Termen uit de psychotherapie volgens Jung.

   

Over de ziel. - Jung, archetypen en zelfverwerkelijking in de bijbel. - Het 'ik' als individu - Jung over liefde -

 




De ziel en haar kenmerken


Over de ziel.

 

 

Fundamenteel voor de ziel is het vermogen om de wereld waar te nemen. Het oog zelf ziet niet, het oor hoort niet; het is de ziel die door middel van de zintuigen ziet, hoort, ruikt, proeft en tast. Het oog is slechts in staat de elektromagnetische trillingen die via voor­werpen door het netvlies worden opgevangen, in een zenuwprikkel om te zetten en naar de hersenen te leiden. Als deze trillingen een bepaalde frequentie hebben, bijvoorbeeld zeshonderd biljoen per seconde, ontstaat er in de menselijke ziel - ervan uitgaande dat er aan het gezichtscentrum in de hersenen niets mankeert - een be­paalde waarneming, bijvoorbeeld de waarneming die we met het woord 'groen' aanduiden. Een groene wei is dus niet 'objectief' groen (objectief bestaat hoogstens het feit dat het gras uitsluitend een bepaalde trilling van het zonlicht weerkaatst), maar ze wordt pas 'groen' door de waarnemende ziel van de mens. Evenzo zijn klanken 'objectief' gezien hard noch zacht, hoog noch laag en ook niet mooi of lelijk, - objectief bekeken zijn het zelfs geluidloze trillingen en pas door onze waarneming krijgen ze het karakter van klanken.

 

Als we zo doorredeneren, moeten we tot de conclusie komen dat we over het bestaan van een wereld die zich buiten onze ziel bevindt, in objectieve zin niets weten. We kennen slechts onze subjectieve waarnemingen, die ongetwijfeld iets psychisch zijn, dat we echter gewoontegetrouw in de ons omringende wereld lokaliseren. Van het objectieve karakter ervan zijn we overtuigd, omdat anderen op de­zelfde wijze hun waarnemingen benoemen. De taal is echter een volstrekt psychisch verschijnsel, dat ons in staat stelt met elkaar te communiceren over het schijnbaar reŽle karakter van de buitenwe­reld.

 

Al het waarnemen is een steeds weer herkennen en benoemen. Het veronderstelt dat onze ziel - vanzelfsprekend met hulp van de hersenen - eenmaal opgedane ervaringen kan opslaan en reprodu­ceren, kortom, dat ze die bijzondere eigenschap bezit die we geheu­gen noemen. We stelden zojuist dat het waarnemingsvermogen van onze ziel voorwaarde is om de wereld om ons heen te kennen. Hier­aan moeten we toevoegen dat de ziel alles wat zij waarneemt en er­vaart in het geheugen opslaat. Dit vormt de basis waarop we onszelf, dat wil zeggen ons lichaam en onze ziel, kennen, respectievelijk steeds weer herkennen. Het geheugen vormt de basis voor onze psychische continuÔteit.

 

Om de werkelijke betekenis hiervan goed te begrijpen, moeten we niet in de eerste plaats denken aan de willekeurige activi­teit van het geheugen, dus aan het feit dat wij bijvoorbeeld gedich­ten, woordjes of verkeersregels uit ons hoofd kunnen leren, maar moet het duidelijk zijn dat ook zonder een dergelijke activiteit alle voorvallen in ons leven hun plaats hebben in ons geheugen, ook schijnbaar vergeten gebeurtenissen. We zouden kunnen spreken van een toegankelijk en een ontoegankelijk deel van ons totaal aan herinneringen. We zullen daar later op terugkomen.

 

De ziel, die zichzelf door het geheugen kent, bezit dus geen di­mensie van ruimte, maar wel van tijd. Haar bestaan beperkt zich niet slechts tot het heden, maar het hele verleden van het individu ligt er­in besloten, en via de dragers van de erfelijke eigenschappen bestaat er zelfs een verband met de psychische basisstructuur van de voorouders, die slechts indirect voor het bewustzijn toegankelijk is. In de vorm van ons geheugen omvat onze ziel niet alleen het verleden, maar is zo ook in staat zich op de toekomst te richten. Door onze ver­beeldingskracht kunnen we ons niet alleen het verleden voor de geest halen, maar ons ook iets voorstellen wat in de toekomst zal plaatsvinden. We kunnen naar de volgende dag uitzien, of de ko­mende jaren kunnen ons met vrees vervullen, en we weten zeker dat we eens zullen sterven. Daarmee komen we op een ander aspect van de ziel, waarover filosofen zich door de eeuwen heen hebben gebo­gen, maar waarmee de descriptieve psychologie niet goed raad weet: we bedoelen het vermogen van de ziel om te denken.

 

Het denken kan niet zonder het denken beschreven worden, maar de gedachtevorming over het denken kan alleen ontstaan door be­wust bij het eigen denkproces stil te staan of door anderen bij het spreken gade te slaan. Voor een reflectie op het denken zou men moeten kunnen uitgaan van een archimedisch punt buiten het den­ken. Omdat zoiets niet bestaat, kan de wonderbaarlijke MŁnchhau­sen, die er ook in slaagde zich aan zijn eigen haren uit het moeras te trekken, als voorbeeld dienen.

 

Het denken bestaat uit vroegere waarnemingen die op een nieuwe manier met elkaar in verband wor­den gebracht. Deze waarnemingen kunnen direct aan het denken voorafgaan, of afkomstig zijn uit het geheugenreservoir. Wat in het geheugen is opgeslagen is chronologisch gerangschikt en is boven­dien, door de zogenaamde associaties, op een bepaalde manier naar onderwerp geordend, en wel op grond van een onvoorstelbare hoe­veelheid thema's, die ook nog naar talrijke andere dingen verwijzen. Deze associaties scheppen de mogelijkheid voor een oneindig aantal aanknopingspunten tussen alle concrete ervaringen en fantasieŽn. Het denken kan zich als associatief denken vrij aan associaties over­geven, en zich dan honderdvoudig tot duizendvoudig vertakken.

 

Ligt de taak van het denken echter in het oplossen van problemen, functioneert het dus als innerlijk proefondervindelijk handelen, dan moet het doelgericht denken worden. Het maakt dan in minde­re mate gebruik van aanschouwelijke beelden, maar meer van woor­den, die op een compacte manier bepaalde beelden en andere in­houden van het geheugen weergeven. Het denken wordt daarmee zoiets als een 'innerlijk spreken'.

 

Het is echter veel mťťr dan dat. Want terwijl het wezenlijke van het spreken het meedelen van vastomlijnde resultaten van het denken is, voltrekt het denkproces zelf zich via onduidelijke lijnen die we 'gedachten' noemen, en waarvan het onmogelijk is de essentie te begrijpen. Men kan er alleen maar van zeggen: Het ontstaan van gedachten is onverbrekelijk met de taal verbonden, waarbij 'de taal' veel meer omvat dan 'het spreken' . Met het gebruik van de taal ontstaan de begrippen, die een we­zenlijk element van het denken vormen. Begrippen kunnen worden beschouwd als 'de som van ervaringení, waarbij het gemeenschappe­lijke van veel ervaringsfeiten in ťťn woord wordt samengevat. Door­dat het abstracte denken met zuiver taalkundige vormen (woorden en begrippen )werkt, leidt dit tot een veel sneller inzicht in hoofd - en bijzaken dan het tragere zakelijk of aanschouwelijk denken.

 

De begrippen zijn niet de enige hulpmiddelen die het denken ge­bruikt om verder te komen. Ook de taal kan ons van dienst zijn om in het denken andere elementen te onderscheiden. Taal bestaat im­mers niet uit afzonderlijke woorden, maar uit samengestelde eenhe­den die we 'zinnen' noemen. Deze samenvoeging van woorden tot zinnen gebeurt niet willekeurig, maar volgens regels die op een inge­wikkelde manier de grammaticaal juiste zinsbouw bepalen, en te­vens de zinsdeelfunctie en de betekenis van hun onderling verband vaststellen.

 

Een dergelijke opbouw treffen we ook aan bij het denken. Ook de opbouwende samenhang van gedachten horen aan bepaalde wet­ten te voldoen, willen ze 'correct' zijn. De ordening van gedachten vindt volgens bepaalde regels plaats, en de volgorde beantwoordt aan bepaalde functies. De kunst om in overeenstemming met deze wetten zuiver te denken, noemt men 'logica'. Door middel van het logisch denken, waarvan we de wetten in de filosofie vinden, is het mogelijk tot juiste, algemeen geldende uitspraken over bestaande feiten te komen, en dan uit de verschillende uitspraken de juiste eindconclu­sie te trekken.

 

Deze wetten over het zuiver denken werden natuur­lijk niet door filosofen uitgedacht en vervolgens als bindend aan het denken voorgeschreven. Het omgekeerde is het geval: het zijn struc­tuurelementen van het denken, die zich samen met het denken ont­wikkelen, en de wetten zijn pas naderhand door de filosofie ontdekt en geformuleerd. Niemand hoeft filosofie te studeren om zuiver te kunnen denken, maar iedereen die over een 'gezond verstand' be­schikt, mag ervan uitgaan dat hij denkt volgens de algemeen gelden­de wetten betreffende het denken. Het 'gezond verstand' is juist 'gezond' door het denken dat zich naar de waarneming oriŽnteert, getoetst kan worden aan het abstracte denken - zich dus niet uit­sluitend naar de wetten van de logica, maar even goed naar de con­crete wereld oriŽnteert.

 

De kwaliteit van het denken, die we 'verstand' noemen, stelt ons in staat de juiste betekenis van losse gedachten te begrijpen, deze met andere te vergelijken en ze dan te ordenen en in relatie te bren­gen met andere gedachten, of liever gezegd: met al onze andere er­varingen. Pas door deze rangschikking in een wijdere samenhang van gedachten leert men gedachten 'begrijpen'. Het kan ons vol­doening en zelfs vreugde schenken, een veeleisende gedachtegang te kunnen volgen.

 

Het denkproces en ook de gedachten zelf wekken bijna altijd gemoedsaandoeningen op die niets met gedachten te maken hebben, zelfs als hun tegendeel kunnen worden beschouwd: bedoeld worden de gevoelens.

 

Menigeen vindt dat het gevoel zo'n belangrijk aspect van de ziel vormt, dat het gewoon als synoniem voor de ziel wordt opgevat. De­ze eenzijdigheid is onjuist, maar maakt wel duidelijk hoezeer we ge­neigd zijn de ziel op te vatten als iets onbegrijpelijks, iets ongrijp­baars, als iets waaraan we geen richting kunnen geven, en wat soms angstaanjagend is. Want uit ons handelen blijkt dat het gevoel vaak niet te begrijpen, niet te vatten is, dat het niet kan worden 'gestuurd' en daarom vaak angstaanjagend is.

 

 We worden door een hevige gemoedsaandoening meegesleept, we worden in ons denken en handelen tegen onze wil door diepe emoties beÔnvloed, of we zijn dagenlang op onverklaarbare wijze verdrietig - en steeds zullen we moeten erkennen dat we machteloos staan tegenover de overmacht van gevoelens. Er bestaan weliswaar gevoelens die als reactie op be­paalde gebeurtenissen zijn te verklaren, maar zelfs deze gevoelens kunnen niet op elk willekeurig moment opgeroepen worden. De muziek die me gisteren zo diep raakte, kan me vandaag volstrekt koud laten; ik kan in mijzelf geen gevoelens van liefde of haat op­wekken; en zelfs bij een schijnbaar zo simpel - want lichamelijk be­paald - gevoel dat het een of ander gerecht lekker is, is het niet ze­ker dat het de ene dag net zo goed smaakt als de andere.

 

Elk gevoel houdt een waardeoordeel in; het beweegt zich tussen de polen aangenaam en onaangenaam, tussen lust en onlust, tussen bevestiging en ontkenning. Gevoel wil echter niet zeggen: ja, dat is goed of aangenaam, of: nee, daar houd ik niet van. Gevoel gaat vooraf aan het verwoorden van gedachten, die op hun beurt pas op­komen als ze de zieleroerselen hebben achterhaald. Dat er in het al­gemeen weinig over het voelen gezegd kan worden, ligt in de aard van het gevoel besloten.

 

Dat we er echter vaak zo hulpeloos tegeno­ver staan; dat we het nauwelijks eerlijk durven uiten; dat het ons soms pijnlijk treft als het bij onszelf of bij anderen te voorschijn komt, en we het niet kunnen hanteren, vindt zijn oorzaak in een ernstige tekortkoming van onze Westerse beschaving. In het Westen wordt al eeuwenlang bijna uitsluitend het ontwikkelen van doelge­richt denken de moeite waard gevonden.

 

In ons model van de ziel ontbreekt nog de basis waarop het psychi­sche en het lichamelijke elkaar raken. Hier ligt de eigenlijke drijf­kracht die het zielenleven stimuleert, hoewel zij vaak op een verbor­gen manier werkzaam is: we denken in dit verband aan de driften die zeer nauw met het gevoelsleven zijn verbonden. Onder een drift verstaan we de gewaarwording van een steeds sterker wordende drang die zich op een duidelijk doel richt en dit tracht te verwezenlij­ken.

 

Bij de meeste driften is dat doel de bevrediging van een licha­melijke behoefte. Als gewaarwording is een drift weliswaar iets psy­chisch, maar qua oorsprong en doel is ze vaak van lichamelijke aard. Het is belangrijk, onderscheid te maken tussen het subjectief erva­ren doel van de drift en het voor de buitenstaander als zinvol herken­bare doel van de drift. Iemand die versmacht van dorst voelt instinct­matig dat hij moet drinken, terwijl objectief gezien deze drift de in­standhouding van zijn leven dient.

 

Alle driften die direct het voortbestaan van de mens dienen, wor­den oerdriften genoemd. De daaraan ten grondslag liggende levens­behoeften zijn: honger, dorst, slaap en zuurstof. Verrassend is dat bij dieren, waar men soortgelijk onderzoek heeft verricht, deze vita­le driften in intensiteit worden overtroffen door een andere drift: de zorg voor het broedsel, het zogenaamde moederinstinct.

 

Naast de vitale driften onderscheidt een aantal psychologen nog de zogenaamde sociale driften. Mensen hebben de behoefte elkaar te ontmoeten en, door bepaalde driftimpulsen gedreven, op een zeer intense manier met elkaar om te gaan. Tot deze sociale driften rekent men onder andere: machtsdrift, geldingsdrang, naijver en wraakgevoelens. Men kan zich in dit verband terecht afvragen, of het begrip 'drift' hier nog wel van toepassing is.

 

Aan het bestaan van de zogenaamde 'functionele driften' valt echter niet te twijfelen. De mens heeft de instinctieve behoefte zo­wel zijn lichamelijke functies als zijn verworven vaardigheden te ge­bruiken. Zo kan men spreken van 'speldrift', 'bewegingsdrift' en Ďagressiedriftí; het lijkt zelfs zinvol, in dit rijtje ook de geslachtsdrift op te nemen, want het subjectief ervaren doel daarvan is ongetwij­feld niet de voortplanting, maar de activiteit van de geslachtsorga­nen.

 

Hoe men de verschillende driften ook wil onderverdelen, vaststaat dat ze voor ons stoffelijk bestaan zorgen en de basis vormen van de dynamiek van ons zielenleven. Bij het dier vindt de bevredi­ging van primaire behoeften plaats doordat zijn overgeŽrfd gedrag volgens een betrekkelijk strak patroon verloopt, dat wil zeggen dat het dier door zijn overgeŽrfde instincten wordt geleid. De mens er­vaart zichzelf als een gedrevene en hij is bovendien in staat af te wij­ken van overgeŽrfde instinctieve gedragspatronen en te beslissen of hij gehoor wil geven aan zijn driftimpuls of niet. Ook kan hij zelf be­palen hoe hij het doel van deze impuls wenst te bereiken.

 

Dit laatste is het belangrijkste dat over de menselijke ziel te zeggen is: de men­selijke ziel heeft een eigen bewustzijn ontwikkeld, en heeft daarmee enerzijds een duidelijke vrijheid veroverd, maar is anderzijds ook tot de ontdekking gekomen dat ze veel meer is dan de optelsom van wat we hier in het kort hebben beschreven: namelijk een klein eiland van bewuste psychische krachten in de zee van het onbewuste.

 

 Dr. H. Barz Ė leider van het C.G. Junginstituut te KŁssnacht

 Jung, archetypen en zelfverwerkelijking in de bijbel.

 

 

Bij het kennisnemen van de inwijdingsprocessen viel mij op dat de antieke tempelinitiaties een vroege vorm zijn van de Jungiaanse individuatie of de verwerkelijking van het Zelf. Individuatie is het integreren van onbewuste inhouden met het gewone dagbewustzijn. Maar om te kunnen integreren moet je eerst de inhouden van het onbewuste kennen. Dat maakt een confrontatie onvermijdelijk. Daarin schuilt het gevaar van initiatieriten zonder begeleiding van een ervaren priester, leraar of psychotherapeut. Jung sloeg de spijker op zijn kop toen hij schreef: 'We bereiken de verlichting niet door ons het licht voor te stellen, maar door ons bewust te worden van de duisternis.'

 

Onze weg naar de innerlijke bron voert ons dwars door de nacht van het onderbewustzijn. Onze intiemste demonen versperren er ons letterlijk de doorgang. Nog dieper zullen we het persoonlijk onbewuste passeren, de verblijfplaats van de oudste herinneringen aan vroegere belichamingen en nog verder teruggaande levensvormen. Bij wijze van spreken zou je je een leven in het lichaam van een luis of een lynx voor de geest kunnen halen, maar ook dat van de moordenaar die je eens was, de afgewezen minnaar of de door zijn wieken ver­morzelde molenaar.

Op het allerdiepste niveau ontmoeten we de archetypen, die stuk voor stuk hun eigen werkveld bezitten. De onbe­schrijfelijke complexiteit van het collectieve onbewuste noop­te mij ertoe eenvoudig uit te zien naar het meest voor de hand liggende werkterrein van de voornaamste archetypen, name­lijk de schaduw, de anima/animus, de persona, de oude wijze en het Zelf. Elke methode tot zelfverwerkelijking zal ons onherroepelijk in aanraking brengen met deze invloedrijke archetypen. Het zijn geweldige bundels energie in het don­kerste kelders van ons wezen. Hun zeer complexe koppeling aan de chakraís is naar mijn overtuiging relevant.

 

Kennelijk was de kennis omtrent deze krachtcentrales in de mysteriescholen nog voorhanden. Kandidaten voor inwijding hadden geen idee wat hen te wachten stond. Na zoveel eeu­wen staat evenwel vast dat inwijding therapie in de zuiverste vorm was, terwijl de hedendaagse psychotherapie zeker niet ver verwijderd is van de aloude inwijdingsmystiek. Kennis maken met wie je onder de bewustzijnsdrempel bent, kan een genezend avontuur zijn. Daarentegen draagt de bewust geko­zen confrontatie met de archetypen van het onbewuste het karakter van een zelfoffer. Introspectie komt nooit tot zijn recht als de aandacht uitsluitend naar de buitenwereld blijft uitgaan en het innerlijk wordt verwaarloosd. Zonder uitzondering roepen Jung-adepten op om alle facetten van de per­soonlijkheid gelijke kansen te geven. Een verwaarloosd deel zal zich op abnormale wijze manifesteren en een ziekelijke verstoring van het evenwicht veroorzaken. De priesterlijke leiders van de mysteriescholen waren op de hoogte van dit probleem. De aan hun zorg toevertrouwde kandidaten kre­gen volop gelegenheid om vooral onbewuste aspecten van hun persoonlijkheid te leren kennen en te integreren, tenein­de het ego te laten opgaan in het veel ruimere Zelf.

 

De gelaagde structuur van de persoonlijkheid vereist in gelijke mate aandacht voor alle lagen, voor het onderbewust­zijn, het persoonlijk onbewuste en niet in de laatste plaats voor het collectieve onbewuste. (Ö.) De menselijke incarnatie bracht hem in de vreemdste situaties. Dwars door de incarnaties heen sta­pelde zich een monumentaal geheugen op vol flarden van herinneringen aan brandschattingen, plunderingen, moor­den. Traumaís, fobieŽn en neurosen, opgelopen tijdens voor­bije incarnaties, tekenden de ziel met schroeivlekken. Regelmatig stuiten serieuze therapeuten bij hun patiŽnten op innerlijke conflicten die terwille van geestelijk herstel opge­ruimd dienen te worden.

 

Opmerkelijke overeenkomsten tussen droomsymbolen en mythen van over de hele wereld zetten Jung op het spoor van het collectieve onbewuste. Diep weggedrukt onder de lagen van onderbewustzijn en persoonlijk onbewuste heeft de mensheid een gemeenschappelijk bewustzijn, het betoveren­de reservoir van goden, duivels, engelen, magiŽrs, wereld­moeders. Vooral de religies hebben dit gebied ontsloten en ons bekendgemaakt met de onbegrensde mogelijkheden op vereniging met deze archetypen. Ontdaan van hun ongrijp­bare imago's gaan ze op in dat ene grote archetype van het Zelf, het nucleair atoom in ons lichaam-ziel complex, door Jung gelijkgesteld aan de daimon van de Grieken.

 

De verwerkelijking van dar Zelf is de grote opdracht van ons leven. Deze opdracht motiveerden de mysteriereligies en het is tevens het bestaansmotief van het Christelijke geloof, dat het lijden bijna heeft verheerlijkt. Ook de psycholoog schat de betekenis van her lijden op waarde geruige een notitie van Jung's assistente Marie von Franz: 'Het werkelijke individuatieproces begint gewoonlijk met het verwonden van de persoonlijkheid en het lijden dat ermee gepaard gaat.' Genezing van de disharmonie die de wereld kenmerkt is her voornaamste oogmerk van inwijding en individuatie. Onopgemerkt zijn alle activiteiten gericht op heling van lichaam, ziel en geest. In religieusmetafysische taal spreekt Jung in dar verband over de incarnatie van God.

 

De ogen sluiten voor de inwerking van Persona, Anima en Schaduw is dom en kortzichtig. Zij lopen de Oude Wijze voor de voeten, maken het Zelf onzichtbaar en devalueren het onwillige individu tot een kreupel creatuur. Veelal misvormt het zijn omgeving tot een afspiegeling van zijn eigen disharmonie. Een maatschappij die zich heeft verslingerd aan uitsluitend vergankelijke en bederfelijke zaken, vergeet onvergankelijke en eeuwige waarden. De mysteriereligies kenden de middelen tot herstel. In de loop van tweeduizend jaar sudderde deze kennis ondergronds door omdat de kerk ze te vuur en te zwaard bestreed. Door het werk van Jung zijn dromen opgewaardeerd tot belangrijke toegangen tot onderbewustzijn, persoonlijk en collectief onbewuste.

 

Jung slaagde erin de overweldigende macht van de Schaduwen de sluwe invloed van Anima en Animus, de personificaties van alle vrouwelijke neigingen in de psyche van man en vrouw, alsmede het toneelspel van de hardnekkige bedekker van her Zelf, de Persona, in zijn therapeutisch werk aan de orde te stellen. Onder talrijke gedaanten paraderen deze archetypen door onze droomtaferelen en geven betekenis aan de onzinnige scŤnes van de geest.

 

De mens leeft tezelfdertijd twee levens: zijn gewone dage­lijkse leven en het minstens zo belangrijke droomleven dat zijn innerlijke realiteit projecteert in mythische beelden. De interpretatie daarvan vereist een intuÔtief invoelingsvermo­gen, zoals ik waarnam in mijn eigen dromen.  De animafiguur hult zich in de gedaante van bekende vrouwen en niet altijd als heks of priesteres. De Schaduw kan allerlei vermommingen aannemen, maar is zeker niet altijd negatief. De Persona ontbrak, naar ik aanneem omdat mijn persoonlijkheid zich onverhuld in de droom beweegt. De Oude Wijze trad op als boekhandelaar. Majestueus bewoog hij zich tussen kostbare manuscripten en in zwaar leer gebon­den perkamenten. Een enkele keer wees hij mij de weg als marktkoopman. Soms verscheen hij soeverein tussen de bordkartonnen decors van een kleurrijk panopticum. Het Zelf ontmoette ik eens als een onbeschrijflijk groot en wonderbaarlijk mooi insect dat door een raam naar mij keek maar niet naar binnen kwam. Vaak droomde ik van boten, zee­schepen, vliegtuigen die tussen de huizen door de straten vlo­gen of ik liep door ondergrondse galerijen, dwaalde door vreemde pakhuizen met veel verdiepingen en een labyrint van gangen of bewoog mij door verlaten straten in mij onbe­kende steden. Dit soort scŤnes wekte reminiscenties aan de oude mysterietempels. Zoals ik al opmerkte bevat dit droom­leven meerdere aanwijzingen, berichten of boodschappen. Ik neem ze hoogst serieus en doe moeite om ermee in het reine te komen.

 

Op geen enkele wijze pretendeer ik in staat te zijn de verslui­erde symbolentaal van dromen te begrijpen. De analyses van Jung laten ons proeven van het verfijnde raffinement zien waarin het onbewuste zich tijdens onze slaap aan ons kenbaar maakt. Maar dat het doorgronden van onze persoonlijke mythen het bewustzijn verrijkt en verruimt, is inmiddels meermalen aangetoond.

 

Dromen zijn geenszins loos bedrog, zoveel is mij wel dui­delijk geworden. Zij vormen de aanzet tot onze individuatie, de completering van ons wezen met de onbewuste dimensie. Anderzijds reizen de archetypen ook in het waakleven met ons mee. Vaak concretiseren ze zich in mensen die wij ontmoeten of bedreigen ons in vreemde uitdagende situaties. De Anima trekt de aandacht door schuin door haar wimpers heen onze bewegingen gade te slaan. Ze manifesteert zich in vage gevoelens, duistere stemmingen en profetische intuÔties, ontvankelijkheid voor het irrationele, onverklaarbare liefdes, gevoel voor de natuur, interesse in het onbewuste en nieuwsgierigheid naar het paranormale. Altijd vergezelt de inner­lijke vrouw de man op zijn pad, zoals de innerlijke man de vrouw begeleidt. Von Franz beschrijft haar als wereldmoeder en bemiddelaarster tussen ego en Zelf, maar ze verzwijgt ook haar negatieve aspecten als hoer, verleidster en heks niet. Bij de vrouw vertegenwoordigt de Animus veelal haar verborgen harde, rationele kant. Een psychotherapeut zal proberen deze innerlijke figuren in het bewustzijn te integreren, zodat de mate van zelfkennis toeneemt en er weer een flinke stap naar heelheid is gezet.

 

De Schaduw zou ons angst kunnen inboezemen als we onze geheime driften kenden. Legio optredens van de niet bewuste Schaduw zijn uit de literatuur te halen. Afgezien van de vele dromen, waar deze archetypen veelal vermomd in optreden, betraden ze het schouwtoneel van de bijbelse verhalen. Dat Christus het Zelf voorstelt en Johannes de Oude Wijze uitbeeldt nemen we voor lief, maar Persona, Anima en Schaduw treden in de meest uiteenlopende uit­monsteringen voor het voetlicht. De Persona voorziet ons van de maskers waarachter we ons ware zelf verbergen en de rol spelen die het leven ons opdringt, de Anima schenkt ons van­uit haar geheimzinnig clair-obscure haar verleidelijkste glim­lach. Haar schim ontwaren we achter de drie Mariaís, de nederige Godsmoeder, de devote Maria van BethaniŽ en de wijze Maria Magdalena, de hoer die een heilige werd. De Schaduw ten slotte dringt zich herhaaldelijk ongevraagd op de voorgrond. Zijn verschijnen in de gedaante van Satan, die Jezus drie verzoekingen voorlegt, loopt vooruit op zijn optre­den in de huiden van de aanklagers Pilatus en Kajafas. Ten slotte geeft hij stem aan de beul die na de kruisiging toegeeft: 'Waarlijk, hij was de Zoon van God'. Op dat gedenkwaardi­ge ogenblik beseft de Christen dat goed en kwaad zich met elkaar hebben verzoend.

 

Het zou de moeite lonen de hele bijbel door te spitten op zoek naar de mythische manifestaties van de grote archety­pen. Vrijwel elk boek zou onze stelling bevestigen dat de stu­die van het boek der boeken een helende bezigheid is, mits wij in de figuren onze eigen archetypen zouden herkennen.

 

Het verhaal van Job staat niet op zichzelf. Zijn Schaduw dreef hem tot wanhoop, maar zonder de Schaduw zou Job zich nooit bewust zijn geworden van het Zelf.

Ook David kreeg te maken met zijn Schaduw. Het tweegevecht met de reusachti­ge Goliath symboliseert de botsing tussen de mens en zijn duistere zijde. David overwon hem met behulp van zijn zesde zintuig en hieuw de geweldenaar het hoofd af, waarmee hij de integratie met zijn Schaduw tot stand bracht. Jaren daarna raakte David onder de bekoring van zijn Anima. In de verlei­delijke gedaante van de badende Bathseba bracht zij zijn hoofd op hol. Het komt mij voor dat de man die naakt rond de ark des Verbonds danste, twee koninkrijken verenigde en Jeruzalem zijn tempel gaf, op latere leeftijd met een zwaar schuldgevoel jegens de arme Uria heeft geworsteld.

 

Karma plaatst ons steeds weer in de gemoedstoestand van degene die wij hebben gedupeerd. Hoe ellendig zal de gerijpte David zich hebben gevoeld toen hij zich identificeerde met de Uria die merkte door David bedrogen te zijn? Ik hou het erop dat deze confrontatie met zijn Schaduw heeft bijgedragen tot de zelfreali­satie van Jezus' stamvader.

 

Niets is zinloos zegt men wel eens, maar wat kan dan bv. de  van die wereldschokkende aanslag op de Twin Towers geweest zijn? Iedereen zal het antwoord bij zichzelf moeten zoeken. Ik ben van mening dat deze vreselij­ke terroristische massamoord ons met de neus op de betrek­kelijkheid van uiterlijke zaken heeft gedrukt. Net als Job baadde het westen zich met een zelfverzekerde vanzelfspre­kendheid in de weelde van haar welvaart. De Schaduw in de vorm van twee gekaapte vliegtuigen bracht onze zekerheden aan het wankelen en riep ons massaal op naar andere waarden op zoek te gaan. Het is bizar dat alleen een schok ons tot de innerlijke werkelijkheid kan roepen.

 

In die geest lees ik ook de bergrede als een zachtmoedige vorm van zelfkwelling. De actieve passiviteit van de leraar slachtoffert het agressieve verdedigingsmechanisme aan het hoge ideaal van geweldloosheid. De opwekking om geen wraak te nemen zou de tegenstander wel eens kunnen ontmoedigen en zijn ontmoediging verstevigt de band met de innerlijke leraar.

 

Ik heb mijn bewondering voor mensen als de Dalai Lama, Martin Luther King en Jitzach Rabin nooit onder stoelen of banken gestoken. Heel gemakkelijk kan het ahimsa-ideaal van de Dalai Lama uitgelegd worden als lafheid, maar heel veel mensen waarderen juist zijn moed om tegen de verdruk­king in de acht edele waarheden van zijn leermeester Boeddha in de praktijk te brengen. In zijn eenvoud is dit Boeddhistische pad van een bijna onuitvoerbare moeilijk­heidsgraad. Met glinsterende oogjes achter zijn brillenglazen en een beminnelijke glimlach om zijn mond trotseert de Dalai Lama alle uitdagingen doordat hij vrede heeft gesloten met zijn Schaduw.

 

Iedere yogabeoefenaar is zich terdege bewust van de bovenmenselijke discipline die de training vereist. Vooral omdat het de eerste tijden niets oplevert, vergt het een enorm doorzettingsvermogen. Ik weet van meerdere personen dat zij de yogabeoefening na enige tijd mismoedig en teleurgesteld opgaven. Het offer van een blij en opgewekt leventje viel hen te zwaar. De weerstand uit onbewuste regionen van Persona, Anima of Schaduw was onoverkomelijk. Voortdurend op de achtergrond aanwezig laden deze archetypen zich op aan uiterlijkheden en verzwaren die met hun eigen ener­gieŽn. De loodzware last van hun mysterieuze optreden in onze levens dwingt ons tot de zelfbezinning die ons uiteinde­lijk toegankelijk maakt voor onze onbekende potenties.

 

Alle leven, alle groei, alle vooruitgang hangen af van voort­durende opoffering en het verdragen van smart, schreef Annie Besant honderd jaar geleden al. Een opeenvolgende reeks van opofferingen van het laagste tot het hoogste is het teken van de vooruitgang. De grootsten onder ons zijn zij die de opoffering zelf hebben gekozen. Besant schreef dit in een hoofdstuk met als titel 'verzoening'. De wet van het bestaan is volgens haar de wet van opoffering. Elke offerdaad brengt onze eindbestemming dichterbij. Het offer van onze grote voorbeelden schijnt de krachtigste stimulans van onze beschaving te zijn.

 

Misschien zal de moderne mens het ingrijpende offer dat is gebracht door de grote profeten beter moeten begrijpen. Afgezien van de vraag of het de kruisiging van Jezus Christus volkomen naar waarheid is weergegeven, blijft de mythe van een godheid die zichzelf offert terwille van de wereld onver­kort bestaan. Aan het begin der tijden splitste de wereldziel, verpersoonlijkt in mythische personen als Sophia, Eva of Psyche zich af van de Vader van het Al. Tezelfdertijd was de Al-Ene niet meer alleen, maar vulde hij de Moeder van alle levenden met zijn dynamische energie en zette zijn de kring­loop van leven en dood in werking.

 

Daarmee nam de eeuwigdurende strijd tussen goed en kwaad een aanvang en was een Verlosser nodig om de strijdende partijen weer met elkaar in harmonie te brengen, zodat de duellerende schepping in vrede toegang zou verkrijgen tot de Vader van het Al, de stil­le, passieve Al-Ene van Plato en Plotinos.

 

De Verlosser realiseerde de Al-Ene in zijn bewustzijn vol­gens een weg die ons ten voorbeeld is gesteld en hield ons met een groots gebaar van zelfopoffering de schaduwkanten van ons aards bestaan voor. Kerkelijk is zijn offer altijd als een zoenoffer beschouwd, een offer ter verzoening. Met dit oog­merk trad de Verlosser in de voetsporen van antieke voorgan­gers en trok als de zondebok, beladen en belast met menselij­ke tekortkomingen, de stad binnen die zijn voorvader David tot hoofdstad van het rijk had gemaakt.

 

Eeuwen vůůr Christus sleepten de zondoffers in de gedaante van een vrijwilliger, een koningzoon, een gevangene, een dier de tekortkomingen van het volk naar een plek waar hen de zonden werden afgenomen door middel van absoluties en zegeningen met als sluitstuk een min of meer symbolische ophanging aan een boom. De boom van Jezus was een kruis en zijn dood was een nauwe poort naar het leven. De gran­dioze overwinning op zoiets absoluuts als de dood heeft vele generaties mateloos gefascineerd en geÔnspireerd. Meer en meer ben ik zijn leven, zoals het in de evangeliŽn is beschre­ven, gaan beschouwen als een proces van initiatie en individuatie. De oermens Jezus, voorbeeld van het Zelf, riep ons op tot een dynamische vroomheid ter versnelling van onze innerlijke Apocalyps.

 

Onvergetelijk toch is het machtige visioen van de ziener van Patmos. Oprijzend uit zijn bezorgde hart verscheen temidden van zeven kandelaren het levende archetype van de mensenzoon, gekleed in een lang gewaad dat met een gouden gordel rond zijn middel werd samengetrokken. Vlammende ogen, bronzen voeten en met de stem van een waterval stond hij daar, in zijn rechterhand zeven sterren en uit zijn mond stak een tweesnijdend zwaard de ruimte in. Johannes viel als dood voor zijn voeten neer, maar de imponerende godenge­stalte legde zijn rechterhand op hem en sprak woorden die sindsdien de aarde schragen: 'Wees niet bevreesd. Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en ik ben dood geweest en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleu­tels van de dood en het dodenrijk.' Het zal enige moeite kosten om in deze betoverende gestalte de levensvlam van onze ziel te herkennen, maar enig vertrouwen op dit intiemste van alle archetypen zal ons zeker door de Apocalyps van onze ziel heen helpen. Met als eindbestemming de transformatie van alle kwaad.

 

Bron: Loutering  - Johan M. Pameijer - ISBN 90 6556 220 6

 

 

                                                      Het 'ik' als individu versus 'ik' als deel van het collectief.

 


Ieder mens neemt instinctief aan, dat zijn psychische geaardheid de algemene is, en dat iedereen in hoofdzaak precies als de ander is, dat wil zeggen, als hijzelf. De man veronderstelt deze gelijkheid van zijn vrouw, de vrouw van de man, de ouders van de kinderen, de kinderen van de ouders, enz. Het lijkt wel, alsof iedereen met zijn innerlijk op zeer goede voet staat en er zeer vertrouwelijk mee omgaat en dat de eigen ziel tevens de ziel van de gehele mensheid is, zodat men zonder bezwaar een universele waarde kan toekennen aan de toe­stand in de eigen ziel. Men is ten zeerste verbaasd, men is zelfs bedroefd, verschrikt, ja ontzet, telkens wanneer het duidelijk wordt dat deze regel blijkbaar niet opgaat, dat wil zeggen, telkens wanneer men ontdekt dat de ander werkelijk een ander is.

 

Psychische verscheidenheid vindt men in het algemeen niet bij­zonder merkwaardig en plezierig; eerder vindt men die verscheiden­heid pijnlijk, nauwelijks te verdragen, of zelfs onduldbaar, verkeerd en verwerpelijk. Duidelijk van de algemene norm afwijkende ge­dragingen werken als storingen in de wereldorde; het zijn ver­gissingen, die men ten spoedigste moet rechtzetten; het zijn ge­breken, die te verhelpen men zich tot een plicht rekent. Er bestaan zelfs, zoals men weet, belangrijke psychologische theorieŽn, die uit­gaan van de grondgedachte, dat de menselijke ziel overal en te alle tijde aan zichzelf gelijk is en dat men haar derhalve steeds vanuit dezelfde gezichtshoek moet verklaren, hoe de omstandigheden ook mogen zijn.

 

De ontzettende monotonie, die door deze theorieŽn wordt verondersteld, is in tegenspraak met de individuele verschei­denheid, die op psychisch gebied aan het oneindige grenst. Afgezien van deze individuele verschillen, verklaart een van de theorieŽn, waarop ik hier zinspeel, de psychische verschijnselen uit de biologie van het sexuele instinct, terwijl de andere vasthoudt aan de even bekende machtsdrift. Het resultaat van deze tegenspraak is, dat de aanhangers van beide theorieŽn zich op hun uitgangspunt verstijven en een duidelijke neiging vertonen, ze voor alleenzaligmakend te verklaren. Ieder van deze theorieŽn ontkent de gegrondheid van de andere, en men vraagt zich aanvankelijk tevergeefs af, wie er nu gelijk heeft.

 

Hoewel de vertegenwoordigers van beide partijen trachten, elkaar niet te kennen, heft deze houding de onderlinge tegenspraak geenszins op. En toch is de oplossing van het raadsel van een verbluffende eenvoud: beiden hebben gelijk, namelijk in de mate, waarin zij een psychologie beschrijven, die op de hunne lijkt. Het is een vrije illustratie van het beroemde woord uit de Faust: "Du gleichst dem Geist, den Du begreifst."

 

Keren wij echter tot dat haast onuitroeibare vooroordeel terug, dat alles bij de ander om zo te zeggen precies eender is als bij ons­zelf. Hoewel men over het algemeen bereid is, de verscheidenheid van de menselijke zielen te erkennen, vergeet men in de praktijk steeds weer, dat de "ander" werkelijk een ander wezen is, iemand, die anders voelt, denkt, waarneemt en wil dan wijzelf. Zelfs weten­schappelijke theorieŽn gaan er, zoals wij zagen, van uit, dat bij iedereen de schoen op dezelfde plaats wringt. Behalve deze ver­makelijke huiselijke twisten in de psychologie zijn er echter nog andere sociaal-politieke theorieŽn, die op het beginsel van de gelijk­heid berusten, en het bestaan van de individuele ziel totaal vergeten; deze theorieŽn hebben veel ernstiger gevolgen.

 

In plaats van mij over een dergelijke kortzichtigheid nutteloos te ergeren, heb ik mij veel meer over het bestaan daarvan verwonderd en de motieven die eraan ten grondslag liggen, onderzocht. Door het probleem op deze wijze te stellen ben ik tot de studie van de primitieve volken gekomen. Het was mij nl. reeds lang opgevallen, dat een zekere naÔveteit en kinderlijkheid de sterkste neiging tot het vooroordeel van de gelijkheid vertonen. En inderdaad strekt deze veronderstelling zich bij de primitieve mens niet alleen over de mensen uit, maar ook over dingen in de natuur, dieren, planten, rivieren, bergen, enz. . . . Alles heeft op de een of andere manier met menselijke psychologie te maken, zelfs bomen en stenen kunnen spreken. En evenals er onder de mensen sommigen zijn, die duidelijk van de algemene regel afwijken, en daarom tovenaars, heksen, opperhoofden of medicijnmannen zijn, zo zijn er ook bij de dieren doktercoyoten, doktervogels, weerwolven, enz., enz. Deze eretitels worden gegeven aan dieren, die zich een beetje anders dan gewoon gedragen in tegenspraak met de stilzwijgende veronder­stelling der gelijkheid. Dit vooroordeel is blijkbaar een machtig overblijfsel van een primitieve geestestoestand, die zijn oorsprong vindt in een onvoldoende differentiatie van het individueel bewust­zijn. Het individueel of ik-bewustzijn is een late vrucht van de ontwikkeling.

 

De oervorm van het ik-bewustzijn is een eenvoudig groepsbewustzijn, dat ook bij de tegenwoordig levende volksstam­men in bepaalde gevallen nog zo laag ontwikkeld is, dat zij zich geen eigen naam geven, die hen van de omringende stammen onder­scheidt. Zo ben ik in Oost-Mrika een kleine stam tegengekomen, die zich noemde: "De mensen, die er zijn." Dit primitieve groeps­bewustzijn zet zich in het moderne familiebewustzijn voort; dikwijls ontmoet men families, van welker leden men niets meer zeggen kan, dan dat ze zus of zo heten; de betrokkenen schijnen daarmee zelf genoegen te nemen.

 

Het groepsbewustzijn waarbinnen de individuen altijd en in ieder opzicht verwisselbaar zijn, is echter nog niet de laagste trap van bewustzijn. Het is zelfs al enigszins gedifferentieerd. De laagste pri­mitiviteit kent ongetwijfeld een soort al-bewustzijn bij een volslagen onbewustheid van het voorstellende subject. In deze fase zijn er slechts gebeurtenissen, geen handelende personen.

 

Onze veronderstelling, dat wat mij bevalt, ook de ander bevalt, is dus duidelijk een overblijfsel uit de oorspronkelijke bewustzijns­nacht, toen er nog geen enkel waarneembaar onderscheid tussen ik en gij bestond en toen allen hetzelfde dachten, voelden en wilden. En wanneer het gebeurde, dat de ander werkelijk niet gelijkgericht was, ontstond er een storing. Niets brengt de primitieve mens meer in een paniekstemming dan het bijzondere, het buitengewone, waarachter hij dadelijk het gevaarlijke, het vijandige vermoedt.

 

Deze primitieve reactie kennen wij ook nog: wat zijn wij gauw be­ledigd, wanneer iemand onze overtuiging niet deelt! Wij voelen ons gekwetst, wanneer iemand iets niet mooi vindt, wat wij als zodanig prijzen. Nog heden ten dage vervolgt men andersdenkenden; nog steeds willen wij onze mening aan de ander opdringen, willen wij de arme heidenen bekeren, en hen voor de hel, die hen zeker wacht, behoeden; wij zijn zelfs erg bang, om met onze overtuiging alleen te staan.

 

De psychische gelijkheid van alle mensen is een stilzwijgende vůůronderstelling, een nooit geformuleerde maar feitelijk bestaande conventie, die voortkomt uit de oorspronkelijke onbewustheid van het individu. Bij de vroegste mensheid was er in plaats van ons individueel bewustzijn zoiets als een collectief bewustzijn, waaruit slechts langzaam in de loop der ontwikkeling het individueel be­wustzijn boven kwam. De allereerste voorwaarde voor het bestaan van een individueel bewustzijn is zijn differentiatie van het andere bewustzijn. Zo kan men de ontwikkelingsgang der psyche ver­gelijken met een vuurpijl, die zich oplost in een waaier van veel­kleurige sterren.

 

De psychologie als empirische wetenschap is van zeer jonge datum. Zij is nauwelijks zestig jaar oud en staat nog in de kinderschoenen. De tot dan toe heersende gelijkheidshypothese verhinderde een eerdere ontwikkeling. Daaraan kan men afmeten, van hoe jonge datum de bewustzijnsdifferentiatie zelf is. Zij is nauwelijks uit haar oerslaap ontwaakt en moeizaam en onhandig kruipend wordt zij zich van haar eigen bestaan bewust. Het zou dwaasheid zijn, te denken, dat wij reeds het een of ander toppunt hebben bereikt. Ons hedendaags bewustzijn is een klein kind, dat juist "ik" begint te zeggen.

 

Bron: Dr. C.G. Jung Ė De mens op weg naar zelfontdekking.

 

C. G. Jung over Liefde.


Wat wordt er niet allemaal 'liefde' genoemd! Het begint met het diepste geheim van het christendom, waarna we nog een niveau dieper de 'amor Dei'[1] van Origines, de 'amor intellectualis Dei'[2] van Spinoza, de 'liefde voor de idee' van Plato en de 'minne' van de mystici aantreffen. Dan zijn er, in de menselijke sfeer, de woorden van Goethe:

 

Nu sluimert ieder wild verlangen

En elk' hartstochtelijke daad,

Waar 't hart, door mensenmin bevangen,

De liefde tot zijn God verstaat.

 

Hier treffen we de naastenliefde aan, zowel in haar christelijke als boeddhistische schakering van medemenselijkheid: de filantropie, het sociale werk. Daarnaast is er de liefde voor het vaderland en voor andere ideŽle instituties, zoals de Kerk enzovoort. Hier voegt zich de ouderliefde bij, vooral de moederliefde, en vervolgens de liefde van het kind. Met de liefde tussen huwelijkspartners verlaten we het gebied van de geest en komen we in een tussengebied dat zich tussen de geest en het instinct uitstrekt. Enerzijds ontvlamt hier de zuivere eros in het vuur van de geslachtsdrift, anderzijds worden hier ideŽle vormen van liefde als de ouderliefde, de liefde voor het vaderland en de naastenliefde vermengd met de zucht naar persoonlijke macht, de zucht om te bezit ten en te beheersen. Dit wil echter niet zeggen dat alles wat in de sfeer van het instinct ligt ook noodzakelijkerwijs een verlaging inhoudt. Integendeel, de kracht van de liefde openbaart zich des te schoner en waarachtiger naarmate deze meer instinct bevat. Maar hoe sterker het instinct de liefde overwoekert, des te sterker komt het dier tevoorschijn. De liefde tussen bruid en bruidegom kŠn weliswaar een liefde zijn waarover we met Goethe kunnen zeggen:

Waar sterke geesteskracht

De twee naturen

In zich tezamen bracht,

Moeten zij duren.

Daar kan geen engel d'een

Van d'ander bevrijden.

Eeuwige liefde alleen

Kan ze weer scheiden[3].

Maar het hoeft niet altijd een dergelijke liefde te zijn; ze kan ook het karakter hebben waarvan Nietzsche zegt: 'Twee dieren hebben zich aan elkaar overgegeven.' De liefde van verliefden grijpt nog dieper in. De gewijde verloving, de gelofte van een gemeenschappelijk leven ontbreekt, maar in plaats daarvan kan elke andere schoonheid van het noodlot, van het tragische, deze liefde omstralen. In de regel echter overweegt het instinct met zijn donkere gloed of zijn flakkerend strovuur.

GW 10, ß 199 e.v.



[1] Liefde tot God.

[2] Verstandelijke liefde tot God.

[3] Citaat uit Faust, Wereldbibliotheek, Amsterdam 1982.

Vertaling C.S. Adama van Scheltema. (Vert.)

 

*

Empirisch blijkt dat de liefde de noodlotskracht bij uitstek is, of ze nu als lagere begeerte verschijnt of als geestelijke affectie. Ze is een van de machtigste drijfveren van het menselijk handelen. Het is volkomen terecht dat men haar als goddelijk opvat, want hetgeen in de psyche zonder meer de meeste macht heeft, wordt van oudsher als 'God' aangeduid. Of men nu in God gelooft of niet, of men bewondert of vlucht, het woord 'God' dringt zich altijd op ieders lippen. Wat in de psyche de meeste macht heeft, heet altijd en overal iets als 'God'. Daarbij wordt God altijd tegenover de mens geplaatst en van hem onderscheiden. Ze hebben echter de liefde gemeen.

GW 5, ß 98

*

De liefde is altijd een probleem, in welke leeftijdsfase een mens ook is. Voor de fase van de kindertijd is de liefde van de ouders het probleem, voor de bejaarde is het probleem wat hij met zijn liefde gedaan heeft. De liefde is een van de grote machten van het noodlot, die van de hemel tot in de hel reikt.

GW 10, ß 198

*

Ik denk dat u het hele probleem van de liefde het beste kunt opvatten als een miraculum per gratiam Dei[1] waarvan niemand in wezen ook maar iets begrijpt. Het is altijd een noodlotskracht, waarvan we de diepste wortels nooit kunnen blootleggen. Men moet zich door de daden van God niet in verwarring laten brengen. De verheven onzinnigheid of de onzinnige verhevenheid van wat ons overkomt, zou ons met filosofische verwondering moeten vervullen.

Briefe 1, 274



[1] Wonder bij de gratie Gods.

*

Toch heeft u volkomen gelijk wanneer u zegt dat de liefde tot de allerbelangrijkste problemen van het leven behoort. Maar het is ook het aller-moeilijkst om over het allerbelangrijkste te spreken. Men voelt daar een heel natuurlijke huiver voor, een soort ontzag, dat ons alle grote en machtige dingen inboezemen. [...] Het probleem van de liefde doemt voor mij op als een reusachtig grote berg, die ik met al mijn ervaring alleen maar hoger zag oprijzen, telkens als ik dacht hem bijna beklommen te hebben.

Briefe 1,60

*

Deze vervlechting van de liefde met alle vormen van het leven is, voor zover het algemene, dat wil zeggen, collectieve vormen zijn, slechts een gering probleem in vergelijking met het feit dat de liefde ook een buitengewoon groot individueel probleem is. Dit betekent echter dat, individueel beschouwd, alle algemene criteria en regels hun geldigheid verliezen.

GW 10, ß 198

*

Het is echter ondenkbaar dat deze rijke wereld te arm zou zijn om de liefde van een mens een object te bieden. Ze biedt iedereen oneindig veel ruimte. Het is eerder het onvermogen lief te hebben dat een mens van zijn mogelijkheden berooft. De wereld is alleen leeg voor hen die niet in staat zijn het libido op mensen en dingen te richten, en die tot leven te wekken en schoonheid te geven. Dus wat ons dwingt een surrogaat in onszelf te zoeken, is niet het gebrek aan objecten buiten ons, maar ons onvermogen om iets buiten ons liefdevol te omarmen. De problemen van onze levensomstandigheden en de tegenslagen in onze strijd om het bestaan zullen ons zeker terneerslaan, maar ook zware uiterlijke omstandigheden zullen de liefde niet hinderen. Integendeel, ze kunnen ons tot de grootste krachtsinspanning aansporen. Feitelijke problemen zullen het libido nooit zo definitief terugdringen dat daaruit, bijvoorbeeld, een neurose ontstaat. Daarvoor ontbreekt het conflict, dat de voorwaarde voor elke neurose is. Slechts het verzet, dat de wil zijn kracht ontneemt, is in staat de regressie teweeg te brengen waaruit een psychologische storing kan ontstaan. Het verzet tegen de liefde veroorzaakt het onvermogen lief te hebben, of het is dit onvermogen dat verzet oproept. Zoals het libido op een bestendige rivier lijkt, waarvan het water breed de wereld van de werkelijkheid in stroomt, zo lijkt het verzet, dynamisch beschouwd, niet zozeer op een zich in de stroom verheffende rots die door het water wordt omgeven, maar eerder op een tegenstroom die in plaats van naar de monding naar de bron terugkeert. Een deel van de ziel verlangt naar het object in de buitenwereld, maar een ander deel wil terug naar de subjectieve binnenwereld, waar de ijle luchtkastelen van de fantasie wenken.

GW 5, ß 253

*

De liefde is een van de problemen die de mens het meest doen lijden. Niemand hoeft zich ervoor te schamen dat ook hij de tol van de liefde moet betalen.

GW 17, ß 219

*

De gewone menselijke rede, het gezonde verstand en de wetenschap als 'common sense' bij uitstek komen beslist heel ver, maar toch niet verder dan de grenspalen van de aller-banaalste werkelijkheid en het gemiddelde, normale menselijk bestaan. In wezen geven ze geen antwoord op de vraag naar de diepste zin van het menselijk lijden. De psychoneurose moet in laatste instantie worden begrepen als een lijden van de ziel die zijn doel niet gevonden heeft. Maar uit het lijden van de ziel komen elke geestelijke schepping en elke geestelijke menselijke vooruitgang voort, terwijl geestelijke stilstand en onvruchtbaarheid van de ziel de oorzaak van het lijden zijn.

Is de arts eenmaal van dit besef doordrongen, dan betreedt hij een gebied dat hij slechts met de grootste aarzeling nadert. Hier wordt hij namelijk genoodzaakt om de genezende verbeelding, de geestelijke betekenis over te dragen, want dat is het waarnaar de patiŽnt verlangt, los van alles wat het verstand en de wetenschap hem kunnen geven. De patiŽnt zoekt iets wat hem beroert en uit de chaotische verwarring van zijn ziel iets zinvols vormt.

Is de arts tegen deze taak opgewassen? Hij zal zijn patiŽnt om te beginnen naar een pastor of een filosoof verwijzen, of hem aan de grote radeloosheid van deze tijd overlaten. Hij is arts, dus zijn professioneel geweten verplicht hem er niet toe dat hij een levensbeschouwing heeft. Wat doet hij echter als hij maar al te duidelijk ziet waaraan zijn patiŽnt lijdt, namelijk dat deze geen liefde kent maar slechts seksualiteit, geen geloof heeft omdat hij bang is met blindheid te worden geslagen, geen hoop omdat de wereld en het leven hem hebben gedesillusioneerd, en geen inzicht omdat hij de zin van zijn eigen leven niet ziet?

Veel ontwikkelde patiŽnten weigeren categorisch naar een pastor te gaan. Van een filosoof willen ze al helemaal niets weten, omdat de geschiedenis van de filosofie hen koud laat en het intellectualisme voor hen een dorrer gebied is dan de woestijn. Bovendien, waar zijn de grote wijzen die niet alleen over de zin van dit leven en deze wereld praten, maar die zin ook werkelijk kennen? Het is onmogelijk een systeem of een waarheid uit te denken die de patiŽnt dŠt geeft wat hij nodig heeft om te leven, namelijk geloof, hoop, liefde en inzicht.

Deze vier hoogste verworvenheden van het menselijk streven zijn even zovele genadegaven, die men onderwijzen noch leren kan, geven noch ontvangen kan, weigeren noch verdienen kan. Want ze zijn afhankelijk van een irrationele, aan de menselijke willekeur onttrokken voorwaarde, namelijk de ervaring. Ervaringen kunnen echter nooit worden 'gemaakt'. Ze overkomen ons, hoewel gelukkig niet op absolute wijze, maar op relatieve wijze. Men kan ze naderbij komen. Daar is een mens nog toe in staat. Er zijn wegen die in de richting van de ervaring leiden. Men moet zich er echter voor hoeden deze wegen 'methoden' te noemen, want dat woord doodt alle leven. Bovendien is de weg naar de ervaring allesbehalve een kunstgreep; het is veel meer een waagstuk dat de onvoorwaardelijke inzet van de volledige persoonlijkheid vereist.

Is er nu de noodzaak tot therapie, dan doet zich hier een vraag voor die tegelijk een onoverkomelijke hindernis lijkt. Hoe kunnen we de lijdende ziel helpen de verlossende ervaring te krijgen waardoor hem de vier grootste charismata[1] ten deel vallen en hij van zijn ziekte geneest? Onze goedbedoelde raad luidt: verwerf de ware liefde, of het ware geloof, of de ware hoop, of 'leer jezelf doorzien'. Maar waar moet de zieke vooraf vandaan halen wat hij pas achteraf kan verwerven?

Saulus dankt zijn bekering noch aan de ware liefde, noch aan het ware geloof, noch aan welke andere waarheid dan ook. Slechts zijn christenhaat voerde hem naar Damascus en daarmee naar die ervaring die beslissend voor zijn leven zou zijn. Hij leefde vol overtuiging volgens zijn grootste dwaling, en dat bracht hem zijn ervaring.

Hier stuiten we op een levensprobleem dat men niet ernstig genoeg kan nemen, en hier komt de zielenarts voor een probleem te staan dat hem in nauw contact met de zielenherder brengt

GW 11, ß 497 e.v.



[1] Genadegaven.

*

De vrouw van tegenwoordig is zich bewust geworden van het onloochenbare feit dat ze slechts in de liefde het hoogste en het beste kan bereiken, en dit besef geeft haar weer het inzicht dat liefde buiten de wet staat. Daar komt echter haar persoonlijk zelfrespect tegen in opstand. Men is geneigd dat te identificeren met het algemeen maatschappelijk oordeel. Dat is echter nog maar het minste kwaad. Erger is dat dit oordeel de vrouw ook in het bloed zit. Het spreekt tot haar als een innerlijke stem, als een soort geweten; het is de macht die haar in bedwang houdt. Ze is zich er nooit van bewust geworden dat haar persoonlijkste, intiemste bezit met de geschiedenis in conflict kan komen. Een dergelijk conflict is wel het laatste en het meest absurde dat ze zich kan voorstellen. Maar wie begrijpt dan ook volledig dat de geschiedenis in werkelijkheid niet in dikke boeken staat, maar in ons bloed zit? Slechts een enkeling.

GW 10, ß 266

*

Het is kenmerkend voor de vrouw dat ze alles uit liefde voor een mens kan doen. Vrouwen die uit lief, de voor een zaak iets bijzonders presteren, vormen de allergrootste uitzondering, omdat dat niet in overeenstemming met hun natuur is. Liefde voor een zaak is een voorrecht van de man. Maar omdat het mannelijke en het vrouwelijke in de menselijke natuur verenigd zijn, kan een man op vrouwelijke wijze leven en een vrouw op mannelijke wijze. Niettemin bevindt het vrouwelijke zich bij de man op de achtergrond, zoals het mannelijke bij de vrouw. Wanneer men op de wijze van het andere geslacht leeft, leeft men vanuit de eigen achter, grond, waarbij men echter tekortdoet aan het eigen wezen. Een man moet als man leven en een vrouw als vrouw.

GW 10, ß 243

*

Een vrouw die liefheeft kan een situatie tegenover elke overmacht, tegenover dood en duivel, instandhouden en uit volle overtuiging orde in de chaos brengen.

Traumanalyse, ß 744

 

*

Zoals tegen de dood geen kruid gewassen is, zo is er geen simpel middel om zoiets moeilijks als het leven nu eenmaal is, gemakkelijk te maken. We kunnen de zwaartekracht alleen opheffen door voldoende energie te ontwikkelen. Op dezelfde manier vormt de oplossing van het probleem van de liefde een uitdaging voor de totale mens. Bevredigende oplossingen kunnen slechts worden bereikt door een totale inzet. Al het andere is ondeugdelijk stukwerk. Vrije liefde zou alleen mogelijk zijn wanneer alle mensen een morele topprestatie leveren. Het idee van de vrije liefde is echter niet met dat doel ontstaan, maar om iets dat moeilijk is gemakkelijk te laten lijken. Tot de liefde behoren de diepte en de trouw van het gevoel, zonder welke de liefde geen liefde, maar slechts een gemoedsstemming is. Bij ware liefde gaat men altijd duurzame, verantwoordelijke relaties aan. De enige vrijheid die ze nodig heeft is de vrijheid om te kiezen, niet die om te verwezenlijken. Alle ware, diepe liefde vraagt om een offer. Men offert zijn mogelijkheden, of beter gezegd: de illusie van zijn mogelijkheden. Zonder dit offer verhinderen onze illusies dat dit diepe en verantwoordelijke gevoel ontstaat, waardoor ons echter ook de mogelijkheid wordt onthouden de ware liefde te ervaren.

De liefde heeft meer dan ťťn kenmerk met de religieuze overtuiging gemeen. Ze vereist een instelling van onvoorwaardelijkheid; ze verwacht dat men zich volledig aan haar overgeeft. En zoals alleen die gelovige die zich volledig aan zijn God overgeeft de goddelijke genade deelachtig wordt, zo onthult de liefde haar diepste geheimen en wonderen slechts aan hen die tot onvoorwaardelijke overgave en trouw aan het gevoel in staat zijn. Dit is zo'n moeilijke opgave, dat maar heel weinig mensen zich erop kunnen beroemen haar te hebben vervuld. Maar juist omdat de liefde die de meeste overgave en trouw vraagt ook de mooiste liefde is, moet men nooit naar iets zoeken wat de liefde gemakkelijk maakt. Wie voor de zware last van de liefde terugdeinst, is een slechte ridder voor zijn jonkvrouw. Het is met de liefde als met God. Slechts de dapperste dienaren geven zich eraan over.

GW 10, ß 231 e.v.

*

In de christelijke gemeente wordt benadrukt dat het zeer belangrijk is de gemeente in stand te houden, en wel door onderlinge liefde. Paulus laat daar in zijn voorschriften geen twijfel over bestaan:

'Dien elkaar in liefde.'

'Blijf elkaar liefhebben als broeders en zusters.'

'Laten we elkaar tot liefde en goede werken aansporen, en de gemeente niet verlaten. '[1]

In de christelijke gemeente lijkt de onderlinge verbondenheid een voorwaarde te zijn voor de verlossing, of hoe men de toestand waarnaar men zo intens verlangt ook maar wil noemen. In de eerste brief van Johannes wordt dat op vergelijkbare wijze aldus onder woorden gebracht:

'Wie zijn broeder of zuster liefheeft, blijft in het licht . .. Maar wie zijn broeder of zuster haat, bevindt zich in de duisternis.'

'Niemand heeft God ooit gezien. Maar wanneer we elkaar liefhebben, blijft God in ons.'

We hebben er hiervoor op gewezen dat men de zonden tegenover elkaar belijdt en dat hetgeen de ziel bezwaart op de godheid wordt overgedragen. Daar,door ontstaat er tussen hem en de mens een innige band. Men dient echter niet alleen met God, maar ook met zijn medemens door liefde verbonden te zijn. Die band lijkt zelfs net zo wezenlijk als de band met God. Als God alleen 'in ons blijft' als wij 'onze broeder of zuster' liefhebben, rijst bijna het vermoeden dat de liefde nog belangrijker is dan God. Deze gedachte lijkt minder ongerijmd wanneer we de volgende woorden van Hugo van St. Victor wat nauw, keuriger bekijken:

 

'O liefde, je kracht is zo groot.

O liefde, jij alleen bent in staat om God uit de hemel naar de aarde te halen.

Hoe sterk zijn je boeien, waarmee zelfs God kan worden vastgeketend...

Je hebt Hem hierheen gevoerd, in jouw boeien geslagen, met jouw pijlen verwond...

Wie niet konden lijden, heb je verwond; wie niet konden worden overwonnen, heb je geboeid;

wie onwrikbaar waren, heb je in beweging gebracht; wie eeuwig zouden leven, heb je sterfelijk gemaakt...

O liefde, hoe groot is je overwinning!'

 

De liefde lijkt dus geen geringe macht te zijn. Ze is immers God zelf ('God is liefde; wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.') Aan de andere kant is de 'liefde' echter een antropomorfisme bij uitstek en, naast de honger, de klassieke psychische drijfveer van de mens. Ze is, psychologisch beschouwd, aan de ene kant een relationele functie, aan de andere kant een gevoelsmatige psychische toestand die, zoals duidelijk blijkt, als het ware met het godsbeeld samenvalt. De liefde is ongetwijfeld een determinerende drijfveer. Ze maakt deel uit van het menselijk karakter en handelen. Wanneer daarom in het religieuze taalgebruik God als 'liefde' wordt gedefinieerd, dreigt het grote gevaar dat de liefde die in een mens werkzaam is, wordt verward met de daden van God.

 GW 5, ß 95 e.v.



[1] Bijbelcitaten komen uit de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbel­stichting, die in oktober 2004 wordt gepubliceerd. Waar deze vertaling echter duidelijk afwijkt van de tekst die Jung citeert, zijn de citaten aan de tekst van Jung aangepast. (Vert.)

*

Onze droomster is geen religieuze persoonlijkheid, maar 'modem'. Ze is de religie die men haar ooit leerde vergeten. Ze heeft er geen idee van dat er momenten zijn waar de goden zich in mengen, of beter, dat er sinds oeroude tijden situaties zijn die tot in de diepste diepte kunnen ingrijpen. Bij deze situaties hoort bijvoorbeeld de liefde, haar hartstocht en gevaar. De liefde kan onvermoede krachten van de ziel opwekken, waar men maar beter voorzichtig mee kan omgaan. 'Religio' als 'behoedzaam rekening houden met' onbekende gevaren en krachten - daar gaat het hier om. Slechts een projectie is al voldoende om de liefde met al haar noodlottige kracht te laten ontstaan: als iets dat in een verblindende illusie uit de alledaagse levenswijze van de vrouw tevoorschijn wordt gerukt. Is het iets goeds of slechts, God of de duivel, dat de droomster zal overkomen? Zonder het zich bewust te zijn, voelt ze zich nu al overgeleverd. Geen mens weet of ze tegen deze complicatie bestand is. Ze is die tot nu toe naar beste vermogen uit de weg gegaan, maar nu dreigt die haar te overmeesteren. Het is een risico dat men zou moeten ontvluchten; en als men het toch neemt, dan hoort daar, zoals men zegt, veel 'vertrouwen op God' of 'geloof' in de goede afloop bij. Zo doet zich hierbij ongevraagd en onverwacht eveneens de vraag naar de religieuze instelling tegenover het noodlot voor.

GW 7, ß 164

*

Dat is een dwaas idee, dat mannen hebben. Ze denken dat eros seks is. Dat is volkomen onjuist. Eros is betrokkenheid.

Traumanalyse, 203

*

 

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL