Ontdek de bijbel opnieuw met behulp van
esoterische kennis.

   

 deel 1: Het Oude Testament.

deel 2: Het Nieuwe Testament.
deel  3: Het Nieuwe Testament (vervolg)

deel 4: Friedrich Weinreb.


Inleiding - scheppingsverhalen - adam en eva - de zondeval - Kain en Abel -

1. Inleiding.

 Zoals een baby nog melk moet drinken en geen vast voedsel kan verteren, zo was het ook, ten tijde van het begin van onze jaartelling, niet mogelijk om aan de mensheid, die intellectueel nog in de kinderschoenen stond, geestelijk voedsel te geven dat slechts kon verteerd en begrepen worden door geestelijk volwassenen.

Zoveel te meer was dit onmogelijk voor de mensheid in de eeuwen die het Oude Testament beschrijft.

Wanneer wij de bijbel lezen moeten wij er ons goed rekenschap van geven dat de ‘denkende’ mens in het begin der tijden nog niet bestond en dat hij dus zijn geestelijk voedsel moest krijgen via beeldverhalen.

 

Uitzonderingen zijn er altijd, zo ook in die tijden. Deze uitzonderingen waren de aartsvaders en profeten die in direct contact stonden met de geestelijke wereld en datgene wat zij daar mochten schouwen, neerschreven in beelden die door iedereen konden verstaan worden.

 

Ook maakten zij vaak gebruik van symbolen om de Universele en Kosmische Wijsheid, door de Goddelijke hiërarchieën geopenbaard aan wie daar geestelijk rijp voor was en die doorgegeven werd in de mysteriescholen, tot uitdrukking te brengen. Alleen de ingewijden uit de mysteriescholen konden deze symbolen begrijpen. Het overgrote deel van de mensheid was daar geestelijk nog niet aan toe en dus was het ook ten strengste verboden om deze ‘mysteries’ te openbaren.

 

De auteurs van het Oude Testament schreven dus zowel in symbolen – voor de ingewijden – als in beeldverhalen – voor de gewone mensen.

 

Hetzelfde deed Jezus tijdens zijn openbaar leven op aarde. Voor de massa sprak hij in parabels, voor zijn apostelen – die door hem, in afzondering, meer kennis te horen kregen, sprak hij de toen nog gekende mysterietaal. Wanneer dat het geval was lezen we elke keer: Wie oren heeft, die hore! Dan wisten de ingewijden dat ze alert moesten zijn op de symboliek uit Jezus’ woorden en dat Hij er meer mee bedoelde dan op het eerste gezicht leek.

 

In de eerste decennia van het jonge christendom was deze symboliek nog erg goed gekend door verschillende groepen mensen. Dit waren de esoterische [1] christenen, die de gnostiek [2] ten volle kenden en bewaarden.

Daar het gros der mensen echter nog niet genoeg intellect bezaten om deze gnostiek te kunnen vatten, ontstond er ook een exoterisch [3]christendom voor deze niet-ingewijden.

In latere eeuwen kwamen er steeds meer esoterische groepen, waarvan sommige met totaal afwijkende en misleidende leringen kwamen.

Het gevaar voor de misleiding door deze groepen, samen met het feit dat de Kerkleiders het als een bedreiging voor het kerkelijk gezag zagen dat gewone mensen ook gnosis zouden bezitten, waren er de oorzaak van dat er op een bepaald moment door de Kerk een veto werd uitgesproken voor het verspreiden van esoterische kennis.

Alle geschriften van die aard werden vernietigd en de esoterische christenen werden fel vervolgd.

 

Daardoor bleven de christenen in de eeuwen die op dit besluit volgden totaal onwetend over de esoterische betekenis van de bijbelse geschriften en zelfs van de evangeliën.

 

Zowel de verhalen uit het Oude Testament als de geschriften uit het Nieuwe Testament werden gepreekt als letterlijke, historische feiten die, in onze eeuw, waarin het denkvermogen van de mens zoveel groter is geworden, niet meer logisch en niet meer aanvaardbaar zijn.

 

Maar gelukkig voor ons is de gnosis niet helemaal verdwenen. In het midden van de 20ste eeuw kwamen een groot aantal geschriften opnieuw boven water, of beter: boven het woestijnzand. Denk daarbij aan de vondst van de Nag Hammadi geschriften en van de Dode Zee rollen.

 

Op een moment dat een groot deel van de mensheid zich niet meer kon verenigen met de dogmatiek [4] en de exoterische uitleg van de kerk, kwamen de esoterie en de gnosis opeens in het bereik van iedereen die er kennis van wil nemen.

 

Ikzelf ben een van die mensen die me niet meer kon vinden in de letterlijke interpretatie van de bijbel en ben dan ook druk bezig met het bestuderen van de symbolen, de gnosis, de ‘waarheid’ achter de verhalen, kortom: de esoterische manier om de bijbel te verstaan. En ik moet zeggen dat het op mij de uitwerking heeft van een bron met verkwikkend water, na een jarenlang gestrompel door de woestijn.

 

De bijbel heeft daardoor een heel nieuwe dimensie gekregen voor mij en is een bron geworden voor steeds nieuwe ontdekkingen.

 

Graag wil ik deze ontdekkingen met jullie, die ook in deze goddelijke materie geïnteresseerd zijn, delen. Ik zal dit doen aan de hand van uittreksels uit de bijbelse geschriften, uit boeken van verschillende auteurs over de esoterie en mijn eigen bedenkingen daarbij.

 



[1] het geheimzinnige, al wat slechts door ingewijden doorgrond kan worden

[2] verborgen kennis van de onzichtbare, hogere wereld

[3] ook voor oningewijden bestemd, algemeen begrijpelijk

[4] vastomlijnd, aan geen beredenering meer onderworpen geloofsartikel; iedere waarheid waarvan de katholieke kerk plechtig heeft verklaard dat zij door God geopenbaard is en derhalve door de mens geloofd moet worden

 

Ter illustratie: Uittreksel uit

De Wereldbeschouwing der Rozenkruisers ( Max Heindel)

2. De scheppingsverhalen.

 The creation of light - Dore

 

Ik heb vroeger in de godsdienstlessen geleerd dat God de wereld, en alles wat erop leeft, geschapen heeft in zes dagen en daarna, op de zevende dag, een rustdag nam.

Wanneer wij echter zien met welke traagheid de stoffelijke evolutie verloopt, dan is het vrijwel onmogelijk dat de Schepper deze stoffelijke evolutiewetten zou genegeerd hebben toen Hij de kosmos schiep.

 

Wanneer we echter het boek genesis er nog eens op naslaan en met veel aandacht lezen, dan valt er ineens op dat er eigenlijk twee scheppingsverhalen staan. Twee verhalen die elkaar lijken tegen te spreken.

 

In Gen 1:1-31 en Gen 2: 1-4 wordt het scheppingsverhaal geschreven waarin, op de zesde dag, de mens wordt geschapen na al de rest (planten, dieren etc).

Elke nieuwe scheppingsactie begint, in dit verhaal, met de woorden: En God sprak….

De mens wordt in dit eerste verhaal geschapen naar Zijn beeld:  En God schiep den mens naar zijn beeld, tot een beeld Gods schiep Hij hem, en schiep hen man en vrouw. Gen 1:27

Geestelijk is de mens dus, van bij het begin, een godszoon, geschapen naar het beeld van God zelf. In het tweede scheppingsverhaal, waarin de ‘stoffelijke mens’ geschapen wordt, is van die gelijkenis geen sprake meer. Vermits hier door de kerken niet op gewezen wordt, hebben de meeste mensen zich al sinds tijden een beeld van God gevormd naar hun eigen beeld en Hem op die manier beperkt tot een menselijke gestalte met menselijke eigenschappen.

 

Vanaf Gen 2:5-25 begint echter een tweede scheppingsverhaal waarin God, bij het scheppen van de mens, wel een pottenbakker lijkt want er staat:

En God de Heer maakte den mens uit het stof der aarde, en blies hem den adem des levens in zijnen neus; en alzo werd de mens ene levende ziel. Gen 2:7

 

Hieruit blijkt duidelijk dat ‘de mens’, en de gehele schepping, in het eerste scheppingsverhaal nog geen stoffelijk leven bezat, maar enkel geschapen was door ‘het woord’ of de Logos en bestond in de ‘gedachte van God’ .

 

Niemand beschrijft dit in mooier woorden dan Johannes bij het begin van zijn evangelie:

 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord.
Dit was in den beginne bij God.
Alle dingen zijn door hem geworden,

 en zonder hem is niets geworden, dat geworden is. Joh. 1:1-3

 

Er was dus eerst een ‘geestelijke’ schepping’ vooraleer deze goddelijke gedachte ook verstoffelijkt werd. Dat deze tweede schepping niet eveneens in zeven dagen plaatsvond, maar zich voltrok volgens de evolutiewetten van de materie, naar het model van de ‘geestelijke schepping’, zal geen weldenkend mens in onze tijd nog kunnen ontkennen. Over deze tweede schepping stelde God de mens aan als beheerder en ontginner.

 

Ter verduidelijking geef ik hier een voorbeeld uit de aardse realiteit.

Wanneer een mens het plan opvat om een huis te gaan bouwen, dan zal hij zich eerst en vooral een ‘idee’ vormen over hoe dat huis er zal moeten gaan uitzien. Wanneer hij daar een duidelijk beeld van heeft, in zijn gedachten, is het huis in feite al geestelijk geschapen. Maar voor het huis er ook in werkelijkheid staat zijn heel wat meer tijd, materie, werklui etc nodig dan voor de schepping van de gedachte.

 

 

  

Ter illustratie: Uittreksel uit

Nieuw Inzicht omtrent de Bijbel – J.G. Sutherland

 

De tweede zin van Gen. 1 : 1 geeft een indruk van het grootse beeld, dat de ziener aanschouwde: "De aarde nu was woest en ledig, duisternis lag over de afgrond, en de geest der Elohim zweefde boven de wateren." De krachten van de goddelijke geest werkten in op het reeds geschapene.

Wat daarna volgt, lijkt onmogelijk; zo lezen wij eerst van het licht, terwijl later de zon en de sterren geschapen worden. Het gaat daar echter over stadia, die ver vóór dat van de vaste materie liggen. De esoterische vorsing leert, dat ons gehele zonnestelsel oorspronkelijk uit één reusachtig grote gasachtige bol bestond, en dat eerst later de scheiding kwam tussen een gedeelte, dat de zon werd, en een gedeelte, waaruit de planeten ontstonden. Nog veel later werd de maan van de aarde gescheiden. In het Genesis­verhaal komt dit niet tot uitdrukking, maar wij kunnen ons voorstellen, dat het moest worden gegeven op een wijze, die voor de mensen van drieduizend en meer jaren geleden een begrip kon opleveren.

Na de gasvormige toestand kwam onze planeet in het stadium van de vloeibaarheid. Reeds in die tijd was, hoe vreemd het ook moge klinken, de eerste aanleg van de mens en ook die van dier en plant geschapen; hiervan is het, dat Gen. 1 spreekt.

Met de woorden "ten tijde dat" (2: 4) vangt de tweede scheppingsfase in Genesis aan; de aardkorst komt nu in de vaste materie. Op dat tijdstip wordt het scheppingswerk overgenomen door Jahweh. En hiermee is het raadsel verklaard, waarom Gene­sis eerst van de Elohim spreekt en vervolgens van Jahweh. Ook wordt hierdoor duidelijk hoe het mogelijk is, dat wij nu opeens lezen van het formeren van de mens uit het stof van de aard­bodem. Wat dit laatste betreft, het woord "formeren" verklaart het eigenlijk al: de mens, die in 1 : 26 reeds geschapen was, doch in een zeer vroeg stadium van de materie, wordt nu geformeerd in de vaste materie. Vandaar het Hebreeuwse woord voor "mens", "adam", dat afgeleid is van "adama", hetgeen leem betekent.

In het eerste scheppingsverhaal staat nog iets, waaraan wij niet zonder meer mogen voorbijgaan. In 1: 26 verluidt het: "En Elohim zeide: Laat Ons" (men lette op het meervoud) "mensen maken naar ons beeld,

als onze gelijkenis. . ."

Deze woorden betreffen allereerst het innerlijk wezen van de mens, dat immers het ware wezen is. In onze ziel is de geestkiem als de kern van ons wezen neergelegd, en deze is van goddelijke aard. Door de geestelijke kern in ons zijn wij aan God verwant. In het N. T. wordt dit enige malen met nadruk bevestigd.

­

 

3. Adam en Eva.

 

 The creation of Eve - Dore

 In het eerste scheppingsverhaal uit Genesis lezen we dat God sprak: ‘Laat ons de mens maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.

 

In het vorige hoofdstuk heb ik proberen duidelijk te maken dat het hier gaat om de schepping van de mens als goddelijke gedachte. Deze mens was nog niet ‘in het vlees’ – nog niet belichaamd en was, net als God volmaakt is, een volmaakt schepsel gods. Waarmee ik bedoel dat deze mens androgyn was [1] net zoals God zelf het mannelijke, zowel als het vrouwelijke vertegenwoordigt.

In de Nederlandse bijbelvertaling lezen wij: gen. 1:27 En God schiep den mens naar zijn beeld, man en vrouw.

In de Franse vertaling echter lezen wij: ‘mâle et femelle’ , wat een betere vertaling is en betekent: ‘mannelijk en vrouwelijk.’ De geestelijke mens is dus een kompleet mens.

 

In het tweede scheppingsverhaal, dat in Genesis 2:21-25 maar een paar regeltjes in beslag neemt, wordt dan de ‘vorming’ [2] van de stoffelijke mens beschreven.

Aanvankelijk is er alleen sprake van Adam (de bijbelse Adam staat voor de gehele mensheid vóór de splitsing in twee seksen). Dat dit niet in een uurtje gebeurde zal, na het lezen van het vorige hoofdstuk, voor iedereen wel duidelijk zijn. Net zoals een baby nu nog, in de moederschoot, moet evolueren van ei plus zaadcel, via allerlei vormen, tot een voldragen mensen-baby, moest ook de eerste mensheid evolueren door allerlei levensvormen voor er sprake kon zijn van een ‘mens’. Die eerste mens was vooreerst ook nog een androgyn wezen en droeg het volledige menszijn in zich, zowel lichamelijk als psychisch.

Pas later is er sprake van een splitsing in twee, elkaar aanvullende, seksen. Men vertaalde het Hebreeuwse woord tsela als ‘rib’. Maar eigenlijk had dit ‘zijde’ moeten zijn. Met het verhaal over het vormen van Eva uit de zijde van Adam wordt dan ook bedoeld dat de goddelijke leiding de mens zodanig liet evolueren dat er een splitsing tot stand kwam tussen: enerzijds de mens met het redenerend verstand op de voorgrond ( Adam) en anderzijds de mens met het gevoelsleven op de voorgrond (Eva), wiskundig gesproken zijn zij elkanders complement.

 

 

Ter illustratie: Uittreksel uit

Bijbelse symbolen – J.G. Sutherland

 

Na het in de 5e eeuw uitgevaardigde gnosisverbod ontstond de opvatting, dat de bijbelinhoud steeds naar de letter dient te worden uitgelegd. Dit heeft ertoe geleid, dat de beeldverhalen, die erin voorkomen, niet meer als zodanig werden begrepen. Zo kon het ook gebeuren, dat het verhaal, waarin God uit een rib van Adam diens vrouw Eva schiep, naar de letter werd opgevat. Alsof de Schepper daarvoor een rib nodig zou hebben gehad. . .

Origenes (185-254) schreef hierover in zijn belangwekkend boek "Contra Celsum" IV : 40: "Zo zal het verhaal over Adam en diens zonde philosophisch vertolkt worden door degenen die weten, dat "adam" in het Grieks anthropos (mens) betekent, en dat in hetgeen op Adam betrekking heeft, door Mozes gesproken wordt over de mens". De bijbelse Adam was het beeld voor de gehele mensheid in de paradijstijd vóór de splitsing in twee seksen. Eva werd het beeld voor alle vrouwen tezamen.

Het Hebreeuwse woord "tsela" kan men dan ook beter niet vertalen met "rib", maar met "zijde". De ene zijde der mensheid werd mannelijk, de andere zijde daarvan werd vrouwelijk. De man raadpleegt eerder zijn verstand dan zijn gevoel, de vrouw raadpleegt eerder haar gevoel en haar intuïtie dan haar denk­vermogen. Elk van hen kan ook het andere raadplegen, maar van nature gaat het, zoals hiervoren werd gezegd. Heel belangrijk is hierbij de intuïtie. In de heel vroege tijden, toen het matriarchaat bestond en men wèl wist, wie de moeder van een kind was, maar niet altijd de vader bekend was, hadden de mannen nog genoeg intuïtie om te weten, dat de vrouwen hen hierin overtroffen, zodat zij haar in moeilijke gevallen gaarne raadpleegden.

Het is, wat dit betreft, interessant, dat de toekomst niet meer veraf is, waarin de bovenzinnelijke vermogens weer terugkomen, verrijkt met het inmiddels verworven denken, en dan zullen de vrouwen door haar meerdere intuïtie daarin de mannen weder­om overtreffen. Zij hebben dan geen gelijkstelling meer nodig; die komt vanzelf. Hoe belangrijk dit is, blijkt bij Tacitus, die in zijn boek over Germania schreef, dat bij de Germanen de vrouwen werden geacht, iets heiligs te bezitten, en dat was haar voor­spellend vermogen: "inesse quin etiam sanctum aliquid ex providum putant".

 


[1] tweeslachtig wezen - Lat. androgynus androgunos (tweeslachtig mens), gevormd van anèr (man) + gunè (vrouw)

[2] Er is geen sprake meer van ‘scheppen’ maar van vormen.

 

4. Het paradijs en de zondeval.

 

Adam en Eva, verdreven uit het Paradijs - Dore

 

In Genesis 2: 16-17 geeft God aan de mens de toestemming om te eten van alle vruchten die groeien in het Paradijs, behalve deze van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Doet hij dat wel, dan zal hij sterven.

In Genesis 3 krijgen we dan het hele verhaal te lezen waarin Eva verleid wordt door de slang en Adam, op zijn beurt, door Eva. Zij eten beiden de vrucht van de ‘boom van kennis’ en meteen ‘gaan hun de ogen open’ en worden zij er zich van bewust dat ze ‘naakt’ zijn. Hierna volgen de bestraffende woorden van God tot de eerste mens en de verbanning uit het paradijs, ‘opdat zij niet ook zouden eten van de ‘boom des levens’.

 

Genesis 3:22-23

22 En God de Heer sprak: Zie, Adam is geworden als onzer één, en weet wat goed en kwaad is: nu dan, dat hij zijne hand niet uitstrekke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve eeuwiglijk!
23 Zo zond God de Heer hem uit den hof Eden om den aardbodem te bouwen, waarvan hij genomen was.

 

Uit de voorgaande hoofdstukken weten wij al dat de boeken van het Oude Testament geschreven zijn door zieners, die toegang hadden tot de beelden van het ‘wereldgeheugen’. Die beelden moesten zij dan zelf zien uit te leggen. Dat deden zij in verhaalvorm in de bijbelse boeken, maar met behoud van een groot aantal allegorische beelden. Ten tijde van deze zieners waren deze beelden voor iedereen duidelijk, maar in onze intellectuele maatschappij is dat begrip nauwelijks meer te vinden en worden de bijbelse verhalen ofwel helemaal naar het rijk der fabelen verwezen, ofwel letterlijk aangenomen.

Voor wie ‘oren heeft’ echter, vertellen deze symbolen in hun context nog precies hoe de zogenaamde zondeval, onder invloed van de slang, moet begrepen worden.

 

 

Om de ware betekenis van dit verhaal te kunnen begrijpen moeten we eerst de symbolen bekijken die de ziener/schrijver optekende:

De hof van Eden of het paradijs: de mens was aanvankelijk nog helemaal afhankelijk van zijn goddelijk instinct, dat werkte volgens het goddelijk denken. M.a.w. de mens was nog geen zelfstandig denkend wezen en kon niet kiezen.

 

De boom van kennis van goed en kwaad: de mens ontvangt hierdoor de mogelijkheid tot zelf denken en zelf kiezen voor goed of voor kwaad. In wezen is het, door het eten van deze vrucht, dat de mens zijn vrije wil ontvangt die hij daarvoor niet had. (Gen 3:22)  Onder invloed van de verleidingskunsten van Lucifer (letterlijk: Lichtbrenger, die echter ook een dwaallicht kan zijn) kan de mens nu ook kiezen voor het kwaad en kan dus zondigen  ( handelen en denken in disharmonie met het godsplan)

 

De boom des levens: geestelijk, als godsvonk, is de mens onsterfelijk. In de paradijselijke toestand, toen de mens alleen nog maar kon denken in harmonie met het godsplan, was hij ook onsterfelijk. Door de vrije wil echter, en onder invloed van ‘de slang’,  volgde de mens echter steeds meer de dierlijke instincten van zijn materie-lichaam, dat in feite dierlijk is,  en kwam daardoor in een toestand terecht die hem sterfelijk maakte (in zijn lichamelijkheid) Daarom het symbool in de bijbel waarbij de mens geen toegang meer krijgt tot de boom des levens en verjaagd wordt uit de hof van Eden. Die toegang zal pas later terug open gaan in het Nieuwe Jeruzalem dat beschreven wordt in het ‘boek openbaringen’.

 

De slang: waarom gebruikte de bijbelschrijver dit symbool om Lucifer aan te duiden? Het kwaad grijpt de mens aan in het hersen- en zenuwstelsel dat in de eerste plaats door de wervelkolom loopt. Vanaf de zijkant gezien lijkt deze gebogen lijn wel op een slang. In die slangenlijn zag de ziener de werking van Lucifer.

 

 

Ter illustratie: Uittreksel uit

De Bijbel en de Antieke Mysteriën – J.G. Sutherland

 

De volledige beheersing van alle functies van het aether- of levenslichaam wordt in de Bijbel voorge­steld door het beeld van de boom des levens, die bij de zondeval de mens werd ontnomen (Gen. 3:22) en die hij in het Nieuwe Jeruzalem nieuw zal ontvangen (Openb. 22:2). 'En de bladeren van de boom waren tot genezing van de volkeren'. Ziekte en dood zullen dan zijn overwonnen.

Wie het woord van Christus verneemt en in de Vader gelooft, heeft het eeuwige leven, aldus Joh. 5:24, 'want hij is overgegaan uit de dood in het leven'. De oorspronkelijke tekst bevat een woord, dat letterlijk kan worden vertaald met: overgestapt. Aangaande het­zelfde onderwerp zegt Johannes in zijn eerste brief 3: 14: 'Wie niet liefheeft, blijft in de dood'.

…….

 

Nu moet ook nog worden gesproken over het stoffelijk lichaam. Vondel, die met het esoterisch weten bekend was, heeft in zijn treurspel 'Lucifer' de heerlijkheid bezongen van Adam en Eva vóór hun val. Het was hem bekend, dat de mensheid van vóór de zonde­val een andere was dan die van daarna.

 

Jakob Boehme zegt hierover: door het optreden van Lucifer werd de materie samengetrokken tot grovere substantie en in het dieren­rijk ontstonden afzichtelijke vormen. Voor de mens had het tot gevolg, dat zijn lichaam dieper in de materie kwam dan tevoren het geval was. De grote ziener van Görlitz had het weten hieromtrent ontvangen uit bovenzinnelijke aanschouwing, evenals Steiner, wiens uitvoerige mededelingen over dit onderwerp het vorengenoemde be­vestigen, zoals bijv. het grofstoffelijk worden van het menselijk li­chaam.

 

Tengevolge van het optreden van Lucifer verloor de mens lang­zamerhand de oorspronkelijke innige binding met de Wereldziel. In het Genesisverhaal wordt gezegd, dat hij onderhevig werd aan ziekte en dood.

Dit is een moeilijk onderwerp. Hoe kan men zich voorstellen, dat de mens van vóór de zondeval duurzaam kon voortleven?

De paradijstijd moet men zich denken in het Mesozoïcum of Secun­dair. De aardkorst was toenmaals nog slechts zeer gedeeltelijk hard geworden, en de mens had nog niet het beenderenskelet ontwik­keld; daarom bestaan er van hem uit die tijd geen fossielen. De oudste daarvan dateren uit het Quartair; tot deze behoren ook nog vormen, die uitgestorven zijn.

 

De mens van de paradijs tijd was nog niet, wat wij onder het begrip 'mens' plegen te verstaan; wij zouden hem eerder een proto-mens noemen. Zijn droomachtig bewustzijn was grotendeels op de boven­stoffelijke wereld gericht, die hij nog beter kon waarnemen dan de aardse omgeving (het 'oog der ziel' was verder ontwikkeld dan het physieke oog).

 

Om het nog anders uit te drukken: de paradijs mens was een wezen, dat weliswaar op de aardbodem stond, maar, omdat hij voorname­lijk 'zielewezen' was, nog in de Wereldziel leefde. Dit was het, wat hem tot een gelukkig mens stempelde. Eerst na de 'zondeval' werd hij, wat wij zouden noemen, een wezen van 'vlees en bloed', iemand die wij als een mens zouden herkennen en die het beenderenskelet ontwikkelde. Hij kwam dus dieper in de materie, en nu geschiedde het, dat hij onderhevig werd aan ouderdomsverschijnselen en ziek­ten. Het gevolg hiervan was, dat zijn ziel het verblijf in een aards lichaam niet meer permanent kon verdragen en genoodzaakt werd, zich na een zekere tijd terug te trekken naar de bovenstoffelijke

wereld. De mens werd toen een sterfelijk wezen.       

 

Hoezeer de paradijsmens verschilde van de tegenwoordige, valt te zien aan het feit, dat toenmaals de splitsing in twee geslachten plaats vond, hetgeen zich voltrok in het langzame tempo der evo­lutie. In ons physieke lichaam dragen wij thans nog de zichtbare sporen van de beide geslachten, zoals bijv. op de mannelijke borst.

Nu dient nog gesproken te worden over de verhouding tussen het stoffelijk lichaam en het aether- of levenslichaam, welk laatste bij onze Germaanse voorouders (die dit nog konden waarnemen) lif werd genoemd, een woord, dat wij, zoals al gezegd werd, nu nog kennen als 'lijf. Van die oude betekenis getuigen nog woorden als 'lijfrente', een rente voor het leven, 'lijfsbehoud', hetgeen wil zeggen dat iemand het leven mag behouden, en 'lijfwacht', waaronder men de lieden verstaat, die voor het leven van het staatshoofd waken.

 

De normale evolutie brengt met zich mee, dat ons aetherlichaam in de toekomst gaandeweg krachtiger zal worden. Dit zal allereerst de gezondheid ten goede komen, want het beschermt het physieke lichaam tegen infecties, wanneer het zelf in goede conditie is. Voorts zal het de ouderdomsinvloeden tegengaan, zodat de mensen er jeugdiger zullen uitzien; het aetherlichaam, als bovenstoffelijk wezensdeel, blijft namelijk altijd jeugdig, tot het eind van ons leven toe. Ook zal de toenemende beïnvloeding door het aetherlichaam er oorzaak van zijn, dat de innerlijke eigenschappen zich meer en meer op het gelaat aftekenen; hierin wordt eveneens de toestand, zoals die in de hogere wereld is, langzaamaan benaderd. De slechten zullen hun ware aard niet meer kunnen verbergen achter een on­schuldig uitziend voorkomen; de boosheid zal op hun gelaat zicht­baar worden.

 

Onder invloed van de vergeestelijking zal de grofstoffelijke toestand van het lichaam veranderen in een van fijnere en veredelde struc­tuur. Zeer langzaam en geleidelijk worden ouderdom, ziekte en zelfs de dood overwonnen, en op die wijze wordt na de laatste scheiding het Nieuwe Jeruzalem bereikt.

 

5. Kain en Abel

 

 Dore

 Na het scheppinsverhaal en de zondeval lezen we in Genesis 4:1-17 de geschiedenis van Kaïn en Abel, de beide eerstgeboren zonen van Adam en Eva. Opnieuw kunnen we niet anders dan besluiten dat het hier om een symbolisch verhaal gaat. Immers, Kaïn die een vreselijk kwaad begaat, broedermoord, wordt door God ter verantwoording geroepen maar wordt terzelfdertijd ook door Hem beschermd opdat hij niet de doodstraf krijgt voor zijn daad.

 

13 Maar Kaïn sprak tot den Heer: Mijne zonde is te groot dan dat zij mij kan vergeven worden.
14 Zie, Gij drijft mij heden uit het land, en ik moet mij voor uw aangezicht verbergen, en moet ongedurig en vluchtende zijn op de aarde; zo zal het mij gaan, dat wie mij vindt mij doden zal.
15 Maar de Heer sprak tot hem: Neen, maar wie Kaïn doodslaat, dien zal het zevenmaal gewroken worden. En de Heer maakte een teken aan Kaïn, opdat niemand hem doodde, die hem vond.

(Luthervertaling)

 De betekenis van de namen en de beroepen van deze beide jongens werpen meer licht op de zaak:

De naam Kaïn betekent: ‘de verwerver’ of ‘de kunner’ – hij is landbouwer en dus een  actieve wroeter.

De naam Abel betekent: ‘ademtocht’ of ‘windvleug’ – hij is herder en dus eerder een passieve dromer.

 

Wanneer we de menselijke evolutie op aarde bekijken zien we opeenvolgende stadia:

1.De voedselzoeker

2. De jager en de herder, de nomade

3. De landbouwer die ploegt, zaait en maait en zich vestigt op een plek.

 

We zien dus dat Abel tot het tweede stadium behoort en Kaïn tot het derde. Dit is de verklaring voor de onvermijdelijke moord.

Kaïn, de man van de aarde heeft die evolutieweg gevolgd, Abel echter is blijven hangen aan het tweede stadium.

Beide zijn echter nuttige types want de eerste is de daadkrachtige, zonder wie er in onze stoffelijke wereld niets tot stand zou komen, de tweede is de priesterlijke, zonder wie de mens van het Kaïntype de hemel zou vergeten.

 

De moord op Abel is dus een ernstig vergrijp en daarom wordt Kaïn ook door God gestraft door verbanning uit zijn land.

Het godsbeeld heeft hij zélf verbannen uit zijn hart.

Dat hij toch in leven mag/moet blijven heeft te maken met het feit dat de mens zijn werkterrein op aarde ligt en daarmee moet doorgaan.

 

Iets van de Abel/herder-symboliek zien we terug in het NT. Bij de geboorte van Jezus zijn het de ‘herders’ die de engelenstemmen kunnen horen.

Jezus noemt zichzelf de ‘goede herder’, maar net als Abel wordt hij vermoord door de Kaïn-mens.

 

Ook in onze tijd kunnen we de Kaïn en Abel symboliek nog elke dag herkennen.

Ter illustratie een citaat uit Nieuw Inzicht omtrent de Bijbel – Sutherland:

 

 "Gelijk met vele bijbelse beelden het geval is, zijn ook voor het verhaal van Kaïn en Abel méér uitleggingen mogelijk. Dit is echter geen bezwaar; elk nieuw gevonden aspect vermeerdert ons inzicht. In het onderhavige geval zijn er twee uitleggingen, die evenwel geheel parallel gaan.

Terwijl hierboven Kaïn en Abel als de vertegenwoordigers werden beschouwd van de daadkrachtige mens enerzijds, en anderzijds van de meer tot innerlijk leven geneigde geestelijke mens, kunnen wij hen, zonder aan het voorafgaande iets af te doen, ook zien als de samenstellende delen van de enkele mens, namelijk als eerste diens activiteit, en als tweede zijn innerlijk leven. Nu is het innerlijk leven niet iets, dat zich bij alle mensen duidelijk vertoont, maar bij de meeste van ons is het toch wel in aanleg aanwezig, en het wacht erop, om tot ontwaken te worden gebracht. Maar, voor zo ver dit laatste nog niet heeft plaatsge­vonden, zien wij, dat het bij niet weinigen "Kaïn" is, die "Abel" doodt, dan wel hem niet aan het woord laat komen. En als hun zou worden gevraagd: "waar is uw broeder Abel?", dan zouden zij wellicht óók antwoorden: "ik. weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?" Sedert de zondeval heeft de "Kaïn" in ons de neiging, de "Abel" te haten, want het kost de zo moeilijk op te brengen liefde en zelfverloochening om het geestelijk deel van ons wezen te doen groeien. Maar er rust schuld op ons, zolang wij in ons de beide broeders nog niet met elkander hebben verzoend."

 

 

 Bronnen

Auteurs

Titels

ISBN en Uitgeverij

Pameijer Johan

 

 

Stolp Hans

 

 

Sutherland J.G.

Nieuw inzicht omtrent de bijbel

ISBN 90 70414 42 2 - Zevenster - Zeist

Sutherland J.G.

De bijbel en de Antieke Mysterien

ISBN 90 6077 502 3 - Servire - Wassenaar

Sutherland J.G.

Bijbelse symbolen

ISBN 90 70414 29 5 - Zevenster - Zeist

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL