Op zoek naar Jezus, de Christus.
 

   

Wellicht is er niemand waarover zoveel geschreven is als Jezus van Nazareth.  Zowel in het Nieuwe Testament, als in een groot aantal Gnostische geschriften, als in boeken van latere profeten kunnen we ons licht opsteken om meer te weten te komen over zowel de mens, Jezus als over de leraar en verlosser, Jezus de Christus.

Op deze pagina wil ik een bloemlezing plaatsen van teksten die wat meer licht werpen op Hij die sprak: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.

!!! Gelieve er nota van te nemen dat het feit dat ik onderstaande teksten aanbied, niet steeds betekent dat ik het ook eens ben met de stellingname noch het hele oeuvre van de auteurs.!!!



Jezus van Nazareth - Jezus die de Christus werd - De Rollen en Jezus van Nazareth - Wie was Jezus werkelijk (Lorbervisie) - Jezus als Messias - Jezus nalatenschap aan het christendom Het symbool van het kruisHet ware offer -  Jezus, Trouw aan de liefde - De Antichrist - De opstanding van Jezus - Vooruitblik op 'Jezus uit de kast' - De mensgeworden godszoon - Jezus onder de mensen - DE MYSTERIEN VAN JEZUS -


 


 

 Jezus van Nazareth

 

Jezus was een jood. Van welke onmetelijke waarde hij ook, in de gedaante van Christus, voor de aardse mensheid is,

we moeten, om een aantal uitspraken en teksten (uit bijvoorbeeld de bijbel) beter te begrijpen, de politieke, culturele en sociale achtergronden zuiver in het oog houden.

 

Als we over het Israël of Palestina spreken van rond het begin van de jaartelling denken we daarbij meestal aan een land met een begrenzing zoals die vandaag eveneens op de kaart te vinden is (inclusief de westelijke Jordaan-oever). In grote lijnen is die indruk niet onjuist.

 

Het bijbelse Palestina is eigenlijk verdeeld in drie landstreken, ieder met een geheel eigen karakter. In het noorden vinden we Galilea, een vrucht­bare streek met het Meer van Gennesareth (Tiberias) en stadjes als Kafar­naüm en Nazareth.

 

Meer naar het zuiden, richting Dode Zee, ligt dan de uitgestrekte provin­cie Samaria met haar gelijknamige hoofdstad. Eveneens een vruchtbaar oord met landbouw zowel als veeteelt. Caesarea (-aan-zee) is hier het belangrijkste stedelijk centrum (gebouwd onder Herodes de Grote), de stad waar ook de Romeinse stadhouders verblijven.

Het zuidelijkste gedeelte is Judea met Jeruzalem, Jericho en Bethlehem als de belangrijkste plaatsen. Dit land moet het meer hebben van de om­vangrijke kudden en vooral de olijventeelt, daar de grond voor landbouw minder geschikt is. De afstand van Jeruzalem tot het Meer van Gennesa­reth bedraagt ongeveer 120 kilometer.

 

Uit het Oude Testament weten we dat na de dood van Salomo het rijk der twaalf stammen scheurde in twee staten: Israël in het noorden en Judea (met Jeruzalem) in het zuiden. Na de dood van Alexander maken de beide stukken deel uit van het Ptolemeeënrijk (Egypte). In 197 v.Chr. komt Palestina onder de Seleuciden (Syrië). Onder de heerschappij van Antiochus IV, die met geweld de joodse gebruiken wil uitroeien en de dienst aan Zeus verplicht wil stellen, breekt een opstand uit (de Makkabeeën-opstand). Na aanvankelijke overwinningen worden de jo­den toch weer in het defensief gedrongen en de hulp van Rome wordt ingeroepen.

 

Het volk is dan verdeeld. De bovenlaag, de aristocratie, neemt gemak­kelijk de Griekse levensstijl over. Tot deze groep behoren vooral ook de Sadduceeën. Een andere groep echter, de Chassidiem, blijft zich met hand en tand tegen de Griekse invloed verzetten. Na verloop van tijd splitst deze groep zich in Farizeeën en Essenen. Dit is nog de situatie als de Romeinen in 63 v.Chr. Judea veroveren.

 

Na een zeer roerige tijd besluit Rome in 40 v.Chr. orde op zaken te bren­gen en stelt Herodes als koning aan; hij mag proberen Palestina voor zichzelf te veroveren, waarin hij slaagt.

Godsdienstig bleef Palestina echter zelfstandig onder een joodse Hoge Raad, het sanhedrin, die ook als gerechtshof in religieuze zaken fun­geerde.

 

De eigenlijke joodse eredienst voltrok zich in de tempel te Jeruzalem, doch in Jeruzalem en andere steden waren ook synagogen, waar de man­nelijke leden op de sabbat bijeenkwamen rondom de heilige boeken, waarvan de teksten in een jaarlijks weerkerende volgorde ter sprake kwa­men.

 

Door de joodse opstand van 66 na Chr. (70: verwoesting van de tempel) werd Judea een Romeinse provincie. Na een nieuwe opstand in 135 ver­anderde de naam van de bij het Romeinse rijk ingelijfde provincie in Palestina.

In de tijd van Jezus was Jeruzalem de grootste stad binnen Judea, een soort bedevaartplaats, waar altijd veel bedrijvigheid heerste. Buiten Jeru­zalem waren er enkele kleinere steden en dorpen. Het grootste deel van de bevolking leefde van de landbouw. Aan het meer van Tiberias was visvangst de voornaamste bron van het bestaan. De tegenstellingen tus­sen rijk en arm waren, zoals in heel de antieke oudheid, nogal groot. Daarbij kwam dat de vrome jood gehouden was twee maal belasting te betalen: aan de Romeinen ('Geef de Keizer wat des Keizers is') en aan de priesters voor de tempeldienst. Vooral bij de lagere klassen, en ook sterk bij de Farizeeën, werd het beroep van belastinggaarder voor de Romeinen (tollenaar) sterk geminacht.

 

Wat waren nu de verschillen tussen Sadduceeën, Farizeeën en Essenen? Om bij de laatste te beginnen: de Essenen leefden in gemeenschap van goederen, voornamelijk in het klooster Qumran bij de Dode Zee. Opna­me als volwaardig lid in de gemeenschap was pas mogelijk na een zeer lange leertijd als novice. Het heilige gemeenschapsmaal was alleen voor de ingewijden, die celibatair waren. Ze leefden voornamelijk van de landbouw; handel verwierpen ze, evenals het dragen van wapens.

 

De Essenen hadden een hoog ethisch besef - slavernij bijvoorbeeld ver­wierpen ze - en een mystieke inslag. De strijd tussen Goed en Kwaad, tussen Licht en Duisternis, speelde een vooraanstaande rol. Zij noemden zich ook wel 'de zonen van het Licht' en brachten iedere ochtend een rituele groet aan de opkomende zon. Tevens hielden ze zich met esoteri­sche onderzoekingen bezig, zoals het bestuderen van geneeskundige wer­kingen van plantenwortels, mineralen en edelstenen. Ze speurden naar de innerlijke, verborgen zin van de heilige schriften; ze weigerden de eed af te leggen of te zweren, omdat het Woord waarheid was.

 

De Farizeeën (wat waarschijnlijk 'afgescheidenen' betekent) leefden vaak ook in gemeenschappen, maar wel midden in de maatschappij. Ze hielden zich nauwgezet aan de wetten en de betaling van de tienden. Buiten de geschreven mozaïsche wet, de Thora (de eerste vijf boeken van het Oude Testament), hechtten ze waarde aan de geschriften der profeten en de mondelinge overleveringen aangaande de wet. Zij stonden over het alge­meen in de steden in hoog aanzien, zowel door hun levensstijl, als door hun leringen. Zij gaven gratis onderricht aan hun leerlingen, evenals de grote Griekse filosofen dat deden. Het schijnt dat ze voor hun onder­houd, evenals die filosofen, waren aangewezen op giften en dat ze, ook weer als veel filosofen, de ascese predikten.

Een grote leraar uit hun midden was Hillel, die van Babylonische afkomst was en leefde van circa 50 jaar v.Chr. tot 10 jaar na Chr. Van hem is een aantal zeer wijze uitspraken bekend, die soms sterke gelijkenis verto­nen met die van Jezus, zijn tijdgenoot. Ook is Hillel tot in latere eeuwen bekend gebleven als wetshervormer.

 

Heel anders was het met de Sadduceeën, die, zoals we zagen, tot de heer­sende klasse behoorden en zich redelijk thuis voelden in de hellenistische cultuur. Wat de leer betreft waren zij echter veel conservatiever dan de Farizeeën, omdat zij alleen wensten uit te gaan van de geschreven wet van Mozes (de Thora), zonder verdere bijvoegingen. Geloofden de Fari­zeeën in een voortbestaan van de ziel en een wederopstanding van het lichaam op de dag des oordeels, de Sadduceeën konden deze zaken niet in de schrift terugvinden, dus wezen zij ze rigoureus af. Met de verwoes­ting van de tempel in 70 na Chr. is de invloed van deze sekte bijna teniet­gedaan.

 

Buiten deze drie groeperingen waren er in Jezus' tijd veel meer sekten en groepen, die echter minder invloedrijk waren dan de hierboven ge­noemde. Alleen de Zeloten komen we herhaaldelijk tegen in de documen­ten uit deze tijd. Het waren 'vrijheidsstrijders' tegen de gehate Romeinen. Het is in deze wereld dat Jezus van Nazareth wordt geboren.

 

 

Bron: De geheime woorden

Een ontdekkingstocht door vijfentwintig eeuwen verborgen kennis

Jacob Slavenburg


 

 

 
De geheime woorden<br>





Jacob Slavenburg
De geheime woorden
Jacob Slavenburg

 

Jezus die de Christus was

 

In de oosters-orthodoxe kerk viert men tot op de dag van vandaag toe het feest van Epifanie. 'Epiphania' is het Griekse woord voor verschijning. Met dit feest wordt dan ook de verschijning gevierd van de Chris­tus in de mens Jezus van Nazareth tijdens de doop in de Jordaan.

Voor velen, vooral zij die in een kerkelijk milieu zijn grootgebracht, is de splitsing tussen de persoon Jezus van Nazareth en de gestalte van Christus geen van­zelfsprekende zaak. Tweeduizend jaar christelijke cultuur heeft de eigenlijke betekenis steeds meer ver­sluierd en vervormd. Dat was heel anders in de eerste eeuw van onze jaartelling. Toen was er nog een duide­lijk begrip van de menselijke gestalte van Jezus van Nazareth en de goddelijke Christus. Pas in de vierde eeuw is men, uit een steeds groeiende verwarring om­trent deze twee zaken, regels gaan stellen en vast gaan leggen in dogma's dat Jezus en Christus hetzelfde wa­ren. En in de vijfde eeuw werd definitief vastgesteld dat Christus deels mens, deels God was; de zo­genaamde twee-naturenleer. En iedereen die er an­ders over dacht, werd veroordeeld als ketter.

Omdat Jezus nu, volgens de kerkvaders en theologen van die tijd, dezelfde was als Christus, moest men moeilijke figuren gaan bedenken ten aanzien van zijn 'verschijnen'. Omdat men geen begrip meer had van de verschijning (geboorte) van Christus en de geboor­te van de 'zoon van God' plaats liet vinden bij de ge­boorte van het mensenkind Jezus, moesten speciale constructies worden bedacht. Want Jezus, alias de Christus, alias God, kon natuurlijk nooit ontstaan zijn uit een vleselijke gemeenschap van twee gewone stervelingen, Jozef en Maria. En daarom werd Maria tot maagd verklaard. Geestelijk gezien klopte dat ook wel. Maria was een reine, godvruchtige vrouw. Fy­siek was er geen sprake van maagdelijkheid. In het Nieuwe Testament kunnen we op diverse plaatsen le­zen dat Jezus broers en zusters had. Dat feit werd steeds meer verdoezeld en door de kerkvader Hieronymus vervangen door het veiliger 'neven en nichten'. Het sluitstuk op het nieuw geformuleerde dogma vond pas een eeuw, dus ruim honderd jaar geleden, plaats. Want Maria kon weliswaar maagd zijn, maar zij was een gewoon kind dat uit geslachtsgemeen­schap was verwekt. En, zo had een andere kerkvader, de heilige Augustinus spitsvondig beweerd, daardoor besmet met de erfzonde. Jezus was vrij van deze zonde, dus moest Maria zelf ook onbevlekt ontvangen zijn.

 

Een andere uitkomst uit het verwrongen katholieke denken uit de derde en vierde eeuw na Christus is de viering van Kerstmis als de geboorteherdenking van Christus. Dit kerstfeest werd pas in de vierde eeuw ingesteld op de dag dat de Romeinen de verjaardag van de Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon, vier­den. Deze traditie had overigens weer wortels in de Mithras-godsdienst, de grootste concurrent van het nog jonge christendom. En bij de heidense volkeren sloot het goed aan op hun feest van de zonnewende, het lichtfeest. De dagen gingen weer lengen, de zon kwam weer deze kant op. En omdat de betekenis van 6 januari, Epifanie, daarmee kwam te vervallen heeft men op de kerkelijke kalender van het Romeinse christendom toen Driekoningen gezet.

 

Maar met dit alles zijn we nog niet doorgedrongen tot de kern van de zaak en hebben we alleen enige randverschijnselen belicht. Waar het ten diepste om gaat is dat men in het jonge christendom nog het besef had van enerzijds de jongeling Jezus van Nazareth, een man van vlees en bloed, die op normale wijze ge­boren was uit de .liefdesgemeenschap tussen Jozef, zijn natuurlijke vader, en Maria, zijn moeder; en an­derzijds van de Christus, die in de mens Jezus indaal­de tijdens de doop in de Jordaan.Het is dan ook niet toevallig dat twee van de vier canonieke evan­geliën, waaronder het meest spirituele, dat van Jo­hannes, beginnen met deze gebeurtenis. Waar Lucas en Mattheus afwijken en beginnen met een verhaal over de jeugd van Jezus komen we dan ook gelijk in de problemen. Deze twee verhalen lijken zo weinig op elkaar dat sommigen zich afvragen of er geen spra­ke van twee Jezus-kinderen is, zoals ook Rudolf Stei­ner suggereerde.

Bij de doop in de Jordaan daalde de Christusgeest af in de mens Jezus van Nazareth. Zoals we in het apocriefe Evangelie van de Ebionieten kunnen lezen:

 

Toen het volk was gedoopt, kwam ook Jezus en Hij werd door Johannes gedoopt. En toen hij uit het water kwam, gingen de hemelen open en hij zag de Heilige Geest in de vorm van een duif, deze daalde neer en ging bij Hem bin­nen. En een stem uit de hemel zei: 'Jij bent mijn geliefde zoon. Ik heb in jou een welgevallen.' En verder: 'Ik heb je vandaag verwekt.' En op hetzelfde ogenblik werd de plaats omgeven door een groot licht. Toen Johannes dat zag, zei hij tegen hem: 'Wie zijt gij Heer?' En opnieuw klonk een stem uit de hemel en deze zei hem: 'Dit is mijn geliefde zoon. In hem heb ik een welgevallen. '

 

Bezoekers van het Italiaanse Ravenna kunnen nog steeds de prachtige mozaïeken van de twee doopka­pellen, de ariaanse en de orthodoxe, bewonderen waarin de doop van Jezus is afgebeeld en de Heilige Geest indaalt in de vorm van een duif.

In het, eveneens apocriefe, Evangelie van de Hebreeën zijn de woorden anders, doch is de betekenis hetzelf­de:

 

Het geschiedde echter, dat toen de Heer uit het water kwam, de hele bron van de Heilige Geest neerdaalde en op Hem bleef rusten en tot hem zei: 'Mijn zoon, onder alle profeten heb ik op je gewacht dat je zou komen en ik in je zou rusten. Want jij bent mijn rust. Jij bent mijn eerst­geboren zoon, die in eeuwigheid zal regeren. '

 

Daar was een edel mens met een geheel reine, nog onbezoedelde, ziel, Jezus van Nazareth. Een mens van vlees en bloed met een natuurlijke vader en een natuurlijke moeder. Een ernstige, zoekende jongeman die naar een grote rijpheid groeide. En toen het moment daar was, zo omstreeks zijn dertigste le­vensjaar, gebeurde er iets onvoorstelbaars. Bij de doop in de Jordaan daalde de Christuskracht, de preëxistente zoon van de Onbekende God, in deze Je­zus. De Christusgeest overstraalde hem als het ware. Daarom kon hij ook zeggen: 'Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en aan wie de Zoon het wil openbaren' (Matt.ll :27) en 'Zoudt gij Mij kennen, dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.' (Joh.8: 19).

 

Jezus heeft nog enige jaren op deze aarde vertoefd met de Christusgeest in hem. Je zou kunnen zeggen: het straalde van hem af. Het was niet interessant om zijn woorden te horen als men daarbij niet de verzen­gende warmte voelde die hij uitstraalde. Wat hij zei, was voor het overgrote deel niet nieuw. Vandaar dat vele onderzoekers ook vergelijkingen trekken met het hindoeïsme, het boeddhisme of met de antieke cultuur en filosofie (Plato en vooral ook de Stoa). Wat hij zei, was niet allemaal nieuw. De waarheid is nooit nieuw. Het is iets dat in wezen oeroud is. Als Jezus alleen maar gepreekt had, zoals zovele rab­bi's in zijn tijd, die rondtrokken met een groep leer­lingen, dan zou er nooit een christendom zijn ont­staan. De kerk is dat gaan vergeten. Omdat ze Chris­tus met Jezus identificeerde. De kracht van de Chris­tus is niet alleen zijn woord maar zijn Zijn. Zijn be­wust-Zijn.

 

Eerder heb ik al de term Christusbewustzijn ge­bruikt. Een nogal populaire kreet de laatste jaren. Het is Jezus die de Christus tot bewustzijn bracht. Want toen de mens Jezus van Nazareth werd gekrui­sigd en de marteldood vond op de berg van Golgotha, toen gebeurde er wederom iets volstrekt unieks. Jezus stierf, maar de Christus leefde. Daarom waren er zo­vele stromingen in het oude christendom die men do­cetistisch noemt, die bestonden uit mensen die niet geloofden dat Jezus zelf aan het kruis gestorven was. Want God kon toch niet doodgaan, kon toch niet ge­kruisigd worden? Het was ook niet God die stierf, het was de mens Jezus. En dat wat deze unieke mens enige jaren gedragen had, dat verbond zich met de aarde. Dat werd als het ware opgenomen in de aura van de aarde.

In mijn boek Een ander testament heb ik aan de hand van een groot aantal niet-bijbelse bronnen, waar­onder de hier vertaalde Nag Hammadi-teksten, een indringend inzicht mogen geven in het leven, de lerin­gen en de uitstraling van Jezus de Christus. Zijn kracht is nog steeds onverflauwd aanwezig. Daarover zei hij zelf al, tweeduizend jaar terug:

 

'Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. '

 

Bron: De verborgen leringen van Jezus.

Jacob Slavenburg

ISBN 90 202 1031 9

De verborgen leringen van Jezus<br>
De verborgen leringen van Jezus



De Rollen en Jezus van Nazareth

 


 

 

1  Exoterisch

 

Wat de levensbeschrijving van Jezus betreft gaan we hier in grote lijnen de drie synoptische Evangeliën volgen, maar dan wel met de reeds eerder geschreven nodige re­serve. Volgens de aartsbisschop van Canterbury zijn de Rollen geen bewijs van het bestaan en leven van Jezus. Maar dat is het Nieuwe Testament evenmin, daar er geen ander bewijs ooit is geleverd die beide definitief bevestigt. Daar is dan allereerst de metafysische verwekking van Je­zus, die haar parallel vindt in I QS, nl. in de pre-existentie van alle zielen. Dan volgt de maagdelijke geboorte, die haar parallel in mysteriën van vóór onze jaartelling heeft, o.a. in het Isis-mysterie. Wel wordt Jezus in de tempel ge­toond, maar geen woord rept er van een besnijdenis. Dit brengt ons tot de wellicht opzettelijke ontjoodsing van Jes­houa ben Josef, waartoe onder meer ook het bovenstaan­de gerekend moet worden. In aansluiting aan Jesaia 7 : 14 zegt Mattheus 1 : 21: 'En zij zal een zoon baren, en gij zult hem Jezus noemen, want hij zal zijn volk zalig maken van zijn zonden'. 'Zij' is de 'maagd', Hebreeuws 'almih' (betûläh). Er is hier geen sprake van parthenogenese, daar er een jongen en geen meisje geboren wordt.

 

Een buitengewoon moeilijke passage uit I QH III : 1-13, die misschien met Matth. 1 : 21 samenhangt, beschrijft de barensweeën van een vrouw die een jongen ter wereld brengt. In zulk een nood bevond zich (symbolisch-mystiek) de lofprijzende. Nergens vermeldt het Nieuwe Testament de 'Bar-Mitzwah' van Jeshoua op twaalf- of dertienjarige leeftijd. Misschien omdat dan een onverklaarbaar en nog steeds onopgehelderd hiaat van achttien jaar 'de verloren jaren' in het leven van Jezus ontstaat.

 

Het Evangelie der Heilige Twaalven, dat zijn leven geheel in de sfeer der mysteriën doet verlopen, meldt Jezus' verblijf in Egypte, zijn huwelijk en de terugkeer naar Galilea. Tot de ont­joodsing, moet ook de bijzonder benadrukte vijandige hou­ding der Farizeeën worden gerekend, die uitmondt in de veroordeling door het Sanhedrin. Het kruisopschrift I.N.R.I. was als een bespotting c.q. uitdaging van Joodse zijde bedoeld. Zelfs zijn eigen naam Jeshoua ben Josef heeft men de Joodse 'maggid' niet laten houden en die door de Griekse vorm Jezus vervangen. Zo is dus Jezus als Gods éniggeboren Zoon en als Messias losgemaakt van zijn Jood­se oorsprong, van zijn Jood-zijn het Christendom ingegaan.

 

 Tijdens zijn leven heeft hij de 'verloren schapen' van Israël willen redden, geweigerd voor de Samaritanen te predi­ken en zijn discipelen verboden hun zijn leer als 'vervul­ling van de Wet' te verkondigen. Op 30-jarige leeftijd, die waarop de leden der Yachad volledig gewijd waren en gedoopt werden, vindt de doop door Johannes plaats, die, opnieuw evenals voor de Yachad, door de Heilige Geest geschiedde.

 

Na deze doop trekt Jezus 40 dagen (men kent de symbo­liek van 'Mem') door de woestijn. De weg door de woes­tijn die Jahweh in Jesaia 40 : 3 voor Hem gebiedt te banen is allereerst de mystieke onthechting. Bovendien is zij, zo men weet, de studie van de Torah volgens I QS VIII: 14.  In de onthechting bereidt Jezus zich voor op de esoterische interpretatie van de Torah, van de Wet die hij zich voor­neemt te vervullen. Bovendien wijst Jezus in de woestijn Satan (Belial) definitief terug en overwint aldus het dua­lisme zoals de leden der Yachad dit deden. Dit alleen reeds sluit Jezus' politieke strijd tegen de Romeinen uit. Zijn Rijk is: 'niet van deze wereld'. Dat was die van de Yachad even­min.

 

Op 30-jarige leeftijd, als volgewijde, begint Jezus zijn prediking. En hier manifesteert zich onmiskenbaar het doorslaggevende verschil met de Essenen, eventueel met de leden der Yachad! Welk verschil namelijk? Deze hield haar leer onder ede strikt geheim. In de Rollen wordt de heilige plicht opgelegd, niet met oningewijden, met Zonen der Duisternis, over deze leer te twisten. Later zou Allah de Moslims hetzelfde gebieden. Jezus predikt voor elkeen die naar hem wil luisteren I Dat wordt hem fataal. Hij raakt namelijk herhaaldelijk in dispuut en conflict met de Fari­zeeën, die hij ongezouten de waarheid zegt. Hier ligt de kiem van zijn vervolging, veroordeling en kruisdood. Zijn getuigenis, dat niemand tot God komt, dan door hem, sluit elke middelaar, elke geestelijke als zodanig ééns voor altijd uit. Zij is volkomen die van elke mysticus behalve de theïstisch Christelijke.

 

Jezus gaat bovendien met hoeren en tollenaars om en neemt ze na bekering in zijn gevolg op. Dit is de tweede controverse met de Yachad. Zijn gene­zing op Sabbath en het plukken van aren door zijn discipe­len op deze dag, hetgeen Jezus verdedigt met te zeggen dat de Sabbath er voor de mens is en niet omgekeerd, kan be­rusten op het verschil in de zonnekalender der Essenen en de maankalender der exoterische Joden. Jezus hecht geen absolute waarde aan reinheid van lichaam en spijzen, ge­lijk laatstgenoemden deden. Maar dat is geheel in strijd met de Orderegels der Yachad die beide verlangt. Je­zus zou volgens de Farizeeën zonden vergeven hebben. Maar dat is niet juist. Hij heeft gezegd: 'Uw zonden zijn u vergeven', maar zeker niet, dat hij dit zou hebben ge­daan!

 

De Yachad vergaf evenmin zonden. Integendeel zij bestrafte ze bij haar leden uitermate streng. Jezus stichtte geen streng besloten sekte, zoals de Yachad er een was. Maar men vergete niet, dat er talrijke Essenen in Palestina woonden, die evenmin een strenge orde vormden. Boven­dien richtte Jezus zich altijd en overal tot de enkeling die hij tot het Koninkrijk Gods trachtte te brengen, hetgeen maar zelden gelukte, ook bij zijn discipelen niet. Voor hen was Jezus vóór alles de Messias, de stichter van Gods Ko­ninkrijk op aarde. Zijn mystiek bleef voor hen, behalve voor de Evangelist Johannes een gesloten boek. Volgens het Nieuwe Testament moet Jezus de Messias uit Davids geslacht zijn, Mattheus en Lucas fingeren zijn stamboom. In de Rollen is de Gids de Davidmessias, maar geen mens! Jezus moest 'wonderen' voor de Am Haäretz verrichten, om zijn Messiasschap te bewijzen.

Nu zijn deze wonderen zonder uitzondering mystiek-symbolisch. Blinden worden zienden! Lazarus wordt uit de dood opgewekt. Dat wordt elk mens, die vanuit de exoterische wereld in de esoterische komt: de wedergeboorte 'zonder wie niemand in het Ko­ninkrijk der Hemelen komt'.

Sommige Christelijke onderzoekers der Rollen, onder meer Dupont Sommers en Burrows hechten grote waarde aan de verschilpunten tussen de Yachad en Jezus. Dit is lo­gisch, daar ze trachten Jezus van de Gemeenschap van Qumran te isoleren. In dit opzicht werken zij mede aan het proces van de ontjoodsing van Jezus. Maar afgezien hier­van zijn de punten van overeenkomst tussen Jezus' leven en leer met die der Essenen, dat de verschillen niet rele­vant meer zijn. Evenals deze werd Jezus vervolgd, veracht, gewantrouwd, bestreden. Essenen werden doodgemarteld, Jezus gekruisigd. Jezus werd door het Middeleeuwse Chris­tendom, speciaal door de Franciscanen, 'de man der smar­te', werd tot 'Agnus Dei, qui tollit peccata mundi'.

 

An­troposofen gebruiken vaak de term van het plaatsvervan­gend lijden. Waar is Jezus de 'Pantocrator' uit de Byzan­tijnse tijd gebleven? Heeft Jezus zich vrijwillig voor de zonden der mensheid geofferd? Dit is nooit te bewijzen.

Hij heeft zich niet verdedigd en verzet, maar zoals reeds boven gemeld, deden de Essenen dit evenmin. Iets anders wordt dit probleem, wanneer we verband leggen met mys­teriën, waar de godheid wordt vermoord of zichzelf offert. Dan zijn daar: Osiris, Dionysos en Mithras. Dan is daar de mysterieleer dat de godheid sterft door haar involutie in de materie. Dan zou het gehele verhaal van Jezus' dood en wederopstanding uit het Nieuwe Testament een mysteriegeheim tot grondslag hebben. We vinden dit mysterie namelijk ook in de Rollen aangaande de 'morè ha sedèq', de Gids der Rechtvaardigheid, hoewel er geen sprake is van het kruis: 'sh'ti-veres'.

 

Dat Jezus vergoddelijkt werd en dit nog wordt, staat niet geheel op zichzelf. Eeuwen vóór hem verklaarde men 'Krishna', een Radja uit India, voor de achtste incarnatie van Vishnu. Als zodanig treedt hij in de Bhagavad Gita op. De Boeddha vergoddelijkte men na diens dood, waar­bij onweer en aardbeving optraden. G.C. Jung wijst op het archetype van de godheid als verlosser die als mens gedood, geofferd wordt. (C. G. Jung, Symbolik des Geistes, Zürich.)

 

Maar die vergoddelijking blijkt ook recent te zijn. Zo verklaren volgelingen van Hazrat Ahmad uit het einde van de vorige eeuw, de stichter van hun Ahmadiyya-Bewe­ging (Islam-mystiek) tot de beloofde Messias. Dat vorsten zich tot Zonen Gods verklaarden blijft hier uiteraard bui­ten beschouwing. De metafysische verwekking van Jezus, pre-existent, zijn geboorte, leven, dood, wederopstanding en hemelvaart vormen de goddelijke cyclus, die we reeds bij de Hindoemystiek, duizend jaren eerder, vinden. De Christelijke Kerk, die deze cyclus voor zich opeist, legde en legt nog steeds meer de nadruk op persoonlijke onsterfelijkheid en zaligheid na de dood, dan op de ervaring en aanvaarding van Christos in de mens en op de consequent daaruit voortvloeiende waarachtige 'imitatio Christi' .

 

Vermeld worden nog hoogst merkwaardige uitspraken van

Edgar Cayce, gestorven 3 januari 1945 te Virginia Beach, Virginia (U.S.A.). In trance beantwoordde hij tot hem ge­richte vragen aangaande Jezus' leven en leer. Hij brengt hem in verband met Essenen nl. vóór de ontdekking van de Rollen. Volgens Cayce waren Jezus, Maria, Joseph, Anna, Elizabeth en Zacharias Essenen. Zij waren 'Messiasver­wachters' vervolgd door Sadduceeën en Farizeeën. Eén uit­spraak die aansluit bij het bovenstaande moge vermeld worden. In het boek, On Jesus and his Church, New Vork 1970, pag. 51, citeren we: In your material experience you see that life came out of nowhere to enter into materialicy to become a living expression of these promptings of the heart. It has been the experience of that 'Christ Soul' and its own varied spheres of consciousness to give you such an expression. It is the purpose for which He has entered ­to give man a more perfect concept for the relationship between man and his creator.

Volgens Cayce was Jezus lang vóór het begin van onze jaar­telling in voorafgaande incarnaties op aarde verschenen. Verder geeft hij, geheel onbekend met de Rollen, treffende details van de Yachad.

 

2. Esoterisch

 

De bespreking van de inhoud der Rollen heeft, speciaal wat de esoterische leer der Yachad betreft, vele malen aan­leiding gegeven tot het citeren van uitspraken van Jezus, die daarmede geheel in overeenstemming zijn. Evenals de prediking van iedere Joodse 'maggid' was die van Jezus rijk geïllustreerd met treffende metaphora, parabelen en Bij­belse citaten in overeenstemming met de methode van de 'Midrasch' zoals die door de Yachad beoefend werd. Was Jezus inderdaad zo 'ongeletterd' als het Nieuwe Testament dit doet voorkomen? Gezien de reeds genoemde overeen­komst met de leer der Rollen is dit moeilijk te aanvaar­den. Of hij deze heeft gekend en tevens de pseudographa valt niet beslissend aan te tonen. Maar zeer waarschijnlijk moet dit wel het geval zijn geweest. Mocht dit evenwel niet zo zijn, dan blijft toch de opvallende overeenkomst met de esoteriek van de Joodse gnostiek, c.q. die der Essenen over.

 

Zij dwingt als het ware er toe te aanvaarden dat Jezus zelf Esseen moet geweest zijn. Het is dan ook niet juist, wat Van der Ploeg beweert, dat de Rollen en het Nieuwe Testament elk hun eigen taal spreken. De Rollen en Jezus bezigen cryptische taal en verhullende gelijkenis­sen. Men leze b.v. Mattheus 11 : 25: 'Ik dank U, Vader, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt'. De aanhef van deze woorden 'Ik dank U, Vader,' vindt men herhaaldelijk als aanhef van een der Hodayot. De ritmische bouw van bovenstaand citaat komt met die der laatstgenoemde overeen. De leer van Jezus komt voort uit de esoterische beleving van de Torah - de 'Shitre Torah' - evenals dit bij de Yachad het geval was. De geheime leer was en is nog voor oningewijden orakeltaal.

 

Reeds de kerkvader Clemens van Alexandrië zegt: 'De leer was orakeltaal, verstaanbaar voor ingewijden. Daarom spreken de profetieën in orakels, in raadselen en de mysteriën wer­den niet rechtstreeks doorgegeven, alleen na reiniging en onderricht'.

Kerkvader Hiëronymus sluit zich hierbij aan, waar hij zegt, dat de moeilijkste en duisterste der heilige Boeken even­veel geheimen bevatten als woorden, daar ze veel dingen zelfs onder één en hetzelfde woord verbergen'. Hij zou hiervan een bevestiging in de Rollen hebben gevonden in het woord: 'Yhd', dat zowel Yachad als Yichud kan beteke­nen. Jezus zegt volgens Marcus 4 : 11: 'Het is U gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods, maar voor degenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen'. Het is nog de vraag of de exoterisch gerichten de esoterische zin van gelijkenissen doorgronden. Zij blijven meestal in de sluier van het 'verhaal' hangen.

 Dupont-Sommer in Nouveaux Aperçus, pag. 198: 'L'en­seignement de Jésus en effet, était un enseignement d'in­spiration prophétique à la manière essénienne et non pas un enseignement de tradition à la manière des maîtres pharisiens' .

 

Het zou de omvang van dit werk onaanvaardbaar vergro­ten, door het aantal citaten van Jezus en van zijn gelijkenissen die met de Rollen overeenkomen uit te breiden. Maar wel dient nog gewezen te worden op de frappante overeenstemming van het Johannesevangelie met de leer der Rollen. Eigenlijk zou men het gehele Evangelie wel kunnen citeren. Zelfs de meest kerks-dogmatische Christen zou deze overeenstemming, om niet te zeggen identiteit, eerlijkerwijs niet kunnen loochenen. Centraal staat het ge­mitigeerde dualisme 'Licht-Duisternis' der Rollen, dat hier gelijk staat aan dat van 'Waarheid-Onwaarheid' van 'God-Belial', van 'Jezus-Satan'. Allegro, refererend aan Joh. I: 4, 5, 7 en 9 bekent: 'Johns gnosticism and the whole framework of his thought is seen now to spring directly from the Essenes'.

 

Jezus noemt zich het Licht van de Wereld en zij die in hem geloven, Zonen van het Licht', zoals de leden der Yachad zich noemden. Logion 24 van het Apocrief Evangelie van Thomas behelst Jezus' woorden: 'Er is licht in de mens van het Licht. Wanneer hij geen licht heeft, is er duister­nis. Het licht in de mens, de Godsvonk is God zelf. Dit had evengoed in de Rollen kunnen staan met dezelfde be­woording namelijk.

In I QS 111 : 20 staat, dat de Zonen der Rechtvaardigheid in het Licht leven, die van het On­recht in de Duisternis. Lucas 16 : 8 spreekt eveneens van de 'kinderen van het Licht', terwijl in Matth. 5 : 14 (de zaligsprekingen) Jezus tot zijn toehoorders zegt: 'Gij zijt het licht van de wereld'. Tenslotte, om zijn getuigenissen in deze esoterische geest te besluiten, lezen we in Lucas, hoe Jezus tot de priesters en soldaten in de tuin van Geth­sémane zegt: 'Maar dit is uw uur en de macht van de Duisternis'. Men heeft in het Johannesevangelie een ster­ke Hellenistische inslag menen te zien. Maar de Rollen weerleggen dit onmiskenbaar.

 

Het tegendeel is waar. Zelfs een bij uitstek christelijk commentator als Allbright moet in zijn werk, Recent Discoveries in Bible Land, bekennen: 'The Gospel of St. John is saturated with phraseology and conceptual imagry reminding us of the Dead Sea ScrolIs' .

 

In Johannes 3 : 13 lezen we Jezus' getuigenis, dat niemand ten hemel is gevaren, dan die uit de hemel is nedergedaald. Dat komt esoterisch geheel overeen met de leer der preëxistente der Yachad. De Zoon des mensen is de Gods­vonk in de geest en ziel van de mens.

Hetzelfde leert ons het Lied van de Parel, waarvan de gelijkenis van de Verlo­ren Zoon, zoals reeds eerder gezegd, een niet geheel ade­quate weergave is. Wanneer Joden stenen opnemen om Je­zus te stenigen, daar hij zich in hun ogen met Jahweh ver­eenzelvigt, wijst Jezus hen op de Torah, waar staat, dat vol­gens Jahweh de mensen goden zijn. En dan volgt één der zeldzame rechtstreekse uitspraken van Jezus: 'opdat gij moogt bekennen en geloven dat de Vader in mij is en ik in hem' (Joh. 3 : 38). Deze woorden vertolken ondubbelzin­nig zijn esoterisch-gnostische leer en tevens volkomen die van de Rollen van de Dode Zee, die reeds lang vóór Jezus van dezelfde gnostiek getuigden.

 

Conclusie

 

De Rollen van de Dode Zee bewijzen, dat het Nieuwe Tes­tament niet langer een geïsoleerde openbaring van God is, zoals het Christendom dit nu bijna tweeduizend jaar lang heeft geleerd. Jezus bracht geen volkomen nieuwe getuigenis. Zijn leer dient esoterisch-mystiek te worden geïnterpreteerd. Zij is dan identiek met de leer der Essenen c.q. der Yachad. Het Concilie van Nicea heeft Jezus tot Gods éniggeboren Zoon uitgeroepen en wel op eigen ge­zag. Daardoor heeft het de mens Jezus met Christos, de godskern en godskracht, die aan de schepping en de mens immanent is, geïdentificeerd.

 

In de Rollen is Christos de volkomen onpersoonlijke 'morè ha sedèq' en zo met die in Jezus identiek. Jezus leefde in Christos en Christos in hem. Zijn vergoddelijking belem­mert de juiste interpretatie van zijn mystieke leer. Zonder mystieke instelling zijn noch de Rollen van de Dode Zee, noch Jezus' getuigenis adequaat verstaanbaar. Van wie de­ze instelling heeft getuigen zowel de Rollen als Jezus: 'Het Koninkrijk Gods is gekomen en gij kent het'.

Moge de Christelijke Kerk dit prediken en zo worden tot wat zij beweert te zijn: 'het Corpus Christi Mysticum'

 

Bron:

Dr. K.E. Freifag

DE DODEZEE-ROLLEN

De mystiek der Essenen en het Evangelie

 

Dit boek geeft een nieuwe visie op de Dodezee-rollen: een mystiek-esoterische. De tot nu toe verschenen literatuur over deze uit de tweede en eerste eeuw voor Christus daterende geschriften is praktisch uitsluitend exoterisch. De schrijver brengt de Rollen door citaten en fragmenten nader tot de lezer. Mystiek verleent hun ondanks uiterlijke verscheidenheid een innerlijke eenheid. .

Zo zijn ze de voorloper van het Nieuwe Testament, speciaal van het Evangelie van Johannes. Zij vertolken de mystiek in de leer van Jezus van Nazareth, de grootste der Joodse mystici. Wat de Christelijke kerk in de loop der eeuwen verdogmatiseerde en als haar alleenrecht beschouwde, ligt in de mystiek der Rollen verborgen.

Dit boek wekt belangstelling voor deze geschriften der Essenen van Qumran en kan de lezer inwijden in de mystiek van Jezus' leer.

ISBN 90 202 48 170

 

 

Wie was Jezus werkelijk?

- Jezus vanuit de visie van Jakob Lorber -

 

 

De leer van de goddelijke drie-eenheid heeft de christenen door alle eeuwen heen bezig gehouden. Deze centrale leerstelling van een drie-enige God, die in drie personen als Vader, Zoon en Heilige Geest een eenheid vormt, is wat zijn formulering betreft terug te voeren op het concilie van Nicea in 325 n. Chr.

Hoewel de leer van de drie-eenheid in de christelijke kerken altijd monotheïstisch wordt geinterpreteerd, blijft er toch een onbehagen bestaan wat betreft het begrip van de drie personen. Men vraagt zich af : hoe kunnen drie personen, die ieder voor zich aanspraak maken op eeuwigheid en almacht, toch één God zijn?

Drie goddelijke personen leiden tot drie goden, ook wanneer er sprake is van één Wezen. Drie is niet één, en één is niet drie. Geen wonder dan ook dat het bijna onmogelijk is om tot een duidelijk inzicht in het triniteitsdogma te komen. In de geschiedenis van het christendom zijn dan ook steeds weer stemmen opgegaan die dit dogma als een verkeerde uitlegging van de Bijbel bestempelden.

Uit de Bijbel is het drievuldigheidsdogma niet af te leiden. De woorden drie-eenheid of drievuldigheid treffen we er niet in aan, en evenmin de leer dat het Godswezen uit drie personen zou bestaan. Ook wordt God in de Bijbel nergens ‘persoon’ genoemd. 

 

Het Oude Testament zegt heel duidelijk: er bestaat slechts één God die eeuwig en onveranderlijk is. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

“Ik ben de Heer uw God en er is geen ander; buiten Mij is er geen God.” (Jes. 45,5);

“Vóór Mij is er geen God geformeerd, en na Mij zal er geen zijn.” (Jes. 43,10);

“Ik ben de Heer en buiten Mij is er geen.” (Jes. 43,11);

“Ik ben de Heer uw God; een God nevens Mij kent gij niet en een verlosser buiten Mij is er niet.” (Hos. 13).

 

Aan deze duidelijke uitspraken valt niet te tornen: Jehova-Sabaoth is een enig God, de al-enige Schepper van hemel en aarde, die Zijn werk volbracht zonder mede-goden. Als Hij zegt: “Ik, de Heer, verander Mij niet (Mal. 3,6), dan is het uitgesloten dat uit de ene God een ‘drie personen-God’ kan ontstaan. Men vraagt zich af hoe het godsbegrip van het Oude Testament in het christendom zo’n andere gedaante kon aannemen en tot een onbijbelse driepersonenleer kon ontaarden.

 

Jezus sprak over zichzelf zoals alleen een God over zichzelf kon spreken: “Zie, Ik ben bij jullie alle dagen tot aan het einde der wereld” (Matt. 28,20), of “Vòòrdat Abraham was, ben Ik” (Joh. 8,58). Hiermee bevestigde Jezus Zijn alomtegenwoordigheid in verleden en toekomst, zoals dat alleen voor het eeuwige en onveranderlijke Godswezen mogelijk is.

Jezus sprak niet op de manier van de profeten: Hij verkondigde Zijn leer uit eigen goddelijke volmacht, in de ik-vorm.

“Ik zeg jullie... “ (Matt. 5,32)

“Ik ben de opstanding en het leven”.   (Joh. 11,25)

“Ik ben het licht van de wereld”.    (Joh. 8,12)

“Ik ben het levende brood dat uit de hemel neergedaald is; wie dit brood eet, zal leven in eeuwigheid”. ( Joh. 6,51)

Alleen iemand van zuiver goddelijke natuur kon zich aanmatigen zo te spreken als Jezus deed. “Nooit heeft een mens zó gesproken als deze mens spreekt”, zeiden dan ook de tempelknechten en ze durfden Hem niet aan te raken (Joh. 7,46). Maar Jezus ging nog een belangrijke stap verder: “Wie Mij ziet, ziet degene die Mij gezonden heeft” (Joh. 10,45), “Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10,30), “Indien gij Mij zoudt kennen, zoudt Gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu af aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien”(Joh. 14,7), “Wie Mij ziet, ziet de Vader (Joh. 14,9).

 

Duidelijk en niet mis te verstaan geeft Jezus met deze woorden aan dat hij de eeuwige God Jehova Zelf is. Het is een geweldige openbaring die de Bijbel ons hiermee over de persoon Jezus aanreikt. Hoe komt het dat de kerk de betekenis van dit fundamentele zelfgetuigenis van Jezus nooit heeft weten te plaatsen? Zij heeft zich in de war laten brengen doordat het Nieuwe Testament Jezus ook ‘Zoon’, ‘Mensenzoon’ en ‘Zoon van God’ noemt. Zij kon het feit dat Jezus meermalen over Zijn Vader sprak en deze ook in het gebed aanriep, niet in overeenstemming brengen met het godsbegrip van de al-ene God. De profetische geest, die de schijnbaar tegenstrijdige uitspraken van Jezus had kunnen ontraadselen, was uit de kerk geweken. Men knaagde aan de buitenste schil van het Bijbelwoord en construeerde een dogma dat onjuist is en bijbels niet houdbaar.

 

Nu heeft de Heer bij monde van Zijn schrijfknecht Lorber rechtgezet wat eeuwenlang verkeerd begrepen werd. In het Grote Johannes Evangelie (VI/230, 3-7) onderwijst Jezus Zijn leerlingen: “De Vader in Mij is de eeuwige liefde en als zodanig de oergrond en de eigenlijk oerstof van alle dingen, die de hele eeuwige oneindigheid vervult.

Ik als Zoon ben het licht en de wijsheid, die voortkomt uit het vuur van de eeuwige liefde. Dit krachtige licht is het eeuwige, meest volmaakte zelfbewustzijn en de helderste zelfkennis van God en het eeuwige woord in God, waardoor alles wat bestaat gemaakt is.

 

Opdat dit alles echter gemaakt kan worden, is de machtige wil van God nodig, en dat is dan de Heilige Geest in God, waardoor de werken en wezens hun volledige bestaan krijgen. De Heilige Geest is het grote uitgesproken woord ‘Er zij!’- en dan is er wat de liefde en de wijsheid in God besloten hebben.

En zie, dat alles bevindt zich nu in Mij: de liefde, de wijsheid en alle macht! En daarom is er maar één God, en dat ben Ik, en Ik heb alleen maar hier een lichaam aangenomen om Mij aan jullie, mensen van deze aarde, die ik volkomen naar Mijn evenbeeld geschapen heb uit de oersubstantie van Mijn liefde, in jullie persoonlijkheid nader te kunnen openbaren.”

 

Op deze wijze verklaard is de drie-eenheid van God niet een naast elkaar, maar een in elkaar van drie aspecten of drie principes van God, een in elkaar van Vader, Zoon en Heilige Geest die tot één persoon verenigd zijn, zoals ook wij mensen van deze aarde, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, functioneren als een in elkaar van lichaam, ziel en geest. Niemand zou op de gedachte komen om te veronderstellen dat de mens uit drie personen bestaat.

Jezus Christus is niemand anders dan Jehova Zelf, de één-persoonlijke God. Dit is de centrale boodschap van de Nieuwe Openbaring. De Bijbel heeft ook nooit iets anders verkondigd dan deze fundamentele waarheid!

 

Uit het Lorbertijdschrift “Das Wort”, 1-97 en 4-95.

 

Met dank aan Hendrik Klaassens



Jezus als Messias

Martinus de Jonge

 

 

 

De vraag naar wat Jezus ten diepste dreef blijft velen bezighouden, in en buiten de kerken. Wij kennen hem alleen uit wat zijn eerste volgelingen hebben overgeleverd en wat enige tijd later in de evangeliën schriftelijk is vastgelegd. Wij kijken dus naar hem door de ogen van die vroege christenen. Wat via hen tot ons gekomen is, is nog steeds maatgevend en richtingwijzend voor christelijke gelovigen van vandaag. Maar wat valt er op grond van modern historisch onderzoek te zeggen over de in de evangeliën, en elders, doorgegeven uitspraken van Jezus en de verhalen over hem? Kunnen wij vanuit wat later over hem werd getuigd terugvragen naar wat Jezus zelf zei over zijn verhouding tot God en zijn opdracht? In dit boek wordt betoogd dat dit inderdaad mogelijk is. Voor de schrijver staat bovendien vast, dat een dergelijke historische benadering een verrijking betekent voor een eigentijds gelovig omgaan met Jezus en God.

 

Marinus de Jonge (1925) studeerde in Leiden en Manchester en promoveerde in 1953 aan de Leidse Universiteit tot doctor in de Godgeleerdheid. Hij was Hervormd predikant in Wedde (Gr.) en Blija (Fr.) en korte tijd cursusleider in Woodbrookers­huis te Barchem (Gld.). Van 1962 tot 1966 was hij verbonden aan de theologische faculteit te Groningen; sinds 1966 is hij Hoogleraar voor Nieuwe Testament en Vroeg-christelijke Letterkunde aan de Leidse faculteit. In 1981 doceerde hij een semester aan Yale University (USA); in februari 1989 gaf hij aan Yale Divinity School de Shaffer Lectures, die de grondslag vormen voor dit boek.

 

ISBN KBS 90 6173 460 6

ISBN Tabor 90 6597 104 0

NUGI  632

 

uittreksel:  

4. Jezus als de Messias/Christus

 

Ik zal mij beperken tot die plaatsen waar de term Messias/ Christus als zodanig voorkomt. Veel mensen gebruiken 'Mes­sias' als een algemene term voor Gods laatste vertegenwoordi­ger op aarde bij het aanbreken van een nieuw tijdperk!, maar naar mijn mening leidt dit tot verwarring. De term 'de gezalfde' komt verrassend weinig voor in joodse bronnen uit omstreeks het begin van de christelijke jaartelling. Als hij al gebruikt wordt om iemand aan te duiden die een rol speelt in Gods beslissende interventie, dan betreft het een ideale Davidische koning. Al­leen in de Qumran-rollen wordt de term 'de gezalfde' een enkele keer verbonden met de verwachte hogepriester, en één keer met een toekomstige profeet. Het is helemaal niet zo vanzelfsprekend als men wellicht zou denken dat het woord christos, gezalfde, in het vroege christendom de centrale bena­ming voor Jezus werd. In welk stadium werd deze benaming zo belangrijk? Voor ongeveer de helft van het aantal keren dat de term in het Nieuwe Testament voorkomt is dat in de brieven van Paulus. N.A. Dahl heeft aangetoond dat hij hier zelden in de technische betekenis wordt gebruikt. De naam Christus 'krijgt zijn inhoud niet door een vooraf vastgelegde messi­asvoorstelling, maar veeleer door de persoon en het werk van Jezus Christus'. Christos werd al vóór Paulus gebruikt, in het bijzonder in de formule 'Christus stierf voor ons/u', zoals we in het derde hoofdstuk al zagen. Als een afgeleide hiervan vinden we het ook terug in de dubbele formules over Jezus' dood en opstanding (bijv. 1 Kor. 15:3-5, vgl. 12-19). En in het algemeen staat christos voor wat men over Jezus geloofde en verkondigde, als 'het evangelie' met zijn dood en opstanding als middelpunt.

 

Hoe kwam het dat deze term in verband werd gebracht met Jezus' dood en opstanding? Wat dit betreft hebben velen zich aangesloten bij Dahls antwoord in weer een ander invloedrijk artikel, 'The Crucified Messiah'. Dahl zegt daarin terecht: 'Uit de ontdekking van het lege graf (als dat historisch is) en uit de verschijningen van de verrezene kon men afleiden dat Jezus leeft en in de hemel is opgenomen. Maar kon hieruit niet afleiden dat hij de Messias is' (pp.25-26). En hij gaat voort: 'Indien hij was gekruisigd als iemand, die als Messias werd beschouwd, dan - maar ook alleen dan - wordt geloof in zijn opstanding noodzakelijkerwijze geloof in de opstanding van de Messias. Zo was het kenmerkende van de christelijke messiasopvatting, tegengesteld aan de joodse, van meet af aan gege­ven' (p.26). Nu vertelt Marcus 15 ons dat Jezus gekruisigd was als 'Koning der Joden', met andere woorden als iemand die beweerde de Messias te zijn (zie ook Mar.14:61-62).

 

Dahl denkt niet dat Jezus deze titel ooit voor zichzelf gebruikt heeft maar een groot aantal van zijn meer fervente volgelingen zeker wel. Liever dan van een 'niet-messiaanse geschiedenis vóór het lijden' zou men moeten spreken van 'een beweging van teleurgestelde messiaanse verwachtingen' (p.32). En het is in het geheel niet vreemd dat de messiaanse verwachtingen van Jezus' volgelingen en zijn eigen soevereine houding ten aanzien van de Wet en joodse gewoonten, gepaard aan zijn harde kritiek op het joodse 'establishment', de joodse autoriteiten ertoe kon­den brengen om hem van koninklijk-messiaanse ambities te beschuldigen. Maar heeft Jezus die beschuldiging toegegeven?

 

Het antwoord is: ja, want hij 'kon de aanklacht dat hij de Messias was niet ontkennen zonder daardoor de beslissende eschatolo­gische geldigheid van zijn hele boodschap ter discussie te stel­len.' Door die niet te ontkennen aanvaardde hij het kruis; 'zijn bereidheid om te lijden ligt besloten in Jezus' gedrag en houding gedurende heel zijn optreden' (p.34).

Dahls voorzichtigheid valt te prijzen, maar het zwakke punt in zijn reconstructie ligt in zijn theorie dat het Jezus' tegenstanders waren die zijn messias-zijn centraal stelden, en Jezus dwongen de beschuldiging te aanvaarden, 'door zijn zwijgen, zo niet op een of andere wijze', zoals Dahl het formuleert (p.34). Het kwam alleen door hun beschuldiging en Jezus' reactie daarop dat het vroege Christendom de christos titel overnam en een centrale plaats toekenden, direct verbonden met Jezus' dood en verrijzenis.

 

Nu lijkt het mij zeer onwaarschijnlijk dat Jezus' tegenstanders van het Messias-zijn het beslissende punt hadden kunnen ma­ken, als Jezus zelf deze term voortdurend vermeden had en zijn volgelingen had ontraden om die in verband met hem te ge­bruiken. Het is echter niet zo gemakkelijk om aan te tonen dat Jezus deze term ooit voor zichzelf aanvaard heeft.

De term christos komt niet voor in de uitspraken die aan Q toegeschreven kunnen worden, en maar een paar keer in het evangelie van Marcus. Een van de belangrijkste voorbeelden is Petrus' belijdenis 'U bent de Messias/Christus' (8:29), naar zeggen door Jezus zelf uitgelokt.

 

Het vormt een keerpunt in Marcus' verhaal, en komt na de beschrijving van Jezus' activi­teiten in Galilea als unieke prediker, leraar en geestenbezweer­der op het keerpunt van de tijd. Jezus spreekt deze belijdenis niet tegen, maar beveelt zijn leerlingen er het zwijgen over te bewa­ren (8:30). Onmiddellijk hierop komt de eerste van de drie voorspellingen van Jezus' lijden, dood en opstanding (8:31), waarin de benaming 'Mensenzoon' gebruikt wordt. Voor Mar­cus vooronderstelt de belijdenis 'Jezus is de Christus' het hele gebeuren van Jezus' dood, opstanding en tenslotte de weder­komst (parousia) in de heerlijkheid van zijn Vader (8:38). In 14:61-62 komt Jezus hier openlijk voor uit in zijn antwoord op de vraag van de hogepriester: 'Zijt gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?' Op dat kritieke ogenblik, met de dood voor ogen, zegt hij: 'Ik ben het; en ge zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels.' Eerder in het verhaal prijst Jezus het geloof van Bartimeüs, geneest hem en aanvaardt hem als zijn volge­ling, nadat Bartimeüs hem heeft aangesproken met de woorden 'Zoon van David' (10:46-52).

 

Bij zijn intocht in Jeruzalem wordt hij begroet als iemand 'die komt in de naam des Heren', en wordt hij in verband gebracht met 'het komende rijk van onze vader David' (11:9-10). In 12:35-37 introduceert Jezus de bewering 'de Messias is de Zoon van David' als een typische stelling van de schriftgeleerden. Met een verwijzing naar Psalm 110: 1 wijst hij er op dat David hem Heer noemt. Hij verwijst niet uitdrukkelijk naar zichzelf als Messias, maar de lezers van Marcus zullen onmiddellijk opmerken dat ook in Mar.14:61-62 een toespeling gemaakt wordt op de hier geciteerde tekst Ps. 11 0: 1. Voor Marcus is Jezus de Messias, Zoon van David, niet alleen in zijn aardse handelen als profeet, leraar en geesten­bezweerder, maar ook in de toekomst, wanneer hij, na zijn rechtvaardiging door God, werkzaam zal zijn als 'iemand gelijk een mensenzoon' uit Daniël 7. Bovendien is hij voor Marcus de Zoon van God (8:38; 14:61-62, en andere tekstplaatsen die we in de volgende sectie zullen bespreken).37

 

Maar geeft Marcus' voorstelling van Jezus' reactie op de titel chris/os alleen de vroege christologie weer die ook wordt uitge­drukt in de vroege voor-Paulijnse formules, of is het Jezus' eigen houding die hierin tot uitdrukking komt? Wat dit betreft moe­ten we niet vergeten dat Jes.ll:2-S, 'En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren', van grote invloed is geweest op de joodse verwachtingen ten aan­zien van de komende koninklijke Zoon van David. Een zeer opvallend voorbeeld is Psalm van Salomo 17, waar vaak (erg eenzijdig) naar verwezen wordt als typerend voorbeeld van de aardse en nationalistisch getinte messiaanse verwachting. In het laatste deel van de psalm (vv.30-4S) wordt de koning getekend als 'sterk in heilige geest, wijs in de raad van verstand met kracht en rechtvaardigheid' (v.37).38

 

In het Oude Testament is David niet alleen koning maar ook dichter van psalmen, profeet en geestenuitdrijver. In 1 Sam. 16: 1-13 lezen we hoe onmiddellijk nadat Samuël hem gezalfd had, 'de Geest van de Heer machtig over David kwam van die dag af' (v. 13). De Geest van de Heer wijkt van Saul en nu is het David die, door hymnen te zingen, de boze geest die de koning kwelt doet wijken (1 Sam. 16: 14-23). In de inleiding tot de laatste woorden van David (2 Sam.23:1-7) wordt hij o.a. beschreven als 'de gezalfde van de God van Jakob', en David  worden de woorden in de mond gelegd 'De Geest van de Heer spreekt door mij' (vv.1-2).

 

Josephus, Joodse Oudheden 6.166-168, beschrijft Davids geesten­bezweringen; Ps Philo's Boek van Bijbelse Oudheden 59-60 noemt in dit verband nieuwe Davidische psalmen, evenals de psalmenrol gevonden in de elfde grot in Qumran die ook een lijst geeft van 'Davids composities'. Die geeft niet alleen een enorm aantal psalmen en hymnen maar vermeldt ook apart dat David 'vier liederen om muziek te maken voor de zwaarbeproefden' com­poneerde. Bij al zijn composities werd hij geleid 'door de gave van profetie die hij rechtstreeks van de Allerhoogste ontvangen had' (llQPsa Dav Comp vv.9-1l). Ook in Mar.12:36; Hand. 1 : 16; 4:25 wordt gezegd dat David sprak door de Heilige Geest, en in Hand.2:30 wordt hij een profeet genoemd.

 

Als Marcus dus Jezus' activiteit als profeet, leraar en geestenbe­zweerder karakteriseert als die van 'de Christus, de Zoon van David', is dit zeer wel te rijmen met het beeld van David dat uit sommige delen van het Oude Testament en enkele joodse bronnen oprijst, evenals met bepaalde verwachtingen omtrent de toekomstige ideale Zoon van David. Marcus maakt echter een onderscheid tussen profetie en geestenbezwering enerzijds en anderzijds de koninklijke aspecten van de activiteit van de messias; deze laatste zijn specifiek verbonden met de periode na Jezus' aardse leven, als hij koninklijke macht zal uitoefenen in het kader van de verwerkelijking van Gods souvereine heer­schappij op aarde (8:38-9:1; 14:62).

 

Indien we moeten aannemen dat de enige reden waarom Jezus' messias-zijn in het geding kon komen bij het verhoor door Pilatus gelegen was in het feit dat de aanduiding 'Messias' al in de voorafgaande tijd gebruikt was in verband met Jezus, waar­schijnlijk ook door Jezus zelf, dan is het heel goed mogelijk dat Marcus herinneringen aan de feitelijke gebeurtenissen had bewaard. Jezus kan zichzelf gezien hebben als een profetische Zoon van David, geroepen om het evangelie te verkondigen en demonen uit te drijven om zo Gods Koninkrijk in te luiden, en bestemd tot het uitoefenen van volledige koninklijke macht in de nabije toekomst.

 

Als dat zo is, kon hij zichzelf, net als David, inderdaad beschouwen als de gezalfde van de Heer; en wel niet alleen in de toekomst, maar reeds gedurende zijn profetische activiteit in Galilea. Hij werd ook als zodanig erkend door zijn leerlingen, zoals Marcus 'kennelijk gestileerde, prototypische verhaal van Petrus' belijdenis duidelijk wil maken.

Jezus' mes­sias-zijn kon misverstaan worden - en werd dat feitelijk ook ­door sommigen van zijn volgelingen en velen van zijn tegen­standers, maar er is geen reden om te ontkennen dat hij zichzelf waarschijnlijk zag als de gezalfde van de Heer, in de boven aangeduide zin.

We kunnen hiervoor geen afdoend bewijs aanvoeren. Maar de zojuist voorgestelde reconstructie laat ruimte voor continuïteit, ook wat betreft het gebruik van de aanduiding 'Messias', in de tijd vóór en na Pasen.

 

Het is bepaald eenzijdig, zo niet onjuist, om de titel Messias uitsluitend te verbinden met koninklijk machtsvertoon, om dat dan als reden aan te voeren voor de stelling dat Jezus pas na zijn rechtvaardiging door middel van zijn opstanding Messias genoemd kon worden.4o De gebeurte­nissen rond Pasen bevestigden het daarvóór levende geloof in Jezus Christus en de verwachtingen omtrent zijn toekomst en die van hen die bij hem betrokken waren. Het paradoxale gegeven van een naar Israël gezonden Messias die aan het kruis ter dood werd gebracht versterkte de noodzaak van een verkla­ring van de betekenis van zijn dood, zoals we zagen. Déze Messias was inderdaad een zeer uitzonderlijke dienende Messias.

 

 

Jezus nalatenschap aan het Christendom

Schets voor een christologie

H. M. Kuitert

Jezus: nalatenschap van het christendom<br>



H.M. Kuitert
Jezus: nalatenschap van het christendom
H.M. Kuitert

 

 

De auteur, emeritus-hoogleraar van de Vrije Universiteit in Amsterdam, deed in recente jaren al van zich horen met "Het algemeen betwijfeld christelijk geloof" (1992) en "Zeker weten" (1994). Dit boek is in zekere zin een vervolg hierop. In deze studie onderzoekt Kuitert de kerkelijke leer omtrent de persoon en het werken van Jezus Christus. Hij constateert zeer uiteenlopende visies: van iemand die de slavendood stierf tot goddelijk heerser, van mens van vlees en bloed tot Zoon Gods. Twee eeuwen theologisch onderzoek naar de "historische Jezus" leiden hem tot de kern: de joodse rabbi Jezus van Nazaret, die zijn volk wilde terugleiden naar het wezen van het joodse geloof. Kuiterts daarop gebaseerde krachtige uitspraken over het belang van Jezus in de omgang met God en over de opdracht van de christelijke kerk in de wereld maakten van deze studie meteen al bij de verschijning een veelbesproken boek, zowel binnen als buiten de kerk. Daarmee is een plaats in de collectie van menige openbare bibliotheek al gerechtvaardigd. De puntige schrijfwijze en de meeslepende stijl maken dit boek bovendien goed toegankelijk voor een breed publiek.

(Biblion recensie, Drs. P.F. Goedendorp.)

 

Woord vooraf

 

Zich samen onveilig voelen is een vorm van veiligheid.

HERMAN DE CONINCK

 

Dit boek is niet een geduldige uitleg van Jezus Christus aan tragen van geest of kittelachtigen van gehoor. Ook niet een opruiming onder de vele versies van Jezus die vandaag de religieuze markt over­stromen, al hoop ik wel dat mensen die het lezen, zich er wat beter tegen bewapenen. Maar dat wens ik ze evenzeer toe als het om de verlokkingen van kerkelijke Christus gaat. Ook die is niet de echte.

Voordat de lezer op het verkeerde been gaat staan: ik ben al evenmin bezig met een poging om de echte, maar nu dan de echte 'echte'

Jezus onder het stof van de traditie vandaan te halen. De echte ken­nen wij niet, we kennen alleen wat ze van hem hebben gemaakt.

Daarover gaat dit boek: wat ze van Jezus gemaakt hebben, vanaf de eerste aanhangers tot op heden, is het thema. Lees het als een soort receptiegeschiedenis van de evangeliën, en veel van de nesten waar­in zowel de kerken als de buitenkerkelijke aanhang van Jezus zich hebben gewerkt, zal in patroon vallen. Dus opheldering, dat is het eerste wat de lezer mag verwachten (en mij mag verwijten als hij dat niet krijgt) .

 

Ik laat de lezer niet met het mes in de buik zitten, er is ook een stand­punt aanwezig, een inzet op een bepaald punt, waarvan ik verwacht dat ze de baaierd van opvattingen achter zich kan laten, een reini­gend effect heeft op religieuze aspiraties waaraan Jezus wordt onder­worpen, en zelfs als een hanteerbare wijze van omgang met de chris­telijke geloofstraditie kan dienen. Ook dat mag de lezer dus verwachten.

Of alles naar zijn zin is, staat niet aan mij. Wie niets wil weten, noch hoe alles kon lopen zoals het liep, noch waarom het christendom vastloopt in wat het in het zadel hielp: zijn christologie, moet dit boek niet lezen. Het zal hem maar onrust brengen, en onrust is las­tig. Daarom zijn veel mensen er niet op gesteld, vooral niet als het om geloofszaken gaat, want die zijn er toch om rust te geven? Ik denk daar anders over. Niets tegen rustgevende religie, maar dan wel met open ogen voor alles wat daarin wankel en wiebel is. Dat hoort bij geloven.

 

Het gaat in dit boek over Jezus, over Jezus als de Godmens van de klassieke kerkelijke leer zowel als de Jezus van de vrije producties van vandaag. Beiden wijs ik af, om verschillende redenen, maar vanuit een en dezelfde gezichtshoek: in elke Jezus-versie moet minstens Jezus van Nazareth passen. Wat is een christologie zonder hem? Christusfiguren als fantasieverwerking van Jezus gaat dus niet. Hem als een tweede God aanprijzen al evenmin, want daarvoor heeft hij zichzelf nooit uitgegeven. Jezus is niet de opvulling van het godvor­mig gat in onze cultuur. Hij gaat, als instrument van God, met God op of onder.

 

Het is dus een boek dat zich meer met de leer bezighoudt. Daar hou­den mensen niet van, ze zien het als twisten over de vraag hoe een luchtkasteel eruit moet zien. Zelfs kerkmensen krijg je er niet meer voor wakker. Wie of wat God is, wat je van Jezus moet denken - ker­ken willen scoren, en dat gaat niet met leer. Dat vind ik ook. Maar

Jezus bestaat nu eenmaal, de christelijke kerk is ernaar genoemd en onderzoek naar wat er van hem gemaakt is en waarom, lijkt mij een zinnige vorm om met de christelijke traditie bezig te zijn.

Ik ga zelfs verder en vat bezig zijn met de leer op als een vorm van pastoraat: opheldering, verlichting als men wil. Dat is de functie van theologie: ze schrijft niet voor maar licht voor. Ik probeer gelovigen en niet-gelovigen aan een verbreding van de horizont te helpen. Dat gaat ten koste van nestwarmte, ik weet het, het is een van de redenen waarom mensen er bang voor zijn. Maar de beloning bestaat in wat meer greep op de ontwikkeling, in inzicht in wat ons en anderen be­weegt, in de mogelijkheid van zelfkritiek.

 

Waarom dit boek geschreven? Het hield mij al langer bezig, die over­vloedige, overstromende verering van Jezus in de christelijke kerk. Te veel van het goede, te veel een verplicht nummer om alle christe­lijke taal tot Jezustaal te maken. Kon het ook zijn dat we iets anders bedoelen dan we zeggen? Voeg daarbij de immer uitdijende ge­bruiksmogelijkheden die Jezus, de Godmens van de kerkelijke chris­tologie, aan uitgehongerde religieuze mensen blijkt te kunnen bie­den, en de jungle van opvattingen die de ronde doen is compleet.

 

Waarom schrijft iemand een boek? Wat geformuleerd is, is niet langer chaos, las ik bij Jeroen Brouwers. Dat dus allereerst, je schrijft om erachter te komen wat je denkt. En niet om anderen voor te schrij­ven wat zij moeten denken. Maar wie schrijft wil ook gelezen worden, anders liet hij het manuscript wel in de la liggen. Ik ga er - dat blijkt dus - vanuit dat ik anderen kan helpen hun chaos op te ruimen.

 

Amstelveen, 15 maart 1998


Een ingreep in de leer. Moet dat?

 

Welke christologie is meer gerechtvaardigd en welke minder, en ten overstaan van welke instantie moet die rechtvaardiging dan plaats hebben? Aan deze vraag, en een antwoord erop, is dit boek, in hoofdzaak, gewijd. Om geen valse voorstellingen te wekken zeg ik hier alvast, dus meteen aan het begin, dat ik wel ergens uitkom, maar niet bij de restauratie van de kerkelijke Christus, laat staan dat ik die tot maatstaf voor de christologie verhef.

Evenmin sta ik onkritisch tegenover de wilde christologieën (zo heten ze in dit boek) die we buiten het erf van de christelijke kerken tegenkomen. Niet omdat het vrije producties zijn (de kerkleer is dat ooit ook geweest), integendeel, ze verdienen respect vanwege de scheppingsdrift, de fantasie die er menigmaal uit spreekt. Maar dat is nog geen reden om er bijval aan te verlenen. Naar twee kanten zet ik mij dus schrap, ik onderneem een kritische evaluatie van de wilde christologieën, maar oefen een net zo stevige kritiek op de kerkelijke Christus uit.

Dat gaat aan de hand van een en hetzelfde concept van een christo­logie. Ik zet op een ander punt dan de kerkelijke in, namelijk bij Jezus als aanhanger van de joodse godsdienst, en wil met behulp van die inzet de kerkelijke verering van Jezus tot passende proporties te­rugschroeven. Het boek behelst dus een voorstel daarvoor, in schets­vorm, dat wel, maar niettemin een serieus bedoeld voorstel.

 

Dat betekent dus een ingreep in de kerkelijke leer. Weliswaar in ter­men van vereenvoudiging ervan, waardoor zo'n ingreep er wat aan­trekkelijker uitziet. Niettemin, een ingreep, en de vraag is: moet dat echt? Een alternatief zou zijn niet in de christologie om te romme­len, maar alles te laten zoals het is. Met het argument dat het tenslot­te niet om de leerstellige verantwoording gaat, maar om het geloofs­geheim van Gods aanwezigheid in onze wereld, waar geen subtiliteit van welke redenering ook aan kan tippen. Ik houd dat voor een al­ternatiefwaar veel voor te zeggen is. Mensen die er zo over denken, hoeven mijn boek niet te lezen; ze zullen er geen plezier aan bele­ven. Waarom ikzelf die kant niet op ga, heeft te maken met de onmo­gelijkheid om zo'n versie van de christologie nog aan te haken bij wat we dan de historische Jezus noemen. Voor mij is dat een voor­waarde voor instemming met welke christologie dan ook. Dat bedoel ik niet als protest tegen geloofsgeheimen, maar geloofsgeheimen zadelen ons niet op met ongerijmdheden, of beter nog: ongerijmd­heden tot geloofsgeheimen verheffen loopt te gemakkelijk uit op het ontlopen van intellectuele eerlijkheid.

 

 

HET SYMBOOL VAN HET KRUIS

 

De verdeeldheid opheffen is het grote doel van de schepping. De zin van ons leven is het zoeken naar de wijze waarop de verdeeldheid kan worden opgeheven. Zelfkennis en broederschap of naastenliefde zijn de meest bekende methodes om dat te bereiken. Elke inwijding in de bovennatuur­lijke waarheid is de bevrijding van een stukje onwetendheid. Om tot kennis van die waarheid te komen is het goed om symbolen te doorgronden. Alle religies maken gebruik van symbolen. Het centrale symbool in het christen­dom is het kruis. Door het lijden van Christus is de aandacht van veel christenen blijven steken bij de martelpaal. Maar het kruis is meer. Fysiek gesproken maakt het de opstanding mogelijk. Als teken bakent het de ruimte af, waarop de ziel gekruisigd is. Een gekruisigde ziel kan het lijden alleen overwinnen door zich samen te trekken in het hart van het kruis om vandaar uit verder op te stijgen naar de top van de staande balk. Hier raken we het geheim van de hemelvaart.

De dwarsbalk stelt het over het aardoppervlak gespreide horizontale leven voor. De staander is de geestelijke levensboom, die gegrondvest in de onderwereld, zich uitstrekt naar de hoogste hemel. Het snijpunt van beide balken is de plaats van het hart. De in het hart samengetrokken krachten kunnen zich in twee richtingen openbaren: naar opzij in de wereld en langs de staander in de geest. De zin van het kruis is de mogelijkheid om te kiezen tussen de weg van de wereld en de weg van de geest. Christus koos de weg van de Geest. Toen hij zich in het hart van het kruis bevond maakte hij zijn keus aan de wereld bekend. "Mijn rijk is niet van deze wereld". Zich over­gevend aan de dood verwierf hij het eeuwige leven.

Het christelijke kruis vertegenwoordigt in de symboliek zowel de levens­boom als de ruggengraat. Van onder naar boven liggen de krachtpunten, die bekend zijn als de chakra' s. Toen Jezus leed was zijn levenskracht samen­getrokken in de hartchakra. Bij zijn opstanding steeg zijn energie naar de keelchakra en bereikte het punt vlak boven het hart. Als ingewijd meester ontglipte hij aan de vangarmen van de dood. Op dat moment lag er een verdere stijging in het verschiet. De zesde en de zevende fase lagen nog voor hem. Zijn hemelvaart, beschreven in het eerste hoofdstuk van de Handelingen, is een allegorische schildering van zijn opgang naar de chakra in het voorhoofd.

Achter de allegorie schuilt de bewustwording van het derde oog. Een geweldige uitbreiding van het bewustzijn is zijn beloning. Elk weten is zonder grenzen. Alle geheimen worden doorgrond. Er is geen onzekerheid meer. Als geen ander weet de ingewijde, dat alleen liefde de wereld kan genezen van haar slopende kwalen. De uitstraling van Alomvattende Liefde beschouwt hij als zijn eerste taak. Zonder enige reserve stroomt het liefdeslicht uit naar de harten van alle mensen, die ervan opnemen wat zij kunnen verdragen.

Er is nog een zekerheid. Als adept van het Derde Oog is hij bevrijd uit de kringloop der geboorten. De noodzaak tot nieuwe reïncarnaties is wegge­nomen omdat hij voortaan de goddelijke krachten onbelemmerd kan reflecteren. Enig stoffelijk voertuig is daar niet voor nodig. Als zelf levend, zelfstralend en zelfgevend wezen kan hij op aarde niet meer bestaan. Zijn uitstraling zou zo overweldigend zijn, dat niemand meer in zijn omgeving zou kunnen komen. Waar Pasen het feest van de overwinning op de dood is, daar is Hemelvaartsdag het feest van de overwinning op de reïncarnatie.

 

REÏNCARNATIE EN WEDERGEBOORTE

 

Het Christendom leert de reïncarnatie niet expliciet. De bijbel ontstond in een milieu dat de reïncarnatieleer kende, maar Christus zelf leerde de wedergeboorte. In het beroemde gesprek met Nicodemus horen we Jezus antwoorden: "Tenzij iemand wederom geboren wordt kan hij het Konin­krijk Gods niet zien." Verbijsterd kijkt Nicodemus hem aan. Natuurlijk kende hij de reïncarnatieleer. Plato en Pythagoras geloofden erin evenals de Essenen en nog andere Joodse sekten. Maar voor hem kwam de uitspraak van Jezus als een donderslag bij heldere hemel. "Kan een mens dan voor de tweede maal de moederschoot ingaan en opnieuw geboren worden?" Nu wordt Jezus duidelijker. Hij antwoordt: "Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan." Zoals we eerder hebben gezien spreekt Jezus over de inwijdingsdopen door water en Geest. Hij rept niet over reïncarnatie. De geboorte uit water en Geest is de wedergeboorte tot een geheel nieuw bewustzijn. Niet de geboorte in het vlees, maar de geboorte in de Geest is voor Jezus het doel. Dat wordt met zoveel woorden aan Nicodemus uitgelegd.

Het geheim van zijn leer is niet zijn cryptische manier van zeggen, maar de snelheid waarmee het einddoel kan worden bereikt. Leven volgens de richtlijnen van de Bergrede helpt iemand binnen een leven van zeventig jaar een heel eind in de goede richting. Jezus wil de mensen zo stimuleren, dat ze maar één belichaming op aarde nodig hebben om tot God te komen. Hij leert ons om de reïncarnatie over te slaan.

Vraag is of dat kan. Volgens een uitspraak in een van de heilige Hindoe­geschriften moet het mogelijk zijn om binnen een enkel aards bestaan tot eeuwig leven te komen. De Isja-Oepanisjad opent er zelfs mee. "Alles wat leeft is vol van de Heer. Eis niets op, geniet van zijn bezit, doch begeer het niet. Hoop vervolgens honderd jaar te leven en uw plicht te doen. Geen andere weg kan beletten u te binden aan uw daden, trots als u bent op uw menselijk leven." Zo wijst de oude wijsheid van India op de mogelijkheid om binnen een godgetrouw leven van honderd jaar het levensdoel te bereiken. Geen andere weg is mogelijk. Waarschuwend klinken dan de volgende woorden: "Zij die het Zelf verloochenen keren na hun dood terug tot een geboorte zonder God, blind en gehuld in duisternis." Met andere woorden: wie de raad in de wind slaat reïncarneert.

Op soortgelijke wijze sprak Jezus in zijn Bergrede. In Mattheüs 6 lezen we veelbetekenende woorden: "Gij zult geenszins uit de gevangenis komen, tot eer gij de laatste penning hebt betaald." Natuurlijk is de makkelijkste weg om hierin de betaling van een financiële schuld te zien. Maar dat is alleen het beeld, dat Jezus de mens voor ogen stelt. De gevangenis is het lichaam, dat in de oude wijsheid veelvuldig de kerker van de ziel wordt genoemd. Met "de laatste penning" wordt de innerlijke schuld bedoeld, die wij aan anderen hebben. In het oosten spreekt men van karma, een Sanskriet woord dat betrekking heeft op de gevolgen van handelingen. De reactie op handelingen kan over meerdere levens heen zijn gevolgen oproepen. Volgens Jezus kan de verlossing van de ziel pas een feit zijn als er geen karmische schulden meer over zijn.

Verreweg de meeste mensen op aarde slagen er niet in om zo te leven als door de Bergrede en de Isja-Oepanisjad wordt bedoeld. Eén leven is op geen stukken na voldoende om alle morele schulden af te betalen. De ziel zal naar andere middelen moeten zoeken om toch te kunnen voldoen aan de karmische wetten van oorzaak en gevolg. De oplossing ligt in meerdere belichamingen. Nadat het lichaam is afgelegd leeft de ziel voort op het niveau van gevoelens en gedachten. Daaruit kristalliseert zich een behoefte­patroon voor een nieuwe incarnatie, die de mogelijkheden biedt tot het aflossen van bepaalde schulden. In de reïncarnatieleer wordt rechtvaardi­ging gevonden voor het vele onrecht in de wereld, voor vroege sterfgeval­len en voor buitengewone bekwaamheden.

Niet alle vragen zijn op bevredigende wijze met de reïncarnatieleer te beantwoorden. Daarvoor zijn de goddelijke wegen te ondoorgrondelijk en is ons begripsvermogen te zwak. Toch hoeft het weinig moeite te kosten om in te zien, dat de reïncarnatie de weg plaveit naar de wedergeboorte in goddelijk bewustzijn.

 

KRINGLOOP DER GEBOORTE

 

Een van de oorzaken van reïncarnatie is de spraak. Als tolk van onze gedachten verhindert de tong de geestelijke groei. De schrijver van de Jacobusbrief zegt het onomwonden: "De tong neemt haar plaats in onder onze leden als iets wat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet." Met de spontaniteit van een kind logenstraft de bijbelse briefschrijver de beweringen dat de bijbel de reïncarnatieleer niet kent. Met het gemak van een kosmopoliet ventileert hij zelfs een puur Hindoeïstisch beeld. Zijn "rad der geboorte" kan gevonden worden bij de derde persoon van de Hindoe-triniteit Shiwa, die dansend wordt afgebeeld in een geboorte­rad vol kleine vlammen. Elk vlammetje is een lichamelijk leven. Zo snelt de ziel van het ene lichaam naar het volgende. Elke lichamelijke entiteit noemt zichzelf "ik". Zijn bestaan vanaf zijn geboorte tot zijn dood noemt hij leven. Hij vergeet dat zijn werkelijk bestaan zijn zielenleven is, dat zich openbaart in steeds nieuwe belichamingen op verschillende plaatsen en in andere situaties. Dat grote leven is het inwijdingsproces, waarvan ons kleine bestaan maar een onderdeel is. Uiteindelijk bereikt de aan haar reïncarnaties lijdende ziel haar verlossing. Het gevaarlijke kruispunt is bereikt. Zij verkiest de dwarsbalk te passeren en haar weg naar boven te vervolgen. Zo doorleeft ze haar opstanding om daarna voort te gaan in haar onstuitbare hemelvaart.

Het reïncarnatiegeloof heeft de laatste vijftig jaar veel aanhangers gekre­gen. Dat kan te danken zijn aan grotere bekendheid met de oosterse wijsheid. Een andere oorzaak is de hang naar een stoffelijk bestaan. Reïncarnatie als een feitelijk materialistisch geloof, is een ontsnappings­clausule voor mensen die bang zijn voor de dood.

Is reïncarnatie te bewijzen? Voorlopig lijkt het wetenschappelijk bewijs verder weg dan ooit. Een van de belangrijkste onderzoekers, de Ameri­kaanse prof. Ian Stevenson, komt in de verslagen van zijn onderzoek van twintig vermeende gevallen van reïncarnatie tot de slotsom, dat de reïncar­natie vrijwel niet te bewijzen is. Elke onderzoeker hanteert weer andere normen voor een bewijs. Zelf analyseerde Stevenson een twintigtal geval­len zo grondig, dat elke objectieve lezer tot geen andere conclusie dan reïncarnatie kan komen.

Twintig jonge kinderen hadden herinneringen aan een recent afgesloten vorig leven. In alle gevallen was het mogelijk om de herinneringen te controleren. Een compleet team van specialisten hield zich ermee bezig. Telkens weer bleken de herinneringen nauwkeurig met de werkelijkheid overeen te stemmen. Er was geen speld tussen te krijgen en het is bijna niet mogelijk om aan de reïncarnatieleer te ontkomen. Desondanks spreekt Stevenson in de titel van zijn boek van "vermoedelijke reïncarnatie". Zelf is hij overtuigd van de reïncarnatiehypothese in deze twintig zeer overtui­gende gevallen. Maar als geleerde moet hij andere maatstaven aanleggen en die nopen hem tot een beroepsmatige voorzichtigheid.

De meeste beschouwingen behandelen de therapie, waarbij met regressie wordt gewerkt. Ter behandeling van een psychisch trauma wordt een patiënt steeds verder teruggebracht in zijn herinnering. Plotseling over­schrijdt hij de grens van zijn geboorte en krijgt flitsen van een vroeger leven. In enkele gevallen is controle achteraf mogelijk. Meestal kan dat niet en moeten we afgaan op de juistheid van de therapie. Vrij overtuigend lijkt het onderzoek naar bepaalde merktekens als moedervlekken of aangeboren littekens, die soms terug te voeren zijn op verwondingen in een vorig leven. Ook bepaalde talenten kunnen wijzen op herleefde vaardigheden uit een vroeger bestaan. Spontane herinneringen door associaties komen ook voor. Maar wettig en overtuigend zijn ze geen van alle bewezen. Evenals aan het bewijs van het voortbestaan na de dood worden de reïncarnatieleer stren­gere maatstaven aangelegd dan in gevallen, waarin een simpel experiment voldoende is om een resultaat te herhalen. Dood en reïncarnatie lijden onder de onmogelijkheid om tot een experimenteel herhaalbaar resultaat te komen.

Esoterisch materiaal heeft geen bewijskracht. Integendeel, scepsis en twijfel plaatsen de opvattingen van de esoterische organisaties in een verdachte hoek. Onze westerse maatschappij is nog steeds zeer materialis­tisch georiënteerd. Als zaken niet functioneel zijn neemt men niet de moeite om ze te onderzoeken. Maar met een oordeel staat men snel klaar.

 

 

Bron: Het gnostisch alternatief – Johan M. Pameijer

Het ware offer

 

Nogmaals stellen we ons de vraag: wie was de Christus? Menselij­ke retoriek maakte van de religie een ingewikkeld bouwwerk. Huizenhoog kijken wij aan tegen de relatie tussen mens en God. Niet­temin is de essentie buitengewoon inzichtelijk. Het enige waar het om gaat is terugkeer in de schoot van de Eeuwige. Die weg is lang en moeizaam, maar het principe is even eenvoudig als de oplossing van alle wereldproblemen kan zijn als iedereen begrip heeft voor de belangen van de ander en zijn eigen belangen terzijde stelt.

 

Als het prototype van de mens is Jezus Christus enerzijds mens en an­derzijds Geest. De betrekking tussen beide uitersten is de ziel, het spanningsveld tussen de tegendelen. In het leven gaat het erom de sterfelijke Ik-pool op te offeren terwille van de eeuwige pool van het onsterfelijke Zelf. Dat is wat Jezus zichtbaar maakte in de my­the van Christus. In het openbaar doorliep hij de inwijdingsrituelen ter opwekking van zijn geestelijk bewustzijn. In de mate waarin zijn spiritualiteit toenam ervoer hij het beperkende leven op aarde meer en meer als een lijdensweg, die uiteindelijk geconcretiseerd werd in de kruisiging en de volledige transformatie van het bewust­zijn, uitgedrukt in de opstanding.

 

De mens is een dualiteit van lichaam en geest met de ziel als het psychische spanningsveld. In navolging van Christus zou hij zich eigenlijk naar binnen moeten keren (de doop), het spanningsveld van zijn ziel moeten oversteken (de verheerlijking) om ten slotte op te gaan in het licht (de opstanding). In het algemeen gesproken is deze inwijdingsweg niet aan de actieve westerlingen besteed.

 

On­afgebroken concentratie op de lichamelijke pool houdt het egoïsme in stand en vervreemdt de mens van de goddelijke pool. De verlei­dingskunst van de materie is zo uitgebalanceerd dat de bereidheid tot offeren uitermate gering is. Sinds mensenheugenis echter houdt een onvoorstelbaar aantal religies de mensheid haar innerlijke heel­heid als een ideaal voor ogen. Hoewel het resultaat vooralsnog zeer mager is, blijven de wereldreligies bezig de goddelijke heelheid in de verdeelde mensenwereld te promoten. Ieder doet dat op zijn ei­gen wijze. De manier van Johannes verdient zeker onze aandacht.

 

Aan het pijnlijke losmakingproces van Jezus gaat een gebeurtenis vooraf, die zijn innerlijke heelheid in het heldere daglicht plaatst. Met krachtige hamerslagen hebben de soldaten hem aan het kruis vastgenageld. Met behulp van touwen werd het kruis rechtop gezet. Als een schreeuwend protest tegen alle onrechtvaardigheid prijkt het nu in de ruimte bovenop de berg van vormwording in balling­schap. Medelijden kennen de soldaten niet. Ze hebben al zoveel misdadigers aan het hout gespijkerd. Snel grijpen ze zijn kleren bij elkaar en trekken zich terug.

 

Hun ordinaire hebzucht wortelt in de­zelfde psalm, die aanving met de troosteloze woorden: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’216

Het negentiende vers bezit voor deze mannen een onbuigzaam gezag: 'Zij verdelen mijn kleren en werpen het lot over mijn gewaad.'217

Slaafs, alsof het om een dwingende opdracht ging, volgen de soldaten deze tekst van de voorchristelijke psalmist na. Je zou kunnen denken aan een onbe­heersbare jacht op de relikwieën van een bijzondere man. Maar dan gaan we voorbij aan het verborgen signaal van deze grove diefstal.

 

Jezus droeg een linnen gewaad over een eenvoudig onderkleed. Met dit bovenkleed was niets aan de hand. Begerig scheurden ze het in vieren en elk van de vier soldaten kreeg zijn deel van de buit. Maar het ondergewaad plaatste hen voor een verrassing. Het liet zich niet verdelen, want het was zonder naad uit één stuk geweven. De evangelist maakt nadrukkelijk melding van dit zo op het eerste gezicht oninteressante feit.

 

Voor ons is het een bevestiging van het dubbele karakter van Jezus. Opnieuw wordt zijn tweevoudigheid van menselijkheid en goddelijkheid blootgesteld aan het licht. In­middels zijn wij vertrouwd met het alter ego van Jezus, zijn samen optrekken met Simon van Cyrene, zijn polariteit met Judas, zijn medebeklaagde Barabbas en zijn schuldbewuste lotgenoot aan het kruis. Nu worden wij geconfronteerd met de twee kledingstukken: het oppergewaad dat zich in vieren laat delen en het ondeelbare on­derkleed.

 

De symboliek van deze scène laat geen enkele ruimte voor misver­standen. De vier stukken waarin het oppergewaad zich laat ver­scheuren vertegenwoordigen de menselijke wereld, die ook is afge­beeld in het kruis. Uitgestrektheid in tijd en ruimte wordt geken­merkt door het cijfer vier, zoals er ook vier rivieren ontsprongen in het paradijs als symbool van de zich in alle richtingen ontvouwen­de schepping. Verder herinneren we ons de exodus, die een bewustzijnsreis voorstelde van de vierheid naar de eenheid.

 

Het on­derkleed staat model voor de heelheid van het goddelijke. Met dit gewaad konden de soldaten weinig beginnen. Het gaf hen een indi­catie van een bewustzijn waar ze, vastgeketend aan de slavernij van de vierheid, niets van konden begrijpen. Zo onthult de bijbelse symboliek ons de waarheid van het goddelijke bewustzijn, waarin Jezus zich heeft teruggetrokken.

 

Ook het niet breken van zijn be­nen kan op deze wijze worden verklaard. Hoewel dit twijfelachtige voorrecht ook weer berust op een oudtestamentisch voorschrift (Exodus 12:46), kan het worden teruggevoerd op de onverbreke­lijkheid van het in heelheid opererende goddelijke.

 

De onweerstaanbare drang oeroude profetieën tot in de kleinste de­tails te vervullen, plaatst ons voor een raadsel. Het zou niet in ons hoofd opkomen de voorspellingen van Nostradamus te realiseren in het heden. De traumatische gehoorzaamheid aan vroegere voor­schriften is wellicht terug te voeren op de angst voor goddelijke vergelding. De beulen van Jezus hadden een totaal ander godsbe­grip dan de man die zij kruisigden. Zij waren niet bij machte hem anders te zien dan als de vertoornde stamgod, wiens wraakzucht zijn volk voortdurend bedreigde. De liefdevolle God van de onver­brekelijke heelheid was hun volkomen vreemd.

 

Voor deze mensen had Zacharia 12:10 zoveel gezag, dat een van de soldaten het ge­martelde lichaam van Jezus doorstak met een speer. Bloed en water spoten tevoorschijn uit de verse wond. Zouden deze vloeistoffen de voorbode kunnen zijn van de eucharistie?

Zoveel eeuwen later krijgen we in de gaten dat we onze mening over het kruisigingverhaal moeten bijstellen. De profetieën van het Oude Testament zetten het noodlot van Jezus in gang. De ene partij zag in hem de lijdende knecht des Heren, terwijl de andere zijn messiaanse aspiraties miskende.

De waarheid was onderge­schikt aan de realisatie van oude voorzeggingen. Het geloof der va­deren leverde de ingrediënten voor een belijdenis die eeuwen later de cultuur zou beheersen. Trouw aan hun afkomst schreven de evangelisten de zichzelf vervullende profetieën op in een milieu dat als een spons ook Griekse, Perzische, Egyptische, Soemerische en zelfs Indiase invloeden opzoog. Het valt te betwijfelen of ze er enig vermoeden van hadden dat hun geschriften uitingen waren van een onvervalste samensmelting van ideeën uit verschillende re­ligieuze bronnen. Hun verkondigende boeken konden geen voort­zetting van het zuivere jodendom zijn.

 

Doorspekt met verhalen, ge­zegden, gelijkenissen uit andere bronnen schonken de evangelisten de wereld een geheel nieuwe religie. In werkelijkheid heeft het christendom evenveel van de mysteriewijsheid als van het joden dom in zich opgenomen. In dat licht krijgen de verhalen van kruis­dood en opstanding een veel bredere betekenis en is Jezus minder de verwachte Messias dan het voorbeeld van de Helleense ingewij­de.

 

Dit wordt bevestigd door het optreden van Jozef van Arimathea. Marcus beschrijft hem als een man die ook zelf het Koninkrijk van God verwachtte. Matteüs noemt hem een discipel van Jezus. Merk­waardig overigens dat deze trouwe aanhanger verder nergens wordt genoemd. Uit het niets treedt hij naar voren en eist meteen een hoofdrol voor zich op. De Arimatheër verzoekt om overdracht van het lichaam van Jezus, wikkelt het in zuiver linnen en legt het te ruste in zijn eigen grafkamer. In de legendevorming staat Jozef van Arimathea te boek als de man die Jezus - en wellicht ook diens echtgenote Maria Magdalena - hielp vluchten naar Zuid-Frankrijk of zelfs Zuid-Engeland. Dit geeft wel aan hoe belangrijk de man van Arimathea gevonden wordt. Het vermoeden dat hij een zeer hoog ingewijde was vindt bevestiging in de Griekse naam arima­thea, die staat voor 'hoogte' of 'hoge plek'. Deze plaats wordt er­gens in het bergland van Efraim ten noordwesten van Jeruzalem gesitueerd en draagt dan de Hebreeuwse naam Ramathaim-Zofim. Ook die naam verwijst naar de status van een hoog ingewijde.

 

De betekenis 'bewakers van de hoogte' laat aan duidelijkheid niets te raden over. Jozef van Arimathea is de personificatie van een inge­wijde met diepe inzichten in de mysteriewijsheid. Bij uitstek is hij de geschikte persoon om het lichaam van Jezus in zijn inwijdings­kamer te brengen. Misschien treedt hij zelfs op als priesterlijk be­geleider van de leerling in diens grafvertrek. In het graf ondergaat de leerling de rituele dood zoals dat eeuwenlang gebeurde in het binnenste van de mysterietempels. Pas na de ontdekking van het gnostische Evangelie van Philippus rees het vermoeden, dat het best eens het bruidsvertrek zou kunnen zijn, waar 'de heilige din­gen der heiligen,218 worden onthuld. Want, schrijft Philippus: 'Als iemand een zoon van het bruidsvertrek wordt zal hij het licht ont­vangen.’219

Dit licht wordt ook wel 'de achtste dag' genoemd, om­dat het een nieuw begin is na de voltooide zeven.

­

 

Bron: De Mythe van Christus– Johan M. Pameijer

Ankh Hermes ISBN 90 202 8154 2

 

Jezus

Trouw aan de liefde

 

Tussen Socrates en Jezus van Nazareth bestaan een aantal opmerkelijke overeenkomsten. Beiden vielen als martelaar voor de waarheid en werden veroordeeld door een rechtspraak, die orde en vei­ligheid als hoogste deugden zag. En beiden bleven trouw aan hun roeping in het aangezicht van de dood.

Er zijn ook verschillen. Socrates neemt de gifbeker tot zich, alsof het een bijkomstigheid is, Jezus vraagt God hem voor die beker te sparen. Hierin ligt een andere opvatting ten aanzien van de dood, die onmiskenbaar is.

Daarentegen is het verweer van Jezus voor zijn rechters sober en afwerend, terwijl Socrates in zijn apologie niets achterwege laat om zijn rechters te overtuigen van hun dwaling. Ook hier een ver­schil van instelling, dat primair uit de cultuur zelf te verklaren is.

Socrates leefde in een statische beschaving en zag in zijn veroordeling niet iets wat met het wezen te maken had. Hij was volledig overtuigd van zijn onschuld en beleeft het hele proces als een outsi­der. Wat voor hem van wezenlijk belang is, zijn

de gesprekken met zijn leerlingen. Daarbij is hij existentieel betrokken, niet met het vonnis, dat hij eigenlijk niet au sérieux nemen kan. Vrouwen kinderen stuurt hij weg, omdat dit zijn einde te emotioneel zou maken en de rustige discussies zou verstoren. In de 'Phaidon' (handelend over de onsterfelijkheid der ziel) en de 'KrÏton' vinden we de neerslag van die laatste gesprekken.

 

Hoe geheel anders is het einde van Jezus. Hij be­seft, dat hij met zijn rechters niet discussiëren kan. Steeds duidelijker is het hem geworden, dat de zoon des mensen sterven moet. Maar dit betekent geenszins, dat hij het lijden zoekt. Neen, hij wil alleen het lijden niet vermijden, dat op zijn weg ligt.

Zo heeft Jezus de kruisweg aanvaard, toen deze onvermijdelijk bleek. En in tegenstelling tot Socrates is hij geheel bij dit lijden betrokken, is het kruis een existentieel gegeven in zijn leven gewor­den. Dat komt, omdat Jezus erfgenaam van een dynamische en historische cultuur was, die hals­reikend naar de messiaanse vervulling uitzag.

 

Om de zin van het kruis te begrijpen, dient men voor ogen te houden, dat Jezus zijn taak als mes­siaans opvatte, d.w.z. als eersteling in het komen­de messiaanse verbond. Maar pas geleidelijk aan­vaardde hij, dat lijden niet alleen pre-messiaans, doch messiaans was. Zonder lijden geen mes­siaanse verlossing en vervulling. Want in het lij­den vindt de confrontatie plaats tussen de hetero­geniteit en het reine zijn.

Daarom trachtte hij de joden een jood en de Grie­ken een Griek te zijn.

 

Radicaler was echter het optreden van Jezus zelf, die de joden een Griek

en de Grieken een jood was, om hen allen tot vol­ledig mens-zijn te brengen.

Het joodse volk verwacht de komst van de mes­siaanse wereld, waar de strijd opgeheven zal zijn, waar de wolf naast het lam zal grazen en geen tra­nen meer in de ogen der mensen zullen zijn. Maar deze messiaanse wereld komt niet van de ene dag op de andere, zoals men in een naïeve theologie vaak gedacht heeft, doch realiseert zich in de loop van eeuwen en eeuwen. Men kan het beste spre­ken van een messianiseringsproces.

De christelijke theologie is pas in deze eeuw tot het inzicht gekomen, dat de mens zelf een taak bij de voorbereiding van het messiaanse rijk heeft. Dit heeft geleid tot een sterker ‘diesseitigkeits’besef, een meer pragmatische instelling en een grotere wereld verantwoordelijkheid. De theoloog Harvey Cox spreekt van een bijbelse secularisatie, die juist het omgekeerde is van profanisatie. Deze seculiere instelling geeft de gelovige een opdracht in deze wereld, zonder van deze wereld te zijn.

Jezus was zich bewust, dat hij wegbereider van het Rijk Gods was, waarvoor hij zijn volgelingen in het Onze Vader leerde bidden.

Ook grote joodse godsdienstfilosofen uit de middeleeuwen en nieu­we tijd, zoals Maimonides, Nachmanides en rabbi Löw van Praag, waren bereid in Jezus de voorbereider der messiaanse era te zien, maar ontken­den zijn bovenmenselijke goddelijkheid.

 

Jezus zelf zag zich als 'bevestiger der Thora en de profeten', met andere woorden hij voelde het als zijn roeping de functie van Israël voor het aange­zicht van de gehele mensheid waar te maken, d.w.z. te bevestigen. Door een vervreemding ten aanzien van de joodse achtergronden van het evangelie heeft de kerk in 'de eeuwen van verblin­ding' (Paus Johannes) getracht het Oude Testa­ment vanuit Jezus te verklaren in plaats van om­gekeerd. Daardoor was men ook blind voor het feit, dat in oudtestamentische zin 'zoon Gods' het hele volk Israël was ('Dit is Mijn zoon, die Ik he­den uit Egypte geleid heb').

 

Jezus trachtte zoon Gods te zijn in de engere zin, d.w.z. in zijn eigen leven de totaliteit van Israël te concretiseren, als lijdende knecht Gods, als messiaanse mens en als overwinnaar van de dood.

Voor het joodse volk in Jezus' dagen was het niet gemakkelijk in hem de Messias, de christus, te zien. Dit hing samen met verschillende zaken. Men verwachtte van een Messias, dat hij als goël (bevrijder) zou optreden en het volk zou verlossen van de Romeinse heerschappij. Als nu blijkt, dat dit niet het geval is, en Jezus zelfs loyaliteit aan de keizer ('geef de keizer wat des keizers is') bepleit, wenden velen zich van hem af. Bij Judas leidt dit tot verraad, bij Petrus tot verloochening.

Teleurstelling baarde het ook, dat de messiaanse werkelijkheid niet op slag aanbrak. Velen hadden hun have en goed verkocht, omdat het Rijk Gods nu nabij was. Het was moeilijk te aanvaarden, dat het lijden nog zou voortduren.

 En hiermee raken we het derde punt. In het volksgeloof zou het lij­den een pre-messiaans verschijnsel zijn, maar niet tot de messianiteit zelf behoren. Men sprak over 'de barensweeën' van het messiaanse tijdperk. En nu komt Jezus en verkondigt - stellig na een innerlijke worsteling - dat de zoon des mensen nog lijden moet. Vermoedelijk is dit het grote conflict bij Paulus geweest. Plotseling werd hem duidelijk, dat een lijdende Messias in het heilsgebeuren een plaats had. Toen de schellen hem van de ogen wa­ren gevallen, werd hij apostel van een nieuwe heilsboodschap.

In Jezus werd een nieuwe mens geboren, die één met de Vader was. Hij zag zichzelf als eerstgebore­ne onder vele broederen en wekte anderen op het kruis te dragen. Maar de kern van zijn boodschap lag in de verkondiging, dat God liefde was en dat de mens als beeld Gods ook geheel liefde moest zijn.

Dit inzicht bleef hij trouw tot het kruis, waar hij nog vergeving vroeg voor zijn vijanden. Het oude woord, dat de liefde van de dood redt, heeft hij existentieel waargemaakt. Alle machten kunnen ons bedriegen, de dood kan ons in zijn greep krij­gen, de duisternis kan ons omvangen, maar de liefde overwint alles. Wie dit tot leidend beginsel in zijn leven maakt, is in staat anderen te leiden op weg naar de messiaanse wereld.

 

Bron: Wegwijzers der mensheid

Prof. H. van Praag

Ankh Hermes – ISBN 90 202 52526

 

 

De Antichrist en de wederkomst van Christus.

 

 

De vaststelling dat liefde energie is, zal waarschijnlijk eenvou­diger aanvaard kunnen worden dan de stelling dat ook de "antichrist" een energetische werking is. De christelijke wereld heeft altijd bijzonder zwaar aan het begrip "anti­christ" getild, zoals er ook wat afgetobd is over functie en inhoud van "kwaad". Er is een groot misverstand gerezen over wat dit werkelijk is. De antichrist is niet een persoon, een grote boeman, zoals velen veronderstellen. In de grond van de zaak is de antichrist gelijk te stellen aan de eerste straal van God, de energie van wil of macht, maar dan in zijn destructie­ve vorm. De antichrist kondigt inderdaad de wederkomst van de Christus aan, want het is datgene wat de oude structuren vernietigt om de weg voor het opbouwende element voor te bereiden. De oude vormen worden door de antichristkracht afgebroken en vernietigd om plaats te maken voor de nieuwe vormen, voor de binnenstromende, opbouwende energie, waar­in het Christusaspect zich kan manifesteren. Dat zien we overal om ons heen gebeuren. Het feit dat alle bestaande structuren ter discussie staan, dat overal de vertrouwde poli­tieke, economische, opvoedkundige en sociale instituten wor­den opgeblazen en vervangen, is het regelrecht gevolg van de invloed van deze afbrekende antichristenergie en de op­bouwende Christusenergie.

 

Deze antichristkracht heeft zich uitgewerkt tijdens de oorlog van 1914-1945, die door de Hiërarchie als één oorlog wordt gezien. Deze oorlog was op het stoffelijke gebied de uitdruk­king van een strijd, die in het astrale gebied al aan de gang was sinds Atlantische tijden tussen de krachten van het licht en de krachten van de duisternis, de evolutionaire contra de involu­tionaire krachten, tussen de Hiërarchie (hogere Meesters) en de materialistische krachten van deze planeet. De oorlog in Atlantis was er de oorzaak van, dat de Hiërarchie occult (verborgen) werd en sindsdien alleen vanuit de hogere mentale gebieden werkt.

 

Tot op dat moment werkten de Meesters openlijk in de wereld als de priesterkoningen, onder wiens leiding de Atlantische beschaving tot stand werd gebracht. Door het verslaan van de as-mogendheden werd aan de krachten van het kwaad op deze planeet een nederlaag toegebracht.

 

Bij deze formulering moeten we goed in het oog houden, dat het hier ging om het kwaad van álle mensen, niet alleen van de bevolking van de as-landen. De energie, die wij antichrist noemen, werd wel door bepaalde leiders in Nazi-Duitsland, in Japan en in veel mindere mate in Italië in zichzelf gebundeld, maar het blijft een energie, het is géén wezen of individu. De destructieve kracht van God zelf is dan ook geen "kwaad" in de waarde die wij aan dit woord hechten, maar komt ons slechts als zodanig voor zodra de involutionaire (diep in de materie verzinken)  krachten de evolutionaire ( de materie overstijgen) boog waarop we nu staan, overspoelen. Deze kracht is nodig om het stofaspect van de planeet in stand te houden, maar kan, bij een te sterk materialisme, de mensheid ervan weerhouden te vorderen op het evolutionaire pad.

 

De krachten van het kwaad zijn nu verslagen, niet vernietigd maar verslagen. Sinds 1966 is de energetische kracht van de krachten van het licht groter dan die van de krachten der duisternis. Tot op dat moment waren de krachten der duister­nis op een bepaalde manier in het voordeel, omdat zij werkten op het stoffelijke gebied, terwijl de Hiërarchie weerwerk moest leveren vanaf de hogere mentale gebieden. Nu de krachten van het licht de overhand hebben, kunnen de Meesters naar buiten treden, de wereld in, om samen met de mensheid te werken op het stoffelijke gebied, zodat nu alle krachten gebundeld kunnen worden: die van de Meesters, met die van de discipelen, de aspiranten en de mensen van goede wil. Hiermee is de laatste strijd tussen de krachten van

licht en duisternis nog niet gestreden; de werkelijke oorlog, de eindafrekening, zal plaatsvinden in het midden van het Steenboktijdperk, maar dan niet op de stoffelijke, maar op de mentale gebieden.

 

Hoe sterk deze krachten der duisternis zijn, moge blijken uit het feit, dat een te grote overvloed van "kwaad" op de evolutionaire boog heel goed zou kunnen leiden tot ver­woesting van de planeet. Het is zelfs zo, dat de planeet allang ten gronde gegaan zou zijn, ware het niet dat de hoogste Meester zelf bepaalde grote energieën, wezens, tot de wereld heeft geroepen om de krachten van het kwaad in te dammen.

 

De onvermijdelijke tegenwerping op dit moment is natuurlijk, dat er toch kennelijk zoiets is als een "Satan", als een persoonlijke tegenspeler van God. Ik ontken, dat er een kracht buiten God is, welke kracht dan ook. Satan en het zgn. laatste oordeel zijn te vinden in ieder individu apart. Iedereen is zijn eigen Satan, iedereen velt zijn eigen "laatste" oordeel. Iedere activiteit, iedere gedachte zet processen in beweging, waarvan de gevolgen het leven verbeteren of verslechteren. Dit is de grote wet van oorzaak en gevolg, die de Christus opnieuw duidelijk zal maken. Hij zei al eerder, dat we zullen oogsten wat we zaaien en hij zal ons weer laten zien, dat deze wet werkelijk ons hele bestaan schraagt. Deze wet mondt uit in de wet van wedergeboorte. Het is op basis van de wet van oorzaak en gevolg dat we steeds weer opnieuw incarneren. Het feit dat we op deze planeet bepaalde handelingen verrich­ten, zet onverbiddelijk bepaalde processen aan de gang, bindt ons aan deze planeet en trekt ons er bij herhaling naar toe, totdat alle gevolgen zijn uitgewerkt.

 

Iedere keer als we dood gaan, ontmoeten we ons hogere zelf, ons ware zelf. We worden geconfronteerd met onze ziel en we zien ons leven zoals het geweest is, we zien ook de doelstel­lingen die de ziel met deze incarnatie beoogde. Er is altijd sprake van drie hoofddoelstellingen, die de ziel in een bepaalde incarnatie ten uitvoer wil brengen. We zien deze doelstellingen en we kunnen nagaan hoeveel we er in de praktijk van terecht hebben gebracht. In werkelijkheid is dit het" oordeel", dat wij zelf vellen. Dit gebeurt leven na leven opnieuw, totdat we onszelf uiteindelijk vervolmaakt hebben, Meesters geworden zijn, en niet langer op deze planeet behoeven te incarneren, Het "Laatste Oordeel" komt pas tegen het einde van de zevende en laatste cyclus of rondte van de aarde, wanneer iedereen, op een klein deel van de mensheid na, een vervol­maakte Meester geworden zal zijn,

 

Als ik hier praat over een "oordeel", denk ik bepaald niet in de benauwde termen, die de kerken er aan hebben verbonden. Nog minder geloof ik dat er plaats is voor de schuldgevoelens die ons nu gewoonlijk aangepraat worden. De mens moet leren beseffen, dat goddelijkheid een gradatie is. We vergeven onszelf niet, omdat ons van kindsbeen af is ingeprent dat we ons foutloos moeten gedragen. En dat we, afhankelijk van onze religie, net zo volmaakt dienen op te treden als de Christus of de Boeddha, Dat is natuurlijk niet zonder meer mogelijk. Het is een van de grote problemen waar we nu mee zitten, dat de kerken hierdoor de Christus zo ver van ons hebben verwijderd, dat we er moedeloos van geworden zijn. De orthodoxe leer, dat een God zijn enige zoon voor onze zonden liet sterven, heeft ons een enorm schuldgevoel opge­legd. Zoiets van "kleine zondaar, als je zondigt ontken je het geweldige offer dat hij bracht", Waarna we onszelf onmogelijk kunnen vergeven als we twee pruimen hebben gestolen.

De kerken hebben verzuimd ons de Christus voor te stellen zoals hij werkelijk is: een begripvolle, actieve man, aanwezig in de wereld, een goddelijk mens, maar niet goddelijker dan wij in aanleg ook zijn.

 

Het is dus enerzijds gemakkelijker goddelijk te zijn en op de Christus te gelijken dan de kerken ons willen doen geloven, maar aan de andere kant is het ook weer moeilijker. In ieder geval lukt het niet door slechts te zeggen "wees als Christus" of "wees goed", want daarmee schiet niemand iets op. De gedachte, dat de Christus nu teruggekomen is om te laten zien, dat de weg naar God een eenvoudig pad is, is voor veel mensen niet alleen aanlokkelijk, maar ook een beetje beangstigend. Het idee vervult ze met ontzag en met vrees, zodat velen ang­stig verwerpen wat ze in hun hart het meeste verlangen. "Ik zou niet voor de Christus kunnen staan, omdat ik mezelf ken; ik durf hem niet onder ogen te komen", denken ze wellicht. Ze vergeten daarbij, dat de heer der liefde óók de heer der vergeving is. Niet alleen dat: hij veroordeelt totaal niet, op geen enkele manier. Hij is een eenvoudig man, geen rechter. Hij komt omdat hij ons liefheeft; niet om straffen uit te delen. Hij reageert op de roep van de mensheid om hulp, hij kent al onze problemen, al onze zwakheden en ziet die met liefde door de vingers. Precies zoals een moeder de diefstalletjes en leugens van haar kinderen wel in de gaten heeft, zonder daardoor minder van hen te houden.

 

Wanneer we, door deze verwrongen opvatting van de kerken, het gevoel hebben "zondig" te zijn, voelen we ons tevens niet in een "staat van genade". Dat is betreurenswaardig, want een "staat van genade" wil zeggen, dat we puur van hart zijn zodat we ontvankelijk zijn voor de zuivere stralen van liefde vanuit de hogere bronnen.

 

"Genade" is in dit opzicht alweer geen exclusief christelijk bezit. Ook in de oosterse tradities is zoiets als genade te vinden. Daar staat het bekend als de zegen van de goeroe. Genade is in werkelijkheid namelijk een transmissie van energie. Wanneer een goeroe (of een Meester of welke naam we ook geven) zijn zegen aan de discipelen geeft, dan zendt hij energie naar hen uit. Ze leven daardoor in de gloed van zijn liefde en liefde is een energie. Aan deze zelfde genade denkt ook de christen, alhoewel hij het energetische karakter ervan waarschijnlijk niet meer beseft. In staat van genade - puur van hart en zuiver van gedachten - ben je in staat de liefde van de Meester, in dit geval van de Christus te ontvangen. De Christus is zo gezien de Meester van de christenen, zoals hij, als Maitreya, tevens de goeroe van de boeddhisten is. Het is via deze transmissie van energie, in dit ononderbroken contact van hart tot hart, dat genade wordt uitgezonden. Daarom is het zo pijnlijk, dat veel mensen geconditioneerd zijn bepaalde handelingen als "zonde" te ervaren, terwijl ze dat helemaal niet zijn. Daardoor wordt het hart verduisterd door gevoelens van schuld en angst en haat. Wanneer je daarentegen van jezelf houdt - en door werkelijk van jezelf te houden houd je ook van iedereen - dan kunnen de uiteindelijk vanuit de Godheid toestromende energieën via de bemiddeling van de meesters (de Christus, of de Boeddha, of de lagere meesters) het hart bereiken.

 

 

Bron: De wederkomst van de Christus en de Meesters van Wijsheid.

Benjamin Creme - ISBN 9064410151 - Sirius en Siderius uitg.

 

DE OPSTANDING VAN JEZUS, IN EEN BOVENSTOFFELIJK LICHAAM

 

Petrus, die, zoals Handelingen 1:1-11 aangeeft, tezamen met de apostelen aanwezig was bij de hemel­vaart van Jezus, getuigt in zijn 1ste  brief 3:18 als volgt: "Hij, die gedood is naar het vlees, maar le­vend is gemaakt naar de geest, in welke Hij ook is heengegaan". Het woord "geest" wordt vaak ge­bruikt om het bovenstoffelijke aan te duiden, en dat is ook hier het geval. (De Statenbijbel geeft de vertaling: "naar" het vlees en "door" de geest, maar dat is een ongelijke opvatting omtrent twee gelijke uitgangen, "sarki" en "pneumati", en deze moeten uiteraard gelijk worden vertaald).

Origenes zegt hetzelfde als Petrus, maar hij ge­bruikt het woord "ziele-lichaam" ("corpus animale" - dit is de vertaling door Rufinus - de Griekse tekst hiervan is verloren gegaan). Het woord "corpus" wijst op de lichamelijke gestalte bij deze opstan­ding in het bovenstoffelijke. Van dit laatste ge­tuigt ook Joh. 20:19: de opgestane Jezus komt bin­nen in een zorgvuldig gesloten vertrek.

Een schijnbaar moeilijk punt is bij dit laatste, dat Jezus de hem bij de kruisiging toegebrachte ver­wondingen toonde. De verklaring is iets, waar de moderne wetenschap nog niet aan toe is, maar de oude Germanen waren er al mee bekend, en ook Aristoteles, die er ook over spreekt: behalve de geest en de ziel met het daaraan nauw verbonden astraallichaam hebben wij ook een etherisch lichaam en dit heeft geheel dezelfde vorm als het fysieke lichaam. Hierop ko­men wij straks terug; thans zij erop gewezen, dat de weinig begrepen tekst van Hosea 6:2 met de opstanding verband houdt. Deze tekst luidt: "Hij (de Heer) zal ons na twee dagen doen herleven; ten derden dage zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor Zijn aan­gezicht".

Het is interessant, dat een nadere, juiste ver­klaring hieromtrent gevonden wordt in de oud-Perzi­sche Avesta, in welk boek ook de komst van de Mes­sias is voorspeld: Drie dagen na de dood, gedurende welke men een snelle terugblik over zijn aardse le­ven ontvangt, begint het eigenlijke leven in het hiernamaals in Sjeool, welk woord tegenwoordig wordt vertaald met "dodenrijk"; "zielenwereld" zou ook een goede vertaling zijn. Sjeool is de tussensfeer tussen de aarde en de hemelwereld, die in het O.T. vele malen genoemd wordt en uit welke de ziel eerst naar de hemel kan opstijgen, als zij gelouterd is van het teveel aan aardse begeerten. Wat er na de drie dagen, die zo-even werden genoemd, plaatsvindt, is, dat het ether- of levenslichaam loslaat en overgaat in de ethersfeer, met uitzonde­ring van een extract, dat behouden wordt. De tekst van Hosea 6:2 is dus heel belangrijk. Wat hier be­schreven werd is een algemeen esoterisch gegeven; wat Hosea in 6:2 zegt, was een mysterie-gegeven; het viel dus eigenlijk onder de toenmaals voorge­schreven geheimhouding.

Wij gaan weer door over het ether- of levensli­chaam. Deze tweede benaming doelt erop, dat dit we­zensdeel de levens functies verricht. Aristoteles gaf het de naam "treptikon", welke duidt op de leidende functie, die het etherlichaam heeft tegenover het fysieke lichaam, waarmee het ten nauwste verbonden is. En met dit laatste is verklaard, hoe het mogelijk was, dat de opgestane Jezus zijn wonden aan de disci­pelen kon tonen; elke beschadiging van het fysieke lichaam is bij de bovenzinnelijke waarneming ook zichtbaar in het etherlichaam. Steiner heeft hier­over nog een bijzonderheid medegedeeld: de opgestane Jezus had een verdicht etherlichaam. Een ieder is er vrij in om dit al of niet te geloven, maar mij komt het voor als geheel aannemelijk; de mensen moesten zich ervan kunnen overtuigen, dat Jezus werkelijk was opgestaan.

De opstanding van Jezus was wel een wonder, maar geen bovennatuurlijk wonder; door de inwoning van de Geest Gods was Jezus' etherlichaam dermate krachtig geworden, dat het na Zijn dood niet uiteenviel, zoals bij ons gebeurt. Dit zal echter niet altijd zo voort­duren; voordat wij de overgang naar het Nieuwe Jeru­zalem beleven, moet ook ons etherlichaam zó sterk zijn geworden, dat het na de dood behouden blijft. Dit betekent, dat de mensheid in het Nieuwe Jeruza­lem het eeuwige leven zal hebben. Dit is in de Open­baring van Johannes aangeduid met de mededeling, dat de boom des levens daar zal zijn. Deze is name­lijk het Bijbelse symbool voor de vrije beschikking over het ether- of levenslichaam. Deze hebben wij thans nog niet.

 

 

De oude Germanen, die de bovenzinnelijke waarne­ming nog kenden, toen de Romeinen en de Grieken deze al grotendeels hadden verloren, hadden voor het ether- of levenslichaam de naam "l i f" (de i is lang, zoals deze nog in het Groningse dialect wordt uitgesproken bij dit woord). Later werd dit: "lijf"; de letter ij is een dubbele i. De oude betekenis van dit woord is verloren gegaan, maar deze komt nog dui­delijk tevoorschijn in de woorden "lijfsbehoud", bij een veroordeelde, wie het leven geschonken wordt, "lijfrente", een rente voor de duur van het leven, en "lijfwacht", voor het bewaken van iemands leven. Het etymologisch woordenboek leert, dat het woord "lijf" verwant is aan het woord "leven".

In verband met de oorspronkelijke betekenis van "lijf" is ook die van het woord "lichaam" interes­sant. Dit is afkomstig van "lic hamo", hetwelk be­tekent: vleeshemd. De oude Germanen wisten dus nog, dat de eigenlijke mens, de bovenstoffelijke, gedu­rende zijn leven op aarde is "gekleed" in het stof­felijk lichaam. Het woord "lic" vinden wij nog te­rug in "litteken", dat vroeger is geweest: likte­ken, een teken in het vlees, en in "lijk", hetwelk dus duidt op het vlees, in tegenstelling tot het bovenstoffelijk wezen, dat is heengegaan.

 

Tot slot van dit hoofdstuk een beeld van Paulus over de geestelijke groei, tot welke de mensheid be­stemd is door de incarnaties heen. Hij noemt in I Kor. 15:45-59 Christus de laatste Adam, omdat wij dan als geestelijke mensen van Hem afstammen, zoals wij volgens het beeld in Genesis naar het lichaam afstammen van de eerste Adam. Onze geestelijke groei brengt met zich mede, dat dan het etherlichaam be­houden blijft, zoals het bij Jezus behouden bleef.

 

Conclusie van dit hoofdstuk: I Petrus 3:18 moet gelezen worden, zoals het staat in de Bijbelgenoot­schap-vertaling, die de Griekse tekst juist weer­geeft. Een opstanding in het vlees, zoals velen nog geloven, is onmogelijk, zoals ook de hemelvaart in het vlees onmogelijk is, want in de bovenstoffe­lijke wereld is materie onbestaanbaar.

De bij de hemelvaart genoemde wolk symboliseert de ethersfeer.

 

Bron: De Gnosis en de Hervorming – J.G. Sutherland

 

 

Vooruitblik op 'Jezus uit de kast'

Jezus zei tot zijn leerlingen:
Vergelijk me eens met iemand
en vertel me op wie ik lijk.
Simon petrus zei tot hem:
Je lijkt op ene rechtvaardige engel.
Matteus zei tot hem;
Je lijkt op een wijze filosoof
Thomas zei tot hem:
Meester, mijn mond staat niet toe
Te zeggen op wie je lijkt.
Jezus zei;
Ik ben jouw meester niet

Omdat jij hebt gedronken
Ben je dronken geworden van de opwellende bron
Die ik je heb getoond.
Evangelie van Thomas, logion 13.

Wat is uw voorstelling van Jezus?
Wat zijn uw bronnen? Bent u beïnvloed door populaire films, door een boek als de da Vinci Code?
Volgens sommigen is het Jezusbeeld dat in het Nieuwe Testament tot uiting komt een beperkt en eenzijdig beeld.
Ze wijzen op 35 andere evangeliën. Vanaf volgende week op nvo.zinwebmedia.nl een serie
'Jezus uit de kast' over drie evangelie teksten met een gnostiek Jezusbeeld. Hoe is de tekst ontstaan? Wat is de actualiteitswaarde?
Nieuwsgierig geworden?
Hier kunt u een kort overzicht vinden van wat er komen gaat.

 

De mensgeworden godszoon. (C.G.Jung)

 

Voor de komende geboorte van de godszoon komt naast Abel de van oudsher vastomlijnde en door de traditie overgeleverde dispositie van het heldenleven in het algemeen in aanmerking. Hij is immers niet al­leen als nationale Messias, maar als universele mensenredder gedacht en dientengevolge komen ook de heidense mythen, respectievelijk open­baringen met betrekking tot het leven van een door de goden uitver­koren man in aanmerking.

De geboorte van Christus is daarom gekenmerkt door de bij de helden­geboorte gebruikelijke begeleidingsverschijnselen, zoals: de verkondi­ging vooraf; de goddelijke verwekking uit de maagd; het samenvallen met de drievoudige coniunctio maxima (Jupiter conjunct met Saturnus) in het teken van de Vissen, dat destijds juist de nieuwe aeon inluidde, verbonden met het weten van een koningsgeboorte; de vervolging van de pasgeborene; diens vlucht en verberging; de onaanzienlijkheid van de geboorte enz. Het motief van de opgroeiende held is nog te her­kennen in de wijsheid van de twaalfjarige in de tempel; en met betrek­king tot het zich losscheuren van de moeder zijn een aantal voorbeelden beschikbaar.

 

Het is zonder meer begrijpelijk dat het karakter en noodlot van de mens­geworden godszoon een heel bijzondere belangstelling met zich mee­brengt. Gezien vanuit een bijna tweeduizendjarige afstand betekent het overigens een ongewoon moeilijke opgave om uit de bewaard gebleven overleveringen een biografisch beeld van Christus te reconstrueren - we beschikken immers niet over één enkele tekst, die ook maar enigszins re­kening houdt met de moderne eisen van de geschiedschrijving. De historisch verifieerbare feiten zijn uiterst spaarzaam, en wat verder nog bekend is aan biografisch bruikbaar materiaal is niet voldoende om daaruit een ondubbelzinnige levensloop of een hoe dan ook waarschijn­lijk karakter te destilleren. De voornaamste reden hiervoor hebben be­paalde theologische autoriteiten gezien in het feit, dat de biografie en psychologie van Christus niet los gezien kunnen worden van de eschato­logie. Onder eschatologie wordt kort gezegd het volgende begrepen: Christus is niet alleen mens, maar tegelijk ook God, en ondergaat naast een menselijk ook een goddelijk lot. De beide naturen doordringen el­kaar dermate, dat een poging tot scheiding beide verminkt: de godde­lijkheid overschaduwt de mens en de mens is als empirische persoonlijk­heid nauwelijks te vatten.

 

Ook de kenmiddelen van de moderne psychologie zijn niet voldoende om alle duistere punten te belichten. Elke poging om één afzonderlijke trek omwille van de duidelijkheid naar voren te halen, verkracht een andere, die óf wat betreft de godde­lijkheid, óf wat betreft de menselijkheid even wezenlijk is. Het alle­daagse is dermate verweven met het wonderbaarlijke en mythische, dat je nooit helemaal zeker bent van de feiten. Wat wel het meeste stoort en verwart, is de omstandigheid dat juist de oudste geschriften, namelijk die van Paulus, voor het concrete menselijke bestaan van Christus niet de minste belangstelling schijnen te hebben. Ook de synoptische evan­geliën zijn onbevredigend, aangezien ze meer het karakter van propa­gandageschriften dan van biografieën hebben.

 

Wat betreft de menselijke kant van Christus - als je over een slechts menselijke kant überhaupt spreken kunt - : de 'menslievendheid' komt bijzonder duidelijk naar voren. Deze karaktertrek is al aangeduid in de relatie van Maria tot Sofia, en verder, in bijzondere mate, in de verwekking door de Heilige Geest. Diens vrouwelijke aard wordt geper­sonifieerd door Sofia, want zij is de rechtstreekse historische preformatie van de Heilige Geest, die door de duif, de vogel van de liefdesgodin, ge­symboliseerd wordt. Ook is meestal de liefdesgodin de moeder van de jong stervende god. De menslievendheid van Christus wordt echter in een niet onwezenlijke mate beperkt door een zekere predestinatische neiging, die hem er zelfs hier en daar toe brengt zijn heilzame openba­ring te onthouden aan de niet-uitverkorenen.

 

Als je de predestinatieleer letterlijk neemt, dan is ze in het kader van de christelijke boodschap maar heel moeilijk te begrijpen. Zie je haar echter psychologisch als een middel tot het bereiken van een bepaald effect, dan valt makkelijk in te zien dat de toespeling op een van tevoren bestemd-zijn een gevoel van uitverkorenheid bewerkstelligt. Als iemand weet dat hij sinds het begin der wereld is uitverkoren, dan voelt hij zich uit de gebrekkigheid en on­belangrijkheid van het gewone menselijke bestaan opgeheven, en in de nieuwe toestand van waardigheid en belangrijkheid verplaatst van ie­mand, die deel heeft aan het goddelijke werelddrama. Daarmee wordt de mens in de nabijheid van God gebracht, wat geheel overeenkomt met de zin van de evangelische boodschap.

 

Naast de mensenliefde maakt zich in het karakter van Christus een ze­kere opvliegendheid merkbaar, en, zoals dat bij emotionele naturen vaak het geval pleegt te zijn, eveneens een gebrek aan zelfbezinning.

Nergens is een aanwijzing te vinden of Christus zich ooit over zichzelf heeft verwonderd. Hij schijnt niet met zichzelf geconfronteerd geweest te zijn. Op deze regel bestaat slechts één belangrijke uitzondering, na­melijk de vertwijfelde uitroep aan het kruis: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' Hier bereikt zijn menselijk wezen god­delijkheid, namelijk in het moment dat de god de sterfelijke mens be­leeft en datgene ervaart, wat hij zijn trouwe knecht Job heeft laten on­dergaan. Hier wordt het antwoord op Job gegeven en zoals valt in te zien, is ook dit suprême moment even goddelijk als menselijk, even 'eschato­logisch' als 'psychologisch'. Ook hier, waar je zonder meer de mens kunt ervaren, is de goddelijke mythe even indrukwekkend tegenwoordig. En beide is één en hetzelfde.

 

Hoe wil men dan de gestalte van Christus' ont­mythologiseren'? Een dergelijke rationalistische poging zou immers het hele geheim van deze persoonlijkheid doen verbleken, en wat er dan nog overbleef, zouden niet meer de geboorte en de lotgevallen van een god in de tijd zijn, maar een historisch slecht gefundeerde religieuze leraar, een joods hervormer, die hellenistisch geïnterpreteerd en verkeerd be­grepen werd - ongeveer een Pythagoras of voor mijn part een Boeddha of een Mohammed, maar in geen geval een zoon van God, of een mens­geworden god.

 

Bovendien schijnt men er zich niet voldoende reken­schap van te geven tot welke overwegingen een van alle eschatologie ge­desinfecteerde Christus aanleiding zou moeten geven. We hebben vandaag de dag een empirische psychologie, die, ondanks dat de theo­logie haar zoveel mogelijk negeert, toch bestaat. En door deze psycho­logie zouden bepaalde uitspraken van Christus onder de loep genomen kunnen worden. Wanneer deze uitspraken namelijk losgemaakt worden van de verbinding met de mythe, dan zijn ze nog slechts persoonlijk te verklaren. Tot welke conclusies moet je echter noodzakelijkerwijs komen, als je bijvoorbeeld de uitspraak: 'Ik ben de weg en de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij' (Joh. 14:6) tot een per­soonlijke psychologie reduceert?

Klaarblijkelijk tot dezelfde, die ook de verwanten van Jezus in hun onkunde over de 'eschatologie' hebben ge­trokken, toen ze zeiden: 'Hij is niet bij zijn zinnen.' (Marcus 3:21) Wat moet een religie zonder mythe, terwijl ze tóch, àls ze wat betekent, juist precies de functie voorstelt die ons met de eeuwige mythe verbindt?

 

Op grond van deze indrukwekkende onmogelijkheden heeft men, als vanuit een zeker ongeduld met het moeilijke feitenmateriaal, aange­nomen dat Christus over het geheel genomen slechts een mythe is, dat wil zeggen in dit geval zoveel als een fictie. De mythe is echter geen fictie, maar bestaat uit voortdurend zich herhalende feiten, die steeds weer opnieuw kunnen worden waargenomen. De mythe voltrekt zich aan de mensen, en mensen hebben evengoed een mythisch levenslot als Griekse helden. Dat het Christusleven in hoge mate een mythe is, be­wijst daarom helemaal niets tegen de feitelijkheid ervan; ik zou bijna zeggen: integendeel, want het mythische karakter van een leven drukt precies de menselijke algemene geldigheid ervan uit. Het is psycholo­gisch volstrekt mogelijk dat het onbewuste, resp. een archetype, een mens volledig in bezit neemt en zijn lot tot in de kleinste details bepaalt.

 

Daarbij kunnen objectieve, dat wil zeggen niet-psychische parallelver­schijnselen optreden, die eveneens het archetype uitbeelden. Het lijkt dan niet alleen, maar is zo, dat het archetype zich niet alleen psychisch in het individu voltrekt, maar ook objectief buiten het individu vervuld wordt. Ik vermoed dat Christus een dergelijke persoonlijkheid was. Het Christusleven is precies zo, zoals het zijn moet, wanneer het tegelijk het leven van een god en van een mens is. Het is een symbolum, een sa­menstelsel van heterogene naturen, ongeveer zo, alsof men job en Jahwe in één persoonlijkheid zou hebben verenigd. Jahwe ’s bedoeling om mens te worden, wat het resultaat was van de botsing met job, wordt vervuld in het leven en lijden van Christus.

 

 

Bron: Carl Gustav Jung - ANTWOORD OP JOB - Verzameld werk - deel 4

 

 

 

 



Jezus onder de mensen.

 

 

 

Het is geen mythe, dat Jezus door erbarmen bewogen tot de wereld ging. Hij zag de duisternis op de wereld en hoe de mensen daaronder leden terwijl zij niet hoopten op enige uitkomst. Zij wisten amper dat zij verduisterd waren. Zij wisten ook niet meer ­en nog niet - dat zij naar hun ware afkomst uit een lichtwereld geboortig waren. Dat zij uit eigen vrije beweging zich daaruit begeven hadden en daardoor een diepe kloof veroorzaakt hadden tussen het rijk Gods en hun eigen bewustzijn. De levende herinnering hadden zij daaraan verloren doordat zij in het mensendier hun intrek hadden genomen, waardoor de verduiste­ring hand over hand toenam.

Er waren altijd helpers en heilanden geweest die getracht hadden de mensen te verlossen en hun de kracht van hun liefde te schenken, maar steeds vielen de mensen weer terug of begrepen niet of gaven zich geen moeite ze te herkennen. De macht der materieel werkzame krachten was zo groot en hun omsluiering zo dicht dat nergens meer het licht der wereld werd onderscheiden. Het was werkzaam in de mythen waarmede de mensen leefden, maar niet in de werkelijkheid van hun dagelijks bestaan.

Jezus verliet het Koninkrijk, de hoge goddelijke lichtstaat en ondernam de gevaarlijke tocht naar de diepten der aarde om als een licht onder de mensen te verschijnen. De hoogheid van zijn liefde was onnoemlijk en de kracht ervan wordt niet overtroffen. Het is onbegrijpelijk dat een goddelijk mens dit op zich vermag te nemen en op die wijze een deur te openen voor de liefde Gods onder de mensen. Welk een tegenkrachten, welk een laster en smaad kreeg hij niet te overwinnen.

Het gaat niet aan te beweren: 'hij was immers goddelijk, hij noemde zich toch de zoon Gods? dan was het ook geen kunst hier te verschijnen'. Men vergeet dan - het is bijna boosaardig - dat hij zich met het vergankelijk gewaad van de aardse mens moest bekleden en daardoor deel kreeg aan een lijden en een strijd waaraan niets menselijks vreemd meer is. Hoe werd hij niet gelasterd, gesmaad en vervolgd.

Vanaf het ogenblik zijner openbare verschijning heeft de vorst der duisternis, die niets van zijn zending begreep en kon begrijpen en waarvoor geen God bestond, hem bevochten en doet dat nog tot op de huidige dag. Maar het licht dat hij in het mensendom ontstak is niet meer te doven. Hij zelf is het die in dat licht leeft. Een ieder mens zal dit moeten erkennen, omdat het beginsel ervan in hemzelf aanwezig is. Hij zal dan de weg vinden tot oplossing van zijn lijden en tekorten. Want alle fouten en dwalingen, alle zonden en ziekten van de mensenkinderen ontstaan door gebrek aan dit licht. Al die vertwijfelde mensen, al die zoekers en smachters, allen die in de ontkenning Gods leven en zich zo machteloos gevoelen, zij hebben vergeten dat de oplossing voor al hun noden in hen zelf ligt, binnen in hen zelf.

Het gaat niet om goed en kwaad. Deze weg bewandel je niet om deugdzaam te willen zijn. Maar je zoekt hem uit innerlijke nood gedreven en het is bijna verpletterend van vreugde als je ontdekt dat het werkelijk waar is, al lig je dan ook als een zwakke vlonder op de rand van de afgrond. Hij leeft niet in die zin onder de mensen dat hij zich bekend zou maken en zeggen: ik ben Jezus de Nazarener. Na zijn dood is hij de Nazarener niet meer gebleven. Maar men zal zijn licht tegenkomen en in zichzelf leren herkennen en dit zal een grote verlossing betekenen en een zo grote blijheid en bevrijding dat men het haast niet zou geloven of verdragen kan. En toch is dit waar. Gij kunt u direct op weg begeven als gij luistert naar de stem in u zelf.

Hij was een kind Gods, de zoon van God in de mens, maar wij zijn het zelf ook, hoewel bedolven en omhuld door gesteente en korsten aarde. Natuurlijk trachtte de geest der aarde hem te boeien en vooral te verachten, natuurlijk zocht de duivel hem te verzoeken als hij moe was van het vasten en uitgeput van het zwerven in de woestijn. Trouwens, de lichtverachter heeft hem toch tot het uiterste kunnen vervolgen en de mensen ertoe gebracht hem te kruisigen. Overal in de toenmalige wereld werd de kruisiging toegepast door de Romeinen tegen ieder die zich tegen hun dictatuur en gezag verzette. Het is de meest smartelijke dood. Vóór de kruisiging werd het lichaam gegeseld en tot bloedens toe geslagen om dan naakt en bewegingloos aan het folterhout gehangen te worden, met door­boorde polsen, verscheurde pezen en zenuwen die razende pijnen veroorzaakten. Het is de meest wrede en duivelse foltering die ooit werd uitgevonden, temeer omdat het sterven aan het kruis dagen lang kon duren. Bij Jezus trad de dood binnen twee à drie uur in, waarover zelfs Pilatus zich verwonderde dat het zo gauw afgelopen was. Neen, men kan niet zeggen dat de aardgeest niet aan zijn trekken gekomen is bij die vreeslijke dood en het lichamelijk lijden tot het uiterste.

Het is natuurlijk volkomen uitgesloten dat ooit een God der liefde op die wijze zijn zoon opgeofferd zou hebben om de mensen te redden. Het zou zo een bovenmatige smaad zijn dit te durven beweren, zulk een griezelige, sadistische, verfijnde en uiterst liefdeloze leugen, dat het eenvoudig onbegrijpelijk is dat mensen hun ziel ten opzichte van de godheid zo wensen te vergiftigen.

Na de lichamelijke dood van Jezus brak voor eeuwig de verheerlijking aan waarvan zijn hele leven reeds doordrongen was, een verheerlijking waarvan hij de goede moordenaar deel liet uitmaken in de woorden: 'Heden zult gij met mij in het paradijs zijn'. De doorbraak was geschied, het offer tot in de laatste vezel volbracht. Het donkere wolkgordijn scheurde vaneen en er brak een overvloed van licht over de aarde uit. Het plechtanker dat de aarde met het Koninkrijk verbonden houdt was diep en onwrikbaar in de bijna ontgoddelijkte wereld geworpen, een onwrikbare zekerheid biedend aan ieder mensenkind dat zich op weg naar het licht begeeft. Het leven van Jezus is van een onsterfelijke realiteit en zal niet ophouden zich te bevestigen in de innerlijke belevenissen der mensen, belevenissen die evenmin voorbijgaand zullen zijn als het lichtend brandmerk dat zij in de ziel teweegbrengen als eeuwig werkzame herinnering.

 

Bron: De Hermiet – Barend van der Meer.

 

 

 

In een nieuw (aangeschaft) oud boek – De Inwijdingsriten, mythen en legenden der Oude Mysteriën, door J. Kruisheer - vond ik een boeiend hoofdstuk over DE MYSTERIEN VAN JEZUS dat ik hier graag wil toevoegen.

DE MYSTERIEN VAN JEZUS

 

Dat er aan de gehele wereldmanifestatie en haar evolutieproces een trapsgewijze methode blijkt ten grondslag te liggen, moet ook godsdienst daarop zijn gebaseerd. Deze moet evenzeer een graduele ontwikkeling met overeenstemmende indelingen verkondigen, anders zal zij reeds van tevoren gedoemd zijn te falen. Want godsdienst moet in staat zijn om een elk op zijn eigen plaats en standpunt te kunnen helpen en verlichten, hem tegemoet kunnen komen op zijn eigen niveau of trap van evolutie welke toch immers voor allen zo verschillend is. Zij moet een elk tot gids voor het leven - een gids hoe te leven - kunnen zijn, ten einde het Doel des Levens of Hereniging van de menselijke Geest met de Goddelijke Algeest te bevorderen, 'opdat God zij alles in allen' (I Kor.XV:28).

Dit Doel, hoe verschillend het ook in verloop van tijd zal schijnen en hoevele wegen daartoe dus gevolgd kunnen worden, zal aan allen moeten worden getoond en geleraard - voor een elk op eigen niveau begrijpelijk.

Dientengevolge was ook in de Mysteriën van Jezus de noodzaak erkend, dat alleen trapsgewijs en al naar het standpunt van evolutie van de betrokken persoon, de gepaste lering en leiding (maar dan ook voor een ieder op eigen plaats) verkrijgbaar moest zijn.

Wanneer dit niet het geval is, zullen velen de godsdienstinstellingen de rug toekeren, omdat deze hen óf niet meer voldoen, ofwel de daar verkondigde leringen hun verstand geweld aandoen. Men komt in opstand tegen dogma's die ons geen hulp verschaffen doch veeleer een struikelblok blijken te zijn.

De huidige kritische kennis en z.g. god­geleerdheid (een kenschetsende term voor onze tijd) is ten enenmale on­voldoende om aan allen het Mysterie van het Koninkrijk Gods te ontsluieren; integendeel, het Mysterie wordt steeds meer omsluierd en onvindbaar, on­begrijpelijk, doordat het verklaard moet worden door weliswaar zeer wel­menende, doch in feite onwetende voorgangers, die zelf de te zoeken Wijsheids-Waarheid niet verstaan.

Toch wees ook Jezus op verschillende trappen en stadia voor Zijn onder­richt en leerde hij ook Zijn discipelen: 'Het is U gegeven te verstaan de verborgenheden van het Koninkrijk Gods; maar aan degenen die buiten zijn (niet-ingewijden dus) geschieden deze dingen in gelijkenissen' (totdat zij ‘gereed' zullen zijn om te worden 'ingewijd'). Het woord 'geschieden' wijst er hier o.i. duidelijk op, dat de 'Leer' niet in woorden, maar in beelden of uitbeeldingen, in Riten werd voorgesteld.

Daarom wees Paulus, sprekende tot Timotheüs over Inwijding op: 'Ver­zuim de gave niet die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des Ouderlingschaps' (I Timotheüs IV : 14). Want er zijn voor­alsnog slechts weinigen die gereed zijn de daartoe nodige inspanning te ondernemen.

'Onder duizenden mensen streeft er nauwelijks een naar vol­making; van de wèl slagende strevers kent nauwelijks één Mij (Krishna) in mijn werkelijke aard', (Bhagavad Gita).

De gelijkenis van de Ingewijde met de Christus is de grondslag zelf van de Mysteriën, nl. van de Mystieke Christus - 'tot Christus een gestalte in u krijgt' (Galaten IV:19). Voor Paulus is Christus niet een persoon, maar een belichaamd denkbeeld. 'Zo iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping', hij is wedergeboren, zoals na de inwijding, 'want de Heer is geest, de geest des mensen'.

Zij die weten dat de Gnostieken het woord Christos op het hogere Ego toepasten (de oude 'heidense' Griekse Ingewijden deden dit ook), zullen de wisseling begrijpen. Het heette dat Christos van het lagere Ego, Chrêstos, afgesloten was tot na de laatste opperste Inwijding, waarbij die twee samenvloeien: Chrêstos was overwonnen en verrees in de verheerlijkte Christos.

In onze beschouwingen over de Heilige Schriften der andere Mysterie­godsdiensten, bedoelen wij niet zozeer te beweren dat alle de desbetreffende legendarische verhalen uitsluitend fantasie en volstrekt geen geschiedenis zouden bevatten, maar wel, dat mythe en geschiedenis meestal op zulk een onontwarbare wijze tezamen zijn gevloeid dat hun historische waarde geheel en al secundair en ondergeschikt is gemaakt aan de Mythisch-symbo­lische voorstelling, ten gebruike bij de Mysterieriten.

Er is voldoende getuigenis dat de Christelijke Kerk in de eerste tijden van haar bestaan haar eigen Mysteriën had, getuige schrijvers als Origines, Celsus en anderen. Eerstgenoemde verzekerde: 'Vele hoofdstukken (van de Christelijke Schrift) worden aan deze allegorische en mystieke betekenissen gewijd, verborgen onder de woorden van het Oude en het Nieuwe Testament'. Was en is b.v. de 'Berg', bekend door de won­dermachtige 'Bergrede', niet duidelijk een aanwijzing naar de 'Berg der In­wijding'? En het is dus niet te verwonderen dat Origines erop wees, dat het eerste Christendom hoogstwaarschijnlijk is gebaseerd op de Mysterieleer en dat Jezus Zijn discipelen onderrichtte in Zijn Geheime Leer der Mysteriën.

Door de gehele Middeleeuwen heen zijn er nog Mystieken en Zieners of Heiligen bekend. Bernard van Clairvaux, Thomas van Aquinos, Giordano Bruno, de Heilige Theresa, Franciscus van Assisi, Jacob Boehme; ook al was voor sommigen van hen in hun tijd de Mysterieschool als in de wereld bestaande instelling niet meer actief. Het is zeer moeilijk om op dit punt volledige klaarheid te vinden, doordat er zo goed als geen literatuur over bestaat (natuurlijk niet), maar toch vinden wij dat er onder Christelijke be­studeerders van dit onderwerp twee wijd uiteenlopende scholen of richtingen bestaan: Ten eerste: die, welke in alles niets dan (min of meer primitieve) mythen en legenden ziet die slechts bedoeld waren om als voorbeelden te dienen voor moraal en zeden, en ten tweede die, waarbij men het Christus­verhaal als uitsluitend reële 'geschiedenis' wenst te beschouwen en als niets meer. Twee - hoewel volstrekt tegenovergestelde - opvattingen, die inder­daad beide slechts de buitenkant kunnen zien. Het is niet wel doenlijk om in een korte en min of meer populaire beschouwing als deze, een volledig bevredigend inzicht te verschaffen (anders zouden het ook geen Mysteriën zijn). Het zij daarom voldoende erop te wijzen, dat hoogstwaarschijnlijk ook hier weer, evenals in zo vele dergelijke gevallen, de waarheid mogelijk in het midden ligt, wat de onpartijdige zoeker en bestudeerder ongetwijfeld van groot nut zal kunnen zijn.

Of de Christusfiguur dan ook uitsluitend als historisch dan wel als Mysteriefiguur wordt beschouwd, kan hier nu verder gevoeglijk in het midden worden gelaten. De Legende als zodanig wijst in elk geval op de diepe symbolisch-allegorische, mystieke betekenis, waarbij de Christusfiguur tegelijkertijd mens is en toch ook blijkt van méér dan menselijke, van mystieke aard te zijn. Spreekt niet Paulus erover: 'dat Christus een gestalte in U krijge'? (Galaten IV:19).

Het lijkt, dat er een toenemend gevaar bestaat van een te letterlijk vast­houden aan het geschiedkundige verhaal en er zodoende een lezing aan te geven welke niet onaantastbaar is. Dit zal onvermijdelijk tot gevolg hebben dat veel van de geestelijke waarde ervan verloren gaat, ja dat daardoor in dit opzicht tegenstand zou worden opgewekt. Wij vinden dat er in de Evangelie­verhalen drie figuren als Jezus-Christus dooreen zijn gemengd:

1e. de ge­schiedkundige Jezus;

2e. de mythische Chrêstos en

3e. de mystieke Christos.

Geschiedkundig menen sommige onderzoekers (Mead e.a.) dat er honderd jaar vóór het begin van onze huidige jaartelling een Jezus heeft geleefd, terwijl de naam ook bij herhaling in ander verband wordt aangetroffen. In elk geval is er slechts zeer weinig omtrent het aardse leven van deze figuur bekend, iets dat voor de Mysterielegende natuurlijk van weinig belang is. Er zijn ook andere theorieën, b.v. dat de gehele legende en de naam uit Tibet afkomstig zouden zijn en dat daar in zekere kloosters zelfs nog heden ten dage geschriften omtrent de Mysteriën van Issa bewaard worden, welker inhoud veel overeenkomst zou vertonen met het Bijbelse verhaal. Hoe dit alles ook zij, de Christelijke overlevering geeft uiterst weinig feiten omtrent het aardse leven van de Heiland, en wàt ervan bekend is duidt ongetwijfeld niet in de eerste plaats op aardse gebeurtenissen, doch heeft een opmerkelijke overeenkomst met de Oude Mysterielegenden, Mythen en Riten.

Ten tweede werd in en door die Mens Jezus de Tegenwoordigheid Gods gemanifesteerd, zo leert de Mythe en deze Tegenwoordigheid wordt terecht met de naam Chrestos aangeduid. Deze was het dan die door middel van de mens Jezus in Palestina predikte en elders de Gnosis of Geestelijke Wijsheid en Waarheid verkondigde.

En ten derde toonde zich ten slotte, in en door Hem, de Mystieke, Christus, de God of Logos (het Woord), de Kosmische Schepper, in Zijn Schepping a.h.w. gemanifesteerd, gereflecteerd in de aardse mens. Zijn Beeld in ons is de Chrêstos God in ons waarnaar wij zijn geschapen en welke wij in het ver­loop van het Evolutieproces geleidelijk aan 'ontwikkelen'. In de Mysteriën werd dit alles (en nog veel meer) dramatisch opgevoerd en voorgesteld in één en dezelfde allegorie, beeldspraak of Mythe.

 

Deze 'Kruisiging van Christus' maakt deel uit van het 'grote Kosmische Offer', geldend voor microcosmos zowel als voor Macrocosmos, werd in de Riten symbolisch weergegeven en uitgebeeld door de mystieke kruisiging.

Dàt offer ook werd gemanifesteerd in en door het Leven van de Leraar Jezus, inclusief de 'maagdelijke geboorte' b.v., de gevaren van Zijn jeugd, Zijn 'dood', de symbolische 'wederopstanding' en de hemelvaart; gegevens welke op de een of andere wijze in alle Mysterielegenden worden terug­gevonden.

Het meest indrukwekkende, onvergetelijke hiervan is wel het begrip, dat er hier op gewezen wordt hoe in elk mensenkind in het diepst van zijn meest innerlijke wezensaard, zulk een Christus aanwezig is, daarin gekruisigd en gevangen, gekerkerd is, in dat 'graf' of die 'duistere grot' geworpen is en die in dat stoflichaam lijdt, doch daarna weder 'opstaat' uit die 'dood' en dan weder ten hemel vaart, terugkeert naar het Vaderhuis zoals dat in de bekende Gelijkenis van de 'Verloren Zoon' (en in zovele andere Mysterie­mythen en Riten) op zo treffende wijze wordt beschreven.

 

Deze leringen. omtrent een (schijnbare) dood en wederopstanding, van bevrijding uit de boeien van het vlees, vormen een der belangrijkste aspecten van alle Mysteriemythen van alle tijden en van alle volkeren der Oudheid en zij zijn onafscheidelijk van de Zonnemythe en van de mystieke levensgeschiedenis van de Christus in de mens. In alle Mysteriën komen deze of

dergelijke legendarische verhalen voor en immer zijn zij vergezeld van de schildering van een gewelddadige dood met daarna de wederopstanding en hemelvaart, een Opstanding welke in drie stadia of perioden werd vol­bracht. Om deze (en dergelijke) legendarische verhalen uit de Oudheid echter te kunnen lezen en begrijpen, dient men wel in acht te nemen dat de Mens is de Geest (die zelf ook weer een Drie-eenheid blijkt te zijn). De ziel is tweeledig en bevat Denkvermogen en Gevoelsaard en dan ten slotte is er nog het lichamelijk, stoffelijk instrument hetwelk het voertuig op aarde is waarin, waarmee en waardoor de beide andere hier beneden kunnen werken.

 

Het Christendom heeft altijd het bestaan van deze drie 'werelden' of drie fazen van het menselijk 'zijn' erkend, al is er thans dienaangaande ook weer verschil van opvatting. En wanneer 'geboren worden' is, een in bezit ­nemen van een nieuw lichaam door de inwonende Geest-Mens (Christus), kan zelfs elke' dood' van dat lichaam als zulk een 'verlossing' of ‘opstanding’ worden gezien en kan het lichaam beschouwd worden als een 'gevangenis, kerker, grot, graf, keldergewelf, enz., of ook als een kruis waaraan de Geest-Mens (tijdelijk) gebonden was.

Het zich bij de dood bevrijden van die knellende band kan dan reeds als een 'opstanding' worden beschreven, ook al is op een veel en veel hoger niveau een veel machtiger geestelijk begrip ervan mogelijk waarbij de derde fase dan een blijvende 'bevrijding' en hemelvaart kan zijn: de terug­keer naar het Vaderhuis!

In de Christus-Mythe - evenals in die van het oude Egypte, Chaldea en elders - bestond er een in trappen en treden gegeven symboliek, welke de diverse stadia van die Opstanding en Hemelvaart symbolisch voorstelde en verzinnebeeldde.

 




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL