Frederik van Eeden
Studies

 

Bron van de teksten op deze pagina: Studies - Vierde Reeks - W. Versluys Amsterdam - 1904

01. Over Spiritisme - 02. Het ontstaan van de Theosofische beweging -



 

01. Frederik van Eeden: OVER SPIRITISME.[1][1]

Rede gehou­den in Westminster Townhall te Londen, voor de "Society for Psychical Research" op 19 April 1901

 

 

De onderzoekers van de verschijnselen, die men spi­ritisch noemt, zijn in drie verschillende groepen te rangschikken: de geheel ongeloovigen, de spiritualisten en de niet-spiritualisten.

Onder de ernstige wetenschappelijke mannen, die de zaak geduldig en onbevooroordeeld ter hand genomen hebben, beginnen de geheel ongeloovigen schaars te worden. Wij zullen hun meening hier niet verder bespreken.

Maar de geloovigen in de echtheid der verschijnselen zijn nog steeds in twee wel onderscheiden partijen verdeeld.

 

De eerste groep neemt bijna geheel het standpunt der spiritisten in en gelooft in den invloed van geesten, van ontastbare en, in den gewonen zin des woords, onwaarneembare wezens, op den geest en het lichaam van een levend menschelijk wezen.

De tweede groep erkent de feiten als buitengewoon en niet te verklaren uit gewone oorzaken, maar geeft niet toe, dat tot dusverre een enkel feit ontdekt zou zijn, dat ons onvermijdelijk dwingt te gelooven in het bestaan van geesten. Alles kan volgens hen uitgelegd worden door bizondere persoonlijke vermogens bij het medium aan te nemen, zooals telepathie en helderziendheid

Tot de eerste groep behooren, zooals wij allen weten, zeer uitstekende geleerden, als Alfred Russel Wallace, William Crookes en de man, wiens afwezigheid hier wij zoo diep betreuren: Frederick Myers [1][2].

 

Tot de tweede groep behoorde de vroegere president van dit Genootschap, wiens verlies ons allen smart, Professor Sidgwick; en er behooren nog toe: Mevrouw Sidgwick, de heer Podmore e. a.

De eerste theorie is veel eenvoudiger als middel ter verklaring. Eenmaal gegeven de mogelijkheid van een ingrijpen in ons eigen bestaan door wezens, wier stoffe­lijke bestaansvoorwaarden onwaarneembaar en zelfs on­begrijpelijk voor ons zijn, is al het andere gemakkelijk te verklaren. Philosophisch beschouwd heeft deze voorstel­ling niets ongerijmds of onwaarschijnlijks. Integendeel, wij moeten toegeven, dat het bestaan van een oneindig aantal onwaarneembare wezens, zelfs in onze onmiddellijke nabijheid, heel wat aannemelijker is, dan dat de mensch de uiterste levensvorm zoude zijn, of dat wij het fijnste vermogen om andere levende wezens waar te nemen zouden verkregen hebben. Wij weten, dat onze zintuigelijke waarneming tot vijf wijzen beperkt is, die ieder voor zich slechts een klein gedeelte van een oneindige reeks trillingsbewegingen omvamen. Het is, philoso­phisch gesproken, even ongerijmd te gelooven, dat elke vorm van leven en bestaan moet vallen onder ons waar­nemingsvermogen, als dat er geen andere hemellichamen zijn, dan die onze oogen kunnen zien.

 

Wij moeten gedachtig zijn aan die philosophische waarheid, zoo goed uitgedrukt door Spinoza, en voor zoover mij bekend nooit weersproken of zelfs voor weerspreking vatbaar geacht: dat God's oneindigheid een oneindig aantal wijzen heeft. “ lnfinita infinitis modis", d.w.z. er is niet slechts oneindigheid in de opeenvolging van den tijd, of in de uitgebreidheid van de ruimte, maar ook in verscheidenheid van wezen op dezelfde plaats en terzelfder tijd

 

De tweede groep van waarnemers echter, hoewel de philosophische mogelijkheid, ja, waarschijnlijkheid aan­nemende van het bestaan van andere wezens, engelen of geesten, in onze nabijheid en in staat invloed op ons uit te oefenen, houdt vol, dat het wetenschappelijk juist is, zoo lang mogelijk de theorie van hun optreden of tusschenkomst ter wille van de verschijnselen te weerstreven Een voorbarig gebruik van zulk een theorie zou inderdaad al te gemakkelijk zijn en niet in overeenstemming met de wetenschappelijke economie, welke de uiterste beperking voorschrijft in het aanne­men van grondoorzaken en de uiterste behoedzaamheid bij iedere schrede naar het onbekende.

Nu gedachtenoverdraging en helderziendheid eenmaal als werkelijk bestaande erkend zijn en de wondervolle eigenschappen van den onbewusten of subliminalen [2][3] geest in aanmerking genomen worden, mogen wij niet van geesten spreken, tenzij zulks volstrekt noodzakelijk blijkt.

 

Dit tweede standpunt schijnt van den theoretischen kant geheel onaantastbaar te zijn. Het is altijd zeer moeilijk, nauwkeurig te bewijzen, dat een zeker feit buiten de onbewuste waarneming van het medium ge­bleven is gedurende zijn geheele leven; en deze moei­lijkheid wordt een volstrekte onmogelijkheid, indien wij een eigenschap als helderziendheid aannemen, waarvan wij niet kunnen zeggen of zij grenzen heeft, hetzij in ruimte, hetzij in tijd.

 

Laat mij een voorbeeld geven uit mijn eigen ervaring met Mevr. Thompson. Wij hadden bij mijn eerste zit­ting alle mogelijke voorzorgen genomen, dat het medium niets zou vernemen omtrent mijn komst, mijn naam of mijn nationaliteit. Ik kwam onverwacht en bleef vrij wel een zwijgende getuige. En toch werd op die eerste zitting mijn voornaam gegeven; er werd een poging ge­daan om mijn geslachtsnaam uit te spreken ( "Fon", Fondalin") en er werd gezinspeeld op mijn beroep van geneesheer.

 

Bij mijn tweede zitting werd mijn naam voluit gege­ven, ofschoon ik in dien tusschentijd Mevr. Thompson niet gezien had. Hij werd uitgesproken zooals een Engelschman dat zou doen (leden), en de namen van mijn vaderland, van de plaats waar ik woon, en de voorna­men van mijne vrouwen van een mijner kinderen wer­den eveneens medegedeeld.

Deze verschillende namen werden min of meer op goed geluk gegeven, niet altijd in hun juist verband, maar toch op zulk een wijze, dat er geen sprake was van raden. Zij begon b.v. mij te noemen: "Mr.Bostin",“Bussom" or  Bussum" en verwarde aldus den naam mijner woonplaats met mijn eigen naam; toen vroeg zij wat “Netherlands" beteekende ; zij zeide, dat ik een bloedverwant had, die Frederik heette, dat ik een  “hovenier van Eden" was, enz. Bij elke volgende zitting werd deze verwarring een weinig duidelijker voor haren geest.

 

Dit is niet te verklaren door toevaIlig samentreffen, zooals iedereen, die de aanteekeningen bestudeert [3][4], zal moeten erkennen. Er zijn vier veronderstellingen mogelijk:

1) Bewust bedrog Dit sluit in zich een stelsel van geheim onderzoek, een speurdienst, van ongeloofelijke uitgebreidheid en juistheid. Onnoodig te zeggen, dat wie Mevr. Thompson kent, dit denkbeeld verwerpt.

2) Onbewust bedrog. Door 't een of ander buiten­gewoon combinatie-vermogen kan het medium namen, die zij hier of daar op brieven, kaartjes of papieren ge­zien heeft, in verband brengen met den onbekenden bezoeker, dien zij voor de eerste maal ziet.

3) Inlichtingen van geesten. Dit is de verklaring, gegeven door Mevr. Thompson zelve. De geesten spreken door haar mond, terwijl zij zelf over andere dingen droomt. Somtijds vertelt zij haar droomen bij het ont­waken.

4)  Helderziendheid en gedachtenoverdraging. Mevr. Thompson leest onbewust in mijn brein de bizonder­heden omtrent mijn persoon, en bouwt er een dramati­sche figuur uit op, een fantastisch wezen, een geest, die verondersteld wordt, haar dit alles te zeggen.

 

Hoe kunnen wij de verondersteIling van bedrog uit­schakelen?

De mogelijkheid om het te plegen scheen gemakke­lijk uit den weg te ruimen. Ik kreeg inlichtingen om­trent voorwerpen, waarvan de oorsprong alleen aan mij persoonlijk bekend was. Ik bracht een haarlok mede van een man, die te Utrecht gewoond had en gestorven was, en het haar werd onmiddellijk met dien naam in ver­band gebracht, en bij volgende gelegenheden werd er naar verwezen als het “Utrechtsche haar". Ik bracht een klee­dingstuk mede, toebehoord hebbende aan een jongen man, die zelfmoord pleegde. Niemand ter wereld wist, dat ik het behouden had, of dat ik het met dit doel medegenomen had naar Engeland, en toch werd mij een juiste beschrijving gegeven van den jongen man en de wijze waarop hij zich van kant maakte, en zelfs zijn voornaam werd genoemd.

 

Dit sloot bij mij alle bedrog of toeval uit. Voorzeker, dit getuigenis is niet afdoende voor iemand, die twijfelt aan mijn geheugen en waarnemingsvermogen, of aan mijn geloofwaardigheid. Maar geen enkel getui­genis is op zichzelf voldoende. Alles eischt herhaling en bevestiging door anderen. Dat is juist wat wij verlangen.

Nu bleef de keuze tusschen geesten en gedachten­overdraging over. Maar de moeilijkheden daaraan ver­bonden gaan dieper en zijn samengestelder, dan wij oppervlakkig zouden denken.

 

De telepathische hypothese noodzaakt ons te gelooven, dat mijne gedachten, buiten de gewone hulpmiddelen om, werden overgebracht tot het brein van het medium. Maar op welken afstand? Mogen wij als vaststaande aan­nemen, dat dit middel van gemeenschap, waarvan wij hoegenaamd niets weten, onderworpen is aan de wetten van licht en geluid? Of kan er slechts gedachten-over­draging plaats hebben, als ik mij in dezelfde kamer bevind of wanneer ik er mijn wil toe zet? En hoe kunnen wij de telepathische invloeden van alle andere menschen in alle andere deelen van de wereld uitsluiten?

 

Oppervlakkig beschouwd zou men zeggen, dat gedach­ten-overdraging uitgesloten is, wanneer het medium mij iets vertelt, dat ik zelf niet wist. Dit is inderdaad door vele vroegere onderzoekers als een beslissende proef beschouwd.

Maar laat ons deze beslissende proef behoorlijk toet­sen, want wij staan hier tegenover een onwetenschappe­lijke of onphilosophische wijze van redeneeren. die wel is waar zeer algemeen is, maar hoogst bedriegelijk tevens. In deze proef te gelooven beteekent : het zich stilzwijgend aanmatigen van een kennis, die wij feitelijk niet bezitten. Onze tegenwoordige bekendheid met de eigenschappen der gedachten-overdraging is geen kennis, maar hoogstens een soort van vaag denkbeeld van wat het waarschijn­lijkst is een »Ahnung", zooals de Duitschers zeggen.

Ons komt het waarschijnlijk voor, dat afstanden mee­tellen bij gedachten-overdraging, afstanden in tijd en in ruimte; wij achten het zeer waarschijnlijk, dat er slechts telepathische werking zal bestaan tusschen twee personen op denzelfden tijd en in eenzelfde vertrek, terwijl de eene zijn wil inspant en de ander passief blijft. Maar wij hebben geen recht, vol te houden, dat deze eigenschappen bewezen zijn.

Wie zou mij kunnen tegenspreken, indien ik beweerde, dat die mededeeling, welke mij onbekend was, verkregen werd langs telepathischen weg, van de een of andere persoon ergens in Holland of in eenig ander deel van de wereld?

 

Nog vager en minder goed omschreven zijn onze denkbeelden omtrent helderziendheid. En juist omdat onze kennis van hare eigenschappen en wetten zoo ge­ring is, kunnen wij er zoo wat alles mee verklaren. zoo­dat het derhalve onmogelijk is, te spreken van beslis­sende proeven.

Wij weten allen, dat ons subliminaal bewustzijn een eerste-klasse tooneelspeler is. Onze droomen zijn blijspe­len of drama's, die ons verbazen. Wij kunnen gehypno­tiseerde personen gelasten, in deze of die rol op te treden, en zij zullen hun partij spelen met bewonderenswaardige vaardigheid en juistheid.

 

Op deze wijze kan iedere geest, die zich, het doet er niet toe op welk een realistische en overtuigende manier, aanmeldt, weggeredeneerd worden. Indien wij aan de helderziendheid het vermogen toekennen om inlichtingen in te winnen betreffende alles en iedereen, omtrent alle plaatsen en alle tijden, aangaande het verleden en de toekomst, welk wonder van een bewijs kan de geest dan aanvoeren, waardoor de fatale beschuldiging teniet gedaan wordt, dat hij eenvoudig een gedramatiseerde schepping is van het brein van het medium, opgebouwd met behulp van volmaakt onbe­grensde inlichtingen?

 

Bijvoorbeeld, de jonge man, die zelfmoord gepleegd had, gaf ten bewijze zijner identiteit de Hollandsche namen van plaatsen en personen, die op dat oogenblik volstrekt niet in mijne gedachten waren. Dit zou onbe­wuste gedachten-overdraging geweest kunnen zijn. Tegelijkertijd kwamen er in, eigennamen, die ik zelf nooit gehoord had. Ik wist zelfs niet, dat er zulke namen be­stonden. Toch ontmoette ik later, in Holland, menschen, die deze zelfde namen droegen, ofschoon ik de betrek­king waarin zij tot den jongen man gestaan hadden (zoo die er geweest is) niet heb kunnen ontdekken. Maar welke waarde was daaraan te hechten als bewijs van identiteit? Kunnen wij niet altijd zeggen, dat het medium, helderziende, deze namen op een of andere wijze in verband had zien staan met den jongen man, en ze dus gebruikte om de waarschijnlijkheid harer schepping te volmaken?

 

Het moet duidelijk zijn, dat langs dezen weg geen volstrekt bewijs mogelijk is.

Aan den anderen kant weten wij niets van de voor­waarden, waaronder geesten kunnen of moeten werken op het menschelijk brein, noch of afstanden daarbij al dan niet van invloed zijn, evenmin als in het geval van gedachten-overdraging.

Als een zeer eigenaardige waarneming, kan ik het volgende verhalen: De jonge man was, zoo als blijken kan uit de aanteekeningen van mijne zittingen, hersteld van zijn eerste poging tot zelfmoord (ofschoon de con­trole “Nelly" deze bizonderheid niet ontdekte), maar de verwonding van zijn keel deed zijn stem heesch blijven en veroorzaakte een eigenaardig kuchje. Zoodra ik Mevr. Thompson naderde met het kleedingstuk, werd haar stem min of meer heesch, en langzamerhand ver­scheen datzelfde eigenaardige kuchje en werd meer ge­accentueerd bij elke volgende zitting. Na drie zittingen bleef het haar zelf tusschentijds bij en ten slotte raakte zij het niet kwijt dan nadat ik Engeland verlaten had, het kleedingstuk - een flanel - met mij medene­mende.

 

Hier scheen de afstand werkelijk van belang te zijn, en, wat het merkwaardigste is, de invloed scheen uit te gaan van een levenloos voorwerp. Het deed mij denken aan wat een Fransch schrijver noemt: “l'ame des choses", de ziel der dingen.

Nu is het even moeilijk, de andere lezing te weerleg­gen, volgens welke er in 't geheel geen gedachten-over­draging, noch helderziendheid, in den zin van persoonlijke eigenschappen, bestaat, maar dat alles het werk van geesten is. Volgens deze opvatting - die gehuldigd wordt door voortreffelijke geleerden als A. Russell Wal­lace, - omringen geesten ons overal en altijd en zijn zij voortdurend bezig te trachten ons neigingen, gedach­ten of fantasiën te geven. Deze invloeden zijn pleizierig of onaangenaam. nuttig of gevaarlijk, onbeduidend of verheven, overeenkomstig onze ontvankelijkheid, onze gezonde of ziekelijke physieke gesteldheid.

Op deze wijze kunnen gedachten-overdraging, helder­ziendheid, alle verschijnselen van de subliminale ziel, zelfs droomen. hallucinaties en geestelijke afdwalingen van krankzinnigen, verklaard worden.

 

Deze stelling schijnt mij even sterk. Bij het bestu­deeren van droomen en ziekelijke geestverstoringen heb ik vaak een levendig en indruk gekregen, dat zij in som­mige gevallen slechts het gevolg konden zijn van slechte invloeden, komende van buiten, als demonen met dui­velsche plannen en voornemens. Het moet iederen waar­nemer getroffen hebben hoe dikwijls het schijnt alsof een booze geest misbruik maakt van den zwakken en disharmonischen toestand van een menschelijken geest om dien te bestormen met allerlei vreeselijke, potsier­lijke of tooverachtige denkbeelden en fantasiën. Al deze ziekelijke verschijnselen te willen uitleggen als het werk  van de onbewuste ziel, van het subliminale-ik of van een dubbele persoonlijkheid, blijkt dikwijls gedwongen en onvoldoende Bovendien, als wij de zaak philoso­phisch beschouwen, zijn dan deze uitdrukkingen “onbe­wust", “subliminaal", “dubbele persoonlijkheid" duidelij­ker en wetenschappelijker dan de termen: “demon", “geest" of “spook"? Is het niet vaak eenvoudig een kwestie van woorden? Welk verschil is er tusschen een dubbele of drievoudige persoonlijkheid en een demon, waarvan men bezeten is?

 

De sterkste tegenwerping, die ik tegen deze opvatting ken, is deze: dat wij in staat zijn, dubbele of drievou­dige persoonlijkheden te scheppen door middel van hyp­notische suggestie, en dat het niet is aan te nemen, dat wij op die wijze demonen zouden kunnen in 't leven roepen. Maar dan nog, weten wij wat wij doen door hypnotische suggestie? Beslist niet, zoo als ik gerechtigd ben te zeggen na vijftien jaren van practische ervaring. En is het niet mogelijk, dat wij door hypnotische sug­gestie volkomen op dezelfde wijze op den menschelijken geest werken, en derhalve dezelfde resultaten verkrijgen, als de onzichtbare geesten? Ik voor mij gevoel mij niet in staat, deze mogelijkheid te ontkennen.

Wij zijn genoodzaakt, in deze moeilijke zaak voor een goed deel op onze eigen persoonlijke indrukken af te gaan, naar mogelijkheden te oordeelen en onze voor­stellingen min of meer door intuïtie op te bouwen. Dit moge niet zeer nauwkeurig schijnen, maar het is onvermijdelijk en een soortgelijke weg wordt gevolgd in verschei­dene andere takken van wetenschap. Sterrenkunde, b.v. is hoofdzakelijk gegrond op persoonlijke indrukken, maar indrukken, welke door vele personen geverifieerd zijn en  op intuïtieve mogelijkheidsmeeningen, die bevestigd zijn door herhaalde waarneming.

 

Mijn persoonlijke indrukken hebben zich gewijzigd als volgt. Gedurende de eerste reeks proefnemingen in November en December 1899, voelde ik de zeer sterke overtuiging, dat de persoon, wiens haar ik had medege­bracht, en die vijftien jaren geleden gestorven was, een levende geest was en door Mevr. Thompson met mij in gemeenschap trad. Een aantal kleine bizonderheden, die men in de aanteekeningen zal aantreffen, leidden mij, allen tezamen beschouwd, tot de overtuiging eener afdoende bewijsvoering. Ze allen als op goed geluk gemaakte gissingen te willen beschouwen, scheen onzinnig; ze te willen verklaren door gedachten-overdraging, ge­dwongen en onvoldoende.

Maar, thuis gekomen, trof ik bij verder onderzoek onverklaarbare fouten en misslagen aan. Indien ik wer­kelijk met den overleden man gesproken had, zou hij deze vergissingen nooit hebben gemaakt. En zij hadden deze merkwaardige overeenkomst, dat alle vergissin­gen juist voorkwamen in de bizonderheden, welke ik zelf niet geweten had en dus niet in staat was terstond te verbeteren.

 

Dientengevolge veranderde mijne meening. De feiten bleven even zeker en wonderlijk als te voren. Ik kon ze niet aan bedrog of toeval toeschrijven, maar ik begon te twijfelen aan mijn eersten indruk, dat ik werkelijk te doen had gehad met den geest van een overledene; en

ik kwam tot het besluit, dat het slechts Mevr. Thomp­son was geweest, die, toegerust met een onbewust waar­nemingsvermogen, dat ons begrip geheel te boven gaat, voor geest gespeeld had, zij het dan ook volkomen te goeder trouw.

 

Bijgevolg moest zij geleid zijn geworden door lichte, onwillekeurige teekenen van toestemming of ontkenning mijnerzijds. Hoe kon zij anders zoo'n aantal juiste bizon­derheden vermeld hebben, voldoende om den indruk eener volmaakte bewijsvoering te vestigen, en hoe kon zij anders vergissingen begaan hebben, juist op diezelfde punten, waarop ik niet in staat was geweest, haar te verbeteren?

Maar bij mijn tweede bezoek in Juni 1900, toen ik het kleedingstuk medenam van den jongen man, die zelf­moord gepleegd had, kwam de eerste indruk weer boven, en nu met grooter kracht. Ik was op mijn hoede, en indien ik wenken gaf, dan was dat niet onbewust, maar met opzet, en, zooals uit de aanteekeningen zal blijken, werden de duidelijkste wenken niet begrepen, maar kwam de waarheid op de zonderlingste en meest onverwachte wijze aan 't licht.

 

Neem dit feit b.v. Nelly zeide tot mij: “U schijnt geen baard te hebben. Ik zie uw hoofd niet duidelijk; iemand bedekt uw hoofd. Hij (d. i. de zelfmoordenaar) bedekt uw hoofd om aan te toonen hoe zijn eigen hoofd bedekt werd."

Inderdaad werd het gelaat van den jongen man bedekt, toen hij dood gevonden was.

 

Nelly begreep de aanwijzing niet, dat de eerste poging tot zelfmoord mislukt was. En toch deelde zij bijzon­derheden mede, die onmiskenbaar, ofschoon indirect, op die mislukking betrekking hebben. B.v.: “toen zij hem vonden kon hij niet spreken," en dan weer: “voer mij niet terug naar zoo iets vreeselijks", welke beide gezegden alleen juist zijn, als zij de poging tot zelf­moord betreffen, toen hij levend en geheel bij kennis aangetroffen werd, maar De tweede maal schoot in eens dood.

 

Het volgende gezegde omschreef zeer juist zoowel zijn karakter, als zijn poging tot zelfmoord: “Hij wilde mij het bloed aan zijn hals niet laten zien, omdat hij vreesde, dat ik er van zou schrikken."

Dit is juist iets voor mijn gestorven jongen vriend. Hij was zeer zacht van aard en trachtte altijd zijn verminkte keel te verbergen om kinderen of gevoelige men­schen niet te beangstigen.

 

Tot aan de zitting van 7 Juni werden alle inlichtingen gegeven door Nelly, Mevr. Thompson's z.g. geestcontrole. Maar op dien datum trachtte de overledene, zoo­als hij beloofd had, zelf de controle te nemen, zoo als de technische term luidt. Het getuigenis werd toen zeer treffend. Gedurende eenige minuten had ik volko­men het gevoel, alsof ik met mijn vriend zelf sprak; maar niet langer dan weinige minuten. Ik sprak Hol­landsch en kreeg terstond en juist antwoord. De uit­drukking van voldoening en dankbaarheid in het gelaat en de gebaren, toen wij elkander schenen te verstaan, was te waar en te levendig om gespeeld te zijn. Hollandsche woorden, die ik geheel niet verwachtte, wer­den uitgesproken: bizonderheden werden verteld, die ver uit mijne gedachten waren. Eenigen daarvan, zoo­als die omtrent den oom van mijn vriend in een vorige zitting, heb ik nooit geweten en eerst bij later onderzoek waar bevonden.

 

Maar aangezien ik thans wel op mijn hoede was, kon ik, juist in deze zeer belangrijke paar minuten, als het ware naspeuren, waar de vergissingen binnenslopen. Ik kon het proces volgen en opmerken, waar de echte verschijnselen ophielden en het onbewuste tooneelspel aanving. In nauw merkbare overgangen neemt het medium de rol van den geest over, vult de mededeelingen aan, legt er zoo noodig de laatste hand aan en vult de gapingen aan door ze te hervormen en te ver­schikken.

 

B.v. de Hollandsche namen, die voorkomen in het begin van de zitting van 7 Juni, werden geschreven door Mevr. Thompson, terwijl zij sliep en ik afwezig was. Deze namen zijn zeer merkwaardig, daar ik ze nooit gehoord had, zoodat mijn eigen telepathische invloed, ten minste voorzoover mijn gewoon bewustzijn betreft, uitgesloten is. Maar toen ik Nelly vroeg, wie x x x te X was, en wie "Zwart" was, kreeg ik zeer vlugge en besliste antwoorden, alsof zij door den jongen zelfmoor­denaar gegeven werden, maar die naderhand geheel verkeerd bleken te zijn. Het bleek mij zelfs, dat de naam "Zwart" verkeerd gelezen moest zijn, en dat er werkelijk geschreven stond: “I wait" (Ik wacht). Niet­temin fantaseerde Nelly uit mijn vergissing een denk­beeldigen vriend van den overledene, “Zwart" genaamd, die zich door het voorhoofd schoot.

 

In dienzelfden zomer kwam ik tweemalen in aanraking met personen, die den naam x x x droegen en te X woonden, maar het mocht mij niet gelukken te ontdek­ken in welke betrekking zij gestaan hadden tot mijn overleden vriend.

Wij zien hieruit, hoe bout en roekeloos de controlegeest Nelly in uitleggingen vervalt van dingen, waarvan zij blijkbaar niets begrijpt, ofschoon zij er zelf spontaan over begonnen is. En wij zien daarenboven, hoe gemakkelijk en onmerkbaar de rol van elken geest voortgespeeld wordt door het medium, nadat de echte mededeelingen gestaakt zijn

 

Dit wordt voornamelijk teweeg gebracht door aanmoe­diging. Zoodra de controlegeest of het medium aange­moedigd en op een opgewonden wijze geholpen wordt, vaart zij voort en voort, haar schepping voltooiend, tot er niets waars of echts meer over is. Dit verklaart de vreeselijke warwinkel, waarin zoovele eerlijke onderzoe­kers verzeild geraakt zijn.

 

Het is hier de plaats, naar ik vermeen, om een be­paalde en duidelijke verklaring af te leggen omtrent mijn tegenwoordige meening, die langen tijd tusschen de beide groepen heen en weer geschommeld heeft. Ik zou zulk een besliste verklaring niet geven, indien ik mij daartoe niet geroepen voelde, hoezeer het ook van mij verlangd mocht worden, want ik acht het eerste plicht van een geleerde en philosoof, af te zien van bepaalde verkla­ringen omtrent zaken waarvan men nog niet zeker is. En bij waarnemingen als deze moeten wij rekening houden met een zeer algemeene neiging om bij nadere overweging te ontkennen, wat op de plaats en het oogenblik zelf volmaakt overtuigend scheen. Elk verschijnsel of voorval van zeer buitengewonen aard wordt door den menschelijken geest slechts geloofd na herhaalde waarneming. Na de eerste ervaring weigert de geest te blijven in de gewone gedachtensfeer en den volgenden ochtend zeggen wij: “Ik moet mij vergist hebben; ik moet 't een of ander over het hoofd gezien hebben; er moet eene gewone verklaring voor zijn."

 

Maar op het huidige oogenblik is het ongeveer acht maanden geleden, sedert ik mijn laatste zitting met Mevr. Thompson in Parijs had, en toch, als ik de aanteekeningen overlees, is het mij onmogelijk, de overtui­ging te onderdrukken, dat ik werkelijk, zij het dan ook slechts gedurende eenige minuten, getuige ben geweest van de vrijwillige manifestatie van een overledene.

 

Maar ondertusschen ben ik er zeker van, dat echte, direkte mededeelingen veel zeldzamer zijn, dan het medium gelooft, en ons te goeder trouw wil doen ge­looven. Ik vermeen, dat een zekere mate van onbewust tooneelspelen bijna altijd voorkomt op iedere zitting met elk medium, en dat zelfs onze meest nauwgezette en zorgvuldige waarnemers, als Myers en Hodgson, er door misleid zijn. Ik betwijfel niet slechts de waarachtigheid, maar zelfs het werkelijk bestaan van de z. g. contröle­geesten; mij komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat het kunstmatige scheppingen zijn van den geest van het medium. of - overeenkomstig de spiritische opvatting ­leugenachtige en valsche geesten.

 

Ter wille van de methode van verder onderzoek is deze kwestie buitengewoon belangrijk, aangezien elk medium een zekere opleiding ontvangt van zijn of haar leiders en waarnemers, en de gevolgen van deze opleiding zijn gemeenlijk niet te veranderen. De opleiding van Mevr. Thompson als medium is een verbazende vooruitgang geweest, vergeleken bij datgene waaraan wij gewoon waren. Na al die arme mediums, letterlijk bedorven en verwilderd door al te geloovige en fanatieke onderzoekers, is de rustige zelfbeheersching en nauwge­zette onzijdigheid van Mevr. Thompson zeer voldoenend. En toch kan ik niet nalaten, als mijne meening uit te spreken, dat ook hare wondervolle gaven als zieneres bedorven zijn door te veel goedgeloovigheid en aanmoediging van den kant der voornaamste waarnemers en leiders van de proefnemingen. Ik heb gezien hoe spoedig de zoogenaamde controlegeest begint te fantaseeren en te verdichten, wanneer wij eenvoudig het denkbeeld van hun waarachtig bestaan als controlegeesten aannemen. Mijn aanteekeningen bestudeerende zal men herhaaldelijk zien, dat ik vroeg: “Hoe weet ge dat?" omdat ik be­merkte, dat ik slechts de gevolgtrekkingen van den controlegeest te hooren kreeg, en niet de direkte waarnemingen van de zieneres. In latere zittingen wachtte ik er mij voor, tot den controlegeest te spreken; ik nam er geen notitie van, maar vroeg de juiste mede­deeling van wat door het medium gezien of gevoeld was. Deze houding werd door vroegere waarnemers niet voldoende bewaard. De meesten hunner kwamen min of meer in het spel en bedierven de zuiverheid van de proefneming.

 

Laat ik mijn tegenwerping aanvullen, door te zeggen, dat de meeste waarnemers zoo niet te goedgeloovig, dan toch zeker te begeerig zijn geweest. Deze begeerig­heid, waarbij geduld dikwijls phlegmatisch lijkt, is een algemeene zwakheid van het Angel-Saksische ras. Aan haar zijn de bewonderenswaardige daden, maar ook de misslagen van dit ras toe te schrijven. Dit is waar, ook op het moeilijk gebied van psychisch onderzoek.

 

In een merkwaardig artikel, getiteld: “Hoe het mij in 't hoofd kwam", heeft Mej. Goodrich Freer, die zelf een zieneres is, zeer goed deze behoefte aan geduld en lijdelijkheid aangetoond en wij kunnen allen den raad, dien zij geeft, ter harte nemen. Nagenoeg al het bewijs­materiaal, dat tot heden verzameld is, heeft herziening noodig: het goud der waarheid moet gezift worden uit het erts van tooneelspel en fantasie. Wij kunnen ons nooit een juiste voorstelling maken van de wijze waarop deze bovennatuurlijke mededeelingen ons geworden, en wij zijn maar al te zeer geneigd, min of meer onvol­komen, stoffelijke en onbeduidende denkbeelden te kweeken. Wij zeggen, dat de geest het brein bespeelt, als een musicus een viool of piano, en wat dies meer zij. Wij mogen echter niet vergeten, dat deze mededee­ling stamt uit sfeeren, waar onze tijdsopvattingen waar­schijnlijk niet gangbaar zijn en dus een onverkomelijke hinderpaal gesteld is voor ons begripsvermogen.

 

Laat mij een klein feit aanhalen uit mijne ervaringen met Mevr. Thompson - een onbeduidende kleinigheid op zichzelf, maar toch zeer eigenaardig. In een van onze eerste zittingen voorspelde Nelly, dat mij op een diner te Cambridge .een roode saus met visch" zou voorgezet worden, die "mij niet zou passen". Ik vroeg: “Waarom niet?" [4][1] maar kreeg geen antwoord. In Cam­bridge was de roode saus er werkelijk en ik nam er wat van, aldus de voorspelling trotseerende, nieuwsgierig of ik er ziek van zou worden. Op de volgende zitting vroeg ik, waarom de saus mij in de voorspelling verbo­den werd, en Nelly, blijkbaar verlegen om een antwoord, vroeg terug: "Wel, bent u er niet dorstig van?" Maar ik was hoegenaamd niet dorstig. Toen zeide zij: "Bent u een groente-man?" Nu had ik nooit aan Mevr Thomp­son verteld, noch in hare tegenwoordigheid doen blijken, dat ik een vegetariër was. Maar daar de saus een vischsaus was, gekleurd met cochenille, was de verschei­dene dagen te voren gemaakte opmerking, dat zij “mij niet zou passen" volkomen juist; toch scheen het medium zelf de juistheid van haar eigen opmerking niet te be­grijpen

 

Dit kleine voorval is, wel beschouwd, vol onpeilbare wonderen voor onzen menschelijken geest.

Deze onbeduidende opmerking - een grapje zonder eenige diepe of ernstige beteekenis, maar dat een bovennatuurlijke kennis van de toekomst en van mijn eigen levenswijze toont, - gemaakt als 't ware bij volmacht en zonder begrip van hare beteekenis, - hoe zullen wij ooit alles vatten wat er onder verborgen ligt? Bij alle proefnemingen gaf niets mij zoo levendig den in­druk, dat het medium niets meer dan een instrument is, een werktuig, tijdelijk in de macht van wezens, die leven en zelfs kunnen schertsen in sfeeren, boven ruimte en tijd verheven.

Maar laat ons vooral zorg dragen, deze wezens niet voor te stellen in eenigen bepaalden vorm, overeenkomstig onze eigen dramatische fantasie. Wij kunnen er zeker van zijn, dat wij dan wat men in de ontleedkunde “kunstfeiten" noemt, in 't leven roepen, kunstmatige in plaats van natuurlijke vormen.

 

Ik hoorde de bron van deze bovennatuurlijke mede­deelingen door een Engelsch dichter omschrijven als: “the collective memory of the race", en ik acht deze breede en mystieke voorstelling, hoe vaag ook, in zeker opzicht de veiligste als uitgangsbasis voor verder on­derzoek.

Allen zullen gereedelijk met mij instemmen, wanneer ik de trance-wereld van een medium en de wereld der droomen niet zoo ver gescheiden acht. In beiden schijnt de menschelijke geest het een of ander vermogen te verwerven of zich met de bovenmenschelijke wereld in verbinding te stellen. Zij geven “Anschlus am Absoluten", zooals de Duitschers zeggen. Uit mijn aanteekeningen blijkt, dat mijn eigen droomen mij tijdens de zittingen een naam ingaven, dien ik vergeten was en die behoorlijk op de volgende zitting voor den dag kwam. En terwijl ik dit artikel samenstelde, bijna een jaar na de zittingen, gaf een andere droom mij de oplossing van het woord “Wocken", waarop, zooals in de aanteekeningen te zien is, de jongen zelfmoordenaar bizonder gesteld was. Het werd in mijn droom vereenzelvigd met den titel van het eenige boek, dat hij geschreven had en na zijn dood uitgegeven werd, en voor welks succes hij zich zeer interesseerde. (De oplossing schijnt zeer aannemelijk, maar ik kan haar niet openbaar maken).

 

Daar ik mijn eigen droomen reeds langen tijd geob­serveerd en er zorgvuldig aanteekening van gehouden heb, en daar ik het vermogen verworven heb, in mijn droomen met vol bewustzijn uit eigen beweging hande­lingen te verrichten, die ik mij, wakker zijnde, voorge­nomen heb, kwam ik met het medium overeen, dat ik haar na terugkeer naar Holland, in mijn droomen zou aanroepen, en dat zij aan een waarnemer in Engeland in haar trance zou mededeel en, of zij mijn roepstem vernomen had. Een en ander staat vermeld in het ver­slag der zittingen in de Proceedings der Soc. f. Psych. Research.

 

Den uitslag (volledig medegedeeld in het 2e aanhang­sel) laat ik hier in enkele woorden volgen Het geheele vraagstuk schijnt mij van groot belang toe, en verdient een zorgvuldig onderzoek, dat ik er in de eerstvolgende jaren, zoo tijd en krachten het toelaten, aan hoop te kunnen wijden. Maar deze enkele interessante proefne­ming wil ik thans mededeel en, al was het alleen om de aandacht te vestigen op de mogelijkheid van een nieuwe richting, die daardoor ter onderzoeking wordt open­gesteld.

 

In den winter, volgende op de eerste reeks zittingen. kondigde Nelly in den loop van verschillende séances aan, dat zij zelf bij drie verschillende gelegenheden, en een tweede geest, een andermaal mij in mijn droomen waren komen bezoeken In twee gevallen komen deze bezoeken in tijd geheel overeen met mijn eigen droom­gezichten, die ik in mijn dagboek aangeteekend had, vóór de ontvangst van de brieven van den Heer Pid­dington, die mij de bizonderheden van Nelly's verklarin­gen meldde, en alle vier de gevallen getuigen van een telepathisch rapport tusschen Nelly en mijzelven.

 

Het tweede geval is het merkwaardigste. Want toen beging ik in mijn droom, naar ik meende, een vergis­sing en riep – “Elsie, Elsie", in plaats van – “Nelly". Ik schreef het feit den volgenden ochtend in mijn dagboek; de naam –“Elsie" had voor mij hoegenaamd geen beteekenis en was mij geheel vreemd.

Twee dagen later werd mij per brief gemeld, dat Nelly's geest-vriendin, Elsie, mij had hooren roepen en dat zij toen door Nelly naar mij gezonden was om mij te antwoorden. Mijn vergissing was dus geen vergis­sing; de naam Elsie, hoe vreemd ook voor mij, was mij door een of anderen geheimzinnigen invloed in 't hoofd ge­komen en de boodschap was over het Kanaal heen ontvangen.

De aanteekeningen en de brieven liggen ter inzage voor iedereen, die ernstig belang stelt in zulke zaken.

 

Hierna werd de gemeenschap verbroken; alleen scheen Nelly twee lichte ongesteldheden, waaraan ik geleden had, opgemerkt te hebben; maar de droomproefnemin­gen mislukten geheel.

Ik wil dit kort verslag eindigen met te zeggen, dat ik een onbegrensd domein van onbekende wetenschap voor ons zie liggen, dat zich tot hoogst belangrijke onderzoekingen leent. Maar wat hierbij, meer dan in eenigen anderen tak van wetenschap noodig is, zijn: geduld en voorzichtigheid. Nergens verkeeren wij in zulk een groot gevaar voor algeheele dwaling en verwarring. Wij kun­nen hypothesen, eschatologiën, geheele godsdienstige stelsels opwerpen, al naar onze verbeelding ons ingeeft, en het medium zal ons gedwee al onze hersenschimmige samenstellingen in volle werking en met verbijsterenden schijn van werkelijkheid vertoonen.

 

Ten einde zulke valkuilen te vermijden, moeten wij alle onwaardige begeerigheid en ongeduldigheid ter zijde stellen in deze fijnste en subtielste wetenschappelijke vraagstukken, die 's menschen ziel en de bovenmensche­lijke wereld, waarmede zij verbonden is, betreffen. Lijde­lijk in het waarnemen, geduldig in het handelen, voor­zichtig in het voorwaarts schrijden, moeten wij er ons voor wachten, met al te haastige handen de geheimen te willen ontsluieren, die nog voor ons verborgen zijn door den Almachtige.

 




[5][4] Deze aanteekeningen komen voor in de Proceedings van de S. P. R. van 1901.


[1][3] Het woord "Subliminaal" van "Sub limine" "onder de grens" is ingevoerd door Myers

 

 

[4][1] Een gewichtig verschil is dit dat Annie Besant onder invloed der Bramienen, de hoogste Indische kaste, het kaste-stelsel ver­dedigt, hetgeen door Mevr. Blavatsky en ook door Boeddha zelf werd afgekeurd.

 

[1][1] Van E's vraag: .Waarom niet?" komt niet voor in de aan­teekeningen, maar ik betwijfel niet, dat zij gedaan werd. (Noot van J. G. Piddington, Secretaris van de S. P. R).


HET ONTSTAAN DER THEOSOFISCHE BEWEGING. [1][1]

 

Het is u bekend hoe er in de 15de eeuw een sterke beweging plaats greep in de Europeesche beschaving. Hoe men aan 't einde van de midden-eeuwen, terwijl de goede tijd der ridders en toernooien voorbij begon te raken, terwijl de steden in het Duitsche land be­gonnen te bloeien, maar toch het woeste, materiële leven, het leven van roof en oorlog, het zwaard- en schildleven nog overal den boventoon had - hoe men in dien tijd als door een plotselinge reactie, door een inkeer tot de betere natuur van den mensch zich begon toe te leggen op de studie, op de veredeling des geestes, met een enthousiasme en een energie, die bijna eenig is in de geschiedenis en waarvan wij ons waarschijnlijk veelal een te gering denkbeeld maken.

 

De tijd die ik bedoel ligt in den aanvang der vijftiende eeuw, en wij kunnen die met nationalen trots den tijd van Erasmus noemen. De toen ontstane cultuurbewe­ging noemt men de humanitaire beweging; en in den persoon van Erasmus heeft ze haar meest karakteris­tieken vertegenwoordiger.

 

Als een reactie vertoont ze zich, als een heftige reactie tegen de onwaardige verdeeling van het menschelijk geslacht in overmachtige soldaten, die niets beters ver­stonden dan toernooien en oorlogvoeren, onontwik­kelde boeren, die gedurig verdrukt en mishandeld werden tot loon voor hun nuttig werken, en luierende, onwetende monniken die het zich behagelijk maakten achter de kloostermuren.

 

Toen begreep het jonge geslacht dat er iets beters te doen viel. En met evenveel geestdrift en vereering als waarmee het jonge Frankrijk voor de revolutie sprak van vrijheid en menschenrecht, of het jonge Europa in 't midden dezer eeuw van vrijden ken en gewetensvrijheid, zoo spraken toen de jonge mannen dier tijden van de studie, van het heilige weten, van de vrije weten­schap, van de schoone cultuur des menschelijken geestes die zoo lang had ten achter gestaan bij lichaamskracht en physieken moed.

 

Als men denkt aan de aanhoudende oorlogen, de ge­ringe rechtsveiligheid, het moeielijke verkeer in die tijden, dan is het verbazingwekkend om te lezen welk een omvang zulk een zuiver intellectueele beweging in korten tijd nam. Zoo ontstonden er in ons land alleen verscheidene hoogescholen, die hunne leerlingen bij hon­derden telden. In nog maar kleine steden als Alkmaar en Deventer vereenigden zich in den bloeitijd dier scholen soms meer dan duizend scholieren - en van alle landen kwam men bijeen om de lessen van Mur­mellius, Agricola, Erasmus, Brant, Reuchlin en andere geleerden bij te wonen.

 

Gewoonlijk schrijft men het begin dezer cultuurbe­weging toe aan de verovering van Constantinopel door de Turken in 1453. Bij die gelegenheid werd de groote bibliotheek geplunderd en een groote menigte te voren onbekende Grieksche handschriften door Europa ver­spreid. De lectuur der Grieksche auteurs brak den invloed der dogmatisch religieuze wetenschap, die alleen op latijnsche auteurs en op een latijnsche Aristoteles­uitgave berustte. Grieksch werd de geliefde taal der humanisten, de studie van die taal, het kenmerk der geavanceerden, der nieuwlichters. En toen de jonge Erasmus zijn eerste studie-reis maakte door Italië, schreef hij naar huis dat hij voor zijn geld eerst Grieksche boeken en dan kleederen zou koopen.

 

En nu is het Schopenhauer geweest die een paralel heeft durven trekken tusschen het humanisme der vijf­tiende eeuwen een cultuur- beweging van onzen tijd die, toen Schopenhauer leefde, nog komen moest.

Schopenhauer voorspelde dat er een tijd zou komen, waarin de Oud-Indische letterkunde, de Sanskritische boeken, de Veda's, de Upanishad's en wat er verder nog onbekend in Indië bewaard is gebleven, op de Eu­ropeesche cultuur een invloed zou uitoefenen van gelijken omvang als die het Grieksch op de midden-eeuwsche beschaving heeft gehad.

 

Zeker heeft zich deze stoute profetie nog niet ver­wezenlijkt. Maar evenwel zijn er kort na Schopenhauer's dood in Europa boeken gepubliceerd en gedachtestroo­mingen merkbaar geworden, die op zeer merkwaardige wijze aantoonen, dat de scherpzinnige filosoof in zijn presumptie niet zoo groot ongelijk heeft gehad.

 

Dat de studie van het Sanskrit ontzaglijk is toege­nomen, dat door toedoen van geleerden als Max Muller, Kern, Rhys Davids e. a. de Oud-Indische boeken voor het Europeesch publiek toegankelijk zijn geworden dat is niet het merkwaardige. Hetzelfde is met de Egyptische en Babylonische literatuur bijvoorbeeld geschied en is slechts het gewone gevolg van de algemeene uitbreiding van het wetenschappelijk onderzoek.

Maar de essens, of liever sommige fragmenten der Indische wijsheid hebben onmiskenbaren invloed uitge­oefend op het gedachtenleven, op de geestesrichting, op de filosofische ontwikkeling van vele menschen. En dit verschijnsel wensch ik kortelijk te bespreken.

 

Ik moet u echter vooraf wel doen opmerken, dat ik niet de intentie heb de bedoelde beweging kritisch te beschouwen.

Ik acht dit uiterst moeielijk omdat het een zeer groote geleerdheid en een grondige studie der zaak vereischt. Men moet een volleerd beoefenaar der Oud-Indische literatuur en een scherpzinnig filosoof tegelijk zijn om te kunnen onderscheiden wat er in al hetgeen thans over deze zaken geschreven wordt echt of valsch is.

De studie, die ik van de kwestie heb kunnen maken is slechts oppervlakkig en bepaalt zich tot de uitwendige vormen, tot het meer algemeene.

Maar het heeft mij getroffen als iets zeer merkwaar­digs, in psychologischen en cultuurhistorischen zin ­en ik hoop er u van te kunnen overtuigen, dat het onder­werp werkelijk de belangstelling van elk beschaafd mensch verdient.

 

De strijd, die in ons gevoerd wordt is, evenals die uit de 15de  eeuw, een strijd om vrijheid.

De menschengeest is als een jongen in zijn groei, ­de kleederen waar hij eerst ruim in stak, worden te eng, lange polsen steken uit de mouwen, hij wordt be­nauwd door zijn goed en voelt zich ongemakkelijk. Dan wordt er gelapt en versteld, de broekspijpen worden uitgelegd - totdat men eindelijk maar tot het maken van een behoorlijk nieuw kostuum overgaat.

Zoo ontgroeien wij gedurig aan de dogma's, die ons belemmeren, hoewel ze onze voorvaderen gepast hebben. Maar het verwisselen van denkwijze gaat niet zoo licht als het passen van een nieuwen jas.

 

In de negentiende eeuw heeft de Christelijke religie een allerbedenkelijkste scheur gekregen. Wel had Luther er voor een paar eeuwen reeds een ferm uitlegsel aan gemaakt - maar nu begint het inzicht wel tamelijk algemeen te worden, dat er geen verstellen of bijlappen meer aan is.

De menschheid, in massa genomen, kan in onzen tijd niet aldoor blijven denken en zijn wijsgeerige en religieuze begrippen inspecteeren en in evenwicht houden. Daarvoor heeft men te weinig tijd of is men te traag. Op die wijze versterft het geloof en de wijsheid tot een doode leer, het versteent en verstijft tot dogma's. En als nu de intellectueele groei toch voort blijft gaan, dan komen er hevige catastrophen. - Het nauwe buisje scheurt met een knal, en tot ontsteltenis en schaamte van den drager.

 

Onze wetenschap en onze religie hebben het al lang niet best kunnen vinden en zij gingen elkander daarom maar uit den weg. Maar dit kon geen stand houden, en toen de palaeontologen, de geologen en eindelijk de bijbelkritici begonnen te graven tot vlak onder de fun­damenten der Christelijke kerk, toen ging dat sterke huis toch eindelijk aan 't wankelen.

 

De bizonderheden van dezen strijd zijn u allen bekend. Gij weet welk een opschudding de boeken van Strauss en Renan teweeg brachten in heel Europa. Gij weet hoe in ons land de eloquentie van Douwes Dekker het vrijdenken tot een populaire zaak heeft gemaakt.

Nu is het niet bevreemdend, dat iemand die altijd bekleed is geweest met een buis en een broek zich vreemd en onbehagelijk voelt wanneer hem die kleeding­stukken plotseling worden ontnomen en hij krijgt er niets anders voor in de plaats.

 

Toen de geloovigen zich hun geloof, toen de Christenen zich hun kerk zagen ontnemen vroegen ze natuurlijk; “maar wat dan?"

En gij weet hoe Douwes Dekker, die niet gauw om een antwoord verlegen was, hen toevoegde: “als ik u een leugen afneem, moet ik u dan weer een andere leugen er voor in de plaats geven?"

Dat was een dooddoener. Dus geen leugens meer­ - en de waarheid, ja! de waarheid was naakt.

Het eenige wat overbleef was het positieve zoo ge­naamd. De mathematica en hetgeen door onze zinnen als reëel werd erkend. In plaats der kerk kwam dus het groote gebouw der natuurwetenschap.

 

Maar dit gebouw kan nu eenmaal niet voor de groote menigte een kerk vervangen. Want al wil ieder met genoegen kennis nemen en profiteeren van al het ver­wonderlijke en nuttige, dat de natuurwetenschap vindt, al leest men met belangstelling in de courant dat er weer een asteroïde is ontdekt of dat Edison weer een nieuwe uitvinding heeft gedaan - niemand heeft hier genoeg aan om met eenigen lust en satisfactie verder te leven. Wanneer het wenschelijke en prettige van 't leven nu reeds uitteraard voor ieder duidelijk was, dán zou 't gaan, maar wie 't beroerd heeft en geen uitweg ziet, kan zich toch moeielijk troosten met de wetten der zwaartekracht of de interferentie-theorie.

 

Dit kan hij alleen, die geleerd heeft in het zoeken dier wetten en theoriën een volkomen vervulling van zijn leven te vinden. Maar de menigte doet dat niet.

Wat de mensch noodig heeft voor zijn leven is een sterk verlangen. Leven is iets willen. Wij werken en lijden allen graag, als wij maar weten waarvoor.

Een geleerde, die alleen verlangt te weten en zich niet afvraagt waarom hij eigenlijk verlangt te weten, die heeft genoeg. Die leeft, en leeft gelukkig zoolang hij zoeken kan.

 

Maar de overgroote menigte kent zulk een verlangen maar half. En al kent zij dit, dan heeft zij toch den tijd en de gelegenheid niet om er aan te voldoen. Zij verlangen plezier, lichamelijk genot, in sommige gevallen ook nog eer, macht en reputatie. Wanneer zij nu wat gaan nadenken en zien dat hun belooning bij lange na niet evenredig is aan hun werk en hun leed, dan zijn zij zeer ontevreden en zien volstrekt de wenschelijkheid en noodzakelijkheid van hun leven niet meer in.

Hierdoor is het pessimisme ontstaan, dat zoo alge­meen is in onze dagen.

 

De religie met het begrip van een beloonend en be­straffend God is weg, - en wat er in de plaats kwam, de natuurwetenschap, is volkomen onmachtig om dit aller­eerst verlangen der menschen te bevredigen. Op de allereenvoudigste, de primitiefste vragen die ieder maar eventjes nadenkend mensch terstond zal stellen: “Waarom leef ik ? Waarom moet ik zooveel moeite doen? Zooveel lijden? Waarom moet ik goed zijn en niet alleen voor mijzelf zorgen?" Op die vragen antwoordt de natuur­wetenschap niet. En haar uitvlucht is: “Lieve vrienden, verlangt geen antwoord, want je wilt toch niet dat ik leugens vertel?"

 

Dat er op dit oogenblik, bij het overheerschen dezer mechanische of positief-materialistische wereldbeschou­wing, toch nog iets bestaat als een moraal, dat de menschen nog trachten goed te zijn, nog trachten te leven voor elkander, en zich nog niet allen van kant maken - dat berust op hun onnadenkendheid, op hun instinctief voortleven.

De moraal, het begrip van goed en kwaad, het onder­scheid tusschen goede en slechte begeerten, dat hangt op 't oogenblik volkomen in de lucht, aan zijn aasem zou men zeggen.

 

God is weg, de hemel en de hel zijn weg - de ge­leerden zijn nog niet aan de kwestie toe, - daar drijven we nu - op goed geluk - ieder maar zoo wat op eigen vleugeltjes - naar zijn eigen particuliere leerstukjes.

Dat wil zeggen - ieder ziet wel dat deze ommekeer, dit gestorven geloof en deze onvolwassen filosofie heel weinig invloed heeft gehad op de practische moraal. De menschen noemen over 't algemeen nog goed en kwaad wat zij vroeger zoo noemden, - hoewel zij er geen reden meer voor kunnen opgeven. En het is eigen­lijk een groot wonder en een bewijs welke onbewuste kinderen de menschen zijn, dat zij in hun instinkt de moreele kracht vinden, die de religie hen niet meer en de wetenschap hen nog niet geven kan.

 

Nu is het de gewoonte der wetenschap zeer min­ achtend en af keurend neer te zien op diegenen, die thans op een of andere wijze een steun pogen te vinden voor het instinkt van goed en kwaad.

Dat is toch niet billijk. Het gaat niet aan van iedereen te vergen dat hij als eenige troost in zijn lijden, als eenige opwekking tot goed zijn, als eenig antwoord in al zijn twijfelingen zich contenteeren zal met de prachtige ontdekkingen der wetenschap, met atoomtheoriën en astronomische waarnemingen Dat kunnen alleen zij. die al hun wereldsche verlangens hebben geconcentreerd in het eene verlangen om te weten

 

Dat dit verlangen goed is, erkent iedereen, - waarom het goed is, weet niemand. Maar ook zal iedereen erkennen dat er nog andere verlangens mooi zijn, ­zoo bijvoorbeeld het verlangen om anderen goed te doen, of kinderen groot te brengen, of voor de toekomst der menschheid te zorgen, of mooie kunstwerken te maken. En waarom zouden wij nu alleen het goed recht der wetenschap erkennen - en dat blindelings, en niet zoeken naar een grond voor onze andere begeerten, omdat de wetenschap die nog niet geven kan? Hoelang moeten de menschen wachten, hoelang moeten zij dan op goed geluk voortleven, zonder nadenken over wat zij doen?

 

Want men heeft in onze tijd de Rede zeer hoog ver­heven, maar goed bezien heeft men nimmer zoo onre­delijk geleefd. Dat iemand lijden wil en braaf wil leven omdat hij denkt daar een God genoegen mee te doen, ­

“wijl God het ziet" zooals van Alphen zegt, - dat is wat kleingeestig, maar het is rationeel. Maar zich af te beulen voor medemenschen die ons niet aangaan, te werken voor een nageslacht dat wij nooit zullen kennen, een ondragelijk leven te lijden zonder eenige verwachting van troost of vergoeding, ijverig te zoeken naar kennis en bekwaamheden die vergaan met het vergaan onzer hersenstof, gestadig te bouwen aan een gebouw van wetenschap, te zwoegen voor een geslacht van wezens dat zal eindigen met het verkoelen van de zon of het uiteenspatten van den aardbol, dat vind ik bij uitstek onredelijk, irrationeel.

 

Nu heeft de wetenschap het volste recht zichzelf on­aantastbaar, onschendbaar te verklaren. Maar zij heeft niet het recht elke intellectueele of intuitieve beweging in de hoofden der menschen, die zich waagt te ver­heffen naast haar of boven haar, met den banvloek van hare minachting te treffen

Dan doet zij precies als de macht die zij heeft ver­drongen, dan wordt zij zelf een religie. En daar heeft het tegenwoordig veel van. Juist zooals sommige anar­chisten tot tirannen worden zoodra zij bovenop komen, zoo neemt de wetenschap dogmatische airs aan nu zij den boventoon voert. En wij zijn eenvoudig van den regen in den drop gekomen.

 

Ik zeg, de wetenschap - ik bedoel de positieve, de exacte, mechanische, materialistische wetenschap is onschendbaar en ten volle eerbiedwaardig - maar zij is niet almachtig, niet onbetwistbaar soeverein, niet alleen zaligmakend. Tot nu toe is zij zelfs niet in staat iemand zalig, of ook maar gelukkig en tevreden en goed te maken, behalve de enkelen die haar blind aanhangen en fanatiek vereeren.

In onzen tijd is het dogmatisch-religieus karakter der wetenschap zeer duidelijk. Haar populariteit is enorm, verzet tegen haar soevereiniteit een gevaarlijke zaak.

 

 

Het prestige der wijsbegeerte, die toch uit den aard der zaak boven de eigenlijk gezegde exacte wetenschap behoort te staan, is zeer verminderd.

Onder deze omstandigheden is het geen wonder dat er een reactie, een oppositie ontstaat. Het verzet der oud-religieuzen, der leerstellige Kristenen wordt steeds zwakker, met deze tegenstanders kan de wetenschap korte metten maken. Zij behoeft deze niet eens rechtstreeksch aan te tasten, de kerkelijke systemen vallen ineen eer zij ze aanraakt.

 

Maar met de kerken heeft zij niet tevens het geloof, de devotie, het religieuze sentiment vernietigd. En dit verheft zich en wil niet gedood worden. Het beroept zich op zijne noodzakelijkheid, het beweert dat de macht der wetenschap het niet bereiken kan, dat het om zich en uit zich zelven reden van bestaan heeft, dat het goed en onontbeerlijk is.

Het klaagt over machtsoverschrijding, over onrecht en verdrukking, het beweert zich even onaantastbaar als de wetenschap zelf en het roept in zijnen nood de wijsbegeerte te hulp. En tegenover de wijsbegeerte staat de wetenschap alleen sterker door grooter popu­lariteit en door de groote verplichting die de materieele welvaart der menschen aan haar heeft.

Beide, en de wijsbegeerte, en het religieuze sentiment zoeken nu de zwakste plek van den machtigen tegen­stander.

Dit zwakke punt is de psychologie.

 

De cultuurbeweging die ik bedoel, is het verzet der religie tegen aanmatiging der exacte wetenschap. Niet eener bepaalde religie, maar van het religieuze sentiment, de religie die al haar dogma's, al haar uiterlijke vormen. haar kerken en ritueel heeft verlaten, als onhoudbare wijkplaatsen, en nu haar goed recht verdedigt in 't open veld der be­spiegeling.

En het is onmiskenbaar, dat deze beweging zich van den beginne aan heeft vastgeklampt aan de psychologie en dat zij is gesteund door filosofen.

 

Het begon met het magnetisme; toen kwam het spi­ritisme en thans is het de tijd van de theosofie of het neo-boeddhisme.

Men kan niet zeggen dat de eerste aanval gelukkig is geweest, maar zij was strategisch zoo kwaad niet. Inderdaad is de houding der officieële wetenschap tegen­over het magnetisme haar eerste en grootste domheid geweest, - een antecedent dat haar altijd zal nage­houden worden - en telkens het duidelijkste kenteeken van haar dogmatisch karakter

Maar het bleek niettemin een ijdel en zelfs belachelijk pogen op de onsamenhangende en buitensporige open­baringen van somnambulen en mediums een overtui­ging te grondvesten die in de plaats kon komen der oude religie.

 

Dat er niettemin zoo ontelbaar veel aanhangers van het spiritisme en van de dolzinnige theogonie van Allan Kardec zijn gekomen, bewijst ten eerste dat de behoefte aan een nieuwen grondslag der moraal zeer algemeen was, ten tweede dat de psychologische ver­schijnselen die tot grondslag dienden iets zeer reëels en overtuigends hadden, en ten derde dat de menschen als zij eenmaal een begin hebben, voor de zonderlingste consequenties niet terug deinzen.

Maar dit laatste wisten wij al - want geen enkele thans nog heerschende leerstellige religie bevat in hare consequentie niet evenveel dwaasheden en ongerijmd­heden als het spiritisme van Allan Kardec.

 

De nieuwste fase der beweging is, zooals ik zeide, de theosofie. Deze is uit het spiritisme ontstaan, hoewel er thans vrij sterke antagonie heerscht tusschen spiri­tisten en theosofen.

Ik wil niet zeggen dat de hoofdleiders allen begonnen zijn als spiritist - maar de meeste theosofen zijn toch gerecruteerd uit de gelederen der spiritisten, en in vele dingen gaan de partijen samen. De theosofie is feitelijk een verbreeding, een zuivering, een groote explicatie van het spiritisme.

 

Ook de theosofie houdt rekening met de verschijn­selen van het psychische leven, waarop de spiritisten al hun overtuigingen bouwen - maar ze beschouwen die als een ondergeschikte kwestie, een klein detail van hun groote wereldbeschouwing.

Enkele bizonderheden over deze wereldbeschouwing en over de hoofdpersonen der beweging zal ik u mede­deel en.

De kern van het geding is het al of niet bestaan een er menschelijke ziel. Het bestaan van iets in den mensch dat niet was het materieele lichaam, en dat dus niet noodzakelijk vernietigd werd met het uiteenvallen van dat lichaam bij den dood.

Het bestaan van lichaamlooze zielen, van geesten, was hetgeen de spiritisten voornamelijk trachten te demon­streeren.

 

Ook in de theosofie is het bestaan der menschelijke ziel een der gewichtigste punten. Maar de primitieve voorstellingen en kinderachtige verklaringen der spiri­tisten zijn verlaten - en de vraag wordt wat serieuzer en diepzinniger beantwoordt. De kwestie van ziel en lichaam is slechts een onderdeel van deze grootere : geest en materie.

Het belangrijkste idee wat de theosofen trachten populair te maken is wel dit: dat het spiritueele meer is dan het materieele. Dat het spiritueele staat tot het materieele, zooals een maker tot zijn maaksel, zooals een componist tot een instrument.

 

De gewone tegenwerping dat alle geestelijke werking toch afhankelijk is van het lichaam, dat een slechte spijsverteering invloed heeft op onze verhevenste ge­dachten, en dat veranderingen in onze hersencellen ons idioot, of boosaardig, of immoreel kunnen maken ­heeft voor theosofen geen de minste kracht. Want zij ontkennen niet dat de geest in zijn uitingen zeer afhan­kelijk is van de materie, dat de geest er op een zeer innige wijze mee verbonden is - daar zij zich toch alleen dóór de materie kan openbaren.

 

Op een defect instrument kan de bekwaamste musicus geen mooie muziek voortbrengen. - maar daarom is er nog wel onderscheid tusschen Beethoven en een piano. De verhouding tusschen lichaam en ziel moet ongeveer begrepen worden als tusschen een speler en zijn instrument.

Stelt u voor dat wij alleen konden hooren – en niet ruiken, zien, proeven of tasten Als er dan een piano bespeeld werd, en op eens stuk ging, dan zouden wij ook wel kunnen beweren dat de speler gestorven was, omdat wij niets meer van hem merkten.

 

De geest is afhankelijk van de materie zooals een schilder van zijn verf en een boetseerder van de klei. Het is duidelijk dat hun uitingen zullen lijden onder de ongeschiktheid van het materiaal, maar daarom zijn ze niet identiek met het materiaal. Zoo kan de stoffelijke openbaring van onze ziel, ons cellenkleed, zooals Hellen­bach zegt, lijden door allerlei uitwendige invloeden, maar de principe zelf, dat wij niet direct kunnen waarnemen, is daarom niet absoluut afhankelijk, geheel onafschei­delijk van de materie.

 

Deze voorstelling is niets nieuws, men vindt haar nagenoeg bij de meeste filosofen. Maar zij was in onzen tijd door de materialisten bestreden en verbannen.

In de nieuwere psychologie en in de leer der Indische wijzen zoeken nu de theosofen steun en verklaring voor dit begrip.

Het is u bekend dat de filosofie der oude Indiërs nog tegenwoordig door de Indische priesters wordt be­studeerd, dat er in Engelsch Indië nog inlandsche hooge­scholen met inlandsche studenten bestaan.

 

Nu beweren echter de Theosofen, dat deze Indische wijzen, hoewel niet zoo bedreven in hetgeen wij onder wetenschap verstaan, zich daarentegen op een andere soort wijsheid hebben toegelegd waarvan wij maar een zeer onvolkomen denkbeeld hebben. In de metafysica en vooral in de kennis van onze ziel moeten zij veel verder zijn dan wij. Zonder onderbreking is deze kennis bij hen overgeleverd van meester op leerling, en dus veel ouder dan onze westersche wetenschap en daardoor relatief veel dieper.

 

Geheel verschillend echter is de methode. De westersche geleerde meet zijn gewaarwordingen, publiceert zijn uitkomsten en wordt door al zijn collega's gecon­troleerd. De Oostersche daarentegen bepaalt zich tot zelfstudie, zijn uitkomsten kunnen alleen verstaan worden door degenen die even ver zijn gevorderd als hij, ­zoo iemand aan zijn mededeelingen twijfelt antwoord hij: doe zooals ik en ge zult ondervinden, dat ik waarheid spreek.

 

Om u een voorbeeld te noemen: De Oostersche wijze gelooft niet alleen aan het bestaan eener ziel maar hij weet het even zeker, als wij 't bestaan van onze handen of voeten weten. En wel eenvoudig daarom, dat hij in staat is, willekeurig zijn ziel het lichaam te doen ver­laten en er weder te doen intreden. Door zekere procedé's en bewerkingen kan hij zijn geest willekeurig op groote afstanden van zijn lichaam doen gaan, daar zien wat voorvalt, zich vertoonen aan enkele personen, gedachten­wisselen met anderen enz.

Twijfelt men hieraan, dan zal hij antwoorden: .doe dit en doe dat en gij zult zien dat ik gelijk heb. Maar, zegt hij verder, denk niet dat het zoo gemakkelijk is. En denk ook niet, dat het mij veel bekommert of gij mij gelooft of niet".

 

Deze onverschilligheid, dat eenigszins zelfzuchtig voor zich houden van zulke belangrijke dingen wekt ons wantrouwen, en strijdt geheel met onze westersche wetenschappelijke manieren.

Maar men moet bedenken, zoo zeggen de theosofen, dat het hier een zeer bizondere wetenschap geldt ­en dat het explicatie geven van zulke ervaringen aan personen die zich niet zelve tot deze observatiën hebben voorbereid, zou lijken op het expliceeren van de lichttheorie aan de mollen. Men krijgt er maar onaangenaam­heden door en komt niet verder [2][1].

 

De voorbereiding die een Yogi of Indische wijze moet ondergaan, is echter zoo ontzachlijk moeilijk en lang­durig dat een Universiteitsopleiding in Europa den meesten onzer verkiesselijk zal lijken. Mij is door tusschen­komst van een in Indie wonend persoon het handschrift toegezonden van een studie door een Engelsch officier van gezondheid gemaakt te Benares, omtrent de voor­bereidende verrichtingen en beproevingen die tot intrede in het Indisch priesterschap vereischt worden. Het zijn de al1erstrengste voorschriften in dieet, in levenswijze, in kleeding, beweging, in dagelijksche oefeningen, in 't ademhalen, in 't denken - jaren lang volgehouden - in een woord dingen die een wilsinspanning en vol­harding vereischen waartoe weinig Europeanen in staat zouden zijn. Het objectieve feit, dat een Indische Yogi in staat is zich veertig dagen lang te laten begraven in een volkomen gesloten gewelf, en daarna weder kan opgewekt worden wordt in deze studie ten stelligste bevestigt!. De schrijver was geen theosoof, want het stuk dateert vóór de stichting der theosofische vereeniging.

 

Nu zouden wij westerlingen, al geloofden wij de Indische filosofen op hun woord, nog weinig reden hebben ons met hun wijsheid die dus voor ons volkomen ontoegankelijk is, te bemoeien. Maar de theosofen hebben verband gebracht tusschen hetgeen de Indiërs beweren en hetgeen in den allerlaatsten tijd in Europa op 't gebied der zielkunde is gevonden. En wel met name de spiritistische verschijnselen, de clairvoyance, de tele­pathie, - het overbrengen van gedachten - en vooral het door de onderzoekingen der Engelsche vereeniging voor psychisch onderzoek zoo overtuigend vastgestelde verschijnen van stervenden of in gevaar verkeerenden op grooten afstand van de plaats waar zij zich bevinden.

Meer dan zevenhonderd wel geconstateerde feiten van dien aard zijn in een boek dier vereeniging gepubli­ceerd. Hieraan zijn door den journalist Stead in zijn Review of Reviews nog een vijftigtal even merkwaardige observaties toegevoegd. Ik zelf heb in mijn onmiddellijke omgeving reeds ongeveer twintig dergelijke feiten kunnen verzamelen, waarvan sommigen geen redelijken twijfel toelaten. Reeds meermalen heb ik over deze dingen gesproken, niet te erkennen, dat het voor onze wetenschap tot nog toe onverklaarbare feiten zijn getuigt alleen van vooroordeel of van gebrekkig onderzoek.

 

Nu beweren de theosofen, dat dit alles voor een Indisch filosoof zoo natuurlijk en verklaarbaar is, als de verschijnselen der zwaartekracht voor ons. Wonderen zijn het niet, maar eenvoudig natuurverschijnselen, van wier wet en samenhang wij westerlingen de eerste be­ginselen nog niet kennen.

Ik moet u thans iets vertellen van de stichtster die tot voor korten tijd het hoofd was der theosofische vereeni­ging. In 't vorige jaar is zij overleden.

Zij was een Russin van aanzienlijke familie en heette H. P. Blavatsky.

 

Haar laatste levensjaren woonde zij in Londen en arbeidde aan hare zaak gezamenlijk met de bekende socialistische schrijfster Annie Besant, die zij, naar haar zeggen, van socialist tot theosoof heeft gemaakt, en die thans haar in hare waardigheid heeft opgevolgd. Op de deur van haar huis staat met groote gouden letters: “Theosophkal Headquarters" en zij gaf wekelijks lezingen in een aan dat huis gebouwde leeszaal.

Hoe men over Madame Blavatsky oordeelen mag, en er is heel ongunstig over haar geoordeeld, niemand kan ontkennen, dat zij een uiterst merkwaardige en buiten­gewone vrouw was. Zelfs degenen die haar na lang­durig onderzoek voor een bedriegster verklaarden, moesten erkennen dat er van zulk een reusachtig en onnaspeurlijk bedrog geen tweede voorbeeld op de wereld bestond

 

Als zij een bedriegster was, dan is zij toch geen for­tuinzoekster maar had alleen eerzucht tot motief. Want het is boven allen twijfel gesteld, dat zij een groot fortuin en voorname positie in Rusland heeft verlaten om zich aan de studie van mystiek en filosofie te wijden. Volgens haar zeggen heeft zij zeven jaren doorgebracht in Thibet om daar de innerlijke beteekenis van het noordelijk Boeddhisme bij de Indische priesters te be­studeeren.

Volgens haar bestaat er thans nog in Indie een ge­heime broederschap van ingewijden, waarvan de berg­vlakte van Thibet de hoofdzetel is, maar waarvan de leden over geheel Indië verspreid zijn, ongeveer zooals bij ons de vrijmetselaars.

 

Deze Broeders of Mahatma's, zooals zij genoemd wor­den, en waarover Blavatsky steeds met grooten eerbied spreekt, zijn eigenlijk een beter soort menschen, die na langdurige en moeilijke studie zijn ingewijd in de hoogste menschelijke wijsheid en die een volkomen rein leven lijden, zonder begeerte naar wereldsche zaken, naar aanzien of macht, uitsluitend voor hun studie en het belang hunner medemenschen. Zij kunnen hun ziel buiten hun lichaam projecteeren, en met elkander van gedachten wisselen op zeer groote afstanden, zonder tusschenkomst van post of telegraaf.

 

Zij nemen leerlingen aan, maar slechts onder zeer bizondere voorwaarden. En zij vergen van hunne leerlingen een veeljarige proeftijd, waarin deze zich in de strengste zelfverloochening moeten oefenen en een onaf­gebroken vastheid van wil moeten toonen.

Wat Mevrouw Blavatsky van deze personen geleerd heeft is door haar in een paar zeer omvangrijke boeken neergeschreven. “The secret doctrin." en “Isis unveiled." Natuurlijk bleven enkele geheimen der broederschap onontsluierd.

 

Bovendien heeft het enkelen dezer Broeders behaagd hun wijsheid nog op een particuliere manier aan ons Westerlingen te openbaren.

Mevrouw Blavatsky bleef namelijk, terwijl zij in Indië bij een Engelsch journalist, den heer Sinnet, logeerde, met de Mahatma's uit Thibet in spiritueele gemeen­schap. En toen gebeurde het dat de heer Sinnet direct eigenhandig geschreven brieven ontving van een dezer geheimzinnige personages Deze brieven bevatten inlich­tingen over het wijsgeerig en ethisch systeem der broe­derschap en stelden den heer Sinnet in staat twee boeken te schrijven waarin hij deze geheele cosmologie, de ge­heim-boeddhistische wereldbeschouwing voor westersche lezers begrijpelijk kon maken: “The occult world," en “Esoteric Buddhism."

 

Deze brieven werden echter niet met de post bezorgd. - 0 neen! zij kwamen op zeer mysterieuze manier,­zij vielen hem in den schoot, ze werden gevonden op zijn bord, soms onder zijn hoofdkussen of zelfs in zijn hoofdkussen, altijd na aanwijzing van Mevr. Blavatsky.

Dit alles is reeds zeven jaar geleden en gij zult vragen of de waarachtigheid van zooveel gewichtige zaken nog niet is uitgemaakt - of deze Broederschap werkelijk bestaat, - of dit alles geheel en al humbug is geweest.

 

Ik heb getracht mij zooveel mogelijk van alles op de hoogte te stellen, ik heb kennis gemaakt met de ge­schriften vóór en tegen, en ook met Mevr. Blavatsky zelve, met de voornaamste personen der beweging en met den heer Hodgson die zegt haar ontmaskerd te hebben. Maar ik houd' het voor absoluut onmogelijk nu reeds een be­slissend oordeel in deze moeielijke zaak te spreken.

“Allemaal humbug" dat is even gemakkelijk te zeggen als het alles voor zoete koek op te eten.

 

Voor het bestaan der Broeders of Mahatma's pleit zeer veel, maar de vraag of Mevr. Blavatsky inderdaad in Thibet is geweest en of de brieven die Sinnet ontving inderdaad van Mahatma's afkomstig waren, wordt door de personen die ik 't meest vertrouwbaar acht, en die zelfs theosoof zijn, ontkennend beantwoord.

Die brieven zijn, naar hun intrinsieke waarde be­oordeeld, meesterstukken. Zij zijn zoo hoog van toon, zoo uitnemend kalm en verstandig, en getuigen van zulke breede en universeele inzichten, dat degeen die ze vervaardigde een ernstig en wijs menseh, of een groot talent moet zijn in het nabootsen van ernstige wijze menschen.

 

Maar dit geldt alleen van de brieven die Sinnet let­terlijk overschrijft. Het systeem dat hij uit deze brieven heeft opgebouwd is zeer onbevredigend. Een naar de eischen der nieuwere wetenschap verhanseld Boeddhisme, zonder diepte van sentiment, zonder een groote ethische strekking.

Dit kan echter de schuld zijn van Sinnet's gebrekkige voorstelling.

 

Dat de Indiërs groote magiers, of anders gezegd, prac­tische psychologen van groote vaardigheid zijn, is al sinds eeuwen beweerd. Wij hebben allen wel eens ge­hoord van de wondere goocheltoeren der Indische fakirs. Herhaaldelijk wordt verteld hoe ze bijvoorbeeld voor onze oogen een zaadje in den grond steken en er een plant met bloemen en vruchten uit doen opgroeien, hoe ze zich doorsteken met zwaarden, hoe ze ten aan­schouwe der menigte in de wolken verdwijnen en zoo voort.

 

Men kan veel door vingervlugheid verklaren, maar sommige authentieke verhalen omtrent de verrichtingen dezer goochelaars laten deze verklaring volstrekt niet toe. Aïshuahs (mohamedaansche fakirs) zijn in Europa ge­weest, en zeer goed onderzocht. Ze steken naalden, priemen in hun lijf en oogen, laten zich door giftige slangen bijten, eten schorpioenen. En nooit ondervinden zij ernstige lichamelijke schade, ja zelfs hun wonden bloeden niet, en sluiten zich terstond zonder litteeken.

Dit zou slechts bewijzen dat fanatieke oosterlingen hun lichaam kunnen beheerschen .op een voor ons totaal onbegrijpelijke wijze.

 

Tot de Oostersche wijzen staan zij echter als orgel­draaiers tot groote componisten.

Het vertoonen, tot broodwinning, van dergelijke eigen­schappen is een praktijk, die volgens de theosofen onder de priesters zelve verboden en verfoeid wordt. Als deze fakirs dus reeds zulke bekwaamheden bezitten, wat kan men dan niet van de priesters verwachten.

Evenwel, al kunnen wij misschien uit Indië veel leeren omtrent de raadselen der psychologie, dat dwingt ons nog niet de Indische wijzen als de hoogste wetgevers in wijsbegeerte en moraal te beschouwen.

 

Het is mij nu gebleken dat er onder de theosofen twee richtingen zijn, die men zou kunnen noemen de oostersche en de westersehe.

De oostersche bouwt haar wereldbeschouwing geheel op de leeringen der Indische Mahatma's, zij staat of valt met het bestaan dezer Thibetaansche broederschap, haar hoofd en profetes was Mevr. Blavatsky, thans Annie Besant, haar voornaamste orgaan het door Annie Besant geredigeerde tijdschrift Lucifer [3][1].

 

Aan 't hoofd der westerschen stond eveneens een vrouw van buitengewonen aanleg, over wier beteekenis als filosoof en profetes verschil bestaat, maar wier oprecht­heid, begaafdheid en edele motieven door niemand wordt betwijfeld.

Dit is de voor weinig jaren overleden Dr. Anna Kingsford.

Anna Kingsford was de vrouw van een Engelsch geestelijke. Hare meeningen heeft zij intuïtief gevonden en door een zeer uitgebreidde studie bevestigd. Zij is de eerste geweest die zich tegen de vivisectie verzette,

en gaf den stoot aan de geheele anti-vivisectie bewe­ging. Om hare opinie kracht bij te zetten en om den strijd wel toegerust en rechtvaardig te kunnen voeren, heeft zij zich toen zij reeds huisvrouwen moeder was op de studie der medicijnen toegelegd en is na een zeer korten tijd voor de faculteit te Parijs tot medicinal doctor gepromoveerd.

Bovendien was zij zeer bedreven in de Grieksche, Hebreeuwsche en Oostersche talen, schreef uitnemend Engelsch en Fransch en was mooi en innemend.

 

Zij was de verbreidster van het rijke denkbeeld, het gronddenkbeeld eigenlijk der nieuwe cultuur be­weging die zich theosofie heeft genoemd, dat alle godsdiensten feitelijk één zijn geweest. Dat door alle beschavingen, van de oud-Indische tot de onze toe, een zelfde onveranderlijke religie zich heeft bestendigd in een wisselende uitwendige vorm. En zij bedoelt dit let­terlijk. Ze wil niet zeggen dat eenzelfde onbewuste sentiment is blijven bestaan, - maar dat er altijd twee soorten van godsdienst zijn geweest. De uitwendige, de exoterische zoogenaamd, voor het volk, voor de menigte, met tempels, ritus, ceremonieel, dogma’s en zoo voort - en een inwendige, esoterische, alleen bekend bij een zeer klein getal ingewijden, adepten of geïnitieërden, als een zuiver, religieus principe, zonder kerk of dogma, dat onder de diepste geheimhouding van meester op leerling werd overgebracht, en bewaard is tot op onzen tijd, tot den tijd dat de groote menigte ook den ritus zou kunnen missen en volstaan met de zuivere kern.

 

Deze esoterische religie zou zijn geboren bij de oude Indiërs, voort hebben geleefd in de Egyptische priesterschap, door Pythagoras overgebracht naar Griekenland, bewaard door de Alexandrinische gnostici, onder de Hebreeën hebben bestaan bij de secte der Esseniers, en tijdens het Christendom door Rozekruisers, vrijmetselaars en alchemisten.

De voornaamste ingewijden zouden geweest zijn Krishna, Zoroaster, Boeddha, Hermes trismegistus de Egyptenaar, Pythagoras, Mozes, Plato, Jezus, Paulus.

Al dezen zouden dan hunne esoterische of geheime wijsheid hebben gekleed in een symbolische vorm, om op die wijze, door het scheppen eener eeredienst met tastbare voorstellingen en vast ceremonieel, het volk, dat de eenvoudige, pure waarheid niet kon verstaan, tot het volhouden op den goeden weg te bewegen.

 

Deze zeer vruchtbare maar ook zeer stoute hypothese wordt gesteund door de overeenkomst in al de achtereenvolgende godsdienstopenbaringen, Het blijkt niet moeielijk uit de Upanishads, Zend-Avesta. de Herme­tische boeken, de Pythagoreïsche boeken, de Kabbala, den Bijbel tal van overeenkomstige plaatsen te halen, die aanduiden dat het allen slechts symbolische om­schrijvingen zijn van eenzelfde diepere, esoterische be­doeling. En ieder weet dat elke godsdienst zijn mys­terien had. Dat wil zeggen dat er altijd enkele wijzen geweest zijn, die niet hechten aan het domme ceremonieel maar den dieperen zin der religie begrepen, - die echter tevens inzagen dat het gevaarlijk en nutteloos zou zijn, hun verlichte denkbeelden aan de menigte kenbaar te maken. Noch H. P. Blavatsky noch Anna Kingsford is de eerste theosoof geweest. Er waren altijd theosofen, ook onder dezen naam, en als theosofie heeft de oude voorkristelijke wijsbegeerte zich in de hoofden van enkelen weten te bewaren door alle eeuwen van dogmatisch en fanatiek Kristendom heen. De alchemisten waren waar­schijnlijk theosofen - en Jacob Boehme de Duitsche mysticus die voor drie eeuwen leefde, noemde zich theosoof.

 

In de laatste honderd jaren zijn de theosofische lee­ringen verkondigd door Claude de St. Martin, Fabre d'Olivet, St. Yves d'Alveydre, Eliphas Levi en P. Schuré, wiens zeer lezenswaardig, werk: “les grands Initiés", een duidelijk begrip geeft van de algemeene beteekenis dezer geestesrichting.

 

In de eeuwen zonder denk- of gewetensvrijheid waren mysteriën noodzakelijk.

Wie niet verbrand of gepijnigd wilde worden moest zijn wijsheid voor zich houden, al was ze nog zoo verheven, zoo zij den formeelen schijn der openbare religie weersprak. Alleen de ingewijden, de sterkste, meest ver­lichte geesten konden het licht der waarheid verdragen.

In onzen tijd zijn de brandstapel noch pijnbank te vreezen. Alleen spot en miskenning en woordschimp. Deze nu behoeft niemand, die karakter heeft, te ver­mijden.

 

Daarom zijn mysteriën, zooals die nog flauwtjes voort­leven onder onze vrijmetselaars, niet meer van onzen tijd.

Maar het verschijnsel, dat de diepste wijsheid nog niet verstaan kan worden door den eersten den besten, zonder studie en voorbereiding, ja, ondanks deze, blijft niettemin bestaan en geeft aanleiding tot veel noodeloos gekibbel en kleingeestigen strijd. Want de menigte wil waarheid als ge­sneden koek, en de waarheid schikt zich niet naar ons, maar wij moeten ons zelven er voor geschikt maken.

 

Den algemeenen indruk die ik van deze beweging voorloopig ontving is, dat in haar zeer hooge en diep­zinnige wijsheid verborgen ligt. Doch dat velen der woordvoerders, door hun al te grooten ijver tot propa­ganda, door de al te groote haast waarmee zij de menigte willen voeden met kost die hun nog te zwaar is, en misschien ook door persoonlijke eerzucht, slechten smaak of oppervlakkigheid, dikwijls de voortgang benadeelen en aan de waardigheid te kort doen der verhevene ideeën, waarvan zij de dragers willen zijn.

Zooals ik het Heilsleger een voortreffelijke Jesuieten­orde vind, die uitstekende bedoelingen bereikt met eenigszins onwaardige, bespottelijke en op kleine men­schelijke zwakheden berekende middelen - zoo vind ik de propaganda van Mevr. Blavatsky en haar vol­gelingen dikwijls smakeloos en onschoon - dus niet geëvenredigd aan de verhevenheid der bedoelingen.

 

U nu een overzicht te geven, een apercu van de theosofische stelsels en begrippen is onmogelijk. Dit was ook mijn bedoeling niet, ik wilde u er slechts attent op maken als iets gewichtigs

Maar van een uitgebreide, zeer gecompliceerde en diepzinnige filosofie kan men geen apercu geven in weinige woorden Dat is altijd onrecht - en laat vage, onjuiste expressies gangbaar worden, die gemakzuchtige menschen gelegenheid geven er zich met een praatje af te maken. Wie weten wil moet leeren, en wie leeren wil moet veel moeite doen.

 

Geen enkel boek der nieuwere theosofen kan ik zonder voorbehoud aanbevelen. Het eenvoudigste is Esoterie Buddhism van Sinnet, maar dit is ongetwijfeld vol onverdedigbare bespiegelingen, het mooiste is  “The perfect Way" van Dr. Anna Kingsford, en ook dit is ver van zuiver schoon. Het zuiverste wat ik ontmoette was een klein werk van Claude de St. Martin, die 100 jaar geleden leefde, le philosophe inconnu, doch ook de werken van dezen schrijver bevatten, naar het oordeel van Goethe, wiens tijdgenoot hij was, evenveel bombast als verheven waarheid.

 

Laat ik u alleen nog dit zeggen, dat het systeem der theosofie zeer compleet is, dat het zegt te voldoen aan alle behoeften van den mensch en hem te kunnen troosten in alle leed en weifeling. Dat de theosofen deze stoffelijke wereld, en ook de tijd en de ruimte beschouwen als relatieve uitingen van het absolute. Dat zij gelooven aan de goddelijkheid onzer ziel, aan onze spiritueele evolutie, aan de mogelijkheid van vol­making, aan de vrijheid der keuze tusschen goed en kwaad, aan de onvergankelijke gevolgen van het goede zoowel als van 't kwade.

Dat zij hunne wijsheid volstrekt niet willen onttrekken aan de kritiek van wetenschap of wijsbegeerte. Alle theosofen beroepen zich op hunne wetenschappelijke vorming en beweren, dat met hunne leer het antago­nisme van wetenschap en religie een einde neemt.

De praktische bedoelingen der theosofen zijn deze: een volkomen rein leven, - een bevrijding van boos­heid en haat, - een bevrijding van vooroordeel en par­tijdigheid, - een bevrijding van vrees - een bevrijding

van onwetendheid.

 

De theosofische vereening noemt zich dan ook nadruk­kelijk de vereeniging van de universeele broederschap onder alle menschen, en liefde tot alle levende wezens.

 

Ik heb u nu hier veel mooie dingen opgenoemd - ­zoo gij bij een nadere studie van dit cultuurverschijnsel mocht stuiten op veel wat u onzinnig en ridicuul voor­komt, bedenk dan dat de schoonste leer ridicuul kan worden door goedwillige maar zwakhoofdige volgelingen en dat ridicule pogingen niet bewijzen een ridicule intentie.

Dit moge voor heden genoeg zijn om uwe aandacht te vestigen op een geestesrichting die, - al zal zij door haar intuitief karakter vele zwakhoofden tot overdrij­ving en dwaasheid brengen - op zich zelve een ver­schijnsel is van zeer nobel en aard en van een niet te onderschatten beteekenis.


 

[4][1] ) Rede, gehouden te Dordrecht in 1890.


[1][1] Op het Psychologisch Congres in 1900 te Parijs werd echter door den geleerden Indiër Yagadisha Chattopadhyaya in een voortreffelijke rede de samenwerking van Oostersche en Wester­sche wijsheid bepleit.

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL