Ontdek de bijbel opnieuw met behulp

van esoterische kennis.

 

deel 2: Het Nieuwe Testament.

Jezus en het Nieuwe Testament.

 

 

 

De Bergrede.

 

inleiding - de zaligsprekingen - de wettenCitaat: De Mysteriën van Jezus in ons leven -  vergelijkingen

 

 

 

1. inleiding

 

In de Bergrede, een deel van het evangelie dat zo wordt genoemd omdat het door de evangelisten beschreven wordt als een prediking van Jezus waarbij Hij, van op een berg, de menigte toesprak om zijn boodschap te verduidelijken.

 

Volgens mij is dit een van de belangrijkste stukken uit het Nieuwe Testament omdat Jezus daarin, stap voor stap, uitlegt wat we nu precies moeten doen om Hem te volgen en op die manier het Koninkrijk waardig te worden.

 

We kunnen de Bergrede indelen in een aantal stukjes.

Ik zal proberen om hieronder deze stukjes wat nader te bekijken.

 

 

 

In de Bijbelvertalingen die wij gewoonlijk in handen krijgen we aan het begin van elke uitspraak te lezen: 'Zalig de... '; Greber vertaalt dit als ' Gelukkig te prijzen zijn...' 

Ik gebruik graag de Greber-vertaling omdat hier een meer hedendaagse taal gebruikt wordt en de teksten daardoor inhoudelijk beter te begrijpen zijn voor mensen van deze tijd. Waar ik het nodig vind zal ik de tekst uit de Nederlandse Bijbelvertaling toevoegen, ter vergelijking.

Ook heeft Greber deze teksten opnieuw vertaald vanuit de Oud-Griekse teksten en heeft er daarbij voor gezorgd dat bepaalde woorden, die in andere vertalingen verkeerd vertaald waren, nu wél juist vertaald werden.

 

 

 

Ter illustratie plaats ik ook bij elke zaligspreking een citaat uit het boek:

Het mysterie der Zaligsprekingen,

door Jan van Rijckenborgh.

ISBN: 90-6732-109-5

 

2. De zaligsprekingen.

 

Mattheus 5:1-12


1 Toen Jezus deze scharen zag, beklom hij de volgende heuvel en ging daar zitten.
Zijn leerlingen gingen naast hem zitten.

 

2 Toen begon hij met zijn onderricht en hield de volgende toespraak:


3 "Gelukkig te prijzen zijn zij, wier geest zich straatarm voor God voelt; want de geestenwereld van God treedt met hen in verbinding."


4 "Gelukkig te prijzen zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het hun toekomende deel aan aards geluk genieten."


5 "Gelukkig te prijzen zijn zij die treuren over het feit dat de wereld van God vervreemd is geraakt; want zij zullen getroost worden."


6 "Gelukkig te prijzen zijn zij die het vurigste verlangen hebben God welgevallig te worden; want hun verlangen zal bevredigd worden."

 

7 "Gelukkig te prijzen zijn de barmhartigen; want zij zullen ook voor zichzelf barmhartigheid verwerven."


8 "Gelukkig te prijzen zijn zij wier harten rein zijn; want zij zullen in hun leven de nabijheid van God voelen."


9 "Gelukkig te prijzen zijn zij die de vrede brengen; want zij zullen kinderen van God worden genoemd."


10 "Gelukkig te prijzen zijn zij die vervolgd worden terwille van het recht; want de geestenwereld van God treedt met hen in verbinding."


11 "Gelukkig te prijzen zijn jullie wanneer men je hoont en vervolgt en je van slechte dingen beschuldigt omdat je het goede doet.

 

12 Verheug je en jubel; want je loon aan gene zijde zal groot zijn. Op dezelfde manier heeft men ook de werktuigen
van God vervolgd die voor jullie leefden."

 

(uit de Het Nieuwe Testament volgens Johannes Greber)

 

 

 

1. zij, wier geest zich straatarm voor God voelt   (Ned. Bijbelgenootschap: zalig de armen van geest)

 

Het gaat hier, vanzelfsprekend niet over 'arm van geest' in de betekenis van 'dom', 'niet intelligent' of wat voor betekenissen men vroeger aan deze zaligspreking ook mag toegekend hebben.

Wat Jezus bedoelt met 'arm van geest zijn' is, dat de mens zich moet bewust zijn van het feit dat alle aardse kennis die men zich verwerven kan, niet betekent dat men daardoor toegang heeft tot de ware kennis over God. Wanneer wij dus zo nederig zijn om te bekennen dat wij eigenlijk 'niets weten' en ons openstellen voor de ware kennis, dan zal die kennis ook tot ons komen door middel van de H. Geest.

Jezus heeft dit op verschillende momenten proberen duidelijk te maken: dat aardse kennis nergens toe leidt, bv in zijn gesprekken over de 'schriftgeleerden' en 'farizeeërs'.

Later wordt het ook nog eens uitgelegd door Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs (hfdst. 1)

 

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

«Zalig zijn de armen van geest» - de eerste noodzakelij­ke toestand voor hen die het pad van regeneratie willen bewandelen.

Zij die naderen tot de berg zijn doodgelopen in deze wereld. Zij zijn, levende, verstorven naar de natuur; zij verwachten niets meer van deze wereld en zij zijn niet van zins, buiten het betalen van de noodzakelijke tol voor hun aanwezigheid-in-de-natuur, zich ook maar eni­germate dialectisch verder in te spannen. Zij bevroeden en ervaren innerlijk de aanwezigheid van een andere realiteit dan deze wanorde, maar zij kennen die nog niet. Zij hebben de roep gehoord, zij reageren erop; zij komen nader tot de bron, maar het levende water zelf kunnen zij nog niet grijpen, de nieuwe werkelijkheid kunnen zij nog niet naderen. Het geestelijke en zieleformaat daartoe bezitten zij nog niet. Hun ik blijkt terzake een begooche­ling te zijn. Zij bezitten geen geest die, naar men zei, in­wonend was, doch een zeker ik-bewustzijn, een biologisch instinct met denkvermogen. Zij weten zich het mens-dier. Maar in hen is een grote honger, een intense licht- en krachtnood. Zij zoeken en worstelen naar de ware geest, die de hunne is, maar die hun onthouden wordt. Zij hunkeren naar de geest, die een nieuw scheppend fiat zou kunnen uitspreken. Zij zoeken een deur, maar zij kunnen haar niet vinden. Zij verkeren in diepe zielennood, in grote verslagenheid. Zij ondergaan het ledigheidgevoel. Zij zijn bewust «arm aan geest». Hun zelf­verzekerdheid zijn zij kwijt. Al die bluf is uit hen ge­jaagd. Zij zijn hoogst bescheiden mensen geworden, want zij weten zich paria’s. Zij kennen hun armoede van geest, en tegelijk hun onbevredigde hunkering naar de geest.

Zodra deze psychologische toestand, die uit bloed en tranen, uit nacht en nood, uit het leven zélf geboren is, tot een crisis is gekomen, wordt de zoeker opgetrokken tot de berg en hoort hij de stem: «Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen.»

De toestand van niets zijn, van niet willen en niet kun­nen zijn, gepaard met de innige behoefte aan het nieuwe bereiken, schept de voornaamste voorwaarden voor de binding met het verre Koninkrijk, dat toch zo nabij is.

Déze armoede van geest is dus de primaire voorwaar­de op het pad van zelfverwerkelijking.

 

 

2. de zachtmoedigen   (Ned Bijbelgenootschap: zalig de zachtmoedigen)

 

Over wat nu precies met 'zachtmoedigheid' bedoeld wordt, door Jezus, staat verder niet uitgelegd. Wanneer ik hierover nadenk dan geloof ik dat het er hierom gaat om naar anderen te kunnen kijken zonder 'oordeel', zonder dat het vanbinnen in je hoofd gaat spoken in de trant van: 'Zie nu toch eens, wat die nu weer doet! Dat zou ik nu nooit doen! Die zou ik graag eens flink de waarheid zeggen!'

Ik denk dat je, wanneer je zachtmoedig bent, in de betekenis van Jezus zaligsprekingen, dergelijke gedachten niet in jou opkomen en dat je ieder mens, met mededogen kan bekijken in zijn doen en laten.

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

Zachtmoedigheid is de absolute moed, die niet force­ren wil en niet forceren kan, krachtens de innerlijke staat van de leerling. Binding met het koninkrijk is de eerste zuil; kracht om het werk te volbrengen de tweede. Deze tweevoudige genade Gods dient nu met zachtmoedig­heid in de natuur te worden bevestigd en met zachtmoe­digheid dient de grote overwinning te worden behaald.

De moed der natuur is altijd forcerend. Hij vloeit menigmaal voort uit drift. Met de moed der natuur ge­lijkt men op een inbreker. De moed der natuur slaat altijd wonden; hij is scheurend en vernielend.

Maar de moed die geboren wordt uit de geestorde van Jezus Christus is het gevolg van een vernieuwd wilseven­wicht. De zachtmoedige hunkert niet naar oogverblin­dende directe successen, want hij weet dat de glans van een dergelijk succes spoedig verbleekt. De zachtmoedige wordt geen ontmoedigde wanneer het resultaat van de arbeid uitblijft en het werkveld gegrepen wordt door het satanische drijven; want hij ziet achter alles het uiteinde­lijke bereiken van zijn doel als een nimmer dalende zon lichten. Daarom gaat hij voort met een stille, onverbreke­lijke moed, als een die het pad bewandelt en zijn doel nastreeft, zonder op de aanvankelijke uitkomst te letten.

De moed die geboren wordt uit een vernieuwde geest is ook steeds onpersoonlijk en kritiekloos en blijft niet stilstaan bij bijkomstigheden. Als de mensen zeggen: «Wat is het grauw in uw werkveld», dan antwoordt de zachtmoedige:«U hebt gelijk, grauwer kan het haast niet», maar vastbeslotener dan ooit gaat hij voort. Hij raakt niet ontmoedigd, want hij ziet achter alles de over­winning lichten. Hij zál het aardrijk beërven. Niets min­der dan dat!

Hij geeft geen acht op kwaad en goed gerucht, hoe men over hem en zijn werk denkt, of men lacht of huilt; hoe men reageert op zijn arbeid, wat men ermee doet of ervan maakt. Hij zál het aardrijk beërven.

 

 

3. zij die treuren over het feit dat de wereld van God vervreemd is geraakt (Ned Bijbelgenootschap: zalig die treuren)

 

Met deze zaligspreking zal Jezus beslist niet bedoeld hebben dat iedereen die, om één of andere aardse, stoffelijke teleurstelling zit te huilen en te treuren, door de geestelijke wereld zal geholpen worden om dat verdriet te overwinnen.

 Mijns inziens grijpt de geestelijke wereld niet in om onze stoffelijke probleempjes op te lossen. We moeten juist dat stoffelijke achter ons kunnen laten om Jezus te kunnen volgen.

 Hij sprak meer dan eens dat we, als we Hem willen volgen, alles en iedereen - van de stof - moeten achterlaten en dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is.

Ook Paulus schreef later: Het vlees kan het Koninkrijk niet beërven.

Wanneer Jezus dus zegt dat zij die treuren getroost zullen worden, dan moet het wel zeker over een treuren over groter dan materieel leed gaan. Die betekenis komt goed tot zijn recht in de vertaling van Greber

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

Er is een schare arbeiders, een schare vrienden der mensheid, over de gehele wereld verspreid, die zich tot op het uiterste inspant om de mensheid-van-deze-natuur het beginsel der Godsnatuur in te etsen. Deze arbeid ver­oorzaakt een grote droefheid, omdat deze werkers er­varen hoe ontzaglijk moeilijk deze arbeid is en hoe lang­zaam zij vordert. De betoonde inspanning staat in geen enkele verhouding tot het behaalde resultaat.

Hier is echter geen sprake van treuren vanwege het leed-naar-de-natuur; hier is geen sprake van het bewe­nen van gestorven bloed- of geestverwanten; hier is geen sprake van de rampspoeden-dezer-wereld, die zo veel­vuldig droefheid wekken. Neen, hier is een intens ver­driet, omdat zij komen met de grootste geestelijke en bevrijdende schatten, met een goddelijke genade, die zij willen reiken om niet; met een verlossend weten, met de sleutel tot de zin van het leven - en dat nu degenen tot wie zij zich wenden er de botte hak op zetten en hun ga­ven afwijzen, ja, hun arbeid lastig en gevaarlijk voor de gemoedsrust vinden. Hier is een treuren, omdat zulke werkers ervaren dat het bewustzijn bij velen te primitief is, het bloed te dik en het oog te duister om te kunnen waarnemen en assimileren; omdat zij het moeten aan­zien hoe de mensen elkaar vertrappen en verscheuren en alle schimmen najagen die de wereld te bieden heeft, ter­wijl zij het ene nodige negeren, in onbewustheid.

Men versta ons echter goed. Hier is geen droefheid vanwege de tegenstand en de gevolgen dezer reactie, vanwege de striemen die het heilige werk onvermijdelijk vergezellen, doch het is hier de droefheid vanwege het gebrekkige assimilatievermogen van de mens, die door de listen en lagen van het ik-bewustzijn zijn werkelijke geluk niet kan zien. Een droefheid, voortvloeiend uit volstrekte liefde, die afgewezen wordt. Het is de droef­heid van de Christus, het waas van treurnis dat over zijn Jezus-manifestatie gespreid lag. Het is de droefheid van Jezus Christus, waar Hij, de handen heffénde en staande op de Olijfberg, sprak: «Jeruzalem, Jeruzalem! Ik heb u willen vergaderen gelijk een hen haar kiekens, doch gij hebt niet gewild».

«Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.»

Wat wil deze zaligheid dan zeggen? Hoe moet u deze troost verstaan? Zaligheid is een toestand van de hoogste bevrediging en van het hoogste geluk. En als nu door Je­zus Christus, door de Christusvibratie van onze dag, op de berg wordt gesproken: «Zalig zijn die treuren», dan weten wij dat de oorzaak van ons treuren zal worden weggenomen; dat het waas van droefheid dat over ons is uitgespreid zal worden verscheurd; dat onze arbeid van binnenuit haar hoogste bevestiging en haar innigste ge­luk zal bereiken. Dan weten de arbeiders in de wijngaard dat de zaligheid in, door en uit de arbeid zal worden ge­boren.

 

 

 

4. zij die het vurigste verlangen hebben God welgevallig te worden (Ned Bijbelgenootschap: zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid)

 

Wanneer wij, mensen, spreken over gerechtigheid, dan hebben wij het meestal over wat wij zien als 'onze rechten' ( van onszelf, onze familie, onze religie, onze natie). Daarbij vergeten we dan heel snel dat, wat voor ons 'gerechtigheid' is, tegelijk als onrecht voelt voor degenen die niet tot onze groep behoren. Het een sluit het ander uit. In de stoffelijke wereld is het nauwelijks mogelijk om aan ieder recht te doen zonder daardoor weer een ander te benadelen. Dit is Oud-Testamentische gerechtigheid waarin er één uitverkoren volk was, met uitsluiting van alle andere volkeren.

Dit soort gerechtigheid kan Jezus beslist niet bedoeld hebben in zijn zaligspreking. Met "Wie hongert en dorst naar gerechtigheid"  kan Jezus alleen bedoeld hebben dat er een gerechtigheid bestaat die voor iedereen dezelfde is, dis dus alleen goddelijk kan zijn. In menselijke gerechtigheid zit immers altijd het addertje van de dualiteit verborgen, het addertje dat recht van de één onrecht voor de tegenpartij veroorzaakt.

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

Deze zaligspreking, die tot ons klinkt van de heilige berg, is een grote vertroosting voor ieder die haar kan ver­staan.

Het zou misleiding zijn deze woorden te vatten in de begripsgerichtheden der stoffelijke natuur, daar de gerechtigheid der gewone natuur, zoals u weet, bepaald wordt door land, volk en ras, zeden en gewoonten. Bovendien speelt steeds de tijd waarin men leeft een zeer grote rol.

Het recht van de mensheid was en is zeer veranderlijk. Volgens het recht van de mensheid werden door alle tij­den heen de kinderen Gods vervolgd, geradbraakt, gestenigd of verbrand.

Volgens het recht van Calvijn, die zich een Godsgezant noemde, werd Michel Servet indertijd op afschuwelijke wijze omgebracht, een gruweldaad waardoor het calvi­nisme het recht verloren heeft zich in één adem te noe­men met de heilige naam van Jezus Christus, die licht en liefde is.

Volgens het recht der mensen vielen in onze jaartelling miljoenen vrouwen op de afschuwelijkste wijzen ten offer aan heksenprocessen.

Keren wij ons echter af van al deze uiterst zwarte blad­zijden van de menselijke rechtshistorie en bezien wij de algemeen menselijke rechtsgevoelens en rechtspraktij­ken, zoals die bij de massa en bij haar vertegenwoordi­gers leven. Wij constateren dan evenzeer de alom bekende stoffelijke grilligheid en tegengesteldheden en wij weten dan heel zeker dat een dergelijke honger naar gerechtigheid nimmer verzadigd zal worden. God bewa­re ons daarvoor!

Het gaat in deze zaligspreking om de gerechtigheid die bij en van het Christusbewustzijn is, het goddelijke recht, de rechtsor­de van de goddelijke mensenstaat, de wereld der leven­de zielen.

In die orde is alles goddelijk volmaakt. In die orde is alles wonderbaarlijk heerlijk. In die orde ontvangen allen gelijkelijk de genade, de heerlijkheid en de kracht van al Gods gaven, van de gehele ideatie Gods. Het is een orde waarnaar tallozen hebben gezocht. Het is de rechtsorde waarover tallozen hebben gedacht, gedicht of gezongen.

Een mateloos verlangen lag aan dit alles ten grondslag en een mateloos verdriet was het gevolg, omdat velen van hen in de aanvang hun dorst naar de gerechtigheid Gods uitvierden in de wereld van de stof en slechts de scherven van al hun verlangens in de hand hielden.

De aspecten van het goddelijke recht zijn talloos. Ieder gevoelt bij intuïtie dat liefde, blijdschap, geluk en harmo­nie ertoe behoren. Maar ach, wat een teleurstelling heeft deze honger naar gerechtigheid reeds gebracht in men­sen die ernaar streefden! Wat is er op harten getrapt en hoe verkeerden ook hierin de dingen tot hun tegendeel! Daarom hebben velen tenslotte ernstig getwijfeld aan de waarheid van deze zaligspreking. Hadden zij niet, zon­der banaliteiten, werkelijk gehongerd en gedorst naar de gerechtigheid? En was de verzadiging niet mijlenver van hen verwijderd gebleven?

En toch, als er één woord van de Bijbel volkomen waar is, dan is het wel dit. Iemand die bewust Christus in zich voelt leven, zal het volkomen kunnen verstaan. Maar: de goddelijke gerechtigheid vindt geen ingang in de wereld van de stof. De goddelijke gerechtigheid kan hier, in de materie, geen gestalte aannemen, omdat de atoomstructuur van het licht en de kracht die het drijft, van een geheel andere geaardheid is dan de gerechtig­heid van de stoffelijke natuur.

De poging op de horizontale lijn, in het gewone be­staansveld de goddelijke gerechtigheid te verankeren, loopt dan ook altijd op een negatief resultaat uit. Daarom moet men zulk een poging maar liever niet ondernemen, want de goddelijke gerechtigheid is niet van déze natuur­orde.

 

5. de barmhartigen (Ned Bijbelgenootschap: zalig de barmhartigen)

 

De traditie van de christelijke vroomheid onderscheidt zeven lichamelijke en zeven geestelijke werken van barmhartigheid.

Gezonde relaties worden gekenmerkt door een synthese en overstijging van zelfliefde en altruïsme, doordat in de verbondenheid van ‘ik’ en ‘jij’ tot ‘wij’ het welzijn van de één ook het welzijn van de ander betekent en het eigen geluk juist gevonden wordt in het gelukkig maken van de ander. Wel moet worden toegegeven dat deze harmonie in de vele vormen van menselijke relaties telkens weer onbereikbaar, bedreigd of ontkracht wordt door talloze, vaak (half)onbewuste en zelfs vaak in schijnbaar altruïsme verkleed gaande, egocentrische strevingen, die de ander(en) meer als winst- en lustobject doen waarderen en bejegenen dan als subject en vrije persoon. Mede uit deze ervaring is o.a. in de christelijke traditie vooral ook als liefde beschouwd de toewijding aan de mens in nood, aan de maatschappelijk verdrukte en uitgestotene, aan ‘zondaars en tollenaars’ en met name ook zorg en respect voor de vijand, zoals Jezus Christus het bedoelde. 


 In de parabel van de barmhartige Samaritaan (vgl. Luc. 10:25-37) wil Jezus ons duidelijk maken dat onze barmhartigheid zich moet uitstrekken tot 'iedereen', en niet enkel tot de mensen die tot onze vrienden-, familie- en kennissenkring behoren. Ook al menen wij dat sommigen onze barmhartigheid en mededogen niet nodig hebben, of niet verdienen door hun levenshouding, dan juist kunnen we werkelijke barmhartigheid betonen. Meer nog, het moet niet nodig zijn om onszelf te dwingen tot die naastenliefde - omdat het nu eenmaal zo hoort voor een goed christen - maar het moet zo zijn dat we in een zielentoestand verkeren waardoor we niet anders kunnen dan iedereen te behandelen zoals we zelf zouden willen behandeld worden. Dan pas bezitten we de barmhartigheid die zalig maakt.

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

U dient te beseffen dat de goedheid der natuur een vanzelfsprekende eigenschap is van de christen; dat deze goedheid een wetmatige en logische re­flex is van een levenshouding die strevende is naar het licht. Zo zijn er vele eigenschappen die normaal voort­vloeien uit het leven van een Godzoeker. Doch geen de­zer eigenschappen op zichzelf genomen maakt zalig; geen dezer eigenschappen brengt de mens in een toestand van het hoogste geluk en het volstrekte bereiken.

De zaligspreking: «Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden», bezit dan ook een andere inhoud dan men meent. Als een mens waarlijk christen is en het essentiële christendom beleeft, kunnen zijn in-eigen goedheidreflexen onmogelijk meer experi­menteel zijn; zijn goedheid is dan een volstrekte uiting van een volstrekte toestand-van-zijn.

U mag als intelligent mens niet vragen: «Welke vorm van goedheid moet ik toepassen?», doch: «Hoe kom ik tot een toestand-van-zijn waarin de ware goedheid als natuurwetmatig gevolg naar buiten straalt?» U mag niet vragen: «Welk geloof en welke werken moet ik in mijn leven tillen? Ben ik voor de zienswijze van Paulus? Of voor die van Jacobus?» Doch: «Hoe kom ik tot een toestand-van-zijn waarin geloof én werken in bevrijden­de zin vanzelfsprekend worden?»

«Zalig zijn de barmhartigen.» Er is een barmhartigheid die niet zalig máákt, doch die het bewijs is van zaligheid. Het spreekwoord: «Wie goed doet, goed ontmoet» is een overblijfsel van een overoude en verloren wetenschap, een wetenschap die de astronomie doorkruist. De astro­nomen menen namelijk dat de zon, na haar energie gedurende vele miljoenen jaren over het zonnestelsel te hebben uitgegoten, zal uitdoven en als zon zal ophouden te bestaan. Doch het oude weten maakt ons duidelijk dat de zonne-energie, door zich te offeren voor haar plane­ten, een andere energie, grootser, heerlijker en majesteitelijker, terugontvangt.

 

6. zij wier harten rein zijn (Ned Bijbelgenootschap: zalig de reinen van hart)

 

Wanneer Jezus het heeft over ‘rein van hart zijn’, moet ik meteen denken aan de ontelbare maskertjes die wij mensen gebruiken om bij onze medemensen – en ook bij God, alsof we Hem zouden kunnen misleiden of bedonderen – aardig en goed bevonden te worden.

We bidden elke dag en gaan op zondag naar de kerk, omdat het zo in de Wet (10 geboden) staat en om niet in de hel te belanden, terwijl we op dat moment in feite veel liever iets anders zouden doen.

Wij doen ‘goede werken’, omdat we dan ‘goede’ mensen zijn in het oog van onze medemensen.

We helpen onze naasten, omdat het zo hoort voor een goede christen.

Vaak glimlachen we en spreken of schrijven we lieve woorden, terwijl we eigenlijk zouden willen huilen of vloeken – maar we moeten nu eenmaal ‘aardig’ zijn!

Dit zijn allemaal voorbeelden van wat er ‘niet’ bedoeld wordt met ‘reinen van hart.’

Ik denk dat Jezus met die zaligspreking wilde zeggen dat we zodanig met Christus moeten verbonden zijn, dat de goddelijke Liefdeswet in onszelf tot leven komt, en we niet anders meer kùnnen handelen dan vanuit die Liefde.

Ik schrijf liefde hierbij met een hoofdletter, omdat het om een totaal ander soort liefde gaat dan wat men er, over het algemeen mee bedoelt: "Als jij van mij houdt, dan zal ik ook van jou houden."

Niet omdat het nu eenmaal zo moet, maar omdat ons bewustzijn zodanig is veranderd dat we niet anders kunnen en wensen, zelfs niet in ons aller-diepste denken.

Dan zijn we geen ‘wit-gekalkte-graven’ meer, die rein schijnen te zijn,  maar echt rein van hart en daardoor ook zalig.

 

Het mysterie der Zaligsprekingen Citaat:

Sommigen hebben gemeend dat reinheid alleen een toestand van het lichaam is; anderen waren van mening dat reinheid een kwestie is van zielestaat; enkelen heb­ben gezegd: reinheid is een toestand van bewustzijn, mystiek-abstract begrepen. Doch wij zeggen: reinheid is het gevolg van bloedsvermogen. Dat sluit alles in zich, zowel begrepen naar bewustzijn als naar ziel en lichaam.

Het assimilatievermogen van uw bewustzijn, uw ver­standelijke begrip, uw vermogen tot oordelen en veroor­delen;  het overzien van diverse situaties in al hun aanzichten en hun samenhang; de juiste hulp die u moet verlenen aan mensen en toestanden; het weten wanneer u spreken en wanneer u zwijgen moet - dat alles is af­hankelijk van uw bloedsvermogen.

De impressies die u als leerling op het pad ontvangen zou door middel van de negatieve zielebinding, worden gezeefd of weerkaatst door uw bloedsvermogen, en de positieve zielebinding is geheel afhankelijk van het beeld dat het bloed op uw bewustzijn weerkaatst.

Een gevlekte lens kan geen juist beeld geven, een be­slagen spiegel kan men niet gebruiken.

Dat is de reden waarom de leerlingen op het pad, en intuïtieve mensen in het algemeen, steeds met schade en schande tot de ontdekking komen dat, wanneer zij varen op het kompas van hun intuïtie, van hun impressies, zij bij herhaling met hun levensschip op klippen stoten.

Daarom is reinheid des harten, reinheid en uitbreiding van het bloedsvermogen, een eerste vereiste.

Alleen op dit kompas zult u veilig kunnen varen; want reinheid des harten betekent: God zien.

En «God zien» beduidt: zulk een bewust-eerstehandse binding bezitten met het Gods­wezen,

met het Godsplan, met het goddelijke doel van het al, dat een impressie, een intuïtie die in deze toe­stand ontvangen wordt een volledig begrip schenkt en een juiste reactie waarborgt.

«God zien» beduidt dat er geen enkele belemmering meer is tussen de wereld van God en de leerling. Deze toestand wordt bereikt door reinheid des harten, dat is: zuivering en uitbreiding van het bloedsvermogen dat in het hartheiligdom zijn brandpunt, zijn kern, zijn toe­gangspoort bezit.

Daarom is het goed nauwgezet te overwegen op welke wijze u deze reinheid des harten kunt bewerkstelligen of gunstig beïnvloeden, want het heeft weinig zin in mystieke vervoering te mediteren over een waarde Gods die in het mensenleven moet worden ingeplant, zonder moeite te doen deze waarde te veroveren.

  

7. zij die de vrede brengen (Ned Bijbelgenootschap: zalig de vredestichters)

 

Wanneer wij denken aan vrede, dan komt in ons meteen de gedachte op aan 'gespaard worden van oorlogen, wreedheden, agressie en gewone ruzies tussen mensen'. Hieraan verbinden we dan het plaatje van een vreedzaam mens: degene die alle bovenstaande toestanden vermijdt en ervoor ijvert om zijn medemensen en zichzelf te vrijwaren van oorlog, agressie en geweld.

Maar Jezus had het, op de eerste plaats, over degenen die ‘de vrede in het hart’ bezitten.

Zo’n mensen noemt Hij: ‘Zalig’.

Deze vrede, waarover Jezus het had in de zaligsprekingen, heeft niets te maken met de uiterlijke omstandigheden waarin iemand leeft, maar zeer zeker met de innerlijke toestand waarmee iemand reageert op wat er in de buitenwereld gebeurt.

Op een zeer duidelijke en treffende manier heeft Jezus zelf ons deze toestand laten zien, toen hij voor de Hogepriesters stond, en voor Herodes en Pilatus. Noch hun schimpende woorden, noch de geselingen die zij hem lieten ondergaan, waren bij machte om Hem die vrede des harten te ontnemen.

Zo kan iemand, midden in een wereld vol agressie en geweld, toch de ‘vrede des harten’ bezitten en daardoor vrij zijn van de invloeden van die buitenwereld.

Het betekent niet dat iemand in de slachtofferrol gaat staan, zichzelf zomaar laat doen door anderen en toch ‘lief’ blijft doen terwijl zijn/haar hart raast en tiert, nee daar is geen vrede des harten bij betrokken.

De ware vredigen des harten zijn diegenen die zich geborgen weten in de Vrede van de Vader, die zich tot Kinderen van God hebben getransformeerd, wetend dat de stoffelijke mens vergankelijk is maar dat de geestelijke mens, als Kind van de Vader, onaantastbaar is voor alle stoffelijke dualiteiten. Alleen op die manier kan vrede des harten, en de daaraan gekoppelde zaligheid, ervaren worden.

 

 

8. zij die vervolgd worden terwille van het recht(Ned Bijbelgenootschap: zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil)

 

9. wanneer men je hoont en vervolgt en je van slechte dingen beschuldigt omdat je het goede doet. (Ned Bijbelgenootschap: zalig zijt gij wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil) )

 

Deze laatste twee uitspraken sluiten eigenlijk helemaal bij elkaar aan. In onze consumptiemaatschappij waar - onder een maskertje van beschaafdheid - nog steeds het recht van de sterkste, de machtigste, de rijkste geldt is het niet ongewoon dat mensen die eenvoudig zijn, die niet streven naar macht en roem en rijkdom, worden afgedaan als 'watjes' en beschimpt en bespot worden door zij die menen slimmer te zijn dan hun medemensen.

Wie niet meedoet aan het alom heersende gedrag van: pakken wat je pakken kan - als het maar niet uitkomt - wordt als 'niet goed snik' bestempeld.

Wie zijn best doet om een rechtvaardige en zinvolle wereld te creëren wordt niet voor vol aangezien.

En toch zijn het die mensen die, volgens deze Jezus-woorden, dichtbij de Zaligheid van het Koninkrijk van zijn Vader zijn genaderd. Zij zijn 'zalig'. 

 

Ter afronding van dit stukje over de zaligsprekingen volgt hier nog een zeer toepasselijk citaat van Fénelon ( Uit: De Eeuwige Wijsheid - Aldous Huxley )

 

Wanneer in de wereld iemand simpel wordt genoemd, wordt er over 't algemeen een onwetend, dwaas, lichtgelovig persoon mee bedoeld. Maar echte simpelheid, verre van dwaas te zijn, grenst aan het sublieme. Alle goede mensen zien het graag, bewonderen het, zijn zich bewust ertegen te zondigen, zien 't in anderen en weten wat het betekent, en toch kunnen ze het niet precies onder woorden brengen. Ik zou zeggen, dat simpelheid een rechtschapenheid van ziel is, die het "ik bewustzijn" belet. Het is niet hetzelfde als oprechtheid, wat een veel mindere deugd is. Veel mensen zijn waarheidlievend, die toch niet eenvoudig zijn. Ze zeggen niets dan wat ze menen dat waar is, en trachten niet meer te schijnen dan ze zijn. Maar zij denken aldoor aan zichzelf, ieder van hun woorden en gedachten overwegend, en zijn met zichzelf bezig, bezorgd te veel of te weinig te hebben gedaan. Deze mensen zijn oprecht, maar ze zijn niet eenvoudig.

 

Ze voelen zich niet op hun gemak met anderen en anderen niet met hen. Ze hebben niets gemakkelijks, vrijs, ongedwongens of natuurlijks aan zich. Men voelt, dat men aan minder bewonderenswaardige mensen, die niet zo stijf waren, de voorkeur zou geven.

Het verdiept zijn in de uiterlijke wereld, zonder ooit een gedachte naar binnen te keren, zoals de blinde toestand van sommigen, die door de plezierige en tastbare dingen in beslag worden genomen, is 't ene uiterste, in tegenstelling tot eenvoud. En het zichzelf in alle opzichten steeds controleren, of het nu om de plichten jegens God of de mensen gaat, is 't andere uiterste; het maakt een mens in zijn eigen ogen verwaand, gereserveerd, van zijn "Ik" bewust, links bij 't geringste, dat zijn innerlijke zelfvoldaan­heid in de war brengt. Zulk een valse wijsheid is, ondanks zijn ernst, niet minder nutteloos en dwaas dan de dwaasheid van hen, die hals over kop onderduiken in wereldse genoegens. De een wordt bedwelmd door zijn uiterlijke omgeving, de ander door wat hij innerlijk tot stand meent te brengen; beide zijn in een staat van bedwelming en de laatste is erger dan de eerste, omdat deze wijs schijnt, wat toch in werkelijkheid niet het geval is, maar verhindert dat hij zichzelf geneest. De echte eenvoud ligt in het juiste midden, vrij van gedachteloosheid en aanstellerij, zodat de ziel niet met uiterlijkheden overstelpt is, waardoor denken onmogelijk wordt, maar evenmin overgegeven aan de eindeloze haarkloverijen, waar Ik bewust­heid toe leidt. De ziel, die ziet waarheen ze gaat, zonder tijd te verliezen met iedere stap te wikken en te wegen, of steeds maar achterom te zien, bezit ware eenvoud. Zulk een eenvoud is inderdaad een grote schat. Hoe zullen we ze bereiken? Ik zou er alles wat ik bezit voor willen geven; het is de kostbare parel van de Heilige Schrift.

 

Het eerste, wat de ziel te doen heeft, is dus alle uiterlijke dingen vaarwel te zeggen en naar binnen te zien om haar werkelijke belang te leren kennen; tot zover is alles goed en natuurlijk; tot hiertoe bestaat er alleen een wijs eigenbelang, dat aan de bedwelming van de wereld tracht te ontkomen. De volgende stap is, dat de ziel de contemplatie van God, die zij vreest, aan het zelfonderzoek moet toevoegen. Dit is een kleine toenadering tot de ware wijsheid, maar de ziel is nog veel te veel van zichzelf vervuld; het is haar niet genoeg God te vrezen, ze wil zeker zijn Hem te vrezen, en vreest dus uit angst Hem niet te vrezen, aldus in een voortdurende cirkel van Ik bewustheid ronddraaiend. Al dit rusteloze met zichzelf bezig zijn, is verre van de vrede en vrijheid van echte liefde, maar dit ligt nog in de toekomst; de ziel moet eerst een proeftijd doormaken en wanneer ze plotseling in een toestand van rust zou worden gedompeld, zou ze niet weten hoe ze deze moest gebruiken.

De derde stap bestaat daarin, dat de ziel haar rusteloze zelfonderzoek staakt en in plaats daarvan zich overgeeft aan God en zo geleidelijk zichzelf in Hem vergeet. Ze wordt van Hem vervuld en let niet meer op zichzelf. Zulk een ziel is niet blind voor eigen fouten, of onverschillig voor eigen tekortkomingen; ze is er zich meer dan ooit bewust van, en het dieper inzicht toont ze in nog duidelijker vorm, maar deze zelfkennis komt van God en daarom is ze niet onrustig of moeizaam.

 

­ Fénelon

 

 

3. de wetten.

 

Bij Mattheus 5, vanaf vers 17, spreekt Jezus over de wetten van Mozes, aan welke de Joden tot nu toe moesten gehoorzamen. Jezus maakte duidelijk dat hij niet gekomen was om deze wetten af te schaffen maar om ze te vervolmaken. Immers: de Hogepriesters en Schriftgeleerden hielden veel meer rekening met de uiterlijke gehoorzaamheid aan de wetten dan aan de innerlijke/geestelijke. 

Jezus kwam dus leren dat de wetten op een andere manier moesten worden nageleefd om "het Koninkrijk" waardig te worden.

 

Math 5:17 "Jullie moeten niet denken dat ik gekomen ben om af te schaffen wat de wet en de profeten leren. Nee, ik ben niet gekomen om af te schaffen, maar om te vervullen. 18 En ik verzeker jullie nadrukkelijk: tot aan het ogenblik waarop het hemelgewelf en de aarde hun huidige bestaansvorm verliezen, zal in de wet niet de kleinste letter en geen enkel streepje veranderd worden. Eerst moet alles vervuld zijn. 19 Wie dus ook maar een van deze geboden opheft - al was het het allerkleinste - en de mensheid die opheffing leert, zal aan gene zijde als de minste worden beschouwd. Maar wie alles vervult en ook de mensheid leert dat te doen, zal aan gene zijde groot aanzien genieten. 20 Maar ik zeg jullie: zolang het met jullie doen van goede daden niet beter gesteld is dan met dat van de schriftgeleerden en Farizeeën, zullen jullie niet in verbinding komen met de geestenwereld van God."

 

 Laat ons die wetten eens stuk voor stuk bekijken:

 

Je zult niet doden

 

Math 5:21 "Jullie hebben gehoord dat tegen de voorvaderen werd gezegd: 'Je zult niet doden' en verder: 'Wie doodt, zal aan het oordeel onderworpen worden.'

 

22 Daarentegen leer ik jullie: wie zonder reden vertoornd is op zijn broeder, zal reeds aan het oordeel onderworpen warden. En wie tegen zijn broeder zegt: 'Jij dwaas,' moet voor de Hoge Raad warden geleid. En wie hem hoont als: 'Jij van God verstotene,' zal overgeleverd worden aan het hellevuur."

23 "Als je je offergave naar het altaar brengt en je herinnert je daar dat je broeder iets tegen je heeft,

24 laat dan je offergave bij het altaar achter en ga eerst naar je broeder om je met hem te verzoenen en kom dan terug om je gave te offeren.

25 Laat hem, die een reden tot een aanklacht tegen je heeft, zonder dralen je goede wil zien, zolang de weg tot verzoening met hem openstaat. Anders zal je tegenstander je wellicht voor de rechter dagen en de rechter zal je overleveren aan de gerechtsdienaren om de straf te voltrekken. Dan zul je in de gevangenis worden gegooid;

26 en ik kan je verzekeren dat je niet zult worden vrijgelaten tot je de laatste cent betaald hebt."

 

Jezus leert ons hier in feite dat 'iemand doden' niet alleen iets stoffelijk is en dat onze negatieve gedachten, gevoelens, emoties ten opzichte van onze medemensen minstens even dodelijk zijn als de stoffelijke daad van moord of doodslag. Hij gaat hierin zelfs zover dat, wanneer we weten dat iemand vijandig over ons denkt, zelfs die gedachten van de ander dodelijk zijn voor onszelf en we dit moeten zien op te lossen voor we naar 'het altaar' gaan met ons offer; dat ons offer zinloos is wanneer er vijandschap bestaat tussen onszelf en een medemens.


 

Je zult niet echtbreken.

 

27 "Jullie kennen het gebod: 'Je zult niet echtbreken.'

 

28 Maar ik leer jullie dat een ieder die naar de vrouw van een ander kijkt, slechts met het verlangen om gemeenschap met haar te hebben, in zijn hart reeds echtbreuk gepleegd heeft. 29 Als dus je beste oog je aanleiding geeft om deze zonde te begaan, ruk het dan uit en werp het van je. 30 Want het is beter voor je dat een van je ledematen verloren gaat, dan dat je hele lichaam in de hel komt."

 

31 "Een ander voorschrift luidt: 'Wie van zijn vrouw wil scheiden, moet haar een scheidingsbrief geven.'

 

32 Maar ik zeg jullie: wie van zijn vrouw scheidt, tenzij de reden is dat zij overspel gepleegd heeft, is er schuldig aan dat zij de minnares van een ander wordt."

 

Ook hier weer leert Jezus ons dat niet alleen ons handelen in de materie ertoe doet, maar op de eerste plaats onze gedachten die de aanzet zijn tot handelen. Is het immers niet zo dat alles wat we doen, in de loop van de dag, eerst door onze gedachten moet geformuleerd worden (bewust of onbewust ) voor er, via de hersenen en zenuwstelsel opdracht wordt gegeven om die gedachte te verstoffelijken? Het is dus een goede zaak om onze gedachtewereld scherp te observeren en wanneer we onszelf betrappen op beeldvorming die tegenstrijdig is aan de liefdewet van Jezus, dat we die gedachten meteen afbreken voor ze in staat zijn om zich te verwerkelijken in de stof.

Dat is wat Jezus bedoelt met: als je oog aanleiding geeft tot zonde, ruk ze dan uit. Vanzelfsprekend gaat hier er hier niet om dat we werkelijk lichaamsdelen gaan amputeren. Het gaat hier om ons innerlijk oog dat ons, via ongecontroleerde gedachten, allerlei bekoorlijke genoegens verbeeldt, met zoveel kracht dat we er niet aan kunnen weerstaan.

 

Je zult een gedane belofte niet breken en beloftes niet met een eed bekrachtigen.

 

33 "Verder hebben jullie gehoord, dat tegen de voorvaderen gezegd werd: 'Een belofte onder ede mag je niet breken, maar je moet je houden aan wat je onder het aanroepen van de Heer beloofd hebt.'

 

34 Maar ik leer jullie: je mag je beloftes helemaal niet met een eed bekrachtigen; niet met een eed op de hemel, want dat is

de troon van God; 35 niet met een eed op de aarde, want dat is zijn voetenbank; niet met een eed op Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning. 36 Zelfs op je hoofd zul je geen dergelijke eed afleggen, want je bent niet in staat om ook maar één haar van je hoofd wit of zwart te maken."

37 "Maar je eenmaal gegeven ja-woord moet ook een ja-woord blijven en mag niet in een 'nee' veranderd worden. Want mensen die hun woord niet houden, hebben in overvloedige mate onaangenaamheden te verwachten van hen die zij door hun

woordbreuk schade berokkend hebben. 38 Al hebben jullie ook gehoord dat men zich moet houden aan de stelling: 'Oog om oog, tand om tand,' 39 dan leer ik jullie echter degene niet vijandig tegemoet te treden die je door je woordbreuk zelf schade berokkend hebt.

 

Eigenlijk is dat wat Jezus bedoelt, in deze wet over geen eed afleggen, een waarschuwing waarover heel goed moet nagedacht worden. Op het eerste zicht lijkt het duidelijk en ziet het er uit als hetzelfde gebod als in de wetten van Mozes staat: gij zult de Naam van God niet ijdel gebruiken, maar volgens mij gaat, wat Jezus wil zeggen, veel dieper en wil hij ons leren dat een afgelegde belofte Karma veroorzaakt zolang die belofte niet vervuld is. Wanneer we daarbij dan ook nog eens een ander betrekken, om onze belofte te bekrachtigen, dan betrekken we die ander ook nog eens extra in dat Karma ( of wet van oorzaak en gevolg, waarbij de oorzaak hier 'de gedane belofte is' en het gevolg afhangt van het feit of die belofte ook gehouden of niet gehouden werd.

Verder moge het duidelijk zijn dat, wanneer wij een belofte hebben gedaan waardoor een medemens op ons rekent, het niet past in de wet van 'naastenliefde' om die belofte niet te houden.

 

Je zult ook je vijanden liefhebben.

 

43 "Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: 'Je moet je liefdevol ontfermen over hem die je lief is, maar je niet bekommeren om hem die je niet welgezind is.'

 

 44 Maar ik zeg jullie: ontferm je ook liefdevol over degenen die jullie niet welgezind zijn; spreek redelijk met hen die verwensingen tegen jullie uiten; doe ook goed aan hen die niet naar jullie omkijken en bid voor hen die jullie beledigen en vervolgen.

45 Daardoor zullen jullie bewijzen dat jullie kinderen zijn van je hemelse Vader. Want ook hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden en laat het regenen over godsvruchtigen en goddelozen. 46 Als je namelijk alleen maar degene lief hebt die jou liefheeft, op welk bijzonder loon kun je dan aanspraak maken? Doen de tollenaars dat ook niet? 47 En als je alleen maar je vrienden groet, doe je dan iets bijzonders? Doen de ongelovigen niet net zo? 48 Je liefde moet daarom allen omvatten, zoals ook de liefde van je hemelse Vader zich over iedereen uitstrekt."

  

Je zult niet huichelachtig maar nederig zijn

 

Math 6:1 "Let erop dat je je giften aan de armen niet zo opvallend geeft, om maar door de mensen gezien te worden. Anders krijgen jullie daarvoor geen loon bij je hemelse Vader." 2 "Als je de armen dus een gift wilt geven, bazuin dat dan niet overal rond, zoals de huichelaars het in de synagogen en op drukbezochte plaatsen plegen te doen, om maar door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben daarmee reeds hun loon. 3 Als je giften aan de armen geeft, laat dan je linkerhand niet weten

wat je rechter doet, 4 opdat je liefdadigheid verborgen blijft; en je Vader, die ook dat ziet wat in het verborgene gebeurt, zal je ervoor belonen."

 

5 "En als je bidt, moet je dat niet doen zoals de huichelaars. Die gaan bij het bidden graag in de synagogen en op kruispunten van wegen staan, om toch vooral door de mensen gezien te warden. Ik zeg jullie: zij hebben daarmee reeds hun loon. 6 Maar jij, ga om te bidden naar je kamer, sluit de deuren en bid stil vaar jezelf tot je Vader; en je Vader, die ook dat ziet wat in het verborgene gebeurt, zal het je vergelden. 7 Als je bidt, moet je niet gedachteloos brabbelen zoals de afgodendienaren. Want die menen verhoord te worden als ze maar veel woorden gebruiken. 8 Doe hen dus niet na. Je Vader weet immers wat je nodig hebt, nog

voor je om iets gebeden hebt.

 

 

Je zult niet bezorgd zijn over stoffelijke dingen

 

19 "Verzamel geen schatten op aarde, waar ze door mot en roest worden aangetast en waar dieven inbreken en stelen.

 20 Verzamel veeleer schatten in de hemel, waar mot noch roest ze kunnen aantasten en waar geen dieven kunnen inbreken en

stelen. 21 Want waar je schatten zijn, daar zal ook je hart zijn." 22 "Het oog is de lamp van het lichaam. Als nu je oog gezond is, zal je hele lichaam voor jou door licht omgeven zijn. 23 Maar is je oog erg ziek, dan is je hele lichaam voor jou in duisternis gehuld. Wanneer dus dat, wat je innerlijk tot licht moet dienen, in duisternis gehuld is, hoe groot moet dan de geestelijke duisternis

bij jou wel zijn."

24 "Geen knecht kan twee heren tegelijk dienen. Want hij zal of de een verwaarlozen en diensten voor de ander verrichten, of op de een gesteld zijn en de ander minachtend aan de kant zetten. Je kunt geen knecht van God en tegelijkertijd slaaf van het geld zijn."

25 "Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over je levensonderhoud en ook niet over de kleding die je voor je lichaam nodig hebt. Is het leven niet waardevoller dan het voedsel en het lichaam waardevoller dan de kleding? 26 Kijk eens naar de vogels in de lucht. Ze zaaien niet en oogsten niet en leggen geen voorraden aan. En toch geeft je hemelse Vader hen hun voedsel. Zijn jullie dan niet net zoveel waard als zij'?

27 Wie van jullie is in staat om met al zijn zorgen de voor hem vastgestelde

levensduur ook maar met een minuut te verlengen? 28 Waarom maken jullie je dan zorgen over je kleding? Kijk eens naar de lelies op het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; 29 en toch kan ik jullie zeggen dat Salomo in al zijn pracht en praal niet zo schitterend gekleed was als een van hen. 30 Als God nu de bloem op het veld, die vandaag bloeit en morgen in de oven wordt geworpen, zo schitterend kleedt, zou hij dat dan niet op dezelfde manier bij jullie doen, kleingelovigen?

31 Daarom moeten jullie niet met een hart vol zorgen vragen: 'Wat zullen we eten'?' of: 'Wat zullen we drinken?' of: 'Wat zullen we aantrekken?'

 32Dat zijn allemaal zaken waar alleen degenen zich druk over maken die geen geloof en geen godsvertrouwen bezitten. Je hemelse Vader weet immers dat je dat allemaal nodig hebt. 33 Streef er dus eerst naar om op de weg naar God te komen en dat te doen wat hem welgevallig is. Dan zal al het andere je bovendien worden geschonken. 34 Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen met zich meebrengen. De zorgen van vandaag zijn al zwaar genoeg."

 

4. De Mysteriën van Jezus in ons leven

J.W.Kaiser ISBN 90 6271 666 0 - Uitgeverij Miranda B.V. Wassenaar.

 

"De ure is gekomen, dat de Zoon des Mensen moet verheerlijkt wor­den. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelve; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.

Wie zijn leven liefheeft, doet het verloren gaan, maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het bewaren voor het leven in de eeuwigheid.

Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren."             

Johannes 12 : 23

 

Dáárom zien wij de Meester niet, omdat wij onze vitaliteit wijden aan het leven "in de wereld", het fysiologische gedijen dat wij liefhebben. Toch dragen wij allen in ons de kiem van het geloof, dat een Geestelijk Wezen, waarvoor wij geen betere term vinden dan "Heer" of "Mees­ter", ons voortdurend ziet, ons kan bezoeken en redden uit onze misluk­king en benauwenis.

En tot ons spreekt als een verheven naïveteit de daad van enkelen die als "Knecht" of "Vriend" van God leefden in voortdurende Ontmoe­ting of Omgang. Zelfs waar wij dit alles willen verwerpen als een schone illusie van een voorbije fase in de evolutie der mensheid, blijft de bekoring, die spontane erkenning is, in ons levend.

De lang doorgevoerde bewustzijnsvernauwing onder de tirannie van ons verstand, heeft datzelfde leven "in deze wereld" dat wij liefhebben, verdorven tot een troosteloze grauwe mechaniek van zelfhandhaving, zelfverheffing en zelfverheerlijking. Dat mechanisme is het stramien geworden, waarop de schamele resten van werkelijk leven als zinloze versierselen worden geborduurd.

 

Nog altijd is het zo, dat alleen hier of daar een enkeling door zeeën van kommer en verdriet het erfelijke kleed van animale zelfgenoegzaamheid verslijt. Dat zijn de armen, verslagenen, waarvan Jesajah sprak. De wei­nigen, die geen gruwel zijn voor God.

Door de naakte armoe wordt hun ziel de waarheid en de waardigheid van Leven eindelijk gewaar. Zou het dan toeval zijn, dat Jezus, voor­lezende in de synagoge uit Jesajah deze woorden aanhaalt:

"De Geest van God is in mij vaardig,

Want Hij heeft mij uitverkoren

en gezonden om aan "armen" een Goede Tijding te brengen. . ."

 

Dit woord is een toets op onze eerlijkheid. De vier meest gangbare Bijbelvertalingen in het Nederlands kozen elk een ander woord: zacht­moedigen, nooddruftigen, verdrukten, armen.

Maar het Hebreeuwse woord, dat Jesajah gebruikt, laat zich niet van­gen in de beperkte strekking, die onze barbaarse maatschappij conve­nieert. Het bedoelt de door kommer en ontbering gebroken mens, wiens ijdelheid, trots, zelfgenoegzaamheid en valse vrede vernietigd is. De mens, wiens ziel niet meer gaat in de wapenrusting van geweld, noch in de zijden klederen van ijdelheid, noch in de grauwe pij van lichte­loze slavernij, maar wie al deze omhulsels zijn afgerukt en over wiens heilige naaktheid God zich eindelijk ontfermt.

Terwijl in de laatste 50 jaar de honger naar aards geluk tegelijk bewus­ter en onstilbaarder is gebleken, is toegenomen de drang naar een modus van leven, die hoop zoal niet geluk, vertrouwen zoal niet zekerheid, kameraadschap zoal niet liefde wekt. Indien wij erkennen, dat wij in deze zieletoestand zijn gekomen, doordat de mantel onzer pseudo-sufficiëntie versleten is tot doorzichtigwordens en scheurens toe, dan moeten wij ook erkennen, dat elke werkelijke schrede voorwaarts de waarde moet hebben van een verder scheuren en afvallen van deze grauwe mantel, tot wij de gevoeligheid, de reinheid, de waardigheid der gehele "naaktheid" van ziel zullen hebben verworven.

 

Dit nu is het wat Ontmoeting met de Meester bewerkt. Het is smarte­lijk, vernederend, ontmoedigend, verwarrend en ontstellend, tot rade­loosheid toe. Maar tenzij wij dodelijk gewond worden, tot krankzinnig­heid toe verward en tot vernietiging toe gemarteld, houden wij de man­tel der verdorvenheid hardnekkig om onze ziel en verwerven wij de naaktheid niet, die God-zelf met Zijn heerlijkheid bekleedt.

Die mantel is onze persoonlijkheid, die wij weefden uit levensverlooche­ning, uit miskenning van het gebodene, gedreven door angst en daaruit gegenereerde zelfzucht. Die mantel is ons zogenaamde Ik, en daarom is dat Ik ons "Karma", tot gestalte komend in het zelfgezocht milieu. In de wisselwerking daarmee komt het tot ontwikkeling en tenslotte tot zijn eigen opheffing, dat is Verzoening.

Op de lange weg van deze verzoening gaan wij als blinden door blinden geleid, ongelukkig maar eigenwijs. Tot deze eigenwijze blinden komt de Meester om hen te verlossen. En zodra een ziel gewaar wordt, dat de Langverbeide eindelijk gekomen is, slaat het Ik alarm.

Nooit zal de Meester tot ons komen, zoals wij Hem willen zien. Want zoals wij Hem willen, kan Hij nooit Verlosser zijn, maar slechts vazal of figurant in de verheerlijking van onze tirannie. Nooit zullen wij be­palers kunnen zijn van Hoe Hij is en Wat Hij doet.

Wat hebben wij in deze 2000 jaar van Hem gemaakt?

Ach, alles wat constante overtreding van de Tien Geboden moest be­werken.

Wij kennen nog slechts "goden", die ons NIET in vrijheid voeren. Wij hebben ons van al wat in de hemel is, en op de aarde en in de wateren omlaag, talloze Beelden en gelijkenissen, voorstellingen gemaakt, van crucifix tot de subtielste mentale creatie.

En voor die beelden, die ons nimmer uit Egypte en zijn slavernij kon­den voeren, hebben wij ons eerbiedig gebogen. Hèn hebben wij ge­diend. Lichtvaardig hebben wij gedacht over het tweede Gebod als over het eerste. Wij hebben gedacht, dat zijn strekking was een cultureel excuus der Joden tegenover het beeldend vermogen der Hellenen.

Hoe hard de waarheid ook klinken moge, àlle Beelden door onverlosten gemaakt, zijn niet verlossend maar bindend! Knechtend, in plaats van bevrijdend.

 

Wij hebben de Weg des Heren niet recht gemaakt in onze wildernis. Wij hebben niet begrepen, dat de graankorrel sterven moet om vrucht te dragen. Wij hebben begrepen, dat wij die graankorrel zijn! Die wil­len wij het eeuwige leven geven, door haar te plaatsen op een voetstuk van goud, door haar uit te rusten met een schat van kennis en door haar te geven de macht waarmee de koninkrijken dezer aarde worden gere­geerd. Is het dan wonder, dat wij slechts bij hoge uitzondering gewor­den zijn, de gebrokene, verslagene, tot wie de Meester met Zijn Blijde Tijding komt? Want wij doen immers alles wat wij kunnen om dit niet te worden!

Dit "alles doen" wat de graankorrel belet te sterven en vrucht te dragen kan niet volledig worden opgenoemd. Ook baat dit noemen niet, maar wel de confrontatie met de Meester en Zijn Woord.

Want alles wat door Hem gezegd is, duurt oneindig voort.

Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn Woorden zullen niet voorbijgaan, want zij zijn de dragers van de eeuwigheid in Tijd. Daar­om zal ook alles wat de mensen Hem misdeden, voortgaan in herhaling tot wij allen zijp verlost.

Wij willen houden wat wij hebben. Wij willen blijven wat wij zijn.

Wij willen Hem alleen als "gast", die onze weergaloze grauwheid kleur en luister schenkt. Wij willen dat Hij zich zal schikken naar onze wet­ten en gewoonten; dat Hij geeft wat wij Hem vragen en alleen maar neemt, wat wij Hem bieden.

De grauwe mantel is wel dun, maar zo doelmatig en vertrouwd! En daarom machtig. Wij, die zo goed begrijpen hoe de Joden zich een oordeel schiepen door de Messias alleen te willen of te kunnen zien als Vorst, wiens heerlijkheid bestaat uit aardse macht en praal.

 

Hoe zien wij Hem?

Wanneer Hij tot ons komt als bedelaar, als klein en schijnbaar onbe­langrijk mens, als een die door de wereld is verworpen, zijn wij dan beter "ziende" dan de Joden? Hoe zullen wij de Meester dan de liefde en de eerbied geven van de leerling, als Hij alleen de Wil des hemels doende, voor ons verschijnt als alles wat de wereld juist veroordeelt en veracht?

Tenzij in ons dat oordeel van de wereld is vernietigd, zullen wij Hem immers dadelijk miskennen en verwerpen? Juist om ons te beproeven zal Hij altijd komen met de trekken en hoedanigheden die wij niet of nauwelijks doorzien. En al de blaam, die Hij om onzentwil draagt, treft in wezen ons, die Hem verwerpen.

Een kerstverhaal vertelt, hoe Jezus na een korte afwezigheid door zijn moeder werd verwacht.[1][1] Haar huis had zij schoongemaakt; een feest­brood had zij gebakken. Toen kwam een onweersbui en na die bui, kwam een doorweekte jongen, arm en vuil. Die vroeg haar onderdak en brood. Met weerzin liet zij hem binnen. Zij gunde hem niets dan een stuk oud brood. Hij dankte bescheiden, was vriendelijk en ging heen. Maar toen Maria de volgende week haar zoon zacht verweet, waarom hij niet eerder gekomen was, toen zei Hij: "Moeder, ik bèn gekomen, maar je wilde me niet binnenlaten." Als dan Maria ineens beseft, wat er gebeurd is, dan troost Hij haar met de belofte, dat voortaan alle moe­ders erbarming zullen tonen voor ieder arm en verlaten kind.

Maar Hij komt niet alleen als kind!

En geen van ons herkent de Zoon van God, wanneer Hij voor ons staat, vermomd zoals wij allen zijn vermomd, als een "Persoon". Alleen de reine harten zullen God zien en Zijn Zoon herkennen. Daarom zijn zij zalig.

Maar juist omdat wij blind zijn, willen wij bepalen, waar Hij ons ver­schijnen zal, wanneer Hij komen mag, en hoe!

 

En daarom is het altijd nog, zoals het was: de Poort van de tot koopmansbeurs verlaagde zieletempel is wijd open. En de troon van aardse heerlijkheid staat voor Hem klaar.

Maar Hij, die op het ongelegen uur komt kloppen op de kleine binnen­kamer onzer ziel, klopt tevergeefs. En als men Hem al binnenlaat, dan is het minste goed genoeg. Zelfs als Hij ons de voeten wast, dan kennen wij Hem niet. Wij willen liever, dat Hij ons een ereplaats belooft. Daar­om wordt Hij nog stééds verlaten, en verloochend en verraden.

De Meester komt niet tot ons als het geabstraheerde ideaal met impo­sant gelaat en lang, gescheiden haar, niet als het summum van geculti­veerd en opgevijzeld IK, maar in de dingen en de dieren en de onvol­maakte mensen, die wij dagelijks ontmoeten. Daarin herkennen wij Hem niet en daarom wachten wij tevergeefs, totdat Hij niet meer is ons Ideaal, maar de Waarachtige die zo lang "tegenover" ons moest zijn tot Hij in ons werd toegelaten en in ons kwam wonen.

Daarom is iedere Ontmoeting tussen mensen heilig.

 

Uit: De Mysteriën van Jezus in ons leven. J.W.Kaiser.

­



[1][1] "De Bedeljongen" door Jeanne Oterdahl.

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL