Leestips III

 

Boeken die me zijn aanbevolen en/of die ik zelf heb gelezen en die ik van harte aanbeveel.

 

01. JEZUS RAPPORT – 02. DE OPENBARING VAN RAMALA03 KALE HERFST – 04. HET SPROOKJE VAN DE DOOD05. WERELD WORD WAKKER - 06. Wanen of geesten: Gestoord of bezeten? - 07. God en Psyche - 08. Crisis en Spiritualiteit -

Leestips 1 

Leestips 2

Leestips 4  

Leestips 5

01. JEZUS RAPPORT - Opheldering van een misvatting.
Johannes Lehmann



 

 

Flaptekst:

Toen de dodezeerollen ontcijferd waren, stond men voor een verrassing: begrip­pen, woorden en hele zinnen uit de dodezeerollen kende men reeds lang, zij stonden in het Nieuwe Testament, dik­wijls als uitspraken van Jezus van Na­zareth. Ook de interpretatie van histo­rische gegevens is door de eeuwen heen nogal aan verandering onderhevig ge­weest.

Daar de dodezeerollen ouder dan het Nieuwe Testament zijn, ja lang vóór de geboorte van Jezus opgetekend werden, komt de vraag naar voren of dat kloos­ter van Qumran, niet ver van Jericho, de eigenlijke wieg van het Christendom is, en of Jezus niet een Essener was..

Onder de Esseners waren vele politieke extremisten, die de Romeinse heer­schappij met geweld omver wilden wer­pen. Daarom is het aannemelijk dat de Evangelisten de relatie met de Esseners niet doorgegeven hebben. Dit was veel te gevaarlijk.

Sedert de vondst van de Qumranrollen kunnen we dieper doordringen in het ge­heim van rabbi J. die wij niet eens onder zijn echte naam Josua, maar al­leen onder de Griekse versie Jezus, kennen.

Het boek over het geheim van rabbi J. wordt een verslag over een misvatting.

Want tot voor kort kende men de we­reld, van waaruit rabbi J. handelde en sprak nauwelijks. Noodgedwongen moest het Christendom vele zaken anders zien en verklaren dat Jezus bedoeld had.

Nu kunnen wij de parallelle teksten van deze rollen vergelijken met het Nieuwe Testament en daardoor beter begrijpen. Wij zien meteen wat 2000 jaar Chris­tendom hieruit gemaakt heeft. Het kan degene, voor wie de bijbel het woord is, verontrusten. Maar wij hebben het vaste vertrouwen, dat onze uitleg voor­taan gefundeerd er wordt en daardoor ook de moderne kritische mens meer zal aanspreken.

De teksten van Qumran bevestigen het Nieuwe Testament, maar zij corrigeren soms de traditionele verklaring.

Een briljant en fascinerend boek, dat de discussie in en om de kerk beslis­send zal beïnvloeden.

 

© 1971 Uitgeverij N. Kluwer N.V. - Deventer

 

Inleiding

 

Elke instelling heeft de neiging na verloop van tijd te ver­starren en probeert zich als instituut een zelfstandige waar­de toe te kennen. Ook het instituut van de kerk is niet ontkomen aan deze ideologisering. Daarom heeft zij even­zeer behoefte aan controle en correctie als andere instel­lingen. Zij is niet onaantastbaar en derhalve heeft zij zich in de loop van enkele tientallen eeuwen steeds weer correc­ties moeten laten welgevallen, of zij daartoe bereid was of niet.

Elk van deze correcties ging ervan uit, dat het instituut der kerk zich met dat, wat het geworden was, te ver had ver­wijderd van hetgeen oorspronkelijk was bedoeld. Want in tegenstelling tot andere religies wijst het christendom naar een historische oorsprong, een historische persoon en een historisch en derhalve te verifiëren tijdperk.

Zou men derhalve feiten ontdekken, die deze historische achtergrond beter of anders verklaren dan men dat tot dus­ver wist te doen, dan moet de kerk haar boodschap afstem­men op dat wat werd bedoeld en niet op dat wat er in de loop van tweeduizend jaar van geworden is.

Nu hebben wij, ten gevolge van een dier onberekenbare toevalligheden der geschiedenis, sinds ruim twintig jaar een reeks documenten tot onze beschikking, waarin woorden en hele zinnen uit het Nieuwe Testament voorkomen, hoewel deze documenten zijn geschreven vóór de geboorte van Jezus van Nazareth.

Heeft deze Jezus dus in het geheel geen nieuwe leer ver­kondigd? Heeft hij slechts doorgegeven wat anderen vóór hem hadden gedacht? Indien dit zo is, wie is dan de eigen­lijke grondvester van het christendom en bedoelen de ker­ken werkelijk deze 'Christus', naar wie zij zich 'christenen' noemen?

Inderdaad 'beweren’ de kerken zulks, ook al zijn zij bereid toe te geven, dat deze Jezus van Nazareth het tegenwoordig allang niet meer met alles eens zou zijn. De kerken erkennen een zekere vormverstarring. Maar zij geloven toch, dat zij in de grond van de zaak datgene verkondigen wat Jezus heeft gepredikt.

Sedert de vondst van de beroemde Dode-Zee-rollen kan men ook dat betwijfelen, maar ondanks het feit dat over deze rollen heel veel vakliteratuur is verschenen, blijven de kerken zwijgen.

Zij maken over alle mogelijke onderwerpen hun standpunt bekend, maar wanneer wordt gevraagd naar de historische waarheid en in hoeverre de kerken zelf begrip voor die waarheid hebben, tonen zij zich op die punten bijzonder gauw geprikkeld. Toen radio Stuttgart in het voorjaar van 1970 een serie uitzendingen wijdde aan: Het geheim van rabbi J. - Het verslag van een misverstand, tekenden de vertegenwoordigers der kerken hiertegen protest aan, in tegenstelling tot een grote schare luisteraars, die in honder­den brieven voor meer dan 95% positief reageerden op deze nieuwe benadering.

Terwijl godsdienstonderwijzers de radioserie weken achter­een bespraken in hun lessen, noemden de bladen van diverse kerkgemeenten deze uitzendingen: 'slagen in het gezicht der Christenheid'.

Terwijl de kerken leeg blijven omdat men er zich onuit­staanbaar verveelt, en de kerk zich met moeite teweer stelt tegen de bedenkingen harer gelovigen, zetten vele toehoor­ders, die zichzelf anders als randbewoners der christelijke domeinen beschouwden en wier enige verbinding met de kerk nog bestond uit het betalen van kerkbelasting en de inzegening van familiegebeurtenissen, zich tot schrijven.

Zij discussieerden thuis en op hun werk over de vraag hoe de werkelijke Jezus is geweest en over de plaats van de kerk van nu.

En terwijl sommigen luidkeels riepen om de brandstapel, schreven anderen, dat zij ondanks een religieuze opvoeding pas nu meenden te begrijpen waar het bij het christendom om ging.

'Wat is waarheid?', vroeg, bijna tweeduizend jaar geleden, Pontius Pilatus. Diezelfde vraag is ook nu nog van kracht. En de noodzaak om zichzelf die vraag te stellen geldt voor de kerk van vandaag evenzeer als voor die van gisteren. Evenals voor al diegenen, die het met de huidige kerk niet meer weten klaar te spelen.

Misschien zijn kerk en christendom niet meer hetzelfde en zijn wij alleen niet meer bij machte dat in te zien. Misschien is het begrip 'geloof' wel vervangen door het be­grip 'ideologie' en onttrekt zich dit aan onze waarneming. Misschien zou deze Jezus van Nazareth tegenwoordig geen lidmaat van een 'christelijke kerk' meer zijn en durven wij dat alleen maar niet te veronderstellen.

Misschien houden wij dingen voor hetzelfde, die in het ge­heel niet bij elkaar horen, doordat de blinde vlek in ons oog ons parten speelt.

Misschien is alles anders . . .

In ieder geval is dit de geschiedenis van het geheim van rabbi J. zoals zij volgens de ter beschikking staande gege­vens tegenwoordig geschreven en ter discussie kan worden gesteld.

 


02. DE OPENBARING VAN RAMALA



Velen van ons hebben vragen waar de kerk, de wetenschap noch de politiek antwoord op kunnen geven. Het zijn de vragen naar de zin en bedoeling van het leven, naar de toekomst van de wereld en meer persoonlijk naar het individuele lot van de mens. Vanuit de spirituele wijsheid van de ongeziene wereld geeft een geestelijk leider antwoorden, die op bovengenoemde vragen een helder licht werpen. Vele van deze antwoorden willen we misschien eigenlijk liever niet horen. We leven echter in een tijd vol van veranderingen, ontwikkeling en ook verwarring, waarin het belangrijk is dat we ons bewust worden van een aantal zaken: van onze verantwoordelijkheid voor onze medeschepselen, de aarde als planeet en van de opdracht van de mens als geestelijk wezen in dit geheel. Deze boodschap is een boodschap van liefde en hulp uit de geestelijke wereld. Het zijn inspirerende lessen, maar we moeten er zelf de waarheid in ontdekken en daar iets mee doen in ons dagelijks leven. Ze kan ons helpen de band met de geestelijke wereld te versterken en deze kracht vervolgens te gebruiken om aan de slag te gaan en te handelen ten behoeve van het welzijn van ieder van ons, voor ons allen en voor het universum waar wij deel van uitmaken. Dit boek vormt een drieluik met twee andere boeken van Ramala Centre, die eveneens bij Ankh-Hermes verschenen, De wijsheid van Ramala en De visie van Ramala, maar kan afzonderlijk worden gelezen.

 

ISBN 90-202-5447-2

Nederlandse vertaling 1984. Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer

 

Uittreksel: (met dank aan Cathy)

 

 

Verjaardagen

 

De mens is niet slechts een wezen van deze Aarde, beperkt door zijn fysieke lichaam en het bereik van zijn vijf fysieke zintuigen, maar hij is een kosmisch wezen. Voortdurend is hij verbonden met de krach­ten en machten buiten het bereik van de aardse materie. Zijn fysieke lichaam is niet alleen afgestemd op de Aarde en haar vier rijken, maar ook op andere delen van het Zonnestelsel, de planeten. De mens wordt voortdurend beïnvloed, geholpen en geleid door vele an­dere ongeziene krachten en machten. Wanneer hij op Aarde incar­neert, is de mens maar een tijdelijke bezoeker. Hij komt slechts voor een korte periode om het leven in het beperkte fysieke lichaam te ondergaan en keert dan weer terug naar zijn ware bestaan in de gebie­den die boven het fysieke liggen.

 

Wanneer de mens in de fysieke materie incarneert, wordt hij een trillinggevoelig instrument. Op het moment dat hij geboren wordt en op zijn trillingsgetal gebracht wordt door de ether die het fysieke lichaam dat hij geschapen heeft in beweging zet, ondergaat hij vele, vele ongeziene invloeden. Zijn frequentie wordt dan vastgesteld voor die bepaalde incarnatie. Zijn geest, de individuele vonk van zijn Schepper, is uniek. Geen enkele andere vonk in de Kosmos is gelijk aan de zijne, en op het moment dat hij geboren wordt, wanneer de levensweg in het fysieke lichaam begint, worden de invloeden vanuit de ruimte voor zijn leven bepaald. Deze invloeden, die op Aarde in­werken, zijn steeds aan verandering onderhevig, omdat de sterren en de planeten om de Aarde heen draaien en de ware aard van hun in­vloed verandert met hun bewegingen Daarom is het precieze moment van uw geboorte belangrijk, want dan bepaalt u de frequentie van uw komende leven. Voordat de ziel in de materie incarneert, kiest zij zeer nauwkeurig het ogenblik van de geboorte, opdat ze ge­boren wordt onder die invloeden die ze onder controle wil krijgen in

de loop van het leven. Er werken vele krachten op de Aarde in: de kracht van uw Schepper, de zeven belangrijkste stralen, de invloe­den van de planetaire en interplanetaire wezens en de invloeden van de vele engelenrijken en deva's, die de mens niet kent. Deze invloe­den helpen het trillingsgetal van het kind te vormen op het ogenblik van de geboorte.

 

U kunt nu misschien begrijpen waarom het zo belangrijk is dat kinde­ren op natuurlijke wijze, op de vastgestelde tijd geboren worden en waarom het moment van de geboorte zo belangrijk is. Dat wil niet zeggen dat het op een seconde aankomt, maar het is wel zo dat een ziel haar entree in de fysieke materie met een marge van minder dan tien minuten voorbereidt. En daarom is het volkomen fout wanneer de artsen dat ogenblik van de geboorte op de een of andere manier beïnvloeden en de huidige tendens van artsen en verpleegsters om het ogenblik van de geboorte te vervroegen of uit te stellen zijn in spiri­tueel opzicht verkeerd, want ze spelen met de lotsbestemming van het kind dat in de materie incarneert. Er zijn heel wat mensen op Aar­de die zich verloren voelen, die het idee hebben dat ze geen doel heb­ben in het leven of ook maar iets presteren. Dit komt waarschijnlijk doordat het moment van hun geboorte en daardoor de lotsbestem­ming welke ze gekozen hebben voordat ze incarneerden door de me­dische wetenschap veranderd is.

 

Op het ogenblik van de geboorte verwelkomen vele krachten de komst van dat vonkje van de Goddelijke Geest in de materie. Op het tijdstip van de geboorte van een ziel in de fysieke materie zijn er let­terlijk honderden invloeden aanwezig, die zich uitstrekken van de en­gelenrijken en de deva-rijken tot de gidsen, de beschermengelen, de Meesters en de leraren en degenen die de ziel door het gehele leven begeleiden. Zij allen zijn getuige van deze gebeurtenis in de schep­ping en hun kracht, hun invloed, hun aanwezigheid, zijn het sterkste op het tijdstip van de geboorte. Het is belangrijk dat u dat ogenblik van uw geboorte kent en ieder jaar op uw verjaardag zou u in diepe méditatie moeten zitten en uzelf afstemmen op deze invloeden, die op u zullen inwerken, want ze zijn dan aanwezig en vervullen hun plicht om u te helpen op uw levensweg. Vele mensen negeren echter deze hulp, door onwetendheid of door luiheid. Zeer velen negeren de helpende hand van de Schepper, die hen door het komende jaar zou kunnen leiden, want wanneer ze op het tijdstip waarop ze gebo­ren zijn zouden mediteren, dan kunnen ze hun lot voor het komende jaar te weten komen, ze kunnen nagaan wat ze geweest zijn en wat ze zullen worden, zoals dat in de Akasha kronieken van deze wereld is vastgelegd. Ze kunnen het leven dat ze tot nu toe geleid hebben beoordelen. Ze kunnen de ware aard van hun bestemming leren ken­nen en datgene wat hun te wachten staat en ze kunnen hun Schepper om hulp vragen en om de leiding die ze nodig hebben om hun lot te volbrengen. De mens kan heel wat tot stand brengen op zijn verjaar­dag, als hij daar maar gebruik van wil maken.

 

De meeste mensen gedenken hun geboortedag alleen maar op het fysieke niveau. Ze zijn zich alleen maar van de fysieke betekenis van een verjaardag bewust: ze hebben weer een jaar geleefd, ze zijn ouder geworden. ze zijn rijker of armer geworden. ze hebben een goede of slechte gezondheid. Ze vergelijken hun aardse vooruitgang met hun ideaal, met hetgeen ze op hun leeftijd hadden moeten berei­ken inzake materieel bezit of succes en ook overwegen ze wat ze voor hun persoonlijke bevrediging nog zouden willen bereiken in de tijd die ze denken over te hebben. Wanneer u waarlijk beperkt wordt door het fysieke dan zal uw verjaardag zo verlopen en u zult dan ook alleen maar fysieke resultaten zien. U zult felicitaties ontvangen, kaarten en geschenken van uw vrienden. Waarschijnlijk zult u teveel eten en teveel drinken. Maar dan is uw verjaardag weer voorbij en het is één van de vele verjaardagen, net zo een als u in vorige levens gevierd hebt. Het vervaagt en is voor altijd voorbij en wat heeft u bereikt? Hoevelen van u kunnen zich zelfs maar een verjaardag van tien jaar geleden herinneren?

 

Als u een verjaardag materialistisch beschouwt dan zal u dit geen blij­vende resultaten opleveren. Maar voor degenen van u die bezig zijn met de ontwikkeling van hun bewustzijn die begrijpen dat de mens verbonden is met het eeuwige leven en de levensgebieden buiten het fysieke, krijgt een verjaardag een extra dimensie, want door het tijd­stip van uw geboorte te herdenken kunt u de ware spiritualiteit van uw wezen doorgronden. U kunt een terugblik werpen op het afgelo­pen jaar en zien hoe u geleefd hebt in de laatste cyclus van uw leven.

 

U kunt overzien waar uw successen lagen en waar uw mislukkingen. U kunt zien in hoeverre u gevorderd bent in de evolutie van uw be­wustzijn en in welke mate u uw bewustzijn beperkingen heeft opge­legd. U kunt een plan maken voor wat u in het komende jaar wilt bereiken, want als u geen plannen maakt, dan kunt u ook niets berei­ken. Op uw verjaardag krijgt u de gelegenheid om een plan op te stel­len en uw Schepper te vragen dit plan te laten slagen. U krijgt de gele­genheid het komende jaar te overzien en te beslissen wat u zelf met dat jaar wenst te doen. Uw levensbestemming zal u worden getoond, u zult in staat zijn die te aanschouwen en in verband met de omstan­digheden waarin u nu leeft en uw leven tot dan toe, te beslissen wat u wel of niet kunt beréiken in de jaren die u nog ter beschikking staan. Dit alles speelt zich natuurlijk af in gebieden die boven uw fysieke bewustzijn liggen. Ook al bent u zich daar helemaal niet van bewust, het gebeurt toch en op dit moment speelt zich heel wat meer af dan de mens zich bewust is.

 

Diegenen onder u, die al enigszins gevorderd zijn op de weg naar ontwikkeling van het bewustzijn, gaan misschien de diepere betekenis van de geboortedag zien. Hoewel de verjaardag van uw tegenwoordi­ge incarnatie belangrijk is, is deze toch niet de allerbelangrijkste, want het tijdstip van uw geboorte is verschillend bij iedere incarnatie waarin u naar de Aarde gaat om te proberen de verschillende lessen te leren. Het is heel belangrijk dat u probeert de grotere verjaardag te ontdekken, de geboortedag van dat allereerste moment waarop u ge­schapen werd. U moet proberen zich bewust te worden van dat tijd­stip waarop het zaad, afkomstig uit de Goddelijke Geest, ontstond, het moment dat dat zaad werkelijkheid werd en dat toen in tweeën gesplitst werd, zodat er twee individuele vonkjes van de Goddelijke Geest ontstonden. U moet zich afstemmen op dat tijdstip, het tijdstip van uw eerste schepping en tegelijkertijd moet u proberen contact te zoeken met uw andere helft, met degene die bij u behoort, de weder­helft van uw ziel voor de eeuwigheid, want met deze andere helft zult u zich uiteindelijk weer verenigen en opnieuw een geheel gaan vor­men, om dan weder te keren tot uw Schepperl Naarmate u contact gaat krijgen met die geboortedag, die buitengewoon belangrijk is, zult u de betekenis van uw verjaardag in uw tegenwoordige incarna­tie gaan begrijpen.

 

Op uw verjaardag kunt u reizen en plaatsen bezoeken die u op het fysieke niveau niet kent. U mag de Tempels van Lering, de Hallen van Wijsheid betreden, waar u gewoonlijk niet heen kunt gaan. U kunt de kennismaking vernieuwen met die wezens die u leiden en die­nen en lezen wat er voor u op het programma staat in het komende jaar. De mens strompelt blindelings voort op de voor hem bestemde levensweg en klaagt óf dat hij niet weet wat er met hem gebeurt en/of dat hij niet kan begrijpen waarom bepaalde gebeurtenissen nu juist hem moeten treffen. Hij geeft de schuld aan het noodlot en zegt dat hij het slecht heeft getroffen, dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, maar hij heeft nog nooit geprobeerd erachter te komen wat zijn be­stemming is en nooit een plan voor de toekomst gemaakt. Deze mo­gelijkheden heeft hij op zijn verjaardag.

 

Verjaardagen zijn niet alleen van belang op het geestelijke vlak, ze zijn ook belangrijk op het fysieke vlak. U bent zich er heel goed van bewust dat bij het verglijden van de jaren cr vele veranderingen op­treden in uw fysieke lichaam. Het is volkomen natuurlijk dat de fysie­ke mens zijn verjaardag beziet met fysieke ogen en daarom zou ik nu uw geboortedag willen zien vanuit een fysiek standpunt. Verjaarda­gen zijn slechts de weerspiegeling van de bijzonder belangrijke tijd­perken die de Aarde en het Zonnestelsel doormaken. Deze cyclische tijdperken die ieder ongeveer tweeduizend jaren duren, spelen een belangrijke rol in het Plan voor de evolutie van deze Aarde en net zoals de Aarde en het Zonnestelsel bepaalde tijdperken doormaken, weerspiegelt ook de mens op kleinere schaal in zijn fysieke lichaam die opeenvolging.

 

De mens verwacht zijn zeventig jaar vol te maken, zoals het in de bijbel staat. Die zeventig jaren kunnen in zeven cycli verdeeld wor­den, want de cyclus op Aarde duurt tien jaar. liet spirituele getal van deze Aarde is zeven en de Aarde werkt op en door de golflengte en vibratie van zeven. En zo bestaat ook de aardse cyclus van de mens uit zeven jaar, die afgestemd is op de spirituele vibratie van de Aarde. Hieraan zijn drie jaar toegevoegd, die bedoeld zijn voor een rustpe­riode en herstel voordat de volgende cyclus begint, die de astrologi­sche cyclus is. En daarom begint er iedere tien jaar een andere cyclus voor de mens. Net als het grotere geheel, de Aarde, door verschillen­de tijdperken gaat, of het nu het Vissentijdperk, het Aquariustijd­perk of het Steenboktijdperk is, zo gaat ook de mens op kleinere schaal door verschillende cycli in zijn leven. Ieder van deze cycli is van groot belang voor de ontwikkeling van de mens, want zijn aardse ontwikkeling wordt steeds voorbereid in samenhang met de cyclus waarin hij zich bevindt.

 

In het fysieke lichaam van de mens bevinden zich zeven spirituele centra of chakra's die door de medische wetenschap nog niet zijn ont­dekt. maar die zorgen voor de voortzetting van zijn evolutie, terwijl hij in een fysiek lichaam is. Deze zeven spirituele centra zijn de kie­men waaruit de zeven hogere lichamen. ontstaan, waardoor de mens verbonden is met de bewustzijnsniveaus buiten het fysieke lichaam. Tijdens ieder van de zeven cycli van de mens opent zich een chakra en dit gaat zich ontwikkelen. Dit spirituele centrum komt tot volle ont­wikkeling gedurende de eerste zeven jaar van een cyclus en tijdens de laatste drie jaar kan de mens dan via zijn persoonlijkheid en door de groei van zijn ziel laten zien wat hij geleerd heeft. De mens heeft dus een speciale taak in ieder van deze perioden van tien jaar.

 

In de eerste cyclus, vanaf de geboorte tot de leeftijd van tien jaar, wanneer het laagste centrum van de mens zich opent en ontwikkelt, het centrum onderaan de ruggengraat bij het staartbeentje, is hij in hoofdzaak bezig zich bewust te worden van het leven in zijn tegen­woordige incarnatie. Hij verkent de materie om hem heen met de vijf zintuigen van zijn fysieke lichaam. Hij wordt zich langzaamaan be­wust van het leven, de energie en de natuur om zich heen. Hij ontwik­kelt zijn persoonlijkheid en deze gaat zich vormen, hij wordt zich be­wust van zichzelf als individu. Ook ontwikkelt zich zijn instinct tot zelfbehoud.

 

Tijdens de tweede cyclus, van elf tot twintig jaar, komt het tweede spirituele centrum, dat zich bevindt in het gebied van de milt, tot volle ontwikkeling. De mens verbreedt zijn horizon en gaat de vaardig­heden gebruiken die hij ontwikkeld heeft in de eerste cyclus om het universum en zijn omgeving te leren kennen. liet is een periode van zelfontplooiing. Hij leert zijn energie en zijn fysieke zintuigen op nuttige wijze te gebruiken. Hij leert met mensen om te gaan, contac­ten te leggen met mensen, hij gaat naar school en wordt zich bewust van het leven dat buiten hemzelf ligt. Hij krijgt meer gemeenschaps­gevoel.

 

Gedurende de derde cyclus, van eenentwintig tot dertig jaar, ontwik­kelt zich het derde spirituele centrum, dat in het gebied van de zonne­vlecht (de plexus solaris) ligt. De mens richt zich op het gezin. Zijn gezichtsveld en zijn bewustzijn verruimen zich, het eigen ik komt op de achtergrond en hij neemt de verantwoordelijkheid op zich van een gezin, een huwelijk, kinderen, hij komt tot rust en bouwt een eigen tehuis op. Daarom zoekt de mens in deze periode meestal een partner en trouwt. In deze cyclus ervaart de mens de eerste werkelijke lessen in opoffering, hij leert anderen voor zichzelf te laten gaan. Hij leert voortdurend door de Wet der Tegenstellingen. Hij ondergaat emo­ties, grote vreugde en geluk en ook groot verdriet en persoonlijke teleurstellingen. Op de leeftijd van dertig jaar moeten de drie lagere chakra's zich hebben ontwikkeld en zou de mens fysiek volwassen moeten zijn.

 

In de vierde cyclus, van eenendertig tot veertig jaar, ontwikkelt zich het vierde spirituele centrum, dat zich in het gebied van het hart be­vindt. De mens, die is gegaan door de cycli waarin hij zijn individuali­teit en ook zijn verantwoordelijkheid jegens een gezin heeft ontwik­keld en zijn opvoeding heeft voltooid, richt nu zijn gedachten op de wereld buiten het kringetje van zijn eigen gezin. Deze gaan nu uit naar de toestand waarin de wereld zich bevindt, naar de mensheid op Aarde als geheel. In die periode moet de mens minder egocentrisch worden en minder waarde aan bezit gaan hechten. Hij moet fysiek gaan werken aan het welzijn van de mensheid en er naar streven dat de verschillende volkeren op Aarde voldoende voedsel en kleren hebben en de vrijheid om zich te ontwikkelen op een manier die over­eenkomt met hun individuele bewustzijn.

 

Tijdens de vijfde cyclus, van eenenveertig tot vijftig jaar, ontwikkelt zich het vijfde spirituele centrum, dat in het gebied van de schildklier ligt. En nu de mens de fysieke lessen van het leven beheerst, kan hij zich gaan wijden aan de ware geestelijke ontplooiing. Hij gaat een deel van de wijsheid, die hij in het verleden heeft opgedaan, toepas­sen en uitdragen. Hij vertoont nu de evenwichtige manier van leven die hij op dit moment moet hebben geleerd. Door zijn voorbeeld moet hij zijn minder ontwikkelde broeders laten zien hoe men har­monieus kan leven., Hij zou in zijn manier van leven de liefde van de Schepper en de juiste manier van leven tot uitdrukking moeten kun­nen brengen.

 

In de zesde cyclus, van eenenvijftig tot zestig jaar, ontwikkelt zich het zesde spirituele centrum, dat zich in het gebied van de pijnappelklier bevindt. De mens die tot dat moment de kennis en de wijsheid heeft gedragen die hij tot dusverre in zijn leven heeft vergaard, gaat deze nu onderwijzen. In deze cyclus wordt de mens een leraar van de wijs­heid die hij zich eigen heeft gemaakt en geeft aan de mensheid terug, dat wat de mensheid hem gedurende de afgelopen vijftig jaar heeft geschonken. Gedurende deze periode zou hij in de ware zin des woord in spirituele dienst moeten staan van de mensheid. Hij zou dan in staat moeten zijn degenen die nog niet verlicht zijn te onder­wijzen en ze, door volledige beheersing van het zelf moeten laten zien hoe de gehele schepping werkt volgens de goddelijke wetten- de na­tuurwetten. De zesde chakra is de mentale chakra en de mens zou in deze periode in mentaal opzicht volwassen moeten zijn.

 

In de zevende en laatste cyclus, van eenenzestig tot zeventig, komt het zevende spirituele centrum, dat gelegen is in het gebied van de hypofyse, tot ontwikkeling. In deze cyclus maakt de mens de reke­ning op van het leven dat hij met een juist begrip en spirituele wijs­heid heeft geleid, van alles wat hij doorstaan heeft en van de kennis en de wijsheid die hij heeft vergaard. Hij bereidt zich voor op de over­gang van de dood. Hij beziet het leven met bewuste blik en is zich ook bewust van de werkelijke waarden die gelden in dit leven en van zijn eigen doel en hij begrijpt waarvoor hij gekomen is. Hij zou geestelijk in staat moeten zijn de vruchten te plukken van zijn vele werk en toch door moeten gaan de mensheid zo goed mogelijk te dienen. Hij zou alle andere Aarderijken moeten beheersen en niet langer aan de ma­terie gebonden moeten zijn.

 

Dus nu kunt u, al naargelang uw leeftijd, uzelf inpassen in de juiste cyclus en zien waarnaar u in het ideale geval zou moeten streven. Ik heb de vorderingen beschreven van iemand die geestelijk bewust is. Heel wat mensen die op Aarde incarneren zullen niet verder komen dan de derde cyclus, zelfs al worden ze honderd, want de aard van hun evolutie is niet anders. Daartegenover zou iemand die hoog ont­wikkeld is, een groot Meester zoals de Nazarener, deze cycli veel sneller afwerken dan een normaal mens. Deze zou in elke cyclus twee centra openen en zou dus aan het eind van de derde cyclus, op dertig­ jarige leeftijd volledig bewust zijn en in staat de mensheid te dienen. Het feit dat de mens op zeventigjarige leeftijd alle centra geopend zou moeten hebben, betekent niet noodzakelijkerwijze dat hij maar zeventig jaar zou kunnen leven. Eigenlijk is het zo dat hij na zijn ze­ventigste jaar pas werkelijk in staat is de mensheid iets te geven, daar zijn ontwikkeling als mens dan pas voltooid is.

 

Zowel de jaren die u geleefd hebt, als de jaren die u nog te leven hebt zijn belangrijk. De jaren gaan niet eindeloos voorbij zonder enige betekenis, want net zoals het lot van de Aarde vooruit bepaald is. zo bestaat er ook een plan voor uw individuele bestemming en net zoals er een plan is voor de cycli van de Aarde, zo maken ook de cycli van uw lotsbestemming deel uit van een plan. De jaren die u geleefd hebt zijn van grote betekenis. En ook de jaren die u nog resten zijn van grote betekenis. Een verjaardag is niet alleen een gelegenheid om u te realiseren dat u een jaar ouder bent geworden, want dat betekent eigenlijk niets. Fysieke jaren zijn niet gelijk aan spirituele wijsheid. U kunt zeventig jaar leven en heel weinig bereiken wat betreft spiri­tuele kennis, maar toch kunt u in uw laatste jaar de wijsheid opdoen die van groot belang zal zijn voor uw bewustzijn en uw volgende in­carnatie. Zie uw verjaardagen dus niet als mijlpalen, die de jaren moeten voorstellen die voorbij zijn, maar zie ze zoals dat bedoeld was door uw Schepper, als momenten van wedergeboorte. Een ver­jaardag is eigenlijk een moment van reïncarnatie. Ieder jaar opnieuw wordt u het principe van reïncarnatie getoond, want wanneer u het moment van uw geboorte herdenkt, dan kunt u er zelf voor zorgen dat u reïncarneert.

 

Wanneer u terugkijkt en overziet wat u in het afgelopen jaar hebt gedaan, moet u zich ervan bewust zijn dat alle fouten die u hebt be­gaan, alles wat u verkeerd hebt gedaan afgewogen wordt. Al het kwaad dat u hebt begaan, wordt pas opgenomen in uw ware Akasha­kroniek op dat moment in de tijd waarop u geboren werd, als de pla­netaire invloeden daarvoor aanwezig zijn. En op dat moment gaat u, samen met de Wezens op de hogere niveaus, na wat u gedaan hebt in het jaar dat voorbij is en overweegt wat er in die kroniek moet wor­den opgetekend. Natuurlijk kunt u de Wet van Karma niet ontlopen, want uw daden zullen gevolgen hebben, maar het feit dat u begrijpt wat u hebt gedaan maakt dat u dat in het komenL1e jaar kunt transfor­meren. Daarom is het belangrijk dat u de balans opmaakt van uzelf over het jaar dat voorbij is. Kijk naar uzelf en zie wat u hebt gedaan, wat u geweest bent en stel bij uzelf vast wat u in de toekomst wilt zijn.

 

Iedere tien jaar is er voor u allemaal een belangrijke verjaardag. Elke tien jaar zou u er zich eigenlijk speciaal voor moeten inspannen om  uw vorderingen, met betrekking tot de cyclus die u nu beëindigd hebt. te beschouwen. Na uw dertigste jaar is ook iedere cyclus van vijf jaar belangrijk. dat wil zeggen uw vijfendertigste, vijfenveertigste. vijfenvijftigste en vijfenzestigste verjaardag. Die verjaardagen zijn van grote betekenis omdat na uw dertigste verjaardag, wanneer de laagste drie chakra's geopend zijn en u fysiek volwassen bent. u de vier hogere chakra's gaat ontwikkelen die u in contact zullen brengen met de geestelijke kant van het leven. de spirituele kant. die verder gaat dan het fysieke bewustzijn.

 

Dus vraag ik u allen uw verjaardag te gaan gebruiken en wanneer de volgende verjaardag komt deze met nieuwe ogen te bezien en hem niet te beschouwen als alle andere verjaardagen, maar deze te erva­ren als een gelegenheid die uw Schepper u heeft gegeven voor een ogenblik van wedergeboorte. Op dat moment kunt u veranderen, want alle kracht, alle liefde van uw Schepper daalt op u neer. Op dat moment giet de hemel haar energie over u uit om u nieuwe kracht te geven en u te versterken voor de volgende cyclus. U wordt omringd door het engelenrijk en wat u vraagt zal u gegeven worden, maar u krijgt het alleen wanneer u er om vraagt. Gaat u dit ook doen?

 

 

03. KALE HERFST.

Liefde en vriendschap in barre tijden

Anne - Marie Vermaat

 

 

'

 

Grote impact van een levensbedreigende ziekte op de partner, de familie en de relaties van de patiënt

 

Partners van mensen die kanker hebben worden zwaar belast. De balans in de relatie is op allerlei manieren verstoord. Taken in het gezin en sociale contacten moeten worden overgenomen, naast het verzorgen van de zieke. Ook tijdens de herstelperiode hebben zij een ondersteunende rol. De onderlinge communicatie laat soms te wensen over. Er is weinig tijd en energie voor de eigen verwerking: wat betekent de ziekte voor mij, voor onze relatie, voor de toekomst? Mede door de over­belasting kan de relatie onder druk komen te staan. Ruim één op de drie mensen in Nederland krijgt kanker. Elk jaar opnieuw krijgen 65.000 mensen de diagnose kanker. Over tien jaar zullen het er waarschijnlijk 85.000 zijn. In Nederland zijn nu 400.000 mensen in behandeling voor kanker, jaarlijks overlijden 37.000 mensen eraan.

 

Anne-Marie Vermaat schreef een pakkend relaas over de impact van een levensbedreigende ziekte (kanker) op de partner, familie en de relaties van de patiënt, Kale herfst.

 

Over de inhoud:

Emily heeft met Max een tevreden stemmende latrelatie. Ze zijn gelukkig samen. Hun wereld verandert als bij Max na maagonderzoek kanker wordt geconstateerd. Het ziet er niet goed uit. 'Nu gaat hij dood' is het eerste wat bij Emily door het hoofd schiet. Hun bedrijf, hun hele leven, hun toekomst staat opeens op losse schroeven. Ze beginnen tegen de kanker 'een gevecht dat geen gevecht is'.

Emily maakt de lezer deelgenoot van de ingrijpende omwenteling in haar leven: paniek, woede, verdriet, schuldgevoelens, ernstige gesprekken maar ook veel liefde en humor. Zo ontstaat een boek waarin de schrijfster voelbaar weet te maken hoe zij en haar partner sámen met de kanker omgaan. Het boek krijgt een extra dimensie doordat Emily erin slaagt zich in te leven in de ogenschijnlijk introverte Max en de wijze waarop hij zijn ziekteproces verwerkt.

Die extra dimensie wordt versterkt doordat Emily ook haar eigen gevoelens ruimte durft te geven: 'Ook mijn toekomst verandert. Ook ik heb kanker! Er wordt verwacht dat ik bovennormale zorg verleen'

Die meer dan dubbele gelaagdheid maakt Kale herfst anders dan vergelijkbare boeken over dit onderwerp.

En herkenbaar voor vele lotgenoten.

 

Kale herfst is in een bijzondere vorm gegoten. In plaats van vele tientallen, vaak vermoeiende en emotievretende telefoontjes vertrouwt Anne -Marie Vermaat (Emily in het verhaal) haar gevoelens toe aan haar computer en verstuurt informatie en emotie via e-mail naar de vele vrienden, kennissen en familieleden. Op basis van die mails en mailwisseling is dit boek tot stand gekomen en zo wordt de lezer nabije getuige van 'liefde en vriendschap in barre tijden'.

Kale herfst wordt ondersteund door de website waarop reacties, commentaren, artikelen en recensies zullen worden geplaatst.

 

De schrijfster heeft zich gespecialiseerd in individuele verliesbehandeling, trainingen op maat, workshops, coaching, bedrijfsadviezen, nazorgdiensten voor uitvaartondernemers, en in de impact van verdriet en rouw op het werk.

De behandelingen die zij geeft zijn zeer succesvol en resulteren bijna altijd in teruggeleiding naar het werk

 

Het boek is te bestellen bij de boekhandel. Ing. 192 blz. € 17,50 ISBN 90-8062-864-6

 

Ook kunt u het boek bestellen door overmaking van € 17,50 op Postbankrekening 6159800 t.n.v. Vermaat & Boer, Postbus 48,2640 AA Pijnacker.

Bestelcode: "Kale herfst".

 

Na betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten verstuurd naar het adres op de overschrijvingskaart. Bij bank- of girotel betaling adres s.v.p. apart vermelden bij "Mededelingen".

Vermaat & Boer v.oJ. De Visserlaan 18 2641 VL Pijnacker

T+F: 015 - 369 44 57

E: info@kale -herfst.nl

http://home.hetnet.nl/~avermaat/

 

 

Eén van de aangrijpende bladzijden uit het boek.

 

Aan: Noes

Verzonden: woensdagnacht 28 augustus Onderwerp: Wachten door niet wachten

 

Lieverd,

 

Gisteren was er nog geen telefoontje uit het ziekenhuis. Verdorie. Het gaat niet goed met Max. Zijn conditie holt zienderogen achteruit. Hij is moe. Heeft niet te harden pijn in zijn voeten en nu ook in zijn handen en polsge­wrichten. Ik zie hem op gezette tijden zware pijnstillers innemen. De kanker in zijn maag veroorzaakt geen pijn. Al die andere dingen wel. Gek eigenlijk.

Ik hoor hem wel af en toe zachtjes overgeven. Het zal toch niet zo zijn dat er al uitzaaiingen zitten in zijn ledematen? Of werkt dat niet zo? Ach, wat haal ik me in mijn hoofd. Ik heb weinig verstand van medische processen. Vanavond zaten we samen op de bank. Allebei heel moe. We hadden ook zoveel gereden, gesjouwd en ingepakt. Onderwijl had ik ook nog telefonisch zaken geregeld. Ons lijstje is praktisch afgewerkt. Ik merkte dat ik door de stress kort van stof werd. Als er een instantie of een telefoondame moeilijk deed, was ik snel geïrriteerd.

We hebben alvast twee dozen boeken meegebracht uit Max' huis. Ik heb ze tussen al mijn boeken in de boeken­kast gezet. Samen in één boekenkast is wel echt getrouwd, vonden we.

 

Max is naar bed gegaan. Ik heb de tas voor het ziekenhuis ingepakt. Hij heeft er de puf niet meer voor. Ondanks alle ellende valt er nog heel wat te lachen. Zo heb ik ook twee pyjama’s met korte broek gekocht. Hij heeft even voorge­daan wat voor peepshow hij zou kunnen geven in het zie­kenhuis. De held. Het is meer een magere Hein. Er zit niks sexy's meer aan. We hopen allebei dat hij morgen opgenomen kan worden. Hij sliep al voordat ik de kamer uit was.

 

Ik heb een tijdje in de avondschemering gezeten en ik heb gedachteloos nagedacht. Alles wat we wilden regelen vóór de eerste chemokuur, is geregeld en in gang gezet. Alles wat gezegd moest worden is gezegd. We zijn getrouwd. De notaris heeft alle veranderingen in het testament door­gevoerd. Er is een codicil. We hebben een tienjarenplan en een werkplan voor de zaak gemaakt. We hebben privé en zakelijk de financiën geregeld. Hij is er klaar voor. Ik ben er klaar voor. Hoewel, als ik alleen zit en heel eerlijk ben dan twijfel ik, of ik er wel klaar voor ben. Want waar heb­ben we het over? Klaar voor wat? Klaar voor zijn, voor mijn of voor onze dingen?

Het lijken wel drie gescheiden werelden. Is hij klaar met afscheid nemen? Met zijn zaken regelen? Is hij klaar voor de onbekende chemokuurbehandeling? Ben ik klaar om dagelijks op bezoek te gaan en een uur heen en een uur terug te rijden naar het ziekenhuis? Is hij klaar om dood te gaan? Ben ik klaar om alleen achter te blijven?

 

Zijn wij klaar om de strijd tegen kanker aan te gaan? Ben ik klaar om de intensieve contacten te onderhouden met dochters, familieleden, vrienden, kennissen? Is hij klaar om patiënt te zijn? Ben ik klaar om met een patiënt te leven? Ben ik klaar om onze zaak alleen draaiende te hou­den? Mijn werk te doen? Zijn werk te doen? De administratie? Trainingen geven? Overzicht houden? De contac­ten onderhouden? Het huishouden doen?

We hebben samen belangen. We hebben ieder voor ons­zelf belangen. Hebben we het daar over gehad? Nee. Want daar hebben we allemaal nog geen tijd voor gehad. We weten nog geen veertien dagen dat de hete adem van de dood in Max' nek hijgt. Onze wereld is honderdtachtig graden gedraaid. We hebben gedaan wat we konden. We hebben veel ook niet gedaan. Het is om gek van te wor­den. Ik zat op de bank, en kwam erachter dat we over dui­zend belangrijke zaken niet hebben gepraat. De gedachten tuimelden door mijn hoofd. Morgen is hij misschien wel dood. Morgen ben ik misschien wel weer alleen. God, wat een ellende allemaal. Wat zal er gaan gebeuren? Wat weten we nou helemaal van lymfomen en van chemokuren? Wat weten we van de verwoestende werking ervan in een men­senlichaam? In een mensenleven? In mensenlevens? Max geeft zich makkelijk en zonder morren over aan dat niets weten. Heeft hij een andere keuze? En ik, heb ik een ande­re keuze? Ik ga mee in zijn stroom. Ik steun waar ik kan. Ik doe wat ik kan. Ik zou niet anders willen. Of wel?

Ik doe het allemaal wel. Maar wil ik het ook? Van binnen voel ik een groot leeg gat. Ik ben mijn sterke vent kwijt. Tegen wie kan ik leunen? Hij is de patiënt! Tegen een patiënt leun je niet! Ik ben de vrouw van de patiënt. Die rol staat ook vast. Dan moet je niet zeuren!

Ik vind het allemaal heel vanzelfsprekend dat ik doe wat ik doe. Iedereen om me heen vindt het vanzelfsprekend dat ik doe wat ik doe. Maar is het allemaal w vanzelfspre­kend? Ik weet, dat wat er ook gebeuren zal, dat ik het aan­kan. Ik weet als Max dood mocht gaan, dat ik het op den duur zal redden in mijn eentje.

MAAR IK WIL DAT NIET. NOG NIET.

 

Ik ga maar slapen. Ik weet dat jij er voor me bent. In voor ­en tegenspoed. En met jou nog heel veel anderen. Ik ben een boffer. 0, wat ben ik een boffer. Ik moet er van jan­ken. Maar ik ga door met de strijd. Ik hou vol. En jij ook. Jij helpt me volhouden. Dat doe je, hoor.

 

Ik voel me begrepen door je. Alleen al het feit dat ik je dit allemaal kan toevertrouwen. Morgen is alles anders. Misschien is morgen als ik wakker word alles wel weer gewoon, van vóór de kanker. . .

 

Je Em

 

 

04. HET SPROOKJE VAN DE DOOD

Door M.C. van der Bruggen

 

 

 

Het sprookje van de dood is een inspirerend verhaal over een Zieltje dat voor de allereerste keer de reis naar de Aarde gaat maken. Wat gaat daar allemaal aan vooraf en hoe is het voor een ziel om in een mensenlichaam geboren te worden.
Hoe wordt een leven op Aarde ervaren door de ogen van een ziel en tenslotte hoe ervaart een ziel het sterven, oftewel de terugkeer naar Huis. Dit alles wordt op een leuke en eenvoudige manier verteld. Je wordt door het Zieltje meegenomen op haar grote avontuur. Het is een wonderbaarlijke reis die je misschien opnieuw laat ontdekken wie je werkelijk bent en waar je eigenlijk vandaan komt en dat je niet bang hoeft te zijn voor de dood.
Het is eigenlijk een sprookje.......

 

 

Een citaat uit het eerste hoofdstuk:

 

Er was eens een klein zieltje, dat van bovenaf de Aarde bekeek. Ze was erg onder de indruk van wat zich daar beneden allemaal afspeelde en het leek haar geweldig om daar ook te zijn. Elke dag rende ze naar de plek van waaruit ze de Aarde goed kon overzien en steeds zuchtte ze diep: ‘Kon ik daar ook maar naartoe.’

Op een dag, terwijl ze weer eens zat te fantaseren hoe het daar beneden op Aarde zou zijn, hoorde ze plotseling een stem die zei: ‘Zou je echt zo graag naar de Aarde willen?’ Verbaasd keek ze op. Naast haar stond een oude man met een lange witte baard. Hij lachte vriendelijk naar haar.

 

‘Wie bent u?’ vroeg het Zieltje. ‘Ik heb u hier nog nooit gezien.’ ‘Ik ben hier om je een voorstel te doen,’ zei de oude man. Hij ging in het gras zitten en nodigde het Zieltje uit om naast hem te komen zitten. ‘Ik heb je nu al een paar keer hier zien zitten en hoorde steeds maar weer dat je zo graag naar de Aarde zou willen. Ik ben nu hier om je te vertellen dat, als je dit echt wilt, het ook mogelijk is.’ Stomverbaasd staarde het Zieltje de oude man aan. ‘Echt waar, zou dat echt zomaar kunnen? Maar hoe dan, de Aarde is zó ver weg, ik kan daar toch niet zomaar naartoe.’ ‘Nee, niet zomaar,’ zei de oude man. ‘Er gaat heel wat aan vooraf, maar het kan wel.’ Opgewonden sprong het Zieltje op en begon te dansen. ‘Hoera,’  riep ze, ‘mijn droom komt uit. Ik ga naar de Aarde!’

De oude man bekeek het tafereel glimlachend en zei: ‘Nou kom dan maar met mij mee, dan zal ik je precies uitleggen wat je moet doen.’

 

Blij pakte het Zieltje de hand van de oude man en liep met hem mee. ‘Waar gaan we eigenlijk naartoe?’ vroeg ze. ‘We gaan naar mijn huis en daar ga ik je voorbereiden op je grote reis als je dat goed vind,’ antwoordde de man. ‘Ja, natuurlijk vind ik dat goed,’ zei het Zieltje, ik vind het superspannend.’

 

Toen ze een tijdje zo gelopen hadden kwamen ze bij een schitterende plek. Het stond er vol prachtige bloemen en overal waren vlinders en vogels. Temidden  van dit alles stond een mooi huis. ‘Is dit uw huis?’ vroeg het Zieltje vol bewondering. ‘Ja, hier is het,’ zei de oude man. ‘Kom maar mee dan gaan we naar binnen.’ Eenmaal binnengekomen keek het Zieltje haar ogen uit. De ene ruimte was nog mooier dan de andere en het leek wel of alles licht uitstraalde.

 

De man liep naar een kamer waar twee heerlijke stoelen stonden. ‘Ga lekker zitten,’ zei hij tegen het Zieltje. Het Zieltje plofte neer in een stoel vol zachte kussens. De man ging tegenover haar zitten en glimlachte. ‘Zo,’ zei hij, ‘dus jij wilt zo graag naar de Aarde.’ ‘Oh ja,’ zei het Zieltje gretig. ‘Oké, dan ga ik je nu vertellen hoe je dat kan doen en wat er dan allemaal gaat gebeuren. Ben je er klaar voor?’ ‘Ja, ik ben heel benieuwd,’ zei het Zieltje.

En de oude wijze man begon te vertellen……

 

De auteur  


De Auteur

Hoe kun je het boek bestellen

Je kunt dit boek bestellen door € 17,95 (dit is inclusief verzendkosten)
over te maken naar:

M.C. van der Bruggen
Ringvaart 33
6642 CR Beuningen
Rabobank: 13.89.61.441

IBAN-code: NL56 RABO 0138 9614 41
BIC-code : RABONL2U

o.v.v. Het sprookje van de dood.

Vermeld wel duidelijk je naam en adres!

Je krijgt het boek dan zo snel mogelijk thuis gestuurd.

Heb je nog vragen dan kun je altijd mailen naar
vanderbruggen@planet.nl
Je kunt me ook bellen op telefoonnummer: 024-6455054

Het ISBN-nummer van het boek is: 90-8539-358-0

 

 

05. WERELD WORD WAKKER.

Piet Stuitje en Carolien Ytsma

 

 

ISBN 90 5179 2980

Bestellen via internet op de homepage van Piet & Carolien

http://www.wereldwordwakker.nl/

 

Of rechtstreeks bij

Gopher B.V

www.gopher.nl

tel. 030-2905320

fax. 030-2905310

 

Op de achterkant:

 

Nog meer dan in ons eerste boek wordt duidelijk wat holisme betekent voor de schepping als geheel maar ook voor het schepsel mens.

 

Het informatie-communicatietijdperk waarin we leven biedt prachtige perspectieven. Er is onstuitbare groei en ontwikkeling op elk gebied. De evolutie is in enorme versnelling geraakt, wat gepaard gaat met onvoorstelbare mogelijkheden maar evenzeer met rampzalige ontsporingen. Het is dus de vraag waarin de razendsnelle stroom eindigt:

CATASTROFE of ANASTROFE?

Het wonder is dat ieder individu daar invloed op uitoefenen kan. Immers een mens die individueert, wordt-die-hij-is, heeft zijn bestemming bereikt en neemt zijn unieke plaats in binnen het grote geheel (holisme ), hij is mede-schepper geworden.

Daarmee beantwoordt het menselijk individu aan de bedoeling van zijn Schepper en werkt hij mee aan de bedoeling van God die IS in alles en allen om zich majestueus te manifesteren, zoals verwoord in het 'Onze Vader': "Want van U is het Koninkrijk en de Kracht en de Heerlijkheid tot in Eeuwigheid".

 

 

Uittreksel:

Verdwaald

zondag 7 november 2004

 

De afgelopen week is Nederland opgeschrikt door een laffe, terroristische moord op de filmmaker Theo van Gogh, nakomeling van de broer van de illustere Vincent van Gogh. In ons keurige, tolerante en progressieve land is fundamentalisme en extremisme binnengedrongen met de bedoeling om de samenleving te ontwrichten en de fundamenten aan te tasten. Hoe kan een land terreuraanvallen te boven komen en overwinnen? Dat is volgens mij alleen maar mogelijk als land en volk kunnen terugvallen op een hecht fundament.

We weten immers dat een huis gebouwd op zand zal worden weggevaagd als storm en regen komen. Als je door stevige palen in de grond te heien een hechte fundering legt, zal de storm geen vat krijgen op het huis. Precies hetzelfde geldt voor een mens en voor een samenleving. Maar je moet wel goed bouwmateriaal hebben en je dient te beschikken over een goede bouwtechniek. Gelukkig krijg je als mens een heel leven de kans om te bouwen aan je fundamenten, omdat je altijd kunt beschikken over goede werktuigen - als je tenminste verbonden blijft met de onuitputtelijke schatkamers van de Geest.

 

Van oudsher heeft de mens een ingeschapen besef gehad van de verbondenheid van alles met alles, van hemel en aarde. In Egypte, Perzië, China, India, Griekenland bestonden reeds lang voor de christelijke jaartelling rijke culturen, waarin altijd wel enkele 'wetenden' waren die diep schouwden in de geheimen van het bestaan. Zij waren meestal verenigd in zogenoemde Mysteriescholen, waar zorgvuldig behoed werd 'wat verborgen was vanaf de grondvesting der wereld'. Er bestond dus een mysterie, een geheimenis, wat behoedzaam bewaard moest blijven en wat slechts aan enkelingen werd geopenbaard.

 

Wat is er zo fundamenteel en zo waardevol dat je er op die behoedzame manier mee om moet gaan? Het moet wel iets heel bijzonders zijn, bijvoorbeeld zoiets als een kostbare schat die niet in verkeerde handen mag vallen. We weten nu dat het gaat om het Koninkrijk Gods, een rijk, verheven boven plaats en tijd, waar alles en iedereen wordt geheeld. Een rijk waarvan Jezus zegt:

'wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!' (Lucas 18:17).

Jezus spreekt in gelijkenissen om te vervullen 'wat gezegd is bij monde van de profeet. ' (Matteüs 13:34-35)

 

Het is niet zonder reden dat Jezus op die manier spreekt over het Koninkrijk, je kunt immers niet zeggen wat het Koninkrijk Gods is, er zijn geen woorden voor! Daarom onttrekt het zich aan een rationele verklaring of aan wetenschappelijk onderzoek. Eigenlijk zit de wonderlijke geheimenis prachtig in elkaar: om het wonder te naderen, wordt van de mens een zoektocht gevraagd, die gekenmerkt is door volharding en discipline. Er moet eerst veel veranderen in een mens voordat hij toegang krijgt tot het Koninkrijk, anders zou hij onmiddellijk schade aanrichten aan de schatten van dat Rijk. Daarom dient hij door een proces van zuivering en transformatie heen te gaan.

 

In Jezus Christus was aan alle voorwaarden voldaan, wat hij toonde door zijn leven en werken, liefde en kracht, door wonderen te doen, tekenen te geven en mensen te genezen naar lichaam en geest. Wonderlijk was ook de manier waarop hij dit alles deed: nederig en als een die dient. Hij heeft ons dit voorgeleefd opdat wij het zouden navolgen en toen hij heenging, heeft hij gezegd dat wij in zijn naam dezelfde tekenen en wonderen kunnen verrichten en nog grotere, want hij ging naar de Vader:

Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader' (Johannes 14:12). De imitatio Christi geeft ons dus onbegrensde mogelijkheden omdat het de navolging is van hem van wie gezegd wordt: Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. ' (Hebreeën 13:8)

In mijn visie houdt dit in dat er sprake is van een ingeschapen Christus bewustzijn in ieder mens, dat ons uitnodigt om te worden wie we zijn en om ons volle potentieel te ontplooien, daartoe gerechtigd als erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.

 

Op basis van het tijdloze en eeuwige in de Christusfiguur kan Jezus van Nazareth net zo werkelijk aanwezig zijn in de huidige tijd als zo'n tweeduizend jaar geleden. Ook vandaag is het mogelijk dat wij ineens zijn roepstem horen: 'Volg mij!' (Marcus 10:21)

Of dat het plotseling tot ons doordringt wat het betekent als we een zachte stem in ons horen zeggen:‘Ik ben het licht voor de wereld!' (Johannes 8:12)

Even hebben we dan het gevoel alsof licht doordringt in moeilijk toegankelijke plaatsen in ons binnenste en daar de duisternis verdrijft.

 

Ook is het mogelijk dat we gaan verstaan wat Jezus bedoelt als hij zegt:

‘Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden.' (Johannes 10:9)

Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.' (Johannes 14:6b) In mijn visie brengt Jezus hiermee tot uitdrukking dat wij pas tot onze Vader kunnen komen, van Wie het Koninkrijk is en de Kracht en de Heerlijkheid tot in de voleinding der tijden, als er een deur in ons opengaat die tot nu toe gesloten was. We kunnen pas door die deur gaan als er transformatie en zuivering in ons is opgetreden via de imitatio Christi. Dan kunnen we de gespletenheid overstijgen zodra we landen op het diepste punt van ons wezen waar de Bron welt en stroomt, levensbron van heel het Bestaan. We zijn dan opgenomen in de Eenheid van het Leven die er altijd en eeuwig is, maar die wij tot op dat moment niet waarnemen. Nu begrijpen we dat Jezus zegt:

‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. ' (Johannes 14:6a) Hij leefde vanuit een volmaakt bewustzijn!

               

Uittreksel uit Hoofdstuk VI – Binnen in Jezelf.

Wereld Word Wakker.

 

Met dank aan de co-auteurs, Piet en Carolien, van wie ik dit boek mocht lezen

 

 

06. “Wanen of geesten: Gestoord of bezeten?” 
Gijsbert v.d. Zeeuw

uitgegeven in 1979, Ankh-Hermes (Deventer)

ISBN 9020248863

Dit boek werd me aanbevolen door Hendrik Klaassens - hij bezorgde enkele uittreksels uit dit boek voor Spirituele Vrienden - waarvoor dank.

Eerst volgt hieronder de tekst op de achterkant van dat boek.
 
Wanen of geesten - Gestoord of bezeten?
Er zijn veel vormen van psychisch gestoord zijn. Deze zijn niet alle terug te voeren op defecten in de psyche van de patiënt. Diverse mensen gedragen zich op een manier die zij zelf niet afdoende kunnen verklaren. Ook de psychiater weet er geen raad op. Hij ontkent dikwijls het probleem door er een naam aan te geven als 'hallucinatie' en 'gespleten persoonlijkheid'.

Het komt vaak voor dat deze patiënten door de boeken van Gijsbert van der Zeeuw geraakt worden. Een aantal trad met hem in contact, vroeg om raad en uitleg, en vond bij hem veel begrip...

Dit boek bevat fragmenten van brieven waarin één of meer facetten van zinsbegoocheling aan de orde worden gesteld. Door zijn paragnostisch vermogen is Van der Zeeuw in staat om de gewaarwordingen van deze patiënten te analyseren. Dat zijn begeleiding en verklaringen een wezenlijke bijdrage kunnen vormen tot hun ontslag uit een psychiatrische inrichting is al meer dan eens gebleken. Anderen werden door Van der Zeeuws uitspraken behoed voor opname.

Tot slot een citaat uit het boek. Het gaat over een patiënte die had ingezien dat allerlei vreemde gedachten, die haar door het hoofd spookten, niet van haarzelf waren, maar van een bezettende geest.

"De gedachte dat zij gek, vreselijk slecht en haatdragend was, viel als een loden last van haar af. Het weten dat zij niet zelf deze eigenschappen bezat, gaf haar de moed om zich ertegen te verzetten. Zij kon haar wereld weer accepteren, want dáár kwam dat kwaad niet vandaan."

 

___________________________________________________________________________

 

 

·        Gijsbert van der Zeeuw bespreekt in zijn boek "Wanen of geesten" een aantal psychiatrische aandoeningen aan de hand van brieven die mensen hem hebben gestuurd omdat ze last hadden van beïnvloeding of bezetenheid door geesten. In elk hoofdstuk staat eerst de brief van een patiënt; daarna volgt zijn verklaring van de verschijnselen die in die brief zijn beschreven.

 

Inleiding

 

Zolang men lichamelijk gezond en geestelijk evenwichtig is, zal men weinig of in het geheel niet te maken krijgen met psychiatrische ziekenhuizen. Hooguit zijdelings, doordat men wel eens op bezoek gaat, bij een kennis, collega of familielid die daarin opgenomen is. Men zit dan - als het ware als een kat in een vreemd pakhuis - in zo'n zaal of recreatieruimte te praten, en is enigszins op zijn hoede voor wat er eventueel zou kunnen gebeuren. Kan men zich dan eventjes onttrekken aan het moeten praten met of luisteren naar degene die men bezoekt - bijvoorbeeld doordat die meer bezoekers heeft - en kijkt men dan om zich heen, dan ziet men verschillende groepjes mensen aan de diverse tafeltjes zitten. Men ziet extreme figuren, meisjes met bloemenkransen in het haar in soms gewaagde kleding (dit zijn meestal drugsverslaafden), maar ook tafeltjes met groepjes waaraan moeilijk de 'gek' te herkennen valt.

Het 'dolhuis' van vroeger, waarin schreeuwende en gillende 'gekken' achter tralies rondliepen, bestaat gelukkig niet meer. Door de farmacie heeft de psychiater geneesmiddelen tot zijn beschikking gekregen die de ergste vormen van 'gestoord-zijn' onderdrukken. 'Platspuiten' is een bekende uitdrukking.

 

Maar wat is eigenlijk 'psychisch gestoord'? Hoeveel vormen zijn er?  Wat kan wel genezen en wat niet?

Voor een leek, iemand die niet medisch gevormd is, zijn dit open vragen. Het beste zou zijn dit vraagstuk maar te laten rusten en het over te laten aan deskundigen.

Dat zou ik zelf ook doen, als ik er niet op andere manieren mee geconfronteerd werd en word. Door mijn boeken, waarin geschreven wordt over een leven na de dood en gewag wordt gemaakt van een geesteswereld in diverse sferen en eventuele contacten daarmee, krijg ik een enorme hoeveelheid post. Onder die brieven zijn er tientallen van patiënten of oud-patiënten uit psychiatrische ziekenhuizen.

Van bepaalde uitspraken in mijn boeken voelen deze mensen de juistheid aan. Daarom vragen ze mij om hulp en uitleg. Hun brieven, waarvan sommige hooguit twee regels bevatten en andere tot 66 kantjes toe beslaan, zijn zeer gevarieerd. Er zijn enorm verwarde verhalen bij, maar ook zeer intelligente. Er bestaat bij deze mensen dus een grote verscheidenheid in de manier waarop zij hun gedachten weergeven.

Om mij niet te verliezen in de diverse vormen van 'gestoord' zijn, beperk ik mij tot één groep: de groep van geesteszijde beïnvloede zinsbegoochelden, die ik enigszins kan benaderen door mijn kennis en weten inzake paragnostische belevenissen en verschijnselen.   

 

Hoofdstuk 1. 'Stemmen' horen: de omgekeerde informatiestroom

De eerste brief die ik met u behandel, is afkomstig van een jonge getrouwde vrouw ergens in Nederland.

"Graag zou ik je eens iets willen vragen, wat me erg hoog zit. (Ik heb deze vraag ook al eens gesteld in een blad: De stem van gene zijde. Niet bevredigend beantwoord.)
Je hebt het vaak over allerlei geesten die ons omringen in verschillende sferen. Maar wat zijn de z.g. schizofrenen dan voor mensen, de mensen die 'stemmen' horen. Wat zijn dat dan voor stemmen en waar komen die dan vandaan? Dan komen ze zogenaamd van jezelf, je bent in vele persoonlijkheden gesplitst.
Maar is dat dan zo? Ik zelf lijd al meer dan 10 jaar onder die 'stemmen'. En ze zeggen heel uiteenlopende dingen. Ze beledigen me, ze dwingen me zelfmoord te plegen (als het op zijn ergst was), maar ze spiegelen me ook van alles voor.
Op een nacht b.v. werd ik wakker en daar begon het. Een stem: 'Geef dan namen door, geef dan namen door.' Een andere stem: 'Maar die kent ze niet.' En zo ging dat verder, of er om mij gestreden werd. Je kunt me natuurlijk naar een psychiater verwijzen en zeggen: dat komt uit een minderwaardigheidscomplex voort of uit hoogmoedswaanzin. Maar vind jij dan dat al die mensen gek zijn, bestaan er dan geen treitergeesten, die mensen volkomen kapot maken? Als je in psychiatrische inrichtingen die gevallen allemaal ziet; de een die de hele dag tegen iemand zit te praten, een ander die scheldt tegen iets, weer een ander die de hele dag de tranen over de wangen lopen en degenen die leuke 'stemmetjes' hebben en bulderen van het lachen, die heb ik ook gehad, buitengewoon komisch. Geeft u antwoord? Bedankt alvast."

De inhoud van deze brief stelt een deel van het probleem dat wij willen gaan bespreken, aan de orde: 'stemmenhoren'.
Zouden wij moeten aannemen dat het 'ik' van een mens uiteen kan vallen in meer delen, waarbij het ene deel het andere lichamelijk wil vernietigen, het een het ander zwaar beledigt, het leven ondraaglijk maakt en dit op een uitermate dwingende geraffineerde manier, dan zouden wij kunnen spreken van gesplitstheid van de persoonlijkheid. Maar, zoals onze briefschrijfster reeds vraagt: Is dit zo?
Wij hebben gezien dat onze geest (ons Ik) uit de ruimte komt en aldaar tot een bepaalde sfeer behoort. Wij aanvaarden op de aarde een stoffelijk bestaan met als doel de geestesevolutie. Wij beschikken in onze geestelijke sfeer ook overeen 'lichaam' voorzien van zintuigen, alleen is de materie waaruit dit bestaat van een veel minder grove soort dan onze aardse stof.
Om nu de aarde voor ons zichtbaar te maken, verkrijgen wij bij de geboorte een stoffelijk lichaam met zintuigen van dezelfde materie. Wij spreken dan over verschillende 'materievelden'. Ieder veld heeft zijn eigen spectrum van trillingen.
Daar de verschillende materievelden een ander trillingsspectrum hebben, kunnen deze velden door en in elkaar lopen, zonder hinder van elkaar te hebben. Hierdoor kan onze geest zich op dezelfde plaats bevinden als ons stoffelijk lichaam. Wij kunnen dan stellen dat een geest gekomen uit de ruimte, voorzien van een lichaam met zintuigen, op aarde een soort apparaat krijgt aangemeten, alleen van een grovere structuur. Dit past precies in elkaar als een voering in een kostuum.
De twee lichamen bestaan uit verschillende materievelden. Om te voorkomen dat ze elkaar kwijtraken, moet er een soort koppeling aanwezig zijn die deze twee met elkaar verbindt.
Die koppeling kan de eigenschappen van een transformator hebben, waardoor het mogelijk is boodschappen van het ene lichaam ontvankelijk te maken voor het andere. Die transformator moet bij wijze van spreken aan de zijde van het geestelijk lichaam dezelfde trilling bezitten als dit, en aan de andere zijde een raakvlak hebben op het niveau van het aardse. Men kan die koppeling het etherisch dubbel noemen, maar ze is in wezen een transformator tussen het geestelijk en het stoffelijk lichaam. Deze verbinding is vooral nodig voor de zintuigen, anders zou de geest niets gewaarworden van de omringende ruimte van het stoflichaam. Bij een gezond mens is de verbinding zo goed, dat de geest de eigen sfeer niet meer gewaarwordt, maar alleen de stoffelijke toestand waarin hij is geïncarneerd. Ons stoffelijk lichaam is dan feitelijk een robot waar we in kruipen.
Via onze transformator kunnen wij aan die robot impulsen geven, langs dezelfde weg als wij ze van deze kunnen verkrijgen. Het is dan alsof wij in een machtig mooi apparaat zitten, voorzien van zintuigen die ons vertellen wat er daarbuiten gebeurt. Dit apparaat is voorzien van hersenen waarmee wij de ontvangen voorstellingen kunnen beredeneren, en een geheugen waarin wij het beleefde kunnen opslaan. Wij als geest, zitten als het ware in de controlekamer van onze robot. Wij zien op het 'hersenscherm' de beelden die via de ogen naar binnen komen. Zo kunnen wij ook het geluid horen en de voorwerpen voelen.


Nu is een geest een 'bewustzijn' dat èn ondergaat èn zelf handelend optreedt. Er zit soms verschil op welk niveau men dat bewustzijn plaatst. Gebruikt men uitsluitend de meer stoffelijke zijde van de transformator, dan is men zeer stoffelijk gericht. Maar men kan ook hoofdzakelijk verblijven aan de geestelijke zijde, zodat de stof minder ondergaan wordt. Het beste is dat dit flexibel is en men vrijelijk over beide zijden kan beschikken. Want té stoffelijk zijn is niet goed, maar te geestelijk zijn evenmin.

Blijft men voortdurend in de geestelijke helft, dan ondergaat men de stof veel minder. Dit kan op den duur een vlucht worden uit het stoffelijke. Wij weten dat alles uit de buitenwereld wordt ondergaan als trilling. Het is een soort elektromagnetisch gebeuren, dat altijd reproduceerbaar is. Daar de trillingen uit de stof via de transformator omgezet worden in geestelijke, kan de geest deze eveneens gewaarworden.
Maar ook kunnen geestelijke trillingen uitgezonden en ontvangen worden. Wij spreken dan van telepathie. De geest moet daarvoor beschikken over een orgaan dat de voorstellingen uit de buitenwereld kan uitzenden. Een ander mens kan die opvangen. Dit werkt niet alleen visueel, maar ook auditief en sensitief, dus als beeld, geluid en gevoel. Duizenden voorbeelden zijn er om te bewijzen dat dit zo is. Nu is dit geen stoffelijk maar een geestelijk gebeuren, dus is het waarschijnlijk niet te meten.
Dan is het 'zend-en-ontvang-apparaat' ook geestelijk. Daardoor zou de eigen geestelijke sfeer in staat zijn boodschappen, beeld, geluid enzovoort op deze manier in het bewustzijn te brengen van een geest die zich in een stoffelijk lichaam bevindt. Dit proces voltrekt zich in omgekeerde richting van de geestelijke naar de stoffelijke zintuigen, van binnen naar buiten.
Dit tweerichtingsverkeer is overal in aanwezig. Aards gesproken: zou men elektriciteit toevoegen aan een wiel, dan gaat dit draaien (trein, tram); en andersom: draait men een wiel, dan ontstaat er elektriciteit (dynamo). Zo is het ook met de zintuigen van een mens. Ontvangt men via de zintuigen indrukken, voorstellingen, beeld, geluid enzovoort uit de buitenwereld, dan gaat dit van buiten naar binnen. Verkrijgt men rechtstreeks voorstellingen, beeld, geluid enzovoort op het geestelijk telepathisch hersenscherm dan volgt de informatie de omgekeerde richting. Men projecteert de ontvangen informatie van binnen naar buiten. Hieruit volgt dat telepathisch opgevangen voorstellingen, in beeld, geluid of gevoel, vanuit de een of andere sfeer rechtstreeks geprojecteerd worden op ons hersenscherm. Onze geest kan de indruk hebben dat deze projecties van buiten komen. We spreken dan van 'hallucinaties' omdat er in de buitenwereld geen aantoonbare 'bron' is waar de prikkel van uitgaat. Maar nu we weten dat er voor deze ontvangsten wel degelijk bronnen zijn, te weten de telepatische zenders zowel van geesten die nog op aarde leven in een stoffelijk lichaam als van geesten die zich reeds in de sferen bevinden, wordt dit heel wat anders.
Mocht er dus bij een mens op aarde het een of andere 'lek' ontstaan in zijn telepathisch ontvangstcentrum, dan zou iedere geest uit de sferen in die open microfoon iets kunnen roepen, en die persoon zou dit precies eender gewaar worden als zou de boodschap van de buitenwereld komen. Omdat dit een rechtstreekse beïnvloeding is vanuit de een of andere sfeer, zijn de voorstellingen die men dan verkrijgt alleen hallucinatorisch ten opzichte van de buitenwereld. Niet ten opzichte van die sfeer, die als bron fungeert. De aard van de boodschap is zeer afhankelijk van de kwaliteit van de sfeer waarop men is afgestemd, en van de mate van openheid van de ontvanger.

Nu zijn er in de ruimte sferen, trapsgewijze, van het allerlaagste allooi tot de hoogste gebieden toe. Vlak om de aarde zijn de laagste sferen, waar men het eerst afstemming op krijgt. De mens bevindt zich op aarde als een diepzeeduiker met om hem heen de meest weerzinwekkende vormen. Hij wordt beschermd door zijn duikerpak. Maar o wee, als daar een lek in komt. Dat wil dus zeggen, dat mensen die 'stemmen' horen uit de lage sferen, daar zelf als geest niet toe hoeven te behoren. We zitten er allemaal als het ware midden in. Als wij met witte kleren in een kolenmijn afdalen en een plastic overall aantrekken om onze kleren te beschermen, blijven we schoon. Maar als daar beneden dat plastic scheurt, dringt het kolengruis naar binnen. Dan geeft het niet of men directeur, ingenieur, of arbeider is: iedereen wordt dan vuil.
Wat dus de schizofrenie van onze briefschrijfster betreft, kunnen wij in dit geval zeggen dat hier van enige gesplitstheid van de persoonlijkheid geen sprake is.
Zou men via de radio een gesprek beluisteren tussen drie personen die soms gelijktijdig het woord nemen, dan zegt men toch ook niet dat dit één persoon is met een gesplitste persoonlijkheid; nee, het zijn drie personen. Zo is het ook in dit geval.
Mensen die zulke ervaringen hebben, zouden er goed aan doen zich meer op de stof te richten, en beter te onderscheiden wat van binnen en wat van buiten komt. Niet ingaan op welke stem of gedachte dan ook, welke niet van de buitenwereld komt. Geen discussies aangaan. Geen angst vertonen. Trachten het ontvangsysteem ervoor af te sluiten.


Op zichzelf genomen is dat 'stemmen' -horen al een afgrijselijke belevenis. Het is alsof men geen baas meer is in het eigen lijf. De 'bevelen' en verdere gedachtespinsels zijn van een zodanig karakter dat men als het ware gedwongen wordt, dingen te doen die lijnrecht tegen de eigen wil indruisen.
Erger wordt het als door deze 'krachten' ook het gevoel kan worden beheerst. Ook hierbij volgt de informatie de omgekeerde richting. Indien iemand onze hand vasthoudt, geven onze zenuwen aan het desbetreffende hersencentrum deze indruk door en worden wij ons bewust dat wij aangeraakt worden en vooral wáár. Dit kunnen we blindelings voelen. Verkrijgt men nu vanaf die andere zijde rechtstreeks toegang tot dat hersencentrum, dan volgt de informatie de omgekeerde weg en 'lijkt' het alsof iemand onze hand aanraakt. Zouden geesten nu in staat zijn van iedere plek in en aan ons lichaam het hersencentrum te lokaliseren, dan zouden zij ons van willekeurig welke plaats van ons lichaam de gewaarwording kunnen geven dat ze aangeraakt wordt. En dat blijkt inderdaad te kunnen.

De volgende stap is het ontvangen van beelden. Het hersenscherm word t dan in beslag genomen. Allerlei voorstellingen, die meestal van schrikbarende aard zijn, worden daarop geprojecteerd, terwijl de normale buitenbeelden worden verdrongen. Ook deze beeldontvangst volgt de omgekeerde richting. Het is alsof het geprojecteerde beeld buiten ons staat en deel uitmaakt van de buitenwereld. Vindt dit opdringen van beelden 'gericht' plaats dan kan het zijn dat 'treitergeesten' de mens belagen met de meest uiteenlopende voorstellingen, die op den duur ondraaglijk zijn. Staat het ontvangstcentrum nog verder open, dan kan men zelfs geheel afgestemd geraken op zo'n sfeer, waardoor men zich geheel in die andere wereld 'waant' en de eigen stoffelijke omgeving praktisch niet meer ondergaat. Maar dan is men vér heen.

De volgende en uiterste vorm is dat men van die andere zijde het denken, het gevoel en het hersenscherm in beslag neemt en als het ware naast de eigen geest aan het toetsenbord gaat zitten. Dan kan het voorkomen dat de eigen geest volkomen wordt weggedrukt en lijdelijk moet toezien wat men met zijn lichaam doet. Dan is men bezeten en kunnen er zelfs vechtpartijen ontstaan tussen lage geesten onderling om de heerschappij over dat lichaam.

Om nu het voorgaande te recapituleren:
1. Een mens is geest en neemt de buitenwereld waar via de zintuigen van het stoffelijk lichaam. De verkregen informatie wordt door een 'transformator' geschikt gemaakt voor geestelijke bewustwording. De richting van dit proces is van buiten naar binnen.

2. De conclusies, getrokken door de hersenen, worden opgeslagen in het geheugen en zijn op aanvraag reproduceerbaar. Ook worden deze telepathisch uitgezonden met een sterkte evenredig aan de emotionele lading van de belevenis.

3. Zolang de mens geestelijk gezond is, kan hij (min of meer) telepathisch gedachten van een ander opvangen, vooral als er tussen hen een sterke grond van sympathie bestaat. De ontvangst is nooit dwingend voor de ontvanger. Hij heeft niet meer dan een 'invallende gedachte'. Hij kan ze gewoon gebruiken als gegeven bij het eigen denken.

4. Zodra echter het ontvangsysteem een zodanige afwijking gaat vertonen dat de 'invallende gedachte' als geluid, als stem hoorbaar wordt en daarbij aanrakingsindrukken ontstaan, dan spreken wij van een 'lek' in de afsluiting. Al deze indrukken volgen de omgekeerde richting, van binnen naar buiten, en worden als het ware in de buitenwereld geprojecteerd. De lezer moet deze omkering goed begrijpen. Ze komt verderop in dit boek herhaaldelijk aan de orde.

5. Wij spreken dan van hallucinaties of wanen, maar weten nu dat dit alleen zo is ten opzichte van de buitenwereld. Daarin is inderdaad geen 'bron' van deze indrukken aanwezig, maar wel beslaat de 'bron' ervan in de geestenwereld. Het begrip voor deze patiënten hangt dus zuiver af van het feit, of men al dan niet deze geestenwereld aanvaardt.

6. De laatste fase is uiteindelijk volledige bezetenheid, het in beslag genomen worden van het bewustzijn van een mens door vreemde entiteiten.

Keren wij nu terug tot onze briefschrijfster. Een jonge vrouw die gewoon met haar gezin leeft, heeft last van 'stemmen'. Zij krijgt het gevoel alsof er 'om haar gevochten wordt'.
Ik vertelde haar dat de mogelijkheid bestaat dat haar telepathisch ontvangtoestel op de een of andere manier openstaat en dat zij daardoor gesprekken kan horen tussen geesten uit de een of andere sfeer. Haar geest is dus niet gesplitst, maar haar hersenen fungeren als een microfoon waarin andere wezens iets kunnen schreeuwen. Daar deze boodschappen meestal van een lagere orde zijn, moet zij nergens op ingaan en geen bevelen opvolgen, hoe mooi het ook zal worden voorgespiegeld. Zij zou er minder aan moeten denken en zich beter moeten instellen op de buitenwereld. Daardoor zullen de stemmen steeds vager hoorbaar worden en op den duur geheel tot zwijgen komen.
Het was voor deze vrouw een opluchting dit te weten, want de omschrijving 'schizofreen' was voor haar te zwaar beladen. Wel adviseerde ik haar onder controle van haar arts te blijven. Hoe het verder is gegaan, kom ik misschien nog wel eens te weten.

 

 


 

God en psyche

Prof. dr. H.M. van Praag
De redelijkheid van het geloven, visies van een jood

Het verband tussen psychiatrie en religie is lange tijd onbespreekbaar geweest. De redelijkheid van het geloof laat zien dat dit verandert. Het richt zich op ieder die geïnteresseerd is in de relatie tussen geloofsovertuiging en (gestoord) menselijk gedrag.

Volgens Freud was religiositeit een verschijnsel dat om behandeling vraagt. In de psychiatrie is de invloed van die opvatting groot geweest. Tot voor kort was religie taboe. Het speelde bij de diagnostiek en behandeling van stoornissen nauwelijks een rol en onderzoek op dit terrein was uiterst schaars.

Die situatie is aan het veranderen. Met de ontkerkelijking is de behoefte het leven een verticale dimensie te geven niet verminderd. Bij het bevredigen van die behoefte speelt religiositeit een voorname rol. In de psychiatrie mag men zo’n belangrijk domein van het menselijk bestaan niet negeren, wat men zelf ook mag geloven. De auteur gaat ervan uit dat religiositeit een normaal bestanddeel is van het belevingsrepertoire; hij ziet het als een belangrijk sturend mechanisme in het leven.

Hier volgt de lezing die Prof. dr. H.M. van Praag hield tijdens de presentatie van God en psyche op 12 november 2008.

Bron: www.uitgeverijboom.nl

 Een nobele illusie

 

In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten beschouwt de psychiater Herman van Praag het godsgeloof niet als een primitief restant uit een vroegkinderlijk verleden.

„Laten we aannemen dat God inderdaad een hardnekkige illusie is. En wat dan nog?”

 

Een psychiater met interesse in religiositeit, hoe vreemd. Dat geldt des te meer als het een psychiater betreft die z’n leven lang onderzoek heeft gedaan naar de neurobiologische grondslagen van gestoord gedrag en beleven. Hij is een ongewoon verschijnsel, omdat veel van zijn collega’s menen dat religie een zaak is waar de beroepsgroep schon längst über hinaus is. Mét Freud zien zij godsgeloof als een primitief restant uit een vroegkinderlijk verleden, een trek die eerder behandeling verdient dan koestering.

 

Een psychiater is inderdaad een zielenvorser, geen zielenherder. Hij onderzoekt mensen die zich afwijkend gedragen, of wier gemoed door angsten, somberheid, vreemde gedachten, beangstigende waarnemingen, op tilt is geslagen. Hij tracht de oorzaken hiervan op te sporen en de symptomen, zo mogelijk hun oorzaken, te bestrijden. De psychiater is een zielenvorser. Juist daarom verbaast mij de verbazing van sommigen mijner collega’s. Religiositeit een regressief verschijnsel? Ik zie het anders. Ik acht het een progressief verschijnsel, dat het bestaan niet versmalt, maar verbreedt en verdiept. Religiositeit voegt een dimensie aan het leven toe, een verticale dimensie.

 

Religiositeit stoelt op een behoefte. De behoefte je een wereld voor te stellen, letterlijk te verbeelden, voorbij de horizon; een wereld ontoegankelijk voor het zintuiglijk waarnemingsvermogen; een wereld waarin krachten opereren die het aardse bestaan beïnvloeden, maar die bovennatuurlijk zijn – in die zin dat zij niet met de huidige natuurwetenschappelijke methoden zijn te onderzoeken. Of zo’n wereld werkelijk bestaat weten we niet, zullen we nooit weten. De behoefte eraan is er niet minder om. De sterkte van die behoefte wisselt, maar is bepaald geen rariteit. Uit epidemiologisch onderzoek in verschillende westerse landen blijkt dat die behoefte bij een meerderheid der mensen goed is ontwikkeld.

 

Je kunt de hang om aan het aardse bestaan een religieuze dimensie toe voegen dus een normale persoonlijkheidstrek noemen. Een psychiater kan en mag er niet aan voorbijgaan – wat zijn eigen waardering van religiositeit ook moge zijn. De gehele ziel behoort tot zijn werkterrein.

 

Veel van mijn neurobiologische collega’s vinden een psychiater die zijn leven lang gewerkt heeft in het hersen- en gedragsonderzoek en toch religiositeit in zijn denkraam opneemt, dubbel vreemd. God is immers niet anders dan het product van een brain state waaraan magische betekenis wordt toegekend. Een waar fopmiddel dus. Ook hun verbazing verbaast me, of beter: verontrust de psychiater in mij.

 

Laten we aannemen dat God inderdaad een hardnekkige illusie is. En wat dan nog? Het gaat dan om een in wezen nobele illusie. Een verbeelding van en symbool voor ultieme rechtvaardigheid en ultiem mededogen; een denkbeeld én gevoelsbeeld dat het leven in de dubbele betekenis van het woord kan verlichten en dat geladen is met een onovertroffen zingevende potentie.

Ik weet het, het godsbegrip kan een leven ook verduisteren, een mens zelfs tot misdaad aanzetten, maar dat acht ik religieuze pathologie. Elk psychisch fenomeen dat normaal voorkomt, komt ook in pathologische dimensies voor. Zo is het ook met religiositeit. Daarmee hoeft het verschijnsel zelf niet in diskrediet te raken.

 

God een fantasieproduct? Mogelijk, maar láát de mens – in godsnaam zou ik bijna zeggen – z’n fantasieleven. Het is een waardevol domein. Wie droomt bij tijd en wijle niet? Droomt dat hij is die hij had willen zijn maar niet geworden is? Wie hoopt er niet in stilte op dat er iets van hem zal blijven voortbestaan? Dat hij ooit nog eens zal weten wat er van zijn kinderen en kindskinderen geworden is? Dat hij een overleden geliefde terug zal zien? Dat hij eens goed zal kunnen maken wat niet meer goed te maken valt?

 

Geloof en hoop zijn overlappende denk- en gevoelscategorieën. Al zou God een fantasieproduct zijn, al zou, om Kuiterts woorden te gebruiken alle Boven gewoon van beneden komen, wat dan nog. Het zou er weinig toe doen. In de belevingswereld van de gelovige bestaat het Boven. Dat beeld verschaft hem soelaas, troost, hoop, verwachting. Het heeft geen rationele gronden. De gelovige behoeft geen rationele gronden. Láát de mens z’n fantasieleven. Probeer het niet te ontmaskeren. Hij wordt daar geestelijk niet gezonder van. De rede is een voornaam goed, maar is geen remplaçant voor fantasie.

 

Overigens spreek ik liever van ’metaforisch leven’ dan van ’fantasieleven’. De term fantasie draagt een element van onwaarheid in zich. Iets is niet te bewijzen, niet historisch, niet waar, niet echt: het is ’slechts’ fantasie. De term metafoor drukt beter uit wat ik bedoel. Een metafoor geeft, in geconcentreerde vorm, een reeks ervaringen en overwegingen weer die niet adequaat in woorden uit te drukken zijn, maar die voor de betrokkene wezenlijk zijn en waarover hij toch wil communiceren. Religiositeit komt dus voort uit een behoefte. De behoefte het leven van een verticale dimensie te voorzien. Een behoefte veronderstelt het vermogen die behoefte te bevredigen. Dit vermogen moet in de hersenen worden gezocht. Daar moeten circuits van zenuwcellen tot ontwikkeling zijn gekomen die, na activering, religieus-spirituele gevoelens en ervaringen oproepen.

 

Recentelijk is de speurtocht naar deze circuits op gang gekomen. En er zijn al interessante resultaten geboekt. Het onderzoek is al zover voortgeschreden dat religieuze ervaringen kunnen worden opgewekt met behulp van elektromagnetische golven, van buitenaf toegediend en gericht op zeer bepaalde locaties in de hersenen. Het zal, denk ik, niet zo lang meer duren alvorens farmaceutica worden ontwikkeld met een soortgelijke werking.

Betekent dit dat voor God en godsdienstigheid nu definitief de doodsklok heeft geluid? Zijn God en godsdienst eindelijk ontmaskerd als, letterlijk, een hersenspinsel? Staat nu vast dat God niet in de hemel zetelt, maar in de hersenen? Dat is wat nogal wat atheïsten beweren. Ik acht die juichkreten ongegrond. Zeker, religiositeit veronderstelt hersenactiviteit. Zonder hersenen zou er geen mechanisme zijn om religieuze behoeften te bevredigen. Maar dat wil niet zeggen dat religiositeit een biologische oorsprong heeft, niet meer is dan een state of the brain. De oorsprong van het verschijnsel ligt elders, op psychologisch terrein, komt voort uit de behoefte een wereld te creëren die niet van deze wereld is. De hersenen maken het mogelijk deze behoefte te bevredigen. Zij zijn niet de oorsprong van die behoefte.

 

De neurotheologische bevindingen zijn in mijn ogen geen bevestiging van het atheïstische standpunt. Zij pleiten eerder voor de theïstische visie. De ontwikkeling van ’religieuze circuits’ wijst erop dat religiositeit de mens tot voordeel strekt. Ze kreeg niet voor niets een stevige biologische verankering.

Welke rol speelt religiositeit in de psychiatrie? Dit is vooralsnog vooral bij depressie onderzocht. Bij dit ziektebeeld blijkt diepgewortelde, innerlijk doorleefde religiositeit de kans op depressies in tijden van tegenspoed te verminderen en, eenmaal ontstaan, de prognose ervan te verbeteren. Dat is niet zo verwonderlijk. Godsgeloof kan een stressbuffer zijn; het kan hoop genereren, troost bieden ofwel berusting bevorderen.

 

In veel gevallen gaat stress aan depressie vooraf. Stress heeft een aanmerkelijke invloed op de ziel. Stress ontregelt bepaalde hersensystemen, onder meer systemen die betrokken zijn bij de regulatie van stemming, angst en agressie. Stress ontregelt de hersenen, en daarmee ook de ziel. Een stressbuffer zal het risico op depressie dus kunnen verkleinen.

Maar het feit dat godsgeloof een bron van hoop en troost kan zijn, wordt bij de behandeling van depressies nauwelijks benut. In mijn ogen een wezenlijke tekortkoming.

Religiositeit kan ook een tegengestelde, want stress bevorderende en destabiliserende factor zijn. Als God beleefd wordt als een bedreigend, straffend Wezen, als de mens wordt gezien als fundamenteel zondig en niet in staat tot enig goeds, als de angst voor eeuwige bestraffing het leven domineert, als religiositeit het leven niet verlicht maar verduistert, dan kan het gemoed chronisch bezwaard raken. De kans op depressie neemt in zulke gevallen toe. Hiervoor bestaan inderdaad aanwijzingen.

 

Ook buiten de psychiatrie in engere zin zou religiositeit een therapeutische rol kunnen spelen. Ik stel dit voorzichtig, omdat er nog zo weinig onderzoek naar gedaan is. Ik doel vooral op toestanden waarin het leven z’n zin verloren heeft, uitzichtloos lijkt en het gemoed van wanhoop vervuld is. Zinverlies roept depressieve verschijnselen op of verergert bestaande. Een dergelijke staat is kenmerkend voor depressies, maar blijft niet tot dit ziektebeeld beperkt. Ook na verlies van een dierbare, van prestige, vermogen of gezondheid, of bij een stoornis in de persoonlijkheidsopbouw die chronische onvrede met het eigen zijn oproept, kun je het uitzicht op de toekomst verliezen.

 

Zinverlies als gevolg van depressie kun je proberen op te heffen door het onderliggende ziektebeeld te behandelen. Als er geen sprake is van ziekelijke depressie, lukt dat niet. Dan ben je aangewezen op wat healing heet – de tegenhanger van curing, genezen. De wond kan niet genezen, de gevolgen ervan kun je wél verzachten. Ik vertaal healing letterlijk als heling, hoewel in het Nederlandse geen duidelijk onderscheid bestaat tussen helen en genezen. Heling valt moeilijk te bereiken als je uitgaat van het materiële bestaan. Op dat terrein lijken de mogelijkheden tot heroriëntatie juist uitgeput. Het spirituele domein – de wereld van de verbeeldingen – biedt betere kansen. Dat verschaft mogelijkheden tot regeneratie. Het ligt in de term verbeeldingskracht besloten.

 

Bertus de Rijk spreekt in dit verband treffend van ’omhoog denken’. Hij meent dat dit proces zich kan voltrekken zonder een „extramentaal, bovenempirisch goddelijk domein” te veronderstellen. Dat betwijfel ik. ’Omhoog denken’ is per definitie verticaal gericht en leidt ergens toe. Dat kan toch niet anders zijn dan de metafysische ruimte die ver voorbij de einder ligt. Maar de mens kan niet leven in een lege ruimte. ’Omhoog denkend’ zal hij onvermijdelijk terechtkomen ’in hoger sferen’. En zal hij de neiging hebben die sferen te bevolken met wezens.

 

De geïnstitutionaliseerde westerse religies hebben dergelijke verbeeldingen in perspectief gebracht en ze een zekere samenhang gegeven. Ze balden de wezens samen tot één almachtig benevolent Opperwezen die het als Zijn opdracht beschouwt hulpelozen en hopelozen hulp en hoop te bieden. Ze werkten rituelen en concepten uit die het vinden van een nieuw levensperspectief kunnen vergemakkelijken. Het gebed is hier een voorbeeld van. In conventionele zin is het een eerbetoon aan, dan wel smeekbede tot het Opperwezen. In moderne gedaante is het ook, of vooral, een innerlijke zoektocht naar wat men wezenlijk acht in zijn bestaan.

 

Een tweede voorbeeld is het concept van een komende wereld, de olam haba. Het einde van het leven hoeft niet noodzakelijkerwijs het einde van het bestaan te betekenen. Verlies is niet onherroepelijk. Er komen kansen om een schuld te delgen.

 

Als laatste voorbeeld noem ik het ’goededoelenperspectief’, besloten in vrijwel alle wereldgodsdiensten. Activiteiten ten behoeve van de medemens bezitten krachtige zingevende potentie.

Zo verschaft het spirituele domein mogelijkheden tot heling van psychische wonden die vanuit curatief oogpunt onherstelbaar leken. Maar spiritualiteit zonder religieuze lading mist voldoende vulling, zweeft, en schiet zo tekort in aandrijvende potentie. Religieuze spiritualiteit heeft, om het paradoxaal uit te drukken meer body. De vastgelopen mens kan hier inspiratie opdoen voor een nieuw begin. Anders gezegd, spirituele behoeften behoeven een bedding, een structuur, om niet zweverig te worden en vrijblijvend te zijn. Geïnstitutionaliseerde godsdiensten kunnen die structuur verschaffen. Althans als die structuur geen ’sleurproduct’ is (’Ik hang deze godsdienst aan, omdat mijn familie dat altijd al deed’) of van bovenaf, door de opvoeders, is opgelegd. Als het om een bewuste keuze gaat.

 

Voor mij is die bedding, die structuur, het Jodendom. Wat bindt mij aan die levensbeschouwing?

Natuurlijk zijn er krachtige sociale banden. Misère, eeuwenlange misère bindt. Volharding – blijven staan voor een overtuiging – bindt ook. Lotsverbondenheid genereert onderlinge betrokkenheid, warmte, wederzijdse herkenbaarheid. Die trekken zijn in de Joodse gemeenschap sterk vertegenwoordigd en ik voel me daar wél bij. Ook voel ik me met het Joodse volk verbonden in nationalistisch opzicht. Ik ben een zionist. Een Jood die zich bewust is van zijn identiteit, kan niet anders zijn dan zionist. Het zionisme ontstond niet in de negentiende eeuw met Theodor Herzls boek ’Der Judenstaat’. Het ontstond in het jaar 70, na de verwoesting van de Tweede Tempel. Herzl grondvestte het politieke zionisme. Het ideële zionisme ontstond met de diaspora. Hoop op terugkeer naar Sion, verlangen naar herstel van Jeruzalem als geestelijk centrum van het Jodendom vulde de synagogale eredienst, naast de verering van de Schepper.

 

Terugkeer naar Sion, naar Jeruzalem kreeg een mystieke lading, kreeg de betekenis van verlossing.

Verlossing van het kwaad uit de Umwelt en verlossing van het innerlijke kwaad. De doelstelling van het zionisme is sinds 2000 jaar een grondgedachte van het Jodendom geweest. Ik voel mij, ten slotte, met het Jodendom verbonden in religieus opzicht. Waarom? Allereerst door de oriëntatie op exegese en kritische analyse. Ik noem dit de dialectische grondhouding. Het Jodendom is een godsdienst die nauwelijks theologie kent. Het heeft geen stelsel van dogma’s waarin je moet geloven om door de geloofsgemeenschap als volwaardig lid te worden aanvaard – behalve dan die ene kardinale doctrine: de absolute eenheid en ondeelbaarheid van God. Het is de daad waarin de Jood z’n verbondenheid met God tot uitdrukking brengt.

 

Door het ontbreken van een theologie bestaat er een grote liefde voor het woord, voor de idee, voor het conceptuele. Die gaat gepaard met een afkeer van dogmatiek, en met een hang naar exegese, naar interpretatie, naar dialectiek. Niets staat vast, alles is open voor interpretatie, ook Gods Woord.

Dat is weliswaar waarheid, maar het is de mens niet gegeven met zekerheid vast te stellen wat God bedoeld heeft. Zijn uitspraken moet je interpreteren. Zij nodigen uit tot meedenken. Het Joodse volk kreeg de naam Israël: worstelen met God. Het draagt die naam niet voor niets. God moedigt de Jood aan na te denken en niets op gezag aan te nemen. Een opdracht die ik met animo heb getracht na te komen.

 

Een tweede baken: het leerstuk van de autonome mens. In Genesis staat dat de God de mens schiep naar Zijn evenbeeld. Dat beeld omvat vrije wil. God schiep geen automaten. Vrije wil houdt in dat het individu zelf zijn doen en laten bepaalt, maar daarop wél eens zal worden afgerekend.

De mens zelf draagt verantwoordelijkheid voor zijn leven. Hij mag die niet afschuiven. Niet op zijn genen, niet op zijn opvoeding, niet op zijn gezin, niet op omstandigheden, niet op het bestel waaronder hij leeft, niet op God „die mij zo gemaakt heeft”. De mens wikt, de mens beschikt. Het individu wordt geacht keuzes te maken. Die keuzes bepalen of dat leven uiteindelijk waardevol, waardeloos of van onwaarde was. De mens als autonoom, volwassen wezen – dat standpunt staat mij na.

 

En dan is er het leerstuk van de hoop, product van de messiaanse gedachte. De Messias staat symbool voor een ideale samenleving die eens werkelijkheid zal worden. Onverbrekelijk verbonden met die toekomstvisie is de notie dat een dergelijke maatschappij niet door bovennatuurlijk ingrijpen tot stand zal komen, maar door de inzet van de mens zelf. Door zijn daden zal hij de messiaanse tijd naderbij moeten brengen. Een ideale samenleving is menselijkerwijs onbereikbaar. Een idealere samenleving is dit wél. Die notie dient menselijk handelen te bepalen.

 

Binnen die daadgerichte ethiek krijgt het begrip ’verlossing’ een aardse, niet-esoterische lading.

Verlossing zal zich op aarde voltrekken, niet in de hemel. En niet als een plotselinge en miraculeuze gebeurtenis, maar als een proces dat zich geleidelijk voltrekt, stapje voor stapje, in gang gezet door goede daden. De verlossingsidee roept hoop op en hoop genereert daadkracht. Het is een idee die ik reken tot de kostbaarste, de onvervangbaarste van het Joodse erfgoed. Mijn persoonlijkheid kent dus twee kanten. Ik draag als het ware een januskop.

 

Als redelijk mens ambieer ik logisch te redeneren: rechttoe, rechtaan. In die hoedanigheid wil ik niet geloven, wil ik waarschijnlijk maken, liefst bewijzen of ontkrachten. Als gelovig wezen vermei ik mij in

een wereld voorbij de horizon.

In tijden waarin de rede mij onvoldoende animeert, vind ik bevrediging in een transcendente werkelijkheid – een wereld waartoe de ratio alleen toegang heeft als zij gechaperonneerd wordt door existentiële verwondering.

In tijden waarin het geloof mij onvoldoende houvast biedt, grijp ik terug naar het intellectuele domein en stel mij tevreden met de opbrengsten van de rede. Die dubbele loyaliteit behoedt mij enerzijds voor de intellectuele bekrompenheid van de jesjieve (de Joodse leerschool), anderzijds voor het emotionele tekort van een leven geketend aan de rede. Geloof en rede zijn voor mij wat vleugels zijn voor een vogel. Ik heb ze beide nodig om te kunnen vliegen.

 

Heb ik de wereld van het weten en die van (geloofs-)belevingen weten te integreren? Natuurlijk niet.

Ze laten zich niet mengen. Dat hoeft ook niet. Zoals in een interieur antiek en modern meubilair elkaar kunnen aanvullen tot een harmonisch geheel dat het oog streelt, zo laten geloven en weten zich combineren tot een harmonische eenheid die de geest streelt. Met andere woorden: ik geloof in de rede en acht het redelijk te geloven.

 

Crisis en spiritualiteit

 



Gids voor zelfmanagement in moeilijke tijden door Helene Etminan.

Uitgeverij Lannoo. ISBN 978-90-209-7167-5.

 

 

Erika Helene Etminan is bedrijfspsychologe en godsdienstwetenschapper; zij werkt in Nederland en Duitsland als bedrijfsconsultant en coach voor mensen met een leidinggevende functie. Ze promoveert aan het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen op het onderwerp 'Spirituele processen van leidinggevenden'.

 

- Voor mensen die zelf een crisis doormaken of die meeleven met iemand anders

- Biedt een belangrijke ondersteuning om te begrijpen wat er in tijden van crisis gebeurt, zowel persoonlijk als professioneel

- Tevens helpt dit boek om crisissen onder controle te krijgen. Met aandacht voor zelfmanagement en het belang van de spirituele dimensie in het omgaan met crisissen. Zowel christelijke als hindoeïstische en boeddhistische tradities komen daarbij aan bod.

- Met vele praktische aanwijzingen, richtlijnen, schema's en ervaringsverhalen

 

Dit boek is bestemd voor iedereen die een crisis doormaakt, zowel in het persoonlijke of het professionele leven. Tezelfdertijd biedt het inzichten en nuttige informatie voor iedereen die, al dan niet professioneel, mensen in crisis wil bijstaan of begeleiden. Het biedt inzichten in wat gebeurt bij een crisis, en hoe deze - ondanks alles - toch kan bijdragen tot persoonlijke groei en ontwikkeling.
Vele praktische aanwijzingen, tips, opdrachten en ervaringsverhalen maken dit tot een bruikbaar boek. Helene Etminan ontwikkelde ook een helder en herkenbaar schema van de verschillende fasen van een crisis zodat de lezer zelf kan inschatten waar hij of zij staat. Bij het omgaan met crisis besteedt zij veel aandacht aan zelfmanagement en aan de positieve rol die de spiritualiteit, zowel uit christelijke als Oosterse tradities, kan spelen.

 

Recensie van een lezeres:

Het boek is helder geschreven en heeft een duidelijke opbouw.

Etminan start eerst met de inzichten van Elisabeth Kübler Ross over rouwverwerking. Het thema wordt steeds verder uitgediept en inzichtelijk gemaakt, waarbij de betekenisgeving van het lijden uitgebreid aan bod komt.

Vervolgens komt de persoonlijke groei van de dualistische mens aan de orde (en het bewust maken van keuzes), gevolgd door spirituele groei en het leren luisteren naar de eigen Innerlijke Autoriteit. Hier wordt de dualiteit overstegen. Het boek heeft dus verschillende gelaagdheden.

Aan het eind van het boek volgt een aantal diepte-interviews met mensen die in een crisis hebben verkeerd; bijv. wegens ernstige levensbedreigende ziekte, echtscheiding of verlies van alle materiële zekerheden. Lezers zullen zich in deze interviews met lotgenoten kunnen herkennen. Zo worden theorie en praktijk aan elkaar gekoppeld, wat zeker meerwaarde biedt. Schematische tekeningen bieden in één oogopslag inzicht in de kern waar het op een gegeven moment om draait. Het boek kan ook als naslagwerk worden gebruikt door hen die beroepsmatig werken met mensen die in een (spirituele) crisis verkeren of door lezers die iemand in hun sociale kring willen ondersteunen.

( met dank aan Rita )

 

 

 

 

Heb je ook een boek gelezen dat je wil aanbevelen: stuur me de nodige gegevens en een  treffend uittreksel via onderstaande mailbutton.

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL