 4,18-20

[18] Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij twee broers – Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas – het net uitwerpen in het meer; want het waren vissers. [19] Hij sprak hen aan: ‘Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.’ [20] Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.

 

John 1,40-42

[40] Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. [41] De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias betekent: gezalfde.) [42] Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei: ‘Jij* bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas* heten.’ (*Dat betekent: rots).

 

 

Ik zie Petrus, een deel van mezelf dat verlangt naar materiële zaken, vissen in het meer. Vissen in de materie dus, om eruit te halen wat mij kan bevredigen. Maar dan hoor ik een zachte roep van Jezus – het Christusbewustzijn in mezelf – om me uit te nodigen om dat soort vissen, verlangen naar stoffelijke dingen, achter me te laten en hem te volgen. Om dat deel in mezelf dat Christus is toe te laten om een geestelijke manier te leren vissen, vol vertrouwen dat Hij mag groeien terwijl ik kleiner word ( zoals Johannes de Doper zo mooi sprak).

Het lijkt me een moeilijke opdracht, maar de innerlijke Christus laat merken dat hij vertrouwen in me heeft: Jij zal Kefas heten….. een rots.

Een rots in de branding van het water? Ben ik dat vertrouwen waardig? Kan ik dit wel? Maar ik ben erg enthousiast en besluit Hem te volgen.

 

De wonderlijke visvangst

 

Lc 5,1-9

[1] Toen Hij aan het meer van Genesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, [2] zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. [3] Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. [4] Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu het meer op naar diep water. Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’ [5] ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ [6] Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. [7] Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. [8] Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ [9] Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden.

 

 

Hier had ik, de Petrus in mezelf, toch nog niet het nodige vertrouwen in het innerlijke Woord. Wanneer Jezus beveelt om daar, waar Hij zegt, mijn netten uit te gooien, begin ik te twijfelen en ga ik tegensputteren, dat ik het al zo lang heb geprobeerd en dat het toch niet lukte. En dan – wanneer Jezus weer eens bewijst dat het beter is om Hem wel te vertrouwen, schrik ik en word nog angstiger dat ik het niet waard ben om dat te worden waartoe ik ben uitgenodigd… Ga weg…. Ik ben een zondig mens! Ik kan al deze geestelijke rijkdom niet aan…

 

Wandelen over het water.

 

Mt 14,22-32

[22] Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen. [23] Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. [24] Toen de boot al veel stadiën* uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. [25] Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. [26] Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. ‘Een spook!’, riepen ze, en ze schreeuwden van angst. [27] Meteen zei Jezus: ‘Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.’ [28] Petrus gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.’ [29] Hij zei: ‘Kom.’ En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. [30] Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ‘Heer, red me.’ [31] Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ [32] Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.

 

 

De Petrus in mij ervaart wat een wonder er uitgaat van de Christus in mij – Hij die wandelt over het water, die verheven is boven de hele wereld van emoties, angsten en begeertes, en er niet in tenonder gaat.

En ik word zo enthousiast dat ik denk dit ook wel te kunnen want door mijn enthousiasme verdwijnt mijn angst. Maar helaas duurt dat enthousiasme niet lang en word ik weer overweldigd door mijn gebondenheid aan de wereld der materie en kan me niet staande houden om boven dat water uit te stijgen… en zink erin weg.

 

Stillen van de storm.

 

Mc 4,35-41

[35] Tegen de avond van die dag zei Hij tegen hen: ‘Laten we naar de overkant gaan.’ [36] Ze lieten de mensen achter en namen Hem mee met de boot waarin Hij zat; er waren nog andere boten bij. [37] En er stak een hevige storm op, en de golven sloegen over de boot, zodat die al volliep. [38] Maar Hij lag op het achterdek op een kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het U niet schelen dat wij vergaan?’ [39] Hij stond op en bestrafte de wind en het water: ‘Zwijg, wees stil!’ En de wind ging liggen en het werd volkomen stil. [40] Hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie bang? Hebben jullie nog geen vertrouwen?’ [41] Ze werden door schrik bevangen, en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is dat toch, dat zelfs de wind en het water naar Hem luisteren?’

 

 

Ook hier weer hetzelfde thema. Vol goede moed en omdat ik (de leerlingen die allen in me zijn)  Jezus – het Christusbewustzijn in mezelf – aanwezig weet in mijn bootje wil ik het water trotseren en eroverheen varen. Maar dan ‘valt Jezus in slaap’ ben ik me niet meer bewust van zijn aanwezigheid… en er steekt een storm op. Weer ben ik ten prooi aan alles wat door gehechtheid aan de materie ontstaat: begeerte om iets te krijgen; angst om iets te verliezen, om ziek te worden, om te sterven; verdriet om iets wat ik ben kwijtgeraakt… en als het water me tot de lippen staat en ik niet in staat ben om die emotionele storm te stillen, herinner ik me de slapende Jezus die ik aan boord heb en schreeuw Hem om hulp.  Na één enkel klein gebaar van vertrouwen wordt de innerlijke storm gestild, omdat ik Jezus – het Christusbewustzijn – in mezelf er de ruimte voor geef. Maar waarom eerst dat gebrek aan vertrouwen, vraagt Hij?

 

Petrus wordt opnieuw geroepen

 

Mt 16,15-19

[15] Hij zei hun: ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’ [16] Simon Petrus antwoordde hem: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’ [17] Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Gelukkig ben jij, Simon Bar-Jona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. [18] Ik zeg jou: jij bent Petrus*; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. [19] Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’

 

 

Op dit moment is Petrus er zich volkomen van bewust wat voor enorm goddelijk bewustzijn Jezus vertegenwoordigt. Hij erkent dit bewustzijn in zichzelf als verlossend en op dat moment kan hij ook zijn geestelijke levensdoel voor ogen zien en zijn eigen kracht ervaren, zolang die maar het Christusbewustzijn als fundament heeft.

 

Petrus slaapt

 

Mc 14,37-38

[37] Hij ging terug en vond hen in slaap, en Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur wakker blijven? [38] Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken. De geest is wel van goede wil, maar het vlees is zwak.’

 

 

Honderden keren vallen we terug in slaap… vergeten we dat het Christusbewustzijn in onszelf aanwezig is en dat wij moeten waken om die innerlijke vlam brandend te houden… De Petrus in mezelf is nog niet standvastig genoeg, te zwak, te weinig vertrouwend…

 

Petrus verloochent Jezus

 

Mt 26,69-75

[69] Petrus zat buiten op de binnenplaats. Er kwam een slavin naar hem toe, die zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Galilea.’ [70] Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ [71] Hij ging naar het portaal en een andere slavin zag hem daar en ze zei tegen wie daar stonden: ‘Die man daar was bij Jezus de Nazareeër.’ [72] Opnieuw ontkende hij onder ede: ‘Ik ken die man niet.’ [73] Na een tijdje kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tegen Petrus: ‘Inderdaad, jij hoort ook bij hen; trouwens, jouw spraak verraadt je.’ [74] Toen begon hij te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet.’ En meteen kraaide er een haan. [75] Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had: ‘Voordat de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’ Hij ging naar buiten en huilde bittere tranen.

 

 

Maar ook nu weer is dat innerlijke bewustzijn nog niet sterk genoeg aanwezig want nog maar pas is de uiterlijke gedaante van Jezus uit het gezichtsveld van Petrus verdwenen en wordt hij er zich van bewust dat de Christus door de stoffelijke wereld wordt gevangen en vermoord, of hij wordt weer angstig en bang om zijn eigen stoffelijke hachje… en ontkent, tegenover de wereld der materie, dat hij ook maar iets met ‘die man’ te maken heeft.
Naderhand komt  het stemmetje van het geweten, met een bitter zelfverwijt, omwille van de eigen zwakheid.

 

Petrus wordt definitief geroepen

 

John 21,15-19

[15] Toen ze gegeten hadden vroeg Jezus aan Simon Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief, meer dan de anderen hier?’ ‘Ja, Heer,’ zei hij, ‘U weet dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Zorg dan voor mijn kudde.’ [16] Nogmaals vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief?’ ‘Ja, Heer,’ zei hij, ‘U weet dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Wees dan een herder voor mijn schapen.’ [17] Nog een derde keer vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij?’ Het deed Petrus pijn dat Hij hem voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield, en hij zei: ‘Heer, U die alles weet, U beseft toch wel dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Zorg dan voor mijn schapen. [18] Waarachtig, Ik verzeker je: als jongeman deed je zelf je gordel om en je ging de weg die je zelf wilde; als je oud bent zul je je armen uitstrekken en je gordel laten omdoen, en je zult een weg gaan die je zelf niet wilt.’ [19] Hiermee zinspeelde Hij op de  dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze voorspelling zei Hij tegen hem: ‘Volg Mij.’

 

 

Intussen is Jezus opgestaan uit de stoffelijke dood en leeft nu in het innerlijke van de mens die Hem liefheeft -  en Hij doet een dringend beroep op Petrus’ liefde voor Hem. Het is alsof Hij hem nu voor eens en voor altijd wakker wil schudden opdat hij eindelijk zou beseffen wat de grote taak is die voor hem is voorbestemd. Petrus bevestigt iedere keer – tot drie keer toe – zijn liefde voor de Christus die in hem is opgestaan.
Er wordt hem door Jezus geen rijkdom of roem of macht voorspeld, wanneer hij zijn taak op zich zal nemen… Integendeel, ook Petrus wacht de (stoffelijke) dood.

 

 

Uit het begin van het boek ‘Handelingen’ weten wij dat – na de Hemelvaart van Jezus ( Hij is dus opnieuw niet tastbaar meer aanwezig; ik vertaal dit als ‘niet meer in het bewustzijn aanwezig') – de apostelen, waaronder Petrus, angstig zijn om naar buiten te komen; nog steeds niet vervuld zijn van het Christusbewustzijn; nog steeds geen vertrouwen hebben in de innerlijke godsvlam.  Dat kan ons eigen kleine ikje – de Petrus in ons – immers ook niet alleen bereiken…

Het is pas wanneer de H. Geest – de door Jezus beloofde trooster en helper – aan ons wordt toegevoegd dat we echt in staat zijn om onze menselijke taak – in volle Christusbewustzijn – op ons te nemen, om zelf te krimpen en Hem te laten groeien … maar dan moet die Geest wél een deur vinden waardoor we Hij naar binnen kan komen om onze innerlijke godsvlam aan te steken.

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL