De spirituele ontwikkelingsgang van Frederik van Eeden.

Lezing door de Heer Pijnenborg, op 15 februari 2006,
in
kapel Nieuw Vredenhof te Haarlem.

 

De Heer Pijnenborg werd verwelkomd door Paul de Pol, lid van het Frederik van Eeden Genootschap, die ervoor zorgde dat deze lezing hier in Haarlem kon plaats vinden.

Met een klein gezelschap van ongeveer 20 mensen, waarvan de meeste niet bekend waren met de werken van Van Eeden, zaten we klaar om voor de koffiepauze te luisteren naar de spreker en om na de pauze in gesprek te gaan over het gehoorde.

 Paul de Pol

  De Heer Pijnenborg

 

De lezing was opgebouwd rond vier belangrijke thema’s uit het leven van Frederik van Eeden:

1. Walden, opgang en ondergang

2. Zijn echtscheiding van Martha van Vloten en nieuwe huwelijk met Truida Everts

3. Zijn eigen filosofieën, te volgen in zijn dagboeken, in verband met zijn ‘ik-besef’

4. De ziekte en dood van zijn zoon: Paul

 
1. Walden.

bakkerij op Walden

 Met Martha en de twee jongens op Walden

    Nico van Suchtelen voor zijn hut op Walden

Als protest tegen de uitbuiting van de armen door de rijken [1][1]besloot de zeer sociale Frederik van Eeden, aan het eind van de 19de eeuw (1898), om een ‘kolonie te stichten waar het grondbezit gemeenschappelijk zou zijn, waar de opbrengst van die grond ten goede zou komen aan diegenen die ervoor geploeterd hadden en waar men, in samenwerking met andere kolonies van dezelfde aard, zelfbedruipend zou zijn. Een groot terrein werd aangekocht (mede dank zij het geld van een ex-patiente, mevr. Zimmerman, er werden hutten gebouwd, waaronder ook een voor Frederik zelf en men begon met de ontginning van de niet zo vruchtbare grond. En de stichting van Walden was een feit.

 Hij was vastbesloten om van dit project een groot succes te maken en te laten uitgroeien tot een wereldwijde samenwerking tussen de arbeiders.

Zelf liep hij ook achter ploeg en kruiwagen en voelde zichzelf daar zeer goed bij, iets wat nogal vreemd te begrijpen valt van iemand die tot nu arts en auteur was en niet gewend aan lichamelijke arbeid. Hij kreeg dan ook heel wat spot te verduren vanwege 'vrienden' en buitenwereld. Maar Free bleef trouw aan zijn ideaal.

Aanvankelijk ging het goed met Walden en steeds meer mensen kwamen er wonen. Helaas hoorden daar ook profiteurs bij die wel wilden delen in de opbrengst maar niet geneigd waren om daar ook voor te werken. En de sociale bewogenheid van Free zorgde ervoor dat hij niet in staat was om mensen te weigeren.

Toen in 1903 de grote spoorwegstaking uitbrak en Van Eeden, alweer gedreven door zijn al te groot altruďsme, grote sommen geld, die eigenlijk voor Walden bedoeld waren, uitdeelde aan de werkloze spoorwegarbeiders, was dat een financiële aderlating die Walden nooit meer te boven zou komen.  In 1907 ging de kolonie dan ook failliet. Ter illustratie: dagboekfragment en een spotprent op Frederik van Eeden als 'boer'.



 

2 maart 1898

In 't complot zijn nu Jo, van Oordt, van Meurs en Steenhof. Ook heb ik Willem van Riet als knecht gehuurd. Het is geloof ik een goed gesorteerd gezelschap. Om hun vermogens en hun karakter. Allen frisch, eenvoudig, vrij van geest, bescheiden, sober en arbeidsaam. Daarbij allen wijs en talentvol, met verschillende technische handigheid. De grootste ellende vind ik het gescharrel om grond te koopen van die beroerde koop­lui, die ik verbazend antipathiek vind. Wat zal ik blij zijn als de koop eenmaal gesloten is. Nu ik deze medewerkers heb ben ik volstrekt niet bang. Het is volstrekt geen hachelijk ondernemen. Mijn leven is nu veel gevaarlijker, met groote uitgaven, groote schuld en geen hulp. Ik zal het volkomen succes noemen als over vijf jaren de zestien personen (mannen, vrouwen en kinderen) die nu in ' t geval betrokken zijn kunnen leven van de 6000 die ik nu alleen verteer. En dat is geen buitensporige verwachting.

2. Echtscheiding en nieuw huwelijk.

 

 De foto's van Martha en Frederik

Frederik van Eeden was gehuwd met Martha van Vloten die hem twee kinderen schonk: Hans en Paul.

Toen echter de 13 jaar jongere Truida Everts op Walden kwam wonen raakte Free verliefd op haar. Hij schreef dat Truida hem iets kon geven waaraan hij een zeer grote behoefte had, iets waar Martha blijkbaar niet van overliep, en dat was tederheid.

Vanaf dat moment raakte hij bevangen door een vreselijke gewetensnood waarover hij vaak schrijft in zijn dagboeken: Aan de ene kant trok hem het gezinsleven met zijn vieren, met Martha, Hans en Paul; aan de andere kant voelde Truida met haar tederheid voor hem meer als ‘zijn vrouw’ dan Martha.

Uiteindelijk is hij dan toch gescheiden van Martha om met Truida in het huwelijk te treden. Hij beloofde wel om altijd voor zijn gezin te blijven zorgen en dat heeft hij dan ook gedaan.

   

Martha van Vloten

  

Free met Martha, Paul en Hans

Truida Everts

Hoe zwaar deze tweespalt hem viel wordt geďllustreerd in onderstaand dagboekfragment uit mei 1906:

 

Ik weet dat ik, door evenals in 1893 mij los te maken zeer gelukkig zou worden, evenals ik toen zeer gelukkig werd. Maar het is nu moeielijker en ik eisch ook meer. Ik ben ook wat ongeduldiger, omdat ik ouder ben, en niet zooveel jaren meer te verliezen heb.

In mijn gemoedsleven is een schrikbarende moeielijkheid, die een crisis tegemoet zal gaan, maar waarvan de oplossing mij duister is.

Aan mijn gezin, vrouwen jongens, ben ik gehecht zooals de beste huis­vader aan zijn gezin gehecht kan zijn. De jongens zijn braaf en goed en beminnelijk, de moeder heeft gebreken maar ook groote deugden, haar en mij verbindt de herinnering aan een lang en rijk liefdeleven uit vroeger jaren, een te samen dragen van veel moeite, veel edele bewegingen jegens elkaar, veel genot samen, maar enkele, zeer schaarsche bittere momenten. Maar de teedere, oorspronkelijke innigheid is verloren, wel voor goed. En wat ik nu van eene andere krijg, dat gaf zij nooit en kon zij nooit geven, en niemand anders. Zou ik nu, als zedemeester voor anderen optredend, zeggen: breek dat mooie/ dat allermooiste wat je gehad hebt, en wees tevreden met het goede, regelmatige, dat je leven rustig en zuiver zal maken. Zou ik dat tegen anderen zeggen? En zou dat het zijn wat God wil? Mijn hart weigert. Ik kan dit schoon niet moedwillig ver­moorden, terwille eener uiterlijke vrede, eener conventioneele regelmatig­heid. Ik lig liever krom, en houd vol wat dan onzuiver heet. Tenzij de toestand meer en meer gespannen wordt. Maar dat zal mijn werk niet zijn, - maar het noodlot. Nog tracht ik te doen wat ik goed acht en houd vol, waar ik meen dat het moet. Maar dit conflict is het scherpste waar ik ooit in ben geweest. Deze soort conflicten echter dooden en vermoeien den geest niet, zooals kleine en leelijke doen. Het stoort de hoogere werk­saamheden niet.

Het leven is altijd tragisch, van hoog standpunt beschouwd. Het tragische duld ik en draag ik. Maar het kleine en leelijke niet.

 

Uiteindelijk koos Frederik dus voor wat  voor hem, diep van binnen, als juist aanvoelde. Hij kón in zijn visie, niet anders dan het huwelijk met Truida, dat zij eerder in de geest al hadden gesloten, ook voor de wereld te bevestigen, hoe zwaar het hem ook viel om Martha en de jongens te verlaten.

Die waarachtigheid moet ook voor Martha duidelijk geweest zijn want de ex-echtgenoten zijn steeds met elkaar blijven omgaan, zonder sporen van bitterheid noch verwijten vanwege Martha.

3. Zijn 'IK'-besef.

 

De spreker leest teksten voor uit de dagboeken van Free  

  Met groot enthousiasme

Frederik van Eeden was nooit iemand die zomaar doorheen het leven stapte. Hij was een filosoof, in die zin dat hij veel nadacht over het leven, over zijn eigen 'zijn', over de bedoeling van dit alles. Ik zijn dagboeken is merkbaar dat hij daar soms behoorlijk ver in ging en een zeer bijzonder 'ik'-besef bezat.

Hij zag zichzelf niet als een afgescheiden 'IK' maar als een ik dat zowel het middelpunt van de hele kosmos is en tevens ieder ik uit de hele kosmos zou kunnen zijn. Hij zag de mens, zoals hij hier op aarde leeft, als een microcosmos met een kern waaromheen allerlei planeten hun baan beschreven.

Hij was dus bepaald religieus zonder kerks te zijn. Aan het eind van zijn leven zal hij zich, na een retraite in een klooster en cathechesatielessen, laten dopen als lid van de katholieke kerk. Wellicht hebben Truida Everts, die al eerder gedoopt was, samen met de eveneens gedoopte Hugo ( zoon uit het huwelijk van Truida en Free) hier een rol in gespeeld.

Ook vergeleek hij de mensheid wel eens met een boom waarvan elke entiteit een blaadje is en deel van het geheel.

Hij kon zeer verheugd en gelukkig zijn, maar verviel ook meermaals in zwaar sombere gepeinzen.

Dit alles is zeer goed te volgen in zijn nagelaten dagboeken waaruit hier enkele fragmenten: (dit zijn niet allemaal precies dezelfde fragmenten die de heer Pijnenborg aanhaalde)

 

Over zijn soms vreugdevolle en soms sombere gedachten:

 

1898

Ik voel reden voor dankbaarheid. Het gevoel "zelfvoldoening" zet zich om in "dankbaarheid", ook als het mijn eigen daden betreft. En ik krijg dat gevoel van sterkte: wat kan ik vreezen, als ik toch niets verlang dan Gods wil doen? Dan is er geen teleurstelling mogelijk. Want dat kan altijd, en gelukt altijd. De uitwerking is van geen beteekenis daarbij.

 

Augustus 1898

Droef, droef, droef

Het is of ik een afgrond voor me zie, waarin ik niet springen durf, ter­wijl ik toch weet dat ik God dáár alleen vinden zal. En die wereld vol logen en valsch begrip.

 

Februari 1899

Als ik verantwoording moest doen van mijn zelf­verloochening dan zou wel dit vooraan komen, dat ik mijn leven lang de menschen plezier heb willen doen en aangenaam heb willen zijn, dat ik die mij 't liefst waren zonder terughouding heb willen geven wat ik 't best had, en alles willen opofferen om hen wat gelukkiger te maken, en dat steeds het eind is dat ik moet hooren hoe ik ze hinder en pijn en verdriet doe.

 

3 juni 1903

De voorzomer is weer voorbij. Ik ben nog vervuld van de drie zonne­dagen en het mooie land. Het is zoo teer, ik kan er niet over schrijven en het is ook verlangen. Het is zoo vreemd dat al mijn vroegere verklaringen van dat gevoel niet opgaan. Is het de hoogere ontwikkeling van mijn ziel die onder zeer gunstige omstandigheden zich openbaart in geluksgewaar­wording ? Maar hoe bedroefd leven de menschen die deze soort dingen niet kennen.

 

28 juli 1906

Ik voelde dit: dat ik in overmoed en onverstand veel te veel heb willen helpen. Dat dit slecht

Is en dom. Dat depressie en somberheid een kwaad en een waan is, die wij

Van alles het meeste moeten vreezen en ten koste van alles bestrijden. Dat wij  daartoe dikwijls harder en zelfzuchtiger moeten zijn dan ons goed lijkt.

Dat het vreugdezwaard hard en scherp is, maar toch zegenrijk. En dat alle

lichamen sterven maar alle wonden genezen. Maar wij moeten dood en wonden niet vreezen, want alleen daardoor leeft en geneest de ziel.

 

28 augustus 1906

Van nacht minder goed geslapen, maar door opgewekte gedachten.  Ik overzag mijn geheele leven en vond dat ik mij steeds te gedwee heb laten vernederen. Ik voelde mijn waarde stelliger en het onrecht van mijn vijanden duidelijker. Het is ook niet goed zichzelf te miskennen. Ik heb geen schuld aan de Maatschappij maar integendeel te goed, veel te goed. Dit heeft niets te maken met mijn gevoel van onvolmaaktheid, dat is mijn verhouding tot God. Daarin voel ik mijn te kort. Maar in mijn verhouding tot de menschen. Ik ben niet gekend, niet begrepen, niet ge­waardeerd. Dit is voor mij geen reden tot beklag of bitterheid.

 

Over zijn zelf-besef.

 

19 oktober 1906

Van morgen een oogenblik van ontzachlijke verwondering over dat zeldsame gevoel van identiteit, het ik-zijn, dat elk van ons onderscheidt van alle andere menschen. Juist dit ééne wezentje, op dit plaatsje, in dit tijdstipje, voelt zich een middenpunt vanwaar hij, als ikheid, werelden en tijden overziet.

 

 4 januari1907

Dit dagboek is mij tot troost en is ook van wezenlijke beteekenis. Het helpt mij tot het vormen van een vaste persoonlijkheid.

De mensch is wat hij van zichzelf maakt. Hij is datgene wat men, de opinie van anderen, van hem maakt, of wat hij zelf van zich maakt.

 De meeste menschen worden gemaakt, en zijn of worden, wat anderen meenen dat ze zijn.

Zich­zelf tot een vast wezen maken is ontzachlijk moeielijk, nooit geheel moge­lijk, omdat men altijd nog de meeningen van anderen ondergaat.

Wat ik ben, in de oogen van mijn vijanden is absoluut verschillend van wat ik ben in de oogen van die mij liefhebben, en dat verschilt weer van wat ik ben in eigen oogen.

En het geloof in een van die meeningen veran­dert ook werkelijk mijn ware wezen.

En vooral bij iemand als ik die zoo­veel belangstelling en vertrouwen heeft, van nature, in de meening van anderen, is het vastleggen van mijn eigen onvervalschte meening zoo noo­dig.

Wij kunnen onzen aanleg niet veranderen, en niet aansprakelijk daarvoor zijn. Maar wel onzen groei, onze vorming zelf leiden, en daarbij is het willen kennen, en het willen doen dat wat eigenlijk onze moreele waarde bepaalt

 

30 januari 1907

De aarde is een levend, bewust wezen waarvan de plant- en diersoorten de organen zijn. Niet de individuën, maar de plant- en diersoorten.

 Van deze organen nemen wij alleen de individuën waar, maar dat zijn de cellen van het orgaan, het geheele orgaan zelf is voor onze zintuigen onwaarneembaar.

Wijzelf, de menschen, zijn de cellen van het hoogste orgaan, de menschensoort.

Deze organen veranderen, wijzigen en ontwikkelen zich.

De menschensoort, het centraal-zenuwstelsel van de aarde, is in voortdurende snelle ontwikkeling.

Het duidelijkst teeken daarvan is de steeds toenemende betere associatie der cellen.

 In een groote stad met druk telefoon-verkeer is het orgaan tot een veel hooger en sneller werkzaamheid gekomen.

Maar er is geen orgaan dat geheel stabiel blijft, tenzij dan de allerlaagste soorten, diatomeeën, enz. 

 Deze hypothese stelt de vraag van het ontstaan van 't leven, en 't ontstaan der soorten in 'n geheel nieuw licht.

Mits men rekening blijft houden met het onwaarneembare.

Daarbij moet men de mogelijk­heid aannemen, dat de aarde zelf weer een cel is van een oneindig grooter Wezen.

En dat de cellen, waaruit wij zelf zijn opgebouwd en de atomen waaruit die bestaan, of electronen weer sterrenstelsels vormen, waarop nog kleiner wezens leven.

De vraag is: is er in deze gradatie een absolute maatstaf? Iets wat men een midden zou kunnen noemen?

Of voelt het wezen dat als orgaancel leeft op de planeet in het zonnestelsel der electronen, die een cel van ons lichaam uitmaken, zich even groot of even klein als wij zelf?

Het ziet immers dezelfde oneindigheden om zich heen?  En de aarde en onze zon zien immers ook oneindigheden om zich heen? Alleen schijnt er een logische oorzaak te zijn dat het ruimtelijk grootere ook gees­telijk hooger en helderder is.

Wij zelf meenen helderder bewust te zijn dan de cellen van ons lichaam, zooals de volwassenene zich helderder bewust weet dan de zuigeling. Zoo lijkt het ons waarschijnlijk, dat de onwaarneem­bare menschen-soort hooger bewustzijn heeft, helderder leven leeft, dan 't individu.

En dus ook het wezen, de aarde, waarvan de soorten de organen zijn. En zoo voort.

Dit alles beantwoordt aan onze geestelijke intuďtie, dat er een opgang is tot een allerhoogste Wezen.

Dat dus klein en groot, hoog en laag, niet gelijk zijn. Maar dan moet er rekening gehouden wor­den met de cosmische inzichten, die reeds geen onderscheid meer maken tusschen boven of beneden.

Die hoog en laag alleen erkennen ten opzichte van een punt, de aarde, dat niet meer als vast beschouwd kan worden.

Die dus werkelijk ook voor groot en klein zulk een gelijkheid konden doen vin­den

. Eindelijk is nog mogelijk, dat al onze begrippen omtrent opgang en ondergang, evolutie, enz. afhankelijk zijn van den bizonderen aard van ons deel van 't heelal.

De wiskunde stelt buiten elk universum nog weer een  hyper-cosmos. En als men ons zonnestelsel voorstelt als elementair com­ponent van een weefsel, van een orgaan, dan zouden alle verschijnselen die wij als universeel aannemen, graviteit, evolutie, enz. afhangen van de bizondere werksaamheid van dat orgaan, en zich beperken tot het voor ons waarneembare Heelal, zonder iets te bewijzen voor al het bestaande.

Maar hoe wij denken, wij komen altijd tot het bestaan van een oneindig aantal oneindig hooger en helderder levende wezens dan wij, en verheven intelligenties waarvan wij de onwetende componenten zijn, zoo als onze bloed- en hersencellen zich verhouden tot onze bewuste eenheid.

En ook komen wij tot één Eind-wezen aan alles even na, van alles even ver.

4. De ziekte en de dood van zijn  zoon, Paul

Paul

Paul, de jongste zoon die Frederik had bij Martha, was altijd al een beetje zwakker dan de oudste, Hans. Regelmatig had hij af te rekenen met longontsteking. Hij had een artistieke instelling en was een lieve, gevoelige jongen én het zorgenkind van Free. Omdat hij zelf arts was kon hij lang van te voren zien aankomen dat het niet goed zou komen met Paul; als mens hoopte hij natuurlijk dat hij zich vergiste.

Maar toch ging het fout. 1913 werd een droevig jaar voor het gezin want in plaats van de herstellen werd Paul steeds zieker. Tijdens zijn ziekte kwam zijn liefdevolle inborst steeds meer tot uiting, iets wat Frederik zowel met een diepe vreugde als grote weemoed vervulde.

 

Enkele dagboekfragmenten uit 1913:

Laatste dagen.

 

zondag 26 januari

 

De kleine Hugo wordt vier jaar vandaag, en Paul liet in al zijn ellende, zijn pijn en benaauwdheid, toch nog een scheepje halen uit zijn kast om aan Hugo te geeven "voor Wijk a/Zee". En de herinnering aan het blijde strandleeven, dat hij nu nooit meer zal meemaken, waar hij zooveel van hield - en de gedachte aan het kleine blozende ventje dat zoo vol verwach­ting begint, en Paul, nog niet halfweg, moet scheiden - ik zag de Dood op zijn gezicht.

Ik werk aan mijn droom-artikel. Ik schrei veel. Hoe weinig begrijpen we nog van het leeven.

 

 

vrijdag 7 februari

 

Een diep droevige tijd. Het voorjaar komt al, de voogels zingen, de lijs­ters en meezen. En mijn arme lieve jongen wacht. . . wacht. . . "Het is maar wachten nu" zei hij "wachten".  En toch ziet hij zijn toestand niet in, en hij wil niet sterven. Telkens spreekt hij nog van beeterschap, en van plan­nen. Zijn longen zijn nu goed, zegt hij, als nu zijn maag maar wilde. Hij heeft geen koorts meer, maar hij kan niets verdragen. Hij is nu zoo zacht en vriendelijk, hij glimlacht zoo onuitspreekelijk lief teegen me. De som­bere bitterheid wordt minder. De nachten zijn niet onrustig. Hij droomt ook niet akelig meer.

 

maandag 17 februari

Paul's laatste dagen, misschien laatste uuren. Hij lijdt niet meer, voelt zich rustig. Hij wil alleen witte bloemen om zich heen, die niet geuren.

Toen ik gister lang bij hem bad, dacht ik deeze gedachte, dat de eeuwigheid niet kon gedragen worden zonder leed. Ik voelde de noodzaak en het goede van leed. En vandaag dacht ik aan het organisch en anorganisch leeven als de sluimer en het ontwaken van God. Het zijn Gods dagen en nachten. Inslapen en ontwaken. Anorganische materie, waarin organisch leeven opbloeit. Groote slingerphasen.

 

donderdag 20 februari

 

Gister toen ik teegen Paul zei, dat we hem om zijn zwakte nog maar niet naar een andere kamer zouden transporteeren zei hij: "ik word toch niet meer sterker. Er is niets meer aan te doen" en toen deed hij het gebaar van stilzwijgen: ssh! Toen wist ik voor 't eerst dat hij zijn toestand inzag, en liet varen wat hij zoo lang vasthield, hoop op herstel.

Van daag zei hij teegen Daelmans, met die aandoenlijke lach: "ik wil sterven, ik wil sterven" bedoelend dat men zijn lijden verkorten zou. En toen teegen mij: "wil je de goede God bidden dat hij me tot zich neemt". Toen heb ik hem getroost met alle kracht die in me was, met alle oovertuiging. Wilde God mij maar een innerlijk teeken geeven! Wilde Hij mij maar bevrijden van die vrees voor zelfbedrog!

 

Paul's sterven.

 

vrijdag 21 februari

 

Het teeken is gekoomen. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk, zoodat elk het zien moest.Het verheerlijkte gezicht van mijn lieven jongen in zijn stervensoogenblik. Dat was booven alle twijfel verheeven. Dat moest ieder die zien kon tot geloof brengen. Hij bad en hij zag. Hij zag iets wonderheerlijks en moois. En in 't gebed steeg hij in 't beetere land. God nam hem tot zich. Tot de laatste seconde bleef hij helder en in contact met ons. Hij zag een oogenblik vizioenen. Toen liet hij mij roepen. Als ik maar in de kamer was, bleeven ze weg. Hij zag ook een vizioen dat de zuster hem plaagde. Toen zei hij op zijn liefste toon: jij mij plagen! En daarna zei hij dat hij "niets meer begrijpen kon" en "niets meer wist". Toen zei ik hem geduld te hebben. "Nu moest het toch koomen" zei hij "nu moet het toch gebeuren!"

En toen gebeurde het. Hij vouwde de krachtelooze handen, de oopen mond ging dicht en preevelde, de oogen gingen wijd oopen en kreegen een uitdrukking van extaze, en verrukking. Toen hield teevens de adem op, en hij gleed oover in het beetere land zonder snik, zonder convulsie. Dood. stil, in extaze. Prachtig was de uitdrukking van zijn gezicht. Martha, Hans en de zuster zeiden allen: nu zijn wij allen blij. Nu is Paul gelukkig.

De lange wacht bij de agonie was vreesselijk. Ik kon het niet meer uit­houden. Van Donderdag avond tot Vrijdag namiddag duurde de kamp, misschien nog erger voor ons wachtenden dan voor Paul zelf. Midden in den nacht zei hij: "jelui verveelen je zó6. Ik kan het niet helpen dat het zoo lang duurt." En toen het daglicht kwam, zei hij: van avond lig ik nog zoo. Kort voor zijn verscheiden sprak hij ons allen aan, en zei tot mij op zijn liefste, vleiendste toon "lieve, zoete vaalje!"  0 dat zeegenrijke geluid voor me. En ook zijn moesje en Hans kreegen dank en liefde woor­den van hem.

----

Onbeschrijfelijk aandoenlijk alles met de zachte fluisterstem, de engel­achtige glimlach, de krachtelooze gebaren.

In de lange nacht was ik radeloos. Ik kon het gemartel niet langer harden, en vroeg Daelmans er een eind aan te maken. Maar dat mocht die natuurlijk niet doen en dat was goed ook. Want nu stierf hij volkoomen bij besef,

op de eedelste, schoonste wijze, in innig gebed. Zoo duidelijk zag hij verrukkelijke dingen dat wij allen diep getroffen waren. Alleen als hij me vroeg de vizioenen te verdrijven, dan werd ik rustig. Maar de nacht en dag voelde ik als de duldeloos vreesselijkste van mijn leeven. Maar toen de verlossing en de verheerlijking kwam zeegende ik den lieven heiligen Paul voor zijn kostbaar geschenk. Hij gaf mij zeekerheid.  "Je bent verder dan ik" zei ik teegen hem in den nacht "voor jou is het ergste al geleeden en de schrik alooverwonnen."  Nog niet geheel" zei hij toen.  Maar het werd geheel. Ik bad voortduurend zoo goed ik kon. Maar ik was vol onrust en zeer zenuwachtig. Met enkele oogenblikken van genade. En het zalige slot.  Ik voelde eerbied voor Paul, en nu denk ik met eerbied aan hem. Hij is nu heilig en gewijd in mijn gevoel. En hij heeft mij groote zee­gen gebracht.

 

Namijmeren.

 

zaterdag 22 februari

 

Het was Vrijdag gisteren. Paul's Goede Vrijdag. Als om zijn Christus­figuur te voltooien waren er roode litteekens op zijn beide voeten.  Het is heeden een plechtig-stille, zonnige dag. Koel en effen, witte wolken drijven stil aan blauwen heemel. Ik sliep rustig en voel verkwikt en ge­sterkt, innerlijk diep vreedig. Alle bitterheid heeft mijn lieve jongen uit mijn hart genoomen. Ik heb bij hem gebeeden van morgen, tot hem, en bem gedankt, en veel zachte tranen geschreid. Alle hardheid en bitterheid hebben ze weggespoeld. Ik ga nu rond in den stillen, lichten dag en begrijp alles beeter.

Ook zeer merkwaardig was de verfijning van zijn zintuigen in de laatste uuren. Ik praatte zeer zacht met Dr Daelmans, achter een kamerscherm, maar toen de zuster hem vroeg of hij er iets van hoorde zei hij: "ik versta alles." En tot op 't moment van sterven hoorde hij 't zachtste fluisterwoord.  Het licht hinderde hem, als te schel voor zijn oogen. Hij zette nog zelf met zijn machtelooze handen zijn zwarte bril op Vrijdag morgen. Maar elke glimlach en groet van onze oogen om hem heen beantwoordde hij, als hij de oogen oopen had.

Ook zijn moeder bleef, zonder slaap, bij hem in zijn gansche laatste strijd. Ik zag dat ze zich gaauw zou herstellen. Ze was vol zorg, en zeer aangedaan

 

maandag 24 februari

 

Ik herinnerde mij van nacht dat Paul, kort voor zijn verheerlijking, teegen zijn moeder sprak van het "doodshemdje" . En zij begreep zijn bedoeling. Vandaag las ik eerst het fijne sprookje van Grimm, dat hij bedoelde. Welk een helderheid, dat juist als herinnering voor zijn moeder uit te kiezen. Het kindje dat niet rusten kan zoolang moeder schreit, omdat zijn doods­hemdje nat wordt van de tranen. Een geest die zooiets bedenkt, lijdt niet, maar is verhelderd.

 

 

In de weken die volgden op de dood van zijn zoon schreef Frederik van Eeden, als 'monument' voor Paul, het prachtige boekje: Pauls Ontwaken, waarin hij het sterven van Paul vertaalt in een Ontwaken in Gods Heerlijkheid.   



 

Na de pauze.

 

 

Na de koffie of theepauze kregen de luisteraars het woord. Het was duidelijk dat de meeste niet veel afwisten van leven en werk van Frederik van Eeden.

Er werden voornamelijk vragen gesteld over Walden, waar de naam en de idee vandaan kwam, en over de relatie tussen Frederik van Eeden en de Tachtigers en over het waarom van de latere bekering van Free tot de Katholieke Kerk.

 

De heer Pijnenborg legde uit, over Walden, dat de inspiratie daarvoor kwam door het avontuur van Thoreau ( in Amerika) die uit protest tegen de consumptiemaatschappij in een hut in een bos ging wonen

en later een boek schreef hierover: 'My life in the woods'.

 

Thoreau ( 1817-1862)

 

De tachtigers bestonden uit een groepje jonge dichters uit de jaren tachtig van de 19de eeuw. Samen hadden zij het tijdschrift:  De Nieuwe Gids, waarin zij hun eigen werken publiceerden, kritiek leverden op elkaar en ook op andere auteurs uit die tijd.

Tot de meest bekende horen: Frederik van Eeden, Willem Kloos, Herman Gorter, Lodewijk van Deijssel en Albert Verwey (tevens zwager van Frederik) Het was een groep collega's, tevens vrienden, maar toch gunden ze elkaar geen enkel succesje en wantrouwen lag altijd op de loer.

Na een paar jaren kreeg Free met elk van hen hevige onmin waardoor hij uiteindelijk de groep verliet.

 

Meer lezen over de Tachtigers in De Nieuwe Gids

Lodewijk van Deyssel

    Herman Gorter

  Willem Kloos

 Albert Verwey

Daarna kwamen er ook nog vragen over het feit dat Van Eeden zich, op latere leeftijd, nog bekeerde tot de Katholieke Kerk.

Volgens de Heer Pijnenborg ( zelf, als Jezuiet, lid van de Katholieke Kerk) had Free na een levenlang zoeken en twijfelen, een grote behoefte aan een rustpunt. Aanvankelijk ging hij zich, na de dood van Paul, bezighouden met spiritisme in de hoop nog boodschappen te krijgen van zijn zoon, die dit contact min of meer beloofd had vlak voor zijn overlijden. Dat gebeurde, volgens zijn dagboeken, ook een paar keer. Naderhand kreeg hij via het medium van hun kring ook twee boekjes door over Jezus. Het tweede, Jezus openbaar leven, was van een veel mindere kwaliteit dan het eerste, Jezus' leer en verborgen leven.

Het gezin Van Eeden had een intieme katholieke vriend: Pater de Groot, maar  dat was voor hun aanvankelijk geen reden om 'kerks' te worden zoals duidelijk blijkt uit dit dagboek fragment uit 1918

 

zaterdag 21 december

 

Mooi, zonnig, zacht weer. Het lijkt soms wel of mijn bestaan, in plaats van eenvoudiger en klaarder, steeds meer gecompliceerd en confuser wordt. Kon ik mij maar uit die "veelzijdigheid" los maken. Nu heb ik zooveel te ooverzien dat ik in het belangrijkste niet schijn te vorderen.

En toch - In sommige omstandigheeden voel ik mij vaster, krachtiger. Zoo was ik eergister met Truida bij Pater de Groot. Wij waren beiden getroffen door de rustige sfeer en de lieve, vroome man. Maar wij voelden ook beiden ons goed recht om anders te gelooven dan hij. Dat gezag der kerk, direct afstammend van Jezus - dat imponeerde ons niet. Ik weet nu veel vaster en zeekerder dat ik nooit Roomsch zou kunnen worden. Ook al had Pater de Groot gelijk met zijn kritiek op het Jezus-boekje. Hij is er zeeker van dat het gemaakt is, onbewust, door het medium. Dat is dus de gewoone materialistisch-psychologische opvatting. Ook zijn min of meer schampere bespreeking van sommige zaken, vooral van theosofische expressies, toonde zwakheid. De theosofen waren het moeyelijkst te bekeeren, zei hij. Geen wonder, dacht ik. Maar Truida en ik hebben dezelfde neiging om hem in geen geval in zijn vroom besef te stooren. Er is niet veel kans op, maar ook die kleine kans willen wij, uit liefde voor den mensch, niet versterken.

 

Op 20 april 1919 schrijft hij nog:

 

 Ik kan de Paasch-stemming niet voelen. Mijn lieve vrouw wordt al meer en meer naar de katholieke kant getrokken.  

Hoogaltaar in de abdij                       Prof de Groot

Zowel in 1920 als in 1921 gaat Frederik op retraite in een Benediktijnerabdij in Oosterhout en besluit uiteindelijk toch ( onder invloed van de paters, vriend De Groot, Truida, of eigen beslissing?) om Katholiek te worden en zich te laten dopen.

 

Zaterdag 24 september 1921

 

Zoel, neevelig weer. Gisteren was het drukkend heet. Wij konden tot laat in den tuin zitten. Ik wandelde door het heele dorp, zag de Slotjes en het park. En de groote kerk. Het is een plaats vol kerken.

Het is nu bepaald dat ik den aartsbisschop zal vragen om pater de Groot aan te wijzen als de persoon die mij inlichtingen geeft. En als die dat doet, dan zal mijn Doop in de Abdij plaats vinden, zoodra pater de Groot het ge­noeg vindt. c Ik heb diep en rustig geslapen. De droefheid kwam weer, kort na 't ontwaken. Toen zag ik op teegen den strijd. Maar bij de vroeg­mis was ik kalm en dankbaar.

 

 En in 1922 is het dan eindelijk zover:

 

zaterdagmorgen 18 februari, 8 uur

 

Helder zonnig weer. Aanstonds word ik gedoopt en krijg ik de H. Com­munie. Geheel rustig ben ik niet. Ik zie er een weinig teegen op. Van Ginniken, Piet van der Meer en Brouwer zijn hier nu ook. Ik wandelde gister, maar 't was zoo modderig dat mijn ooverschoenen bleeven steeken.

 

Pater Schutte heeft verscheiden uuren met mij gepraat, of liever teegen mij. Ik liet alles stil gebeuren. Het heeft toch alles rustigen voortgang. Ik had heel wat kunnen discussiëren, en meenig moeyelijke kwestie kunnen op­werpen. Maar daarvoor ben ik niet hier. Alles vereffent zich in de supra­verbale sfeer. De demon heeft niet veel kwaad gedaan, deeze maal. De nacht was vrij goed. Ik sliep onmiddellijk in, om 9 uur, en werd om zes uur gewekt. Geen booze droomen. Wel dingen die zoek waren, en zulke kleinigheeden.

Vader Abt had mij gevraagd of ik geen doopnaam wilde aanneemen. Ik zei dat ik het goed vond als hij dan maar een naam wilde voorslaan. Hij antwoordde dat hij er ' s nachts om gedacht had en den naam Paul hem te binnen was gekoomen. Het was toch de Abdij St. Paul, en hij vond in mijn geval veel oovereenkomst met dat van St. Paul. Ik zei dat zulk een associatie veel te hoog ging voor mij. Maar dat ik een zoon Paul had wiens sterfdag het heeden is en die mij verzocht had hem te roepen bij de plechtig­heid. Hetgeen ik deed, en hetgeen nog gemakkelijker werd door deeze doopnaam. Ik ben dus gedoopt Frederik Paulus. De geheele ceremonie was voor mij een groote vreugde. Het hoogtepunt de communie.

Toen ik na de communie uit wandelde, was het als een geweldig oover­groot geluk. Het stond aan den heemel geschreeven, in de taal van een groote, massale donkere wolk, met verblindend lichtende, gekartelde zoomen en streepen licht naar alle kanten er van uitschietend. . .

                 Stralende Wolk die door de ruimten schiet

                Verblindend zilver licht uit kartel-zoomen

Het was zoo machtig expressief schrift dat ik alles als opnieuw begreep.

Het ceremonieel vond ik schoon en stichtelijk, een tactvol ceremonie­meester nam elken schijn van het komische of gekunstelde weg - het was vol, rijk, machtig leeven.

Als een kindje werd ik verzorgd, hartelijk en moederlijk, en ik voelde mij als onrechtmatig gezeegend toen ik aan de hand van den goeden abt, met een brandende kaars in de rechter bij het altaar mocht koomen. De be­langstelling van alle paters en broeders was roerend, ze hadden allen voor mij gebeeden en wilden me nu allen goed doen en eeren. Een zieke man werd uit zijn bed genoomen zoodat hij het zien kon. En van alle monniken kreeg ik een omhelzing, de broederkus. Ook bloemen, witte bloemen bij mijn bord. Truida en de andere vrienden dronken koffie met mij in de spreekkamer.

Dankwoorden

 

Toen elk van de luisteraars voldaan was werd een mooi avond, rond 22u15, afgesloten met een dankwoord aan de spreker en een welverdiend applaus vanwege het publiek.

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL