Esoterisch Bijbellezen
Vrouwen in de bijbel

De Maagd Maria - Maria Magdalena - De Slang en de Vrouw -

 

1. De Maagd Maria.


Geen onderwerp ter wereld is veelvuldiger door kunstenaars­hand weergegeven dan dat van Maria met het kind Jezus. Velen zijn er door geïnspireerd geworden, maar betrekkelijk weinigen hebben ten volle geweten, wat de eigenlijke betekenis van Maria is. Zij is namelijk, behalve een figuur van hoge religieushistorische betekenis, een mensheidssymbool dat naar de toekomst wijst, en wel naar het tot stand komen van een betere wereld, die in de Openbaring van Johannes het Nieuwe Jeruzalem wordt genoemd.

 

Dit symbool houdt allereerst in, dat Maria als eerste de weg betreedt, die de mensheid uit de zondeval leidt. Zij, die het aan de mensheid gegeven symbool der reinheid was, kon het Kind ter wereld brengen dat geen aandeel had aan de zondeval. De verstrekkende betekenis hiervan hebben de eerste Christenen van Rome, die in de Catacomben woonden, reeds begrepen, zoals bewezen wordt uit aldaar gevonden inscripties als deze: "Ik (d. w. z.: mijn zielenwezen) moet een Maria worden, opdat Christus in mij kan worden geboren". Dit laatste betekent immers, dat de krachten, die Christus ons toezendt en die ook wel de heilige Geest worden genoemd, in ons wezen worden opgenomen, zodat wij naar de geest gaan groeien. Angelus Silesius, een Duits mysticus uit de 17de eeuw, gaf dit weer in enige woorden, die in onze taal luiden: "Wordt Christus duizendmaal te Bethlehem geboren En niet in u, dan blijft gij toch nog steeds verloren."

 

Wie was deze Maria?

 

Het Evangelie van Lucas vertelt ons het volgende: zij is een jong meisje; de Heilige Geest is over haar gekomen en de kracht des Allerhoogsten overschaduwt haar. Wat hier in enkele woor­den over deze jonge vrouw gezegd wordt, is veel, ontzagwekkend veel, en méér mag men van haar niet willen maken. Een mense­lijk wezen, rein van ziel, dat de Heilige Geest heeft kunnen ontvangen en dat in de kracht van God leeft, is iets, waar wij slechts met de grootste eerbied aan kunnen denken.

 

Het wonderschone verhaal in het Lukas-Evangelie 1 en 2 vertelt ons iets dat naar de letter moeilijk te vatten is.

Teneinde tot een begrip te komen omtrent het vele, dat samen­hangt met het Bijbelse verhaal van Jezus' geboorte uit de maagd Maria, doet men het beste met eerst het Lukas-Evangelie daarop na te gaan. Vervolgens is het van belang, acht te geven op het esoterische, door IV Ezra 13 en door Henoch 40 ondersteunde gegeven, dat Jezus niet door de zondeval was aangeraakt. In verband hiermee kon hij alleen uit een vrouw met een reine, maagdelijke ziel worden geboren. Hier is zeer uitdrukkelijk bedoeld: een maagdelijke ziel.

 

Er is vervolgens nog iets dat wij bij dit onderwerp moeten betrekken, en wel, wat de Bijbel ons leert omtrent de opgang der mensheid naar de toekomstige wereld van het Nieuwe Jeruzalem.

 

Om met dit laatste te beginnen: zoals I Kor. 15 : 44 en 47 zegt en zoals ook uit joh. 3 : 3-7 valt op te maken, moet de "natuurlijke" mens groeien tot een geestelijke mens. Dit kan iemand die het zo leest, wat vreemd toeschijnen, want in het gewone leven geldt het als aanbevelenswaardig, dat men zich natuurlijk gedraagt. Dit is echter slechts spraakgebruik. Zich natuurlijk gedragen houdt in feite in, dat men volgens de natuur, d.w.z. volgens het instinct, gaat leven.

 

Oorspronkelijk is de mens een instinctwezen geweest, en zolang de hogere Machten hem geheel en al leidden (hetgeen de toestand was vóór de inwerking van het Boze), was hij een onschuldig natuurwezen. Daarna kwam de tijd, waarin hij niet alleen door hogere, maar ook door lagere instincten werd beïnvloed. De mens, op de weg naar de vrijheid geplaatst en gesteld voor de keuze tussen goed en kwaad, was nu geen onschuldig natuurwe­zen meer, en sindsdien is de toestand waarin hij zich bevindt, van dien aard, dat iemand, die de lagere instincten volgt, een ondermenselijk leven leidt. Men spreekt ook wel van een dierlijke wijze van leven, maar dat is minder juist, want het dier is een onschul­dig instinctwezen.

 

Een moeilijkheid, aan de stoffelijke wereld eigen, is, dat de natuurlijke omstandigheden de zelfzucht bevorderen, zodat het inspanning vergt, daar bovenuit te groeien. Wie in zijn tuin de vogels pleegt te voederen, kan alle dagen zien dat geen van deze dieren ooit tot het edelmoedige besluit komt om iets, dat het kan bemachtigen, over te laten voor een andere vogel die nog niets gehad heeft. Dit geschiedt alleen ten behoeve van de jongen of, in de paartijd, voor de partner, maar dan is het geen kwestie van onbaatzuchtigheid, maar van instinct. Hiermee wordt zichtbaar, dat naastenliefde een bovenaardse eigenschap is. Weliswaar komt zij op aarde voor, maar niet als iets van deze wereld; zij is uit God. Evenals de moraliteit.

 

Onder de invloed van de openbaringsreligie zijn de mensen in de loop van vele eeuwen tot op zekere hoogte aan hun instinct ontgroeid. Als gevolg daarvan bevinden de meesten van ons zich in een stadium tussen de "natuurlijke" en de geestelijke mens.

Dit uitgroeien tot de geestelijke mens is het onderwerp van het gesprek tussen Jezus en de vrome Farizeeër Nicodemus.  (Joh. 3) De Heiland zegt tot deze, dat de mens herboren moet worden uit water en geest. Het betekent, dat in de ziel een nieuwe mens moet groeien, en wel uit geestelijke krachten, die hij van God (in directe zin: van Christus) moet ontvangen. Het water, waarvan gespro­ken wordt, is een symbool van de ether- of levenskrachten. Aangezien bij deze "geboorte" allereerst een loutering van het zielenwezen nodig is, kan dit symbool ook nog op deze loutering betrekking hebben; symbolen zijn dikwijls voor meer dan één uitleg vatbaar.

 

Nu valt er een vergelijking te maken tussen enerzijds de geboor­te van Jezus en diens ganse leven, en anderzijds de opgang der mensheid.

Het leven van Jezus vormt, tezamen met alles wat daarin en daaromheen is geschied, een verkorte, éénmaal voor het oog der mensheid plaatsgehad hebbende "projectie" van datgene, wat door de loop der tijden heen met de gehele mensheid moet geschieden: de geboorte van de nieuwe, geestelijke mens in de gelouterde ziel.

Een uiterst belangrijke conclusie, die hieruit valt te trekken, is deze: Van die nieuwe mens, de mens der toekomst, was Jezus, de Zoon des mensen, het ons van God gegeven voorbeeld, en het voorbeeld van de gelouterde ziel, in welke die mens moet worden geboren, was Maria.

 

Dit nu dient voor ons het uitgangspunt te worden voor alle overdenkingen aangaande de figuur van Maria. Op welke wijze wij het ons mogen voorstellen, zullen wij straks zien, maar de jonkvrouwelijke staat van Maria, waarvan het Evangelie spreekt, is van de voornoemde kosmische projectie uit beschouwd, een onafwijsbare conclusie.

 

Wanneer wij het verhaal aangaande Jezus' geboorte niet naar de verstarde letter, maar naar de levende geest opvatten, komt de oplossing van het mysterie binnen ons bereik. Die oplossing is, dat het niet gaat om het lichamelijke, dat op zichzelf een aangelegen­heid is van de natuur, maar om de ziel. Van deze hangt het af, of de mens rein is of niet.

 

Hier is, ter voorkoming van misverstand, een korte onderbre­king nodig. Wie het verlangen heeft, rein van ziel te zijn, zal er naar streven, ook naar het lichaam de reinheid te betrachten. Immers, wanneer men zondigt naar het lichaam, dan wordt ook de ziel daardoor getroffen.

 

Nu zijn er over de zonde al ontelbaar vele boetpredicaties gehouden, en talrijke mensen menen, dat deze meer of minder onherstelbaar zou zijn. Wat dit betreft: de zonde is wèl gevaarlijk, juist zoals een verdovend middel waaraan men verslaafd kan raken, maar men moet deze niet als onherstelbaar beschouwen. Christus zegt uitdrukkelijk, dat hij is gekomen om zondaren te roepen. Hij wil hen genezen, en zal hun daarom zijn hulp bieden. De mens van zijn kant moet hieraan zijn medewerking verlenen.

 

Om thans op ons onderwerp terug te komen: Wat het lichaam alleen aangaat, is er in de paringsdaad niets wat men zondig zou kunnen noemen want, naar de materie bezien, is de paring even onschuldig als de handeling van de landbouwer die het zaaigraan over zijn akker uitstrooit.

 

 In het bovenstoffelijke, in het gebied van het zielenwezen, ziet het er echter anders uit. Daar is het, dat Lucifer, de verleider, het element van de begeerte brengt, die in het menselijk wezen optreedt als een laaiende gloed.

Dit aandeel van Lucifer mocht bij de verwekking van Jezus niet aanwezig zijn, en het is er dan ook niet geweest. De Voorzie­nigheid heeft het bij het bijeenbrengen van Jozef, die een man op rijpere leeftijd was, en de zeer jeugdige Maria, aldus geleid, dat bij dit mensenpaar het element van de begeerte niet optrad. Het gaat hier om de ziel, niet om de materie.

 

 

Wanneer wij met dit alles bekend zijn, krijgen de Madonna-afbeeldingen voor ons een nieuwe betekenis. Niet die van een "Moeder Gods", want Maria was de moeder van de mens Jezus, op wie eerst op diens dertigste jaar, bij de doop in de Jordaan, de goddelijke Christusgeest nederdaalde. Maar zij was waarlijk rein van ziel, de heilige Geest was over haar gekomen en, zoals het Evangelie zegt, de kracht des Allerhoogsten overschaduwde haar. Dit is het, wat wij in een Madonna-beeltenis mogen zien, en voorts, dat Maria het van God gegeven voorbeeld is, voor alle tijden, van de gelouterde mensenziel in welke de nieuwe mens wordt geboren. Haar beeltenis appelleert dus aan onze zielenkrachten.

 

In de Bijbel bevindt zich een gegeven, dat aan de hier medege­deelde zienswijze een krachtige steun verleent, en dat is het reeds genoemde geslachtsregister van Jezus. Dit heeft alléén zin, als Jezus de zoon van jozef was.

Aangezien de beide Evangelisten die de jeugd van Jezus be­handelen, diens geslachtsregister vermelden, dient daar zeer ze­ker rekening mee te worden gehouden. Bovendien wordt Jezus herhaaldelijk een "zoon van David" genoemd, o.a. bij de be­schrijving van de intocht in Jeruzalem; in alle vier de Evangeliën komt deze aanduiding voor, bij Mattheüs wel zes malen. Er wordt dus grote betekenis aan gehecht.

 

Overbekend is het verhaal dat, toen Jezus geboren moest worden en zijn ouders voor de volkstelling naar Bethlehem waren gekomen, er in de herberg en elders geen plaats voor hen was. Jozef en Maria werden naar de stal verwezen en dáár was het, dat de volgende dag de herders het Kind vonden, liggende in een voederkribbe. Zij waren de eersten, die over de geboorte van de Heiland vernamen. Een engel, omstraald door het openbarings­licht, was hun in de nacht verschenen, zeggende: "Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk ten deel zal vallen: heden is u de Heiland geboren." Daarop aanschouwden zij de hemelse scharen en zij vernamen de woor­den: "Ere zij God in den Hoge, en vrede op aarde in de mensen van goeden wille". - Want alleen goede mensen hebben de vrede lief. (Letterlijk staat er: tès eudokias, d.i.: des welbehagens.)

 

De herders hebben aan Jozef en Maria verteld, wat zij die nacht gezien en gehoord hadden, en Lucas verhaalt daaromtrent: "Doch Maria bewaarde deze woorden, ze overwegende in haar hart". Zij, die van nature wijsheid bezitten, denken over de verschijnselen na.

 

In het voorgaande werd gezegd, dat het leven van Jezus, met alles wat daaromheen gebeurt, een samenvatting in kort bestek of een projectie vormt van datgene, wat in de loop van de tijden met de gehele mensheid zal geschieden. Dit geldt voor de grote en ook voor de ogenschijnlijk minder belangrijke gebeurtenissen in het leven van Jezus.

De herders van Bethlehem zijn de eersten, die de aankondiging van de geboorte van de Heiland ontvangen en hem kunnen aanschouwen. Iets van dien aard is ook nu nog het geval: de eenvoudigen van ziel onder ons kunnen het gemakkelijkst de weg tot de Heiland vinden, want bij hen gaat deze weg door het hart. De weg die door het verstand gaat, is moeilijker; bij niet weinigen zit het verstand, wat dit betreft, in de weg. Er bevindt zich dan een fout in het denken, en wel die van het materialisme, dat deze wereld als de echte en de enige beschouwt.

 

Het eerste stadium van de religie moet dat van het geloof des harten zijn; eerst daarna kan ook het denkend bewustzijn de Christus bereiken. Om deze redenen moest er eerst het middel­eeuwse Christendom zijn, dat in zijn opzet op het geloof der liefde berustte. Het spirituele Christendom van de Ierse Kelten - te denken aan Columbanus en Scotus Erigena - alsook dat van de katharen kwam te vroeg; de mensheid van toenmaals had dit niet kunnen opnemen. Eerst thans zijn wij zo ver gekomen dat het wèl mogelijk is. Het is zelfs dringend nodig dat het komt, want de God-is-dood theorie is een teken aan de wand waaruit valt op te maken, dat men zonder de spiritualiteit niet meer verder kan komen.

 

Ook het verhaal, dat Jozef en Maria in Bethlehem geen plaats konden vinden en dat van de door Herodes bevolen kindermoord te Bethlehem (Matt. 2 : 7-16) spreken van iets, dat nog alle dagen gebeurt: Wanneer de mensen bespeuren dat in het innerlijk wezen van iemand in hun nabijheid het verlangen naar geestelijk leven zich doet kennen, gaan zij hem honen en bespotten. In hun midden is geen plaats voor de nieuwe mens, die geboren zal worden. Op kantoren, in werkplaatsen, in kazernes, overal komt het voor, en bij het vermaak, dat "ontgroenen" heet, vormt het een van de grootste genoegens. Men tracht op alle manieren, het geboren wordende kind te doden. De kindermoord van Bethle­hem vindt nog steeds navolging.

 

De belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de aarde­wereld, de nederdaling van de goddelijke Christusgeest op Jezus, is een verkorte projectie van de in de loop der tijden en dus zeer langzaam plaats hebbende nederdaling van de goddelijke geest in de zielen van de mensen.

 

De opgang naar Jeruzalem, waar Jezus heentrekt ofschoon hij weet, wat hem daar wacht, is de eenmaal plaats gehad hebbende gebeurtenis, welke voor de gehele mensheid betekent: de opgang naar het Nieuwe Jeruzalem, waarbij een einde komt aan het aardebestaan, dat dan overgaat in een hogere bestaansvorm. In de loop van deze opgang, van welke de Openbaring ons doet weten, hoe smartelijk zij zal zijn, zullen de mensen leren, de zelfzucht te overwinnen en deze te vervangen door de liefde tot de evennaaste, die haar voltooiing vindt in het geven van zichzelf.

 

In de nacht van Gethsémané, toen de Heiland de discipelen vroeg, mèt hem te waken, hebben zij geslapen. Nog altijd gebeurt het, dat wij slapen voor datgene, waarvoor wij wakker zouden moeten zijn. "Waakt en bidt", wordt er gezegd: wij moeten geestelijk wakker zijn.

Iets dat eveneens nog alle dagen plaats heeft, is het verlooche­nen van Jezus, gelijk de angstig geworden Petrus deed nadat zijn Meester was gevangengenomen en een meisje, op hem wijzend, zei: "die behoort er ook bij". Maar Petrus heeft dat later weer goedgemaakt.

 

Na de opstanding aanschouwden Maria Magdalena en ver­volgens de anderen Jezus in het vervolmaakte bovenstoffelijke lichaam. In de toekomstige tijden zal geleidelijk bij alle mensen het lagere doordrongen worden van de geest en door deze worden gesubstitueerd. Naar de mate waarin dit geschiedt, zullen de mensen na het sterven - zoals nu nog het geval is – niet meer voortleven als onvolkomen of gebrekkige wezens, die nog heel veel nodig hebben om tot vervolmaking te komen. Eenmaal zullen zij "voltooide" wezens zijn, bekleed, zoals de Openbaring zegt, met witte gewaden, hetgeen een beeld is van het hogere licht, dat van hun aura afstraalt.

 

Terwijl Maria algemeen beschouwd wordt als het beeld van liefde en reinheid - zij is zelfs het van God gegeven beeld daarvan ­bestaat er daarnaast ook nog een aspect, waarin zij beschouwd wordt als een op aarde gegeven afbeelding van de goddelijke wijsheid.

 

In het O. T., en wel in het Boek der Spreuken, wordt een hoofdstuk (het 8ste) aan de goddelijke wijsheid gewijd, waarvan vooral het gedeelte van vs. 22-36 belangwekkend is. Het vangt aan met deze woorden:

 

De Heer heeft mij tot aanzijn geroepen,

als het begin van Zijn wegen, tot Zijn werken . . .

 

 

 

"Wijsheid" is in het Grieks: Sophia, en omdat, in tegenstelling met de menselijke wijsheid, die in de zondeval is gekomen, de goddelijke wijsheid volmaakt rein is, sprak men van de jonkvrouw Sophia. Er bestond voor deze benaming, zoals wij straks zullen zien, ook nog een andere reden.

 

De "goddelijke wijsheid" of de Sophia is die, welke uit de Heilige Geest tot ons komt. Het aanknopingspunt tussen deze (de Sophia) en de figuur van Maria wordt aangegeven in het Lukas-Evangelie, waar wij lezen, dat de Heilige Geest over Maria zou komen.

 

Over de Sophia is veel geschreven en er bestaan diepzinnige theorieën over. Zo dachten Theophilus en Irenaeus, dat zij de Heilige Geest zelf zou zijn, maar wanneer wij indachtig zijn, dat alles, wat van God komt, ons bereikt door tussenkomst van de wezens die in de Bijbel "engelen" worden genoemd (eigenlijk moet men zeggen: door tussenkomst van de Hiërarchieën), dan kunnen wij het als volgt op een verantwoorde wijze formuleren:

De Sophia is het beeld van de goddelijke wijsheid die uit de Heilige Geest afkomstig is en die, tot ons gebracht door de Hiërarchieën, als een hemelse gave door de mens kan worden ont­vangen.

 

Van deze goddelijke wijsheid heeft men vanouds de reine jonkvrouw Maria beschouwd als de op aarde gegeven afbeelding.

In het Boek der Spreuken 8: 30 in de Septuaginta zegt de goddelijke wijsheid: "Ik was het, die Hij (God) het meeste lief­had. Het is reine poëzie, die wij daar lezen, maar zij heeft een diepgaande inhoud. De benaming "jonkvrouw Sophia", die men later aan de "goddelijke wijsheid" heeft gegeven, is voor ons belangrijk omdat zij bijdraagt om ons inzicht te vermeerderen; zij is nl. de weergave van een hoogst merkwaardige aanschouwing, die vele zieners hebben gehad.

 

Men moet bij zoiets niet dadelijk aan bijgeloof denken, en in dit geval is de naam van de vrome Jacob Boehme, een onkreukbaar man die zijn leven lang vervolgd werd wegens zijn zienerschap, een waarborg. Wat Jacob Boehme beschrijft, kan men aannemen als waarheid. Bovendien hebben andere zieners, naar wij kunnen nagaan, ook Grieken uit de voorchristelijke tijd, dezelfde aanschouwing gehad van de goddelijke wijsheid.

Evenals de anderen, aanschouwde Boehme deze in een levend beeld. Dode beelden bestaan nl. alleen in de stoffelijke wereld.

 

Dergelijke levende beelden hebben ook Hildegard von Bingen en Teresa d'Avila (om een tweetal bekende namen te noemen) beschreven; daarom houdt men haar in onze tijd niet voor ge­loofwaardig. Maar hieromtrent kan de vraag worden gesteld: hoe had Hildegard datgene, wat zij aanschouwde, op een andere wijze kunnen waarnemen dan in levende beelden? Dat zij het zo beschrijft, is juist een bewijs voor haar waarachtig zienerschap. Alles wat tot het hemelwereld behoort, is levende geest, en kan door de mens dus alleen als iets levends worden waargenomen.

 

 

 

Jacob Boehme verhaalt in zijn werk "Von den drey Princi­pien", dat hij de goddelijke wijsheid aanschouwde in de gestalte van een jonkvrouw. Uit zijn beschrijving blijkt, dat de aanblik van deze hem ten zeerste ontroerd heeft.

Bij dergelijke beelden worden vaak attributen beschreven, en dat is ook hier het geval. De Sophia - om nu maar de gangbare benaming te bezigen - droeg een lelie in de hand.

 

 De symboliek van deze bloem is afkomstig van het aantal kroonbladeren, dat zes bedraagt. De zeshoek, die, als men de lijnen doortrekt, uit twee gelijkzijdige driehoeken bestaat, gold reeds in de Oudheid als het symbool van de Macrokosmos. (Men moet hier niet alleen aan de sterrenwereld denken, maar vooral aan de bovenstoffelijke wereld.) Als een bijzonderheid, waarbij het "toeval" wel heel merkwaardig is toegevallen, zij in dit verband gewezen op het feit, dat de sneeuwvlokken, die op de aarde neervallen, bestaan uit kleine kristallen, die óók hexagonaal of zeshoekig zijn. De symbolen echter, zoals dat van de zesbladige lelie, zijn niet door de mens uitgevonden; hij heeft ze ontvangen in bovenzinnelijke aanschouwingen.

 

In de kerkelijke kunst ziet men op schilderijen die de aankon­diging aan Maria tot onderwerp hebben, de engel wel eens afgebeeld met een lelie. Deze kan hier dus eveneens de herkomst uit de kosmos symboliseren. Ook Maria wordt op de Annuncia­ties veelal met leliën afgebeeld; deze kunnen enerzijds de reinheid symboliseren - een afgeleide betekenis dus; het uit de goddelijke wereld ontvangene is volmaakt rein - en voorts kan men er het Sophia-aspect in zien.

 

 

De goddelijke wijsheid uit het Boek der Spreuken moet afkom­stig zijn van dezelfde aanschouwing als die, welke Jacob Boehme heeft gehad, en dit geldt ongetwijfeld ook voor de goddelijke wijsheid bij de Grieken, die de maagd Pallas Athene werd ge­noemd. De gevoelige beschrijving die Jacob Boehme geeft van de liefe­lijke jonkvrouw met de witte lelie, sluit geheel aan bij die van Spreuken 8: 22-36, waar men o.a. leest:

 

Ik was het, die Hij het meeste liefhad,

alle dagen was ik blijde voor Zijn aangezicht,

mij verheugend in de wereld van Zijn aardrijk. . .

 

Wie mij vindt, heeft het leven gevonden,

hij heeft van de Heer welgevallen verkregen.

Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan;

allen die mij haten, hebben de dood lief.

 

De Sophia is dus niet de een of andere heilige, maar het door de zieners aanschouwde beeld van de goddelijke wijsheid. Hoeveel gewicht men oudtijds hieraan gehecht heeft, is te zien aan het feit, dat de grootste kerk van het Oost-Romeinse Rijk daarnaar ge­noemd werd: de Hagia Sophia, (later verbasterd tot Aya Sophia), de heilige wijsheid.

 

Voor hen die belangstelling hebben in de kerkelijke kunst, zij nog gewezen op een allermerkwaardigst beeld, dat zich bevindt in de crypte van de St. Servaaskerk te Maastricht. (Niet te verwar­ren met het Mariabeeld dat aan de straatzijde staat opgesteld.)

Dit kunstwerk, afkomstig uit de 13de eeuw, stelt Maria voor als de zetel der wijsheid, sedes sapientiae, dus, als de Sophia.

 

 

De kroon die deze Maria draagt, is getooid met leliën; de betekenis daarvan werd zojuist besproken. Wat de kroon zelf betreft, deze is oorspronkelijk een afbeelding van het geestelijk licht, dat van de drager uitstraalde. Oudtijds toch waren de vorsten ingewijden, en hun aanzien dankten zij aan de daarmee samenhangende kennis. (Toen het Mysteriewezen achteruitging, verdween ook deze; vandaar de compensatie, die de vorsten gingen zoeken in uiterlijke macht.)

 

Op het geestelijke licht had de titel "illustris", "doorluchtig", betrekking; de titel "bij de gratie Gods" sprak van de inwijding.

Het materiaal waarvan de kroon vervaardigd werd, goud, is een symbool van het denken. De leliënkroon van de Sophia heeft dus een tweevoudige betekenis: die van het denken, dat uit de kosmos tot ons komt.

Dezelfde symboliek is ook nog verbonden aan een ander detail, en wel aan de figuren op het kleurige gewaad. Deze vertonen nl. een verrassende gelijkenis met sneeuwkristallen, sterk vergroot uiteraard. Het kristal is in het algemeen, evenals goud, een sym­bool van het denken; het spreekt van het uitkristalliseren van de gedachten.

 

Nu zal men zeggen: het sneeuwkristal was in de 13de eeuw niet bekend, want de microscoop was toen nog niet uitgevonden. ­Inderdaad bestond deze nog niet, zodat wij hier moeten denken aan inspiratie. Overigens zijn de figuren op het gewaad niet zes-, maar achthoekig. Waren zij zeshoekig, dan zou de volmaakte symbolische weergave bereikt zijn geweest, met dezelfde twee­voudige betekenis als bij de leliënkroon.

 

In de figuur van Maria ontmoeten de hoogste liefde en de hoogste wijsheid elkander, en in de Sophia-gedachte ontvangt de wijsheid de aandacht.

Zoals men Jezus na de gebeurtenis van de doop in de Jordaan nimmer op zichzelf, maar altijd tezamen met de inwonende Christusgeest moet beschouwen, zo moet men Maria begrijpen als de gelouterde mensenziel die vervuld is van de heilige Geest en die in de kracht van God leeft. Als zodanig is zij het aan de mensheid gegeven voorbeeld.

 

 Bron: Nieuw Inzicht omtrent de bijbel - J. G. Sutherland

 


2. Maria Magdalena.



 

De belangrijkste leerling van Jezus...

 

Maria Magdalena is een vrouw, die met kop en schouders uitsteekt boven de mannen om haar heen, behalve dan die ene, Jezus, de Meester, wiens be­langrijkste leerlinge zij is. Zij is een ingewijde - van een niveau dat slechts héél weinigen in de geschiede­nis van de mensheid hebben kunnen bereiken. In haar heeft het christendom zijn grootste, schoonste en verhevenste ontvouwing gevonden. Als je wilt spreken over heiligen, dan is zij zonder twijfel de eerste, de meest vooraanstaande in die rij.

 

Maria Magdalena is een vrouw. Was zij een man geweest, dan zou haar kennis, haar inzicht, haar wijsheid en haar liefde ons tot op de dag van van­daag tot voorbeeld dienen. Helaas (?) was zij een vrouw. En dus werd zij in de geschiedenis van het christendom naar beneden gehaald, bezoedeld en tot hoer verklaard.

Maria Magdalena: geen ander, man noch vrouw, heeft de leringen van Jezus zó naar wezen, zin en diepte verstaan. Daarom is zij bij uitstek degene die ons kan verduidelijken wat de Meester ons nu eigen­lijk heeft willen vertellen. Tijdens haar leven was zij degene die Jezus' onderricht keer op keer aan de mannelijke leerlingen van Jezus heeft mogen onthul­len: zonder haar toelichting zou de boodschap van de Meester voor hen een dode en lege letter gebleven zijn. En ook vandaag is zij degene die de levende zin en betekenis van wat Jezus ons heeft willen leren, kan onthullen. Bij uitstek is zij bemiddelaarster, tolk, bij uitstek is zij degene, die in ons het licht kan ontsteken van begrip, bewustzijn en inzicht.

 

Maria Magdalena, zij was een vrouw. Levend in een tijd waarin de vrouw nog als tweederangs ge­zien werd, ondergeschikt aan de man. En daarom heeft zij moeten ervaren hoe haar keer op keer de mond werd gesnoerd: door mannen. Heeft ze moe­ten ervaren hoe ze belasterd werd - tijdens haar le­ven, maar ook na haar dood, toen ze nog steeds ge­vaarlijk bleek voor de mannelijke suprematie.

Maria Magdalena: in haar lot wordt het lot van alle vrouwen zichtbaar.

 

Maria Magdalena: een zelfbewuste, gevoelige, bescheiden en wijze vrouw, die de belichaming van de liefde zelf lijkt te zijn. Moge het licht, dat zij als geen ander in ons weet te ontsteken, eindelijk voluit gaan schijnen!

 

Meesteres...

 

Ze wordt 'apostola apostolorum' genoemd: de apostel der apostelen, de eerste der apostelen. Zo­als onze minister-president de eerste minister ge­noemd wordt, zo is zij de eerste apostel, de belang­rijkste leerling van Jezus. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was deze eretitel nog vrij algemeen bekend, maar met het verglijden van de jaren en eeuwen kwam de nadruk meer te liggen op wat haar ten onrechte werd aangewreven dan op wie en wat zij werkelijk was. En dus wordt zij de hoer, in plaats van de eerste der apostelen.

 

Ze heeft de weg naar de verlossing gevonden én heeft die ten einde toe begaan. Ze was dus 'een vol­tooide': de mens zoals God die bedoeld heeft. Je mag het ook anders zeggen: ze was een volledig in­gewijde. Ingewijd in de grote kosmische geheimen, die niet met het verstand te vatten zijn, maar die ons onthuld worden naar de mate waarin wij mensen onszelf gezuiverd hebben.

 

Maar zoals zij in staat was de grote kosmische geheimen te schouwen, zo was zij net zo goed in staat het kleine mensenhart te doorzien. En het een was niet belangrijker voor haar dan het andere. En omdát zij het mensenhart wist te schouwen, was zij ook in staat te zien wat daar, in het mensenhart, ge­groeid was, wat er aan groeiend inzicht rijpte. En met een enkel woord wist zij dat de mensen bewust te maken. Daarom mag je haar een meester noemen: iemand die de ander, vanuit eigen gerijpt inzicht en weten, helpt op haar/zijn weg van innerlijke groei. Iemand die de ander door de warme wijsheid waar­mee ze spreekt en zwijgt, geestelijk doet groeien.

 

En nu ik het woord meester gebruik, raak ik met­ een aan het lot van Maria Magdalena. Want eigen­lijk zou ik haar, omdat ze een vrouw is, een 'meeste­res' moeten noemen. Maar wij gebruiken het woord meesteres - anders dan het woord meester - in een heel speciale zin: voor vrouwen die dominant zijn in het liefdesspel. En dus is het woord meesteres ge­koppeld aan seksualiteit. Terwijl het woord meester juist de aanduiding is van iemand die een zeer hoge mate van wijsheid, inzicht en schouwend vermogen in zich draagt. Het mannelijke woord - meester ­duidt dus op wijsheid en inzicht, het vrouwelijke woord daarentegen verwijst naar vormen van sek­sualiteit die niet vanzelfsprekend zijn en zich vooral in het verborgene afspelen.

 

Waarom hebben de mannelijke en de vrouwelijke vorm van hetzelfde woord zo'n verschillende betekenis en lading gekre­gen? Omdat in het mannelijke woord nog steeds de mannelijke superioriteit doorklinkt, alsof alleen mannen een meester kunnen zijn, en in het vrouwe­lijke woord vooral de gevaarlijke, verleidende en verleidelijke vrouwelijke seksualiteit doorklinkt. Alsof mannen geen seksuele wezens zijn, met hun eigen seksuele fantasieën! Maria Magdalena was een meesteres. Maar omdat zij een vrouw was, werd dat op de eenzijdige manier, verbonden met seksua­liteit, uitgelegd. En dus werd zij een overspelige, een hoer. En werd zij afgebeeld met loshangende haren, met ontblote borsten en weelderige lichaamsvor­men. En van haar wijsheid, haar inzicht, haar schouwend vermogen vernamen we niets meer. Dat werd alleen aan mannen toegeschreven, dat was al­ leen aan hen voorbehouden. Zo werd de eerste der apostelen een gevallen vrouw. En waren het mannen als Petrus en Paulus, die het boegbeeld werden van het christendom en die Maria Magdalena van haar plaats beroofden. Die twee eenvoudige woorden: meester en meesteres, ze maken veel duidelijk. Na­melijk dat het lot van Maria Magdalena tot op de dag van vandaag doorwerkt en een lot is dat nog steeds de vrouwen van onze tijd treft. Een lot dat tot in onze taal toe zichtbaar wordt.

Maria Magdalena: in háár lot wordt het lot van álle vrouwen zichtbaar.

 

 

Bron: Maria Magdalena

of het lot van de vrouw

 

Hans Stolp

ISBN 90-259-5161-9

 

 

Maria Magdalena, of Het lot van de vrouw<br>



Hans Stolp
Maria Magdalena, of Het lot van de vrouw
Hans Stolp


 

 

3.DE SLANG EN DE VROUW


 

Volgens het goddelijk idee was de mens het evenbeeld van God: een androgyn wezen dus, mannelijk noch vrouwelijk, begiftigd met het vermogen zich uit zichzelf voort te planten. In de stof polariseerde dit androgyne wezen zich als man en vrouw. Maar het bleef in principe één wezen. Want de rib, waaruit de vrouw werd geboetseerd, bleef ondanks alles een orgaan van de androgyne mens.

Eenheid bestaat alleen in de geest. Uitgedrukt in de stof neemt de eenheid de gedaante aan van een drieheid: een ouderpaar en hun kind. Dat vervolg komt later als Adam en Eva, zoals het eerste mensenpaar wordt genoemd, zelf kinderen gaan voortbrengen.

De aanzet tot het geslachtelijke bewustzijn, dat de prikkel vormt tot verwekking van nageslacht, is de slang. Net als de vis is de slang een oud, universeel symbool. Als archetype drong het zich in vele mythen naar de voorgrond. In dit verband is het interessant om kennis te nemen van een primitieve Papoea-mythe, zoals die door de schrijver Anthonie van Kam­pen in Nieuw-Guinea werd opgetekend.

 

DE SLANG EN DE VROUW

 

De godheid Babai Tapak daalde van de zon, zette zich neer op een wolk, en zei: "Zie, dit is mijn huid en ik geef u die om te eten. Hij, die ervan eet, kan niet sterven. Als de huid oud is werp hem dan weg en er zal een nieuwe ontstaan. Maar te midden van u bevindt zich een vrouw. Ja, zij daar, die een visnet vlecht. Jaag haar weg, want zij is geen mens. Zij is een slang. Wees voor haar op uw hoede. Ze zal proberen om de huid te bemachtigen en u schade te berokkenen." Maar de inboorlingen verjoegen de vrouw niet. Ze kenden haar, want ze behoorde tot de stam. En God wierp de huid op de aarde. Onmiddellijk sprong de vrouw op, greep de huid en verdween ermee in een gat in de aarde. Nu was ze geen mens meer, maar een slang. De slang glipte weg en niemand slaagde erin om het beest te grijpen. Babai Tapak werd met medelijden vervuld en schonk het volk de dingen die het nodig had om te leven, prauwen en peddels, sagokloppers en slaapmatten, wapens om koppen te snellen en wetten om naar te leven. Gij zult niet stelen, niet doden, uw vrouw goed behandelen, tenzij ze overspel heeft gepleegd. Toen keerde hij terug naar de zon. En de mensen leefden volgens zijn geboden. De ouderdom van deze legende is onbekend, maar de eerste missionarissen luisterden verbaasd naar het verhaal, dat zoveel leek op dat oude bericht uit de bijbel.

Was het niet een slang die Eva, de eerste vrouw, verleidde tot het eten van de boom van kennis van goed en kwaad? God zou gezegd hebben: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. De slang wist het beter. "Gij zult geenszins sterven," beweerde zij. "Maar God weet, dat ten dage dat gij daarvan eet uw ogen geopend zullen worden en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad." De begeerlijke vrucht blonk haar toe en de vrouw meende dat het goed was om ervan te eten. Zij nam een hap van de vrucht en gaf hem ook aan haar man. De gevolgen waren ontzettend. De man en de vrouw, die zich niet schaamden, zagen plotseling elkaars naaktheid. Beschaamd hechtten zij vijgenbladeren aaneen en maakten daar schorten van. Zelfs verscholen zij zich voor God, die bij wijze van straf de slang vervloekte, de vrouw een smartelijke zwangerschap beloofde en de man in een verdorde tuin plaatste, waarin hij "in het zweet zijns aanschijns" brood zou eten. En hij veroordeelde de man en de vrouw tot de dood. "Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren." Ten slotte verjoeg hij hen uit het paradijs en zette ten oosten van de Hof van Eden de cherubijnen met hun flikkerende zwaard om de weg tot de boom des levens te bewaken.

Het is uiterst onwaarschijnlijk, dat de woest ogende koppensnellers van het broeierige Asmat-gebied in zuidelijk Nieuw-Guinea ooit hadden gehoord van Adam en Eva, de slang en de verboden vrucht. Toch is hun slange­vrouw, die de goddelijke huid steelt, hecht gelieerd aan de eerste vrouw uit de Joodse bijbel. Beide verhalen zijn lokale variaties op hetzelfde oer­thema.

De vrouw staat voor de menselijke ziel, die afgedwaald van de goddelijke geest, deelneemt aan de kringloop van geboorte en dood. Door haar vruchtbaarheid baart zij het jonge lichaam, maar als leven schenkster voert zij haar kinderen ook tot de dood. Terwijl het mannelijk aspect, de geest, vervuld is van eeuwig leven, draagt het vrouwelijk aspect naast het leven ook de dood in zich. Dat is de dubbelheid, waarmee haar symbool bekleed is. Aan de ene kant haar beschermend moederschap, aan de andere kant haar onvermijdelijke sterfelijkheid.

Als zinnebeeld van de kringloop heeft de vrouw een lichte en een donkere zijde. Eerst als de bruid van de goddelijke Geest kan zij de dualiteit ontstijgen. Zolang zij als ziel in deze wereld existeert blijft zij gevangen in een kringloop, die wordt uitgedrukt in het symbool van de slang, die in haar eigen staart bijt. Dat is de reden waarom de vrouw in het mystieke denken zo vaak met de slang wordt vereenzelvigd.

 

UIT: Het Gnostisch Alternatief

Johan M. Pameijer.

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL