Gedichtjes en versjes uit de oude doos.

   

Soms krijg ik, toevallig, nog eens een gedichtje of versje tegen dat ik vroeger door mijn ouders of grootouders hoorde voordragen. Of eentje dat ik zelf nog leerde op school - zowat een halve eeuw geleden. Die gedichtjes en versjes wil ik hier graag met jullie delen.

Vind jij er ook nog eentje dat hier past, stuur het dan naar mijn emailbox.

Spiegeltje - Leentje - Wilskracht - Uren - Toekomst - Raadgevingen van ene moeder - De krekel en de mier - Onbekende soldaat - Brief van een oude moeder - Bij een onbekende soldaat - Marietje -   

 

Dit versje hoorde ik als kind al van mijn moeder. De auteur is me onbekend.
Mocht iemand weten wie de auteur is van dit leuke gedichtje, dan hoor ik het graag

 

Marietje

 

Marietje was een heel lief kind,

Maar bang, verschrikkelijk bang.

Alleen in donker, voor geen geld,

Al was het in de gang.

 

Eens zei haar moeder: lieve kind,

Hier is een kaars mijn schat.

Ga even naar de zolder toe

En haal een turf of wat.

 

Marietje vloog de trappen op,

Met licht dorst zij wel gaan.

Maar boven ging haar kaarsje uit,

Toen bleef ze in 't donker staan.

 

Drie stappen deed ze nog,

Maar o, daar viel iets op haar neer.

Het spookt, het spookt, ach help, ach help,

‘k Zie nooit mijn moesje meer.

 

Haar moeder vloog haar achterna

En denk niet dat ik jok,

Het spook dat haar te pakken had,

Was maar een oude sok,

Die van de lijn gevallen was.

 

Pas brandde het kaarsje weer,

Of lachend riep Marietje uit:

‘k Vrees nooit geen spoken meer.


 

 

Bij de onbekende soldaat

Een hoge zuil; en kransen met verdorde bloemen;
daaronder ligt de heilige soldaat.
Mensen die snel in tram of auto naderzoemen,
groeten met onverschillig-strak gelaat
en gaan voorbij.

Wie groeten zij? Ligt daar een generaal,
die zo per ongeluk es is gestorven,
toen een granaat daarginds kwam aangezworven
in d'anders toch zo veilig-verre zaal
achter het front?

Ligt daar een officier, die zich verblijdde
in de muziek van kogels en kanon?
Als hij zijn bijtende kommando's gaf, verspreidde
een nevel mensenbloed zich tot de zon
en doofde 't licht

Rust daar een koopmanszoon, die met zijn leven
de winsten van zijn vader heeft betaald?
Hij 's niet voor niets vermoord: de zaken geven
nog hoger dividend, dan werd behaald
voor dat men vocht.

Ligt daar een priester, die in woord en daden
de liefde heeft beleden, dag aan dag;
en is het deze mens vol van genade
die men hier nu als held vereren mag,
als held van haat?

Nee! nee! er ligt een jonge proletaar!
De kransen die daar dorren, zij ontwijden!
Hij wou de oorlog niet, hij wou niet strijden;
hij zag de waanzin en hij wist zo klaar
de schuldigen.

Hij spande wild zijn handen, en zijn geest
brandde hem in het lijf: hoe moest hij kiezen...
Hij kon niet winnen, hij kon slechts verliezen...
Geen andere uitweg is voor hem geweest
dan maar te gaan.

En in die hel heeft hij de dood gevonden:
fel ketste een granaat tot flarden vuur,
een reeks van mensen was een reeks van wonden;
over hen heen viel een verwoeste muur
en dekte hen...

Zijn laatste woord was en vergramde vloek
voor wie dit over d' aarde deden komen...
En juist zijn lichaam heeft men opgenomen
en met pompeuze praal in deze hoek
der hoofdstad bijgezet.

Een hoge zuil. Kransen met bleek-verdorde bloemen.
Daaronder ligt de heilige soldaat.
Mensen die snel in tram of auto naderzoemen,
groeten met onverschillig-strak gelaat
en gaan voorbij...


Brussel, Augustus 1928
Garmt Stuiveling (1907-1985)

http://www.wereldoorlog1418.nl/oorlogsverzen/homepage.html

 

 

BRIEF VAN EEN OUWE MOEDER

 

Mijn lieve zoon, je moeder laat je weten
Als dat ze jou geheel niet kan vergeten;
't Is negen uur, je vader is naar bed
En in mijn handen heb ik jouw portret.
't Is stil in huis maar voor dat ik ga leggen,
O jongenlief, mot ik je nog wat zeggen:
Dat ik van narigheid geen raad meer weet,
Dat ik geen rustig stukkie brood meer eet.

Ik lig soms heel de nacht van jou te dromen
Totdat de tranen in mijn ogen komen;
Ik ben al oud, 't maakt me zo kapot,
't Is toch zo hard dat ik jou missen mot.
En vader wil jouw naam in huis niet horen,
Dat heeft ie mij daar net nog zo bezworen,
Wanneer ik soms maar even van jou praat,
Vloekt hij mij stijf, je weet wel hoe dat gaat.

En op je meisje mot je ook niet hopen,
Die zag 'k 'n zondag met een ander lopen,
Ze had die hoed die jij haar gaf nog op,
Die met die veer, die droeg ze op haar kop.
Van al jouw centen speelt ze nou de dame,
Die kakmadam, ze moest zich liever schame',
Nou jij voor haar de nor ben ingegaan,
Nou loopt ze als een sloerie op de baan.

Maar hou je stil, dat zal haar wel berouwen,
Laat ze gerust met heel de buurt gaan sjouwen,
't Was niks voor jou, jij mot 'n ander wijf,
Jij mot er een met voortgang in haar lijf,
Zoals Marie, je weet wel, met die tanden,
Daar zul Je heel wat beter mee belanden,
Die mag jou graag, dat weet ik al 'n tijd,
Als ze maar durfde had ze 't jou gezeid.

Ze zorgt toch o zo goed voor 't werk en 't eten,
Ze breit je kousen als ze zijn versleten,
Door haar zal jij geen smerigheid meer doen
En ook geen messen trekken zo als toen;
Wanneer ik daaraan denk dan moet 'k grienen,
Jij kan met verven toch je brood verdienen
En als je heel je straf hebt afgedaan,
Mot jij weer naar je ouwe baas toe gaan.

Al scheldt de buurt, daar moet je niet om malen,
We komen samen om je af te halen,
Marie en ik we wachten bij de poort,
Met 'n schoon halfhempie en een staande boord,
Dan koop ik voor een dubbeltje sigaren,
Je houten pijpie zal ik trouw bewaren,
En als je thuis komt is je potje gaar,
Dan staat er spek met kroten voor jou klaar.

Ik voel de slaap al in mijn ogen komen,
Je moeder gaat nou zeker van je dromen,
Want als ik jou niet overdag mag zien,
Zie ik je in mijn droom vannacht misschien
Dan zie ik jou in 't hoekie zitten roken
En sta ik bij 't fornuis de pot te koken.
Vergeet je moeder niet, o jongenlief
De lamp gaat uit, ik eindig nu mijn brief.

Uit de bundel: Liederen
Koos Speenhoff

Spiegeltje

 

Er was ‘ns heel heel lang geleden,

een boertje werkzaam en tevreden

Hij was niet zo jong van jaren,

en wat dunnetjes in z’n haren

 

Weelde was hij niet gewend,

en ’n spiegel had hij nooit gekend

Maar ‘ns op een keer toen hij aan het spitten was,

vond hij een aardig stukje glas

 

Hij pakte ’t in zijn vereelte hand, 

’t Zat onder het stof en onder ’t zand

hij veegt ’t aan zijn broekspijp af,

keek erin en hij stond paf

 

“Mijn vader” zei hij “sapperloot,

die is al zoveel jaren dood,

mijn vader, die goede man,

hij is het, hij kijkt me aan.”

 

Hoofdschuddend stak hij ’t in zijn zak,

 ik kijk het thuis wel op m’n gemak.

Maar telkens keek hij er weer naar ,

’t was zo wonderbaar

 

Toen begon hij te overleggen,

wat zal mijn vrouw er wel van zeggen?

Ze is zo bazig, mijn Katrien,

 ze zou me uitlachen misschien

 

En omdat hij daar zo bang voor was,

verstopte hij ’t onder zijn matras.

Maar telkens ging hij er weer heen

 en zei: “Mijn vader” heel tevree.

 

Dat wekte argwaan bij zijn vrouw,

die er het fijne van weten wou.

En op een keer toen hij van huis af was,

zocht zij en vond het stukje glas.

 

“Wat is dat voor zotterij,

wat moet hij daar mee? Peinsde zij

 “Hier moet iets niet  in orde zijn”

En zij wantrouwde haar goede Hein.

 

Ze draaide het ‘ns op en om en keek,

en zuchtte toen, totaal van streek.

“Daar heb je het al, ik dacht het wel,

er is een andere vrouw in het spel,

mijn man hij heeft geen hart in ’t lijf,

 hoe houdt hij van zo’n lelijk wijf”

 

 (met dank aan Sientje)

 

 

 

Leentje

 

Leentje was van arme mensen

en ze woonde in een straat

waar de lieve god de wensen

der bewoners niet verstaat.

 

Waar ze om zon en vreugde vragen,

en in duisternis bestaan

tot ze worden uitgedragen

en van de arme grafwaarts gaan.

 

En Leentje was nog maar een kindje

van zo’n jaar of  acht

toen ze op een dag een vriendje

thuis bij moeders binnenbracht.

 

Was iets vreemds dat zij betoomde

nog een nieuwtje in de buurt

die er nog geen week in woonde

want hun krot was pas gehuurd.

 

En Leentje mocht hem dadelijk lijden,

hij had knikkers net als zij.

En ze speelden met zijn beiden

op een stoep zo zij aan zij

 

Tot dat Leentjes moeder hoorde

wie dat vreemde knaapje was

en hun vriendschap wreed verstoorde

want zo’n omgang gaf geen pas.

 

Leentje hoorde het in de lering

toen meneer kapelaan  ’t verbood

dat gaf later maar verkering

het nieuwe jochie was een jood.

 

Eerst wou Leentje het niet geloven

het jongetje was net als zij:

“Moeder” was ze opgestoven

 “Hij is net als wij”

 

Maar toen zij dit protest liet horen

en hem toch weer bracht in huis

sloeg haar moeder haar om de oren

en daarna een zalig kruis.

 

En als er nu in een donker straatje

kleintjes staan vlak bij elkaar

houden ze geen kinderpraatje

daar is hun geloof niet naar.

 

Want Leentje is een heel vroom kindje

uit de kudde van de paus

dus zegt Leentje tot eens haar vriendje.

“Ga toch weg, joh… Vuile smous”

 

 (met dank aan Sientje)

(Volgens mijn opa was dit gedicht van Abram Kleerekoper die vroeger in

de waarheid schreef )  Socialistisch tijdschrijft

 

 

Wilskracht

 

Als je denkt: 'Ik kan 't niet halen'

Is de nederlaag een feit.

Als je denkt: ‘Ik mag niet verzaken’

Win je op den duur de strijd

 

Als je denkt: ’Ik kan het niet halen’

Is er een tegenslag op til

Want het overslaan van falen

Hangt voornamelijk af van wil

 

Moedeloze gaan ten onder

Door hun angsten en hun vrees

Vechters winnen door een wonder

Telkens weer de zwaarste race

 

Denk:”ik kan het”  en dan gaat het

Iedereen  vind bij wilskracht baat

En in zaken wint de daad het

Van het nutteloos gepraat

 

Niet de Goliaths en de rijken

Winnen in de kamp van zes

Maar de armen die niet wijken

Hebben vroeg of laat succes

 

 (met dank aan Sientje)

 

 

 

Uren

 

Uren, dagen, maanden, jaren

vliegen als een schaduw heen

Ach, wij vinden waar wij staren

niets bestendigs hier beneęn!

Op den weg, dien wij betreden

staat geen voetstap, die beklijft,

al het heden wordt verleden

schoon ’t ons toegerekend blijft.

 

Voorgeslachten kwijnden henen,

en wij bloeien op hun graf

Ras zal ’t nakroost beweenen:

’t menschdom valt als blaad’ren af.

’t Stof, door eeuwen saâmgelezen,

houdt hetzelfde graf bewaard.

Buiten U, o eeuwig Wezen,

ach, wat was de mensch op aard!

 

Dat de tijd  hier ’t al verover’

aan geen tijdperk hangt mijn lot.

Gij, Gij blijft mij altijd over,

Gij blijft eindeloos mijn God.

Welk een ramp mij hier ook nader’

wat verander’, wat verkeer’,

‘k vind bij U, getrouwe Vader,

al mijn troost en rijkdom weer.

 

Vader, onder al mijn nooden

Vader, onder heil en straf,

Vader, ook in ’t rijk der dooden,

Vader, ook in ’t zwijgend graf

Waar ik ooit verand’ring schouwe,

Gij, o God, houdt eeuwig stand.

Ook mijn stof rust op Uw trouwe,

sluimert in Uw vaderhand!

 

Snelt dan, jaren, snelt vrij henen

met uw blijdschap en verdriet.

Welk een ramp ik moog’ beweenen,

God, mijn God verandert niet!

Blijft mij alles hier begeven,

voortgeleid door Zijne hand,

Schouw ik uit dit nietig leven

in mijn eeuwig vaderland.

 

Rhijnvis Feith, 1753-1824.

 

 (met dank aan Sientje)

 

Wat de toekomst brengen moge

 

Wat de toekomst brengen moge

mij geleidt des heeren hand;

moedig sla ik dus de oogen

naar het onbekende land.

Leer mij volgen zonder vragen;

Vader wat Gij doet is goed!

Leer mij slechts het heden dragen

met een rustig kalmen moed!

 

Heer, ik wil U liefde loven,

al begrijpt mijn hart U niet

Zalig hij, die durft gelooven,

ook wanneer het oog niet ziet.

Schijnen mij Uw wegen duister,

zie, ik vraag U niet:  waarom?

Eenmaal zie ik al U luister,

als ik in U hemel kom.

 

Laat mij niet mijn lot beslissen:

zoo ik mocht, ik durfde niet.

Ach, hou zou ik mij vergissen,

als Gij mij de keuze liet!

Wil mij als een kind behand’len,

dat alleen den weg niet vindt:

Neem mijn hand in Uw handen

en geleid mij als een kind.

 

Waar de weg mij brengen moge,

aan des Vaders trouwe hand.

Loop ik met gesloten ogen,

naar het onbekende land.

 

Jacqueline E. van der Waals, 1868-1922

 

  (met dank aan Sientje)

 

 

 Raadgevingen van ene moeder aan haren zoon


Beste jongen nu gij groot wordt,
Luister eens naar moeders raad;
want ik weet bij ondervinding
Hoe het in de wereld gaat.

 

Zorg vooral voor een diploma,
Leer wat Engels en wat Frans.
Zoek een staatsbetrekking jongen.
dan hebt g' op pensioen wel kans.

 

Blijf toch braaf in ’t leger jongen,
Schuw de herberg en de straat.
Daar zijn toch zoveel gevaren.
Waar men best niet over praat.

 

Trouw een meisje van den buiten:
Zuinig, proper niet te sjiek.
Maar op d' eerste plaats mijn jongen,
 Zij ze Vlaams en katholiek.

 

 Houd in uw gezin in ere
Ieder huisje heeft zijn kruis.
En zit g' ooit in de miserie:
Kom dan gauw naar moeke thuis.

 

Hilde Goes

 

 

De krekel en de mier (La cigale et la fourmi)

Jean de La Fontaine


De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras
"Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied."
Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet!"

 

Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest.
"Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest

 

van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug!"
"Je weet dat ik aan niemand leen,"
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.

 

"Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde?"
"Ik zong voor jou," zei zacht de krekel.
"Daaraan heb ik als mier een hekel!

 

Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm!"
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
Vaak lijdt hij honger en gebrek.

 

 

Onbekende Soldaat

Er is een graf op de Grebbeberg,
Waarin zij rusten zij aan zij,
Vaak ligt een helm op de witte aarde,
Op een bordje staat hun naam er bij.

 

Hoog boven de graven zingen de dennen
Hun woordeloos lied, dat eeuwig klinkt,
Op doorschoten tak zit een merel te fluiten,
Terwijl de wind door de boomen zingt.

 

En over de graven geuren de bloemen,
Door vriendenhanden daar neergelegd,
Door iedere roos, door iedere anjer,
Wordt iets van liefde en leed gezegd.

 

Daar rusten, daar slapen de vele helden,
Van wie ik op bordjes de namen zie,
Het zijn de mannen van vele wapens,
Van 8, van 19, van 11 R.I.

 

Ik zie ook vele witte bordjes,
Waarop geen naam geschreven staat,
Waarop men enkel kon vermelden:
"Hier rust een onbekend soldaat".

 

Ik heb gestaan bij de marmeren graven,
In 't mooie Brussel, in 't schoone Parijs, -
Hier spreekt geen marmer zijn koude sprake,
Hier is het wat zand, als de dood zoo grijs.

 

Hier zijn geen gouden letters gebeiteld,
Hier spreekt slechts wat verf uit een schildershand,
Hier rusten onder de hooge dennen,
Onbekende soldaten van Nederland.

 

Waar stond hun wieg? Hoe was hun leven?
Dat naamloos daar liggen doet even pijn,
We weten alleen dat ze dapper streden
En als helden voor het land gevallen zijn.

 

Ons volk wil ook hen in zijn eerbied doen deelen,
Al is hun graf met geen naam getooid,
Door milde handen zijn tallooze bloemen,
Op 't graf van d' onbekenden gestrooid.

 

Als de moeders staan bij de witte graven,
Dan valt er een traan langs een rimpelend gelaat,
Haar zoon is ook in den strijd gebleven:
"Jij had ook een moeder, onbekende soldaat."

 

Er liggen onder de ruischende dennen,
De onbekenden in stille vreę,
Wij weten geen namen, wij nemen enkel
Dat graf zonder naam in gedachten mee.

 

 

 

Bron: http://www.grebbeberg.nl/bibliotheek/

 

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL