Leestips IV

 

Boeken die ik zelf heb gelezen en die ik van harte aanbeveel.

 

 

01. De Goddelijke Komedie02. De Eeuwige Wijsheid03. Ogen van Horus  - 04. Inwijding  - 05.  Citaten van E. Haich06. Worden Wij Wakker07. Het Groene Gezicht08. De Engel van het westelijk venster – 09. De Witte Dominicaan10. Het boek van Mirdad -   11. De Steen der Wijzen12. Martha en Maria13. Walpurgisnacht -

Leestips 1

Leestips 2

Leestips 3 (boeken die mij werden aanbevolen)

Leestips 5

01. De Goddelijke Komedie
door Dante Alighieri



De goddelijke komedie van Dante Alighieri (1265-1325) is niet alleen het belangrijkste werk uit de Italiaanse letterkunde, maar ook een van de hoogtepunten van de wereldliteratuur. Van het omvangrijke gedicht is Dante zelf zowel hoofdpersoon als verteller. Hij beschrijft erin een denkbeeldige reis die hij maakt door de drie rijken van het hiernamaals: hel, louteringsberg en paradijs. Deze reis voert hem van de diepste ellende van het Kwaad naar de uiteindelijke aanschouwing Gods.

Dantes poema saero, waaraan, zoals hij zelf zegt, 'hemel en aarde hebben bijgedragen', is literatuur in de ware zin des woords. De dichter heeft door zijn diepzinnige verbeeldingskracht een poëzie geschapen die tegelijkertijd universeel en persoonlijk kan worden genoemd. De goddelijke komedie is niet alleen de politieke en religieuze expressie van Dante zelf, maar ook van de late Middeleeuwen waartoe hij behoort. En de erin vervatte boodschap, die in een zeer geëngageerde vorm wordt uitgedragen, richt zich tot alle tijden en mensen.

 

De hier gepresenteerde uitgave is een vertaling in proza. Deze vormkeuze, die impliceert dat er een paar wezenlijke elementen van het origineel, namelijk versbouw en rijm, zijn opgeofferd, berust op de overtuiging dat een prozavertaling het beste middel is om Dante voor de moderne lezer toegankelijk te maken. Het voornaamste streven van de vertaler is dan ook geweest een tekst te creëren waarin inhoudelijke trouw aan het Italiaans samengaat met goede leesbaarheid in het Nederlands.

 

Ambo Amsterdam - ISBN 90 263 1541 4

 

Dante

 


 

 

 

Voluit: Dante Alighieri (Florence ca. 9 mei 1265 - Ravenna 14 sept. 1321), de 'sommo poeta' (opperste dichter) van het Italiaanse volk en schepper van de Italiaanse literatuurtaal, stamde uit een oud Florentijns geslacht, kreeg een zorgvuldige opvoeding, leerde Latijn, Frans en Occitaans, tekende, zong en was bevriend met vooraanstaande mannen van zijn stad. Opgroeiend te midden van de heftige partijstrijd tussen de Welfen en de Ghibellijnen, had hij een levendige belangstelling voor politiek en behoorde tot de Welfen. Toen deze zich te Florence splitsten in de Zwarten (Neri) en de Witten (Bianchi), koos hij voor de meer gematigde Witten.

Van 15 juni tot 15 aug. 1300 was hij een der zes priori (stadsbestuurders). Bij de verdediging van de stadsvrijheden tegen paus Bonifatius VIII kwam hij echter in conflict met de Curia en toen in 1301 de (curiale) Zwarten in Florence aan de macht kwamen, werd Dante op een lage aanklacht tot levenslange ballingschap veroordeeld. Rusteloos zwierf hij langs de hoven van Midden- en Noord-Italië. In die tijd verwijdde hij zijn politieke blikveld. Hij droomde van een herstelde eenheid van de westerse wereld in een herboren Romeins rijk van vrede en vrijheid, waarin de Duitse keizer, maar uiteindelijk Italië, weer een leidende rol zou hebben te spelen. Toen zich in 1316 de gelegenheid voordeed naar Florence terug te keren, op voorwaarde dat hij zich eerst een deemoediging als 'misdadiger' zou laten welgevallen, wees Dante dit voorstel van de hand. De laatste drie jaar van zijn leven woonde hij in Ravenna, waar zijn stoffelijk overschot rust in een tombe bij de S.Francescokerk.

 

ls jong lyricus beïnvloed door Cavalcanti en Guinizzelli, overtrof Dante reeds spoedig zijn voorgangers in de dolce stil nuovo. Het relaas van zijn ideale liefde voor Beatrice is te vinden in de Vita nuova, een verzameling sonnetten en canzoni die reeds vroeger waren ontstaan en die hij in ca. 1292 bundelde en van een verbindend prozacommentaar voorzag. Zijn andere lyrische verzen uit verschillende perioden, de rime, zijn ongelijk van kwaliteit, maar er bevinden zich enige onovertroffen canzoni onder (o.a. Tre donne, een allegorie op het recht)

 

Kort na zijn verbanning begon Dante aan twee (onvoltooid gebleven) prozawerken: De vulgari eloquentia (ca. 1304) over de Italiaanse taal en de dichtkunst (hier en daar zeer 'modern') en Il convivio (ca. 1307), een poging om de scholastieke wijsbegeerte voor ongeletterden (vandaar in het Italiaans geschreven) toegankelijk te maken aan de hand van commentaren op enkele van zijn eigen verzen. Zijn vurig aansporende brieven aan Hendrik VII, de 'Luxemburger', in wie hij de bevrijder van Italië uit de anarchie zag, schreef hij tussen 1310 en 1312; hij werkte ze volledig uit in zijn beroemde Latijnse traktaat Monarchia (waarschijnlijk 1313). De grondidee van dit boek, dat het doel van de beschaving is het bundelen van alle menselijke potenties, waartoe wereldorde, vrede en vrijheid eerste vereisten zijn, houdt nog steeds gezag. Zijn leer, afgeleid van Augustinus' gedachte over de aardse en de hemelse staat, de leer omtrent 's mensen tweeërlei bestemming en tweeërlei gidsen daarheen, nl. de paus voor het hemelse en de keizer voor het aardse leven, bracht hij uit de sfeer van kerk en staat over op het leven van de enkeling; deze leer zou tevens deel worden van het allegorische raam voor zijn levenswerk La divina commedia. Uit zijn laatste levensjaren dateren o.m. twee pastorale Latijnse gedichten, de Eclogae en de verhandeling Quaestio de aqua et terra.

 

Wortelend in de cultuureenheid van de christelijke middeleeuwen, leverde Dante daarvan het sluitstuk. Zijn werk bestrijkt het gehele leven van zijn tijd; hij was de grote dichterlijke vormgever van het christelijk wereldbeeld.

 

Bron: © 2004 Winkler Prins/Het Spectrum

Alle rechten voorbehouden

B-1021510786

 

De Divina Commedia

 

Als Dante alleen maar zijn Opera minora had geschreven, zou hij ongetwijfeld als een belangrijk Italiaans auteur te boek hebben gestaan. Nu hij echter de Divina Commedia heeft geschapen, behoort hij onbetwist tot de top van de wereldliteratuur. Daarin wordt zijn werk op één lijn gesteld met dat van andere literaire giganten zoals Homerus, Vergilius, Shakespeare en Goethe. En misschien is Dante van hen wel de groot­ste, omdat hij in zijn diepzinnige verbeelding van alles wat menselijk is tegelijk het meest universeel en het meest persoonlijk kan worden ge­noemd. Als dichter en denker lijkt hij alles wat in de loop der eeuwen gevoeld en gedacht is in zich verenigd en tot uitdrukking gebracht te hebben.

Het is zo goed als zeker dat Dante zijn hoofdwerk in de periode van zijn ballingschap heeft geschreven, maar het is even waarschijnlijk dat het idee ervoor al uit een vroeger stadium stamt. Vooral in de Vita Nuova zijn daarvoor aanwijzingen te vinden: niet alleen in het visio­naire en extatische karakter van het werkje, maar ook in de rol die Beatrice erin speelt als schenkster van deugd en middelares naar God. In het laatste hoofdstuk verklaart de schrijver over zijn geliefde: 'Eens hoop ik over haar dingen te zeggen die nog nooit over een vrouw ge­zegd zijn.' En daarmee preludeert hij zonder twijfel op de Divina Com­media, waarvan Beatrice immers een van de hoofdfiguren is.

De Divina Commedia is een omvangrijk dichtwerk, dat uit ruim 14.000 verzen bestaat. Van de titel is alleen het tweede deel van Dante zelf afkomstig: hij noemt zijn werk op enkele plaatsen commedia, een term die in de Middeleeuwen wordt gebruikt voor een werk dat droe­vig begint en vreugdevol eindigt. De kwalificatie divina gaat terug op Boccaccio, die daarmee zijn bewondering voor de verheven stof tot uitdrukking bracht: het epitheton verkreeg halfweg de zestiende eeuw definitief burgerrecht.

Dante zelf is van de Divina Commedia zowel hoofdpersoon als ver­teller. Het werk beschrijft een denkbeeldige reis die hij, volgens Gods wil en op voorspraak van Maria, maakte door de drie rijken van het hiernamaals: hel, louteringsberg en paradijs. Deze reis zou hebben plaatsgevonden in het jubileumjaar 1300, toen Dante vijfendertig jaar oud was. De dichter werd op zijn tocht, die zeven dagen duurde en op Goede Vrijdag begon, achtereenvolgens vergezeld door de Romeinse dichter Vergilius, zijn geliefde Beatrice en de mysticus Bernardus van Clairvaux: zij steunden hem onderweg in zijn moeilijkheden en leid­den hem vanuit de diepste ellende van het kwaad naar de uiteindelijke aanschouwing Gods.

 

Waardering

De Divina commedia is een superieur kunstwerk, het eerste dichtwerk in een volkstaal van de westerse wereld dat op één lijn staat met de meesterwerken uit de antieke oudheid. Het is het profetische boek van de middeleeuwen. Nooit in alle onderdelen, figuren en details geheel verklaard (de eerste leerstoel voor Dante–studie, die van Boccaccio aan de universiteit van Florence, dateert al van 1371) en trouwens in menig aspect van filosofie, theologie, astrologie, enz. door moderne inzichten achterhaald, getuigt dit werk onverminderd van dichterlijke visionaire kracht, inzicht in wereld en mens, en bovenal van schoonheid van vorm en taal (het Toscaans).

 

De vertaler

Frans van Dooren

 

Toen ik zo'n dertig jaar geleden voor het eerst de Divina Commedia las, bezorgde mij dat een soort van existentiële schok: ik werd door het gedicht volkomen overdonderd, raakte in een toestand van extreme vreugde en extreem verdriet, en leefde maandenlang in een waas van verwarrende emoties. Deze intense ervaring, die voor mij leidde tot de ontdekking van wat literatuur voor iemand kan betekenen, heeft mij daarna niet meer losgelaten. Vooral de gedachte dat een Italiaans werk uit de veertiende eeuw bij een Nederlandse student uit de twintigste eeuw een dergelijke reactie teweeg kon brengen, vervulde mij van verbazing en bracht mij tot diepe bewondering voor de dichter. Dante's poëzie, die letterlijk en figuurlijk door de diepste dalen en over de hoogste toppen gaat, is mij sindsdien altijd zeer bijzonder blijven boei­en.

Een van de dingen waarmee ik dan ook steeds weer opnieuw ben begonnen, is het vertalen van de Divina Commedia. En daarbij heb ik vrijwel alle stadia doorlopen en alle manieren uitgeprobeerd: zuivere en onzuivere terzinenvertalingen, rijmende en rijmloze verzen, ver­talingen in poëzie en vertalingen in proza, geen van alle overigens met een resultaat dat mij in vergelijking met het grote voorbeeld kon bevredigen. En ook van de vertaling die ik uiteindelijk heb voltooid, moet ik bekennen dat zij helaas bij het origineel ten achter blijft. De reden dat ik haar desondanks heb gemaakt, ligt in een soort van inner­lijke drang die mij tegen beter weten in steeds weer tot vertalen aan­zette.

Het lijkt mij wel zeker dat er geen literair werk van enige omvang bestaat (de bijbel misschien uitgezonderd) dat zo vaak in het Neder­lands is omgezet als Dante's Divina Commedia. In een tijdsbestek van nog geen tachtig jaar zijn er maar liefst twaalf volledige vertalingen ver­schenen met daarnaast nog twee gedeeltelijke, die alleen de Inferno omvatten.

 

 

I de hel

 

 

Canto III

 

Dante en Vergilius bereiken de poort die toegang geeft tot de hel. Zodra ze die zijn gepasseerd, komen ze bij de plaats waar zich de eerste zondaars bevinden: de slappelingen, die zo verachtelijk zijn dat ze niet eens een plaats in de hel verdienen. Iets verder zien de beide dichters de rivier de Acheron, waar de zon­dige zielen door de veerman Charon naar de eigenlijke hel worden overgezet.

 

'Door mij gaat men binnen in de stad van pijn, door mij gaat men naar het eeuwig lijden, door mij gaat men tot de mensen die verloren zijn. Rechtvaardigheid bewoog mijn hoge Maker: ik ben het werk van de goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde. Al wat vóór mij werd geschapen was eeuwig, en ook ik blijf eeuwig voortbe­staan. Laat varen alle hoop gij die hier binnentreedt!'

 

Deze woorden zag ik in een donkere kleur boven een poort ge­schreven staan, en daarom zei ik tegen Virgilius: 'Meester, wat daar staat lijkt mij verschrikkelijk.' En hij, die meteen begreep wat ik be­doelde, antwoordde: 'Hier moet men elke angst van zich afzetten, en elke lafheid dient hier dood te zijn. Wij zijn gekomen op de plaats waar ge, zoals ik u heb gezegd, de droeve zielen zult zien, die de gave om God te schouwen hebben verloren.'

 

En nadat hij met een blijde uitdrukking op zijn gezicht zijn hand in de mijne had gelegd, waardoor ik moed vatte, leidde hij mij de ver­borgenheden binnen. Daar klonken zuchten, jammerklachten en luide kreten op in de sterreloze lucht, waardoor ik, omdat ik dat alles voor het eerst hoorde, tot tranen toe werd bewogen. Afgrijselijke talen, gruwelijke klanken, woorden van smart, uitroepen van toorn, schelle en schorre stemmen, en rouwmis baar dat ermee gepaard ging, brachten een tumult teweeg dat daar in die tijdeloze duisternis eeuwig rondwielt als zand bij een wervelstorm.

 

En vervuld van huiver en ontzetting vroeg ik mijn meester: 'Wat is het dat ik daar hoor? En wat voor mensen zijn dat die zo door smart overmand lijken?' Vergilius antwoordde mij: 'Dit ellendig lot onder­gaan de beklagenswaardige zielen van hen die zonder schande en zon­der eer hebben geleefd. Zij zijn vermengd met het nietswaardig koor van engelen, dat niet tegen God in opstand kwam en hem ook niet trouw bleef, maar zich afzijdig hield. De hemel verjaagt hen om niet aan schoonheid in te boeten, en de diepe hel neemt hen niet op, omdat de slechten zich dan nog enigermate tegenover hen zouden kunnen beroemen.' Ik vroeg toen: 'Meester, wat voor een kwelling is het die hen zo luid doet jammeren?' Hij antwoordde: 'Dat zal ik u kort uitleggen. Deze zielen hebben geen hoop meer op de dood, en hun blinde leven is zó minderwaardig dat zij ieder ander lot benijden. De wereld bewaart aan hen geen enkele herinnering, en Gods erbarming en gerechtigheid versmaadt hen: laten we daarom niet over hen pra­ten. Kijk maar even en loop dan door.'

 

En toen ik keek, zag ik een vaandel in de rondte gaan met zulk een snelheid dat het mij toescheen dat het elke rust onwaardig was. En daarachter liep zó'n lange stoet van mensen dat ik nooit zou hebben gedacht dat de dood er al zoveel had weggevaagd. Nadat ik er enkelen had herkend, ontwaarde ik ook de schim van hem wiens lafheid de oorzaak was van zijn grote weigering. Terstond begreep ik toen, en ik was er ook zeker van, dat ik daar de schare zag van de slappelingen die aan God en aan zijn vijanden mishaagden. Deze ellendelingen, die in feite nooit hadden geleefd, waren spiernaakt en werden aan één stuk door gestoken door grote vliegen en horzels die daar rondvlogen. Het bloed dat daardoor over hun gezicht stroomde, werd, nadat het zich vermengd had met tranen, aan hun voeten door walgelijke wormen opgezogen.

 

En toen ik mijn blik vervolgens verder rond liet gaan, zag ik een grote menigte mensen aan de oever van een brede stroom. Ik zei daar­om tegen Vergilius: 'Meester, sta mij toe te weten wie dat zijn en zeg mij welke wet hen zo begerig maakt om over te steken, zoals ik zelfs in het schemerdonker nog kan ontwaren.' 'Dit alles zal u duidelijk wor­den,' zo legde hij mij uit, 'wanneer we onze schreden zullen zetten op het droefgeestige strand van de Acheron.'Toen hij dat gezegd had, sloeg ik beschaamd mijn ogen neer, en omdat ik bang was dat mijn woorden hem niet aangenaam geweest waren, onthield ik mij tot aan de rivier van spreken.

En zie, daar kwam per boot over het water een grijsaard naar ons toe, oud en met sneeuwwitte haren, die schreeuwde: 'Wee gij zondi­ge zielen! Geef de hoop maar op nog ooit de hemel te aanschouwen:

Ik kom hier om u over te zetten naar de andere oever, waar eeuwige duisternis heerst in hitte en kou. En gij, levende ziel, die daar staat, verdwijn en waag het niet om mee te gaan met hen die reeds gestorven zijn.'

 

Maar toen hij zag dat ik niet wegging, riep hij: 'Langs een ande­re weg, langs andere havens dan deze zult gij de overkant bereiken: een lichter schip behoort u te dragen. ' Waarop mijn gids tegen hem zei: 'Charon, maak u niet kwaad: men wil dit nu eenmaal dáár waar men kan wat men wil, en meer moet ge niet vragen.'

Daarop kwamen de ruigbehaarde wangen van de schipper van het vale moeras, wiens ogen door vlammen omkranst waren, tot rust. Maar die zielen, die dodelijk vermoeid waren en spiernaakt, verander­den van kleur en begonnen te klappertanden zodra ze deze harde woorden hoorden: ze vervloekten God en hun ouders, het menselijk ras, en de plaats, de tijd en het zaad van hun verwekking en geboorte. Daarna dromden ze allen luid schreiend samen op de troosteloze oever, waar iedereen terechtkomt die God niet vreest.

 

De demon Charon met zijn gloeiende ogen drijft hen daar door middel van tekens bijeen, terwijl hij ieder die treuzelt met zijn vaar­boom bewerkt. En zoals in de herfSt de bladeren zich een voor een los­maken totdat de tak uiteindelijk heel zijn bekleedsel op de grond ziet liggen, zo werpen zich daar de slechte afStammelingen van Adam, wanneer ze daartoe een teken hebben gekregen, een voor een van de oever in het vaartuig, als vogels die de lokroep horen. Zo gaan ze dan over de bruine golven, en voordat ze aan de overzijde zijn uitgestapt, verzamelt zich aan deze kant al weer een nieuwe schare.

 

'Mijn zoon,' zo sprak mijn meester vriendelijk, 'degenen die in Gods toorn sterven, komen hier uit alle landen samen. En ze zijn bereid deze stroom over te gaan, omdat de goddelijke gerechtigheid hen zó aanspoort dat hun vrees hier omslaat in begeerte. En nooit steekt hier een ziel over die goed is. Als Charon zich dus over u beklaagt, zult ge nu wel begrijpen wat zijn woord betekent.' Hierna beefde de donkere vlakte plotseling zo krachtig dat de herinnering alleen al mij nu nog doet baden in het zweet. En uit de tranenrijke bodem stak een stormwind op, die een vuurrode lichtflits de lucht in zond, waardoor elk gevoel in mij werd tenietgedaan. En als door slaap bezwaard stortte ik levenloos ter aarde.

 

 

 

Regen van vuur - ets Dore

 

II de louteringsberg

 

 

Canto XVII

 

Zodra Dante de walm waarin zich de toornigen bevinden heeft verlaten, krijgt hij een paar visioenen van mensen die voor hun toorn zijn gestraft. Vervolgens klimmen de dichters omhoog naar de vierde omgang, die van de tragen en luste­lozen. Tijdens het oponthoud daar legt Vergilius zijn metgezel uit hoe de lief de het beginsel is van alle deugden en ondeugden en hij maakt hem duidelijk dat ook aan de indeling van de louteringsberg de leer van de liefde ten grondslag ligt.

 

o lezer, als gij ooit in de bergen zijt overvallen door een zo zware mist dat ge geen hand voor ogen vermocht te zien, dan moet ge u eens voor de geest proberen te halen hoe in zo'n situatie het zonlicht, op het moment dat de vochtige dampen beginnen op te trekken, zwakjes door de nevels dringt. Ge zult u dan gemakkelijk kunnen voorstellen hoe ik toen door de rook heen voor het eerst de zon weer zag, die inmiddels al bijna was ondergegaan. En terwijl ik gelijke tred hield met mijn vertrouwde meester, verliet ik die wolk om vervolgens terecht te komen in de stralen van de zon, die op dat moment de stranden aan de voet van de berg al niet meer bescheen.

 

o verbeeldingskracht, die ons soms zo aan de buitenwereld ontrukt dat we er ons totaal niet meer van bewust zijn, zelfs niet al weerklinken er rondom ons duizend trompetten, wie zet u in beweging als de zin­tuigen u niet wekken? Zonder twijfel doet dat een licht dat zich vormt in de hemel, ofwel uit zichzelf ofwel door een hogere wil die er leiding aan geeft.

 

In mijn fantasie zag ik de wrede gruweldaad van haar die de gedaan­te aannam van de vogel die zich het meest in zingen verheugt. En op dat ogenblik was mijn geest zo op zichzelf geconcentreerd dat geen enkele indruk van buiten nog tot hem doordrong. Vervolgens daalde er diep in mijn verbeelding een gekruisigde neer, die er verontwaar­digd en wreed uitzag en ook als zodanig stierf: hij werd omringd door de grote Assuerus, diens vrouw Ester, en de rechtvaardige Mordokai die in woord en daad een man uit één stuk was. En toen dit beeld weer was opgelost, zoals een luchtbel uiteenspat wanneer het water eromheen verdampt, vertoonde zich aan mijn geestesoog een meisje dat luid schreiend riep: '0 koningin, waarom hebt gij u in uw toorn van het leven beroofd? Gij hebt uzelf gedood om Lavinia niet te ver­liezen, maar nu hebt ge mij pas echt verloren! 0 moeder, om uw dood treur ik meer dan om de ondergang van iemand anders.'

 

Zoals iemands slaap wordt verbroken wanneer er ineens nieuw licht op zijn oogleden valt, en hij in die toestand als het ware nog wat tegenspartelt voordat hij helemaal wakker is, zo gleed ook de roes van de verbeelding van mij af toen mijn gezicht werd getroffen door een licht dat veel sterker was dan het licht dat wij hier op aarde gewend zijn. Ik draaide me om om te zien waar ik was, toen ik plotseling een stem hoorde die zei: 'Hier gaat men naar boven,' waarna ik al mijn aandacht daarop richtte. En een zo vurig verlangen om te zien wie daar sprak greep mij aan, dat ik niet rustte vooraleer ik er oog in oog mee stond. Maar evenals voor de zon, die zich door haar verblindende gloed voor ons verduistert, zo schoot ook tegenover die lichtglans mijn gezichtsvermogen te kort.

 

'Deze stralende verschijning is een afgezant Gods,' legde mijn gids uit. 'Hij wijst ons zonder dat we erom vragen de weg naar boven, ter­wijl hij zich in zijn licht verbergt. Hij handelt zo ten opzichte van ons als de mens ten opzichte van zichzelf. Want wie de nood ziet waarin iemand anders verkeert maar wacht totdat men hem te hulp roept, maakt in feite al aanstalten om liefdeloos zijn hulp te weigeren. Laten wij dus aan deze gezaghebbende uitnodiging gehoor geven en op weg gaan. En laten we ons inspannen om naar boven te klimmen voordat het donker is. Want daarna kan het pas weer als het licht wordt.'

 

Na deze woorden richtten Vergilius en ik onze schreden naar een trap, die daar vlakbij begon. En zodra ik de eerste trede ervan had bereikt, voelde ik iets als een vleugelslag en een wind die over mijn gezicht waaide, en ik hoorde de woorden: 'Zalig de vreedzamen, die zich niet aan onrechtmatige toom te buiten gaan!' Toen de laatste zonnestralen, die direct aan de nacht voorafgaan, hun licht al zo hoog boven ons verspreidden dat de sterren op diverse punten van de hemel zichtbaar begonnen te worden, zei ik bij mezelf: '0 kracht van mij, waarom laat ge mij zo in de steek?' Want ik merkte onder het gaan dat het mij steeds meer moeite begon te kosten mijn benen te bewegen.

 

Toen we het punt hadden bereikt waar de trap niet verder meer omhoogliep, bleven we als het ware steken, net als een schip dat op het strand loopt. Ik wachtte even of ik op de nieuwe omgang iets hoorde, en wendde me vervolgens tot mijn meester met de woorden: 'Dierbare vader, vertel me eens, welke zonde wordt hier in deze kring waar we ons nu bevinden gelouterd? Nu onze voeten niet meer in staat zijn om te lopen, is uw mond hopelijk nog in staat om te spreken.' En hij antwoordde mij als volgt: 'Hier op deze omgang wordt de liefde tot het goede hersteld in zoverre als zij in haar plicht is tekortgeschoten. Hier slaat men opnieuw de riemen uit die ginds helaas te veel zijn ingehouden. Maar om een duidelijker inzicht in de zaak te krijgen, moet ge nu goed naar mij luisteren, dan zal dit oponthoud voor u zeker vrucht afwerpen.'

 

En na deze inleidende woorden begon hij met zijn eigenlijke uit­eenzetting: 'Noch de Schepper noch het schepsel, mijn zoon, is ooit verstoken geweest van de liefde: de liefde die, zoals gij weet, ofWel ingeboren is ofWel op een vrije keuze berust. De ingeboren liefde dwaalt nooit, maar de andere kan dwalen op drie manieren: doordat zij zich richt op het kwade, doordat ze te veel kracht ontplooit of doordat ze te weinig kracht ontplooit. Zolang zij uitgaat naar het hoogste Goed en in de aardse goederen maat weet te houden, kan zij nooit de oorzaak zijn van zondig genot. Maar wanneer zij zich naar het slechte wendt, of met meer of minder ijver dan geboden is het goede zoekt, zondigt het schepsel doordat het zich keert tegen zijn Schepper. Hieruit kunt ge opmaken dat de liefde in u noodzakelijker­wijs het zaad moet zijn niet alleen van iedere deugd, maar ook van iedere zonde. Welnu, omdat de liefde zich nooit kan afwenden van het welzijn van degene die haar uitdraagt, bestaat er niets dat zichzelf kan haten. En omdat men zich geen wezen kan voorstellen dat los van het Opperwezen op zichzelf bestaat, kan geen enkel schepsel zijn Schepper haten.

 

Daaruit volgt, als ik tenminste al redenerend geen fouten maak, dat het enige kwaad dat men liefheeft het kwaad van de naaste is. En deze liefde manifesteert zich in de menselijke samenleving op drie manie­ren. In de eerste plaats zijn er die hopen uit te blinken door de verne­dering van hun evenmens en die daarom slechts verlangen dat hij uit zijn hoge positie omlaag wordt gestoten. Vervolgens zijn er die bang zijn hun macht, aanzien, eer en roem te verliezen doordat iemand anders omhoogkomt, iets wat hen zozeer verbittert dat ze het omge­keerde wensen. En ten slotte zijn er die door een geleden onrecht zo beledigd blijken te zijn dat ze enkel en alleen nog maar belust zijn op wraak en als zodanig logischerwijs uit zijn op het verderf van de ander.

 

Welnu, deze verkeerd gerichte liefde, die op drie manieren tot uiting komt, wordt beweend en uitgeboet op de drie omgangen hier  ­

beneden. En ik verzoek u om goed op te letten, want ik zal u nu enig inzicht trachten te geven in de andere liefde, die wel het goede na­streeft, maar op een verkeerde en onevenwichtige manier. Iedereen heeft, zij het vaag, een idee van een hoogste Goed waarin zijn geest tot rust komt en waarnaar hij verlangt. En iedereen streeft er dan ook naar om dat te bereiken. Maar als de mens een te lauwe liefde in zich voelt om het te aanschouwen of te verwerven, ondergaat hij daarvoor na een juist en tijdig berouw hier op deze vierde omgang zijn straf. Dan is er nog een ander goed dat de mens niet gelukkig maakt, omdat het noch naar de eeuwige zaligheid leidt noch naar het hoogste Goed dat de vrucht en de wortel van al het goede is. De liefde die zich te veel daaraan overgeeft, wordt in drie kringen hier boven ons beweend. Maar op grond van welke argumenten men haar in drie soorten ver­deelt, vertel ik u nu niet, want ik heb graag dat gij u zelf in die kwestie verdiept. '

 

 

III het paradijs

 

 

Canto XXVI

 

 

Dante wordt in de achtste hemel door de apostel Johannes ondervraagd over de liefde en over de motieven die hem ertoe brengen om God te beminnen. Wan­neer hij de vragen van Johannes gewetensvol heeft beantwoord, betuigt het hemels hof zijn instemming door een lieflijk gezang aan te heffen. Dante her­krijgt vervolgens door toedoen van Beatrice zijn gezichtsvermogen, waarna hij de lichtende gestalte van Adam ziet verschijnen. Adam beantwoordt daarop enkele onuitgesproken vragen van Dante.

 

Terwijl ik me angstig afvroeg of ik mijn gezichtsvermogen weer terug zou krijgen, kwam er uit de gloeiende vlam waardoor ik was verblind een stem, die mijn aandacht trok door te zeggen: 'In afwachting van het moment waarop gij weer meester zult zijn over uw ogen, die door het kijken naar mij hun kracht hebben verloren, doet ge er goed aan om in het spreken een tegenwicht te zoeken voor het zien. Zeg mij om te beginnen maar eens waarop uw ziel is gericht, en houd daarbij goed in de gaten dat uw gezichtsvermogen wel is aangetast, maar niet is uitgedoofd. Want de vrouw die u door deze goddelijke regionen voert, heeft in haar blik dezelfde kracht als de hand van Ananias.'

 

Ik zei: 'Moge er naar haar goeddunken vroeg of laat hulp komen voor mijn ogen: dat waren immers de poorten waardoor zij binnenkwam met het vuur dat mij eeuwig doet branden. Het Hoogste Goed, waar­aan dit hemels hof zich verzadigt, is de alfa en omega van al wat liefde mij met zachtheid of kracht kenbaar maakt.' Dezelfde stem die mij had bevrijd van mijn vrees om plotseling te worden verblind, deed het verlangen in mij opkomen om opnieuw te spreken. Zij zei namelijk: 'Uw gedachten moeten door een nog fijnere zeef worden gezift. Van­daar dat ge nu moet zeggen wie er de oorzaak van was dat gij de boog

van uw liefde op zo'n verheven doelwit richtte.'

 

Ik antwoordde: 'Een dergelijke liefde wordt op natuurlijke wijze in mijn hart geprent door de redeneringen van het verstand en door het gezag dat neerdaalt van hierboven. Want zodra het goede als goed wordt begrepen, doet het liefde ontvlammen, en wel des te meer naar­ mate het meer goedheid bevat. Daarom is het noodzakelijk dat de geest van ieder die de waarheid inziet waarop deze gedachtegang be­rust, zich in liefde, meer dan naar iets anders, beweegt naar het Wezen dat zo overvloedig alles bezit dat elk goed erbuiten niet meer is dan een uitstraling van zijn licht. De waarheid waarop ik doel wordt aan mijn verstand verklaard door hem die mij de eerste liefde aantoont van alle schepselen die het eeuwig leven bezitten. Verklaard wordt zij mij door de onfeilbare woorden van de Heer, wanneer hij sprekend over zichzelf tot Mozes zegt: "Ik zal al mijn majesteit aan u doen voor­bijgaan."

 

Verklaard wordt zij mij ook door u in het begin van uw ver­heven geschrift, dat beter dan welke boodschap ook het grote myste­rie van hierboven aan de mensen verkondigt.'

Toen hoorde ik: 'Geleid door het menselijk verstand en door de ge­tuigenissen van de Heilige Schrift, die daarmee overeenstemmen, richt zich uw hoogste liefde dus op God. Maar vertel mij ook of gij naar uw mening nog door andere koorden naar hem toe wordt getrokken, en laat daarbij duidelijk blijken hoeveel prikkels deze liefde u geeft.' De heilige bedoeling van Christus' adelaar ontging mij niet. Ja, ik merkte zelfs in welke richting hij mijn belijdenis wilde sturen. Daarom begon ik weer: 'Alle prikkels die het hart op God kunnen richten, hebben aan de ontwikkeling van mijn liefde meegewerkt. Want mijn bestaan en dat van de wereld, de dood die Hij onderging om mij te doen leven, de eeu­wige zaligheid waarop iedereen net zoals ik hoopt, en de levende kennis waarnaar ik zojuist heb verwezen, dit alles heeft mij uit de zee der valse liefde getrokken en op het strand der ware liefde neergezet. De bladeren waarmee de tuin van de eeuwige Hovenier zich tooit, bemin ik in die mate waarin hun door Hem het goede is geschonken.'

 

Zodra ik zweeg, weerklonk er een zeer lieflijk gezang door de he­mel, en mijn leidsvrouwe zei samen met de anderen: 'Heilig, heilig, heilig!' En zoals iemand door een fel licht uit zijn slaap wordt gehaald doordat zijn gezichtszintuig reageert op de schittering die door het oogvlies naar binnen dringt, en wakker geworden eventjes beduusd is door wat hij ziet, omdat hij zich de oorzaak van zijn plotseling ontwa­ken pas bewust wordt wanneer zijn onderscheidingsvermogen hem te hulp komt, zo haalde Beatrice toen door de fonkelende straling van haar ogen, die zich meer dan duizend mijl verspreidde, elke verblin­ding van mij weg, zodat ik daarna beter zag dan tevoren. En als verbijs­terd vroeg ik naar een vierde licht, dat ik daar bij ons zag. En mijn leidsvrouwe antwoordde: 'Binnen in die stralen bevindt zich in liefde­volle aanschouwing van zijn Schepper de eerste ziel die ooit door de Eerste Kracht geschapen werd.'

 

Zoals een bebladerde tak zijn top omlaag buigt wanneer de wind eroverheen gaat, en zich vervolgens door de opwaartse kracht die in hem leeft weer verheft, zo verging het toen ook mij: terwijl Beatrice sprak, boog ik als met stomheid geslagen mijn hoofd, en ik durfde het pas weer op te richten toen zich een vurig verlangen om te spreken van mij meester maakte. En ik begon zo: '0 gij die als enige op aarde als een rijpe vrucht werd geschapen, 0 oude vader, voor wie elke bruid tegelijk dochter en schoondochter is,  met alle overgave waartoe ik in staat ben smeek ik u het woord tot mij te richten: gij ziet wat ik van u wil weten, en om u sneller te horen spreek ik mijn verlangen niet uit.' Zoals een dier dat met een doek is bedekt daaronder wel eens zo hef­tig te keer kan gaan dat zijn driftig verlangen zich onontkoombaar aan de toeschouwer opdringt doordat het kleed waarin het is gehuld zijn bewegingen volgt, zo liet de eerste mens mij door zijn flonkerend omhulsel heen duidelijk zien met hoeveel graagte hij aan mijn verzoek voldeed.

 

 Ik hoorde hem zeggen: 'Zonder dat het door u aan mij ken­baar is gemaakt, ken ik uw verlangen beter dan gij de dingen waarvan ge het meest zeker zijt. Want ik zie het in de waarachtige spiegel Gods, die alle andere dingen volledig in zich weerspiegelt, terwijl die dingen zelf de volheid van zijn wezen niet weerspiegelen. Gij wilt horen hoe lang het geleden is dat God mij in de verheven tuin plaatste waar uw geleidster u op de lange beklimming van 's hemels ladder heeft voor­bereid, hoe lang dat aards paradijs mijn ogen in verrukking bracht, wat de eigenlijke oorzaak van Gods toom was, en welke taal ik er sprak en maakte.

Welnu, mijn zoon, niet het eten van de verboden vrucht op zichzelf was de reden van de zo langdurige ballingschap, maar alleen het over­schrijden van de door God gestelde grens. Vanaf de plaats vanwaar uw leidsvrouwe Vergilius liet komen, heb ik een periode van vierdui­zend driehonderd en twee zonnewentelingen naar deze hemelse gemeenschap verlangd, en ik heb de zon gedurende mijn aardse leven negenhonderd en dertig keer haar baan langs alle tekenen van de die­renriem zien beschrijven.  

 

 De taal die ik sprak was al helemaal uitge­storven voordat het volk van Nimrod zijn aandacht richtte op het niet te voltooien werk van de toren van Babel.  Want ten gevolge van het feit dat de mens onder invloed van de sterren steeds meer geneigd is tot verandering, is geen voortbrengsel van het menselijk verstand ooit bestendig en eeuwig geweest. De natuur bewerkt dat de mens zich uitdrukt in woorden, maar of hij dat nu zus of zo doet, dat laat zij ver­volgens aan zijn eigen inzicht over. Voordat ik afdaalde naar de droefems van de hel, duidde men op aarde het Hoogste Goed, waarvan de lichtende blijdschap die mij omgeeft afkomstig is, aan met de klank I, waar men later de naam El voor in de plaats stelde. En dat dit ge­beurde lag voor de hand, want de gewoonten der stervelingen zijn als de bladeren van een tak, die steeds weer door andere worden vervan­gen. Ik verbleef op de top van de berg die zich het hoogst uit de gol­ven verheft, eerst met een zuivere geest en daarna in zonde, vanaf het eerste uur tot het uur dat volgt op het zesde, wanneer de zon van kwa­drant verandert.'­

 

Paradijs - ets Doré

 

 Lektuur op internet

De Goddelijke Komedie

 

Frans van Dooren

 

02. De Eeuwige Wijsheid

03. Ogen van Horus 

 

04. Inwijding

door Elisabeth Haich

 

 

Inwijding<br>




Elisabeth Haich
Inwijding
Elisabeth Haich

 

20.03.1897-  31. 07.1994

 

Op 31 juli 1994 was de aardse taak van Elisabeth vervuld en is zij bewust teruggekeerd naar de Bron. Haar laatste woorden, aan een intieme vriend, enkele dagen voor haar Thuisreis, waren: " Ik zal het grote examen afleggen."

 

Dit is de geestelijke autobiografie van Elisabeth Haich. Zij leidt momenteel met Selvarajan Yesudian yogascholen in Zürich en Ponte Tresa en heeft verschillende boeken over yoga op haar naam staan.

Elisabeth Haich begint haar verhaal met haar jeugd in Hongarije, een saaie tijd waarin ze zich eenzaam en onbegrepen voelt. Ze krijgt visioenen, die uitmonden in haar incarnatie als dochter van een Egyptische farao. Daarover gaat het grootste deel van dit boek. Ze heeft slechts één wens: ingewijd te worden als priesteres. Door de hogepriester Ptah Hotep wordt ze dan binnengeleid in de Egyptische geheimleer over wiskunde, astrologie, filosofie, kos­mologie en de piramidebouw. Het is een weg van veel beproevin­gen. Haar karakter wordt getraind en ten slotte wordt ze op haar weg van zelfrealisatie bekroond met de inwijding in een piramide.

 

Inwijding geeft veel informatie over het leven en denken van de Egyptenaren en een goed beeld van de wetten van karma en reïncarnatie, de diepere oorzaken en achtergronden van het menselijk lot.

Een boek dat voor spiritueel geïnteresseerde mensen een openba­ring zal zijn.

                                                                                                        

Een citaat (over reïncarnatie) uit het hoofdstuk: Strijd om het Licht

 

Ik wilde die andere wereld veroveren; hoe, dat wist ik niet. Ik voelde me als iemand, die het oerwoud wil veroveren, maar niet weet aan welk einde hij moet beginnen en alleen maar een kleine bijl in de hand heeft, waarmee hij zich een weg wil banen. Ook weet hij niet, dat in dit oerwoud allerlei gevaren hem bedreigen, giftige slangen en wilde dieren; hij kan ook verdwalen of in een afgrond vallen. Maar juist zijn onwetendheid geeft hem de moed om desondanks de woestenij binnen te dringen.

Ook ik wist niet, dat op mijn ontdekkingsreis naar die andere wereld uit het gebied van het onbewuste de onbekende krachten zich als wilde dieren op me zouden storten; dat dwaalwegen me zouden misleiden en dat afgron­den van waanzin in deze wildernis loerden. En ook ik had alleen maar een kleine bijl: mijn gewoon menselijk verstand!

 

Waar moest ik beginnen? Over die andere wereld spreekt de godsdienst, maar de geestelijken met wie ik tot dusverre gesproken had, wilden dat ik de dogma's, die zij zelf niet begrepen, blindelings geloven zou, óf ze vertelden me sentimentele sprookjes over een hemelrijk, waarin ze zelf niet geloofden, maar die ze goed genoeg vonden om dat 'jonge vrouwtje' te bevredigen.

Ik wilde toch liever eens zien wat de grote denkers der aarde over deze geweldige vraag, 'de zin van leven en dood', te zeggen hadden; en aange­zien ik toentertijd van de oosterse grote denkers nog geen flauw vermoeden had, begon ik de Europese filosofen te lezen.

 

Ik las eerst de oude Griekse en Romeinse werken over filosofie, die in een mij bekende taal vertaald waren. Ik was enthousiast over Socrates, Plato, Pythagoras, Epictetus en Marcus Aurelius. Door deze boeken rijpte er veel in mijn ziel; ik leerde eindeloos veel van deze denkreuzen.

Speciaal één gezegde van Epictetus werd me op mijn verdere levensweg een eeuwig brandende kleine vlam, die me hielp uit de duisternis naar het eeuwige licht voort te gaan:

'De dingen op zichzelf zijn niet slecht, alleen de wijze waarop je erover denkt. '

Van het moment, dat ik dat las, vergat ik deze zin niet meer en ik probeerde mijn hele wijze van denken te veranderen, mijn standpunt te wijzigen ­anders over de dingen te gaan denken! - Maar al deze verheven waarheden konden mij op mijn levensvraag naar die andere wereld geen antwoord ge­ven.

 

Toen las ik de nieuwere filosofen: Kant, Schopenhauer, Nietzsche, Descar­tes, Pascal, Spinoza. Maar geen van hen kon mij bevredigen. Ik voelde, dat ze allemaal tot een bepaalde hoogte kwamen, tot het punt dat het verstand kan bereiken, maar het einddoel, de verwerkelijking, de realisatie, bereikten ze niet. Op de grote vraag konden ze nog veel minder antwoord geven dan de filosofen uit de oudheid . Van de nieuwe filosofen heeft Spino­za wel het hoogste punt bereikt, maar bij de nieuwe filosofen had ik het gevoel, dat ze in hun hersenkronkels vastgelopen waren. Zelf waren ze ontevreden, ontgoochelde en ongelukkige mensen gebleven, ondanks hun filosofische stelsels. Hoe zouden ze mij verder op weg naar de grote waar­heden van de andere wereld hebben kunnen helpen? Ze wisten zelf niets en hadden niet zo wanhopig naar de waarheid gezocht als ikzelf. Ik wilde het Werkelijke; niet al die overmaat van woorden.

 

Op een dag stond ik aan het venster van ons huis en keek met mijn zoontje hoe de bladeren van de wilde kastanje tegenover ons langzaam neerdwar­relden. Zoals ik vroeger reeds zo vaak gedaan had, dacht ik diep na over de zin van het leven. 'Dood', dacht ik, 'altijd weer de dood.'

Daar hoorde ik ineens de stem in mij: 'Dood? - Waarom zie je alleen maar die ene kant van de waarheid? Wat openbaren de boom en de gehele natuur in het voorjaar? Leven - altijd weer leven. Dood en leven wisselen in de eeuwige kringloop. Dood is alleen maar de andere kant van het le­ven. . .'

 

Op dat ogenblik zag ik heel duidelijk, dat de boom nu in de herfst het leven uit de bladeren in zich terugtrekt en dat de bladeren levenloze lege om­hulsels worden; dat ze sterven en afvallen. Maar alleen het lege omhulsel! Het leven, dat de bladeren belevendigd heeft, rust in de boom en stroomt in het voorjaar weer naar buiten; het bekleedt zich weer met nieuwe mate­rie, met nieuwe bladeren en het leven herhaalt zijn eeuwige kringloop. De boom ademt het leven in en uit, alleen de bladeren wisselen, alleen het uiterlijk omhulsel. Het leven blijft eeuwig, want het leven is het eeuwige Zijn. En ik zag verder: de bron van het eeuwige zijn - de mensen noemen het God - ademt ook de mensen het leven in, zoals ook de Bijbel zegt, dat God Adam het leven in de neusgaten blies; dan trekt Hij de adem weer terug en het lege omhulsel valt: het lichaam van de mens sterft. Maar het leven houdt daarmee niet op; het bekleedt zich weer met een nieuw lichaam, in een eeuwig ritme, zoals alles in de wereld in ritme blijft en leeft en zich beweegt, zowel de kringloop van de hemellichamen als de adem en de hartklop van alle schepselen.

 

Toen schoot het me te binnen, dat ik eens, toen ik een jaar of zes, zeven was en voor het eerst over de dood hoorde, voor de spiegel ging staan en daar het beeld van de onzichtbare bekeek: mijn eigen beeld. Zelfs toen al kon ik niet begrijpen, dat ik eens zou moeten sterven en dat ik eens niet meer zou bestaan. Ik wilde zien wie dit 'ik' was, dat op dit moment deze dingen denkt en niet wil sterven, en ik bekeek mezelf steeds dichter bij de spiegel staande, totdat ik met mijn neus tegen het glas kwam. Ik keek van heel dichtbij in mijn ogen; ik wou dat 'ik' zien. In mijn ogen was welis­waar een zwart gat, maar 'mijzelf' kon ik niet zien.

 

Dat ik - ikzelf - bleef onzichtbaar, zoals ik me dat steeds sedert mijn ontluikende bewustwording op deze aarde had voorgesteld. Ook in de spiegel kon ik mezelf niet zien, alleen mijn gezicht, mijn masker, en die twee zwarte gaten in mijn ogen, waaruit ik naar buiten keek. Ik voelde echt, dat het onmogelijk was, dat ik niet zou bestaan. 'Nou goed', vroeg ik mezelf toen voor de spiegel staan­de, 'maar waar wil je door naar buiten kijken in de wereld als deze ogen zich eens sluiten?' 'Uit twee andere ogen!' antwoordde ik zonder aarzelen. , 'hier sluit ik deze ogen, en in een ander lichaam doe ik weer twee nieuwe ogen open.'

 

'En als er nu tussen die twee lichamen enige tijd voorbijgaat; als je nou eens niet direct een ander lichaam vindt? Als je een week, of misschien maanden of jaren of eventueel duizenden jaren moet wachten?' 'Zoiets bestaat niet', zei het kleine kind, dat ik toenmaals was, 'want als ik slaap, weet ik bij het wakker worden ook niet hoe lang ik geslapen heb. In de slaap bestaat er geen tijd, en in de dood zal het precies zo zijn, zolang ik zonder lichaam ben. Of ik nu een week ben in de duisternis - in het niets - of duizend jaar, dat is om het even. Ik zal het toch zo ervaren, alsof ik zojuist hier mijn ogen gesloten had en ze daar meteen weer opende.

 

In het niets is er geen tijd. Maar dat ik niet zou bestaan, dat bestaat niet.' En toen ging ik volkomen gerustgesteld van de spiegel heen om weer verder te spe­len. En nu dat ik, als volwassene voor het venster staande, de wet van de reïncarnatie in de kastanjeboom constateerde, schoot me de ervaring uit de kinderjaren weer te binnen en ik was zelf stomverbaasd, dat een kind deze waarheid zo natuurlijk en spontaan met haar beperkte verstand had ontdekt, zonder ooit iets over reïncarnatie gehoord of gelezen te hebben. Nu op dit moment zou ik niet meer zeggen, dat er in de 'duisternis' geen tijd bestond, maar eerder, dat er in het 'Onbewuste' geen tijdsbesef bestaat. . .

Ik wist nu ook, hoe het mogelijk was, dat ik die vage herinneringen van een persoon, die ik eens geweest was, in mij meedroeg.

 

05.Waardevolle citaten van Elisabeth Haich

 

Het beste en zekerste wapen tegen alle gevaren is dat men nooit de macht over zijn bewustzijn verliest. Dat betekent, dat het bewustzijn steeds identiek met zichzelf, hier en nu, moet zijn, niet weg mag vallen en niet met uiterlijke dingen identiek mag worden. Dus steeds vol aandacht, steeds present zijn.

Het bewustzijn is de toverbloem, die de koningszoon leidt op de weg naar de bergtop, waar zijn bruid woont, en die hem uit alle gevaren der duisternis redt, welke hem van de kant van boze geesten en gnomen bedreigen, maar die hem ook beschermt tegen betoverende feeën, die hem op dwaalsporen willen lokken. Hij houdt de toverbloem die een bovenaards licht uitstraalt, voor zich, en het licht van de bloem houdt de duisternis, de boze geesten, de gnomen en de gevaarlijke feeën op een afstand, het verjaagt ze en verlicht de weg, zó dat de koningszoon niet kan verdwalen.

Het licht van onze toverbloem is ons bewustzijn. Wij moeten onafgebroken al onze gevoelens, al onze gedachten toetsen en ze met het licht van ons bewustzijn doorstralen. De geringste beroering van onze ziel, ons gevoelsleven, moeten wij opmerken en meteen toetsen, waar dit vandaan komt, wat daarachter in het onbewuste steekt. Het masker, waarachter zich menige drang verbergt en ook vele gevoelens, die uit het onbewuste opduiken maar die wij niet onder ogen willen zien, moeten wij zonder pardon afrukken.

 

In de hoogste, geestelijke bewustzijnstoestand beleven wij de drang naar de innerlijke, goddelijke eenheid en naar haar verwezenlijking als een zeer opmerkelijk gevoel.
Het heeft niets, maar dan ook niets met het lichaam te maken. Dit gevoel noemen wij liefde. En om nu vooral alle misverstand te voorkomen, noemen wij het de universele liefde.

Het spreekt vanzelf dat ieder mens, al naargelang van de trap van bewustzijn waarop hij zich bevindt, onder dit woord weer iets anders verstaat. Als wij desondanks willen analyseren wat Liefde is, kunnen we het ongeveer zo uitdrukken: We voelen in ons hart een aangename warmte, die ons gelukkig maakt. Ze is met geen thermometer te meten, maar toch voelen we het aan als 'warmte'. Wij stralen deze warmte ook uit, zonder het te willen. Deze stralen zijn onzichtbaar, onmeetbaar, onbewijsbaar, en toch voelen we deze uitstraling van Liefde, die zowel van andere levende wezens als van ons uitgaat, zó duidelijk, dat geen mens het kan loochenen.

Ze straalt uit zichzelf en door de werking van dit gevoel koesteren we het verlangen onszelf met het ganse heelal of met iets dat wij 'liefhebben' te verenigen.
U kent de uitdrukking: 'Ik ben zó gelukkig, dat ik de hele wereld in mijn armen zou willen nemen!' of  'aan mijn hart zou willen drukken.' Dus: een drang naar eenheid zonder lichamelijke reactie. Dit gevoel heeft niets uit te staan met seksuele wensen, heeft trouwens niets te maken met het lichaam, want tegenover die hele, grote wereld hebben wij immers geen zinnelijke seksuele verlangens, en toch is dat gevoel er; het is een zuiver geestelijk gevoel, een zuiver geestelijke toestand. Men zou met het Al willen versmelten, er in opgaan, er één mee worden, zoals de regendruppel één wordt met de oceaan, als hij er in valt.

 

De mens denkt en leeft slechts als geslachtelijk wezen zolang hij zijn bewustzijn met zijn lichaam identificeert. Wanneer hij echter met zijn bewustzijn in God ontwaakt, houdt in hem de instelling als geslachtelijk wezen en de voorstelling der geslachten op en hij vindt in zichzelf, in het ontsluierde en derhalve bewust geworden onbewuste de andere pool, zijn eigen complement - dat er tot dusverre ook steeds was, maar in latente, onbewuste toestand - en hij wordt er één mee. In de tot het andere geslachtbehorende levensgezel waarmee ik een innerlijke eenheid voelde - en deze ook lichamelijk trachtte te verwezenlijken - zocht ik dit - als slapend Doornroosje - latent in mij sluimerende complement van mijn absolute ware Zelf, waarin beide polen in elkander rustten, rusten en zullen rusten tot in alle eeuwigheid, omdat zij bijeen horen, daar ik beide delen zelf ben. Als wij de Goddelijke Eenheid van het volmaakte Albewustzijn bereikt hebben, zijn wij in de absolute androgyne toestand tot bewustzijn gekomen. De androgyne oertoestand kunnen wij, naar de bestaande ordening der natuur, lichamelijk niet bereiken, niet verwerkelijken; alleen maar in de geestelijke toestand, in het oerbewustzijn is dat mogelijk. Als de geest in het lichaam weer zijn geestelijk bewustzijn verkrijgt en hij er zich van bewust wordt, dat hij geest is, wordt hij in zijn bewustzijn een geheel, en dan houdt de seksuele drang in het lichaam ook op. Dat is het geheim, waarom de mensen die in de geest, in het ware wezen, ontwaakt zijn geen seksuele verlangens meer hebben, ofschoon hun lichaam ook slechts één geslacht openbaart; en waarom zij zonder onrust, zonder moeilijkheden, een leven van onthouding leiden.

 

 

De oudste speelkaarten ter wereld (de tarot) geven in hun vijftiende kaart een spirituele en welsprekende voorstelling. Satan, het spiegelbeeld Gods, die de door de geest levend geworden wet der materie is, scheidt de twee geslachten van elkander. Op zijn rechterarm staat het opschrift 'solve' om hen dan met de linkerarm, waarop 'coagula' staat, weer te verenigen; maar dan niet in hun oertoestand in de geest, naar binnen, maar in het lichaam naar buiten. Hij ketent de beide geslachten, het mannelijke en het vrouwelijke, die naar de innerlijke wet van de eenheid Gods bijeen horen, aan de buitenzijde aan elkander. Daarmee drijft hij de beide geslachten tot in de eindeloosheid als slaven uiterlijk tot elkander, zonder dat zij elkaar daarbij in de oorspronkelijke goddelijke eenheid kunnen bereiken. Want de stoffelijke buitenwereld is de wereld van de isolatie, de gescheidenheid, de wereld van het goede en het kwade, van het gevende en het ontvangende. Het is onmogelijk de eenheid tot stand te brengen in de buitenwereld.

Wij moeten met ons bewustzijn uit de eindigheid, waar ons lichaam thuishoort, tot de eeuwigheid waar ons Zelf thuishoort, ingaan en dat wat in de buitenwereld onmogelijk is, in de binnenwereld, in de geest, als een bewustzijnstoestand zoeken, bereiken en beleven. Want alleen in ons binnenste, in ons Zelf, dat God is, kunnen wij geestelijk de eenheid der harmonisch in elkander rustende aanvullende helften, de complementen vinden. De mens kan de beide polen in zijn bewustzijn verenigen.

 

 

Een heilige, een Godmens verdoet geen scheppende kracht meer door de geslachtsorganen, maar behoudt deze tot instandhouding van zijn eigen lichaam, zonder zich met de materie, met het lichaam te vereenzelvigen. Hij is en blijft bewust in de bron van de goddelijke potentie; hij is zelf deze bron als zijn eigen 'Ik' en valt uit deze bewustzijnstoestand niet meer terug tot het materiële vlak van geslachtelijk verkeer. Aldus stuurt hij in zijn lichaam de verheven geestelijke energieën van hoge frequentie, die dit lichaam volledig transformeren, zodat de materie van het lichaam van een heilige of Godmens fundamenteel verschilt van dat van de doorsnee mens.

De geestelijke krachten doden alle bacteriën en virussen en daarom zijn de ingewijden immuun tegen elke ziekte. Deze krachten houden het lichaam jeugdig, doordat de cellen van het lichaam door de hoge frequentie en de hoogspanning van de geest doorlopend geregenereerd worden. De hormonen der seksuele klieren zijn er niet alleen om het menselijk lichaam in staat te stellen nakroost te verwekken, ze spelen een uiterst belangrijke rol bij de opbouw van het eigen lichaam en de instandhouding van de jeugdigheid. De seksuele kracht is de levenskracht zelf, de sleutel tussen geest en materie. Zij kan niet alleen bij de conceptie het leven aan een nieuw levend wezen geven, maar ook het eigen lichaam ononderbroken met nieuwe levensenergie opladen, als men haar voor zich behoudt.

 

Het geheim is, dat hoe hoger de frequenties zijn en hoe korter de golven die een mens uitstraalt, des te meer bepaalde frequenties, trillingen en stralen naderen, die wetenschappelijk niet zijn vast te stellen, maar die wij toch onmiddellijk ervaren en eenvoudig 'Liefde' noemen. De frequenties van Liefde hebben de kortste golflengte, en de hoogste frequenties; ze zijn zo al-doordringend, dat ze elke andere vorm van energie doorbreken, doordringen en zelfs transformeren. Niemand en niets kan weerstand bieden aan deze frequenties; niets kan zich daartegen isoleren. Ze zijn de hoogste, goddelijke frequenties, want Liefde is God!De mensen stralen ook lagere trillingen uit, want elke toestand, elk gevoel, elke gedachte, elk uitgesproken woord en elke daad heeft een lagere of hogere uitstraling en werking, en in overeenstemming daarmee werken deze manifestaties met aantrekkende of afstotende kracht, versterkend, verzwakkend of vernietigend, gevend of nemend. Deze gecombineerde uitstraling is bij ieder mens individueel verschillend en hoe meer een mens in zijn ware Zelf bewust is geworden, des te sterker werkt hij met zijn uitstraling op zijn omgeving, op planten, dieren en mensen. Zoals een lamp licht uitstraalt en zich, hoe sterker haar licht is, in een des te feller licht bevindt, zo bevindt de mens zich in zijn eigen uitstraling en zo ver deze reikt, reikt ook zijn geestelijk vermogen om te zien en eveneens zijn wil. Zoals de grote lamp door de kleinere heen straalt, maar de kleine lampen niet door de grotere heen kunnen stralen, zo doorstraalt de meer Zelfbewuste mens diegenen die minder bewust zijn - hij ziet hen - zonder dat zij hem zouden kunnen doorstralen en zien. De geschiedenis der mensheid boogt op talrijke voorbeelden van geniale mensen, die met hun geestelijk oog door hun medemensen heen gezien en hen duidelijk doorzien hebben, laatstgenoemden echter hebben het genie noch gezien, noch herkend, ze hebben zelfs vaak een dergelijke titan mishandeld op de brandstapel geworpen of op andere wijze gedood.

 

 

Het lot der mensen is verschillend. En een ieder moet zelf weten wat God van hem verlangt. Als iemand in zich de weg voelt, die voor hem door God bepaald is, zal hij ook al de mogelijkheden verkrijgen die weg te vinden. Niet alleen de natuurwetten, ook de goddelijke wetten zijn onverbiddelijk en kunnen niet overtreden worden. Alles hangt af van wat wij wensen te bereiken. Want dat wat wij - naar onze diepste overtuiging - willen bereiken, toont waartoe wij rijp zijn. Zij, die het seksuele leven nog niet wensen op te geven moeten er rekening mee houden, dat zij geestelijk weliswaar een zeer hoge trap kunnen bereiken, maar de transformatie van de seksuele krachten tot scheppende vermogens - dat wil zeggen, de verwachting ingewijden te kunnen worden - moeten zij zich voor een volgend leven voorbehouden. Eens zullen alle mensen het niveau van het goddelijke bereiken en dan zullen ook zij niets anders meer willen dan dat goddelijke Zelf te zijn, en dat betekent nu juist dat alles. Maar dat, wat iemand nog niet uit ervaring heeft leren kennen en nog niet ten volle heeft genoten, zal hem steeds terug trekken. Het door de mens nog niet ervarene wil het zo. Laat ons dus geen weerstand bieden, maar laat ons alles beproeven wat wij nog niet hebben ervaren om zo mogelijk het eens achter ons te laten.

06. Worden Wij Wakker?

door Marcel Messing.

 

 

Projectie

 

Als alle schuilhoeken
van het bewustzijn zijn verkend
alle vluchtwegen zijn doorlopen
alle wijsheidsboeken zijn gelezen
geen enkel boek meer bevredigen kan
als alle tempels zijn bezocht
alle riten en ceremonies zijn beleefd,
kan de laatste projectie
- God -
worden ingetrokken
en het bestaan
in alle naaktheid worden geschouwd
zoals het altijd is geweest.
De doden zullen opstaan in jezelf.
In jezelf zullen alle heilanden vervluchtigen
wordt het einde der tijden voltooid
alle begin weggevaagd
stervend in het eigen einde
en de lange verhalen tussen begin en einde
door traditie en geloof in stand gehouden
zullen verpulveren tot stof.

 

Marcel Messing (geboren 1945) studeerde antropologie, filosofie en vergelijkende godsdienstwetenschap.
Hij is auteur van 20 boeken en talloze artikelen, medewerker van Prana en Inzicht.
Hij was als stafdocent en decaan werkzaam in het Hoger Beroeps Onderwijs, hierna jaren wetenschappelijk medewerker van de Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam.
Messing treedt als spreker in verschillende landen op, en staat bekend om zijn synthese tussen oosterse en westerse wijsheid.
Diverse boeken zijn van hem vertaald en hij genoot onderricht van o.a. Tibetaanse rinpoche's. Verder zet hij zich in als voorzitter van de door hem opgerichte 'Stichting Lindenhof' dat al jaren nauw betrokken is bij diverse ontwikkelingsprojecten in India en Polen.
Marcel Messing woonde in de Franse Pyreneeën waar hij 11 jaar onderzoek naar de Katharen.
Sinds 2006 woont hij in Brugge - Belgie

Worden wij wakker?<br>



Marcel Messing
Worden wij wakker?
Marcel Messing

 

Een boek dat iedereen moet gelezen hebben.

 

WWW is de afkorting van World Wide Web, het wereldwijde web, bekend als internet. Velen roemen dit web, anderen kijken er kritisch naar. Weinigen beseffen echter welke macht hierachter staat: die van het apocalyptische Beest, verbonden met het getal 666. Deze tegenkracht probeert op alle mogelijke manieren de spirituele evolutie van de mens tegen te houden. Totale controle, implantatie van de microchip, Big-Brothertechnieken en bewustzijnsmanipulatie behoren tot het scenario, waarin internet een centrale rol speelt. In plaats van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, verbonden
met de ascensie van onze planeet rond 2012, pogen de tegenkrachten een Nieuwe wereldorde te vestigen, waarin de mens tot slaaf geworden is. Dit boek laat op schokkende wijze zien hoe de eens gevallen engelen, bekend als achters', de verborgen krachten zijn achter de huidige wereldsituatie. Door inzicht, bewustwording, licht en liefde kunnen we een tegenwicht vormen tegen deze duistere krachten en zo misschien een wereldcatastrofe voorkomen.

Neem ook even de tijd om het interview, naar aanleiding van dit boek, te bekijken.

 

Een citaat uit de inleiding:

‘Laten we eens aannemen dat alles wat u weet niet alleen onjuist is, maar dat het om zorgvuldig geredigeerde leugens gaat. Laten we eens veronderstellen dat uw geest gevuld is met valse geloofsvisies – over uzelf, de geschiedenis, over de wereld die u omringt – door machtige krachten in uw geest ingeplant, om u zodoende binnen te lokken in de gedienstigheid. Uw vrijheid is daardoor een illusie. U bent een pion in dit complot en uw rol is die van een goedgelovige die zijn positie moet innemen, als u deel uitmaakt van hen die geluk hebben’. (Auteur Charles Paul Freund, in de Washington Post, 19 januari 1992). Stel dat veel van wat we geloven en denken inderdaad onjuist is. Wat zou dat betekenen voor onze spirituele visie op de werkelijkheid? Durven we het aan om radicaal anders naar het leven te gaan kijken? We bevinden ons temidden van grote en ingrijpende planetaire omwentelingen. Dat geeft ons de mogelijkheid ons definitief vrij te maken van het lijden en het kwaad. Zodoende kunnen we de kracht van de liefde leren ervaren. Maar we moeten eerst durven zien waar het kwaad, vandaan komt, dat al zo lange tijd voor intens leed zorgt.
Worden Wij Wakker?

 

Citaat uit het laatste hoofdstuk:

 

Kom, laten we opstaan uit de dodenslaap. Kom, laten we als ster­renkinderen de weg naar de vrijheid kiezen, de tocht der sterren gaan, ons lichtgewaad ontplooien, ontsnappen aan de elektroni­sche tentakels van het Beest. Kom, laten we beseffen dat alles en allen met elkaar verbonden is en dat de grootste kracht van het leven licht en liefde is, twee in één.

Kom, laten we in liefde en licht ons mededogen verspreiden, ja zelfs hen die onze vijanden willen zijn pogen lief te hebben. Hoe moeilijk deze opgave ook is. Maar liefde is de enige kracht die het kwaad tot rust kan brengen. Liefde is de enige kracht die het vuur van tomeloze begeerte tot rust kan brengen. Liefde is de bron van al wat is.

 

Mogen alle levende wezens in dit wonderlijk heelal gelukkig zijn

en in vrede leven.

07. Het Groene Gezicht.

Gustav Meyrink

 

(19 januari 1868 - 4 december 1932)

  

 

Het groene gezicht<br>



Gustav Meyrink
Het groene gezicht
Gustav Meyrink

 

Gustav Meyrink heeft dit boek in 1916 geschreven, dus middenin de Eerste Wereldoorlog. Toch heeft hij met visionaire blik een meesterlijke en realistische beschrijving gegeven van de toestanden zoals die zich in de jaren na die oorlog zouden gaan ontwikkelen.

Meyrink heeft zijn verhaal gesitueerd in het naoorlogse Amsterdam, een tumultueuze stad, die hij op fascinerende wijze beschrijft. Zijn schildering van de toenmalige bruisende Jordaan is onovertroffen en zal door de hedendaagse lezer met een zekere weemoed worden herkend. Maar ook laat Meyrink ons de sfeer proeven van de voorname Hilversumse buitenplaatsen, waar gefortuneerde landgoedeigenaren zich konden verliezen in bespiegelingen over het menselijke gedrag en het menselijke lot.

Centraal in het boek staat de mysterieuze figuur van Chidher, de eeuwig groene, de onsterfelijke, bekend uit vele Arabische, Perzische, Syrische, Ethiopische en Joodse sagen. Chidher is altijd en overal ter wereld onderweg om mensen die in nood verkeren, en die zijn hulp waardig zijn, op beslissende levensmomenten de helpende hand te reiken.

Dat ervaren ook de hoofdfiguren van het boek, die elk een bepaald aspect van Meyrinks filosofie en van zijn boodschap vertegenwoordigen. De lezer verkrijgt hierdoor inzicht in de problematiek van leven en dood en in de diepere zin van het menselijke bestaan. De schrijver wil tot uitdrukking brengen dat het pad van bevrijding een innerlijk pad is, dat alleen kan worden bewandeld door de mens die doordrongen is van het nieuwtestamentische axioma: «Het ik moet ondergaan, op, dat de Andere in mij kan groeien».

Het werk eindigt met een apocalyptische beschrijving van de verwoesting van de verdorven stad Amsterdam, die door een alles vernietigende storm met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar te midden van dood en ondergang heeft het bloeiende appelboompje zich staande weten te houden - als symbool van het eeuwig terugkerende leven.

 

 Het Groene Gezicht kan besteld worden bij de rozekruispers

 


Enkele citaten uit het boek:

Jarenlang schijnt het te stagneren, dan, onverwachts, dikwijls alleen gewekt door een onbelangrijke gebeurtenis, wordt de sluier weg­getrokken en op een goede dag rijst er in ons wezen een tak met rijpe vruchten op waarvan we de bloei nooit bemerkt hebben. En wij be­merken dat wij, zonder het te weten, hoveniers geweest zijn van een boom vol geheimenissen. Had ik mij maar nooit laten verleiden om te geloven dat de een of andere macht buiten mijzelf deze boom zou kunnen oprichten - hoeveel ellende zou mij dan bespaard zijn ge­bleven! Ik was de enige meester over mijn lot - en ik wist het niet! Ik dacht dat ik er weerloos tegenover stond, omdat ik niet in staat was het door daden te veranderen.

**

Omdat een heilige alleen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden. Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren. Door valse deemoed worden ze verblind, zodat ze, als de tijd komt, ontzet achteruit deinzen, als kinderen voor hun eigen spiegelbeeld, en bang zijn dat zij waanzin­nig geworden zijn als zijn gelaat hen aanziet.

**

Het verlangen van de sterfelijke mens de gestalten der bovenaard­sen te aanschouwen, is als een kreet die ook de fantomen uit de on­derwereld wekt, omdat zulk een verlangen niet zuiver is; omdat het hebzucht is, in plaats van verlangen; omdat het in de een of andere vorm wil «nemen» in plaats van te roepen: «leer mij te geven».

Een ieder die de aarde als een gevangenis ervaart, iedere vrome die om verlossing roept, zij allen bezweren onbewust de wereld der gees­ten. Doe jij dat ook. Maar: bewust!

Of er voor hen die het onbewust doen, een onzichtbare hand is, die de moerassen waarin zij onherroepelijk terecht komen, kan om­toveren tot eilanden? Ik weet het niet. Ik wil er niet over strijden ­maar geloven doe ik het niet.

 

Wanneer je op de weg van het ontwaken door het rijk der geesten trekt, zul je langzamerhand gaan inzien dat het slechts gedachten zijn die je plotseling met je ogen kunt zien. Dat is de reden waarom ze je zo vreemd voorkomen, als geestverschijningen; want de taal der vormen is anders dan de taal van het brein.

**

«Wil je naar het rijk der doden gaan om de levenden te zoe­ken?» Chidher Groen stond voor hem, zoals eens in de winkel in de jodenbuurt: in zwarte talaar en met witte krullen langs de slapen. «Denk je dat 'aan gene zijde' de werkelijkheid is? Het is slechts het land van vergankelijk genot voor blinde spookgestalten, zoals de aarde het land is van vergankelijke smart voor blinde dromers. Wie op aarde niet leert 'zien', leert het aan gene zijde zeker niet. Denk je, omdat haar lichaam daar als dood ligt,» hij wees op Eva, «dat ze niet meer uit de doden kan opstaan? Zij is levend, alleen jij bent nog dood. Wie eenmaal levend is geworden, als zij, kan niet meer sterven. Wel echter kan iemand die dood is, als jij, levend worden.»

**

lees hier nog een langere tekst over 'echt ontwaken'

 

08. De Engel van het Westelijk Venster.

Gustav Meyrink

 

 De engel van het westelijk venster<br>

Gustav Meyrink
De engel van het westelijk venster
Gustav Meyrink

 

DE ENGEL VAN HET WESTELIJK VENSTER - Flaptekst.

 

In dit boek wordt door Gustav Meyrink getekend, dat er geen verbinding bestaat en nimmer bestaan kán tussen de mens zoals hij in deze wereld leeft en werkt enerzijds, en God anderzijds. Doordat dit inzicht in het algemeen aan de zich religieus noemende mens ontbreekt, meent hij een engel Gods te zien, meent hij het antwoord op zijn vurig gebed te ontvangen van God, terwijl hij in feite te doen heeft met een engel der duisternis, of wel met een projectie van alles wat in hemzelf leeft.

Zo schept de mens zich engelen van het westelijk venster, waaraan hij zelf te gronde gaat. Zo brengt hij God het kwaad ten laste dat hij zelf schept.

Gustav Meyrink heeft met het schrijven van dit boek een poging gedaan de fouten en de daaruit voortkomende rampzalige gevolgen te schilderen waardoor de naar God zoekende mens zo menigmaal geteisterd wordt, wegens gebrek aan inzicht en ware kennis.

Wie echter, als de hoofdpersoon in het boek, na het gaan van een lange ervaringsweg bewust de binding ondergaat met de straling van de karbonkel met de twaalf vlakken, uit de "droom van de Hoël Dhats", bereikt de bekroning van zijn zoekend streven en wordt opgenomen in het oorspron­kelijke, goddelijke levensveld.

 

ISBN 90 6732 059 5

Dit boek kan besteld worden bij de rozekruispers

 

Een indrukwekkend citaat uit het boek:

 

Opeens: een druk van achteren op mijn schouder. Nee, ik draai mij niet om: geen blik meer naar het westen. De druk is warm als van een mensenhand en doorstroomt mij en doet mij warm en weldadig aan.

Ik behoef mij niet meer om te keren: vóór mij staat Garde­ner, mijn oude vergeten laborant Gardener, die eens met ruzie van mij weggegaan is. Hoe komt die hier nu opeens in het slot ... en op dit ogenblik, juist nu ik Mortlake Castle en de gehele bedrieglijke en bedrogen wereld de rug wil toekeren?

 

Gardener, mijn goede laborant, is wonderlijk gekleed. Hij draagt een witte linnen mantel, waarin ter hoogte van de linkerborst een roodgouden roos geborduurd is. Zij glanst in het licht van de zonnige morgen. En jong, zeer jong is het ge­zicht van Gardener gebleven. Alsof er geen vijfentwintig jaren voorbijgegaan waren sinds wij elkaar voor de laatste keer ge­zien hebben.

 

Glimlachend, met de hartelijkheid van een oude vriend, van een nimmer oud wordende mens, komt hij naar mij toe: «Je bent alleen, John Dee? Waar zijn je vrienden?»

Alle jammer welt in mijn borst omhoog en uit zich in een stroom van tranen. Doch ik kan slechts fluisteren, met hese stem en mat van leed en geslagenheid: «Zij hebben mij verlaten.»

«Gelijk heb je, John Dee, dat je de stervelingen los laat. Al het sterfelijke spreekt met twee monden en de twijfelende moet daardoor wel tot vertwijfeling komen.»

«Ook de onsterfelijken hebben mij verraden.»

«Je hebt gelijk, John Dee; het is noodzakelijk dat de mens óók aan de onsterfelijken gaat twijfelen; zij voeden zich met de offers en de gebeden van de aardse mens en azen daarop als wolven.»

«Dan weet ik niet meer waar God is.» «Zo vergaat het allen die Hem zoeken.» «En die de weg verloren hebben?»

«De weg vindt jou, jij niet de weg. Wij allen hebben ooit de weg verloren, omdat wij hier niet doelloos moeten ronddolen, maar moeten uitgaan om het kleinood te vinden, John Dee.»

«Verdwaald en alleen, zoals je mij thans hier ziet, hoe zal ik dan niet versmachten op de verloren weg?»

«Ben je alleen?»

«Nee, jij bent toch bij mij!»

«Ik ben ...» als een schaduw verdwijnt de gestalte van Gardener.

«Ben jij dus ook slechts bedrog?» komt het reutelend uit mij.

 

Nauwelijks hoorbaar roept een stem uit de verte: «Wie noemt mij een bedrieger?»

«Ik!»

«Wie is ik?»

«Ik!»

«Wie dwingt mij met geweld terug?»

«Ik!»

Wederom staat Gardener duidelijk zichtbaar voor mij. Hij glimlacht tegen mij: »Nu heb je Hem geroepen die je nooit alleen laat, als je verdwaald bent: het ondoorgrondelijke Ik. Bezin je op Hem, die voor jouw blik de vormloze is; op de oer­vorm voor je geweten.»

«Wie ben ik?» zeg ik steunend.

«Je naam is opgetekend, naamloze. Je kenteken, nakome­ling van Roderik, heb je verloren. Daarom ben je nu alleen.»

«Mijn kenteken ...?»

«Dit!» - Gardener haalt uit zijn jas de briefopener, de ver­loren dolk, het kleinood der Dee's, de lans van Hoël Dhat.

«Zo is het,» hoont de laborant en zijn koude lach snijdt mij door de ziel.

«Zo is het, John Dee. Eens het edelste, mannelijke wapen van je voorvader, daarna een gekoesterd, bijgelovig vereerd kleinood van je geslacht, daarna een ordinaire briefopener van de aan lager wal geraakte nakomeling en ten slotte een licht­zinnig misbruikt werktuig van de armzalige kunsten der duisternis, dat lichtzinnig uit de zondigende hand verloren ging. Afgodendienst. Begrijp je, wat ik bedoel? Diep verlaagd is door jou de talisman van een edele tijd; diep, diep ben je gezonken, John Dee.»

 

Haat breekt in mij los; haat, gloeiend als gloeiende lava, vliegt mij naar de keel: «Geef hier die dolk, bedrieger.»

Nauwelijks een haarbreed wijkt de laborant voor mijn on­stuimige greep terug.

«Geef hier, die dolk, dief! Dief! Jij laatste bedrieger, laatste vijand op aarde! Doods ... vijand!»

Het woord blijft steken; mijn adem stokt. Duidelijk voel ik mijn zenuwen in mij als versleten touwen gonzen, trekken, scheuren. Ik voel met griezelige helderziendheid dat het met mij gedaan is.

Een mild lachen wekt mij uit de nevelen van de onmacht, die op de ineenstorting van het bevende lichaam volgde: «God zij dank, John Dee, dat je nu al je vrienden wantrouwt; ook mij. Eindelijk heb je jezelf teruggevonden. Eindelijk, John Dee, zie ik dat je alleen op jezelf vertrouwt. Dat je eindelijk hartstoch­telijk wilt hebben wat het jouwe is.»

 

Ik zink in de kussens terug en voel mij op wonderlijke wijze overwonnen. Ik adem langzaam en licht en stamel: «Vriend, geef mij mijn eigendom terug.»

«Hier!» zegt Gardener en overhandigt mij de dolk. Haastig grijp ik ernaar, als - als een stervende naar het sacrament. Ik grijp in de lucht. Gardener staat voor mij. De dolk in zijn hand fonkelt in het heldere morgenlicht, zo werkelijk als mijn eigen bloedeloze, sidderende hand in het zonlicht te zien is... maar ik kan de dolk niet grijpen.

Zacht zegt Gardener: «Je ziet: jouw dolk is niet van deze wereld.»

«Wanneer... waar... kan ik hem... grijpen?»

«Daarboven, als je hem daar zoekt. Daarboven, als je hem dan niet vergeten hebt.»

«Help mij dan, vriend, opdat ik... niet... ver...geet.»

 

09. De Witte Dominicaan.

Gustav Meyrink

 

Flaptekst.

De auteur toont zich in dit boek een mens die, op basis van eigen ervaringsbewustzijn, de komende wereldrevolte niet alleen helder onderkende, doch die er tevens de diepere zin van doorgrondde. Op overweldigende wijze beschrijft Meyrink hoe de ik-figuur het “mens ken uzelf” leert verstaan en hoe de consequente toepassing van dit sleutelwoord onontkoombaar leidt tot het juiste begrip van het doel van het gehele mensheidsbestaan in deze wereld. Het doel dat besloten ligt in de woorden van Johannes: “ik moet minder worden, opdat de ander in mij kan wassen”. Dit is de persoonlijkheidsverwisseling, de transfiguratie, die vooraf dient te gaan, wil de bevrijding van de mens uit deze natuurorde tot een feit worden.

 

Uittreksel.

In die nacht had ik een zonderlinge ervaring. Anderen zouden het een droom noemen, want voor alles wat de mensen tijdens de slaap beleven, kennen zij geen andere dan deze ontoereikende aanduiding.

 

Ik droomde eerst - zo begon het - dat ik levend was begraven en handen noch voeten kon bewegen; daarop voelde ik mijn borst geweldig ademhalen, waardoor het deksel van mijn kist openging. Ik liep op een eenzame, witte landweg, die nog vreselijker was dan het graf waaruit ik was opgestaan, want ik wist dat er aan deze weg nooit een eind kwam. Ik verlangde terug naar mijn doodkist, die toen ook dadelijk recht over de straat klaarstond.

Zij was zacht om aan te voelen, zoals vlees, en zij had armen en benen en voeten zoals een lijk. Toen ik erin stapte, bemerkte ik dat ik geen schaduw wierp, en toen ik mezelf onderzoekend bekeek, had ik geen lichaam; ik voelde naar mijn ogen, maar ik had geen ogen; en kijkend naar mijn voelende tastende handen zag ik geen handen.

Op het moment dat het deksel van de doodkist zich langzaam boven mij sloot, was het alsof mijn denken en voelen als wandelaar op de witte landweg die van een oeroude, doch ongebogen man waren geweest. Maar toen het deksel bijna was gesloten, verdween dat zoals water­damp vervluchtigt en bleef alleen de halfblinde, halfdoffe denkwijze achter, die de hersens gewoonlijk vulde van die opgeschoten jongen die ik was en die als een vreemdeling in het leven stond.

Toen het deksel in het slot viel, ontwaakte ik in mijn bed. Dat wil zeggen, ik dacht dat ik ontwaakte.

Het was nog donker, maar ik bemerkte aan de bedwel­mende lucht van de vlierboom, die door het open venster de kamer binnendrong, dat de eerste adem van de aanbre­kende morgen uit de aarde opsteeg en dat het voor mij hoog tijd was om de lantarens in de stad te gaan doven. Ik pakte mijn stok en ging al tastend de trap af. Nadat ik mijn werk had volbracht ging ik de brug over en beklom een berg; iedere steen langs de weg kwam mij bekend voor, en toch kon ik mij niet herinneren dat ik er ooit was geweest.

Op de bedauwde velden, die er in de schemerschijn van de lucht nog zwartgroen uitzagen, groeiden alpenbloemen, sneeuwvlokkig wolgras en allerlei kruiden.

Plotseling opende de hemel zich aan de verre rand der uitgestrektheid en het levende bloed van het morgenrood goot zich uit over de wolken.

Blauw-glinsterende kevers en grote vliegen met glazige vleugels stegen gonzend, als door een onhoorbare tover­roep gewekt, plotseling van de aarde op en bleven op mensenhoogte zonder enige verdere beweging met de kop­jes gekeerd naar de ontwakende zon in de lucht zweven.

Een rilling van diepe, innige aandoening ging door mijn lichaam, toen ik dit zwijgende, grootse gebed der schep­ping zag en voelde en begreep.

Ik keerde mij om en ging weer naar de stad. Mijn schaduwbeeld, reusachtig groot, zijn voeten onafscheidelijk verbonden aan de mijne, gleed mij vooruit.

De schaduw, de band die ons aan de aarde bindt, dat zwarte spook dat van ons uitgaat en de in ons wonende dood verraadt wanneer een licht het lichaam treft.

De straten van de stad waren helder verlicht.

De kinderen gingen druk pratend en spelend naar school.

 

 

Ik schrok. Gisteravond was het toch winter, hoe kan het dan vanmorgen zomer zijn?! Slaap ik, ben ik een slaapwandelaar? Ik keek op naar de lantarens. Ze waren uit - wie anders dan ik had ze kunnen doven? Ik was dus wel levend, als ik ze had uitgedraaid! Maar misschien ben ik nu dood en heb ik het werkelijk ondervonden dat ik in de doodkist lag; wellicht was het geen droom! Ik wilde de proef nemen en liep naar een schooljongen en vroeg hem: 'Ken je mij? ' Maar hij gaf geen antwoord en liep door mij heen als door enkel lucht.

'Ik ben dus dood,' zei ik kalm tot mezelf, 'en moet dan maar gauw, voordat ik tot ontbinding overga, mijn lanta­renstok thuis afgeven.' Mijn plichtsgevoel vermaande mij en ik ging de trap op naar mijn pleegvader.

Binnen in zijn kamer viel de stok uit mijn handen, wat veel leven maakte.

De baron hoorde het - hij zat in zijn leunstoel -, draaide zich om en zei: 'Zo, ben je daar eindelijk! '

Het deed mij genoegen dat hij mij opmerkte, want ik maakte daaruit op dat ik dus onmogelijk dood kon zijn.

 

 

De baron bemerkte mijn gedachten en lachte.

'Je was op de berg, hè? ' Zo begon hij en wees naar de bloemen in mijn zak, die ik onderweg had geplukt.

Ik begon me stamelend te verontschuldigen, maar hij wenkte me vriendelijk toe en zei: 'Ik weet dat het daarbo­ven heel mooi is; ik ga er ook vaak heen. Jij bent er ook al dikwijls geweest, maar je hebt het altijd weer vergeten; jonge hersens bewaren niets, het bloed is nog te heet. Het wast de herinnering weg. Heeft de wandeling je vermoeid? '

'Die op de berg niet, maar de wandeling op de witte landweg wel,' zei ik, nieuwsgierig om te horen of hij daarvan iets wist.

'Ja, ja, de witte landweg! ' mompelde hij nadenkend, 'die kunnen weinigen verdragen. Alleen iemand die daar­voor geboren is. Omdat ik dat indertijd aan jou bemerkte - toen, in het vondelingenhuis - heb ik je bij me geno­men. De meeste mensen zijn banger voor die landweg dan voor het graf. Zij gaan liever weer in de doodkist liggen, want zij denken: Dat is dood-zijn en dan hebben we rust. In werkelijkheid echter is die doodkist het leven, het vlees. Dat iemand op aarde wordt geboren, betekent niets anders dan dat hij levend wordt begraven! Maar het is beter dat men op de witte landweg leert wandelen. Men moet alleen niet aan het einde van die weg denken, anders houdt men het niet uit, want deze weg heeft geen eind. Hij is oneindig. De zon op de berg is eeuwig. Eeuwigheid en oneindigheid zijn tweeërlei. Alleen voor hem, die in de oneindigheid de eeuwigheid zoekt en niet het "einde", alleen voor hem zijn oneindigheid en eeuwigheid dezelfde. Het gaan op de witte landweg moet men doen om het gaan zelf, uit plezier in het wandelen, niet om een vergankelijke rust met een andere te verwisselen.

'Rust - niet stilstand, niet niets-doen - is slechts in de zon op de berg. Zij staat stil en alles draait om haar. Reeds haar voorbode, het morgenrood, straalt eeuwigheid uit; daarom aanbidden de kevers en de vliegen het en blijven zij zo stil in de lucht wachten op het verschijnen van de zon. Daarom ben jij niet moe geworden, toen je de berg hebt beklommen.

'Heb je,' vroeg hij plotseling en keek me daarbij scherp aan, 'heb je de zon gezien? '

'Nee, vader, ik ben teruggekeerd voordat ze opging.'

Hij knikte goedkeurend. 'Dat is goed. Anders zouden wij niets meer met elkaar te doen hebben gehad,' liet hij er zacht op volgen.

'En ging je schaduw je vooruit naar het dal? '

'Ja, natuurlijk’ ...

Hij hoorde mijn verwonderd antwoord niet.

'Hij die de zon ziet,' ging hij voort, 'wil alleen nog de eeuwigheid. Hij is verloren voor het wandelen. Zij zijn de kerkheiligen. Wanneer een heilige overgaat, zijn de wereld en ook het andere voor hem verloren; zij zijn zonder hem achtergebleven. Je weet wat het is een vondeling te zijn ­bereid anderen niet een dergelijk lot, vader noch moeder te hebben! Wandel! Steek lantarens aan, totdat de zon van­zelf komt! '

'Ja! ' stamelde ik en dacht vol afkeer aan de vreselijke, witte landweg.

'Weet je wat het betekent dat je je weer in de kist hebt gelegd? '

'Nee, vader.'

'Het betekent dat je nog een poos het lot moet delen van hen die levend begraven zijn.'

 

 

Enige ogenblikken lang zwegen wij; toen riep ik plotse­ling uit:

'Maar dat is verschrikkelijk! Om levend begraven te zijn! '

'Niets, mijn jongen, is verschrikkelijk dat men doet om zijn ziel. Ikzelf ben soms ook nog levend begraven. Dik­wijls ben ik op aarde samen geweest met mensen, die in ellende en jammer verkeerden en zich bitter beklaagden over het onrecht van het noodlot. Sommigen hadden troost gezocht in de leer die uit Azië is overgewaaid - de leer van karma of van de wedervergelding -, die beweert dat niemand enig leed kan overkomen, waartoe in een vroeger bestaan niet de grond is gelegd. Anderen zochten troost in het dogma van de onnaspeurlijkheid van Gods raadsbesluiten. Maar werkelijke troost gevonden heeft niemand van hen.

'Voor zulke mensen heb ik een lantaren aangestoken, door hun gedachten in te geven' - hij lachte bijna bitter, maar bleef toch vriendelijk als altijd - 'en zij meenden dat zij deze gedachten van zichzelf hadden. Ik stelde hun namelijk de vraag: "Zoudt gij willen aannemen om heden­nacht te dromen, zó duidelijk alsof het werkelijkheid was, dat gij duizend jaar diep armoedig zijt, als gij de zekerheid had dat gij de volgende morgen als beloning daarvoor een zak vol goud voor uw deur vond?"

'En het antwoord luidde altijd: "Ja! Natuurlijk! "

"Beklaag u dan niet over uw lot. Weet ge of ge deze zware moeilijke droom, die hoogstens een goede zeventig jaar kan duren, niet zelf hebt gekozen in de hoop dat ge bij het ontwaken iets zult vinden dat veel mooier en veel heerlijker is dan een zak vol ellendig goud? Heus, iemand die een God met onnaspeurlijke raadsbesluiten zaait, zal eens een vreselijke duivel oogsten. Neem het leven wat kalmer op, beschouw het niet zo zwaar, niet zo gewichtig, dan zult ge er spoedig veel beter tegenover staan - dan kan de droom tot leidsman worden, in plaats dat die nu, gewikkeld in de lorren en prullen van het dagelijkse leven, een bonte, harlekijnachtige dwaas voor u blijft..."

'Hoor eens, mijn jongen, er bestaat geen ledige ruimte. In deze zin ligt het geheim verborgen, dat ieder moet zoeken te onthullen, die van vergankelijk dier tot onsterfe­lijk bewustzijn wil worden. Maar men moet de zin van de woorden niet alleen toepassen op de uitwendige natuur, anders blijft men gebonden aan de grove aarde. Men moet deze zin gebruiken als een sleutel die het geestelijke terrein ontsluit; men moet deze zin omzetten in de goede beteke­nis! Kijk eens: iemand wil gaan reizen, gaan trekken, maar de aarde houdt zijn voeten vast; wat zal er nu gebeuren als zijn wil om te reizen en te trekken niet verlamt? Zijn scheppende geest - de oerkracht, die hem bij de aanvang is ingeblazen - zal andere wegen uitvinden waarlangs hij kan gaan, en dát in hem, wat geen voeten nodig heeft om te gaan, zal reizen in weerwil van de aarde, in weerwil van alle mogelijke hindernissen.

'De scheppende wil, het goddelijke erfdeel in de mens, is een zuigende kracht; dit zuigen moet - begrijp dit in overdrachtelijke zin! - een ledige ruimte veroorzaken in de ruimte van de oorzaken, wanneer tenminste op de uiting van de wil niet de vervulling volgt. Kijk eens, daar is iemand ziek, maar hij wil gezond worden. Zolang hij nu zijn toevlucht neemt tot medicijnen, zolang verlamt hij iedere kracht van de geest, die sneller en beter gezond maakt dan alle medicijnen. Het is precies als wanneer iemand met de linkerhand wil leren schrijven; als hij zich altijd alleen van de rechter bedient, zal hij het met de linker nooit leren. Alles wat in ons leven gebeurt heeft zijn doel; zin-loos is er niets; een ziekte die een mens aangrijpt, stelt hem voor deze taak: verdrijf mij door de kracht van de geest, opdat de kracht van uw geest sterker worde en weer zal gaan heersen over de stoffelijkheid, zoals zij dat heeft gedaan voor de "zondeval". Die dat nu niet wil en zich tevreden stelt met medicijnen, die heeft de bedoeling van het leven niet begrepen; hij is een kleine jongen, die blijft spelen in plaats van naar school te gaan.

'Hij die echter niet verslapt in het geven van bevelen met de maarschalksstaf van de geest, en de grovere wapens der gemene soldaten minacht, die zal altijd opnieuw opstaan; hoe dikwijls de dood hem ook moge neerslaan, eindelijk zal hij toch koning zijn! Daarom moet de mens nooit verslappen op de weg tot het doel dat hij zich heeft voorgesteld; zoals de slaap slechts een korte rustpoos is, zo is de dood dat eveneens. Men begint een werk niet om het op te geven, maar om het te voleinden. Een werk dat eenmaal is begonnen, al is het schijnbaar nog zo onbelang­rijk om het half gedaan te laten liggen, vergiftigt en bederft de wil, zoals een onbegraven lijk de lucht van een geheel huis verpest.

'Wij leven slechts voor de volmaking van onze ziel; wie dit doel voortdurend in het oog houdt, er altijd aan denkt en het immer voelt zo dikwijls hij iets begint of besluit, die zal spoedig een zekere kalmte verkrijgen en op een onbe­grijpelijke wijze zal zijn lot veranderen. Voor hem die arbeidt als een onsterfelijke - niet om iets te verkrijgen dat hij wenst te bezitten (dat is een doel voor geestelijk blin­den), maar om de opbouw van de tempel van zijn ziel ­die zal de dag zien, al zij het ook na duizenden jaren, waarop hij kan zeggen: Ik wil en het is er; wat ik beveel, dat geschiedt en heeft niet meer de tijd nodig om langzaam rijp te worden.

'Dan is het tijdstip aangebroken waarop de lange reis ten einde is. Dan kunt ge de zon in haar gelaat zien, zonder dat uw oog erdoor verduistert. Dan kunt ge zeggen: Ik heb een doel gevonden, omdat ik er geen heb gezocht.

'Tegenover zo iemand zullen de heiligen arm zijn aan ervaring, want zij zullen niet weten wat de ander weet: dat eeuwigheid en rust hetzelfde kan zijn als reizen en onein­digheid.'

 

De laatste woorden gingen mijn begrip verre te boven; eerst veel later, toen mijn bloed wat afgekoeld en mijn lichaam krachtig was, werden ze duidelijk en levend voor mij.

 

Dit boek kan besteld worden bij uitgeverij Rozekruispers

 

10. Het boek van Mirdad

 

Mikhaïl Naimy

(1889-1988)

Het boek van Mirdad<br>


M. Naimy
Het boek van Mirdad
M. Naimy
  

 

«Men steekt geen lamp aan om haar onder een korenmaat te zetten, maar men zet haar op de kandelaar, zodat zij licht uitstraalt voor allen die in huis zijn» (Mattheüs 5:15).

Een begenadigd mens als Mikhaïl Naimy, de auteur van Het Boek van Mirdad, heeft zich, te oordelen naar de inhoud van zijn werk, dit woord van Christus, op de berg tot zijn discipelen gesproken, ter harte genomen en in dit boek de volle rijkdom van hetgeen het leven hem aan verlicht inzicht heeft geschonken aan de mensheid ter beschikking gesteld.

In onze tijd van duisternis en verwording, van verblinde haat en dreigende zelfvernietiging, houdt Het Boek van Mirdad de fakkel van het Universele Licht aan de zoekende mensheid voor, in klare, dichterlijke taal, in schone, veelzijdige beeldenrijkdom, doorstraald van de milde, allesomvattende liefde, die de oerbron bewijst van waaruit de auteur zijn getuigenis spreekt.


Als steeds wanneer de Universele Leer wordt verkondigd, als steeds wanneer de aloude weg ter verlossing wordt gewezen, is de eis die gesteld wordt volstrekt: het is de signatuur van de levende waarheid. Daarom richt de auteur zich nadrukkelijk tot hen «die naar de overwinning hunkeren», tot hen die innerlijk gedreven worden het verlossende licht te zoeken, omdat zij, hoe vaag en onbestemd wellicht ook, toch in  hun diepste wezen weten dat dit licht in het hier en het nu te vinden is, dat verlossing hier en nu mogelijk is. Voor dezulken is Het Boek van Mirdad bestemd. En, voegt de auteur eraan toe: «dat alle anderen er verre van blijven!»


De Gnostieke Broederschap van de Westerse Mysterieschool, die optreedt onder de naam Lectorium Rosicrucianum, heeft, evenals Mirdad, haar ark gebouwd en toegerust en ook haar thuisreis is aangevangen. Haar uitgeverij, de Rozekruis Pers, brengt hierbij met vreugde en dankbaarheid Het Boek van Mirdad onder het bereik van het Nederlandse taalgebied. Zij die oren hebben die kunnen horen, zullen door dit werk gesterkt worden in het weten dat de Weg, de Waarheid en het Leven openstaan voor allen die bereid zijn de prijs ervoor te betalen: «Wie zijn leven zal willen verliezen om mijnentwil, die zal het vinden».

 

De schrijver, Mikhaïl Naimy (1889-1988), geboren in Libanon en jarenlang bevriend met Kahlil Gibran (schrijver van onder andere 'De Profeet'), legt in dit boek getuigenis af van een grote mensenliefde en een diep inzicht in de gnostieke Universele Leer. Hij doet dit door middel van dialogen en monologen waarin Mirdad, de 'Meester', voor en met zijn volgelingen een 'Ark' bouwt, dat wil zeggen een groep vormt van bevrijden die alle mensen die eveneens bevrijding zoeken, de weg wijst naar de Waarheid en het Leven. Door het prachtige taalgebruik en de grote beeldenrijkdom een fascinerend boek, waarin op overtuigende wijze wordt afgerekend met de barrières die dogma's en wederzijdse vooroordelen inzake andermans geloofsovertuiging, opwerpen. Met recht luidt de subtitel: 'Een vuurtoren en een veilige haven voor hen die hunkeren naar de overwinning'.

(Biblion recensie, B. Klijnveld.)

 

Het boek van Mirdad kan besteld worden bij de rozekruispers

 

Uittreksel: Het grote heimwee

 

Mirdad: Het grote heimwee is als een nevel. Uitgaande van het hart sluit het het hart buiten, zoals een nevel uitgaande van land en zee zowel de zee als het land uitwist. En zoals de nevel het oog berooft van de zichtbare werkelijkheid en zich tot de enige werkelijkheid maakt, onderwerpt dit heimwee de gevoelens van het hart en maakt zich tot een al­lesoverheersend gevoel. En hoewel schijnbaar even vorm­loos, blind en doelloos als de nevel, is het toch, evenals de nevel, vervuld van ongeboren vormen, daarbij helder van gezicht en heeft het een zeer bepaald doel.

 

Het grote heimwee is ook als een koorts. Zoals koorts door het lichaam te verhitten de vitaliteit ervan verzwakt, maar tevens de gifstoffen in het lichaam doet verbranden, zo verzwakt dit heimwee dat uit een innerlijk conflict in het hart geboren wordt het hart, maar tevens verteert het de droesem ervan en alles wat overbodig is.

 

Het grote heimwee is ook als een dief Zoals een dief al stelend zijn slachtoffer van een last bevrijdt, hoewel hij hem verbitterd achterlaat, neemt ook dit heimwee heimelijk alle lasten weg van het hart, maar laat het troosteloos en bezwaard achter vanwege de volkomen afwezigheid van iedere last.

Breed en groen is de oever, waar mannen en vrouwen hun voorbijgaande dagen weg-dansen, weg-zingen, weg-zwoegen en weg-wenen. Maar vreeslijk is de vuur en rook brakende stier die hun voeten blokkeert en hen op de knieën doet vallen, hun liederen weer in hun stembanden terugjaagt en hun gezwollen oogleden met hun tranen toesluit.

 

Breed en diep is de rivier die hen van de andere oever scheidt. Zij kunnen er niet overheen zwemmen, roeien of varen. Weinigen, zeer weinigen van hen wagen het hem te overbruggen met een gedachte. Maar allen, vrijwel allen, ver­langen hevig op hun oever te blijven, waar iedereen voortgaat zijn zo geliefde wiel rollend te houden.

 

De mens met het grote heimwee heeft geen lievelingswiel om te rollen. Te midden van een wereld die gespannen en jachtig bezig is, is alleen hij zonder bezigheid en zonder haast. Bij een mensheid zo keurig van kledij, van taal en van manieren, voelt hij zich als naakt, onbeholpen en een hakke­laar.

Hij kan niet lachen met de lachers, en niet wenen met de wenenden. De mensen eten en drinken en hebben plezier in eten en drinken. Hij eet zonder dat zijn tong gestreeld wordt en zijn drinken smaakt hem flauw.

 

Anderen leven in paren of proberen zich tot paren te vormen. Hij loopt alleen, slaapt alleen en droomt zijn dromen alleen. Anderen zijn rijk aan werelds vernuft en we­reldse wijsheid; hij alleen is dom en onwijs. Anderen hebben gezellige hoekjes die zij hun tehuis noemen; hij alleen is zonder tehuis. Anderen hebben bepaalde plaatsen op aarde die zij vaderland noemen en waarvan zij met luide stem de roem verkondigen; hij alleen heeft geen plaats om te bezin­gen en haar zijn vaderland te noemen. Want het oog van zijn hart is op de andere oever gericht.

 

Een slaapwandelaar is de mens met het grote heimwee, in een wereld die schijnbaar zo helder wakker is. Hij wordt ge­trokken door een droom die zij die rondom hem zijn niet zien en niet voelen. Daarom halen zij hun schouders op en maken zich vrolijk over hem. Maar als de god van de vrees - de vuur en rook brakende stier - ten tonele verschijnt, moeten zij in het stof bijten, terwijl de slaapwandelaar, over wie zij hun schouders ophaalden en zich vrolijk maakten, op de vleuge­len van het geloof boven hen en hun stier wordt uitgetild en hoog over de andere oever heen naar de voet van de woeste berg wordt gedragen.

 

Dor, woest en troosteloos is de streek waarover de slaap­wandelaar vliegt. Maar de vleugelen van het geloof zijn sterk en de man vliegt voort.

Somber, kaal, en huiveringwekkend is de berg aan welks voet hij neerkomt. Maar het hart van het geloof weet van aar­zelen noch wijken en het hart van de man klopt onvervaard voort.

Rotsachtig, glibberig en nauwelijks te onderscheiden is het spoor dat hij bergopwaarts volgt. Maar zacht als zijde is de hand en vast de voet en scherp het oog van het geloof en de man klimt verder.

 

Op zijn weg ontmoet hij mannen en vrouwen die zich met grote inspanning tegen de berg opwerken langs een brede, vlakke weg. Dat zijn de mensen van het kleine heimwee die vurig verlangen de top te bereiken, maar met een lamme, blinde gids. Hun gids is hun geloof in wat het oog kan zien, het oor kan horen, de hand kan voelen en de neus en de tong kunnen ruiken en proeven. Sommigen van hen komen niet hoger dan de enkels van de berg; anderen klimmen tot zijn knieën; weer anderen tot zijn heupen en zeer weinigen tot zijn gordel. Maar allen glijden met hun gids terug en tuime­len langs de berg omlaag, zonder ook maar een glimp van de prachtige top gezien te hebben.

 

Kan het oog alles zien wat er te zien is en het oor alles horen wat er te horen is? Kan de hand alles voelen wat er te voelen is en de neus alles ruiken wat er te ruiken is? Of kan de tong alles proeven wat er te proeven is? Eerst als geloof, uit de goddelijke verbeelding geboren, de zintuigen te hulp komt, zullen zij werkelijk waarnemen en ladders worden naar de top.

 

Zintuigen verstoken van geloof zijn hoogst onbetrouw­bare gidsen. Ofschoon hun weg vlak en breed schijnt, is hij toch vol verborgen voetangels en klemmen. Zij die deze weg kiezen voor een opgang naar de top van de vrijheid komen onderweg om, of glijden uit en tuimelen terug naar de plaats waar zij hun tocht begonnen. En daar wordt menig gebroken been gespalkt en menige gapende wond gehecht.

 

De mensen met het kleine heimwee zijn zij die, als zij met hun zintuigen een wereld hebben opgebouwd, deze alras klein en benauwd gaan vinden en dan naar een ruimer en frisser tehuis verlangen. Maar in plaats van nieuwe materia­len te zoeken en een nieuwe meester-bouwer, scharrelen zij de oude materialen bij elkaar en wenden zich tot dezelfde ar­chitect - de zintuigen - om het ruime re tehuis voor hen te ontwerpen en te bouwen. Nauwelijks is het nieuwe bouwsel gereed, of zij vinden het even klein en benauwd als het oude. Zo gaan zij voort met afbreken en opbouwen, en slagen er nimmer in het tehuis te bouwen dat hun het gerief en de vrij­heid geeft waarnaar zij hunkeren, want zij vertrouwen erop dat hun bedriegers hen tegen bedrog zullen vrijwaren. Evenals de vis, die uit de bakpan in het vuur springt, ont­vluchten zij een kleine waan om zich door een grotere te laten vangen.

 

Tussen de mensen van het grote en die van het kleine heimwee bevinden zich de onmetelijke kudden konijnen­mensen die in het geheel geen heimwee voelen. Zij vergenoe­gen zich ermee hun holen te graven, daarin te leven en er zich voort te planten en te sterven. Zij vinden hun holen uitermate elegant, ruim en warm en zouden ze niet voor de weelde en pracht van een koninklijk paleis willen ruilen. En zij grinni­ken om alle slaapwandelaars, vooral om hen die een eenzaam spoor volgen waar slechts weinig, moeilijk zicht­bare voetafdrukken voorkomen.

 

Als een adelaar die bij een kip van een achtererf is uitge­broed en met het broedsel van die kip wordt opgesloten, zo is de mens met het grote heimwee te midden van zijn mede­mensen. Zijn kuikenbroertjes en zijn kippenmoeder zouden willen dat hij als een van de hunnen was, dat hij hun aard en gewoonten deelde en leefde zoals zij. En hij zou willen dat zij evenals hij droomden van de wijde, onbegrensde lucht.

 

'Spoedig echter ontdekt hij een vreemdeling en een paria onder hen te zijn en hij wordt door allen, zelfs door zijn moeder, gepikt. Maar de roep van de bergtoppen weerklinkt luid in zijn bloed, en de stank van de kippenren is een kwel­ling voor zijn neus. Toch verdraagt hij dit alles in stilte, tot zijn verentooi volledig is. Dan verheft hij zich in de lucht en werpt een liefdevolle blik ten afscheid op zijn voormalige broers en hun moeder die vrolijk voortgaan met kakelen, terwijl zij in de aarde wroeten naar meer zaad en meer wormen.

 

Verheug u, Micayon! Uw droom is een profetische droom. Het grote heimwee heeft uw wereld te klein gemaakt en u een vreemdeling in die wereld doen worden. Het heeft uw voorstel­lingsvermogen vrijgemaakt van de greep van de despotische zintuigen en het voorstellingsvermogen heeft u het geloof ge­schonken.

Het geloof zal u hoog uittillen boven de stilstaande, be­nauwde wereld, en u over de sombere leegte heen dragen tot op de woeste berg, waar ieder geloof noodzakelijk op de proef gesteld en van de laatste droesem van twijfel gereinigd moet worden.

Het zo gereinigde, overwinnende geloof zal u voeren tot aan de grenzen van de eeuwig groene top en u daar overge­ven aan de handen van het inzicht. Dan zal het geloof dat zijn taak volbracht heeft, zich terugtrekken en zal inzicht uw schreden leiden tot de onuitsprekelijke vrijheid van de top ­het ware, grenzeloze, allesomvattende tehuis van God en de overwinnende mens.

Wees standvastig in de beproeving, Micayon. Wees u allen standvastig. Om slechts één ogenblik op die top te mogen staan is ieder lijden waard. Maar om eeuwig op die top te wonen is de eeuwigheid waard.

 

Himbal: Zou u ons niet nu tot uw top willen opheffen, zodat wij er een enkele blik, hoe kort ook, op zouden kunnen slaan?

Mirdad: Wees niet overhaastig, Himbal en beid uw tijd. Waar ik vrij adem, snakt u naar adem. Waar ik met lichte voet ga, hijgt en strompelt u. Houd u vast aan het geloof ­en het geloof zal het geweldige werkstuk voleindigen.

Zo leerde ik Noach.

Zo leer ik u.

 

 

11. De Steen der Wijzen.

J. Anker Larsen.

 

            

Uit het Deens vertaald door A. en E. Huber.

Bekroond ingevolge de door den ‘Gyldendalske Boghandel’ uitgeschreven prijsvraag naar den besten Deenschen of Noorschen roman, uit te geven in 1923.

 

Over de auteur: Johannes Anker Larsen (1874-1957)

J. Anker Larsen.

 

 

Recensie van Henri Borel (1869-1933)  in "Het Vaderland":

"De Steen der Wijzen is niet vatbaar voor 'n kort résumé of zelfs maar om' naverteld te worden. Het proces in de zielen dezer menschen is zoo subtiel en mystiek, dat er geen fragmenten kunnen worden gegeven, zóó ijl en toch sterk hangt alles aan elkaar. Het is echter in één korte definitie samen te vatten: het zoeken van den modernen mensch naar God, en de ontzettende gevaren daarvan, omdat hij er als brandpunt in staat van een gruwelijken strijd tusschen de lichte en duistere machten. Denk niet dat De Steen der Wijzen een zoogenaamd vroom, stichtend boek is. De diepste vernederingen volgen erin op de hoogste verheffingen. Zoodra de duistere machten, staat er terecht in, zien,dat een ziel streeft naar het hoogste geestelijke, vallen zij hem aan met een genadelooze wreedheid en listigheid, die des duivels is"            "Ik ben gewoon, in boeken passages of gezegden, die mij bijzonder treffen, aan te strepen, maar in De Steen der Wijzen was ik voortdurend aan het aanstrepen, ik kon wel aan den gang blijven. Het staat vol van de gewichtigste, schoonste waarheden".      "… Toch blijft er een schat van wereldwijsheid en dichterlijkheid over die werkelijk De Steen der Wijzen waard maakt een boek voor alle landen en volken te worden. De Nederlandsche vertaling lijkt mij voortreffelijk..."

 

 

Uittreksel:

De zwarte.

 

                Er klonk een zacht gelach vlak bij zijn oor. Hij keerde zich om en staarde de kamer in. Een koude rilling ging door zijn lichaam, want nu zag hij dengene, die altijd op hem zat te wachten.

                Hij zag hem en herkende hem. Het was immers de zwarte gedaante, die "de scheeve" in haar hysterische helderziend­heid gezien had. De zelfde verlammende, giftige atmosfeer als toenmaals, ging van hem uit.

                Hij zag hem duidelijk, want het was licht in de kamer, geen daglicht en geen lamplicht, maar een heel ander soort licht, dat heel natuurlijk scheen, hoewel het niet de kamer, maar slechts de lucht daarbinnen, verlichtte.

                De gedaante was zwart, gehuld in een giftige stof, die aan roet deed denken en dicht om de gedaante sloot, als de vacht om een zwarte kat. Het gezicht drukte wilskracht uit, spottende kwaadaardigheid en sluwheid; de trekken zelf waren bijna mooi, veredeld, als men het zoo noemen kan, door een intelligente wreedheid.

                De gedaante scheen zijn gedachten te lezen; hij beant­woordde ze, zoodra zij in hem opkwamen.

                "Ja, ik ben het," zei hij. De stem scheen de lucht niet als medium te gebruiken; ze klonk duidelijk, maar zonder gedruisch, als het ware zonder geluid, in Dahls oor.

                "Ik ben het heusch. De laatste keer hield ik mij een weinig achteraf, u was toen wat erg dicht bij een ondervinding, die u een niet geringe kracht gegeven had.

                Dien keer verschalkte u ons. Zij stierf inderdaad als "zichzelf". Enfin - het was trouwens een tamelijk magere buit, dien de "hoogere machten", zooals u ze noemt, kregen. Wij hadden haar van te voren toch al danig geplukt.

                Of ik die machten ook als "hooger" erken? Dat zou ik niet al te best kunnen, aangezien wij ze met niet gering succes bestrijden.

                Ja, kijk eens, nu probeert u een echt moderne truc: zulke wezens als ik bestaan in het geheel niet. Ik zou natuurlijk kunnen antwoorden, dat u me ziet en ook hoort, maar u kunt zich heel juist dekken achter het postulaat, dat ik een hallucinatie ben. Ik geloof intusschen, dat het mij spoedig gelukken zal u te doen begrijpen, dat ik werkelijk besta. U gelooft immers - in ieder geval zoo'n beetje - aan het bestaan van de "hoogere machten". Ik kan hun "hoogheid" niet erkennen, maar gemakshalve zal ik de onder de men­schen gangbare benaming gebruiken. Velen van u gelooven immers aan beschermengelen. Ik zal er wel voor oppassen om dat geloof te versterken; daarentegen kan ik u verzekeren dat u hebt, wat men een "beschermduivel" zou kunnen noemen, die u vele goede ingevingen bezorgt.

                Of ik de uwe ben? Neen, ik heb niet de eer. Ik hoor in eenigszins hoogere rangen thuis, maar ben intusschen aan u geattacheerd van wege een zekere gebeurtenis, die onze opmerkzaamheid op u gevestigd heeft.

                Ik zal het u ronduit zeggen: wij kunnen niet hebben, dat de zoogenaamde "goddelijke liefde", zich onder de menschen manifesteert.

                Of ik haar bestaan ook erken? Beware me, helaas wel. Maar ik vind haar alleen maar niet "goddelijk". Juist net het tegenovergestelde. - Waarom ?- Ja, kijk eens, wanneer zij goddelijk was, dan moest zij toch in den strijd overwinnen, maar dat doet zij niet.

                Je moet namelijk weten - permitteer me, dat ik nu al jij zeg: ik hoop tenslotte op een vertrouwelijke vriendschap.

                Neen, laat die inspanningen maar! Je kunt mij toch niet weg dwingen. Ik heb helpers achter mij.

                Er staat hier een heel heirleger, dat mij kracht toevoert­ - ook voor het geval, dat de vijand zou trachten je te hulp te komen, als toenmaals, toen je "de andere" uit "de scheeve" verjoeg. Je herinnert je nog wel de versterking, die tot je kwam, juist toen het er het meest opaan kwam? Laat dat maar! Het zal hier toch gaan zooals altijd: wij zijn het, die overwinnen.

                Kijk maar om je heen in het leven. Strijden niet alle menschen voor het goede? (Ik gebruik jullie terminologie, hoewel die mij tegenstaat). Wie zorgt er dan voor, dat de resultaten "slecht" worden? Dat doen wij! Zoowel in het kleine, als in het groote. Denk je eens twee vrienden, die alles voor elkaar over hebben. Op zekeren dag zegt de eene toevallig een kleinigheid, die den andere juist op een teere plek raakt. De kwestie had in een oogenblik bijgelegd kunnen wezen en de vriendschap was in alle eeuwigheid blijven bestaan. Maar de beleedigde antwoordt "tegen zijn wil" beleedigend terug, en zoo voort. Beiden voelen, dat zij eigenlijk heelemaal niet meenen wat zij nu zeggen, maar een onweerstaanbare drift dwingt hen de kwetsende woorden uit den mond, hoewel zij er inwendig onder lijden.

                Ten slotte scheiden zij als vijanden. Vanwaar komt die onweerstaanbare drift, die ik noemde? Die komt van ons.

                Of twee echtgenooten, die voor elkaar geschapen zijn. Moet de kachel aangemaakt worden of niet? Meer is er niet noodig. De kleinste oorzaken zijn bovendien ook de beste. Zij brengen die lichte irritatie teweeg, die noodig is voor de kwetsende uitlatingen.

Moet de staart van den hond gecoupeerd worden of niet? Van zoo'n klein begin komt menige goede vijandschap, menige schoone echtscheiding. Wie inspireert tot die giftige uitdrukkingen? Dat doen wij.

                Vanwaar komen al die kleine, prikkelbare nuances, die aangewende, kleine ontstemmingen, die het dagelijksche leven tot een plaag maken?

                Zij komen van ons. Kleinigheden, maar krachtig werkend. Wie denk je, dat die handige wisselwerking tot stand brengt, die vaderlandsliefde in nationale haat verandert, en klassengevoel in klassenhaat? Het begint zoo mooi in liefde, maar wanneer het eindigt in haat, dan zijn wij het toch, die overwonnen hebben.

                Wij hebben het altijd gedaan en zullen er altijd mee doorgaan tot het einde toe, totdat het rijk van ons is. Dan begint het werkelijke geluk voor de menschen.

                Tot zoolang zullen wij blijven doen, zooals wij tot nu toe gedaan hebben; iedere beschaving te gronde richten, die jullie op andere principes dan de onze opbouwen.

Wij vernietigen haar van binnen uit, zooals de worm knaagt in het hout.

                Kijk maar naar het Christendom. Is het nooit in je op­gekomen, dat de beste predikanten de onze zijn? Ik zeg niet alle, maar de beste.

                Geloof je mij niet? Dat doen de predikanten ook niet, maar wat doet het er toe, zoolang zij ons maar dienen. Laat ons een voorbeeld nemen, anoniem, nomina sunt odiosa, wij nemen een type:

                Ik neem den welsprekenden predikant met de ten hemel geslagen oogen en de mooie illustreerende gebaren, de man, die alles zoo gemakkelijk maakt. God is immers een lief­hebbend Vader, die niet meer verlangt, dan wat wij pres­teeren kunnen; en het weinigje, dat er van ons verlangd wordt, strijkt de fluweelzachte stem liefderijk uit tot bijna niets. Want iederen keer, dat hij in zijn preek God een maal noemt, noemt hij zichzelf negen maal, en hij had zichzelf ook nog best de tiende maal er bij kunnen noemen, want God heeft een wonderlijke gelijkenis met hem daar op den preekstoel. Hij is ingenomen met zijn gemeente en de gemeente is ingenomen met hem; en dat gevoel gaat ge­makkelijk over in ingenomenheid met zichzelf. Daar het in de kerk voorvalt, wordt het opgevat als stichting. Maar jijzelf hebt vroeger al gezien, dat zelfgenoegzaam­heid de mogelijkheid tot werkelijke vroomheid uitsluit.

                Wanneer onze dominee zijn lieve gemeente verlaat voor een rijkere standplaats, wordt er, uit dankbaarheid, voor hem gecollecteerd; zij begrijpen immers zoo goed, dat zijn Heer (dat zijn wij) hem een beter beroep gegund heeft en dat hij dit aanneemt. Zij zouden zelf net zoo gedaan hebben en zijn blij met het goede voorbeeld. Deze predikant is een van onze beste. Hij doodt Christus, zacht en kalm, met veronal.

                Er is een ander type, dat ons meer direct dient. Die prediken bepaald ons. Je kunt ze er aan herkennen, dat zij voor iederen keer, dat zij God één maal noemen, den duivel negen maal noemen. Zij hadden hem er best ook de tiende maal bij kunnen noemen, want als zij "God" zeggen, is het aan hun haatdragende stem te hooren, dat er sprake is van een boosaardigen satan. Zij leveren Christus levend in onze handen over; want zij leveren ons "alle deze mijne minste broeders", in wier hart zij de vrees opwekken. Er staat geschreven, dat de volmaakte liefde de vrees verdrijft. Maar waar de vrees is, heeft de liefde het verloren en de duivel zijn spel gewonnen.

                Je verwondert je er over, dat ik de woorden uit de Schrift citeer? De bijbel is een voortreffelijk boek. Wel is waar zijn enkelen van ons er tegen en trachten zij den "verlichten" onder de menschen de gedachte in te geven om een nieuwen bijbel van menschelijken oorsprong te maken. Het idee is niet kwaad, maar zij zien over het hoofd, dat zoo'n bijbel nooit vroomheid zou kunnen opwekken en daarom ook geen vrees voor het bovennatuurlijke.

                Ik persoonlijk ben voor den bijbel. Het is een waar boek. Maar het moet met verstand gelezen worden. Het schildert den strijd tusschen de machten, schildert dien naar waarheid en in ons voordeel. Want wij hebben gewonnen vanaf den tijd van den zondeval.

                Toen de macht, die jullie "God" noemen, zijn "Zoon" Christus naar de aarde zond om de menschen te "verlossen", doodden wij Hem, en de menschen werden niet "verlost".

                De machten "des Lichts" erkennen zelf, dat het slechts een kleine schare is, die verlost werd. Maar die gebeurtenis, de moord op Christus, is een sacrament, dat zich dagelijks herhaalt. Ik noemde de predikanten, die Hem voorzichtig met veronal afmaken en hen, die Hem levend in onze handen overleveren. Maar zie, hoe er, de geheele wereld over, gehandeld wordt met "deze Zijn minste broeders" - en wat jullie tegen hen doen, doen jullie tegen Hem. Dat is waarheid. Kun je er nog aan twijfelen, dat Christus dagelijks gedood wordt? Kun je er nog aan twijfelen, dat wij het zijn, die de macht hebben, wij, die in werkelijkheid de "goeden" zijn.

                Hoe beloont Christus zijn dienaren? Met lijden en dood.

                Hoe beloonen wij de onze? Met eer en vooruitgang. Met onbegrensde zelfverzadiging. En wij zijn niet kleinzielig.

 

(Met dank aan Dick voor deze leestip)

      

12. Martha en Maria
J. Anker Larsen.

 

Uittreksel:    Het klavertje
Op zekeren dag kwam er een groot geluk tot haar.

Het was tegen den tijd, dat de koeien gingen liggen om te herkauwen en zij zelf dus rustig kon gaan liggen om zich door de zon te laten bakken en te denken aan wat haar te binnen viel.

Zij stond juist uit te kijken naar een goed plekje om te liggen, toen zij plotseling heel zeker meende, dat er iemand was, die zei: "hier!"

Toen zij er heen keek, kreeg zij een klaverbloemetje in het oog, dat er uitzag, alsof het naar haar op stond te kijken.

Zij moest lachen, en er bégon iets heel gelukkigs in haar op te wellen; het ging door, totdat haar oogen er nat van werden.

Toen ging zij liggen en keek het klavertje eens aan. Zij waren zoo merkwaardig goede vrienden. Het stond daar, alsof het zoo uit de groep gewandeld was om bij haar te zijn. Zij lag er langen tijd naar te kijken. Het was net alsof er zoo heel veel zon in zijn kleinen, rooden top was. Het zag er uit alsof het glimlachte. Ze hadden het zoo heerlijk samen. Het was precies als wanneer twee meisjes arm in arm loopen, zonder een woord te zeggen, omdat het niet noodig is.

Zij kon zich niet herinneren ooit zoo gelukkig geweest te zijn over de vriendelijkheid van een mensch. Want wanneer een volwassene, of een jongen, of een meisje aardig voor haar geweest was, was er toch altijd iets treurigs, dat er de oorzaak van was, of er was een beetje berekening bij. Dat was er hier niet. Want zij waren alleen maar vrienden, om­dat - omdat - - nu bedacht zij het zich: omdat zij zich herinnerden, dat God hen beiden geschapen had. Zij lachte vlak in den top van het klavertje.

"Waar zijn de anderen?" zei zij en keek om zich heen. De anderen stonden in een groep en gaven zeker niet om haar. Zij gaf in ieder geval niet bijzonder om hen. Die van haar was de mooiste. Maar toen zij weer van haar naar de anderen keek, ontdekte zij verwonderd, dat zij dat feitelijk heelemaal niet was. Er waren verscheidene, die grooter waren en veel voller aan den top. Die van haar was vrij klein en eigenlijk tamelijk dun behaard; een klein beetje scheef aan de eene wang was die ook. Zij streek haar over den top:

"Het geeft niets," zei zij, "jou mag ik het liefst. Wij geven niet om de anderen”

Maar het klavertje was toch maar een klavertje, het kon de anderen niet heelemaal in den steek laten en vond toch wel, dat zij heel aardig waren, wanneer men maar erkennen wilde, dat het toch maar klaverbloemetjes waren, en niet meer van hen verlangde, dan wat zij waren. En nu Marie ze eens goed aankeek, kon zij best inzien, dat zij feitelijk net als het hare waren. Alleen was dat uit zichzelf naar haar toe gekomen. En nu zij merkten, dat zij wist wat een klavertje is, stonden zij niet meer opeengedrongen bij elkaar, maar maakten als het ware plaats: zij mocht er best bij komen. Zij keek naar het hare: ,,Dat is aan jou te danken," zei zij. "anders had ik niet mee mogen doen. - Waarom staan jullie hier eigenlijk?"

Zij hoorde een hoogen lach. Nu, het zou haar eigen lach wel zijn, dien zij hoorde, maar het was vast en zeker begonnen tusschen al die klavertjes. Want dat was hun te machtig geweest: waarom zij hier stonden! Dat iemand zoo dom kon vragen!

Zij bleef doorlachen. Na het lachen kwam de juiste ver­standhouding. Zij werd een van de hunnen en lag den heelen herkauw-tijd tusschen hen in. Ongeveer twee uren was zij bij hen in de graswereld.

Wat hield zij vanaf dien dag veel van het gras!

­

Jaren later…….

 

In een of ander vreemdsoortig "nergens" stond zij en zag die twee zich hoe langer hoe meer van elkaar ver­wijderen.

Toen zij "tot zichzelf kwam" stond zij, waar de hemel het verst van de aarde verwijderd is, midden tusschen die twee in, en voelde, gesplitst, dat zij noch de eene, noch de andere was.

Dien nacht droomde zij, dat zij de koeien liep te hoeden op het weiland. Zij ging liggen en keek in het oerwoud van den meidoorn, en liet haar fantasie daarin zien, wat die wilde.

Toen zij verward opstond, waren de koeien verdwenen; zij zocht en zocht, want het was erger dan de ondergang van de wereld, als de koeien niet terugkwamen. Eindelijk riep zij uit het diepst van haar hart tot God, "Help!"

Er was iets dat zei: "Hier!"

Daar stond het kleine klavertje met het dunne haar en de scheeve wang, en keek haar aan met zijn lieven glimlach. "Maar – “, zei Marie en wist niets meer te zeggen.

"Je was mij zeker vergeten," zei het klavertje.

Maar Marie verzekerde: "Neen, neen – integendeel! Ik had je juist zoo vergeten, als ik gewoonlijk vergeet, wat ik mij het best herinneren kan. - Maar ik dacht, dat je dood was."

"Dat ben ik ook:' zei het klavertje. "Ik stierf het zelfde jaar en werd begraven in de najaarsomploeging. Maar toen zag ik jou op het oogenblik, dat je in "nergens" was, en toen -"

"Vertel mij even," vroeg Marie, "waar is eigenlijk "nergens" ?"

"Overal," zei het klavertje, "het is immers daar, waar Onze-Lieve-Heer is, en toen Hij zag, dat ik jou nog kende, gaf Hij mij toestemming om hier tusschen de gezichts­einders te komen om je aan iets te herinneren."

"Aan wat dan?" vroeg Marie.

“Aan iets, dat meer waard is dan de heele wereld," zei het klavertje.

 

Uit: Martha en Maria

Door J. Anker Larsen

 

 

 

Meer citaten uit boeken van J. Anker Larsen staan op mijn Blog

 13. Walpurgisnacht.
Gustav Meyrink


 

Flaptekst:
Van oudsher is de nacht van 30 april op 1 mei Walpurgisnacht: de heksensabbat, waarbij de demonen worden vrijgelaten. Gustav Meyrink vergroot dit thema tot kosmischapocalyptische dimensies: de chaotische omwenteling, die vooraf gaat aan de wederopstanding van het zuivere innerlijke leven, gepersonifieerd in de tot koning gekroonde, arme violist Ottokar en zijn geliefde Polyxena.

Op indringende en vaak komische wijze schildert Meyrink de ondergang van de oude, potsierlijke adel, die door de furie van de spoken van het Boheemse verleden uit hun burcht, de Praagse Hradshin, wordt verjaagd.


Mythe en realiteit versmelten tot een fantastische vertelling die, hoewel in 1915 geschreven, aan actualiteit nog niets heeft ingeboet. De innerlijke revolte van de vrije, zich eeuwig verjongende geest in de mens in de roman verbeeld verjongende geest in de mens in de roman verbeeld door de figuur van de keizerlijke lijfarts, bijgenaamd de pinguïn blijkt het enige adequate antwoord op de overal om zich heen grijpende razendsnelle veranderingen in een op drift geraakte samenleving.

 

Uittreksel:

Dit gezicht! Weer greep het hem aan, zoals toen bij Elsenwanger, alleen nog veel helderder en sterker: dit gezicht kende hij, had hij zo dikwijls gezien... Elke twijfel was uitgesloten.

En langzaam, heel langzaam, alsof er schillen van zijn ge­heugen afvielen, herinnerde hij zich dat hij ooit, misschien voor de eerste keer in zijn leven, in een fonkelend voorwerp, een zilveren bord of zo, gekeken had, tot hij eindelijk met volle­dige zekerheid wist: zo en niet anders moest hijzelf er als kind hebben uitgezien.

Wel was de huid, waardoor het naar buiten trad, oud en rim­pelig en het haar grijs geworden, maar de expressie van jeug­digheid straalde erdoorheen als licht - dat ongrijpbare iets, dat geen schilder op de wereld kan vasthouden.

'Wie ik ben?', kwam het uit de mond van de toneelspeler.

De keizerlijke lijfarts meende, zijn eigen stem van weleer te horen. Ze was die van een knaap weliswaar, maar tegelijk ook die van een grijsaard. Een wonderlijke dubbeltoon klonk eruit op, als spraken er twee kelen: de ene, uit het verleden, kwam van ver weg, de andere, uit het heden, was als de nagalm van een klankbodem, die de eerste klank gaf en hoorbaar maakte.

 

Ook wat zij zeiden, was een vermenging van kinderlijke on­schuld en de dreigende ernst van een oude man: 'Wie ik ben? Heeft er ooit, sinds de aarde bestaat, een mens bestaan, die op deze vraag het juiste antwoord wist? Ik ben de onzichtbare nachtegaal, die in de kooi zit en zingt. Maar niet alle spijlen van de kooi trillen mee, als zij zingt. Hoe vaak heb ik in jou niet een lied aangeheven, opdat je mij mocht horen, maar jij was doof, je leven lang. Niets in de ganse kosmos was jou steeds zo nabij en eigen als ik, en nu vraag je mij, wie ik ben? Menig mens is zo vervreemd van zijn eigen ziel, dat hij dood ineenstort, wanneer het moment gekomen is dat hij haar aan­schouwt. Hij herkent haar dan niet meer; zij draagt het gelaat van de gewone daden, die hij volbracht heeft en waarvan hij heimelijk vreest, dat zij zijn ziel bevlekt zouden kunnen hebben. Mijn lied kan je alleen horen, als je het meezingt. Een misdadiger is hij, die het lied van zijn ziel niet hoort, een mis­dadiger tegen het leven, tegen anderen en tegen zichzelf. Wie doof is, is ook stom. Onschuldig is hij, die voortdurend het lied van de nachtegaal hoort, al slaat hij zelfs zijn vader en moeder dood.'

 

'Wat moet ik horen? Hoe moet ik het horen?', vroeg de kei­zerlijke lijfarts zich af, in zijn verbazing volledig vergetend dat hij een ontoerekeningsvatbare, ja zelfs een waanzinnige voor zich had. De toneelspeler lette niet op hem en sprak verder met zijn twee stemmen, die elkaar op zo'n merkwaardige wijze doordrongen en aanvulden: 'Mijn lied is een eeuwige melodie van vreugde. Wie de vreugde niet kent, de zuivere, grondeloze, blije zekerheid, het oorzaakloze: ik ben, die ik ben, die ik was en altijd zijn zal, die is een zondaar tegen de Heilige Geest. Voor de glans der vreugde, die in de borst straalt als een zon aan de innerlijke hemel, wijken de spoken der duisternis die de mensen begelei­den als de schimmen van vergeten misdrijven, begaan in een vorig bestaan, en die de draden van zijn noodlot weven. Wie dit lied der vreugde hoort en zingt, die vernietigt de gevolgen van elke schuld en laadt nooit meer schuld op zich.

 

Wie zich niet meer verheugen kan, in hem is de zon gestor­ven. Hoe zou zo iemand licht kunnen uitstralen?

Zelfs de onzuivere vreugde staat dichter bij het licht dan de duistere, droefgeestige ernst.

Je vraagt wie ik ben? De vreugde en het' Ik' zijn hetzelfde.

Wie de vreugde niet kent, die kent ook zijn' Ik' niet.

Het innerlijkste' Ik' is de oerbron van de vreugde. Wie het niet aanbidt, die dient de hel. Staat er niet geschreven: “Ik ben de Heer, uw God; gij zult geen andere goden naast Mij hebben”?

Wie het lied van de nachtegaal niet hoort en zingt, die heeft geen 'Ik'; hij is een dode spiegel geworden, waar vreemde de­monen in komen en gaan, een wandelend lijk, zoals de maan aan de hemel met zijn uitgedoofde vuur.

Probeer het eens en verheug je!

Velen die het proberen, vragen: waarover moet ik mij ver­heugen? De vreugde heeft geen oorzaak nodig, zij groeit uit zichzelf als God; vreugde, die een aanleiding nodig heeft, is geen vreugde, maar genoegen.

Velen willen vreugde ervaren en kunnen het niet. Dan geven ze de wereld en het lot de schuld. Men bedenkt niet: een zon, die het schijnen ongeveer vergeten is, hoe zou die met zijn eerste zwakke schemerlicht het leger spoken van een dui­zendjarige nacht kunnen verjagen? Wat iemand zijn hele leven tegen zichzelf heeft misdaan, laat zich niet in een enkel kort ogenblik goedmaken!

Maar in wie eenmaal de oorzaakloze vreugde is binnengeva­ren, die heeft voortaan het eeuwige leven, want die is verenigd met het 'Ik', dat de dood niet kent. Die leeft altijd in vreugde, ook als hij blind en kreupel geboren was. Maar de vreugde wil geleerd worden, wil verlangd worden, maar wat de mensen ver­langen, is niet de vreugde, maar de aanleiding voor vreugde. Dat begeren zij en niet de vreugde.'

 

'Hoe merkwaardig!', overlegde de keizerlijke lijfarts bij zich­zelf, 'daar spreekt uit een wildvreemde mens, van wie ik niet eens weet wie en wat hij is, mijn eigen ik tot mij! Heeft het mij dan verlaten, en is het nu zijn ik geworden? Als dat zo was, dan zou ik zelf niet meer kunnen denken! Kan men leven, zonder een ik te bezitten? Het is allemaal dom geklets', onderbrak hij geërgerd zijn gedachtegang, 'de sterke wijn is mij naar het hoofd gestegen.'

'Vindt u dat zo merkwaardig, excellentie?', vroeg de toneel­speler spottend met een plotseling veranderde stem.

'Nu heb ik 'm!', dacht de lijfarts grimmig en zag daarbij de vreemde omstandigheid over het hoofd, dat de ander zijn ge dachten gelezen had. 'Eindelijk werpt de komediant zijn masker af.' Maar weer had hij zich vergist.

 

Zrcadlo richtte zich helemaal op, keek hem recht in de ogen en ging met zijn hand over de glad geschoren bovenlip, alsof daar een lange snor groeide, draaide er aan en trok hem bij de mondhoeken naar beneden.

Het was een ongekunstelde, eenvoudige beweging, meer als een oude gewoonte, maar had zo'n drastische uitwerking, dat de keizerlijke lijfarts helemaal overbluft was en een moment dacht werkelijk een snor te zien.

 

'Vindt u dat zo merkwaardig, excellentie? Gelooft u echt, dat de mensen die daar gewoonlijk door de straten lopen, een 'Ik' bezitten? Zij bezitten helemaal niets, worden integendeel elk ogenblik door een of ander spook overschaduwd, dat in hen de rol van het 'Ik' speelt. En maakt u, excellentie, niet elke dag mee, dat hun' Ik' op andere mensen wordt overgedragen? Heeft uwe excellentie nog nooit waargenomen, dat mensen onvriendelijk tegen u zijn, als u onvriendelijk van hen denkt?'

'Dat valt te verklaren', sprak de lijfarts tegen, 'omdat aan het gezicht is af te lezen, of men onvriendelijk denkt of niet.'

'0 zo.' Het fantoom met de snor grijnslachte. 'En bij een blinde? Hoe staat het met hem? Ziet hij het ook aan de mimiek?'

'Die merkt het gewoon aan de toon', wilde de keizerlijke lijf­arts antwoorden, maar hij hield de tegenwerping in, want in zijn hart voelde hij, dat de ander gelijk had.

 

'Met het verstand, excellentie, kan men alles voor elkaar krijgen. Zeker met één, dat niet bijzonder scherp is en oorzaak en gevolg door elkaar haalt. Steekt u alstublieft toch niet uw hoofd in het zand, excellentie! De politiek van een struisvogel past een pinguïn niet.'

 

'U bent wel een brutale kerel!', stoof de keizerlijke lijfarts op, maar het fantoom liet zich niet van de wijs brengen: 'Beter dat ik brutaal ben dan u, excellentie. Meent u, dat het geen brutaliteit van u was, het verborgen leven van een “maanzieke” met de bril van de wetenschap te willen door­gronden? Als het u niet aanstaat, excellentie, geeft u mij dan gerust een klap om de oren, als dat u kan opluchten, maar be­denkt u tevoren alstublieft wel: mij treft u toch niet! Hoogstens de arme Zrcadlo. En, ziet u, het is hetzelfde als met het Ik. Als u de elektrische lamp daar stukslaat, gelooft u dan dat daardoor de elektriciteit beschadigd wordt? U hebt daarnet ge­vraagd, of beter gezegd, gedacht: “Heeft mijn 'Ik' mij dan ver­laten en is het overgegaan op de toneelspeler?” Ik geef u daarop als antwoord: het ware ‘Ik’ is slechts te herkennen aan de werking. Het heeft geen uitgebreidheid; en toch, omdat het er geen heeft, is het - overal. Versta het goed: over-al! Het staat boven het al, is alomtegenwoordig. Het hoeft u niet te verbazen, dat uw zogenaamde eigen ‘ik’ duidelijker uit een ander spreekt dan uit uzelf. U bent helaas, zoals bijna alle mensen, van kindsbeen af in de misvatting ver­strikt geweest, onder het ‘Ik’ uw lichaam, uw stem, uw denk­vermogen of, God mag weten wat anders, te verstaan, en daarom hebt u niet het vaagste vermoeden meer, wat uw ‘Ik’ eigenlijk is. Het ‘Ik’ stroomt door de mens heen, vandaar dat een ompoling in het denken nodig is, om zichzelf in het eigen ‘Ik’ terug te vinden.

 

Bent u vrijmetselaar, excellentie? Nee? Jammer. Als u het was, dan wist u dat in bepaalde loges de 'gezel’, wanneer hij «meester» moet worden, achteruit schrij­dend in het heiligdom van de meester naar binnen moet gaan. En wie vindt hij daarbinnen? Niemand! Had hij iemand daarin gevonden, dan zou het toch een ‘gij’ zijn en niet een ik? Het Ik is de meester! Is dan de mens hier voor me een onzichtbare leraar, zou u nu met enig recht kunnen vragen. Een die mij onderwijst, zonder dat ik hem daartoe heb uitge­nodigd. Maakt u zich geen zorgen, excellentie; ik ben hier, omdat in uw leven het juiste tijdstip gekomen is. Voor velen komt het helemaal nooit. Overigens ben ik geen leraar. Ik ben een Mantsjoe.'

 

'Wat bent u?', barstte de keizerlijke lijfarts uit.

'Een Mantsjoe. Uit de hooglanden van China. Uit het «Rijk van het Midden».Wat u uit mijn lange snor gemakkelijk had kunnen opmaken. Het « Rijk van het Midden» ligt ten oosten van de Hradschin. Zelfs als u ooit het besluit zou kunnen nemen, over de Moldau naar Praag te gaan, had u nog een aanzienlijk stuk te gaan naar « Mantsjoerije»,

Ik ben zeker geen dode, zoals u misschien zou concluderen vanwege de omstandigheid, dat ik mij van het lichaam van de heer Zrcadlo bedien als een spiegel, om voor u te verschijnen. Integendeel: ik ben zelfs een - levende. In het innerlijke Oosten zijn er behalve mij nog meer levenden. Maar laat u zich niet verleiden, met uw rijtuig en het paard « Karlitschek» naar het Rijk van het Midden te willen reizen, om daar « nader» met mij kennis te maken. Het Rijk van het Midden, waarin wij wonen, is het Rijk van het « werkelijke» Midden. Het is het middelpunt van de wereld, dat overal is. In de oneindige ruimte is elk punt een middelpunt. Begrijpt u wat ik bedoel?'

 

'Wil hij de draak met mij steken?', dacht de keizerlijke lijf­arts achterdochtig. 'Als hij een wijze is, waarom praat hij dan zo studentikoos?'

Het gezicht van de toneelspeler glimlachte onmerkbaar. 'Plechtig is zoals bekend alleen een stumpert, excellentie.

Wie niet in staat is in humor de ernst te voelen, die is ook niet in staat de pathos, de opgezwollenheid, die een schijnheilige voor het wezen van mannelijkheid houdt, humoristisch te vinden. Zo iemand wordt een slachtoffer van onoprecht en­thousiasme, van de ten onrechte zo genoemde « levensidealen ». De allerhoogste wijsheid gaat rond in een narrenpak! Waarom? Omdat alles wat eenmaal als een pak of mantel her­kend en doorgrond is, ook het lichaam, noodgedwongen alleen een narrenpak kan zijn.

Voor elkeen, die het ware ‘Ik’ het zijne noemt, is het eigen lichaam, zo ook dat van de ander, een narrenpak, anders niets. Denkt u dat het ‘Ik’ het in de wereld kan uithouden, indien de wereld werkelijk zo was, als de mensheid haar lijkt te beschouwen?

 

Goed, u zou ertegen kunnen inbrengen: overal, waar men ook kijkt, is bloed en ver­schrikking. Maar, waar komt dat vandaan? Ik zal het u zeggen: alles in de uiterlijke wereld berust op de merkwaardige wet van het “plus- en min-teken”. De Lieve Heer, zo schijnt het, zou de wereld hebben geschapen. Heeft u zich ooit afgevraagd, of het niet het spel van het ‘Ik’ was? Sinds de mensheid kan denken, zijn er elk jaar wel duizenden geweest, die in het sentiment van de zogenaamde - de onwaarachtige! - ­deemoedigheid zwelgden. Niets anders dan ‘masochisme’  bedekt met het manteltje van zichzelf voorliegende kwezelarij! Dat noem ik in mijn taal het «min-teken. En zulke min­tekens, zich ophopend in de loop der tijd, werken in het rijk van het onzichtbare als een zuigend vacuüm. Dat roept dan een bloeddorstig, smart voortbrengend sadistisch plus-teken op, een wervelstorm van demonen, die zich bedienen van de hersenen van de mensen, om oorlogen te ontketenen, moord en doodslag te verwekken. Precies zoals ik mij hier bedien van de mond van een bepaalde toneelspeler, om voor u, excellentie, een voordracht te houden.

 

Iedereen is een instrument, alleen weet hij het niet. Slechts het Ik is geen instrument; het staat in het Rijk van het Midden, ver van het plus- en min-teken. Al het overige is instrument, het één het werktuig van het ander. Het onzichtbare is het instrument van het Ik.

 

Elk jaar, op 30 april, is het Walpurgisnacht. Dan, zo heet het in de volksmond, komt de wereld van de spoken vrij. Er zijn ook kosmische Walpurgisnachten, excellentie! Zij liggen in de tijd zo wijd uit elkaar, dat de mensheid ze zich niet kan herin­neren, daarom gaan ze elke keer door voor nieuwe, nog nooit voorgekomen verschijnselen.

 

Nu breekt zo'n kosmische Walpurgisnacht aan.

Dan verkeert het bovenste in het onderste en het onderste in het bovenste. Dan storten gebeurtenissen vrijwel zonder oorzaak op elkaar. Dan is niets meer psychologisch gefun­deerd, zoals in zekere romans, die het onderlichaamspro­bleem van de liefde, toepasselijk verhuld zodat het des te schaamtelozer oplicht, als kernpunt van het bestaan kwalifice­ren. Of waarin het trouwen van een burgerdochtertje dat geen bruidsschat heeft, als het verlossende moment in het dichtwerk wordt gezien.

 

De tijd is weer gekomen dat de honden van de woeste jagers hun kettingen mogen verbreken. Maar ook voor ons is iets verbroken: de hoogste wet van het zwijgen! De zin: “Volke­ren van Azië, hoedt uw heiligste schatten” heeft geen geldig­heid meer voor ons. Wij geven hem prijs voor het welzijn van hen, die rijp zijn om te “vliegen”, wij mogen spreken. Alleen daarom is het, dat ik tot uwe excellentie spreek. Het is de eis van het ogenblik, niet vanwege uw privé-verdienste.

 

De tijd is gekomen, dat het Ik tot velen zal spreken.

Velen zullen mijn taal niet begrijpen. Voor hen zal het als een onrust over hen komen, die een dove overvalt wanneer hij vermoedt: Iemand spreekt tot mij, maar ik weet niet wat hij wil, wat ik doen moet. Zo iemand zal aan waanzin ten prooi vallen, op de een of andere manier iets te moeten volbrengen, wat in waarheid niet de wil van het Ik is, maar het bevel van het duivelse plus-teken aan de bloedhemel van de kosmische Walpurgisnacht.

 

Wat ik uwe excellentie gezegd heb, kwam via een magisch beeld, dat zich in Zrcadlo spiegelde. De woorden zelf kwamen uit het Rijk van het Midden. Of, zoals u weet, uit het Ik, dat over-al is!

Uwer excellenties hoogedel geboren voorvaderen hebben zich gedurende meer dan duizend jaar overgegeven aan de eer­zucht lijfartsen te zijn. Hoe zou het zijn, als uwe excellentie van nu af in overweging zou nemen zich een beetje om zijn zielenheil te bekommeren?

Tot nog toe heeft uwe excellentie - ik kan dit tot mijn spijt niet verhelen - zijn vlucht nog niet hoog genoeg genomen. Res­taurant Schnelh met zijn paprika's grenst niet onmiddellijk, zoals men zou kunnen wensen, aan het na te streven Rijk van het Midden. De aanzet tot vleugels heeft uwe excellentie, daar valt niet aan te twijfelen (hoe het diegene vergaat die er hele­maal geen hebben, heeft u kunnen zien bij mijnheer de beheer­der), anders was ik helemaal niet zo vriendelijk geweest hier­heen te komen. Vleugels weliswaar nog niet, zoals gezegd, maar de aanzet tot vleugels, ongeveer zoals bij een... een... pin­guïn.

    

Het boek kan besteld worden bij de rozekruispers

Meer citaten uit boeken van Gustav Meyrink staan op mijn Blog


 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

<