Het evangelie der waarheid.

 

Het Evangelie der Waarheid is stellig een van de diepste, diepzinnigste en meest meditatieve teksten die in 1945 bij Nag Hammadi gevonden zijn. Het werd waarschijnlijk geschreven door Valentinus, een van de vooraanstaande gnostische leraren uit het begin van onze jaartelling. Het is een verlossingstekst bij uitstek, doordat het ons de weg wil wijzen naar de verlossende kracht in onszelf. De tekst spreekt rechtstreeks tot het hart. Jezus treedt hierin op als de wijsheidsleraar die ons door zijn goddelijk voorbeeld eraan herinnert wie we werkelijk zijn: een volmaakte schepping van een volmaakte Vader. Daarmee raakt dit evangelie aan de fundamenten van de gnostiek.

Willem Glaudemans

Als in het jaar 140 n.Chr. de bisschopszetel van Rome vacant wordt, zijn er twee goede kandidaten. De ene heet Valentinus, de ander noemde zich later Pius. Deze Valentinus was een zeer spiritueel christen. Door de latere kerkvaders wordt hij 'gnosticus' genoemd. Doch in 140 n.Chr. is dat nog geen enkele be­lemmering om de bisschopszetel te bekleden.

Dat hij 'in de eindsprint' geklopt werd door Pius heeft niets van doen met de gnostische achtergrond van deze Valentinus, maar met het eenvoudige feit dat Pius martelaar was ge­weest voor het geloof en zich standvastig had getoond bij de doorstane folteringen.

Valentinus is vrijwel zeker de auteur van het Evangelie der Waarheid, dat ook in de kruik bij Nag Hammadi gevonden werd. Al heel jong aanschouwde hij Christus in een indrin­gend visioen. In een meditatie verscheen Christus voor hem als een pasgeboren kind. En op Valentinus' vraag wie hij was, ant­woordde hij: 'Ik ben de Logos (het Woord).' Later zou Valentinus over dat 'kind' een prachtige hymne schrijven:

 

Ik zie in de geest,

dat alles samenhangt,

ik versta in de geest, dat alles wordt omvat:

dat het vlees hangt aan de ziel,

en de ziel afhangt van de lucht,

en de lucht hangt aan de ether,

Uit de Diepte komen vruchten voort,

en uit de Schoot wordt het Kind geboren.

 

Valentinus had veel invloed. Dat is onder an­dere te merken aan de vele antiketterse geschriften die kerkvaders aan hem wijdden. Hij kreeg ook vele volgelingen, die zich later op­splitsten in een westerse en oosterse school. In hun geschriften blijkt een meer esoterische zienswijze op Jezus en Christus dan wat later in de kerk gemeengoed geworden is.

 

 

EVANGELIE DER WAARHEID

 

Het Evangelie der Waarheid

is een vreugd voor wie

van de Vader der Waarheid

de genade ontvangen hebben om Hem te kennen

door de macht van het Woord, dat uit het pleroma

is voortgekomen,

dat immanent is in het bewustzijn en de gedachten van de Vader,

en dat is hij die genoemd wordt de Verlosser,

naar het werk dat hij verrichten moet voor de verlossing van hen

die onwetend geworden zijn omtrent de Vader;

terwijl de naam van het evangelie de hoop verkondigt

en de ontdekking vormt voor hen die Hem zoeken.

 

Het Al was inderdaad op zoek naar Hem uit wie het is voortgekomen,

ofschoon het Al woonde in Hem,

de Onvoorstelbare, Onbevattelijke,

Hij die alle denken te boven gaat. Deze onwetendheid

omtrent de Vader

bracht angst en vrees teweeg

en de angst verdichtte zich

tot een mist,

zodat niemand kon zien.

Hierdoor werd de Dwaling eigenmachtig,

zij bracht in leegte

haar materie tot stand,

zonder kennis van de waarheid.

Zij maakte een schepping

die in kracht en schoonheid

de Waarheid moest vervangen.

 

Dit was echter geen krenking

van Hem, de Onvoorstelbare, Onbevattelijke,

want de angst,

de vergetelheid

en de schepping der leugen, waren niets,

terwijl de vaststaande waarheid onveranderlijk, onverstoorbaar

en perfect in schoonheid is.

 

Veracht daarom de Dwaling die aldus geen wortel heeft;

want zij was in een mist gehuld ten opzichte van de Vader,

toen zij bezig was gewrochten en vergetelheden en angsten te bereiden,

opdat zij hiermee

de mensen van het midden zou verleiden

en tot haar gevangenen maken.

 

De vergetelheid die eigen is

aan de Dwaling

is niet door de Vader

gemanifesteerd.

Zij is niet een licht

afkomstig van de Vader.

Vergetelheid is niet ontstaan

vanuit de Vader,

maar zij ontstond wel

vanwege Hem.

Wat echter in Hem bestaat,

is de kennis die verschijnt

opdat vergetelheid

ten iet wordt gedaan

en de Vader wordt gekend.

Aangezien vergetelheid is ontstaan doordat de Vader niet werd gekend,

zal die vergetelheid terstond verdwijnen zodra de Vader wordt gekend.

 

En dit is de blijde boodschap van Hem die zij zoeken,

die vanwege de barmhartigheid van de Vader

aan de volmaakten werd geopenbaard:

het verborgen mysterie Jezus de Christus,

door wie Hij Zijn licht uitgestort heeft over hen die vanwege de vergetelheid in duisternis verkeerden.

Hij verlichtte hen

en toonde hun een weg,

en die weg nu is de waarheid, die hij hun leerde.

 

Hierom ontstak de Dwaling

in toorn over hem,

achtervolgde hem,

maar raakte door hem in het nauw en werd teruggebracht tot niets.

Men nagelde hem aan het hout en hij werd een vrucht voor

de kennis van de Vader.

Deze vrucht richtte niet te gronde wanneer ze werd gegeten,

maar gaf hen die haar aten reden tot blijdschap

over deze ontdekking:

Hij vond hén in Zichzelf,

en zij vonden Hém in zichzelf.

 

In de Onvoorstelbare, Onbevattelijke,

de Vader, de Volmaakte,

die het Al schiep,

in Hem is het Al,

en het Al heeft Hem nodig. Want alhoewel Hij

hun volkomenheid

in Zich zelf bewaarde,

had Hij die niet meegegeven aan het Al.

Niet dat de Vader hen

dit misgunde,

want waarom zou Hij

Zijn ledematen iets misgunnen? Want had deze eon aldus

hun volkomenheid meegekregen, dan zouden zij niet

tot de Vader gekomen zijn.

Hij bewaart in Zichzelf

hun volkomenheid en vergunt hun die

als een wederkeer naar Hem en als een volkomen eenheidskennis.

Hij is het die het Al schiep, en het Al is in Hem,

en het Al heeft Hem nodig.

 

Het is zoals iemand,

over wie enkelen onwetend zijn, graag door allen gekend en bemind wil worden

- want wat mist het Al anders

dan de kennis omtrent de Vader?

Zo is hij namens de Vader

gids geworden,

geduldig en toegewijd.

In scholen ging hij binnen en verkondigde als leraar het woord.

De waanwijzen kwamen op hem af om hem op de proef te stellen.

Maar hij bracht hun leegheid

aan het licht.

En zij haatten hem

omdat ze niet echt wijs waren.

 

Na al dezen kwamen ook

de kleine kinderen tot hem,

aan wie de kennis van de Vader toebehoort.

Toen zij gesterkt waren,

leerden zij de hoedanigheden van de Vader kennen.

Zij kenden

en zij werden gekend,

zij werden verheerlijkt

en zij verheerlijkten.

In hun hart werd

het levende Boek van de Levenden opengelegd,

dat geschreven staat

in het bewustzijn en de gedachten van de Vader

en dat reeds van voor

de grondlegging van het Al

in Zijn ondoorgrondelijk Wezen bestaat.

 

Niemand was in staat dit boek op te nemen, omdat beschikt was

dat wie het nemen zou

dit met de dood zou bekopen.

Niemand van hen

die in verlossing geloofden kon naar zijn ware wezen worden geopenbaard,

als dit boek niet in hun midden was verschenen.

Daarom heeft de barmhartige en getrouwe Jezus

geduldig het lijden

op zich genomen,

totdat hij dat boek nemen kon.

Want hij weet dat zijn dood het leven betekent voor velen.

 

Zoals het fortuin

van de overleden huisheer verborgen blijft

zolang diens laatste wil nog ongeopend is,

zo ligt ook het Al verborgen zolang de Vader van het Al onzichtbaar is,

Hij die Zijn eigen oergrond is, en uit wie alle ruimten voortkomen.

Om dit testament te openen

is Jezus gekomen.

Hij werd aan het hout genageld en zo heeft hij de wilsbeschikking van de Vader

aan het kruis gehangen.

o zulk een grootse lering!

Hij verlaagt zich tot de dood hoewel het eeuwig leven

hem omkleedt.

Nadat hij deze vergankelijke lompen had afgelegd,

bekleedde hij zich

met de onvergankelijkheid

die niemand hem ooit

ontnemen kan.

Nadat hij was doorgedrongen

in de lege domeinen der angsten,

heeft hij zich voortbewogen tussen hen die door vergetelheid naakt waren

en verkondigde tegelijkertijd - omdat hij kennis is

en volkomenheid ­

wat in het hart is van de Vader,

om dit aan hen te onderwijzen die de lering zullen aanvaarden.

 

Zij nu

die de lering zullen aanvaarden zijn de levenden

die geschreven staan

in het Boek van de Levenden,

en zij ontvangen lering

over zichzélf

en zij ontvangen dat van de Vader, zodra zij weer terugkeren tot Hem.

Want de volkomenheid van het Al is in de Vader

en het is daarom noodzakelijk voor het Alom op te stijgen

tot Hem.

Daarom, wanneer iemand weer tot kennis komt,

ontvangt hij wat het zijne is en trekt dat naar zich toe.

Wie namelijk onwetend is, heeft een tekort,

en zijn tekort is groot,

omdat hij juist tekort komt wat hem zal vol-maken.

Aangezien de volkomenheid van het Al in de Vader verblijft,

en het noodzakelijk is dat het Al naar Hem opstijgt en eenieder ontvangt wat het zijne is,

heeft Hij hen,

die uit Hem voortgekomen zijn, van tevoren opgeschreven,

nadat Hij hen ontvankelijk had gemaakt voor de volkomenheid.

 

Zij wier naam Hij

van de aanvang af kende worden aan het eind geroepen;

zodat ieder kennis heeft

die door de Vader

bij name is genoemd,

en wie niet bij name genoemd wordt geen kennis heeft.

Hoe kan iemand immers luisteren als hij geen naam heeft

waarmee hij wordt geroepen?

Want wie onwetend is tot het eind blijft een schepsel der vergetelheid en zal met haar vergaan.

Als het anders was,

waarom bezitten deze armzaligen dan geen naam,

en kennen zij geen roepstem?

 

Daarom is iemand

die kennis heeft,

een wezen uit de hoge.

Als hij geroepen wordt,

hoort hij op, antwoordt hij

en keert zich naar Hem

die hem roept

en gaat op naar Hem,

want hij weet hoe hij genoemd is.

Omdat hij kennis heeft

doet hij de wil van Hem

die hem roept,

Hem wil hij welgevallig zijn,

en daarin vindt hij rust.

Zijn eigen naam valt ieder toe. Wie zo kennis heeft,

weet waarvandaan hij gekomen is en waarheen hij op weg is.

Hij weet dit,

zoals iemand die dronken was, nuchter is geworden en,

weer tot zichzelf gekomen,

zijn werkelijkheid herstelt.

 

Hij heeft velen

uit de Dwaling teruggebracht

en is hen voorgegaan

naar hun woning

die zij verlaten hadden

toen zij de Dwaling verkozen vanwege de onpeilbare diepte van Hem

die alle ruimten omvat zonder zelf door iets omvat te zijn.

 

Het was verbijsterend dat zij

in de Vader waren

zonder Hem te kennen,

en dat ze in staat schenen eigenmachtig naar buiten te treden,

terwijl ze niet in staat bleken

de Ene in wie zij zich bevonden te begrijpen of te kennen.

Alsof Zijn Wil niet aldus

van Hem was uitgegaan ...!

Want Hij hééft die

openbaar gemaakt

teneinde een kennis te verlenen waarmee al Zijn uitvloeisels

zich kunnen verenigen.

 

Dat is de kennis

van het levende Boek

dat Hij op het einde aan de eonen heeft geopenbaard

als Zijn schrift. Daarbij heeft Hij

duidelijk gemaakt dat het

noch stemhebbende

noch stemloze klanken zijn,

die iemand hardop leest

maar die inhoudsloos

voor hem blijven.

Integendeel, het zijn

de schrifttekens der Waarheid,

die alleen kunnen worden uitgesproken door wie ze zelf kent.

 Iedere letter op zich

is al een complete gedachte,

een volledig boek.

Want het zijn schrifttekens

door de Eenheid neergeschreven, door de Vader

voor de eonen vastgelegd,

opdat ze door Zijn lettertekens de Vader zouden kennen.

 

Zijn wijsheid bezint het Woord,

Zijn onderricht spreekt het uit,

 Zijn kennis openbaart het,

Zijn verdraagzaamheid bekroont het,

 Zijn vreugde harmonieert ermee,

Zijn heerlijkheid verheft het,

Zijn evenbeeld deelt zich erin mee,

Zijn rust neemt het in zich op,

Zijn liefde belichaamt het,

Zijn trouw omarmt het,

Zo gaat het Woord van de Vader uit door het Al,

als vrucht van Zijn hart

als uitdrukking van Zijn Wil.

Het schraagt het Al,

het verkiest hen

en voegt zich bovendien

naar de verschijningsvormen van het Al, zuivert hen

en doet hen weer inkeren

tot de Vader en tot de Moeder:

hij Jezus, vol eindeloze goedheid!

 

De Vader ontboezemt Zich zelf –

Zijn 'boezem' nu

is de Heilige Geest ­

Hij onthult Zijn Verborgene

- Zijn Verborgene is Zijn Zoon ­

opdat door de barmhartigheid van de Vader

de eonen Hem kennen

en hun verwoede zoeken naar de Vader staken

en rust vinden in Hem, wetende dat Hij die Rust is.

 

Hij, Jezus, heeft,

door het tekort aan te vullen,

de schijn vorm ervan opgeheven,

want schijn is deze wereld

en dat is de vorm

waaraan ook hij onderhevig was.

Want waar nijd heerst

en onenigheid,

daar is het tekort,

maar waar eenheid is,

daar is volkomenheid.

Aangezien het tekort ontstond doordat de Vader

niet werd gekend,

wordt het tekort terstond opgeheven,

zodra de Vader wordt gekend.

Zoals bij iemand die onwetend is diens onwetendheid

vanzelf verdwijnt

wanneer hij tot kennis komt,

zoals het duister verdreven wordt

wanneer het licht verschijnt,

zo lost het tekort op

in de volkomenheid.

Daarom is vanaf dat moment

de schijnvorm niet meer zichtbaar

wanneer die in de eenheid versmelt.

Want nu liggen hun gewrochten nog verstrooid

maar mettertijd zal de eenheid de ruimten vervullen.

In de eenheid zal ieder

zichzelf bereiken.

In kennis zal ieder

zichzelf zuiveren van veelvormigheid tot eenheid,

 door het stoffelijke in zichzelf te verteren als door vuur,

het duistere door licht

en het dode door leven

 

Totdat deze dingen aan ons allen voltrokken zijn

past het ons bovenal erop toe te zien

dat deze woning voor de Eenheid wordt geheiligd en gestild.

Zoals mensen die

na een verhuizing

kruiken die barsten vertonen stukslaan.

De huisheer ondervindt daarvan geen enkele schade,

integendeel, hij verheugt zich, want nu zullen alleen

de volmaakte kruiken vol zijn

in plaats van de ondeugdelijke.

 

 

 

Want zo is het oordeel,

vanuit de hoge gekomen

om ieder te oordelen

als een getrokken tweesnijdend zwaard

dat uitsnijdt naar beide zijden.

Toen het Woord verscheen,

dat in het hart woont

van wie het uitspreken,

dat niet louter stem is,

maar ook lichaam

aangenomen heeft,

ontstond er grote beroering onder de kruiken,

want sommige waren leeggelopen en andere vol,

sommige werden aangevuld

en andere vergoten,

sommige gewassen

en weer andere gebroken.

 

Alle ruimten schudden

op hun grondvesten,

en waren in verwarring

omdat ze bestendigheid

noch stevigheid bezaten.

De Dwaling was ontredderd

en wist niet wat te doen,

zij was bedroefd en jammerde en kwelde zichzelf omdat zij niets wist.

Toen de kennis, die

de ondergang is van de Dwaling en al haar uitvloeisels,

haar naderde,

bleek zij hol en inhoudsloos.

 

De Waarheid verscheen,

en al haar uitvloeisels

herkenden haar.

Zij omhelsden de Vader

in waarheid en volmaakte kracht waardoor zij verbonden zijn

met de Vader.

Want ieder

die de Waarheid liefheeft,

heeft de Heilige Geest ontvangen: immers de Waarheid is

de mond van de Vader

en de Heilige Geest Zijn tong, die ieder met de Waarheid verbindt doordat de tong gehecht is

aan de mond van de Vader.

Want zo, via de Heilige Geest, manifesteert de Vader Zich

en openbaart Hij Zich

aan de eonen.

Hij onthult Zijn Verborgene

en legt het uit.

 

Want wie anders bestaat er

dan alleen de Vader?

Alle ruimten zijn uitvloeisels van Hem.

Zij erkenden dat zij van Hem afkomstig zijn

zoals kinderen van een rijp man.

Zij wisten dat zij

nog geen vorm hadden gekregen,

nog geen naam hadden ontvangen. Pas wanneer de Vader hen

ieder afzonderlijk voortbrengt, ontvangen ze door Zijn kennis vorm.

 

Tot die tijd kennen ze Hem niet,

al verblijven ze in Hem.

De Vader is evenwel volmaakt, omdat Hij alle ruimten in Hem kent.

Hij manifesteert, als Hij wil,

al wie Hij wil

door hem vorm te geven,

door hem naam te schenken.

En Hij noemt hem bij naam

en brengt hén tot bestaan,

die vóór hun ontstaan

Hem niet kennen,

die hen tot bestaan heeft gebracht.

 

Hiermee bedoel ik niet te zeggen dat zij, die nog niet zijn ontstaan,

niets zijn, integendeel,

ze bestaan al in Hem,

die hen tot bestaan

zal willen brengen

wanneer Hij dat wil,

zoals de gelegenheid die

nog komen gaat.

Voordat ook maar iets gemanifesteerd is,

weet Hij wat Hij voortbrengen zal.

Maar de vrucht die nog niet gemanifesteerd is,

weet niets, en handelt niet.

Zo komen ook alle ruimten

die in de Vader verblijven

voort uit Hem die is,

die ze gegrondvest heeft

uit wat niet is.

 

Want wie geen wortel heeft,

heeft ook geen vrucht;

al denkt hij bij zichzelf:

'Ik ben tot bestaan gekomen'.

 Toch zal hij vanwege zichzelf vervolgens te gronde gaan.

Daarom zal hij, die niet al bestond, ook niet tot bestaan

worden gebracht.

 

Wat verlangt Hij dan dat

de onwetende van zichzelf denkt?

 Dit: 'Ik ben tot bestaan gekomen als schaduwen en schimmen

van de nacht!'

Wanneer het morgenlicht daagt en schijnt op wat hem

angst heeft aangejaagd,

beseft hij dat het niets was.

Zo waren zij onwetend

omtrent de Vader,

want zij zagen Hem niet

en dit werd reden tot angst

en verwarring en onzekerheid en twijfel en onenigheid.

 

Hierdoor kregen vele illusies

en ijle waanvoorstellingen

vat op hen, alsof ze in diepe slaap verzonken waren,

verzeild in boze dromen:

ofwel zijn ze zelf op de vlucht ergens heen,

of zitten ze anderen achterna

en komen daarvan uitgeput terug,

of zijn ze klappen aan het uitdelen of krijgen zelf klappen te verduren,

of ze tuimelen van grote hoogte neer,

of worden omhoog geslingerd door de lucht

terwijl ze niet eens vleugels hebben,

dan weer lijkt het of iemand hen van kant wil maken

hoewel er geen achtervolger

te bekennen valt,

of zijzelf slachten hun naasten af want zie,

ze zijn besmeurd met hun bloed.

 

 Tot het moment dat zij

die dit alles doorstaan

ontwaken, zien zij niets,

want al de verwarringen

waarin zij verkeerden

zijn in feite niets, onwerkelijkheid.

Net zo is het met hen gesteld

die de onwetendheid

hebben afgeworpen als de slaap,

die ze niet voor werkelijk houden,

want evenmin beschouwen ze

de gebeurtenissen daarin

als werkelijkheden.

Integendeel, ze laten die

als een droomwereld

achter in de nacht.

 

Ze achten de kennis van de Vader als het morgenlicht.

Zo heeft ieder

toen hij onwetend was, gehandeld alsof hij sliep,

en zo is hij tot kennis gekomen, alsof hij ontwaakte.

Gelukkig de mens

die zal terugkeren

en tot zichzelf ontwaken. En gezegend is hij

die de ogen van blinden geopend heeft.

 

En de Geest snelde hem te hulp nadat hij hem wakker had geschud,

stak hem een hand toe en heeft hem, die op de grond lag,

op de been geholpen,

want uit zichzelf

was hij niet opgestaan.

En hij gaf hem de mogelijkheid om de kennis omtrent de Vader

te bevatten in en door

de openbaring van de Zoon. Want wie hém eenmaal

gezien hebben en gehoord, vergunt Hij de geliefde Zoon

te proeven en te ruiken

en aan te raken.

 

Zo verscheen hij,

en onderrichtte hen

over de Onbevattelijke, de Vader,

waarbij hij hun inspireerde

met Diens gedachte

en aldus Diens Wil volbracht. Velen ontvingen het licht

en keerden terug naar Hem.

Maar de materiële mensen waren vreemden,

zij zagen zijn gedaante niet

en hebben hem niet herkend.

Want hij kwam in een evenbeeld van vlees,

waarbij niets zijn loop kon stuiten,

omdat het onvergankelijke onweerstaanbaar is.

Bovendien predikte hij een nieuwe boodschap omdat hij uitsprak wat

is in het hart van de Vader.

 

En hij verkondigde

het feilloze woord

en door zijn mond sprak het licht en zijn stem schonk leven.

Hij gaf hun denken en inzicht, genade en verlossing

en de geestkracht

uit de oneindige goedheid

van de Vader.

En hij maakte een eind

aan straffen en geselingen,

want die waren het juist

die velen die genade behoefden

deden afdwalen

van Zijn Aangezicht

in dwalingen en bindingen.

 

Met kracht ontbond hij ze

en wees ze door kennis terecht.

Hij werd

een weg voor de verdoolden

en kennis voor de onwetenden,

een schat voor de zoekenden,

een stut voor de onvasten,

en zuivere onschuld voor de belasterden.

 

Hij is de herder

die de negenennegentig schapen,

die niet waren verdwaald,

achterliet om het ene

verdwaalde te gaan zoeken

 

Hij verheugde zich

toen hij het vond,

want negenennegentig is een getal in de linkerhand,

waarop men het vasthoudt,

dat pas in z'n geheel

naar de rechter overgaat wanneer het ene gevonden is.

Zo trekt ook hij die

de Ene nog ontbeert

- wat zeggen wil

de voltallige rechterhand ­

naar zich toe wat hem ontbreekt,

en neemt het van de linkerhand

en brengt het over op de rechter: zo wordt zijn honderd rond.

Het is het getal symbool

van Hem die in hun telgeluid is: de Vader.

 

Zelfs op de sabbat spande hij zich in

voor het schaap dat hij in een put gevallen vond.

 

Hij gaf dat schaap het leven nadat hij het uit de put

had opgebeurd,

opdat jullie in je hart zouden weten - jullie kinderen van

de kennis van het hart ­

dat de sabbat niet een dag is waarop de verlossing

werkeloos mag blijven,

opdat jullie spreken van deze dag die uit de hoge is

en geen nacht kent,

en van het licht

-dat nooit dooft,

omdat het volmaakt is.

Zeg daarom vanuit je hart

dat jullie deze volmaakte dag zijn

 en dat in jullie dit licht woont dat nooit dooft.

Spreek over de waarheid

met hen die haar zoeken,

en over de kennis

tot hen die in hun dwaling

een misstap hebben begaan.

 

Verstevig de voeten

van hen die gestruikeld zijn

en reik de hand

aan hen die ziek zijn,

voed de hongerigen

en geef de vermoeiden rust,

help hen die willen opstaan

overeind

en wek hen die slapen

uit de droom.

Want gij zijt de wijsheid

die opbeurt.

Als kracht zo handelt

vermeerdert zij nog aan kracht.

Sla alleen acht op jezelf

en bekommer je niet

om andere zaken,

die je al weggeworpen hebt.

Keer niet terug om weer op te eten wat je al hebt uitgebraakt.

Wees geen mot, geen worm,

want jullie zijn het materiële al voorbij.

Laat de duivel niet in je wonen

want je hebt hem al verdelgd.

Verstevig niet wat

een struikelblok voor je is,

dat toch zal ineenstorten

ook al steun je het.

Want wie zonder de Wet leeft

 doet meer schade aan zijn ziel

dan wie wel volgens de Wet leeft.

 

De daden van de eerste

zijn dan ook wetteloze,

die van de laatste

zijn rechtvaardige daden

onder de mensen.

Doe daarom de wil van de Vader want je stamt van Hem.

Want de Vader is mild

en wat Zijn Wil is, is goed.

Hij heeft kennis genomen

van wat jou toebehoort,

opdat je daarin rust vindt.

Want aan de vruchten leert men het jouwe kennen.

 

De kinderen van de Vader zijn Zijn geur

want zij scheiden de genade af van Zijn Aangezicht.

Hierom heeft de Vader

Zijn geur lief

en verspreidt Hij die overal.

En wanneer die aldus

de stof doordringt

deelt Zijn geur zich mee

aan het licht

en gaat geluidloos

alle vorm en klank te boven.

Want de oren ruiken de geur niet,

 maar het is de ademhalende Geest

die het vermogen tot ruiken bezit,

die de geur opsnuift

en door het aroom van de Vader wordt bedwelmd.

Zo haalt Hij hem naar binnen

en voert hem mee naar de plaats van zijn oorsprong:

de oorspronkelijke geur

die verkild is tot psychische vorm,

als koude vloeistof die, bevroren,

vaste vorm aanneemt,

maar in werkelijkheid niet vast is

- maar wie het zien

denken dat het vaste stof is ­

en die daarna weer smelt, verdampt,

wanneer een geesteswindvlaag

hem beroert en verwarmt.

De bevroren geuren vinden dus

in de afscheiding hun oorsprong. Daartoe kwam het geloof.

Het hief de scheiding op

en bracht de warme volheid der liefde

opdat de vorst niet opnieuw intreden zou

maar de eenheid zou heersen

van het volmaakte denken.

 

Dit is het woord

van de blijde boodschap,

van het hervinden van het pleroma

door hen die reikhalzen naar verlossing vanuit de hoge.

Wanneer hun hoop uitreikt,

vol verwachting omdat

het schaduwloze licht

hun evenbeeld is,

dan breekt het pleroma aan

in de tijd.

De onvolkomenheid van

de stoffelijke wereld

is immers niet ontstaan uit

de oneindigheid van de Vader.

Hij daalt in in de wereld van tijd en onvolkomenheid,

ofschoon niemand in staat was te zeggen

dat de onvergankelijke op die manier komen zou.

Zo verwijdde de diepte

van de Vader zich, en

bleef het denken van de Dwaling buiten Hem.

Het is een mysterie van vallen en van rustig weer opstaan

van hem die Hem gevonden heeft die tot hem gekomen is

om hem terug te leiden naar huis.

Want deze wederkeer wordt inkeer genoemd.

 

Dit is de reden waarom

de onvergankelijkheid

zich uitgeademd heeft

en hem die een misstap

heeft begaan, is gevolgd,

opdat hij geheeld zou worden.

Want wat achterblijft van het licht, binnen de wereld

der onvolkomenheid,

is de vergeving,

het woord der volheid.

Net zo spoedt de heelmeester zich

naar de plaats waar ziekte heerst,

want dat is zijn innerlijke drijfveer.

Wie nu iets mankeert

verbergt dat niet voor hem

omdat de heelmeester bezit

wat de zieke nodig heeft.

 

Evenzo vult de volheid

die volkomen is

de onvolkomenheid aan

door zichzelf te geven

om hem te vervullen

die Hem ontbeert,

zodat hij de genade ontvangt.

Want zolang hij iets mankeerde bezat hij die genade niet.

Daarom trad er,

waar men genade miste, verzwakking op.

Zodra nu het verzwakte ontvangen had wat het nodig

had manifesteerde het zich weer

als volheid.

Zo wordt het licht der waarheid gevonden,

dat in hem daagde omdat het onveranderlijk is.

 

Daarom spraken zij in hun midden

van de Christus, de gezalfde,

opdat zij die verdwaald waren mochten terugkeren

en hij hen met balsem zalven zou.

Die balsem is de barmhartigheid van de Vader die erbarmen

met hen hebben zal.

Het zijn echter de volmaakten die hij gezalfd heeft,

want men smeert nu eenmaal alleen de volle kruiken

bij verzegeling dicht.

Maar zodra de zegelhars

van een kruik openbarst,

lekt de inhoud weg

en dat is de oorzaak

dat er een tekort ontstaat

en de verzegeling verbrokkelt.

Dan pleegt de buitenlucht

kracht aan de inhoud te onttrekken. Maar bij hem

die zonder gebreken is,

is geen zegel gebroken,

noch is er iets vergoten,

maar wat hij desondanks ontbeert,

vult de Vader in hem

tot volkomenheid aan.

 

Hij is goed.

Hij kent Zijn zaad want Hij heeft het

in Zijn paradijs gezaaid. Zijn paradijs nu

is Zijn Plaats van Rust.

Hier is vervolmaking

door de gedachte van de Vader en hier zijn de woorden

van Zijn bezinning.

Elk van Zijn woorden

is de uitwerking

van Zijn ene Wil,

geopenbaard door Zijn Woord. Toen zij, de woorden,

nog in de diepte

van Zijn denken verbleven,

liet het Woord

dat als eerste is uitgegaan,

hen verschijnen tezamen

met het denkend bewustzijn

dat het ene Woord

in stille genade uitsprak,

en dat 'gedachte' genoemd wordt, omdat zij hierin vertoefden

nog voor zij waren gemanifesteerd. Toen gebeurde het

dat dit Woord als eerste uitging, toen dat de Wil behaagde

 

van Hem die dit verlangde.

En het is de Wil

waarin de Vader rust

en welbehagen vindt.

Niets geschiedt er buiten Hem om,

niets gebeurt er zonder de Wil van de Vader.

Maar Zijn Wil is onnaspeurlijk. De Wil is Zijn voetspoor,

maar niemand kan het lezen.

Het is onmogelijk

Hem te ontrafelen

om Hem te kunnen doorgronden.

Maar op het moment dat Hij wil, bestaat wat Hij wil

in overeenstemming met Gods Wil - ook al behaagt hun

de aanblik hiervan niet.

 

Want de Vader kent van allen begin en eind,

want wanneer hun eind komt,

zal Hij hen dóórlichten

van aangezicht tot aangezicht. Het einde dan is het ontvangen

van kennis over de Verborgene. En dat is de Vader

uit wie het begin voortgekomen is

en naar wie allen zullen weerkeren

die uit Hem voortgekomen zijn

en die zijn gemanifesteerd

tot eer en verheerlijking

van Zijn Naam.

 

De Naam van de Vader is de Zoon.

Hij, de Vader, is het

die hem bij de aanvang

een Naam heeft gegeven

die is als Hemzelf

en die uit Hem is voortgekomen, en die Hij als Zoon

heeft voortgebracht.

Hij gaf hem Zijn Naam,

die Hem toebehoorde,

Hij, de Vader, aan wie alles

wat bij Hem bestaat, toebehoort. Hij bezit de Naam.

Hij heeft de Zoon.

Hem kunnen zij zien.

 

Maar de Naam is onzichtbaar.

Want die alleen is het mysterie van de onzienlijke

bestemd om door te dringen tot oren

die er geheel van zijn vervuld. Want inderdaad,

de Naam van de Vader

wordt niet uitgesproken,

maar is manifest door een Zoon.

Daarom is de Naam zo groot.

 

Wie anders zou Hem,

deze grote Naam,

bij name hebben kunnen noemen, dan Hij alleen,

aan wie de Naam toebehoort

en dan de zonen van die Naam,

in wie de Naam van de Vader rustte,

en die op hun beurt rustten

in Zijn Naam?

Aangezien de Vader

de ongeschapene is,

is Hij het alleen die de Zoon

voor Zich als Naam

heeft voortgebracht,

voordat Hij de eonen

had doen ontstaan,

opdat de Naam van de Vader

 boven hun hoofden zou staan als de Heerlijke,

dat wil zeggen, de ware Naam,

stevig in zijn gezag

door volmaaktheid in kracht.

Deze Naam bestaat immers niet uit louter woorden en is niet

uit benamingen samengesteld,

maar hij is onzichtbaar.

 

Hem alleen

heeft Hij de Naam gegeven,

als enige in staat Hem te zien,

als enige in staat Hem te noemen bij die Naam.

Want waarlijk,

de Onvoortgebrachte

kent geen naam,

welke naam zou men immers kunnen geven aan Hem

die niet tot bestaan is gebracht?

Maar hij die werkelijk bestaat

bestaat ook met zijn Naam. En Hij alleen kent die

en hem alleen heeft de Vader Naam gegeven.

En Zijn Naam is de Zoon.

Daarom verzweeg Hij deze niet, maar bestond de Zoon,

aan wie alleen

de Naam gegeven was.

 

Dus de Naam van de Zoon

is die van de Vader

zoals de Naam van de Vader de Zoon is.

Want waar zal erbarmen waarlijk een Naam vinden

als het niet is bij de Vader?

 

Maar ongetwijfeld zal iemand tegen zijn naaste zeggen:

'Wie kan iemand een naam geven

die eerder dan hijzelf bestond,

 alsof nakomelingen niet een naam krijgen

 van hen die hun het leven

schonken?'

Wat we voor alles moeten doen is hierop mediteren:

'Wat is de Naam?'

Het is de authentieke Naam,

het is dus geen vadersnaam

want hij is de Soevereine Naam. Hij heeft de Naam

niet te leen gekregen,

zoals anderen een naam krijgen

naar de soort waarin zij geschapen worden.

Maar dit is de Soevereine Naam.

 

Er is niemand anders die deze

aan Hem gaf;

onnoembaar en onzegbaar was hij totdat de Volmaakte

hem zelf uitsprak.

En Hij is de enige die bij machte is

 Zijn Naam uit te spreken en te zien.

 

Toen het Hem dan behaagde

dat Zijn geliefde Zoon Zijn Naam zou zijn,

en Hij deze Naam gaf aan hem,

die uit de diepten voortkomt,

sprak hij van Zijn Verborgene,

wetend dat de Vader

louter goedheid is.

Om die reden ook

zond Hij hem uit

opdat hij zou spreken

over de plaats

en over Zijn Plaats van Rust waarvandaan hij is uitgegaan,

en opdat hij het pleroma

zou verheerlijken,

de grootheid van Zijn Naam,

en de mildheid van de Vader.

 

Hij zal spreken van die plaats

waaruit eenieder voortgekomen is,

en naar het gebied

waarin ieder zijn ware wezen ontvangen heeft

 zal hij zich haasten terug te gaan,

en te nemen van die gindse plaats –

die plaats waar hij ooit stond ­en smaak te krijgen

van die plaats en zich ermee te voeden

en te groeien.

Zijn eigen Plaats van Rust dan is zijn Volheid, het pleroma.

 

Hierom zijn alle wezens

die van de Vader zijn uitgevloeid volheden, want alle wezens

die uit Hem zijn voortgevloeid hebben hun wortels in Hem,

die hen allen uit Zichzelf

deed ontspruiten.

Hij wees hen hun bestemming aan.

En eenieder is daardoor manifest,

opdat ze door hun eigen gedachte kunnen opstijgen.

Want de plaats waarheen zij

hun gedachte verheffen,

die plaats is hun wortel

die hen opheft

door alle hoogten heen

helemaal tot aan de Vader.

Zij bereiken Zijn hoofd

waar hun rust is en hun steun

doordat ze zo dicht bij Hem

vertoeven

dat ze zeggen

dat zij door innige omhelzing deelnemen

aan Zijn Aangezicht.

 

Anderzijds waren zij niet zodanig gemanifesteerd

dat ze zich uit zichzelf verhieven,

en toch waren ze niet verstoken van de heerlijkheid van de Vader,

noch stelden ze zich Hem voor als nietig,

 of verbitterd, of toornig,

maar eerder als volkomen goed, onverstoorbaar, mild,

alle ruimten kennend

voor zij tot bestaan kwamen,

en het niet nodig hebbend

dat iemand Hem onderricht.

 

Zo is de bestaansvorm van hen

 die van de hoge iets bezitten van die onmetelijke grootheid,

 terwijl ze zich uitstrekken

naar die Ene enige en volmaakte die er omwille van hen is.

En zij dalen niet af in de onderwereld,

noch valt er enige afgunst, geweeklaag of dood

in hen te bespeuren.

Maar in Hem, die in rust is,

rusten zij zonder inspanning,

en zonder verstrikt te raken

in draaien om de waarheid.

Want zelf zijn ze de Waarheid,

en de Vader is in hen,

en zij zijn in de Vader

volmaakt en onafscheidbaar

van de waarlijk goede.

In geen enkel opzicht

komen zij iets tekort,

maar zij zijn in rust,

verfrist door de Geest.

 

En zij aanschouwen hun wortel.

 Zij wijden zich toe aan zichzelf,

 zij in wie Hij Zijn wortel vinden zal

en die geen schade zullen lijden aan hun ziel.

Dit is de plaats van de gezegenden,

dit is hun plaats!

 

Wat de overigen aangaat

mogen zij hun eigen plaats kennen, want mij past het niet

over iets anders nog te spreken, nu ik in de Plaats van Rust

ben komen te verkeren.

Daar zal ik echter blijven

om mijzelf te allen tijde

toe te wijden

aan de Vader van het Al

en aan de ware broeders

over wie de liefde

van de Vader uitstroomt

en in wier midden

niets van Hem ontbreekt.

 

Zij zijn het die zichzelf

in waarheid openbaren aangezien ze in dat ware

en eeuwige leven verkeren

en spreken van het volmaakte licht dat verzadigd is

van het zaad des Vaders,

dat in Zijn hart is

en in Zijn pleroma,

terwijl Zijn Geest zich

in Hem verheugt

en Hem verheerlijkt

in wie Hij bestaat,

omdat Hij goed is.

En Zijn kinderen zijn volmaakt en Zijn Naam waardig,

want zij zijn kinderen
gelijk Hij, de Vader, liefheeft.

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL