Ontdek de bijbel opnieuw met behulp

van esoterische kennis.


   

deel 2: Het Nieuwe Testament.

1. Inleiding. -  2. Ik ben de weg, de waarheid en het leven.  - 3. De verloren zoon. - 4. Christus, de enige weg naar het ware Koninkrijk.  - 5. Zeven 'IK BEN ''woorden6. De Bergrede -  7. De zaaier - 8. De Symboliek van de Kruisiging -


 

                             Jezus en het Nieuwe Testament.

 

1. Inleiding.

 

De vier evangelies die ons ter beschikking staan zijn lang niet alle evangeliën die in de eerste eeuwen na Christus zijn opgeschreven. Het zijn alleen deze die de kerkleiders geschikt vonden om een plaats te krijgen in de bijbel. Het zijn de geschriften die het minst laten doorschijnen over de mysteriën die Jezus ons wilde komen openbaren.

Tot voor zijn openbaar leven was over die mysteriën niets bekend bij het gewone volk. Alleen groepjes vooraanstaanden, die tot de mysteriescholen werden toegelaten en daar inwijdingen ontvingen, waren op de hoogte van de Gnostiek over de werkelijke verhoudingen tussen God en mens.

Hierin wilde Jezus verandering brengen door die mysteriën openbaar te maken en de mysteriescholen als onvruchtbaar te laten verdwijnen. Beeld hiervan is de niet-meer-vruchtdragende vijgenboom die moest omgehakt worden. Een vijgenboom was altijd het symbool voor de mysterie-scholen. Elke keer wanneer we deze term tegenkomen, uit de mond van Jezus, gaat het over die scholen en de inwijdingen. Ook de boom van kennis van goed en kwaad, uit Genesis, was een vijgenboom.

Het was in die tijd, op straf van dood, verboden om ook maar iets van de mysteriën openbaar te maken. Dat Jezus zich daar niet aan hield was een van de oorzaken van zijn gevangenneming en kruisiging.

Om toch een beetje in overeenstemming te blijven met de toenmalige wetten heeft Jezus de gnosis verpakt in beeldverhalen, de parabels, en deze later, wanneer de menigte naar huis was gegaan, met veel meer toelichtingen aan zijn naaste leerlingen uitgelegd. Elke keer wanneer we in het evangelie lezen: ‘Wie oren heeft, die hore…’ kunnen we ervan uitgaan dat Jezus weer een mysterie verklaard had. Wij zouden, in onze tijd, zeggen: ‘Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig.’

De Farizeeën bvb, die ook een mysterieschool hadden, maar niet meer leefden naar de gnosis, hadden heel goed door wat Jezus aan het doen was en daarom haatten ze hem. Hij stelde hun dan ook voor een spiegel waarin ze liever niet keken door te zeggen: ‘Jullie zijn witgekalkte graven, schoon aan de buitenkant, maar rot vanbinnen.’

Het is dus vreemd dat we in onze evangeliën niet veel aantreffen over die gnosis. Het moet immers voor zijn leerlingen bijzonder belangrijk geweest zijn dat ze dit alles mochten vernemen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat ze dit alles niet zouden opgeschreven hebben, of tenminste doorverteld aan hun leerlingen.

Dat is wel degelijk gebeurd. Maar helaas, deze geschriften ( o.a. de apocriefe evangeliën ) werden door de kerk tot verboden lectuur gebrandmerkt. Alle boeken die een beetje naar esoterie (innerlijk weten) en gnosis roken werden verboden, verbrand en ook werden de esoterische christenen tot ketters verklaard, vervolgd en gedood.

Maar, blijkbaar was het toch de bedoeling dat deze geschriften ooit weer tot de mensheid  zouden komen; hierbij denk ik aan de meest opvallende vondsten van de vorige eeuw: de dode zee rollen en de nag-hammadi-geschriften. Waarheid kan immers niet verborgen blijven.

 

Dank zij deze vondsten, en ook nog andere oorspronkelijke geschriften, is het in onze tijd mogelijk om de woorden uit de evangeliën  te begrijpen zoals ze bedoeld waren.

In de volgende hoofdstukjes zal ik proberen om een paar voorbeelden uit te werken.

Wie oren heeft, die hore!

 

2. Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

 

 

Dit zijn woorden die, voor wie oplettend leest wat er staat, heel wat duidelijk maken over wat Jezus hier op aarde is komen doen en waarom zijn leven van zo’n grote betekenis voor de mensheid is geweest en nog steeds is.

Het moge duidelijk zijn dat Hij deze woorden niet heeft gesproken vanuit zijn ‘mens Jezus ik’ maar wel vanuit het volledige Christusbewustzijn dat, vanaf Zijn doop door Johannes de Doper, tot aan Zijn Hemelvaart, door Hem heen gesproken heeft gedurende de drie jaren van Zijn openbaar leven.

Wanneer Hij als mens had gesproken, dan had er moeten staan: ‘Ik kom jullie de Weg en de Waarheid tot Leven leren.’ 

Het feit dat er staat: ‘Ik BEN de Weg, de Waarheid en het Leven’, kan allen maar betekenen dat de Christusgeest hier aan het woord is.

 

Van Zijn geboorte tot aan Zijn hemelvaart is Jezus ons de hele inwijdingsweg komen voor-leven. Op die manier is voor ons de hele weg geschetst die de mensheid te gaan heeft om terug te keren, vanuit de materie, naar Het Koninkrijk van de Vader.

Dat Jezus gestorven is voor onze zonden – wat natuurlijk een totaal ongeloofwaardig iets is, wanneer we dit letterlijk nemen – komt erop neer dat Hij ons heeft verlost uit de onwetendheid.

Dat is de ware betekenis van de zogenaamde ‘zondeval’: dat de mens vergeten is dat hij van oorsprong een godsvonk is en zo diep in de materie is gekristalliseerd dat hij zijn ware thuis niet meer terug kan vinden, zelfs geen weet meer heeft van dat land van oorsprong.

Zonde kunnen we, in deze context, vertalen als onwetendheid.

 

De inwijding in de mysteriën, eertijds, was om die onwetendheid om te zetten in kennis (gnosis), helaas alleen toegankelijk voor enkelingen.

Jezus heeft deze kennis ter beschikking gesteld van iedereen, door Zijn woorden, door Zijn leven en vooral door Zijn dood en wederopstanding in Zijn verrijzenislichaam.

En dat is de ware betekenis van de ‘verlossing uit de zonde’, die niet kon plaatsvinden zonder Zijn lichamelijke dood. Hiermee moest Hij ons immers duidelijk maken dat, voor wie de Christusgeest in de plaats van het ik, ego heeft geplaatst, de stoffelijke dood slechts een poort is naar het ware Koninkrijk.

 

In Jezus’ leven kunnen we die hele weg van de mensheid volgen. Eerst wordt Hij geboren in een menselijk lichaam, net zoals wij allemaal. Hij groeit op, werkt samen met zijn aardse ouders, was misschien ook wel gehuwd, tot het moment aangebroken is waarop Hij getuige zal worden. Door Zijn doopsel in de Jordaan laat Hij zien hoe de mens zich eerst moet ‘reinigen’ van het egobewustzijn. Op dat moment stelt Hij zich open voor het Christusbewustzijn dat, vanaf dit moment, door Hem heen zal werken en spreken.

 

Tijdens Zijn 40 daags verblijf in de woestijn, dat daarop volgt, wordt Hij getest of Zijn ego wel helemaal onschadelijk is gemaakt. Tot drie maal toe wordt Hij door de materie-begeerte-verleiding op de proef gesteld. Elke keer kan Hij daaraan weerstaan, dank zij Zijn geneutraliseerde stoffelijke ik.

 

Hierna gaat Hij, samen met de 12 leerlingen die Hij zich gekozen heeft (12 staat in de mysterietaal voor: volheid. Bedoeld voor alle volkeren) rond al predikend, goeddoend, hypocrisie aanklagend, genezend en zondevergevend. Het is opvallend dat aan een genezing door Jezus vrijwel altijd een vergeving der zonde gepaard gaat en na de genezing Zijn raadgeving: ‘Ga heen en zondig niet meer.’ Of met andere woorden: ‘Vergeet niet opnieuw wie je werkelijk bent.’

 

Uiteindelijk volgde Zijn lijdensweg, symbool voor de lijdensweg (stoffelijk of geestelijk) die uiteindelijk ieder mens voor de kiezen krijgt en Zijn stoffelijke dood aan het kruis.

Veel mensen denken dat dit het einde is van alles maar op de 3de dag na Zijn kruisdood leerde Jezus ons iets anders. Na de dood van de materie volgt de opstanding in het geheelde verrijzenislichaam en daarna – op Hemelvaart – de terugkeer naar het ware thuisland.

 

Hoe is die terugkeer naar de Vader te rijmen met Zijn woorden: ‘Zie, ik blijf bij u tot het einde der tijden.’ Ook dit is weer een bewijs dat het in feite de Christusgeest is die tot de mensheid sprak op dat moment. 40 dagen na Zijn hemelvaart kwam de Christusgeest terug op aarde (symbolisch uitgebeeld door de gebeurtenissen op Pinksteren: de vurige vlammen boven de apostelen, de energie die zij ineens kregen om over Jezus te getuigen en dit in alle talen) maar nu onzichtbaar, als een zaadje in ieder mensenhart, waar het wacht tot de mens zijn ‘ik’ leert opzij te zetten om plaats te maken voor het ontkiemende en groeiende zaadje.

 

Johannes de Doper zei het al: ‘Ik moet minder worden, Hij moet wassen! (groeien)’

 

 

3. Parabels en gelijkenissen

 

A. De verloren zoon.

 

Een prachtige parabel, met een diepe betekenis, is deze van de verloren zoon.

 

Lucas 15: 11-32

11 En hij zeide: Een zeker mens had twee zonen.
12 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel der goederen, dat mij toekomt.
13 En hij deelde hun het goed. En niet lang daarna vergaderde de jongste zoon alles te zamen, en trok naar een ver land; en hij bracht aldaar zijn goed door, losbandig levende.
14 Toen hij nu al het zijne verteerd had, ontstond er een grote hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden,
15 en ging heen en voegde zich bij een der burgers van dat land; die zond hem op zijnen akker om de zwijnen te hoeden.
16 En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien.
17 Toen kwam hij tot zichzelven, en zeide: Hoevele huurlingen heeft mijn vader, die overvloed van brood hebben, en ik verga hier van honger.
18 Ik zal mij opmaken en tot mijnen vader gaan, en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u,
19 en ben voortaan niet meer waardig, dat ik uw zoon genoemd word; maak mij tot een van uwe huurlingen.
20 En hij maakte zich op en kwam tot zijnen vader. En toen hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader, en hij werd innerlijk bewogen, liep toe en viel hem om den hals en kuste hem.
21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u; ik ben voortaan niet meer waardig, dat ik uw zoon genoemd word.
22 Maar de vader zeide tot zijne knechten: Brengt het beste kleed voor, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan de hand en schoenen aan de voeten,
23 en brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vrolijk zijn;
24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden; hij was verloren en is wedergevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.
25 Doch de oudste zoon was op het veld; en toen hij nabij het huis kwam, hoorde hij de muziek en den dans,
26 en riep tot zich een der knechten, en vraagde wat dat was.
27 En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder heeft.
28 Hierover werd hij toornig, en wilde niet ingaan. Toen ging zijn vader uit, en bad hem.
29 Maar hij antwoordde en zeide tot den vader: Zie, zovele jaren dien ik u, en heb uw gebod nog nooit overtreden, en gij hebt mij nooit een bok gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vrolijk zijn;
30 maar nu deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, hebt gij voor hem het gemeste kalf geslacht.
31 Maar hij zeide tot hem: Mijn zoon, gij zijt altijd bij mij, en al wat het mijne is, is het uwe.
32 Dus behoordet gij vrolijk en goedsmoeds te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; hij was verloren, en is wedergevonden.

 

 

 

Zoals het ons altijd door de kerk werd uitgelegd: dat God de mens vergiffenis schenkt, die na de zonde berouw heeft en vergiffenis vraagt, is de meest voor de hand liggende betekenis van deze parabel. Toch wanneer men dit verhaal enkel exoterisch wenst uit te leggen.

Maar de bijbel, en zeker ook het Nieuwe Testament, kan op verschillende lagen gelezen en begrepen worden, exoterisch en ook esoterisch, waarbij ik weer terugkom op de woorden van Jezus: “Wie oren heeft, die hore.”

 

Esoterisch schuilt er een veel ruimere betekenis achter en gaat het om de totale menselijke kringloop, vanaf zijn eerste indaling in de materie tot aan zijn terugkeer in het Koninkrijk.

Om dit ten volle te begrijpen moeten we terug naar de beide scheppingsverhalen in Genesis ( zie voorgaande pagina)

De Vader in dit verhaal is, vanzelfsprekend God, onze schepper, uit het eerste scheppingsverhaal. De mens leefde toen nog, als geestelijke mens, helemaal verbonden met de Vader.

Maar daarna krijgt Adam (= de mens) kennis van goed en kwaad. Dat betekent dat hij op dat moment de vrijheid krijgt om te kiezen tussen goed en kwaad, los van de Goddelijke Logos. Hij krijgt hier dus zijn erfenis (de godsvonk) en de vrijheid om op verkenning te gaan en ervaring op te doen door zelf beslissingen te nemen (vrije wil).

 

Net zoals in de parabel de jongste zoon zijn erfenis krijgt en toestemming om huis van zijn vader (het Koninkrijk van God) te verlaten en te gaan reizen in de wereld

En Adam krijgt een lichaam, gevormd uit klei (een stoffelijk lichaam) en begint aan zijn kringloop door de materie. Hij reist van land tot land ( reïncarnatie) en leeft zich uit in de stof. Hij doet veel ervaringen op, maar verliest ook steeds meer van zijn Licht, zijn godsvonk wordt steeds zwakker, tot er vrijwel niets meer van overblijft en hij zich moet tevreden stellen met het voer dat de varkens eten. De mens krijgt dus geen geestelijk voedsel meer, de erfenis is opgebruikt, uitgeput. Hij is helemaal in de ban geraakt van de stoffelijke wereld en is zijn oorsprong (bijna) helemaal vergeten.

 

Dat is het moment waarop het keerpunt komt. Ergens in zijn achterhoofd komt de herinnering aan de goede tijden in het huis van zijn vader. In de menselijke kringloop is dit het moment waarop de godsvonk, dat gekrompen is tot een piepkleine zaadje, zich begint te laten voelen en een heimwee naar Huis opwekt.

 

De zoon, in de parabel, keert niet zomaar op zijn stappen terug naar het ‘goede leventje’  in het huis van zijn vader; nee, hij komt eerst tot de vaststelling dat hij het niet meer waardig is een zoon genoemd te worden. Met andere woorden: hij krijgt berouw, hij wil zichzelf verootmoedigen en een van de minste dienaren worden van zijn vader want hij heeft ervaren dat het geluk niet te vinden is in de wereld buiten het vaderhuis en dat hij verraad gepleegd heeft aan zijn vader door zijn erfenis zo te verkwanselen.

 

Zo gaat het ook met Adam die uiteindelijk, na veel incarnaties in de stof, tot de vaststelling komt dat de materiewereld niet de plaats is waar hij het volmaakte geluk kan vinden. Telkens wanneer hij weer iets bereikt heeft wat hem het geluk moest brengen, duikt alweer een nieuw verlangen op. Telkens als hij iets of iemand heeft lief gekregen wordt het hem weer ontnomen, uit de aard van de materie die aan voortdurende verandering onderhevig is.

 

 Op dat moment vallen hem de schellen van de ogen en beseft hij dat het niet hier is dat hij thuishoort, dat hij vroeger op een betere plek heeft gewoond. Hij begint in te zien dat de materie enkel een eeuwigdurende kringloop is van geboren worden en sterven, van opgaan en ondergaan en niet van het voortdurend geluk dat hij er hoopte te kunnen vinden. Dan begint stilaan het verlangen naar ‘Huis’ aan hem te knagen en gaat hij zich een vreemdeling voelen in de materiewereld.

 

Maar ook voor Adam is die terugkeer niet zomaar iets van: in de trein stappen en terugreizen. Alles wat tot de stof behoort moet hij eerst afleggen. Het kleed der materie is, door alle stoffelijke modder, te zwaar en te lomp geworden om ermee naar het huis van de Vader terug te keren. En het moge duidelijk zijn dat het hier niet alleen gaat om het stoffelijk lichaam, maar ook en vooral om het hele stoffelijk denken, begeren en handelen en  om de egocentrische ‘ik’gerichtheid.

 

Dit alles kan hij afleggen door zich te verootmoedigen ( zoals de verloren zoon uit de parabel zichzelf vernederde door te vragen een van de minste dienaren te mogen zijn)

Wanneer Adam daarin slaagt, om zijn totale stoffelijke ‘ik’ af te leggen, dan pas kan de godsvonk weer ontwaken, dan komt er weer Licht op zijn pad en kan hij de weg naar huis terug vinden.

En dan pas zal de Vader hem met open armen en met een groots feest verwelkomen. Zo wees Jezus ons, met zijn parabel over de Verloren Zoon, de weg terug naar Het Koninkrijk!

 

Parabels en gelijkenissen

 

B. De zaaier.

 

Mattheus  13:1-12

 

1 Op een dag verliet Jezus zijn huis en ging aan de oever van het meer zitten.

2 Al snel had zich een grote menigte om hem heen verzameld. Daardoor was hij

gedwongen in een boot plaats te nemen, terwijl de menigte op de oever stond.

3 Hij hield voor hen nu een toespraak waarin hij hun over vele waarheden onderwees en koos daarvoor de vorm van de gelijkenis. Hij zei: "Eens ging een zaaier uit om te zaaien.

4 Bij het zaaien vielen enkele zaden op de platgetreden veldweg. Toen kwamen vogels aangevlogen en pikten ze op.

5 Een ander deel van het zaad viel op rotsachtige plaatsen van de akker, waar niet veel teelaarde was. Weliswaar schoot het snel op, omdat het niet diep in de bodem kon doordringen.

6 Maar toen de hitte van de zon van dag tot dag toenam, verschroeide het zaad en verdorde; want de wortels gingen niet diep genoeg,

7 Een ander deel van het zaad viel onder de distels. Toen deze steeds groter werden, verstikten zij het opkomende zaad.

 8 Het overige deel van het zaad viel in goede aarde en gaf deels honderdvoudige, deels zestig-, deels dertigvoudige vrucht

9 Wie het juiste begrip voor mijn woorden gegeven is, laat die ze onthouden."

10 De leerlingen vroegen Jezus: "Waarom spreek je in gelijkenissen tot het volk?"

11 Hij antwoordde: "Aan jullie is de gave gegeven om de geheimzinnige

werkzaamheid van de geestenwereld van God te begrijpen, maar niet aan hen.

12 Wie vasthoudt aan zo'n gave, zal nog meer krijgen, zodat hij die gave in

overvloedige mate bezit. Maar wie er niet aan vasthoudt, hem zal ook nog de gave ontnomen worden die hij eerst bezat.

 

 

Ook deze parabel heeft een veel diepere betekenis dan datgene wat wij hierover in de kerk mochten horen. Over het algemeen werd vanaf de kansel verklaard dat Jezus de zaaier is, in dit verhaal, en het zaad Zijn boodschap.

 

Wat die boodschap dan precies inhield, daar werd niet echt vorm en inhoud aan gegeven. Zo is het natuurlijk ook moeilijk om het ‘zaad’ tot wasdom te brengen.

 

Wat Jezus hier ‘echt’ bedoelde met deze parabel moet bekeken worden vanuit de het standpunt van de gnosis[1][1], die van alle tijden en van alle religies is, en die ondergesneeuwd is geraakt door alle dogmatische verklaringen van de verschillende volkeren en religieuze leiders.

 

Het zaad is dan de ‘godsvonk’ d.i. het nog niet ontwaakte Christusbewustzijn dat in het hart van elk mens is gezaaid met de bedoeling dat het zou ontkiemen, tot wasdom komen en veel vruchten dragen. Wanneer dat gebeurt, dan heeft de ziel bereikt wat het doel moet zijn van elke ziel op aarde: zich bewust worden van haar goddelijke oorsprong en dat bewustzijn laten groeien en bloeien om, net als de  verloren zoon, weer erfgenaam te worden van het Koninkrijk Gods.

 

De boodschap die Jezus bracht was dat elkeen dat kan bereiken, door dat bewuste zaad in vruchtbare grond te laten ontkiemen, waar het kan groeien en bloeien.

 

Wat betekenen nu de vier verschillende vergelijkingen die Jezus gebruikte in deze parabel?

4 Bij het zaaien vielen enkele zaden op de platgetreden veldweg. Toen kwamen vogels aangevlogen en pikten ze op.

 

De platgetreden veldweg is de mens die het zaad wel heeft ontvangen, maar die er verder geen aandacht aan schenkt (hij die oren heeft en niet hoort); die zo verhard is door materialisme dat het zaad aan de oppervlakte moet blijven liggen. Wanneer het kwaad (de vogels) dan op zijn weg komt, wordt het zaad meteen weggepikt want het heeft geen kans gezien om in de grond door te dringen.

 

5 Een ander deel van het zaad viel op rotsachtige plaatsen van de akker, waar niet veel teelaarde was. Weliswaar schoot het snel op, omdat het niet diep in de bodem kon doordringen.

6 Maar toen de hitte van de zon van dag tot dag toenam, verschroeide het zaad en verdorde; want de wortels gingen niet diep genoeg

 

De rotsachtige bodem is de mens die het zaadje wel bewust heeft ontvangen, met blijdschap en veel enthousiasme zelfs, maar het niet eerst laat rijpen diep in de bodem, zodat het veel te snel ontkiemt en hoog opschiet, maar op een plaats waar het niet genoeg ‘voedingsbodem’ heeft om het plantje ook stevigheid te bieden en diep te laten wortelen. Wanneer er dus tegenstand komt uit de buitenwereld, wanneer het pas ontkiemde plantje weerstand moet bieden aan zon en wind, dan raakt het meteen verdord en ontworteld en sterft af zonder vruchten voort te brengen. Zo’n mens is dus wel eventjes ontvankelijk voor het goede maar slaagt er niet in om dit tot iets blijvends te maken.

 

7 Een ander deel van het zaad viel onder de distels. Toen deze steeds groter werden, verstikten zij het opkomende zaad.

 

Deze vergelijking spreekt over de mens die het zaad van de Gnosis wel gehoord heeft, er ook wel enigszins ontvankelijk voor is, maar zo opgaat in de dagelijkse beslommeringen van het aardse leven (de distels) dat het zaad er door verstikt raakt voor het de kans krijgt om te ontwaken en tot wasdom te komen.

 

8 Het overige deel van het zaad viel in goede aarde en gaf deels honderdvoudige, deels zestigvoudige , deels dertigvoudige vrucht.

 

Deze gelijkenis gaat over mensen die de boodschap gehoord hebben, die ook hebben begrepen en die er alles aan gedaan hebben om het Christusbewustzijn (het zaad) in hun hart tot ontwaken te brengen door niet alleen te luisteren naar de boodschap, maar door zich die boodschap ook eigen te maken en er naar te handelen waardoor zij, elk naar hun eigen mogelijkheden, veelvoudig vrucht dragen.

 

Jezus gebruikt heel veel gelijkenissen uit het gewone, dagdagelijkse leven, om de Gnosis tot de mensen te brengen omdat dit beelden waren die zij, wanneer ze er een klein beetje moeite voor deden, ook goed konden begrijpen. Daarom komen we in de woorden van Jezus ook voortdurend beelden tegen zoals zaad, lammetjes en schapen, vijgenbomen, wijngaarden, vissen en vissers etc.

Zou Jezus gesproken hebben in de woorden van de Oude Wijsheidsgeschriften (zoals de Veda’s, de Hermetische geschriften en vele andere) dan zou geen mens uit zijn tijd hem begrepen hebben, behalve de ingewijden dan (zoals schriftgeleerden en farizeeërs ) En die namen het Jezus zeer kwalijk dat hij die eeuwige kennis – die zij geheim wilden houden, tot meerdere eer en glorie van zichzelf, door zijn parabels en gelijkenissen ook aan de ongeletterden kwam  duidelijk maken.

 

4. Christus, de enige weg naar het ware Koninkrijk.

 

In hoofdstuk 2 had ik het al over Jezus Christus als ‘De Weg, de Waarheid en het Leven’.

Ik wil hier graag wat dieper op ingaan, bladerend door de evangeliën*, om daar de woorden van Jezus als ‘de Christus op aarde’, verder te bekijken en te overdenken.

Wanneer we er acht op slaan komen we een groot aantal boodschappen tegen over het Ware Koninkrijk en over de enige manier om daar te komen. Jezus heeft tientallen tips gegeven waar we niet aan voorbij mogen/kunnen gaan wanneer we Zijn Koninkrijk ooit willen binnengaan als ‘wedergeborenen.’

Laten wij beginnen met een getuigenis van Johannes, de evangelist, die bij Jezus was gedurende zijn openbaar leven (de andere evangelisten schreven hun evangelies naar aanleiding van overgeleverde getuigenissen)

*Evangelie betekent: boodschap.

 

Joh.1:9-13 Dit was het waarachtige licht, dat, in de wereld komende, alle mensen verlicht.
Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld kende hem niet.
Hij kwam tot zijn eigendom, en de zijnen namen hem niet aan.
Maar zovelen hem aannamen, dien gaf hij macht Gods kinderen te worden, die in zijnen naam geloven; die niet uit het bloed, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn.

 

Deze getuigenis zet mij al aan het denken.

 

1.Ten eerste kunnen we hier uit opmaken dat Jezus, volgens Johannes, in zijn stoffelijk lichaam ook de goddelijke geest was: de wereld is door hem gemaakt.

 

2.Ten tweede wordt ons duidelijk gemaakt dat wij als ‘stoffelijke mens’ niet vanzelfsprekend ook Gods kinderen zijn: dien gaf hij de macht Gods kinderen te worden.

 

3.Ten derde kunnen we dat wij alleen Gods kinderen worden door uit God geboren te zijn (waarmee we dan meteen ook weten wat Jezus bedoelde als hij het over wedergeboorte had.)

 

Hoe wij uit God geboren kunnen worden en Gods kinderen kunnen worden, dat is nu precies wat Jezus’ boodschap aan de mensheid was en nog steeds is.

 

Daarom wil ik, samen met jullie, doorheen de evangeliën wandelen en de boodschap proberen te begrijpen.

Reacties per email zijn steeds welkom.

 

 

A. De ‘IK BEN’ woorden van Jezus.

 

Deze uitspraken van Jezus, die beginnen met IK BEN, zijn het waard om beter bestudeerd te worden want zij zijn de eerste aanduiding van de betekenis van wie hij was, van zijn leven én van zijn boodschap: namelijk ons een hulp te zijn om terug verbonden te worden met ‘Adam’ voor hij in de materie terechtkwam, om terug te keren naar de eenheid met de ‘eerst geboren zoon’ en dus weer volledig Gods kind te worden dat het Koninkrijk kan beërven.

 

 Eer Abraham was, ben ik. Joh 8:58

 

1. Ik ben het brood des levens Joh 6:35

2. Ik ben het licht der wereld Joh 9:5

3. Ik ben de deur der schapen. Joh 10:7

4. Ik ben de goede herder  Joh 10:11

5. Ik ben de opstanding en het leven Joh 11:24

6. Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven Joh 14:6

7. Ik ben de ware wijnstok Joh 15:1

 

De zeven ‘Ik ben’ woorden zijn alle terug te vinden in het evangelie van Johannes. Dit evangelie spreekt mij, persoonlijk, het meeste aan omdat het in een totaal andere toon is geschreven dan de drie andere ( Mattheus, Marcus, Lucas)

Dit evangelie, van Johannes, is duidelijk geschreven door iemand die Jezus zeer nabij was en door Jezus in vertrouwen werd genomen voor een diepere inwijding in de boodschap die Hij naar de mensheid bracht. De drie andere evangelisten lijken eerder een journalistiek verslag te schrijven, terwijl Johannes’s evangelie veel meer op een getuigenis lijkt.

Neem alleen maar al het begin van het eerste hoofdstuk:

 

Johannes:Hoofdstuk 1

 

1 In het begin was het woord en het woord was bij God; en een god was het woord.

2 Dit was in het begin bij God. 3 Alles is door het woord ontstaan en zonder dat

kwam er niets dat geschapen is in het zijn. 4 In hem is leven en het leven was het

licht van de mensen. 5 Het licht schijnt in het rijk van de duisternis, maar de

duisternis wilde er niets van weten"

6 Eén kwam als mens ter wereld; door de Heer was hij gezonden. Hij heette

Johannes. 7 Hij trad op als getuige; getuigenis zou hij afleggen voor het licht, opdat

allen door hem tot het geloof in het licht geleid zouden worden. 8 Hijzelf was het

licht niet, maar hij moest alleen getuigen dat het licht zou verschijnen. 9 Want hij,

die het ware licht is dat ieder mens verlicht, stond net op het punt om in de wereld

te komen. 10 Hij was weliswaar altijd al in de wereld, omdat die immers door hem

in het zijn kwam. Maar de wereld erkende hem niet. 11 Hij kwam in zijn eigendom,

maar zijn eigen mensen wilden hem niet ontvangen. 12 Maar allen die hem wel

ontvingen, verleende hij het recht om kinderen van God te worden; ze hoefden

alleen maar in zijn naam te geloven, 13 als in de naam van hem die niet vanwege

zijn afstamming, niet ten gevolge van de natuurlijke drift van het vlees, ook niet

door de wil van een man, maar vanuit God in het zijn was gekomen" 14 En het

woord werd vlees en woonde voor korte tijd onder ons. Wij aanschouwden zijn

heerlijkheid, een heerlijkheid zoals die de enige Zoon toekomt die van de Vader

afkomstig is en vol genade en waarheid is.

Bron: Het Nieuwe Testament volgens Johannes Greber. 

 

 

Dit even ter illustratie van de bijzonder aard van het Johannes evangelie dat veel meer neigt naar Gnostiek/Kennis dan de andere drie.

 

 

1. Ik ben het brood.

 

Joh.6:35 Daarop antwoordde Jezus hun:

"Ik ben het brood van het leven, Wie in gemeenschap met mij treedt, zal nooit meer

honger hebben; en wie zijn geloof op mij vestigt, zal nooit meer dorst hebben.

 

Deze uitspraak komt na het eerste verhaal over de spijziging der menigte. Zij bleven Jezus hierna volgen, waarop Hij hun verweet dat ze dit alleen deden omdat hij hun honger had gestild. Hij wees hen erop dat het belangrijker is om naar geestelijk voedsel te verlangen, omdat dit in eeuwigheid blijft bestaan, dan naar vergankelijk voedsel. Toen men Jezus vroeg hoe hij hun dan aan dergelijk voedsel zou kunnen helpen sprak Hij de woorden: Ik ben het brood van het leven. Waarmee Hij de mensen wilde duidelijk maken dat zijn boodschap, zijn woorden, het geloof in Hem en zijn boodschap, het voedsel was en is voor ziel en geest; het voedsel voor het eeuwige opstandinglichaam in het Koninkrijk van de Vader.

( het moge duidelijk zijn dat dit niet slaat op stoffelijke lichamen die, zoals ons steeds werd voorgehouden, zouden opstaan uit het graf bij het einde der tijden. Jezus heeft immers ook gezegd:

 Joh.6:63 Het is immers de geest die het geestelijk leven maakt. Het aardse vlees heeft geen enkele waarde. De woorden die ik tot jullie gesproken heb, hebben betrekking op de geest en het geestelijk leven)

 

 

2. Ik ben het Licht der wereld.

 

Joh 9:4 De wonderwerken van hem die mij gezonden heeft, moet ik doen zolang het licht is; de nacht komt waarin niemand werken kan. 5 Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld.

 

39 Jezus vervolgde: "Om een oordeel te vellen, ben ik in

deze wereld gekomen, opdat degenen die voor blind doorgingen tot de zienden

zullen worden gerekend en degenen die zichzelf als ziende beschouwden, tot de

blinden gerekend zullen worden." 40 Degenen van de Farizeeën die bij hem in de

buurt stonden en het gesprek ook gehoord hadden, vroegen hem: "Worden wij

soms tot de blinden gerekend?" 41 Hij antwoordde hun: "Als jullie werkelijk blind

waren, zou jullie die blindheid niet als zonde aangerekend worden. Maar nu

beweren jullie bij de zienden te horen en daarom blijven jullie zonden bestaan."

 

Deze Ik-ben woorden komen uit het verhaal van de blind geborene die door Jezus, op een sabbat, ziende wordt gemaakt. Het is best mogelijk dat dit voorval echt heeft plaats gevonden, maar zéker is dat in dit evangelie verhaal ook weer een diepere en esoterische boodschap verborgen is voor wie ‘oren heeft om te horen en ogen om te zien’.

Dat blijkt duidelijk uit de verzen 4 en 5 die aan de genezing vooraf gaan  en uit de verzen 39 tot 41 die erop volgen. Niet voor niets heeft Johannes hoofdstuk 9 in zijn evangelie op deze manier opgebouwd.

 

Dit verhaal moet ons duidelijk maken dat wij allen, mensen levend in de materie, als blindgeborenen zijn, die het Licht waar we vandaan komen niet meer kunnen zien, verblind door de stof als we zijn. Dat Licht is Christus ons komen brengen door zijn menswording in de persoon van Jezus.

Jezus’ woorden: “Ik ben het licht der wereld”, betekenen zoveel als: “Ik maak jullie terug ziende, ik genees jullie van de verblinding van de materie.”

 Met andere woorden, wanneer wij het Christus licht in onszelf aansteken, dan pas zijn we opnieuw ‘zienden’ geworden.

Wanneer wij echter menen, zoals de Farizeeën, dat wij uit onszelf al ziende zijn, dat wij uit onszelf het licht bezitten, en toch leven als blinden voor het Licht van Christus, dan pas zijn we echte blinden en kunnen we de weg tot wedergeboorte onmogelijk vinden, dan zijn we ‘zondaars’.

 

 3. Ik ben de deur der schapen.

 

Joh 10: 7 Daarom vervolgde hij: "Ik ben de deur waardoor men bij de schapen komt. 8 Allen die eerder gekomen zijn, waren dievenen rovers. Daarom hebben de schapen niet naar hen geluisterd. 9 Ik ben de deur. Wie door mij de kooi binnengaat, zal gered worden. Hij zal uit - en ingaan en een weide vinden.

 

Stel je even voor: er is een veilige plaats, waar het goed is om te leven en waar er voedsel in overvloed is. Wie, die in duisternis en armoede leeft, zou daar niet binnen willen gaan? Zo’n plaats zou dan echter omgeven zijn door een hoge, stevige muur. En daar sta je dan, nergens een deur te vinden om naar binnen te gaan, en de muur is te hoog om er zomaar over te klimmen.

Zouden we dan niet alles op alles zetten om een ingang te vinden om binnen te kunnen gaan?

En daar staat dan ineens iemand die zegt: Ik ben de deur. Alleen via mij kan je hier binnen komen?

Zo is het gesteld, volgens mijn overdenkingen bij deze Jezus-woorden, met zijn Koninkrijk waar Hij ons graag wil binnenlaten. We leven hier in de materiewereld, dus in duisternis, met pijn en smart in de dagelijks terugkerende strijd om het bestaan, met honger en dorst naar troost en naar geestelijk voedsel dat we ‘achter de muur weten.’ We kunnen op alle mogelijke manieren proberen om over die muur heen te klauteren, maar dat zal niet lukken. De enige manier om er te komen, als welkome gast, is via de ‘deur’ die Jezus Christus is.

Dit derde IK BEN woord is een duidelijke uitnodiging, voor wie ‘oren heeft’.

 

4. Ik ben de goede herder 

 

Joh.10:11 Ik ben de goede herder. Een goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen.


14 Maar ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en zij kennen mij,
15 zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.
16 Ik heb ook nog andere schapen die niet bij mijn huidige schaapskooi behoren.

Ook hen moet ik erbij halen en zij zullen naar mijn stem luisteren en dan zal er één kudde en één herder zijn.

 

 

Waar Jezus zichzelf voorstelt als de 'goede herder' brengt Hij ons de boodschap dat niet alleen zijn huidige volgelingen zullen gered worden, maar dat Hij zijn boodschap en redding brengt voor iedereen. Dat weerklinkt duidelijk in de hierboven aangehaalde verzen uit het evangelie van Johannes: dan zal er één kudde en één herder zijn. Er is dus geen exclusieve groep van uitverkorenen voor wie Jezus gekomen is, maar voor de gehele mensheid.

Een Herder zorgt ervoor dat zijn kudde beschermd wordt tegen roofdieren en dat ze voldoende voedsel krijgen. Zo wil Jezus Christus alle mensen beschermen tegen de 'roofdieren' van de duisternis en hen voeden met 'het levende brood'.

 

Een parabel, die we vinden bij Lucas, en die hier mooi bij aansluit, gaat over de 100 schapen waarvan er eentje verloren gelopen was.

 

Luc.15:4 "Laten we aannemen dat iemand van jullie honderd schapen heeft en een daarvan raakt zoek. Zou hij dan niet de negenennegentig in de wei achterlaten en het verlorene gaan zoeken, totdat hij het gevonden heeft?
5 En als hij het heeft gevonden, neemt hij het dan niet vol blijdschap op zijn schouders?
6 En als hij thuis komt, roept hij dan niet zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: 'Wees blij met mij; want ik heb mijn schaap, dat verloren was, teruggevonden?'
7 Geloof me, zo zal er ook in de hemel meer blijdschap zijn over één enkele goddeloze die zich bekeert, dan over negenennegentig god getrouwe zielen die geen bekering nodig hebben."

 

Jezus wil ook met deze gelijkenis zeggen dat Hij de herder is voor 'alle' schapen, voor de volledige groep. Om dit te begrijpen is het nodig om acht te slaan op de gewoonte, in die tijd, om getallen te gebruiken als symbolen voor beelden, die toen door iedereen begrepen werden.

100 was het getal der 'volledigheid'.

Wanneer de herder dus het 100ste schaap terug vindt en terug naar de weide bij de 99 andere brengt, dan betekent dit dat de volledigheid bereikt is en dat allen in de groep zijn opgenomen.

Zo zal Jezus Christus, door zijn Geest op aarde, doorgaan met zoeken tot de gehele mensheid gered is en teruggebracht naar de 'weide' - die hier symbool staat voor het Koninkrijk gods.

  

5. Ik ben de opstanding en het leven

 

 Joh 11:25 Jezus zei haar: "Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; 26 en een ieder die het leven bezit en het geloof bewaart, zal nooit meer sterven. Geloof je dat?" 27 Zij antwoordde: "Ja Heer, ik heb leren geloven dat jij de Messias bent, de Zoon van God die in de wereld zal komen."

 

Deze evangelie woorden komen uit het gesprek dat Jezus had met Maria, de zuster van Lazarus, op het moment dat hij in Bethanië aankwam, waar Lazarus al sinds drie dagen gestorven was en begraven.

Jezus zei niet: ik ken de opstanding en het leven, ik weet hoe je kan blijven leven,

maar wel ‘IK BEN de opstanding en het leven’

 

Hoe kunnen we vatten dat Hij dit met recht kon en mocht beweren? En hoe kon Hij beloven dat ook wij, wanneer we dat leven eenmaal bezitten, zullen blijven leven, ook als we gestorven zullen zijn?

Dit lijken tegenspraken wanneer we elk woord letterlijk betrekken op de materie waarin wij gewend zijn te ‘leven’, op ons stoffelijk lichaam dus. Jezus had beslist niet de bedoeling om zijn eigen woorden tegen te spreken, dus zullen we naar de echte betekenis van ‘leven’ en ‘sterven’ moeten zoeken.

 

Wat Jezus hier bedoelt wordt duidelijk wanneer we terug kijken naar de twee scheppingsverhalen in het boek genesis.

Eerst schiep God ‘de mens’. Het verhaal spreekt niet over meerdere mensen maar over ‘de mens’, Zijn eerstgeboren en geliefde Zoon, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Die mens, waarover het hier gaat, is er nog steeds. Het is de volmaakte geestelijke, onstoffelijke en onsterfelijke mens, de Christusgeest, die wij allen als ‘zaadje’ in ons dragen omdat wij allemaal deelhebben (of kunnen hebben) aan dat ene lichaam: dé mens, de Christusgeest, de zoon van God.

In Jezus was die Christusgeest volkomen bewust, het zaadje was helemaal ontkiemd en droeg vrucht. Daardoor was hij er zich dan ook volkomen van bewust dat Hij onsterfelijk was, zelfs wanneer zijn stoffelijk lichaam zou sterven en terugkeren tot de materie waaruit het was voortgebracht, terwijl zijn ware zélf tot de Vader zou terugkeren in een volmaakt wedergeboren lichaam.

 

Dit is dan ook de grote heilsboodschap die wij van Jezus hebben mogen ontvangen: dat wij dit ook kunnen bereiken wanneer wij de weg bewandelen die hij ons is voorgegaan. In tientallen parabels en vergelijkingen heeft Hij ons duidelijk gemaakt hoe wij die wedergeboorte kunnen bewerkstelligen en hoe wij die Christusgeest in ons tot wasdom kunnen brengen zodat Hij ons voor eeuwig ‘levend’ maakt en wij, op die manier, van een ‘verloren zoon’ opnieuw een ‘ware zoon’ van de Vader kunnen worden en toegang krijgen tot Zijn Koninkrijk.

Als bewijs dat dit Waarheid is hebben zijn leerlingen hem mogen zien in dat lichaam, drie dagen na zijn stoffelijke dood aan het kruis en bij zijn hemelvaart. Eerder al hadden drie apostelen dit lichaam mogen zien bij zijn verheerlijking op de Tabor.

 

 

6. Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven

 

Joh 14:5 Thomas, bijgenaamd de 'tweeling', zei tegen hem: "Heer, wij weten immers helemaal niet waar je heen gaat; hoe kunnen we dan de weg erheen kennen?" 6 Jezus antwoordde: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij. 7 Als jullie mij werkelijk kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen. Van nu af aan kennen jullie hem en heb je hem gezien."

 

Deze woorden: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”, kunnen op dezelfde manier verklaard worden als de vorige ‘ik ben’ woorden.

Wat hier nog méér staat is dit: “Wanneer jullie mij kennen, dan kennen jullie ook de Vader.”

Dit bevestigt nog eens een keer dat dé mens, waarvan sprake is in het eerste scheppingsverhaal, geschapen is naar Gods beeld en dat het deze volmaakt geschapen mens, de Christus, was die in Jezus tot uiting kwam, zowel door zijn worden als door zijn werken.

 

Dit wordt zo mooi tot uitdrukking gebracht door Johannes waar hij schrijft in het eerste hoofdstuk van zijn evangelie: En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.

Wanneer de apostelen Jezus dus echt zagen en herkenden als de Christus, dan konden ze ook de Vader zien en kennen. Helaas lukte dat niet meteen omdat zij te stoffelijk bleven denken. Dat geldt ook voor ons en ook dit is een deel van Jezus’ heilsboodschap: aan ons de Vader laten kennen.

 

Wanneer wij leren om Jezus’ woorden goed te verstaan en om doorheen de materie te kijken, dan zullen wij de Vader kennen en deelhebben aan het eeuwige leven van Zijn Zoon, dé mens die de ‘dood niet meer zal smaken.’

 

7. Ik ben de ware wijnstok

 

Joh 15:1  "Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. 2 Elke wijnrank aan mij die geen vrucht voortbrengt, haalt hij weg. Maar iedere vruchtbare wijnrank reinigt hij, opdat ze nog meer en betere vrucht draagt. 3 Jullie zijn al gereinigd door de leer die ik jullie verkondigde. 4 Blijf dus in mij, dan blijf ik in jullie. Zoals de wijnrank niet uit zichzelf, dus los van de wijnstok, vrucht kan voortbrengen, zo kunnen ook jullie het niet, als je niet met mij verenigd blijft. 5 Want ik ben gelijk aan de wijnstok en jullie aan de wijnranken. Wanneer iemand met mij verenigd blijft en ik met hem, zal hij rijkelijk vrucht voortbrengen. Want van mij gescheiden, kunnen jullie niets doen. 6 Wie zich van mij scheidt, wordt weggeworpen, zoals men een afgerukte wijnrank wegwerpt, en verdort. De verdorde wijnranken verzamelt men en gooit men in het vuur, waar ze verbranden. 7 Als jullie met mij verenigd blijven en aan mijn leer vasthouden, dan mogen jullie alles vragen wat je wilt en het zal je gegeven worden. 8 Mijn Vader zou verheerlijkt worden, als jullie rijkelijk vrucht

voortbrengen en bewijzen dat jullie ware leerlingen van mij zijn.

 

 

Ook met deze laatste ‘ik-ben-woorden’ schets Jezus ons een duidelijk beeld van de ware aard van de mensen die, de materie daargelaten, in feite slechts één lichaam vormen, het lichaam van dé mens, door God geschapen naar Zijn beeld.

Jezus verbeeldt dit door een wijnstok met ranken omdat dit een beeld was dat zijn tijdgenoten goed konden begrijpen.

Wanneer zijn leerlingen en volgelingen dit beeld, uit hun eigen leefomgeving te horen kregen, konden zij meteen vatten wat Jezus bedoelde want het was voor hen evident dat een wijnrank die niet gevoed wordt door de wijnstok, ten dode opgeschreven is.

Duidelijker kon Hij niet uitleggen dat wij als mensheid één geheel dienen te vormen, met Christus als geestelijke voeding, om te overleven.

 

Een wijnrank zou zich kunnen verbeelden dat zij een opzichzelfstaand iets is en zich losscheuren van de stam die haar voedt, maar dan is zij ten dode opgeschreven en kan geen druiven meer voortbrengen.

Zo kan een mens zich inbeelden dat hij een opzichzelfstaande entiteit is die geen voeding van de Christusgeest nodig heeft. Zijn stoffelijk lichaam zal door die gedachte niet meteen vergaan, maar geestelijk verdort en sterft hij door gebrek aan voeding.

 

Alleen maar door in verbinding te blijven met de wijnstok en daardoor ook met alle ranken;  met  Christus ( waarmee ik niet de stoffelijke mens Jezus bedoel) en daardoor met alle mensen;  en die eenheid te begrijpen en ernaar te leven, kunnen wij als mensheid terug naar het ware Koninkrijk, dat ‘niet van deze aarde is.’ Dan zijn we, net als de verloren zoon, weer ‘thuis’ gekomen.

 

Wanneer wij die eenheid goed kunnen vatten en ook beleven, dan zal de vrucht volkomen naastenliefde zijn want dan zullen we begrijpen waarom Jezus zei: “alles wat gij aan de minsten der mijnen hebt gedaan, dat hebt ge aan mij gedaan.”

Hoe wij dit alles kunnen bewerkstelligen heeft Jezus in prachtige woorden uitgelegd in de Bergrede.

Laten we die woorden daarom ook eens wat beter gaan bekijken.

 

Besluit.

 

Hebben en zijn.

 

Na het stukje dat ik hierboven schreef, over de IK BEN woorden van Jezus, was ik nog even aan het namijmeren over wat wij, als stoffelijke mensen, kunnen beweren over wie wij zijn. Ik stelde me voor wat voor antwoorden er allemaal kunnen gegeven worden wanneer iemand ons zou vragen: “Wie BEN JIJ?” En ik kwam tot de schokkende vaststelling dat elk mogelijk antwoord dat wij dan als mens geven, steeds gekoppeld is aan iets wat wij ‘hebben’ en dat wij geen zuiver IK BEN antwoorden kunnen geven, los van ‘hebben’, dit in tegenstelling met de IK BEN woorden van Jezus zoals die in het NT staan opgetekend.

Als inleiding plaats ik hier een gedichtje van Ed Hoornik dat over dit thema gaat en waarvan ik de inhoud nu pas goed ga begrijpen.

 

 

Hebben of zijn.

 

Op school stonden ze op het bord geschreven,
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven;
De ene werkelijkheid de ander schijn.

 

Hebben is niets, is oorlog, is niet leven,
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen verheven,
Vervuld worden van Goddelijk pijn.

 

Hebben is hard, is lichaam, is twee borsten,
Is naar de aarde hongeren en dorsten,
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

 

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

 

(Ed Hoornik)

 

Ter verduidelijking geef ik hier een hele rij voorbeelden van dingen die een mens kan antwoorden wanneer hem/haar gevraagd wordt: “wie ben jij?” met daaraan gekoppeld: het ‘hebben’ van iets.

 

Ik ben Jan                                   ik heb de naam ‘Jan’ bij mijn geboorte gekregen.

Ik ben meneer of mevrouw X           ik heb een vader met de familienaam X

Ik ben vader/moeder                      ik heb een zoon/dochter/kinderen.

Ik  ben lerares                              ik heb een leraren-diploma, ik heb een baantje in het onderwijs, ik heb leerlingen.

Ik ben een zoon/dochter van          ik heb een vader/moeder/ouders

Ik ben rijk                                  ik heb veel geld, een mooi huis, veel stoffelijke eigendommen, intellectueel bezit, een goede gezondheid etc

Ik ben verstandig                          ik heb een goed stel hersenen

Ik ben een zieke/invalide                ik heb een  ziek/gebrekkig lichaam

Ik ben een grote, slanke persoon     ik heb een lang, slank lichaam

Ik ben godsdienstig                       ik heb een kerkgenootschap waarvan ik lid ben, waar ik de diensten bijwoon.

Ik ben een gelovige                     ik heb een bepaald geloof, ik neem aan dat iets, wat mij door de kerk/bijbel, een boek wordt voorgehouden geloofwaardig is.

 

En zo zou ik nog wel een tijdje kunnen doorgaan.

Wanneer ik  nu de IK BEN woorden van Jezus weer naast ga plaatsen, dan valt het mij op dat daar nergens ‘want ik heb’ aan toegevoegd kan worden.

 

Ik denk dan ook, na deze overwegingen, dat hier de verklaring te vinden is voor wat Jezus bedoelde met zijn antwoord aan de jongeling die vroeg

 

Matt. 19: 16 Er kwam iemand bij hem die vroeg: "Meester, vertel mij het goede dat ik doen moet als ik het toekomstige leven wil verwerven."

 

21 "Wil je doen wat je nog ontbreekt?" zei Jezus, "ga dan heen, verkoop je bezittingen en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je aan gene zijde rijkdommen kunnen verwachten. Kom dan weer terug en word mijn volgeling." 22 Toen de jongeling dat hoorde,

ging hij bedroefd weg; want hij bezat een groot vermogen. 23 Toen wendde Jezus zich tot zijn leerlingen met de woorden: "Ik zeg jullie: voor een rijke zal het moeilijk zijn om in verbinding te komen met het geestenrijk van God. 24 Ik herhaal het: het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het rijk van God binnengaat."

25 Over deze woorden waren de leerlingen zeer ontdaan en vroegen: "Welke rijke kan dan eigenlijk nog gered worden?"

Waarop Jezus antwoordde:

29 En wie zijn broer of zuster, vader of moeder of kinderen, akkers of huizen verliet om mijn zaak te dienen, zal daarvoor iets terugkrijgen dat honderd maal waardevoller is en het toekomstige leven verwerven, dat overeenkomstig een

goddelijke wet voor hem gereed gehouden wordt.

 

Ik denk dat Jezus hier wilde duidelijk maken dat wij, om net als Hij: ‘IK BEN’ te kunnen zeggen over onszelf, we eerst alle ’want  IK HEB’ achter ons moeten laten en dat we dan pas klaar zijn om een echte leerling van Hem te worden en Hem te volgen op ‘De Weg, de Waarheid en het Leven’ dat Hij IS.

 

 

3. De verloren zoon.

  

B. De Bergrede.

 

  

De inspiratie voor deze teksten schud ik niet uit mijn mouw. Ik word geinspireerd door de waardevolle boeken van volgende auteurs:

 C.G.Jung, Hans Stolp, Johan Pamijer, J.G.Sutherland, Jacob Slavenburg, Jan van Rijckenborg ea. en probeer dan neer te schrijven hoe ik bepaalde passages begrijp.

 



[1][1] Van Dale: verborgen kennis van de onzichtbare, hogere wereld

 

 

8. De symboliek van de kruisiging

 

De periode van incarnatie waarbij de innerlijke god is verbonden met de tussenliggende en lagere delen van de mens en deze verlicht, is in zekere zin een ‘kruisiging’ van de innerlijke god op het ‘kruis van de materie’ en dit heeft geleid tot het verhaal van de kruisiging van Christus.

 

In dit verhaal dat eerder symbolisch dan letterlijk moet worden opgevat is het menselijk lichaam en het persoonlijke ego ‘het kruis van de materie’, de ‘last’ die de innerlijke god vrijwillig op zich heeft genomen om te dragen en waaraan hij tijdens de periode van incarnatie is ‘vastgenageld’.

 

In de symboliek van de misdadigers die samen met Christus werden gekruisigd, is degene die berouw heeft en tegen wie Christus gezegd zou hebben: ‘Heden zult u met mij in het paradijs zijn’ (Lucas 23:43), dat gedeelte van het menselijke ego dat zich tijdens het leven op het hogere heeft gericht. Dit is het hogere aspect van het menselijke ego dat na de tweede dood de hemelse postmortale droomstaat binnengaat. De neigingen van de lagere natuur van de mens die niet zijn gezuiverd worden weergegeven door de andere misdadiger.

 

Nils A. Amnéus - Het levensraadsel

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL