Het Roode Lampje.

Signifische Gepeinzen.

door Frederik van Eeden (1921)


Credo!

 

 

In het Klooster.

 

1. Nu de diepst moogelijke oprechtheid!

Ik wil waarheid, waarheid, niets dan waarheid en de gansche waarheid.

Daarbij wil ik mij om iets anders niet bekommeren. Met ingehouden adem wil ik waarneemen, hoe de naald wijst van het kompas in mijn ziel. Ze trilt en schommelt, maar keert toch telkens terug in ééne richting.

Er is een Waarheid, en die heet ook Werkelijkheid en ook Zaligheid.

En daaraan hebben wij deel, anders zouden wij niet naar het geheel verlangen.

 

2. Somtijds op enkele zeldsame en wondervolle mo­menten, krijg ik een korte gewaarwording van het Wee­zen dat dierbaar is en oneindig tegelijk, en van zijn oneindige, ooveral heerschende werksaamheid.

Ik heb het eens gedroomd in den vorm van een einde­loos uitgestrekt veld, waarop alles leefde en bewoog, als een woelende lava-massa, de boodem bewoog in kolken en er verreezen en verzonken wonderlijke groeisels zoover het oog reikte. En dat was het eeuwig-scheppende en weeder vernielende Weezen, de Oer-geest, de Al-ziel, de krachtbron van alle beweeging, de Bedenker van alle na­tuurwetten, de Droomer van alle Lust en Schoonheid, de altijd-door nieuwe Zegger en Doener, de Verzinner van steeds nieuwe vreugden en Brenger van steeds nieuwe, voor de Vreugde noodzakelijke smarten. En daarbij zoo in­nig, zoo teeder , zoo lief, zoo dierbaar, zoo zacht en minnelijk.

"Zuigkindjens donzen kopje aan ouder-wang!"

 

3. Maar wacht! die Innige en Teedere beweegt ook de sterren, de zonnen doet hij wentelen, Algol en Arcturus en Sirius - veel machtiger dan onze zon en licht-eeuwen verwijderd, en de Melkweg doet hij fonkelen van milji­oenen en miljioenen zonnen . . .. Wacht éven! eer we nog één woord zeggen: vergeet de verhoudingen niet. Bedenk toch bij elk woord de verhoudingen!

"Geen Algol, geen Electron is ooit zoek" zegt de dichter Adwaïta.

Electron, het duizendste van een atoom, beweegt in licht-snelheid, maakt biljioenen trillingen in de seconde. En Algol, de Zon waarbij onze zon nietig is . . .

De botsing van twee Algol's kan gansche zonnestelsels vervluchtigen. En zulk een botsing kan heeden geschie­den en oover twee duizend jaren eerst tot ons koomen als licht-bericht.

En de Melkweg is geen kristal-zand, maar een strooisel van zonnen.

Denk om de verhoudingen! bij al wat ge oover den Algeest zegt.

Hij is vlak bij ons, in ons, één met ons - maar ook ver! ver! vreesselijk en hoopeloos ver. Het moest ook niet klinken: "Hij" of "Zij." Dat kan misleidend zijn. Waarom altijd "Vader" en niet "Moeder"? Is dat mis­schien joodsch? Maar het is veel te menschelijk. Er is zooveel onzinnigs in ons machteloos woordspel.

Onthoud het! - vergeet het nooit, het kan niet genoeg herhaald: denk om de valschheid aller woorden! - en denk om de verhoudingen!

Dat moeten de wachters zijn voor onze lippen. Zooals de wè1-toegeruste duiker afdaalt in de diepe zee, terwijl de zuurstof hem in buizen wordt toegezonden – zoo moeten wij, dalend in de diepten van het oneindige en onbegrijpbare, blijven ademen door het besef van de  immense verhoudingen, en de valschheid der woorden.

 

4. Als ik nu het leeven der kloosterlingen meeleef, en hoor hoe zij om hun hooge geestelijke spanning te bewaren, tallooze malen per dag de schoone woorden

herhalen, ééns door hun groote profeeten gesprooken ­dan denk ik, vragend in allen eerbied: wordt hier niet het woord door al te veel verheerlijking versteend en gedood? Doodgedrukt onder hun liefde?

Als ik, in mijn meditaties, vaste spreuken zou kiezen, die niet genoeg herhaald kunnen worden, en die juist bij hun herhaling de eigen misleiding opheffen, dan zou

ik, na ieder gebed, bij elken psalm, bij elk gewijd woord ­er aan toevoegen: "ik weet, dat mijn woorden valsch en misleidend zijn, maar ik heb niet beeter. En ik vergeet de verhoudingen niet: Algol! ! ! . . . Electron. . ."

Symbool van de innigheid, maar ook van de afstand tusschen God en Mensch.

 

5. Er is zulk een Hoogst Weezen. Daaromtrent valt niets te bewijzen.

Wie het weet, denkt niet aan bewijzen. Het idee “bewijzen" is eeven dwaas als het feit stellig is. En die stelligheid kan somtijds recht leevendig in ons worden, met een onmeete1ijke verbazing, dat men dit nu voor 't eerst beseft. En dan volgt bij mij een heerlijk gevoel van verwon­dering en matelooze vreugde - of liever-eer en trots, dat ik deel heb aan dat Feit en behoor tot dat Weezen.

En het verstand zegt nuchter-weg: Of er is niets, Of er is een scheppend en denkend Weezen, waardoor alles bestaat. En iets is er, al zou men het "niets" noemen.

Het tertium der materialisten zou zijn: een dood heelal, dat leevende weezens kweekt.

Dit acht ik oovergroote dwaasheid.

 

6. Maar dat Weezen is ook een vreesselijk Weezen. Ja, het allerwreedste en ontzettendste doet Het gebeuren. Zijn Recht is niet ons Recht, het gruuwelijkste wat ge­beurt is Hem niets. Een Electron teegen Algol. Hij IS onnoemelijk wreed, maar ook onnoemelijk goed.

En zijn verschrikking kan door ons vertrouwend worden ondergaan.

Wij zijn immers één met hem?

 

7. Als wij God almachtig noemen, dan zeggen wij een

machteloos en misleidend woord. Het is vol innerlijke dwaasheid. Want wat is al? Behoort de toekomst er toe? En de leugen? En 't verleeden? God kan niet liegen. Het almachtig Weezen kan dus toch enkele dingen niet. Dit alles is ijdel woordspel.

Onthoud het! Zeg geen ijdele dingen, of zeg ze niet zonder waarschuwing!

 

8. Eén ding is noodig om te kunnen leeven, zoodra wij Gods bestaan weeten en gevoelen. Dat ééne ding is: het vaste geloof, dat Hij - of Het - ons kan leiden en wijzen. Dat er zooiets is in ons als een stem, die ons zegt, hoe wij moeten gaan. Want wij staan ieder oogenblik voor een keuze, waarin we moeten beslissen, zus of zoo.

Wij kunnen aanneemen, dat er een goede en een ver­keerde weg is, en dat wij innerlijk geraden en gewaarschuwd worden, en die raad en waarschuwing moeten volgen.

           

9. Het was de tweede nacht in het Klooster. Ik had alle diensten meegemaakt, behalve de matinen, en mijn ooren waren vol gebedsgepreevel en Gregoriaansch gezang.

Maar één uur was ik buiten geweest en had geluisterd naar de leeuwerikken, naar het gekrijsch der gaaijen, naar het spreeuwengekwetter in de hooge iepen. En ik had het oude stadje gezien, het witte kasteeltje, door zijn gracht omgeeven, en de zware boomen en al het tintelende groen. Het gras blonk van jonge frischheid en in de verte lokte de weemelende hei met brem en geurige gagel.

Aan die wandeling moest ik denken, als aan een kostelijk juweel op een achtergrond van kil en strak en grimmig klooster-leeven. Maar ik genoot ook meer en fijner, juist omdat ik dat leeven had beproefd. Het her­denken van de wandeling was een wondere teere vreugde. Daar was God's stem.

 

10. Ik sliep terstond, maar vóór de matinen ontwaakte ik met heevige hoofdpijn. Ik was zeer beklemd en on­rustig. Toen viel mij in, dat ik verzuimd had mijn raam oopen te zetten. Ik stond op en liet de frissche, balsem­geurige nachtlucht in. Wat was het mild daarbuiten! De maan scheen achter langs aam drijvende schape­wolkjes en alles zweeg en peinsde.

Toen ging ik slapen en mijn hoofdpijn verdween en ik ontwaakte verkwikt vóór het morgen-gebed.

 

11. Is deeze symboliek niet ooverduidelijk?

O mijn goede! mijn lieve! - mijn groote Geliefde! Ik heb je verstaan, verlaat mij nu niet.

Ik vertrouw! ik heb altijd vertrouwd!

 

12. Hoe men U noeme, Jezus of God, of Oergeest, of Drievuldigheid! wat zegt het mij? Ik heb de zoetheid van je stem gehoord - die niet kan bedriegen. Mijn binnenste hart is aangeraakt, mijn tranen hebben gevloeid, en ik durf rechtop gaan - steunend op mijn staf en mijn schat - die mij niet bedriegen of begeeven zal.

Ieder moet het eenmaal zeggen: hier hoor ik en erken ik God's stem.

Ieder! - zonder uitzondering. Onverbiddelijk. Nie­mand kan de verantwoording van zich schuiven.

Want ook de blind-gehoorzame, de kloosterling, heeft in zich een stem gehoord, die hem zeide dat gehoor­zaamheid goed is, om het heilige Woord en het 'ware geloof van geslacht op geslacht oover te leeveren.

En daarom gehoorzaamt hij, omdat zijn eigen reede, en zijn eigen oordeel hem zeggen, dat deeze stem in hem, God's stem is.

Niemand kan dat bewijzen, en alleen zijn eigen oordeel' kan hier beslissen. Al wil hij zich geheel door anderen laten regeeren, die wil is toch zijn eigene.

Niemand, niemand kan de verantwoording ontloopen, ' die God's hoogste gave, de vrije wil, onvermijdelijk met zich brengt.

Lioba zegt: "Maar Satan", zegt men "kan in onervaarnen nabootsen d'innerlijke stem van God en slechtheid kleeden in zeer lieven schijn".

Maar toch! . . . . ééns moeten we den twijfel opgeeven of door ons geloof ooverstemmen.

 

13. Ik wilde zeggen, dat het Al, de Oergeest goed moet zijn.

Maar de woorden zorgvuldig proevende en hun weezen en waarde naspeurend, kom ik tot deeze ge­dachte: dat wij eigenlijk in twee woorden hetzelfde zeggen, want als we iets "goed" noemen, dan wil dàt zeggen, dat het onmiddelijk betrekking heeft tot den Oergeest, tot God.

"Goed", "deugdsaam" , "waarachtig" zijn woorden, die uitdrukken: "zóó, als de Oergeest in volmaaktheid is".

Een andere beteekenis is er niet aan te verbinden. Dus te zeggen, dat God goed is, is een tautologie, het is het­zelfde in twee woorden.

 

14. Gedenk! gedenk! - al onze woorden zijn ontoe­reikend en dus misleidend. En gedenk de verhoudingen in: goed en goed.

Er is Electron-deugd en Algol-deugd. Maar in ons is de verbinding van beiden - wij weeten het bestaan van beiden, wij zijn halfweg tusschen beiden.

 

15. Gedenkt, menschen, wat onze woorden zijn. En dat de Waarheid is, omdat er iets is. En dit is al

zóó wonderbaar en verrukkend!

 

16. Je bent mij innig geweest en zoo vertrouwelijk.

Laat niet af.

Ik wil je behouden en je wilt mij behouden.

De monniken knielden voor het altaar en ik heb met hen geknield. Maar toen zij allen weg waren, heb ik U een kushand toegeworpen, alleen waren wij, Gij en ik.

Het Roode Lichtje sprak tot mij: en beloofde mij niet te verlaten.

 

17. Hoe lauw was de lente-wind. Ik zat neer, te­vreeden - en glimlachte teegen het helle groen der jonge blaadjes, en sprak vriendelijk met de menschen. Mijn Vriend was met mij. Toen ging ik langs aam oover de akkers en het was alles God en alles goed!

 

18. Menschen! ik word mild met mijn vertrouwelijk­heid. Dat doet de ouderdom. Wat maal ik er nog om of men mij miskent of misverstaat, of bespot. De Dood is zoo digtbij. Ik behoef geen schuilnamen te zoeken, noch de naakte Waarheid in een bont fantasie-kleed te hullen. Ik spreek uit, wat mij gewigtig voorkomt. Ik behoef nie­mand te vreezen of naar de oogen te zien. Wat ze kunnen aantasten is toch den Dood vervallen. En wat mij blijft, daaroover heeft niemand macht dan mijn God en ikzelf.

 

19. Is het nu duidelijk, dat de woorden "God" en "Goed" hetzelfde beteekenen? Dit is het rechte onderwerp voor meditatie.

De meditatie van veelen is een voortduurend herha­len en zich inprenten van reeds bekende woorden, langs die treeden van woorden trachtend te stijgen tot den hoogsten trap. Maar wie de waarheid zeer lief heeft, doet alle bekende woorden weg, en stijgt tot woordlooze aandacht, weetend dat alle woorden afslijten en gebrek­kig en misleidend zijn.

Als men iets "goed" noemt, wil dat dan niet zeggen, dat het gaat in de "goede", dat is: de "gewenschte" richting?

Neemt dat dan niet implicite aan, dat er één doel is voor ons allen? En welk ander doel kan er voor ons zijn als het Hoogste Weezen, het Al-omvattende? Al-be­stuurende? Welks weezen is zaligheid?

Want "goed" beteekent toch niet "prettig voor 't individu", maar "heilzaam voor allen".

Wie het woord "goed" gebruikt, duidt daarmee aan ­- implicite - dat hij aanneemt het bestaan van een "heil" voor allen, waarheen het "goed" genaamde wijst en voert. Hetgeen insluit onsterfelijkheid, het bestaan van een hoogste Weezen, dat ook is zaligheid.

Aldus leert ons signifische meditatie.

 

20. Men kan niet zeggen, dat God almachtig is. Het woord is dwaasheid. Men kan ook niet zeggen, dat God niet almachtig is. Dat ware, zoo moogelijk nog grooter dwaasheid.

God kan niet liegen, niet zondigen, niet onjuist denken, niet onrechtvaardig zijn, niet anders zijn, dan Hij is, het verleeden niet ongedaan maken, misschien ook niet de toekomst anders doen worden dan hij vastgesteld heeft. Hij kan nog een oneindig aantal dingen niet. Hij kan ook niet dwalen, wat zijn schepselen wèl kunnen.

Toch is dit alles dwaasheid. Want er is niets wat zich aan God's macht onttrekken kan. En wie zou zeggen, dat Hij niet almachtig is, spreekt zichzelf teegen. Want het is de opperste macht, die wij God noemen.

Het woord "God is almachtig" heeft dus deeze waarde: "dat, waaraan wij de hoogste macht toekennen, heeft de hoogste macht". Dus weer een tautologie.

Zoo is het ook met het woord "rechtvaardig".

God is niet Rechtvaardig en ook niet onrechtvaardig. Wij hebben gezegd: er moet een Weezen zijn, dat goed is.

Wij noemen dingen goed, wanneer zij gaan, zooals wij willen.

Den allerbesten - door ons meest wenschelijk geachten weg.

Wij noemen iets "rechtvaardig" als het gebeurt naar Gods wil. God noemen wij dus niet rechtvaardig, alsof er een Recht was booven Hem, maar wat Hij wil noemen wij rechtvaardig, omdat Hij het wil, omdat Hij het wil, om­dat Hij het wil.

Gedenk, broeders en zusters! de machteloosheid en het bedrog der woorden.

En er zijn Algol-woorden en Electron-woorden.

 

21. Mijn lieve monikken, die mijn avond vertroost met Uw vroomheid en zachtmoedigheid, verwerpt mijn avondgave niet.

Het is echt. Ziet naar het Roode Lichtje. Het zal U ge­tuigen, dat mijn bedoelingen zijn die van liefde en waarheid.

Als gij allen zweegt, in heilige stilte, baden wij ge­zamenlijk en ik bad met u.

En uw lippen bewoogen, maar de mijne waren stil.

Stil als het Roode Lampje.

Want ik liet geen woorden toe in mijn gebed.

Gij spraakt de welbekende woorden, veele duizende malen gezegd. Maar in mijn hart sprak het licht zonder woorden.

Want ik wil Zijn zoetheid proeven zonder tong, en Zijn liefde verstaan zonder woorden. Die is onzegbaar.

 

22. Maar al is de oceaan der Werkelijkheid voor men­schen onpeilbaar, zoo kunnen wij haar toch bevaren in onze zwakke brooze vaartuigen van woorden en betoogen.. Wij kunnen er de veilige kust meede bereiken. Mits wij erop letten, dat de vaartuigen lek zijn, en wij nimmer verzuimen ze leeg te hoozen. Gestadig moeten wij acht geeven en rusteloos moeten wij arbeiden, om te blijven drijven.

Tot het land van woordeloos begrijpen en onzinnelijk waarneem en is bereikt.

 

23. Vijfduizend jaren hebben de Egyptenaars gewoond aan den Nijl die hen voedde en laafde - en zij dachten, dat de Nijl uit den heemel viel en bergopwaarts stroomde. Nooit hebben zij gepoogd te weeten, waar de Nijl vandaan kwam.

Eeuwen en eeuwen spraken de menschen elkaar de heilige woorden na, en ze vroegen niet, waar ze vandaan kwamen; hun oorsprong, noch hun waarde onderzocht men.

Maar de tijden worden vervuld; in één eeuw hebben de menschen doorzocht en doorgrond alle verborgen plaatsen der aarde. In honderd jaren vonden zij, wat zeeven duizend jaren hun aandacht ontging. Nu is de aarde bekend.

Maar het bedrog der woorden ontgaat nog ieders aan­dacht, ja! zorgvuldig waken de besten en vroomsten, dat het niet aan het licht koome.

 

24. De reegen ruischt gestadig, buiten wordt de waereld gedrenkt.

Hier in de kille kloosterkerk ziet men de adem als dampwolken uit de biddende monden koomen. Op de beweegende lippen glinsteren lichten. De schilders noe­men het spuuglichten.

Het deed denken aan de Pinksterlichten van de apostels. De monden gaven licht.

 

25. Ik zag de vaders en broeders elkander den broeder­kus geeven, bij de Zondagsche hoogmis - en zij deeden - het zoo eenvoudig, zoo zonder eenige affectatie, dat ik - wel in hunne rei had willen staan - alleen om die broe­derkus.

 

26. Als ik het dikke Breviarium lees, dan voel ik mij hoopeloos dom. Mijn latijn is verroest, en in die doolhof van psalmen en hymnen en antifoonen dwaalt mijn arme geest suf en verbijsterd rond. Welk een geheugen moet men hebben, om dat alles te onthouden, voor iedere datum andere gebeeden en gezangen. Soms ontmoet ik hier of daar wat schoons, als een bekend vriendelijk ge­zicht in een groote volksmeenigte van vreemden. Maar ik heb neiging maar heel ver achteraan te zitten in het oratorium, waar niemand mij ziet. Want bij die geleerde vroomen voel ik me te onweetend. Hoopeloos dom. . of neen! hoopvol dom.

Maar toch, lieve monniken, mijn dierbaarste Vriend, die mij eenmaal een helder verstand en een goed ge­heugen schonk, die mag toch wel zijn gave weer terug­neemen, nietwaar?

Bij Hem is mijn verdweenen kennis goed bewaard. Hij zal mij niet afwijzen, al ken ik geen regel meer van mijn brevier.

 

27. Het blijft reegenen en ik wil buiten loopen. De abt stuurt een pater om mij te begeleiden. Is dit een be­leefdheid voor mij of een beproeving voor den pater? Ik weet het niet recht en voel een ligte neiging het opge­drongen gezelschap weer naar huis te stuuren. Maar hij is zoo beleefd en goedig, hij schijnt het een eer te vinden. Nu mag hij dan onder mijn paraplu loopen. Daar bedenk ik dat hij priester is. Hij kan consacreeren. Hoe voelt dat?

Neen, de eer is geheel aan mij. Een priester onder mijn paraplu!!

 

28. Eedele, liefdevolle, zelfverloochenende menschen, handhavers van der menschen geestelijk weezen, welk een zeegen is het in Uw midden te zijn. Want gij maakt het onmoogelijk te twijfelen aan menschelijke goedheid. Neem de zwaarste verleidingen weg, voeg een vijftigtal der goedwillenden bijeen, verbind gezag en liefde tot een niet al te strenge tucht en zie, hoe goedheid en geluk ontbloeyen en zich ontplooyen voor God!

 

29. Gij doet mij denken aan die snelloopende vuur­dragers, die een brandende fakkel aan elkaar ooverreikten van hand tot hand, als booden van vuurig bericht.

Zoo wilt gij van geslacht op geslacht doen oovergaan het zuivere geloof en de schoone leer. Daartoe de vol­strekte gehoorzaamheid. Met bloote handen draagt gij het vuur en verschroeit ze tot op het been, zonder klacht.

God's schoonste gaven, de vrije wil, het vrije leeven, offert ge op, om het heilige bericht te redden. Alle fiere zelfstandigheid laat ge varen, als het geldt booden Gods te worden, die zijn gezag verbreiden. De letterlijke woorden, de nauwkeurige zuivere traditie, die tracht ge ongeschonden te bewaren.

Zoo droeg ook eens een ruiter een kind door den stormnacht. En toen hij aankwam "in seinen Armen das Kind war tod". (cfr Erlkönig)

 

30. Schoon zijn Uw oprechte gebeeden, uw metaal­dreunende zangen, uw liefelijke psalmen en beurtzangen. Schoon en waardig zijn Uw ceremoniën, uw ritus, uw lithurgie . . . . . . .

Maar gedenkt: er is Algol en er is Electron.

De Maker aller dingen is eeuwig dezelfde en eeuwig veranderlijk. Hij is eeuwige Rust en eeuwige Beweeging.

Gedenkt der woorden misleiding! De gansche mensch­heid is vergankelijk en geen woord is bestemd te blijven. Er zijn volken en talen uitgestorven, en alle talen en volken, die nog leeven zullen uitsterven. Eenmaal zal er geen Sanskrit en geen Latijn meer op de aarde verstaan worden. Alle woord wordt zielloos. Gij zegt: onze Heer heeft zijn eigen woord onvergankelijk genoemd. Maar dat was geen woord met vervoeging of verbuiging. Gedenkt: van alle woorden is het woord: WOORD het duisterste.

Des Heeren Woord staat tot het onze als Algol tot Electron.

 

31. En wie het menschenwoord bestendigt, verliest het Woord des Heeren. Het leevende kan niet in starre vormen worden geperst. De wijsheid die het Opperste Weezen ons geeft is leenig en beweegelijk groeyend. Is de ziel van het woord "God" nog dezelfde als voor twee duizend jaar? Wie thans het woord "vrijheid" zegt, zegt die het­zelfde als hij die dat woord sprak voor twee duizend jaar?

En het woord "geloof" en het woord "leeven" en de woorden Liefde, Wijsheid, Deugd en honderd anderen - wie zal zeggen, dat hun ziel door de geslachten niet gansch veranderd is? Niets is gelijk gebleeven, klank noch zin. Want de ziel der woorden is niet op te sluiten in klanken. En wie de leevende waarheid wil vasthouden door de woorden strak en vast onveranderd te bewaren, die is als de ijmker die een zwerm bijen wil bewaren in een voogelkooi.

 

32. Daarom zijn de schoone zichtbaarheeden en klanken van oude Wijsheid en vroomheid wel schoon, maar verouderd. Er is ooveral nieuw Licht gekoomen, breed en daverend, met groote blanke wolken en heerlijk blaauwe ooverkoepeling.

'Ons wenkt een ontzachelijke toekomst, ook op aarde. Nieuwer, schooner, rijker geestelijk leeven op hechter en reiner stoffelijken boodem. Dit voorzegt het stille lichtje in het Roode Lampje, in de scheemer-gewelven met de wierookwolken. Het blijft gloeyen, klein en getrouw, voorspellend de koomende licht-stroomen.

Algol zal vergaan, zoo goed als Sol en Sirius - maar geen electron gaat verlooren, zoo spreekt het Lampje.

 

33. Hoe vrij en frisch was de morgen. Daar klonk het klinkend schuuren van een zeis die wordt gescherpt. Welk een blij leevensgerucht, de boer stond in het be­dauwde gras en sleepte ruischend het metaal heen en weer. Hij dacht aan zijn.koe, aan de kalven, aan de melk en ik dacht aan Pallieter, den lustigen leef-broeder.

Het groote, zware klooster-gebouw wierp een schaduw ver oover de weyen.

 

34. Toen de kloosterkerk leeg was en nog veel stiller dan in de heilige stilten van den dienst, ging ik schuchter naar vooren, waar anders alleen de paters koomen en ik knielde, met mijn voorhoofd op de treeden van het altaar. Ik wist dat niemand mij zag maar ik had toch een weinig het gevoel van aanstellerij.

Ook had ik wel gewild, dat iemand van de lieve mon­niken het zag, want het zou hem zooveel genoegen doen. Maar ik bleef gelukkig alleen, met het Roode Lichtje, en er was veel vreede in mij.

 

35. Ze moeten het echter niet te bont maken en doen alsof mijn vis comica geheel verdweenen is. Ik had al eenig werk om de witte badmantels ernstig op te neemen. Maar een geelzijden parasol met falbala's, die wordt opgestooken en weer dichtgeklapt, de umbrellina booven het allerheiligste, daarbij kan een mensch niet ernstig blijven. Daarvoor zijn wij niet meer naïef genoeg. Dit doet ons aan als een weinig onnoozel. Zoo gaat het als men de veroudering der uiterlijkheeden niet vermijdt en het jonge frissche leeven te zeer vreest. Dover ernst en ironie valt nog veel te mediteeren. Dat later.

 

36. Ook oover eerbied en vertrouwelijkheid moeten wij nieuwe woordenreeksen bouwen, in signifische oover­peinzing. Want hartstochtelijke vertrouwelijkheid vindt eerbied te koud. De vertrouwelijken van onze dagen be­grijpen de eerbied voor de geliefden niet. Maar onze hoog­ste liefde moet hoogste vertrouwelijkheid en hoogste eer­bied vereenigen. Zoo deed Jezus' moeder voor haren zoon.

Toch koomen de dierbare famieljare woordjes in mij op, als ik aan het Roode Lampje denk.

           

37. En alle electroonen, waaruit mijn lijf is opgebouwd, trillioenen maal trillioenen, worden door God bewoogen. Wat kan mij intiemer zijn dan dat, wat alle deelen van mijn lijf doordringt? En de mystieken zeggen zelfs, dat God, met al zijn wijsheid en al zijn krachten in het kleinste ding aanweezig is. Ik spreek dit na, zonder goed te weeten wat het zeggen wil - maar iets booven alles intiems zegt het zeeker. En daar Jezus is, waar de Vader is, volgens de mystieken, is ook Jezus in alle deelen van ons lijf geheel aanweezig. En in onze ziel dus toch ook? Hij is op alle plaatsen tegelijk - en nergens niet. Ik spreek maar na.

Misschien zegt het iets.

 

38. Credo in . . . . .

Wacht! niet verder. Eerst nadenken. Eerst signifische peilingen. Er is zoo eindeloos veel onnadenkend nagezegd. Ieder moet dat voor zichzelven verantwoorden. Maar wat anderen zeggen, neemt mijn verantwoordelijkheid niet weg. De papagaai zal niet mijn symbolische voogel zijn. Zijn er in dat eerste woord al geen valstrikken en onzeekerheeden? In 't Hollandsch is het "ik geloof".

"Ik geloof, dat wij reegen krijgen". Is dit het geloof van de soort welker belijdenis van ons gevergd wordt, als wij tot de christelijke kerk willen toetreeden en de zalig­heid verwerven? Men kan deeze fraze ook aldus vertalen:

"Ik acht de moogelijkheid, dat wij reegén krijgen grooter dan de moogelijkheid dat het droog zal blijven".

Dit is maar een treurig zwak en slap geloof je. Kunnen wijze zieleherders daarmee tevreeden zijn?

O neen! verontwaardigd wijzen ze de gedachte af. Ze eischen iets stelligs, iets duurzaams en massiefs, iets ge­weldigs en onwrikbaars. Het woord moet ook plechtig worden uitgesprooken, niet onverschillig. Maar daarvan leezen wij niets.

Er staat alleen: "credo" "ik geloof". Niets geeft ons aanwijzing of ik te doen heb met een geweldige oover'-­tuiging of een reegenbui-verwachting.

" Ja maar,” zegt een ander, "er staat; "credo in” en ergens in gelooven is iets anders als ergens aan gelooven."

Alweer een andere nuance. Men zegt "ik geloof aan je­ goede trouw". Hetgeen meestal de bijbedoeling heeft, dat het eenige moeite kost om die goede trouw te ont­dekken. Dit geloof is van een krachtiger soort, dan het regenbui-geloof. Maar om er het bestaan van den Schepper van heemel en aarde mee vast te stellen, daarvoor is het woord toch zeeker niet geschikt.

Noem dit toch geen haar-klooverij, het gaat waarlijk niet om een kleinigheid!

Men wil "Algol-geloof" uitdrukken en heeft toch geen ander woord als wat "electron-geloof" zegt, reegen­bui-geloof.

Moet ik, - mag ik nu knikken en "ja" zeggen? Credo?

 

39. Credo in . . . .. Het tweede woord is zeeker niet minder onzeeker. Trouwens "aan" en "in" worden vaak verwisseld. Men gelooft "in" de waarheid en "aan" de waarheid. Het verschil is weer een zeer zwakke nuance. In de waarheid klinkt wat plechtiger.

Maar bedenk toch, dat het om een vaststelling te doen is van onze diepste gedachte en gezindheid omtrent het Hoogste Weezen. En daarvoor hebben we enkel een woord, dat ook voor heel andere functies dient, voor allerlei triviaal werk. En zoo een slap, ongestadig en onrein woord, moet het allerhoogste geestelijke werk verrichten?!!

En nu heb ik nog niet eens onderzocht, wat "gelooven" in den hoogsten zin, in den zin, die hier bedoeld wordt - voor beteekenis, voor waarde heeft. Wat wil dat zeggen "gelooven in"? Wat onderscheidt het van "wee­ten" , "denken", "meenen" , "voorstellen", aanneemen" ,"begrijpen", en zoo voort. - We hebben dus nu een begrip van zeer onzeekeren aard, van geslacht op geslacht oovergebracht door een onrein, door allerlei triviaal werk bezoedeld middel.

Niemand kan aan het woord "geloof" zien, hoe het bedoeld wordt. Welke nuance heeft het? Het zijn altijd maar dezelfde letters, hetzij zes voor "geloof", hetzij vijf voor "credo". En wat er de eigenlijke waarde aan geeft: intopatie, context, associaties, herinneringen, persoonlijke expressie - dat alles blijft onzeeker, onbepaald, af­hankelijk van het moment. Kan ik nu zeggen "credo in"?

 

40. Men zegt mij, dat er een werking, een geestelijk gebeuren moogelijk is, waardoor met één slag die onzeekerheeden verdwijnen. Men noemt dat "de heiligmakende genade".

Die gebeurtenis is mij onbekend, en ik moet haar afwachten. Ik acht niets onmoogelijk, en wacht in alle ootmoedigheid. Die genade zou dus kunnen omverwerpen, wat tot dusver in mij vaststond en mij sterker voorkwam dan mijn eigen weezen en alle menschelijke kracht.

Maar als die Genade niet satanisch, maar Goed, Goddelijk is - (oover dit verschil later) - dan zal ze mij niet leeren de waarachtige waarheid in mij te onder­drukken, maar erkennen en doen erkennen, dat mijn bedoelingen die zijn van liefde en oprechtheid.

"Ik geloof. . . . . dat ik geloof".

En vraagt de wijze ziele-herder dan: "ben je zeeker, dat je niet liegt?" dan moet ik antwoorden:

"Neen! maar ik geloof, dat niemand zeeker kan zijn, dat hij niet liegt. Want hoe kan men waarheid spreeken met zulke gebrekkige middelen?"

Zou de "Genade" dan beteekenen, dat wij onze leugen­ schuld kwijtgescholden voelen?

Dan moest ik aldus spreeken:

"Ik geloof - (reegenbui-geloof) - dat ik Geloof  (Algol-geloof) - maar ik moet erkennen dat het ook moogelijk is dat ik lieg. Dat wordt door de "genade" mij echter vergeeven". Maar wat zullen hierop de ziele­herders zeggen, eer die mij tot de kerk toelaten? Kunnen die genoegen neemen met zulk een slappe, weifelende uit­spraak? Of strekt zich de Genade ook uit tot oover die ziele-herders, zoodat ze gaan zien, dat mijn Weegen die der Waarheid zijn? Ik zie geen andere uitweg.

Het Roode Lampje gloort eeven stil en innig door de digte wierook-walmen.

Deo Gratias!!!

 

41. …. " in unum Deum, Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium" . . . . .

Hoe statig en schoon is dit. In geen taal kan dit schoo­ner klinken, dan in het Latijn.

Maar is het voldoende deeze poëzie schoon te vinden?

Neen! niet waar? Gelooven moet men, oovertuigd zijn, dat hier de waarheid en niets meer en niets minder dan de waarheid wordt gezegd.

Welk een eisch! welk een verwachting! Bij de eerste twee woorden ben ik al gestruikeld en plompweg in den modder van leugen gevallen.

En nu zou ik deeze ontzachlijke en vervaarlijke Woord­bergen, Algol - neen! oneindig-meer-dan-Algol-woorden bestijgen!

De wiskunstenaar , die de woorden allen weegt met de uiterste voorzichtigheid, vindt al reeden tot twijfel bij het woord "één".

Wat is "één"? Alles? Het geheel? of een deel er van? Jawel, als de belastinggaarder komt en vraagt hoeveel kamers, dan behoeven we niet te twijfelen. Dan is het woord "één" bruikbaar.

Maar Algol te meeten en te noemen met electron­ woordjes, wat werk is dat?

Eén God? Zouden er ook meer kunnen zijn? Kunnen Gooden geteld worden? En die één is ook drie.

Ik schrik niet van' dat absurde. Ik wil zeer gaarne gelooven, dat één drie is, als het God betreft. Dat is volstrekt niet zooveel geëischt. Natuurlijk zeggen we steeds absurde dingen als het God betreft. Maar ik vind één niet zeekerder dan drie. Ik vind heelemaal niets zeeker omtrent zoo iets grenzeloos ondenkbaars als het Getal Gods.

Zou ik een poging durven wagen om vaste uitspraak te doen omtrent het getal van God? Het voelt als heilig­schennis.

 

42. Heb ik dan in 't geheel geen zeekerheid?

Ik deed weer een wandeling tusschen groenende hagen,

ruisschende peppels en hoogbegraasde sappige weiden met nieuwsgierig vee, dat wild sprong van lentevreugde. Het pad vol dikke, rijke modder, de voogels druk in de hagen, reigers omhoog, een milde zon.

Dit is een weelderig land. Maar ik kwam langs een rei huisjes, éénkamerig, goor en verveloos. Eén deur, één raam, bleeke, havelooze vuile kinderen speelden in de deuren. Een vrouw duwde een wagen met twee kinderen, magere wichten met kroes gekrulde haren. Ze verkocht sentimenteele liedjes en galmde die onafgebrooken, beedelend van deur tot deur. Een arm, verwaarloosd, vervuild menschelijk weezen.

En 't was of twee handen mijn borst samenkneepen. Hoe komt die armoede, waar Gods mildheid ooveral zichtbaar straalt, in het weelderig land.

En toen ik terugkwam in het stille, statige, deftige klooster, waar men geen armoe kent - al behoort armoe tot de reegelen - toen bemerkte ik, dat het Roode Lampje ook toornig gloeyen kan.

Dit is het wat ik zeeker weet, dat de Meester hen schrikkelijk vermanen zou. Ik heb geen recht. Maar dit wilde ik den Meester bidden, dat hij zich in deezen oopen­baarde en hen leerde wat goeddoen en dienende liefde is..

Want het Lampje weet, dat mijn weegen de weegen van oprechtheid zijn.

 

43. "Barmhartigheid wil ik, geen offeranden".

Dit was het eerste woord dat ik zag van morgen, toen ik mijn Evangelie opsloeg.

Den ganschen dag wordt hier geofferd, soms door vier priesters tegelijk voor vier altaren. De gast wordt geëerd, als Christus zelf. Deemoedig wascht de abt des gasten handen. Dat gaat natuurlijk symbolisch, uit een symbolisch kannetje, met een sym­bolisch kommetje, en een symbolische handdoek om af te droogen.

Ook hebben de meeste gasten al zorgvuldig gewasschen handen.

Maar daarbuiten, in de schaduw van het klooster krielen de vervuilde, verwaarloosde kinderen in de modder.

En wachten tot een Christen hen met een niet-symbolisch bad, en werkelijk dienende liefde uit hun vuile ellende opheft.

 

44. De groote volkengroep der Bantoes, waartoe talrijke neegerrassen behooren, heeft voor de Godheid een afzonderlijk woord, dat nooit gebruikt wordt voor andere weezens, geesten of geniën, en ook geen meer­voud heeft. Maar wij hoogbeschaafde Oosterlingen en Westerlingen gebruiken het woord "Deus" ook voor een meenigte andere weezens, van veelerlei aard en dimensie.

Wat zeg ik dan als ik getuig, maar in één God te gelooven? Niets zeg ik, of iets heel dwaas en heiligschennends.

Want heeft het woord de Algol-beteekenis, dan staat er dit "Het Weezen, dat wij aanneemen geen meervoud te hebben is "één".Dus weer een tautologie. Of een petitio principii. Iets zinleedigs in elk geval.

Heeft het woord de electron-beteekenis, dan zeggen wij ermee het volgende:

"Van de veele weezens, die God genaamd worden, is er maar één de rechte".

Dit nu is bespottelijk en onwaardig. De nauwgezette mensch die het Christelijk "credo" wil afleggen, moet eerst nog van de neegers leeren Algol-godheid en electron­godheid niet te verwarren.

 

45. Oover de "almacht" sprak ik reeds. Het Holland­sche woord is mooi en krachtig. Daarom is het ook alge­meen als bastertvloek gebruikelijk. De forsche klank doet denken, dat men er iets. weezenlijks mee zeggen kan. Maar in 't Latijn is het toch nog mooyer, vooral in den accusatief:" . . . . in Patrem omnipotentem".

"Omni-potens" zou men kunnen vertalen als "Meester van alle moogelijkheeden". Maar natuurlijk geen meester van onmoogelijkheeden. De vraag is nu, of onmoogelijk­heeden "iets" zijn.

Men zegt toch, dat ze "bestaan". Kan iets, wat er niet is, "bestaan"? Wij kunnen dwalen, maar God niet. Zijn wij dan machtiger dan de Schepper? Of "bestaan" er geen dwalingen? Als wij iemand Almachtig noemen, dan zeggen wij, dat hij alles kan, behalve, wat hij niet kan.

Nonsens, niet waar? Maar van zulke nonsens zijn we allen dupe. Als wij het Roode Lampje maar van die neevelen wisten vrij te houden!

 

46. "Pater".

0, welk een woord om te bepeinzen!

Hoe verder ik kom, des te reusachtiger de moeye1ijk­heeden.

Als een lawine zwellen ze aan onder het neerrollen. Ik ben pas aan het vijfde woord en ik heb al verschillende hoofdzaken tot later moeten uitstellen, zooals daar zijn:

"goed en kwaad";

"ernst en ironie";

"satanisch en goddelijk".

Alles nog signifisch onaangetast.

En nu "pater". Het woord, dat in zijn Algol-beteekenis de gansche menschen-waereld heeft beroerd en ver­anderd. Het woord, dat de intree de beteekend heeft van een nieuwe aera.

Laat ons vragen, welke van de veele beteekenissen van het woord "Pater" de oudste is. Waarschijnlijk wel de minst verheevene. De andere beteekenissen, zooals b.v. geestelijk leider, zieleherder, - zijn later ontstaan.

En de allerhoogste beteekenis - Algol-beteekenis ­kwam waarschijnlijk het laatst. De oudste, oerbeteekenis is dus: het menschen-mannetje, dat voor zijn kleintjes zorgt, het mannelijk hoofd van een huisgezin, de huis­vader. En toen de menschen tot bezinning kwamen en de zeekerheid voelden van het bestaan van een Hoogste Weezen, doch dat Hoogste Weeien enkel angstig vrees­den, zonder Liefde te wachten of te voelen - als ware het gramstoorig, afgunstig, grimmig en bloeddorstig ­- toen nam Jezus den Vader-naam en leerde ons die ge­bruiken, zooals het kind teegen zijn voortbrenger. Maar daarom kan die naam nog niet zeggen, wat God is. Denkt om de valsche woorden!

Denkt om de verhoudingen!

God is geen Vader. Van de eigenschappen van het oer-woord "Vader" heeft hij er maar enkelen - en dan als Algol teegenoover electron. God is geen Vader Wat Hij is erkennen wij niet te kunnen zeggen.

Men weet dit. Goed, maar men behoorde het nooit te vergeeten.

En als men honderde malen per dag een woord ge­bruikt, dat eindeloos ver mis is, al is het Vaderlijke Weezen innig nabij, dan loopt men toch wel gevaar te dwalen. Waarom zou men altijd Vader zeggen? Jezus had daar zijn heilige bedoeling mee. Hij sprak steeds in gelijkenissen en waarschuwde ons daarvoor. "Moeder" ware somtijds eeven juist. Er zijn ook Oostersche vroomen, die "Minnaar" zeggen of "Geliefde" in hun aanroep. De dwaling als gevolg van de onjuistheid, vertoont zich on­middelijk. Men laat zich door het oer-beeld, door de electron-beteekenis verleiden tot veel grooter onjuist­heeden. Een vader - in de primitieve beteekenis - onderscheidt zich door het hebben van kinderen.

Nu strekt men dit uit tot de Algol-beteekenis en zegt, dat God kinderen heeft. Als men dit nu niet dichterlijk­symbolisch bedoelt, dan is het een onnoembaar groote dwaasheid. God heeft natuurlijk geen kinderen, zoo min een zoon als een dochter.. Het lijkt ooverboodig dit nog te zeggen. Maar het is niet overboodig. Want men toont algemeen, dat men uit dat dichterlijk-symbolische Vader­schap en Zoon-schap allerlei directe, concrete gevolg­trekkingen maakt.

Zoo zegt men bijvoorbeeld, dat God door zijn recht­vaardigheid gedwongen werd zijn zoon op te offeren, uit Liefde voor de menschen. Dat een menschenvader vol­gens de primitieve beteekenis, uit groote liefde voor iemand anders zijn eigen kind zou opofferen - dat is een denkbaar, zeer tragisch geval onder menschen. Maar aangezien de verhouding vader-zoon maar in enkele opzichten op het Hoogste Weezen toepasselijk is, en dus God eevenmin een Vader is als Jezus een zoon van Hem - is die geheele tragische voorstelling noodwendig onjuist, onnoemelijk onjuist, Algol-onjuist - tenzij dan als dichterlijk symbool.

 

47. Dit is daarom zoo erg, zoo gevaarlijk, wijl dit den twijfelaars, den loochenaars, den aanranders van het Geloof volle geleegenheid geeft tot bespotting en ont­kenning. Zij zeggen dan: "een mooye Vader! die eerst kinderen voortbrengt en ze zoo vrij laat, dat ze in hun ongeluk loopen - en die dan zijn onschuldige jongen zich vrijwillig laat opofferen, om de vergissing weer goed te maken".

Ja, als dit een menschelijke vader en een menschelijk huishouden gold, dan zou men van zulk een toestand weinig goeds kunnen zeggen. En toch is het niet te ont­kennen, dat de gemoedsbeweging, die het religieuze leeven motiveert en steunt, vaak te weeg gebracht wordt door zulk een grenzeloos-onjuiste voorstelling.

 

 

­ In de Waereld.

 

48. Ik ben weer thuis en weer buiten. Mijn hooge heldere, lichte cel achter de klooster-heining heb ik ver­laten, en nu ben ik weer digter bij mijn dierbare aarde.

En ach! wat is ze vol bekoorlijke majesteit. Alles drijft en rekt naar booven, naar het blauwe licht, de fitis zingt zijn weemoedig onvoldaan liedje, de deftige kikkers galmen des avonds hun golvende hymnen en gradualen en antifoonen nog van ouder datum dan de kerkmuziek. En de bloemen branden en vlammen in felle en liefelijke kleur.

Dit moet alles worden genooten, de zoete geur van de bruin fluweelen muurbloem, de smachtend blauwe ver­geet-mij-niet, al wat zoo zich inspant en naar vooren dringt, roepend: "zie mij, luister naar mij, ruik mijn geur" .

Dat moet genooten worden, en door zooveelen mooge­lijk. Ik kan het schoone nooit meer alleen genieten, ik moet altijd iemand hebben aan wie ik het kan wijzen: “zie hier! en kijk dat eens!" met een blijde trots als had ik 't alles zelf gemaakt.

En zoo voel ik werkelijk, ik voel in de heerlijke bloeyen­de waereld als in een groene, geurige Hoogmis, waarin God-Vader zelf de celebrant is en ik de misdienaar ben.

Als hier Gods stem niet spreekt, dan is hij naar mijn bevatting nergens. Hij spreekt met woorden van kleur en geur en eindeloos wisselende vormen, en nimmer gelijke leevensuiting. Aldoor eeuwig anders, altijd rijk en schoon. In elke morgenstond is nieuwe schoonheid, de schepping gaat voort en vernieuwt zich elke seconde. Ontzachlijk is Gods vreugde!

EIken morgen verheugt Hem opnieuw. Hij is gelukkig in het vechten der leevens.

De dwaasheid der schepselen wordt in Hem Blijheid. Dood en verderf zijn het zout in Zijn spijze.

Uit rampen en ellende bouwt Hij paleizen van zalig­heid.

Maar Zijn geluk staat tot het onze als Algol tot electron. Neen, neen, neen - nog eindeloos meer verschillen de verhoudingen.

 

49. Eindeloos grooter het verschil….     en toch hebben wij er kennis van. Wij hebben de afstanden van Zon en Algol en Sirius gemeeten, en we hebben zonnen, millioenen malen grooter dan onze zon op de weegschaal gelegd en hunnen aard en stoffen en hunnen gang door het ruim bepaald.

 

50. Ik ben gelukkig weer bij al het dierbare te zijn, bij vrouw, kinders, vee, bloemen, huis en tuin – ook hier gloeit het Roode Lampje.

Maar de zware dagen in de hooge cel waren niet voor niet.

Het is voor mij als een cursus tot het verkrijgen van een goede leevens-voltooyïng en een waardig einde.

 

51. Weer in de stad geweest. De giftige, verderfelijke stad.

Ik was haar heelemaal vergeeten. Geen seconde had ik gedacht aan haar leelijkheid en haar bekooring. Ze was er nog, en alles krioelde nog eeven gedachteloos door elkaar. Ooveral geldjacht , wangunst, pronkzucht, - bij de vrouwen -, zinnelijkheid en nijd. Ook in de arbeiders-beweeging. Een docter zei mij, dat het al of niet religieus zijn van geen invloed was op de toestand der ziekenhuizen. De besten waren godsdienstloos.

Al ware dit juist, wat bewijst het in zulk een sfeer?

Laat de menschen eerst van de monniken onderlinge liefde leeren, en onbaatzuchtigheid en zelfverloochening, en vrijwillige gehoorzaamheid en dan gemeenschappelijk bezit van de bronnen van stoffelijk goed, en dan ijver en toewijding.

Dan zal men een geestelijk leeven zien opbloeyen op reinen stoffelijken boodem, en alles wat wij kennen zal oovertroffen worden door de geestelijke schoonheid, die dan in uitgezochte kringen tot zichtbaarheid zal koomen, ook voor de waereld. Dit geloof ik.

De giftige bekooring van de stad brandde nog dóór en dóór.

Tot in de droom en drong haar invreetend gif. De monniken hebben 't gemakkelijk! Ze zeggen "bekooring" en dan weeten ze 't. Dan maar bidden tot de bekooring weer weg is. Dat lukt altijd. Maar hoe legt de duivel het aan om zoo bekoorlijk te zijn?" En hoe leggen wij het aan, om des duivels bekoorlijkheid van God's bekoorlijkheid altoos feilloos te onderscheiden?

 

52. Vandaag is de lente ooverweldigend. Het weer is grijs, vochtig en stil, al met den dageraad begint het ge­kweel en gekwetter . Twee nachtegalen zongen met helderen slag om mijn hut. In het bosch was diepe stilte, en lichtgroene loovervlammetjes blonken op tusschen de ernstige, grauwe stammen. En in iedere lente is alles een weinig anders.

Na aeonen zijn alle diersoorten gewijzigd en alle planten ervormd of uitgestorven om voor nieuwe plaats te maken.

Zou dan ons ziels-leven altijd dezelfde woorden ver­dragen?

Niets blijft, niets keert weer, - maar niets kan verlooren gaan. En in dit wonder heb ik deel. 0 zeldsame vreugde!

 

53. Er is een geloof, dat bergen verzetten en dooden opwekken kan. Dat geloof heb ik maar voor zeer weinige en eenvoudige dingen. Dat ik eeuwig leef en niet vergaan kan. En dat God goed is en met mij verbonden. Zoo stel ik de waarheid.

En in de loop der eeuwen zal deeze, mijne waarheid bergen verzetten en dooden doen leeven. Dit is het puure geloof.

Maar één vinger doop ik in het puure geloof en meng één droppel met een oceaan van onweetendheid. Dan zeg ik, dat ik geloof te gelooven. En uit die oceaan laat ik weer één droppel vallen in een tweede oceaan van niet-weeten. Dan zeg ik, dat ik geloof, dat ik geloof te gelooven.

De homoeopathen spreeken van "de tweede potentie". Zoo heeft mijn geloof meerdere potentiën.

 

54.      factorem coeli et terrae . . . . .

Kan ik eerlijk zeggen, dat ik dit geloof? Maar ik begrijp er niets van. Ten eerste, wat is heemel en wat is aarde?

De aarde is een deel van den heemel, - en dit is niet enkel stoffelijk, physiek bedoeld. Er zijn hoogstwaar­schijnlijk ongetelde millioenen en trillioenen aarde's, waarom wordt dan de onze afzonderlijk genoemd?

En "Maker", wat bedoelt dat? en wat moet men erbij denken? Het woord is genoomen uit het gewoone leeven, waarin een schrijnwerker een kast maakt. Is God nu op een bepaald tijdstip begonnen en geëindigd? Heeft iemand Hem beezig gezien? Staat Hij teegenoover zijn maaksel, als een schrijnwerker teegenoover de kast?

Ik zie ooveral leevende, groeyende, bloeyende, elkaar verdringende en dan weer afstervende weezens. Ik zie  altijd en ooveral leeven. En alleen in schijn niet-leeven. Ik zie alles groeyen en neem graag aan, dat het Weezen, dat in mij leeft er de Oorzaak van is. Maar wat "maken" van heemel en aarde beteekent, dat versta ik niet. Ik loochen niets, ik zou zelfs kunnen zeggen, dat ik geloof in de derde of vierde potentie. Maar ik weet niet, wat ik erbij denken moet.

 

55. En zoo gaat het met heel het credo. Het zal, vrees ik, eentoonige lectuur vormen. Want ik laat geen woord als waarheid passeeren op 't geluid van een hol-klinkend parool!

Zij zullen mij allen tenminste eenig idee moeten geeven, omtrent hun beteekenis, hun afkomst, hun waarde en hun kracht.

Ik loochen niets. Het kan alles waar zijn. Maar de oprechte - homo justus - neemt niets op in zijn credo, waarvoor hij niet de verantwoordelijkheid dragen kan. Ook het hoogste gezag kan geen kracht geeven voor hem, aan woorden, waarvan hij de beteekenis niet verstaat. Voor zulke woorden heeft hij geen "neen!" en geen "ja!" Omdat hij de waarheid liefheeft.

 

56. Ik ben geen twijfelaar, geen scepticus, geen agnos­ticus.

Ik ben dorstig naar kennis - maar neem het leeven ernstig.

Veel te lang hebben we ons tevreeden gesteld met holle klanken en ijdele geluiden. Laat ons eindelijk weeten, wat we doen, als we spreeken. En nu meen ik ook te begrijpen, waarom alle verstandelijke kennis ons bij het leevens-eind ontgaat. Ik voel hoe ik alle geleerdheid verlies, en een arme onweetende word met een slecht geheugen.

Alle kleederen worden mij afgenoomen. Ik ben als de arme paerel-duiker, die naakt in zee gaat, om de schoone, kostbare paerel te vinden. Ze ligt dieper dan de wijzen der aarde nog weeten. Misschien komt er een­maal een duikerpak bij te pas, met de nieuwste vindingen der weetenschap. Maar tot nog toe is er geen teeken, dat de geleerden weeten, waar de paerel der wijsheid te vinden is. Ze gaan gebukt onder hun logische argumenten. Hun zware taal-kleederen zitten vol ongedierte. Het wordt tijd tot luchten. Het wordt tijd voor den Doop.

 

57. Als men U vraagt: "Geloof je, dat Sirius planeeten heeft? of zeeven planeeten heeft?" Kunt gij dan daarop antwoorden "ja!" of "neen!"?

De eenvoudige, oprechte mensch zegt: Hoe kan ik iets gelooven, waarvan ik niets weet?

Noch "ja", noch "neen" te zeggen is geen schande, waar het duistere dingen betreft. Men vreest lauw en flauw te heeten, maar het is wijzer te zwijgen, dan te liegen.

 

58. Nu is de groene lente op haar hoogtepunt. Alles is vol aandachtig geluk. De vliegjes dwalen en dansen in den stillen gouden zonneschijn. Stil sluipen de vlijtige voogeltjes door de struweelen en zoeken en spieden naar een plekje voor hun nest. Zeer langsaam drijven kleine witte wolkjes door de blauwe luchtzee. En in die pracht en weelde voel ik mij bitter droevig'. "De profundis" gaat mijn stem uit om redding. Maar ik doe, wat ik niet wil, en wil, wat ik niet doe.

Ik ben machteloos teegen den demon. Mijn begrip wordt duidelijker. De Demon is bekoorlijk! omdat het zijn werk was, ons door dit oovergangsbestaan heen te drijven. Daarvoor hadden wij hartstochten en begeerten. Die zijn nuttig en goed - totdat wij tot inzicht en erkenning koomen. Dan moeten wij ons ervan bevrijden, om naar Gods fijner en zuiverder stem te luisteren. Maar dan zijn we aan die driften gehecht en gewend. En het losmaken doet pijn. Ons lager Zelf wil niet bevrijd. Het wil de oude en gewende pretjes. Dat is een vreesselijk en. onrustig conflict.

 

59. "Et in Unum Dominum Jesum Christum,filium Dei unigentum".

"Et" is al misleidend. Het beteekent een opvolging en een optelling. Maar Deus en Filius zijn één! De een kan niet na den ander koomen, noch bij den ander opgeteld worden. En het onjuiste wordt nog duidelijker door het verschil van Deus en Dominus. De uitdrukking "et in unum Dominum" doet ieder onmiddelijk aan twee weezens denken, de een Deus, de ander Dominus. En als ze één zijn, waartoe dan twee woorden?

 

60. Maar als een ontzachelijke IJsberg zie ik daar aan koomen drijven in den grooten, blauwen oceaan,

waar ik angstig en hulpeloos ronddobber - een geweldig-ont­zachelijk woord - "unigenitum".

De flonkerend witte kruin stijgt hoog booven den zee spiegel uit, maar het onzichtbare deel, het invisibilium, reikt nog veel dieper onder 't oppervlak. Ik kan de klan­ken uitspreeken. Maar wat moet ik er bij denken?

Met woord "zoon" is gelijkenis. Wij noemen ons zelve "Gods kinderen". Ook dat is gelijkenis. Wat "kinderen" zijn, wat een "zoon" is, dat weeten we uit ons leeven. Met de grootste aandacht ooverdenkend, wat de uitdruk­king "God's zoon" als gelijkenis bedoelen kan, koomen wij maar tot een zeer vage uitkomst. Een hoog en machtig weezen, zelf voor onze zinnen onwaarneembaar, maar min of meer stellig vermoedde oorzaak - of oorsprong ­van bepaalde gewaarwordingen. Zoo kwamen we tot Godsbesef. Maar nu weeder een goed en machtig weezen, dat uit dat eerste weezen is voortgekoomen," ex patre" . Maar wat is "uit"? Kan men zich daarbij iets bepaalds denken? God heeft geen beperking, geen grens, geen vorm, geen gestalte. Wat beteekent daarbij " uit " of "in"?

Ik kan het met de innigste aandacht niet denken.

En dan: "genitum, non factum". Wat is hier het ver­schil? Bij God is geen tijd, noch leeft Hij in onze ruimte. Wij kennen "geboorte" uit ons leeven, eevenals "maken", "maker", en "maaksel". Maar wat beteekent dat alles bij God? Van een heusche geboorte, op één bepaald tijdstip, kan toch geen sprake zijn. En als men nu zegt: "ante omnia saecula" - dan duidt dat woord "ante" toch weer op een tijdsbegrip.

En het "eenig-gebooren", "unigenitum" , brengt ons onverbiddelijk weer tot de absurde gedachte van een ge­tal - niet veel, niet weinig, maar één enkele - en een tijdstip, niet nu, niet heel lang geleeden, maar precies tóen - een feit dus, zooals wij feiten kennen.

Maar dit is alles dwaasheid. Wat moeten wij erbij denken?

 

61. Men versta wel. Ik loochen niet. Ik neem aan, ik geloof zelfs in tweede potentie, dat achter deeze plechtige, majestueuze woorden groote waarheid verborgen is. Dat wil zeggen, dat de mensch, die ze neerschreef, zeer leevendige Godsgevoelens had, en daardoor zeer goed de Oorzaak dier gevoelens besefte en ook beminde. Ook dat hij duidelijk onderscheid wist te maken tusschen het weezen, dat hij Vader noemde en dat wat hij Zoon noemde. Ook het "unigenitum" had beteekenis voor hem. Het was zijn uitdrukkingswijze, zijn poëzie, zijn symboliek. Maar kunnen wij daarom nu zeggen '"Credo" ik geloof, In puur en stellig geloof, dat wat die woorden willen uitdrukken?

"Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero".

Prachtig als geïnspireerde poëzie. Maar als begrips­vaststelling ijdel.

 

62. "Consubstantialem Patri; per quem omnia facta sunt."

Eén van substantie . . . . wat is dat: substantie? Ik kan er niets bij denken, behalve na diepe ooverweeging, mis­schien dit: dat het is datgeene, waaruit alles bestaat, zoowel sterren, bergen, oceanen, planten, menschen . . . . ook gedachten, gevoelens, gewaarwordingen, en ook God zelf.

En omnia beteekent alles. Denk ik dus goed, dan is alles één van substantie met den Vader. Maar dan is dit ook geen bijzonder voorrecht van den zoon. En oover “maken”, zie 54.

Alles onzin natuurlijk! ik weet het! Omdat het betreft het onzegbare. Wist ik nu maar wat de dichter bij die woorden dacht en voelde. Ooverleezende en ooverpein­zende merk ik, dat de woorden "waaruit alles bestaat" ook weer niets beteekenen. Wat zegt hier "uit"? En wat is het verschil tusschen een ding, en datgeene, "waaruit" dat ding bestaat? Soms laat men iets ergens "in" bestaan. Maar dat is niet duidelijker.

 

63. Een geleerde zei mij, dat het woord "unigenitus" niet letterlijk behoeft opgevat te worden, dat het maar een krachtige term was om de groote liefde van den Vader voor zijn Zoon aan de Jooden duidelijk te maken.

Want de eenig-geboorene was in het Joodsche gezin altijd het voorwerp van de grootste zorg en liefde. Hier koomen wij op wat meer begaanbare weegen.

Dit zou tot gemeenschappelijk begrip kunnen voeren.

Maar ik geloof niet - dat de zieleherders er genoegen  mee neemen.

 

64. Hoe komt de zalige, liefelijke, bloeyende lente mij zoo dor en droevig voor? Ik wist dat het koomen zou. Het is niet droefgeestig-weemoedig. Dat is heerlijk! het Heine-Schumann-gevoe1. Maar dit is dor. Ik zie, dat de schoone, begeerde leevenstijd er is, en ik voel er niets van. Maar heel éven een flauwe scheemer van het oude geluk, de oude rust, de oude blijheid, de oude zoete weemoed.

En dan weer de heevige dorst naar geluk, het water vlak bij en de onmacht om te drinken. Het doet mij denken aan de gevangenen in de Haagsche gevangen­poort, die geen voedsel kreegen, maar booven de keukens moesten woonen en steeds de spijsgeur moesten ruiken.

 

65. Het proefkonijntje des Heeren, zoo noemde ik mijzelve vaak. De vivisectie is nog niet afgeloopen. Ik vrees, het ergste komt nog. En ik mag heelemaal niet klagen. Ik heb een benijdenswaard bestaan, zegt men mij. Ik ben bevoorrecht en een begenadigde. Als ik nou maar doen wou, wat Jan of Marie mij raadt. Met groote krachts­inspanning houd ik mij blijmoedig en opgeruimd. Men moet geen meedemenschen door somberheid hinderen of lastig vallen. En dan bereik ik nog maar net het doodgewoone, de gemiddelde ziels-toestand van een gewoon mensch.

 

66.      qui propter nos homines et propter nostrum salutem descendit de coelis . . . .

Dit wil ik gaarne aannemen en gelooven. Maar mis­schien in de derde of vierde potentie. Wat ik gevoel als een smartelijke en noodelooze vivisectie, zou dan eigenlijk een heilzame operatie zijn. 0, mocht ik dat stellig kunnen

gelooven! Maar de begrippen zijn zoo vaag, en de feiten zijn soms zoo wreed. Er worden toch dagelijks honderde, ja duizende proefdieren aan vivisectie onderworpen "propter nostram salutem". Ben ik voor God zooveel meer waard dan een konijntje of een marmotje? En al was het een heilzame operatie, waarom was die noodig?

"Descendit de coelis" kan men verstaan als men de heemel aanneemt te zijn God's sfeer, en de zoon als een Weezen, dat in de hoogste sfeer kon zijn, maar een lagere kiest "propter homines".

Dit is natuurlijk nog zeer vaag, en vol onbegrijpbare symboliek, maar er is iets bij te denken. Dan rijst echter natuurlijk en onmiddelijk de vraag: wat heeft die zelfverneedering noodzakelijk gemaakt? Hoe ontstond die verdooling der menschen, toch schepselen God's, die zulke middelen vereischte om ze weer terecht te brengen?

Wie maakte die operatie noodig? Wie draagt de schuld, de verantwoordelijkheid voor deeze stoornis en verwar­ring, die den Zoon dwong tot ingrijpen?

 

67. Eeuwen lang hebben de menschen elkander na­gezegd: wij menschen hebben schuld. Door ons is de zonde in de waereld gekoomen. Adam viel, verleid door Eva. De Vader is enkel goedheid en liefde. Het kwade kwam van den menseh. De mensch kreeg vrijen wil om te kiezen en hij koos het kwade. Het Goede komt van God. Hij wil enkel ons geluk, en wij zijn steeds baldadig en doen Hem verdriet door verstokte ongehoorzaamheid.

Dit is de beschouwings-wijze der vroome menschen, met name der Westersche Christenen. En deeze opvat­ting is practisch nuttig en bevreedigend gebleeken. Zij brengt ons ziele-vreede en gemoedsrust. Ze stelt ons in staat, het soms zoo wreede en harde noodlot te dragen. Steeds maar de schuld bij ons zelven zoeken. Op de borst kloppen en "mea culpa" roepen. Dat geeft troost en verligting.

 

68. Maar is het wáár?

Kunnen wij dit in alle ernst en oprechtheid meenen?

De pragmatisten - William James - zeggen "wat prac­tisch nuttig is, is wáár". Maar kan een vroom Christen dat zeggen? Wij gelooven toch in een waarachtige waar­heid, de uitdrukking is machteloos, maar beteekent toch zeeker iets, dat onafhankelijk is van practische nuttigheid.

Voelen wij werkelijk, in alle eerlijkheid, dat de mensch schuld heeft? - of zeggen wij het elkander maar na? Nu oprecht zijn! onverschrokken, niets ontziend oprecht! Dat is toch zeeker God dienen in geest en waarheid. De dichter Hebbel zeide "als de mensch vader is van de zonde, dan is God grootvader van de zonde". Weet iemand er iets teegen in te brengen? Ik niet!

Daar zitten we nu met onze onbruikbare groote woor­den. Almacht! Alwijsheid!

Wie alwijs is kent en voorziet alle gebeurlijkheeden.

Wie almachtig is, is meester van alle moogelijkheeden.

Zonder den wil, de vóórkennis, de toestemming, het goedvinden van den Almachtige en Alwijze gebeurt er niets. Ook geen zonde. Ook geen kwaad.

Al trachten wij ons door lange reedeneeringen uit deeze klem te bevrijden, het kan een eerlijk mensch niet ge­lukken.

Als God alweetend en almachtig is, dan draagt ook Hij de verantwoording van het kwade en van de zonde.

Niet de zwakke, hulpelooze mensch, dien Hij schiep met gebreeken en tekortkoomingen, met domheid en blindheid.

 

69. Ziehier nu een verschrikkelijk voorbeeld van de verderfelijke gevolgen van een te lang volgehouden sym­boliek, van het vergeeten, dat Jezus in gelijkenissen sprak.

God is geen Vader. God is niet het mannelijk hoofd van een menschelijk huisgezin. Hij is oneindig veel méér. Als Hij een Vader ware, zou Hij een slechte Vader weezen. Welke goede Vader schenkt zijn kinderen zooveel vrij­heid, dat ze ten verderve kunnen gaan, en eischt dan, dat ze zichzelve geheel schuldig bekennen aan de fout, waar­voor hij alleen aansprakelijk gesteld kan worden? Welke goede menschen-vader zegt niet: "Kinderen zijn toch maar kinderen. Ze weeten nog niet beeter . Waar de wijs­heid is, daar is ook de schuld en verantwoording" . Welke goede vader dreigt zijn kinderen met eeuwige straffen, als ze doen wat hij, als ouder, had kunnen en moeten voorkoomen? Is dat niet alles kooren op den moolen van den Godloochenaar? Men moet wel zeer slaafs of zeer vroom zijn om deeze onweerspreekelijke teegenwerpingen niet te achten. Welke gedachtelooze kudde-dieren zijn wij menschen! God is eevenmin een huisvader als Kronos, die zijn eigen kinderen verslindt.

 

70. Hoopeloos verslagen zal de mensch eenmaal neer­zitten, als hij steeds deeze zware symboolische woordsteenen wil blijven meetorschen: Almacht, Alwijsheid, Vader.

Hoe kan een mensch, die zuiver voelt en helder denkt.. smeekbeeden richten tot een almachtig en alwijs vader?

Een goed en wijs vader, die zijn kinderen liefheeft zal doen, wat goed voor hen is, niet wachten tot ze hem aansmeeken, noch zal hij terwille van hun gebeeden anders handelen dan hij in zijn meerdere wijsheid beslooten heeft. Ja, een goed vader zal zijn kinderen vermanen niet te zeuren en te beedelen. En wel-opgevoede kinde­ren zullen hunnen vader niet lastig vallen met voort­duurende verzoeken en smeekbeeden. Welweetend dat hun vader wijzer is dan zij en doet wat het beste is..

En dit geldt voor een gewoone, goede, verstandige' vader - en hoeveel meer voor een almachtige en Al-­wijze Vader!

Tot zoo Eenen vraagbeeden te richten is dwaas en beleedigend - als tenminste een alwijs Weezen beleedi­ging voelen kan.

En toch stijgen dagelijks millioenen vroome smeek­beden op, om den almachtigen liefhebbenden Vader te beweegen zonden te vergeeven, gunsten te verleenen, onheilen af te wenden - in één woord om anders te  'handelen dan Hij in zijn alwijsheid, goed en noodig heeft geacht. "Is het niet bespottelijk en al te zot?" zegt de Godloochenaar. Dat zou het zijn, als God een Vader ware. Maar Hij is eevenmin een Vader als een Rood Lampje.

Toch spreek ik tot het Roode Lampje en ik vraag en smeek en zoek vertrouwelijkheid. En het Roode Lampje antwoordt me. Het zegt "hier is het Lichaam des Heeren".

           

 

71. ET INCARNATUS EST DE SPIRITU SANCTO EX MARIA VIRGINE, ET HOMO FACTUS EST".

Dit staat met kapitaalletters, als het gewigtigste van heel het Credo. De muziek der mis duidt hetzelfde aan, ook wanneer zij gemaakt is door protestantsche compo­nisten. Bij het "incarnatus est" zijn alle harmonieën en melodieën in de uiterste teedere spanning en ontroe­ring; als ademloos wacht alles het grootsche, geweldige en aandoenlijke feit. Verbaas U nu niet, gedachtelooze menschen! als ik hier veel gemakkelijker kan zeggen: ."ik geloof". Hier behoef ik niet ja of neen te zeggen, zonder eigenlijk te weeten, wat ik beaam en erken, of loochen en ontken. Hier spreek ik geen ijdele, holle klanken oover iets zoo volkoomen buiten alle bereik en expressie als het getal en het weezen Gods. Hier wordt een welbekend bericht herhaald van een welbekende persoon. De apostel Johannes zeide: "Het woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond". Het woord WOORD is hier weer symboolisch, dat begrijpt iedereen. WOORD en VADER zijn hier afgewisseld en staan voor dezelfde werkelijkheid. Maar "is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond" dat is geen symboliek, maar bedoeld als directe concreete werke­lijkheid. En nu krijgt de expressie' "credo" een geheel andere signifische kracht en waarde. Daar ze gezegd wordt omtrent een bepaald persoon, die op aarde leeft of geleefd heeft, en die een bericht brengt, waarop hij geloof verwacht.

Hoor goed! het woord "geloof" heeft een heel andere kracht in "ik geloof in éénen God" als in "ik geloof den apostel Johannes". In de eerste zin is het een machtelooze pooging tot vaststelling van eigen gezindheid en kracht. In den tweeden zin is het een daad van liefde en vertrouwen. Ik heb mij uit geschriften een voorstelling gemaakt van den apostel Johannes. Die persoon vertrouw ik en heb ik lief, en als hij iets meede-deelt dan geloof ik het, zoolang ik geen bizondere reeden heb hem te wantrouwen.

Hier komt het persoonlijke in onze geloofs-waereld bin­nen, noodwendig, en het kan er niet weer uit, maar bereikt zijn hoogtepunt in Jezus.

 

72. Twee afgebeulde, afgesloofde, armoedige woorden staan voor mijn deur te zaniken en vragen binnengelaten te worden. Broertje en zusje "subjectief" en " objectief" . Ga maar heen! Ik geloof niet, dat ik jelui noodig heb. Of dat jelui tot iets te gebruiken bent. Ga maar naar de Regelaars, die hebben nog wel een karweitje voor je.

 

73. Somwijlen, in den laten slaap teegen den morgen moet ik door het rijk der démonen trekken. Heel trouwe leezers, die mijn studies oover droomen kennen, weeten dit. Het is niet zeer angstwekkend, ik ken ze, en weet ermee om te gaan. Maar dit is het merkwaardige en curieuze, dat ze gevoelig voor scheldwoorden en luide berispingen zijn, precies als honden en andere huisdieren. Niet voor onze gewoone scheldwoorden, zooals "boef" of "monster" of "vuilik". Daardoor zijn ze niet gekrenkt, eerder gevleid. Maar scheldwoorden als "wandelstok",. "zakdoek" die trekken ze zich aan, omdat het weezenlooze en ziellooze dingen zijn.

In den Kosmos is niets leevenloos, maar er zijn dingen met verheeven leeven en met zeer laag, triviaalleeven. En onder de triviale dingen zijn die de laagste, die zelf weer door een schepsel gemaakt zijn. "Kei-steen", "kristal", "boomstronk" zijn minder triviaal, dan "tan­denborstel" of "potlood". Want de eerste zijn door den schepper gewrocht, de laatste door een schepsel. Een oude schoen kan nog een zeeker karakter hebben, maar een zakdoek bijna niet. Vandaar de beleedigende kracht voor demonen, wier hoogste aspiratie is, op een leevend, bezield weezen te gelijken.

 

74. Zoo krijgen wij eenigszins een flauwe notie van de vreesselijke verloochening, die het voor een hooger weezen is, om tot onze sfeer af te dalen, en als mensch te worden geïncarneerd.

Maar ik neem gemakkelijk aan - geloof in eerste potentie -- dat het geschied is. Waarom zou ik het betwijfelen? Het kan geloogen zijn, maar dat onderstel ik alleen in de uiterste noodzaak. En er is een verheeven­heid, die bij mij de gedachte aan leugen uitsluit. Als ik lees, wat Johannes gezegd heeft - om van Jezus' woor­den nog niet te spreeken, - dan voel ik de uiting van een verheeven geest die waarheid kent en spreekt, en waarbij de gedachte aan bedrog voor mij onmoogelijk wordt.

En al werd ik bedroogen - dan nog zou ik van mijn goedgeloovigheid geen berouw hebben. Er is een soort hooger welleevendheid, een Algol-welleevendheid teegen­oover onze electron-welleevendheid, - die verbiedt te twijfelen, te vitten, te bedillen - tenzij in den aller­uitersten nood. Deeze welleevendheid past ons teegen­over hooger persoonlijkheid.

Dat het WOORD vleesch geworden is, dat Jezus een hooger Weezen is, die tot lager sfeer is afgedaald om ons te troosten en te helpen - dat neem ik aan op zijn eigen getuigenis. Iemand die zóó spreekt, als Jezus doet, kan

niet liegen. Dat is mijn geloof in eerste potentie - of wel puur geloof. En dat hij gebooren is uit een vroome Maagd, waarom zou ik het ontkennen of betwijfelen? Ik kan ook wel ontkennen, dat ik het kind van mijn moeder ben. Ik ga af op getuigenissen. Maar niet naar de wijze der geleerden. Die moogen van parthenogenesis spreeken en het waarschijnlijke of onwaarschijnlijke kritisch be­pleiten. Mij komt dat grof voor en lomp. Ik geloof Jezus op zijn woord, en ook Johannes. Natuurlijk! Hoe zou ik anders? Credo!

 

75. Maar daarom is het geen blind geloof. De Arbiter in mij is vol eerbied en vertrouwen, maar hij blijft zelf­standig. Dat kan niet anders, want in dien Arbiter is iets, van het allerhoogste, het is dezelfde, die goed of kwaad,.recht of onrecht, waar of niet-waar, schoon of leelijk bepaalt. En voor allen, want er is eenheid en samenhang in al wat is. Pas op, hier drijf ik weer naar gevaarlijke draaikolken. Gedenk wat woorden zijn, en blijf goed ont­houden, wat in de voorige paragrafen staat. Schijnbare teegenspraak is maar formeel en geen teeken van onwaarheid. .

 

76. Hoe kunnen wij zoo vast gelooven in het bestaan van persoonen die wij vertrouwen en liefhebben? Elk dier persoonen zou een hallucinatie kunnen zijn, een bizonder hardnekkig en consequent volgehouden ver-­beelding. Deeze moogelijkheid wordt op eenmaal reus­achtig groot, als het correspondenten betreft, die men nooit gezien heeft. En toch komt het voor, dat men zulke correspondenten hartstochtelijk lief heeft, dat ze ons leeven vervullen zoo volkoomen als een kind dat der moeder, de minnaar dat der geliefde. Daarbij kan men zich vergissen. Men kan misleid worden door een wê1gespeelde comedie, een goed volgehouden bedrog.

Hier staan we voor het psychologisch raadsel der per­soonlijkheid.

Een tooneelspeeler heeft tal van persoonlijkheeden. Zijn gewoone leeven is een van zijn rollen. Hij speelt steeds comedie. Hij bestaat uit een aantal persoonen uit één lichaam. Dat lijkt gevaarlijk werk, want de mensch zoekt niet naar splitsing, maar naar eenheid, concentratie, naar verhooging, versterking der persoonlijkheid. Meer één worden. Een mensch uit één stuk. Dat schijnt goed te zijn. Zichzelven te splitsen in veele persoonen schijnt minder goed. Er is ook altijd iets griezeligs, iets spook­achtigs in alle wisseling van persoonlijkheid. Men denke aan "Dr. Jekyl and        Mr. Hyde "en aan Meyrink's "Golem".

Dit duidt op satanische werking. Maar ook de vroome, goede Christen die tot zijn beschermheilige bidt, is misschien de dupe van zelfbedrog. Die beschermheilige kan een splitsing zijn van de eigen persoonlijkheid. Een fictie dus. Een gewrocht van 's menschen "onderbewustzijn", zooals het heet.

Maar hier vraagt de Significa: wat is dat: "onderbe­wustzijn"?

Of het woord  ‘bewustzijn" eenige reedelijke, begrijpe­ lijke beteekenis heeft, daaroover ben ik nog niet tot zeekerheid gekoomen. Waarschijnlijk is het een zinleedig woord.

Want als er niets "onbewust" is, dan is alles bewust, en daarmee vervalt de noodzaak en de waarde van zulk een woord als "bewustzijn". Maar dan is "onder­bewustzijn" nog erger en nog gekker. Is er misschien ook een booven-bewustzijn, een tusschen-bewustzijn, een dik of dun bewustzijn en zoo voort?

Men zou de persoonlijkheidskwestie van den bescherm­heilige zóó kunnen stellen: "Is die persoon, die zich door inspiratie, door droomen, vizioenen, automatisch schrift of ingeeving, als een zelfstandig weezen laat kennen, een deel van mijn eigen kosmos, of heeft die een van het mijne gescheiden geestelijk gebied?"

 

77. Twee schoone en vriendelijke stoornissen in dit moeyelijke meditatie-werk. Zij leiden mij af, maar op een liefelijke en leerrijke wijze.

Vooreerst mijn nieuwe vriendje - Sadhoe Soendar Singh, de vroome begenadigde Indiër. En ten tweede, de nachtegaal, die vlak voor mijn venstertje zingt. Hoor hem toch eens uithalen. Hij weet niet van ophouden. Hij slaat door! Wat een hartstocht!

Dat is nu de nachtegaal. Komt het er op aan, welke? Hij heeft geen persoonlijkheid. Ieder kent ,de nachtegaal, aan zijn zang.

Ieder nachtegale-voogeltje leeft maar drie jaar. Wij kennen er geen. Maar de nachtegaal leeft veele eeuwen. En zijn stem onderscheiden wij terstond. Zoo begreep ik eenmaal Christus als de mensch. De persoonen leeven maar weinig jaren, de mensch leeft al miljoenen jaren. Misschien komt het er eenmaal voor ons ook niet op aan, welke mensch. Dan zijn alle persoonen één persoon ge­worden, Jezus. En die weer een met zijn Schepper. Ik noemde Hem: de Godheid-mensch. De boom, waarvan wij bladeren zijn.

Ook weer een drie-eenheid. Wortel, stam en bladeren. De bladeren de individuen, wortel en stam het ras, het geslacht, de mensch. Dan de koesterende aarde, het heemel-licht - alles ver buiten ons gezicht, booven onze bevatting.

"Maar het is anders! het is alles anders!"

Dit is een zware vers-reegel. Ik schreef er weinigen met zooveel oovertuiging.

 

78. En mijn vriendje, Soendar Singh. Hij weet niets van mijn bestaan, ik weet een weinig van het zijne, mij meegedeeld door onbekende tusschenpersoonen. En uit dat weinige weet ik toch met de grootst moogelijke zeekerheid, dat hij bestaat, en ook, dat hij mijn vriend is. Daaronder zou ik alles durven verwedden. Als ik hem ooit in dit leeven ontmoet, dan zullen wij elkander om­armen, ons verheugen in elkanders bijzijn, en elk zal trachten te doen, wat den ander aangenaam is. Dat spreekt van zelf, dat zal ons geheel natuurlijk voorkoomen. En toch heb ik geen bewijzen hoegenaamd voor zijn existentie. Ik heb ze ook in 't geheel niet noodig. Ik ge­loof en ik weet, dat hij er is, en ook vrij nauwkeurig, hoe hij is. De enkele karige gegeevens zijn mij geheel vol­doende. Dat komt, omdat bedrog hier geen reeden van bestaan heeft. Wij menschen vermoeden achter alles, wat wij omtrent onze meede-menschen verneemen, be­drog en leugen. Dat is verklaarbaar, omdat wij het bedrog als een onmisbaar en natuurlijk element in ons leeven beschouwen. Ieder onzer is zelf in verleiding tot liegen, en weet dat ook van alle anderen. Vandaar een voort­duurende argwaan en achterdocht bij alle uitingen.

 

Hetzelfde doet de geleerde onderzoeker. Hij vertrouwt geen enkele waarneeming, hij wantrouwt ze aanvankelijk allen, omdat hij weet dat onze waarneemende functies allen gebrekkig zijn, en niemand vrij is van observatie­fouten. Maar er zijn sfeeren, waarin de aanleiding tot bedrog vervalt, omdat er geen enkel schijnbaar of weezen­lijk voordeel aan verbonden is. Als ik een nachtegaal hoor, dan kan ik niet denken, dat die voogel mij bedriegt. Wat belang zou het beest er bij hebben? En wat soort bedrog zou het kunnen zijn? Alleen de mensch, die den voogel nadoet om hem te vangen, die brengt het bedrog. Wat ik van mijn vriendje Soendar Singh hoor, dat is voor mij waarheid, omdat bedrog er geen zin zou hebben.

 

79. En zoo is het met de berichten van afgestorvenen. Sommigen zijn zoo helder en eenvoudig, dat men geen bedrog kan aanneemen, omdat het geen zin zou hebben. Bedrog zou niemand schijnbaar of weezenlijk voordeel brengen. Maar er zijn ook berichten, die men onmidde­lijk wantrouwt, omdat men lage menschelijke driften her­kent: eerzucht, grootdoenerij, spotzucht, wrok, dweeperij, feemelarij - en zoo voort. Daar moeten ook persoonlijk­heeden beezig zijn, maar verkeer met hen is te mijden. Want niets vrijwaart ons van de gevaren van zulk een omgang, ook de weetenschappelijke hoogheid en neutraliteit niet. Het is alles veel te duister voor ons om in voort te gaan. Vermijden! Vermijden! en steun zoeken bij lichter, en heilrijker weezens. Die zijn er, Goddank! Leevende op aarde, zooals mijn pas ontdekt vriendje, Broeder Soendar Singh. - En ook van de ooverzijde van het graf krijgen we berichten, waaromtrent wij onmiddelijk voelen: hier is geen bedrog! Want wat zou bedrog hier voor zin of beteekenis hebben?

Zoo kan ik ook zeggen te gelooven, in hetgeen mij omtrent Jezus verhaald is door een dierbare vriend van de ooverzij. Wat er in het door mij geredigeerde boekje oover Jezus staat, dat geloof ik. Zoo niet in de eerste, dan toch in de tweede potentie. Veele dingen begrijp ik niet. Andere dingen koomen mij vreemd voor, en ik onthoud mij van oordeel. Maar die het schreef, sprak waarheid en loog niet. Men noemt dit: "goed van ver­trouwen". Dat ben ik inderdaad, omdat zonder, het goede vertrouwen geen wijsheid bestaan kan. Maar ligt-ge­loovig ben ik niet. Ik zeg niet, dat iets onmoogelijk is, wat een ander voor zeeker houdt; ik zeg niet "ja" en niet "neen", tenzij bij ervarings-zeekerheid. Maar het Roode Lampje is een ervarings-zeekerheid.

 

 

80. Ik moet het met mijzelven eens zijn, ook in de uiterste droefheid. Het droevigste gedicht, dat ik ooit schreef - de Elegie - heeft mij de grootste verligting gebracht. Het was voor mij het diepste golfdal van ellende, en nu stijg ik weer met een volgende golf omhoog. Ik was het met mezelven eens, het vers was goed, en ik was er dankbaar voor. Heerlijk is de vrijheid die ontstaat als het oordeel der menschen ons niet bereiken kan en koel laat. Ik begrijp nu, dat de lieve vreugd-begeerten afge­daan hebben. Al wat nog koomen mocht is toegift. Ik verwacht vóór den dood niet als stijgende misère. Het kan meevallen, maar ik verwacht niets. Dat is goed, want het is mij duidelijk, dat mijn leevens-wil zwakker moet zijn, dan Gods leevenswil. Die twee zijn niet accoord, en dus moet de mijne het afleggen.

Het conflict geschiedt in mij, zeer duidelijk. Hoe eer­der het voorbij is, des te beeter. De oovergang is uiterst pijnlijk.

Ach! lieve Roode Lampje - hoe afgrijsselijk pijnlijk was Zijn oovergang, die voor Hem niet noodig was, tenzij

om ons den weg te wijzen en de waarheid te leeren. Want als onze vreugde-wil gebrooken is, dan komt Gods heer­lijk willen alleenheerschend in de plaats. Dit zal ik in het tweede deel deezer meditaties nauwkeuriger beschouwen.

 

81. Als ik nu zeggen moet, dat ik geloof, dat Jezus gebooren is uit de Heilige Geest en de Maagd Maria, dan sta ik voor zeer zware moeyelijkheid. Dat eenmaal in de geschiedenis der menschheid een menschen-maagd moeder is geworden door invloed van een hooger Weezen - waarom zou ik het loochenen? Het meest bevreemdend vind ik nog, dat het maar éénmaal is gebeurd. Terwijl het mij ook dikwijls vreemd en onnoodig voorkwam, er zoozeer den nadruk op te leggen, dat Maria altijd Maagd was en bleef. Het kwam mij - in misschien zeer laakbare eigenwijsheid - voor, dat een zoo verheeven goddelijk Persoon, die een ellendig menschelijk geslacht komt red­den, ook wel uit een laagstaande, diep-gezonken vrouw had kunnen gebooren worden, haar reinigend door Zijn machtig liefde-vuur. En waarom kon Maria geen goede, gewoone, menschelijke huisvrouw geweest zijn voor Jozef?

Zou dit haar verlaagd hebben?

 

Maar men zegt mij, dat hier ondoorgrondbare ge­heimen in het spel zijn. En ik erken, dat men er toe komt dit te denken. Het machtige sexueele geheim moet nog door-peinsd worden. Maar ik kan onmoogelijk mijn geloof (in eerste potentie) uitspreeken omtrent de wer­king van iets zoo onbepaalds, zoo onzeeker en zoo ge­heimvolals wat men onder "Heilige Geest" verstaat of schijnt te verstaan. Dat de Godheid drie-éénig is . . . . ach, waarom niet?

"Concedo!" ben ik bereid te zeggen. Maar misschien lieg ik, ik weet namelijk in het geheel niet, wat ik zeg. Ik heb het begrip der drievuldigheid neergeschreeven in verzen, die zonder twijfel tot het meest geïnspireerde behooren wat ik ooit schreef. Ik onderscheidde de drie persoonen in dichterlijke beeldspraak, en ik schreide dankbare tranen van erkenning, voelend wel juist onder­scheiden te hebben.

 

Maar ik moet in volkoomen oprecht­heid bekennen, dat mijn onderscheiding niet met de Christelijke voorstelling oovereenkomt. Ik onderscheidde:

1. de Smartendulder ,

2. de strenge Rechter der Volkeren,

3. de teedere Liefde "aller innigheid vereening".

 

En wat zou dan hier de Heilige Geest zijn? Jezus' Vader en Maria's heemelsche gade? Een oogenblik. . . . terwijl ik schrijf - koomen de tranen weer. Als ik toch eens goed onderscheiden had? Maar ik kon immers nog wel twintig andere onderscheidingen maken? Nu nog een gedachte­- in vrijmoedigheid en neederigheid uitgesprooken. Het zwaarste leed, voor den mensch, ontstaat door de botsing van oovergeërfde genots-tendenzen, van vader- en moe­derskant, met de door God ingeschapen en steeds dóór­werkende zaligheids-dorst. Die twee strijden den fellen strijd, die nooit tot rust komt vóór den dood, en die natuurlijk met God's ooverwinning eindigt. Maar hoe zal een Weezen gebooren uit God zelf en een zondelooze vrouw, iets voelen van die zwaarste aller beproevingen? En Hij kwam toch om ons leed en onzen strijd te doorleeven?

 

82. In mijn drama "de Broederveete" is deeze ge­dachte gebeeld. Daar spreekt een Heiland, die blijkbaar ­geen zondelooze moeder en vader gehad heeft. Hij voelt het conflict van het natuurlijke en het boovennatuurlijke in den mensch als bron van 't heevigst lijden, en dat wil Hij ondergaan om zijn zending het meest compleet te vervullen. Satan expliceert voor de zielen in 't heemelrijk,. dat dat gebeurde op een andere planeet, niet op Gea" onze aarde - en "dat de biljoenen planeeten van de biljoenen zonnen elk een gelijkvormige historie hebben, maar allen met een wonderklein verschil". En ik kan deeze gedachte - al komt ze uit Satan's magazijn, niet zonder meer afwijzen. Ik wil het eerlijk en onverschrokken zeggen ~ het Roode Lampje wenkt vergeeving, heb ik de waarheid niet lief booven alles?

Als ik aan de verhoudingen Algol-Electron denk, dan vind ik de geheele geschiedenis van der menschen op­komst en ontwikkeling niet belangrijk, niet universeel genoeg, om de boovennatuurlijke tusschenkomst te recht­vaardigen van de macht die het al - het Al, dat niets buitensluit -, schept en onderhoudt.

(0, jammerlijke woorden. Vergeef! Vergeef!)

Het komt mij dan waarschijnlijker voor, dat het Chris­tus-offer, zooals wij het kennen, één casus is, die behoort bij den gang van eeuwige goddelijke wetten en daaruit voortkoomende verschijnselen, zich uitstrekkend oover miljoenen zonnen en planeeten, met ongetelde geslachten van menschen, half menschen en booven-menschen. De evangeliën zijn geo-centrisch. De menschheid denkt - tot heeden toe - nog steeds te veel anthropo-cen­trisch en geo-centrisch. Een meer siderale uitbreiding van Jezus' missie zou niets afdoen aan zijn verheevenheid, zijn goddelijkheid, zijn innigheid.

 

 83. Ik bemerk een verwarring in het Credo, die mij tot nog toe ontgaan was. Er wordt van den Zoon gezegd, dat Hij is "genitus, non factus". Gebooren, niet gemaakt. Maar even later wordt gezegd, dat hij "homo factus est". En het Hollandsch spreekt daar van "geworden" . Welk een signifische verwarring! Het woord "factus" wordt eerst verworpen als geen recht doende aan de eigenmachtige Goddelijkheid van den zoon, die "genitus" is, als het ware door eigen wil ontstaan (?) Maar onmiddelijk daarop wordt gezegd, dat hij is "homo factus", "mensch gemaakt". En als om de teegenspraak te verzachten wordt "factus" vertaald door "geworden". Maar "factus" is "gemaakt" en niet "geworden". Misschien zegt men: "Hij is als God gebooren, niet gemaakt". Dit neemt de verwarring niet weg, en het 'strookt niet met de vertaling "geworden". "Geworden" beteekent duidelijk: "niet gemaakt".
Ik weet wel, dit is woorden-ziften. En ik weet ook, dat in het Arsenaal der Scholastiek voor elk gat een spijker en voor elken spijker een gat te vinden is. Maar wie alle vroome uitingen der menschen wil vastleggen in heilige, onveranderlijke en voor alle eeuwen der eeuwen geldige woorden, -, die moet ook dulden, dat deeze woorden
gezift worden, als kostbaar zaad, en gewoogen op een goud-schaaltje, met den allerfijnsten balans.
En dan lijkt de scholastiek eevenals de rationalistische metaphysica wel een kunstig systeem vol uitvluchten, sofismen en verwarringen, alleen door een ongeloofelijk geduld en ontzachelijke geleerdheid en verstands-inspanning oovertuigend en samenhangend gemaakt, voor wie niet te zeer zelfstandig denken. Maar het wordt niet, zelfs niet bij keuze van het schoone, plechtige latijn, tot onveranderbare, heilige taal.
Ook het Sanskrit der Indiërs is schoon en plechtig. Maar in het allerkunstigste grammatische netwerk van reedeneeringen kan men den Heiligen Geest niet opsluiten.84. Het Roode Lampje wenkt. De kinderkens zullen naderbij koomen.


Het is Mei, kinderkens! Daarin is het nu zoet te leeven. Hoe druk zijn de bijen in de weer, de aarde koestert zich en doorwarmt haar oude gebeenten. Groote ronde, witte wolken drijven zeer langsaam door het blauw. En dit heb jelui nu al geleerd, dat dit blauw maar een dun kleed is, om de goede oude aarde warm te houden, en dat er verderop ruimten koomen, die wij nu niet kunnen zien, met groote zonnen, veel grooter dan deeze zon van ons, die toch al zoo groot is. En de aarde maar een klein planeet je van een zon, die niet tot de grootsten behoort, - en in dat ruim achter het blauw drijven er miljoenen, biljoenen, triljoenen door het ijle, donkere koude ruim
en elk heeft weer planeeten, en elk dier planeeten draagt op zijn tijd weer geslachten van planten en dieren. . . .
en ook menschen? Natuurlijk, ook menschen, waarom niet? Een weinigje anders, maar toch menschen. En daar, bij al die miljoenen mensch-geslachten, daar loopt het natuurlijk ook wel eens mis, daar hebben ook weer miljoenen Satan's plezier om die geslachten te misIeiden. En dan moet daar ook weer een Verlosser koomen om ze uit den nood te helpen, waarom niet?
Zou dit kleine planeet je van dit middelmatige zonnetje, het eenige uitverkoorene zijn, dat gered moet worden als het aan het dooIen raakt? Neen, nietwaar kinderkens? dat verwacht jelui niet. Daar ben je al te verstandig en te goed ingelicht voor.

85. En jelui weet nu ook al dit, dat de kleinste naspeurbare deeltjes van alles wat ons omringt, en ook van ons eigen lijf, gelijken op kleine zonnestelsels, met zonnen, planeeten en komeeten. En dat het heel wel moogelijk is, dat er op die zonnen en planeeten, die wij niet kunnen zien, omdat ze zoo ontzettend klein zijn, eeven goed
als op die planeeten, die zoo ontzettend groot zijn dat daarop ook weer geslachten leeven van planten en dieren en menschen. Waarom niet? En zoo, lieve kindertjes, moet je denken aan de moogelijkheid dat er in ieder deeltje van ons lichaam zonnen en planeeten zweeven, met heel kleine weezens erop - en ook dat de geheele sterrenheemel niet anders zou zijn als een wolkje met zonnen en planeeten, welk wolkje behooren kan tot het weefsel van een of ander zeer ontzettend groot weezen, waarin wij leeven, zooals de kleine electronen leeven in ons lijf.


Is het moeyelijk, kinderkens?
Toch kan het waar zijn, en aan die verbazende moogelijkheid moet jelui gewennen. Want als er gesprooken wordt van God, en van Jezus, en van het Eeuwige Leeven, - dan moet je aan al die geweldige en verbazende dingen denken. Want God, Jezus, de Heilige Geest en het eeuwige Leeven zijn allen nog véél, véél verbazender onmeetelijker en onbegrijpelijker. En je kunt niet zeggen, dat het je niet aangaat - want er is geen bloedbolletje  en geen hersencelletje in je lichaam, dat niet in samenhang is met al die zonnen en planeeten en er niet de werking van ondervindt, en niet zelf misschien geslachten van onzichtbare weezens draagt.
Het Lampje heeft jelui geroepen, om je te leeren, dat het iets zeggen kan zonder woorden te spreeken. Dat kunnen kinderen wel verstaan. Soms beeter dan volwassenen.

86. Neen, kinderkens, jelui behoeven daartoe niet zeer knap te zijn. Past op, dat je niet te knap wordt, om het te verstaan. Er zijn razend knappe menschen, die het alles precies weeten, en er toch niets van verstaan. Niet zeggen, hoor!  En je niet laten voorstaan op je onweetendheid. Wij worden toch eens allen dom als we oud worden en zeer slecht van geheugen. Ons geheugen reist ons meestal vooruit, en wacht ons op aan de ooverzij van het graf. En de poort van den Dood is nauw en de wateren van de Styx zijn diep. Met zware bagage koomen wij niet aan den ooverkant. Maar de taal van het Roode Lichtje versta ik beeter, al naar ik digter bij den dood kom. Want door dat Roode Lampje spreekt het WOORD, waarvan geen titel of jota afgaat, in alle eeuwigheid niet.

87. Wij gaan de stranden langs en het blanke zand ligt te koesteren in de zon, en stuift omhoog met de wind - en lange, lange duinenreeksen liggen opgewaaid door die heel kleine steentjes en stukjes schelp, die zand heeten. En wij konden jaren wandelen, de aarde rond en ooveral is zand, het gruis der hooge bergen. En als iemand nu knielde op het vlakke Noord-zeestrand en vond één zandkorrel, die bijzonder mooi rond-gesleepen, en bijna helder doorschijnend was, zou hij dan moogen uitroepen: "Hier is de eenige, de aller-eenigste zandkorrel op de gansche aarde, die zoo mooi rond en zoo helder doorzichtig is"? Dan zou toch ieder mensch, ja ieder kind zeggen: "er zullen er toch nog wel meer zoo zijn op de gansche aarde. Want ze zijn toch allen van dezelfde stof, en op dezelfde wijze tot zand geworden!"


En, lieve kinderkens, er zijn zeeker meer zonnen en planeeten in 't Heelal, dan er zandkorrels zijn op de aarde. En zoover wij kunnen waarneemen, zijn op die zonnen en planeeten ook dezelfde stoffen, die wij op aarde kennen. Het bericht ervan zendt iedere zon ons toe met zijn licht. En het planeet je, waarop wij woonen, js uit diezelfde stoffen gevormd en wel op dezelfde wijze ontstaan als andere planeeten. Waarom zouden wij nu denken, dat alleen hier, op deeze zweevende koogel, die groei van dieren en menschen moogelijk is? En het is toch van ontzachlijk belang voor ons "credo". Of is het ons om 't eeven of wij menschen de eenige menschen zijn in 't Heelal, of dat er miljarden menschengeslachten waren, zijn en nog koomen - die allen de hulp van Jezus behoeven?

 

 88. "Crucifixus etiam pro nobis: sub Pontio Pilato passus, et sepultus est."
Credo! Credo! dit geloof ik gaarne en stellig. Hier weet ik wat ik zeg. Hier is geen symboliek, dit is klare, concreete realiteit, histoorische waarheid. Dit is geschied, er zijn nog maar enkele dorre harten, en lompe, spitsvondige geesten, die er aan twijfelen. Hun twijfel is een beleediging, een ongevoelig en harteloos bedenksel. Zij zullen zeggen, dat weetenschappelijke klaarheid buiten het hart gaat. Maar daarin vergissen zij zich. Het vertrouwen op de echtheid en waarachtigheid van een persoon, afgeleid uit soobere gegeevens, is onmisbaar, ook in het weetenschappelijk oordeel. Elk onderzoeker eischt vertrouwen
in zijn oprechtheid, ook waar de leugen hem eer en voordeel kan brengen. Maar noch de profeeten, noch J ezus,  noch de Evangelisten konden voordeel hebben van een leugen. Hen te wantrouwen gaat teegen den eisch van hart en hoofd.

 

89. Er zijn meer heemellichamen in 't Heelal, dan zandkorrels op onze aarde, zeide ik. Dat is geen ijdel gezegde, maar een stellige en ook door een schrander kind te begrijpen waarheid. Want het getal der zandkorrels op aarde is denkbaar en beperkt. De sliert nullen, noodig om het getal uit te drukken is misschien niet eens zoo erg lang. Maar het getal zonnen in de heemelruimte achten wij ondenkbaar en onbeperkt. Geen sliert 'nullen' kan het uitdrukken.

 

 90. Ja maar! . . . . wij probeeren het toch. Wij laten ons niet afschrikken, en maken een teekentje, zóó:~ . En nu zijn wij er. Hier staat precies het aantal zonnen in het waereldruim, het aantal, dat er was, is en zal zijn. Erg knap, kinderkens, om dat af te tellen nietwaar?

 

91. 0, troostend wonder! - wij hebben het bedacht, dat de oneindigheid ons omringt, dat er geen grens kan
zijn, naar booven noch naar onder - naar binnen noch naar buiten. Oneindig veel grooter dan Algol, oneindig veel kleiner dan electron - aan alle zijden, en diep in onszelven, ooveral is de oneindigheid. Hieroover is innig te mediteeren, want daar staan wij aan den geheimzinnigen rand van onzen Kosmos - ieder aan de zijne - en vragen: waartoe weeten wij dit? Waartoe ons met dat vervaarlijk geheim belast, dat ondoorgrondelijke? Hond en paard en olifant denken niet aan de oneindigheid. Vermoedelijk niet, al lijkt het wel eens zoo bij een heel oude knol, die stilstaat met blauw-bewaasde oogen en doorgezakte knieën. Maar wij menschen moeten er aan denken, en wij kunnen het toch niet begrijpen. Waarom ons dan ermee te plagen? 0, hier voel ik troost. Het eeuwige Lampje zegt mij: "zou ik U de oneindigheid hebben getoond, als ik niet beraden was er U deel aan te geeven?" En mijn ziel antwoordt: "Ja, Heer, ik geloof!" - Zie kinderkens, dit geloof is niet onzeeker of moeyelijk. Het spreekt vanzelve. Hoort goed: het spreekt van zelve. En het spreekt een taal, die ieder verstaat.

 

92. Bij de nachtegaal zit nu een maerel, en beproeft of ik zijn taal versta. De nachtegaal doet wat minachtend
en knart eenigszins ontevreeden. Telkens begint hij zijn hartstochtelijk, bijna ooverdreeven lied -, en dan komt de maerel er met zijn rustige ziele-strofen dwars doorheen. Het is wonder, wat die goud-gebekte, zwarte zanger mij weet te doen verstaan. Zijn lied is een melodische vermaning. Het waarschuwt voor ooverdrijving, het spreekt als een zachte, verstandige moeder teegen een al te leevenslustig kind. Er is geen zweem van scherpte in, het is zoo week en liefelijk en toch niet sentimenteel. En welk een zelfbeheersching! Na elke innige strofe een korte rust. "Wees op Uw hoede", klinkt het, "maar blijf toch altijd vertrouwen, liefdevol vertrouwen." Dan vliegt hij weg, en de nachtegaal zwijgt ook nog een tijd, een beetje beduusd door zooveel bezadigde lieftalligheid.
 

93. "Resurrexit tertia die, secundum scripturas". "Et ascendit in coelum, sedet ad dexteram Patris" .
Let nu goed op, groote en kleine kinderen! Hier zijn gewigtige dingen te beschouwen. Weest bij de pinken en tracht met alle macht te onderscheiden. Laat niets U ontgaan, en laat geen woord ongewoogen en ondoorzocht voorbij gaan. Het geldt toch de zaligheid aller menschen, wie kent nog belangrijker dingen?

"Hij verrees op den derden dag, volgens de schriften." Dit behoort tot de concreete feiten, die men met hetzelfde vertrouwen aanneemt als zijn kruisiging en zijn graflegging. Hier is geen moeyelijkheid. Hij is verreezen, er zijn duidelijke berichten van veele getuigen. Zijn aardsche lichaam verdween. In een verheerlijkt lichaam verscheen hij weeder. Credo! Wat die schriften erbij doen is mij nooit recht duidelijk geweest. De profeeten hebben het feit der verrijzenis voorzien, tot op den dag bepaald. Ik neem het aan. Jezus zelf beriep zich gaarne op die profetiën. Maar wordt een feit belangrijker of duidelijker omdat het profeetisch voorzien is? Soms wordt er zelfs gezegd, dat een of ander feit gebeurde, "opdat de schrift vervuld zoude worden". Dat klinkt zeer vreemd. Zou de werkelijke gang der dingen zich wijzigen "opdat" een of andere profeetie zou uitkoomen? Zou God de voorzeggers niet willen beschamen? En daarom den gang der dingen wijzigen? Of kan de causale samenhang tusschen schriftwoord en het feit ook omgekeerd worden? Hiervan begrijpt ge niets, nietwaar kinderkens? Ik ook niet!
En nu komt er iets, waarvan ik nog minder begrijp: "Hij steeg ten heemel en zit aan de rechterhand des Vaders." Dit nu is geen concreet feit, geen reëele meededeeling. Het is geheel en al symboliek. En toch wordt het in eenen adem uitgesprooken met het reëele, concreete, wat voorafgaat. Ieder jong of oud kind begrijpt, dat dit verwarring en misleiding moet geeven. Jezus kon niet ten heemel stijgen, want de heemel is noch booven, noch onder. Het concreete feit kan geweest zijn, dat Jezus' verheerlijkte lichaam zich aan het gezicht der toeschouwers onttrok, en men toen begreep, dat Hij in gelukkiger sfeer of waereld was teruggekeerd. Het bedenkelijke van dit symbolische woord "ten heemel stijgen" ligt hierin, dat men in Jezus tijd nog algemeen de aarde voor een plat vlak hield, waarbooven zich de heemelkoepel welfde. Deeze dwaling heeft nog veele eeuwen bestaan, en miljoenen Christenen hebben Jezus in een verblijf gedacht, booven de wolken. Zeeker zijn er nog honderdduizenden, die dit ten heemel stijgen letterlijk en feitelijk opvatten, en daardoor in de dwaasste misleidingen geraken. En zoo koomen wij geleidelijk tot een veel bedenkelijker woord, dat puur symboliek is maar als concreet en reëel in eenen adem met het voorgaande wordt genoemd. Dat Jezus zou "zitten", naast den Vader, en wel aan "zijn rechterhand". De dwaasheid van deeze voorstelling kan al door kindertjes begreepen worden. Mijn zoontje, elf jaar oud, antwoordde aan zijn onderwijzer, die vroeg, wat God niet had: "God heeft geen handen". Natuurlijk! zeggen alle gedachtelooze menschen, God heeft noch rechter- noch linkerhand. De bedoeling is, dat Jezus bij God in hooge achting is, hetgeen onder .menschen wordt uitgedrukt, door het aanwijzen van een eereplaats, aan de rechterhand. Maar begrijp jelui groote kinderen dan niet, dat als men in één zin het concreete en het symboolische door elkaar haalt, dat men de menschen daarmee in dwaling en bijgeloof voert? Hetgeen alles is kooren op den moolen des Godloochenaars. Welk een ridicuule voorstelling krijgt een zuiver voelend kind door deeze fraze, waarvan het eerste deel concreet is, het middenwoord half-, en het slotwoord geheel symboolisch. Men ziet Jezus opstijgen en de Vader hem tegemoet koomen, in een of ander luchtvaartuig, en Hem uitnoodigen aan zijn rechterhand plaats te neemen. Het is moeyelijk, dit neer te schrijven, zonder oneerbiedig en lachwekkend te worden. Welke goedkoope spot geeft men hier den God-loochenaar voor 't grijpen!


94. Maar laten wij nu eens alleen het symbool van deeze gemengde fraze beschouwen. Laat ons eens nagaan, of wij met een groote mate van toegeevendheid voor ons zwak verstand, toch nog kunnen zeggen: "credo" en daarbij iets reedelijks en denkbaars bedoelen.
Jezus komt terug in de hoogere sfeer, vanwaar hij IS uitgegaan, en wordt door den Algeest vaderlijk ontvangen en hoogelijk geëerd. Bij mij rijst dan onmiddelijk de vraag: "Wanneer?" Die verrijzenis in Palaestina was een concreet feit, dat gebeurde op een bepaald tijdstip, op den tijdsafstand van laat ons zeggen 1933 jaren van mijn eigen teegenwoordig gedachte-punt. Maar de sfeer, waaruit Jezus tot de menschen kwam . . . .
Ja, wat moet ik zeggen? Die sfeer heeft zeer zeeker, Of geen tijdreekening, Of een geheel andere dan ik. Ik zeg hier niet "wij", maar "ik" : omdat ik niet zeeker weet, of mijn kosmos een zelfde tijd heeft als die van anderen. Er is een welbekend woord van Jezus, waarin hij zegt: "Eer Abraham was, ben ik!" Niet "was ik", of
"werd ik", maar "ben ik". Ik heb dat woord meenigmaal ooverdacht, met een bewonderende instemming. Ik zag ook hoe anderen het bewonderden en meenden het zoowat te verstaan. Maar ik heb mij dat zeeker maar verbeeld. Ik kan het volstrekt niet vatten. Ik kan echter, eerlijk gezegd, ook de relativiteits-theorie niet vatten. En
toch heb ik een notie, dat zij waar is. Maar totaal onbegrijpelijk is het mij dat de sfeer, waarin Jezus is niet was, maar is - door Jezus is verlaten om er 1933 jaren voor het teegenwoordige tijdstip weer in te koomen en er ontvangen te worden met eerbetoon, na de achtergebleeven menschheid te hebben getroost met het vooruitzicht op een tweede komst (symboolisch? Of feitelijk?) op de wolken des heemels.
Neen het is mij te zwaar en te duister. Ik moet er op zwijgen. Tijdheid en tijdeloosheid zijn er ineengekronkeld als twee trage donkere slangen, symbool en feitelijkheid warrelen dooreen tot het mij wee om 't hart wordt. Ik wil God niet bespotten. Ik wil Hem danken, dat het Lampje blijft lichten.

 

95. "Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos, cujus regni non erit finis."
Nog steeds in dezelfde verwarring. En ik voel mij schuldig. Ik heb neiging mij op de borst te slaan en "mea culpa" te zeggen. Waarom? Omdat ik mij herinner, dat ik mij vroeger door zulke moeyelijkheden heensloeg met een min of meer pathetisch woord, en dan genoeg had aan een mooi-klinkende beeldende uitdrukking. Maar dat zal ik nu niet gedoogen, ook al zouden alle menschen die het goed met mij meenen, het anders wenschen.
"Daar is uur noch tijd" zei ik dan. En met die machtspreuk was ik eraf. Voor het dichterlijk beeld had ik de groene, draakvormige klok uit de "Broeders" of de magere, niet zeer correct gekleede, oude heer met zeis en zandlooper. Dan had ik met de zaak afgereekend. N u heeft de tijd zeeker iets met die moeyelijkheid te maken, maar om nu maar in eens te zeggen: "er is geen tijd" dat gaat niet aan. Men kan nog volhouden, dat er geen leugen is of geen dwaling - maar geen tijd? Het woord komt den geheelen dag goed te pas, de zaak zelf is geheimzinnig, raadselachtig, ondoorgrond - precies als de electriciteit, als het lachen, en zulke algemeen bekende onkenbaarheeden. Daarbij schijnt het niet precies één zaak te zijn, die men met het woord "tijd" uitdrukt. Als men "de tijd laat voorbijgaan", dan denkt men aan iets, dat beweegt. Maar zegt men: "nu is het tijd", of "in onzen tijd", dan spreekt men alsof de tijd een voorwerp of een toestand is. Er zijn zeeker honderd nuancen in het woord "tijd". Om daarin eenige vastheid te krijgen, zou men ze allen moeten nagaan en met een of ander distinctief voorzien.
Nu lijkt het op een glibberige knoedel palingen, dat woord "tijd". Men kan kop noch staart onderscheiden en alles glipt U door de vingers. Als "tijd" niet bestond, dan had het woord "iterum" geen zin. Want "weederom" sluit in de gedachte: "eens, en dan later nog éens". Als tijd niet bestond, dan had het woord "venturus" geen zin. Het sluit in de gedachte "zal komen" dus in de tijdelijke toekomst. Het heet ook grammatisch, als ik wel heb "toekoomende tijd".


"Judicare", rechtspreeken, omvat de gedachte van een vonnis op een bepaalden tijd. Een tijdstip, waarop alle leevenden en dooden (geloovigen en zondaars) moeten wachten. Wordt dan vóór en ná dat tijdstip niet meer rechtgesprooken? Houdt dat Goddelijk gerechtshof maar één zitting? Of zit het permanent? Maar dan begint de zitting ook niet op een bepaald tijdstip. Dan is die zitting nooit begonnen, maar eeuwig geweest. Nog scherper komt de verwarring aan het licht door de verzeekering, dat "zijn Rijk geen einde zal hebben". Onmiddelijk rijst daarop de vraag: "Wel een begin?" Hier moet ik mijn groote wiskundige vrienden te hulp roepen. Kan iets, dat geen einde heeft, wel een begin hebben? Ik geloof, dat ik het niet geloof. The answer is in the negative. Men noemt zulke vragen diepzinnig. De gewoone krantenleezer heeft geen tijd en geen lust, ze te ooverweegen. Dat laat hij oover aan geleerden, zooals hij gewoonlijk zegt. Maar dat is juist de dwaling, dat veel geleerdheid in zulke kwesties meer bevoegdheid tot oordeelen geeft. Groote philosoofen weeten er heusch niets meer van, dan eenvoudige, kinderlijke menschen, met een zuiver, helder verstand. Wat een begin heeft, moet ook een einde hebben. Zoo voelt de eenvoudige mensch. Geleerde theologen en scholasten kunnen ons zeeker met oovervloed van woorden beduiden, dat het in dit geval anders is. Maar "bewijzen" kunnen zij daaromtrent niets! Ik palmde eens een lang touw binnenboord, samen met een matroos. Het touw was langer dan wij dachten, en het duurde zeer lang, eer het einde kwam. Toen zei mijn kameraad op eens: "Zeg, als ze der het end maar niet afgesneeje hebben!" Aan deeze diepzinnige grap moet ik denken, als ik hoor van iets, dat wel een begin heeft, maar geen eind. Het ééne einde zal er afgesneeden zijn!

 

96. Nu praalt de volle zoomer. Oover alles ligt haar donzige gloed. De boodem dampt en al het leevende groeit in de vochtige zoelte, sterk door de illuzie voor het eigen geslacht een rijpe aarde te verooveren. Alle bladeren en bloemen schitteren van zwaren dauw, de heemel heeft de fijne, stille, gestreepte wolken, die warmte voorzeggen, de donder is niet stil en mengt zijn strenge maar zeegenrijke stem met den vinkenslag en 't geroffel van de specht op het hout. Nu moest ik toch wel gansch gelukkig zijn. Is dit niet, wat men des winters doordenkt en voor oogen stelt en tracht te doorvoelen. Hoe was het ook weer, toen het zoomer was? Nu is het zoomer . En terwijl ik het zoete, rijke, sappige oogenblik tracht te proeven als zuivere vreugde - nu bemerk ik weer, dat de schoonheid dier momenten niet ten volle zichtbaar is, eer ze voorbij zijn. Beteekent dat niet, dat er een zeekere afstand moet zijn tusschen ons en hetgeen we bewonderen. Er moet een tijdsruimte tusschen liggen. Later zeggen we dan weer: "hoe was het ook zoo zalig, toen de eerste roozen bloeiden?" En dan is het alweerlang voorbij. Wij leeven in den tijd, met alles wat er leeft en streeft. En wij lijden met dat leeven, zoo lang wij ermeede zijn "in den tijd".
Maar de booven allen gelukkige, de geheel-ontwaakte, Hij die is uit den tijd, die alleen is het die de schoonheid ziet van het geheel.

 

97. "Die is ook alweer uit den tijd, mijnheer," zei de doodgraver op het kerkhof, toen ik het lichaam van een dierbare begraven had. Dit is een gewoone volks-uitdrukking. Men schijnt die duidelijk en bruikbaar te vinden. Om haar te gebruiken behoeft men geen geleerde te zijn. Toch is ze grondeloos diep, symbolisch en onbegrijpelijk. Is de tijd een huis, dat men in en uit kan gaan? Maar dit weet ik wel, met al mijn domheid, dat zulk een woord eeven onverstaanbaar is voor den doctissimus, als voor den doodgraver.

 

98. Natuurlijk worden 'mijn geleerde vrienden, een weinig kreegel. Wat drommel! zouden zij al die moeite hebben gedaan, zooveel taaye lectuur hebben doorworsteld en eindelijk met hooge onderscheidingen zijn gehuldigd als wijzen en cultuur-dragers, om in de gewigtigste vragen niet meer bevoegd te zijn dan een gewoone doodgraver? Een goede, vroome, uitermate geleerde en mij welgeneegen vriend noemt mij trotsch. En wat het ergste is: ik weet niet, dat ik trotsch ben, zegt hij. Ik zie minachtend neer op wijsbegeerte, theologie en scholastiek. Ik zou mij juist aan die bronnen moeten laven. Daar liggen schatten voor mij opgehoopt. Hij ziet mij als een hongerige, zoekende ziel; die - waarschijnlijk uit puure halsstarrigheid - niet gelooven wil dat op al mijn vragen reeds een antwoord gereed te vinden is, als ik mij maar wilde wenden tot de zuivere bron: de moederkerk.
O! O! O! hier zou ik bijna welspreekend kunnen worden.. Trots en Deemoed, dat zijn eerst woorden voor meditatie! Beide woorden zijn signifisch zoo interessant, omdat ze - als oerwoorden volgens de indeeling van Mannoury - zoowel een gunstige als ongunstige emotioneele waarde hebben. Vooral Trots is in dat opzicht merkwaardig. Met in den nek geworpen hoofd, en oover elkaar geslagen armen kan men het woord zoo uitspreeken, dat ieder een gevoel krijgt als moest een mensch zich schamen die niet trotsch was. Als men het dan verbindt met "passie en verdoemenis" en laat rijmen op "rots" dan heeft het allen schijn van een heerlijke en verheeven zaak. Daarbij schijnt dan "deemoed" laf en verachtelijk. Op de lippen van de vroomen, waarvan Franciscus van Assisi de meest representatieve is, is trots duivelsch, slecht en doem-waardig, en Deemoed het hoogste en verheevenste, waarnaar de mensch kan streeven. Dit zullen wel niet dezelfde spijzen zijn, die zoo verschillend smaken. Ik meen, dat men met eenige' aandacht al gauw bespeurt, dat de goede trots en de booze trots twee geheel verschillende dingen zijn, die alleen door onachtsaamheid en slordigheid denzelfden naam dragen. Wat Jezus aan den dag legde voor zijn rechters, voor Pilatus en Caïphas, dat zal mijn vroome vriend wel goede en schoone Trots willen noemen. Het woord fierheid is daar veel te zwak. Onze opgave is dus: nauwkeurig te leeren onderscheiden in hoever het gevoel dat ons verwijtend als trots wordt aangewreeven, al of niet verwant is met dien verheeven en eedelen Trots, dien wij allen, in verschillende mate, noodig hebben, om wèl te leeven. En dan kom ik tot de gedachte, dat het kenmerk van den goeden Trots juist daarin bestaat, dat men er  zelf niet van bewust is. De goede Trots is een vorm van teegenstand, die vanzelf ontstaat door het vaste karakter van den Trotschen. Hij tracht zijn Waarheid te handhaven, omdat hij nu eenmaal is, zooals hij is, hij kan niet anders, - de teegenstander voelt dat als baldadig, onnoodig verzet.


De slechte Trots is iets veel ergers dan enkel verzet, het is macht-dorst, aggressie, heerschzucht, neiging tot het neerwerpen en ooverweldigen van anderen. Niet een noodzakelijke weerstand, maar een willekeurig en onnoodig braveeren van anderen, zonder waarachtige eigen kracht. Van zulken trots is men zich wel bewust. Men pronkt er zelfs mee, zooals Willem Kloos deed. Goede Trots kan het niet helpen als ze anderen grieft, ze wenscht het niet, maar wordt ertoe gedwongen, door de vaste kracht van het geheele karakter. Slechte trots pretendeert meer dan ze werkelijk aan kracht bezit. Ze wil sterk en machtig zijn, maar heeft er de kracht niet toe.
De vraag in hoever ik zelf goede en slechte trots bezit, behoef ik hier niet uitvoerig te bespreeken. Maar als mijn vroome vriend zegt, dat ik mij van mijn trots onbewust ben, dan acht ik dat een lof, die welligt meer is, dan ik verdien. Dat ik mijn best doe, deemoedig te zijn, dat erkent hij. Op Deemoed kan men zich toeleggen. Op Trots niet. Men is van natuure aldus aangelegd, dat de menschen, waarmee men omgaat, ons trotsch noemen of met. Men kan zich inspannen om deezen indruk te vermijden of te verzachten. Maar aan die inspanning wordt 'een grens gesteld door ons natuurlijk weezen. Wilde men nog verder gaan, dan zou men in huichelarij en leugen vervallen. Als men zich, naar de wijze van sommige devooten, laat uitschelden en beleedigen en opzettelijk
beschimpen zonder teegenspraak - ja zelfs met aanmoediging, dan bevordert en steunt men leugen en onwaarheid.


Hier is het voornaamste vraagpunt, omtrent afvalligheid, schismatisme, of trouw aan de kerk. Alles draait om den Trots. Daar is het cardinale en vitale punt, het zeenuw-knooppunt van alle bekeering. En wie mij in allen ernst wil waarschuwen en redden, moet dáar aangrijpen. De oorzaak van alle kwaad wordt ook gezocht in den hoogmoed van Satan-Lucifer, die zelf in opstand kwam en den mensch verleidde. Als ik nu hieroover pems, dan voel ik zoo duidelijk, hoe alleen gebrek aan goede middelen van verstandhouding ons van elkander scheidt. Als ik denk zonder woorden, dan voel ik de zaak zoo klaar en eenvoudig.


Vergeef mij, goede vriend, voor wiens geleerdheid, liefderijkheid en vroomheid ik dank en eerbied heb, als ik U vraag nog eenigszins anders te denken, niet in de breedte, maar in de diepte.
Ik voel mij eigenlijk in het geheel geen hongerende of zoekende of worstelende ziel. Ik drijf innerlijk rustig op den geweldigen leevensstroom, vast vertrouwend op de liefde, de goedheid en de grootheid van de Macht, die mij voortsleept. Ik weet, dat er spoedig geweldige versnellingen en katarakten koomen, waaraan geen ontwijken is. Daaraan is niets te doen, en het is mijn taak mij voor te bereiden op het verschrikkelijke, wat mij wacht.
Het is verschrikkelijk en zoo moet het zijn. Het schijnt mij dwaasheid, dit niet te willen zien, of te willen ontduiken. Ik ben er bang voor. Zeeker! Ik voel nu en dan angst. En dit acht ik begrijpelijk en vergeefelijk. Al was ik de dapperste held, wat beteekent onze heldhaftigheid bij God's geweld? Ik moet sterven en dit is gruuwelijk, want wij zijn aan dit lichaam gewoon en achten elke diepere schending ervan een vreesselijk onheil. Ik mag dit onheil niet willen ontloopen, maar ik mag het ook niet willen bespoedigen. Mijn leeven is uiterst zwaar en pijnlijk, ondanks groote voorrechten en fijne vreugden. En het moet zoo zijn, omdat ik nu sta voor den oovergang van het natuurlijk-menschelijke in het booven-natuurlijke. Dat moet blijkbaar zwaar en pijnlijk zijn. En ik heb geen ander wapen als geduld. Ik onderwerp me. En dit acht ik geen bizondere deugd, want ik kan toch niet anders. Maar ik geloof ook dat het goed is. En dat is ook niet zoo verdienstelijk, want het is het eenig reedelijke; wat zich voordoet aan mijn verstand als waarheid.
Is dit nu Trots? Of is het Deemoed?

 

99. Nu houdt ge mij, met liefderijken aandrang vóór, goede vriend, welke schatten er voor mij gereed liggen in lithurgie en scholastiek. Ik waardeer Uw bedoeling. Maar versta nu, hoe het juist mij tot ootmoedige verneedering dringt, dat ik bijna niets meer aan die schatten hebben kan. Toen ik jong was, meende ik een sterk hoofd en een scherp verstand te hebben. Ik kon "gemakkelijk leeren en werkte mij met genoegen door dikke wijsgeerige boeken heen. Ik had de kinderlijke meening, dat ik alles zou kunnen, als ik maar mijn best deed. Ik voelde mij lichamelijk en geestelijk sterk en in staat, zoowel in weetenschap als in lichamelijke oefening alles te bereiken, wat ik maar wilde. Ik deed mee aan alle sport en liefhebberde in alle weetenschappen. Als ik in geen enkel vak bizonder uitblonk, dan was het, omdat ik nog geen vak als het allergewigtigste had beschouwd, belangrijk genoeg, om er mij geheel aan te wijden.


Dat was Trots, zonder twijfel, omdat èr geen eevenreedige kracht achter was. De noodzakelijke verneedering kwam met den ouderdom. Natuurlijk verwachtte ik wel een verzwakking, physiek, maar daarbij ook een eevenreedige versterking van den geest. Ik verwachtte een grooter macht van den geest oover 't lichaam, een toeneemende sereeniteit, een gelijkmoediger wijsheid, een behouden van intellectueele schatten, en vooral blijmoedigheid en gemoedsrust. Ik meende dat te moogen verwachten, want ik had soober geleefd, en mij eerlijk toegelegd op zelf-bezinning en zelf-verloochening, op het bekampen van het lage en leelijke in mij, en op het volgen van het zuiverste licht. Ik had zooveel mogelijk de uitersten, de excessen vermeeden, en in mijn streeven naar Deemoed, ook afgezien van een al te hoog gespannen en door de menschen niet te volgen deugd. Ik wilde mij niet forceeren tot iets, waartoe ik niet bestemd was. Ik wilde afzien van alles, wat naar profeetschap zweemde. Ik wilde eenvoudig zijn, natuurlijk, mij niet inspannend booven mijn aanleg en mijn krachten. Dit heet ook Deemoed, mijn vroome Broeder! maar die Deemoed heeft mij geen heil gebracht. Mijn voorzichtigheid en gematigdheid hielden mij gezond, en vrij van gebrek. Zoo kon ik een leeven leiden, dat gelukkig en voorspoedig scheen. Ik heb schoone emoties en subtiele, teedere vreugden gehad. Maar wat vermoogen gezondheid en voorspoed teegen den ouderdom?


Mijn verwachtingen zijn niet verweezenlijkt. De verneedering, die ons de ouderdom doet ondergaan, de ellende waarin zij ons stort, is veel dieper dan wij verwachten. Elk menschenleeven eindigt in een ijzingwekkende tragedie.
Hoor goed! Broeder, ik beklaag mij niet. Het meest juiste, wat ik zeggen kan is, dat ik gelaten ben, en vol
heilig vertrouwen. Mijn geloof is misschien klein in bizonderheeden, maar vast en groot in de hoofdzaak. Het zal alles wel goed zijn, al begrijp ik er niets van. Maar van het mooi-opgetuigde, zeewaardige en wel-beladen zie1e-scheepje is maar een miserabel wrak oovergebleeven. Niet enkel het lijf is verzwakt. Het willekeurig bepalen van de aandacht - en daarmee het willekeurig onthouden en herinneren wordt steeds moeielijker .
Maar wat het ergste is, de greep van de ziel op de huulè, op het lijf, wordt steeds minder krachtig. Het lijf in zijn veroudering, wordt eigenmachtig en oproerig. Het laat zich niet meer gezeggen. Het wil dit, het wil dat. En als ik, d.i. het verstand en de ziel, zegt: "het gebeurt niet!", dan gebeurt het toch, en het prestige van de hoogere functies daalt.


100. Vergeef mij, goede vriend, vergeef mij leezer, dat ik U met mijn eigen strijd zoo lang beezig hield. Maar het is leerrijk, en gij allen, die jonger zijt dan ik, doe er Uw voordeel mee. Wat ik zeide, wordt zoo zelden in volle oprechtheid uitgesprooken. Onthoud het, en bereid U voor. Laat het U door mij in gemoede zeggen: een waardige ouderdom is moeyelijk te bereiken, en een onwaardige is het leelijkste wat ik ken. Bij de aanstaande scheiding van lichaam en ziel is het lijf beezig de macht aan zich te trekken. Het wil nog alles genieten en onttrekt zich aan het gezag der ziel als een slecht gedresseerde hond. Traagheid, vadzigheid, genotzucht, gemakzucht, lafheid, geemelijkheid, toorn, al die booze eigenschappen van het lagere weezen van den mensch worden machtiger en trotseeren het gezag van den geest, van 't verstand, van de ziel. Ik spreek niet van ziekelijke seniliteit, die nog veel jammerlijker is, maar van een gezonde, normale ouderdom. In de gunstigste gevallen verzwakt alleen het lijf, het geheugen en het vermoogen tot abstraheeren. Maar daardoor wordt ook de sfeer van werksaamheid en begrip enger. En alleen de mensch, die zijn gansche leeven aan een strenge religieuze discipline heeft gewend, zal aan 't einde nog in staat zijn de booze eigenmachtigheeden van zijn stoffelijke natuur te bedwingen. En wat is er droeviger dan de zeedelijke achteruitgang van een oud mensch? Waarlijk! de ouderdom is wel voldoende om den trots van den hooghartigsten mensch te breeken. Hij brak den blijmoedigen, gezonden, lustigen trots van Walt Whitman, de hooghartigheid van John Ruskin. Hij sloeg in keetenen van somberheid onzen vroomen Vondel en den braven weldoener William Booth. Ik weet, dat wij door de diepste verneedering moeten gevoerd worden, om tot verlossing te koomen. En ik zal de verneedering' niet poogen te ontwijken, al komt zij recht op mij af. Moet ik toch niet eenmaal van alles afstand doen? Moet ik de waereld niet verlaten, zoo naakt en hulpeloos als ik er in kwam? Alle boekenwijsheid ontgaat me, tot de tafel van vermeenigvuldiging toe, abstracties ontglippen me, de lichtkring van mijn aandacht wordt al enger en enger. Maar iets blijft me toch!
"Menschen hoort!", riep broeder Aegidius, Sint Franciscus' liefste vriend, "menschen hoort! een blinde oude vrouw, die niet leezen of schrijven kan, kan God met grooter liefde beminnen, dan Bonaventura, de groote Magister Theologiae."
"De Liefde kan mee, door de enge poort", zegt het Roode Lampje.

 

 

101. Voor ik de laatste strofen van het schoone Credo ooverweeg en onderzoek, moet ik wijzen op een donkere... peillooze diepte, waar de bevrijd wordende ziel in staart, eer ze veilig aan de andere zijde is oovergegaan. Het zal weer diepzinnig schijnen. Maar het is iets dat alleen, diepzinnig wordt, zoodra het in taal, in woorden, in termen wordt oovergebracht. Ik ben niet diepzinnig en

niet geleerd. Ik heb een niet meer dan middelmatig denk-­vermoogen. Maar ik zie diepten, waaraan de scherpste­ opmerkers voorbij zijn gegaan, zonder waar te neemen" omdat ik de verwarring en verduistering door de woorden

bewust ontwijk! En dat kunnen allen mij nadoen. Daarvoor is geen groot verstand noodig. "Hoe kan iets be­ginnen, dat geen einde heeft?" vroeg ik. Er is eindeloos­heid in den tijd en eindeloosheid in de ruimte. Ik bedoelde

de eindeloosheid in den tijd. Hoe kan het rijk Gods geen, einde hebben, maar wel een begin? Kan men van een tijdstip zeggen: Nu? Nu begint het? Maar zoo is het ook met dat begin, dat zegt hier. Kan men zeggen: Nu begint­het? Hier?

Dit is het groote raadsel, waarvan wij toch allen de oplossing kennen. Nu-Hier, Hier-Nu, Ik-Nu, Ik-Hier.­

Er is een schijnbaar midden in den eeuwigen tijd­stroom. Dat midden heet Nu, en dat midden ben Ik.

 

Ik ben het punt, waar mijn geheele reekening begint. Dit kan niet anders en wij vinden het niets vreemd in de practijk. Niets wonderlijk of raadselachtig. Wij weeten het opperbest. Bij onszelven, bij Ik, begint de tijd. Ik-Nu. Het wonder begint pas voor ons, zoodra wij het willen opschrijven, vasthouden met woord en term. Zoo is er ook een schijnbaar midden in de eeuwige, oneindige ruimte. Dat midden heet Hier, en dat midden ben Ik. Daar is geen verwaandheid bij. Het is nu eenmaal zoo. Ik ben het punt, vanwaar alle meeting begint. Dat kan niet anders. Dat weet ieder en niemand vindt het vreemd .of raadselachtig. Zoo lang namelijk, als hij tevreeden ermee is het te weeten. Zoodra hij het wil meededeelen, met woorden, dan raakt hij zoozeer in de klem, dat hij ertoe komt te zeggen: "Of de anderen zijn gek, of ik ben gek". En de anderen zeggen alleen dat hij gek is.

 

En zóó nu is het moogelijk de bedoeling van Jezus volkoomen te begrijpen: "eer Abraham was, ben ik". Als men maar op de werkelijke dingen let, in de ziel, 'en niet op woorden en termen. Dan voelt men, hoe dat groote wonderw:oord waarheid wordt in ieder onzer. Eeven goed als de Meester, kunnen wij zeggen: "Eer Abraham was, ben Ik". Die Waarheid vindt ieder, die mij wil volgen in de duistere schachten der diep-binnen­ste ziel, bij 't licht van het Roode Lampje.

 

 

102. "Et in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivican­tem, qui ex Patre, filioque procedit."

De schakeeringen van het woord-begrip Geest, zijn nog veel talrijker en veel uit-een-loopender dan bij "Geloof" of "Tijd". Allereerst - en vermoedelijk het oudst ­de oerbeteekenis: ligte, prikkelende stof (wijngeest, geest vap salmiak, vliegende geest). Dan de beteekenis van "spook". De geest, de essens, het uittreksel van een mensch, zooals wijngeest de geest of het uittreksel van

wijn is. Dan is er geest, als een ligte soort akkergrond, zandgrond. Tot dusver is alles vrij materiëel en zonder veel verwarring. Maar dan komt met de meer "geeste­lijke" of zielkundige beteekenis, een gestadig diepere en steeds meer reddelooze verwarring, een signifische jan­boel. Als een mensch aardig, prikkelend spreekt, dan zegt men, dat hij "geest" heeft. Vermoedelijk is hier wel samenhang met "wijngeest" . Wat "geest" beteekent in de troostend-vleyende, maar niet altijd aangenaam klin­kende term "armen van geest", dat is en blijft voor­loopig wel een punt van heevige controversie.

En wat beteekent het, als men sterven moet: "den geest geeven?" En het kruiswoord: "in Uwe handen be­veel ik mijnen geest"?

Mijn zoontje (elf jaar) vroeg mij onlangs: "Vader, als ik zeg: mijn lijf, mijn ziel, mijn geest, wie is dat dan, die spreekt?" Wie antwoordt op deeze vraag?

En wie, oudere leezers, is het, die den geest heeft, den geest geeft en aan God beveelt?

En dan is er een psychologische Triniteit, waarin nog door niemand orde en vastheid is gebracht: Ziel, Geest en Lichaam.

Volgens den auteur van "Jezus' Leer en Verborgen Leeven " is de ziel het Goddelijke en het voornaamste in elken mensch. Het verstandelijke, dat reedeneert, noemt hij Geest, en het grove, dat uiteenvalt en weer tot

eigen laagbewust leeven terugkeert, het lijf, de huulè. Maar er bestaat niet de minste vastheid en orde in de verschillende beteekenissen van het woord Geest. En wat zal men nu verstaan onder het woord "hei­lige Geest"? Wie kan zeggen, dat hij zeeker is, van hetgeen hier bedoeld wordt. De toevoeging "Heer en Leevendmaker" geeft toch geen verduidelijking. Ook de Vader en de Zoon maken leevend en heeten "Heer" . En dan wat wordt ons duidelijker gemaakt door het zeggen, dat hij voortkomt uit "Vader en Zoon"? Komt niet alles uit hen voort? Symboolisch gesprooken. En als het niet­ symboolisch, maar feitelijk en letterlijk wordt bedoeld ­wie kan er dan ook maar het geringste van verstaan?

 

Niemand heeft de zeekerheid, dat twee menschen, die zeggen in den Heiligen Geest te gelooven, hetzelfde be­doelen. Sommigen kunnen denken aan een uiterst sub­tiele stof, die ooveral doordringt, essens van 't Heelal, maar niet zeer persoonlijk. Anderen aan een meer per­soonlijk, verheeven, maar min of meer schimachtig Wee­zen, de heiligste van de Geesten uit de geesten-waereld. Maar dit is ook weer onwaardig. Eindelijk kunnen wij ons het veiligst houden aan het woord van Jezus, die spreekt van den "helper" den "parakleet". Maar dan valt er voor ons ook alleen maar dit te zeggen: dat wij gelooven, dat Jezus waarheid sprak, toen hij ons eenen Helper toezegde. Misschien is dat woord van Hem heel anders te verstaan, dan tot nu toe geschiedde. Ons be­grip, en ons geloof vast te leggen aan een zoo vaag, ver­warrend en onbestendig woord als "Geest" , door er "heilig" aan toe te voegen, schijnt mij niet veilig en niet eerbiedig.

 

103. Wij kunnen Zijn woorden op aarde niet meer onmiddelijk hooren. Hij heeft op aarde uitgesprooken en ons zijn woorden nagelaten. Maar daarbij ook gewaar­schuwdt de woorden niet naar den letter te noemen, maar naar den "geest. En het mag wonderspreukig klinken, maar het schijnt mij, dat wij aan deeze laatste beteekenis van het woord "geest" moeten vasthouden, juist door het woord niet meer te gebruiken. Want het is zoozeer misbruikt, het heeft zooveel nuancen, zooveel verschil­lende beteekenissen en zoo ongelijke waarden, dat het voor onze gedachte, als denkmiddel voorloopig onbruik­baar is geworden. Ik bedoel de woorden "geest” en "stof" en de daarmee samenhangende "geestelijk” en " stoffelijk" .

Die moesten eens een poosje geheel afgeschaft kunnen worden. Men zou zien, dat men er niet alleen heel goed buiten kant maar ook, dat het onze gedachten verhelderde.

 

 

104. Nu is de zoomer zwaar en vol geworden. De heemel is strak-blauw, de roode roozen geuren, stof ligt op ‘t frissche groen en men ziet hoe alles kampt teegen droogte en verdorring, door het water tot zich te trékken. De schoone,  luchtige, frissche lentebloei is voorbij, het gaat nu alles zwaarder en met meer kunst en moeite. De­ roozen zijn gekweekt en van oovermatige kleur en zachtheid. De voogels worden stiller. Het gemaaide gras be-­zwijkt tot hooi met zoet geuren. Zal de reegen lang weg­blijven? Zal het gewas sterven met het onkruid? Zooveel

jaren al nam ik deel in den kamp. Is 't wonder, dat deeze­ aarde mij lief is geworden? Toen ik afstand moest doen van een stuk grond, was het alsof mij een lichaamsdeel werd afgezet. Vroeger kon ik het onderneemen een andere woonplaats te zoeken, nu niet meer. Ik blijf hier nu vast zitten, met de bramen en kamperfoelie, met het gras en de boomen, totdat men mij er af scheurt. En ik voel dit ­weer als Gods wil. Ik gehoorzaam. Ik wil gehoorzamen. Maar zijn bevel wil ik opvangen met eigen ooren, uit Zijn eigen mond. Het is Zijn wil, dat wij, oud en eenzaam wordend, ons vastklampen aan Zijn schepping en niet meer verhuizen.

 

 

105. Qui cum Patre, et Filio simul adoratur et conglorificatur: qui locutus est per Prophetas.

Als nu maar werd begreepen, dat het spotten met heiligheid zoo vaak voortkomt uit gekwetste gevoelens van uiterst teedere heiligheid. Er zijn dichters en schrijvers , die scherp en bijtend hebben gespot met dingen, die anderen heilig scheenen. Heine deed het, en Multa­tuli, en in onzen tijd Romain Rolland en Upton Sinclair.

Ik voel mij ook schuldig. Ik heb gespot, zooals ik het nu niet meer zou durven. Mijn eerbied voor de gevoelens van goede, vroome kinderlijke menschen is grooter ge­worden. Maar de motieven van mijn spot waren wreevel en ergernis, om de verkleining van het Allerhoogste, om het plat en belachelijk maken van waarlijk heilige dingen, uit gebrek aan groot begrip. Wat mij deed spotten, was ‘Veel eerbied voor God, maar te weinig voor de menschen’.

 

Later leerde ik verdragen, wat soms wel belachelijk klinkt, maar een uiting is van naïef, kinderlijk geloof. Maar waaraan herkennen wij, dat het de Heilige Geest, d.i. God zelf is: "Qui locutus est per prophetas", en geen kinderlijk bijgeloof? Toen Abraham de stem hoorde, die hem beproefde en beval zijn zoon te offeren, was het toen de eerste, tweede of derde Persoon van de triniteit? En

waarom? Waaraan was die te herkennen?

 

           

106. En nu een geweetensvraag, eerlijk gesteld, en een eerlijk antwoord verdienend. Gericht aan ieder op­recht, vroom, geloovig mensch. Als er een stem tot U sprak, met de grootste duidelijkheid, die U beval Uw zoon, of als ge geen kinderen hebt, Uwen liefsten broeder of een van Uw ouders te offeren - met een mes de keel af te snijden - dan zoudt ge geen oogenblik, ook maar geen enkele seconde dit voor Gods stem houden. Na­tuurlijk niet! Maar waarom niet? Gij zoudt zeggen: dit is duivels-werk, satanisch bedrog. En een biechtvader zou U groot gelijk geeven, en U raden ernstig te bidden, en zulke duivelsche bezoekingen met alle macht af te weeren. En toch - het was hetzelfde wat Abraham hoorde, en wat hij, gehoorzaam en ootmoedig, onmiddellijk toeschreef aan God zelf. En waarnaar hij zou ge­handeld hebben, als de Engel niet gekoomen was.

 

Nu niet aankoomen met iets, wat ik eevengoed weet als gij. Ik ben een groote stoffel, maar ik weet toch wel, dat we niet in den tijd en den cultuur-toestand van de aartsvaders leeven. Maar de geleerden zijn boos op me, omdat ik gezegd heb, dat onder gelijke woord- en taal­klanken, ja, ook onder de begrippen - de werkelijke weezenheid der dingen voortduurend verandert. En zie nu eens dit, waarlijk ontzettende voorbeeld: Ditzelfde bevel wordt voor zesduizend jaar in den onbepaalbaren tijd van Abrahams leeven, maar ook nog veele duizende jaren later, verstaan als koomend van God, en zou thans afgeweerd en gevloekt worden, als stellig koomend van den Duivel. Is er grooter verandering denkbaar in de weezenheid van een woord? Voor Abraham was God wat voor ons zeer zeeker duivel zou zijn. Neemen wij aan dat van het woord, dat Abraham hoorde spreeken, de klank onveranderd is gebleeven. Dat dus die stem He­breeuwsch sprak, zooals dat nog zou worden verstaan. Laat verder het begrip van dat woord ook onveranderd gebleeven zijn, zoodat de bedoeling eeven duidelijk is voor ons, als ze dat was voor Abraham, - hoe totaal is dan niettemin de innerlijke verandering in het weezen, de werkelijkheid, die in ieder woord schuilt achter klank en begrip! Abraham aarzelde geen oogenblik, en WIJ zouden ook geen oogenblik aarzelen. Maar we zouden precies het teegengestelde verstaan, en daarom ook het teegengestelde doen.

 

107. De meditatie oover dat Gods-bevel en vader­offer leert nog meer, bij sterke diep-oprechte oover­weeging. Daartoe doe ik een andere vraag. Wat zou er gebeuren, als de Heilige Geest, om ondoorgrondelijke reedenen, het noodig vond een dergelijk offer te eischen van een of andere bekende persoon van onzen tijd? De gedachte alleen zal reeds ergernis verwekken. Men zal zeggen: zooiets zal de H. Geest nooit doen. Maar dit is geen antwoord. Wie kan zich aanmatigen te bepalen, wat God al of niet zal doen? Ik onderstel nu, dat Hij het wel doet, en vraag: wat zou de uitwerking zijn? Zou Hij gehoorzaamd worden? "The answer is in the negative." Zeer zeeker zou hij niet gehoorzaamd worden, al kwam het bevel, volgens den voorgeschreeven hiërarchischen weg, met al het gezag der Pausselijke onfeilbaarheid tot ons. Onderzoek Uw binnenste leezer en vraag U af, of ge één vroom en ernstig mensch kent, die gehoorzamen zou, als Abraham, met het offermes in de hand.

 

Wat bedoel ik met die vraag, wat beteekent ze? Wat beteekent het stellig te verwachten negatieve antwoord? Dit, dat zelfs het allerhoogste gezag, dat buiten den mensch staat en door hem erkend en beleeden wordt, niet in staat zou zijn den innerlijken arbiter in den mensch te trotseeren. Zelfs de strengste gelofte van volkoomen gehoorzaamheid zou niet baten. Wanneer het hoogst denkbare uiterlijke gezag - dat wat aan den Heiligen Geest wordt toegeschreeven - iets beval, wat teegen het diepste oordeel van de menschen, zooals zij thans zijn ­ inging - dan zou de mensch rebellisch worden en weige­ren.

 

Misschien zou een enkele fanatieke zeloot gehoorzamen, zooals de Katwijksche visschers, die hun makkers doodden op bevel van een geestdrijver. Maar de groote meerderheid zou weerstand bieden en zeggen: dit is Satanswerk!

Gaarne neem ik de verzeekering aan, dat de H. Geest, d.i. God, nu niet meer zulke proefneemingen zal doen, nu niet meer zulke beveelen zal geeven. Dat Hij dus - al klinkt het wat triviaal - met den tijd meegaat of reekening houdt met het veranderen van tijden en zeeden. Het feit blijft, dat Hij het eenmaal heeft gedaan, en dat toch ieder verstandig mensch moet erkennen, dat een pooging om het weer te doen mislukken zou. Die pooging zal nooit gedaan worden, juist omdat ze mislukken zou. God doet natuurlijk geen dingen die mislukken. Maar welk een ontzaggelijke beteekenis heeft het feit, dat de mensch durft, ja moet zeggen: Zelfs als Hij het deed, wij zouden niet kunnen gehoorzamen. Daar is het, als of God zichzelven in de menschelijke ziel ontmoet en herkent, met zijn volstrektheid en onaantastbaarheid. In de ziel zelf woont God en is de Heilige Geest -, en hij kan niet teegen zichzelf zijn. En alle uiterlijk gezag moet voor het innerlijke buigen en het ontzien. Dit is een mondig worden der menschheid.

 

Maar ook het eindigen der menschelijke onderworpenheid aan een hoogste gezag buiten hem. Zulk een gezag kan als hoogste arbiter niet bestaan. Gij hebt zelf erkend, leezer! door Uw negatief antwoord op mijn vraag, dat de macht van zulk buiten ons geplaatst gezag, zeer bepaalde, onooverkoomelijke grenzen heeft.

 

 

108. "Wat?? zouden wij Homeros niet meer kunnen verstaan?" roept mijn geleerde vriend in vroolijke erger­nis, "hij staat ons nader dan meenig tijdgenoot!" Ge­lukkig menseh, die nog zoo heerlijk zwelgen kan in de taalmuziek van voor drie duizend jaar. Als een weet­niet sta ik daarbij. Maar ik heb toch geen woord gezegd, dat ik niet verantwoorden kan. Ik heb mij zoo uitgedrukt, dat ik verre bleef buiten schot der knapste taalgeleerden. Als ik vraag: "heeft Homeros onbetwistbaar zuivere equivalenten voor woorden en begrippen als: "God", "Geloof", "Liefde" en "Eer"? is in elk dier woorden niet een geweldige verandering gekoomen, in hun ziel, hun begrip, hun weezenheid?"

Geen geleerde kan dan het eerste volhouden, het tweede loochenen. Het Homerische Grieksch is nieuw­Grieksch geworden, het Latijn werd Italiaansch, het Sanskrit werd Hindoe of Bengali, en wat bleef er van de rijke en vermoedelijk wel schoone taal der oude Egyp­tenaars, die zij vier of vijfduizend jaren spraken? De volkstaal werd Heilige Taal, alleen door de Priesters volgehouden, en een nieuwe volkstaal ontstond, door de macht van het volk, en vooral van de dichters, die het volk hun expressie gaven, zooals Dante het deed voor het Italiaansche volk. Ook Augustinus preekte in "volks­taal". Ik maak ruimbaan voor de geleerden. Ik ben maar een stoffel, maar ik weet nog wel enkele dingen. O.a. dat Homeros waarschijnlijk drie duizend jaar geleeden leefde. Maar mijn lieve geleerde vriend, wat zijn nu drie duizend jaar? Als ge morgen de hardsteenen trappen van de universiteit opgaat, ziet dan eens even naar het witte, fijne kalkskelet van de trilobiet of de cephalopode in den blauwgrijzen steen. Dat beestje zwom misschien honderd miljoen jaren geleeden in de oer-zee. Wat zijn daarbij de drie duizend jaren, dat de Grieksche taal van Homeros heeft bestaan? Een oogwenk! Moet ik nu nog­maals herinneren aan de verhoudingen? Het komt er niet op aan ze te weeten, maar ze te voelen.

 

 De oudste, plechtigste, heiligste taal heeft niet langer werkelijk ge­leefd dan een seconde, een oogwenk in de ontwikkeling van ons ras. Talen koomen en gaan met verwonderlijke snelheid, als men denkt aan de uiterst langsame ritmen der kosmische en biologische processen. Wie, die de ver­houdingen voelt, zal de illuzie voeden van een heilige taal, die blijvend en onveranderlijk is? En toch is stellig het "Credo" op zulk een onveranderlijkheid der men­schelijke taal gebaseerd. En hoe kan het ook anders, waar geduurende de gansche ontwikkeling van het Chris­tendom op aarde nog nagenoeg niets bekend was van de werkelijke verhoudingen van de afstanden der heemel­lichamen, den duur van zon en sterren, de enorme perioden van groei van dieren en planten, - waar men den ouderdom der aarde vaststelde, afgaande op den Bijbel, op den waarlijk belachelijken leeftijd van zes­duizend jaren.

 

Zes duizend jaren, een vluchtig oogenblikje, terwijl de mensch al stellig honderdduizend jaren op aarde leefde! Zou zulk een beperkt begrip van geen beteekenis zijn voor onze wijsheid en onze zaligheid? Daarom sprak ik van het "opzettelijk verbergen" van 't bedrog der woor­den, door de wijssten en vroomsten. Want wie in het bijgeloof van de onveranderlijkheid der taal gevangen zit, sterkt haar bedriegeIijke macht. De woorden mis­leiden en bedriegen ons door hunnen schijn van stellig­heid en volstrektheid. De toeleg van God-geleerden is het versterken van dien schijn. Daarvoor geeven ze hun vaste zangen en gebeeden. Zoo deeden de priesters en godgeleerden altijd. Streng waakten de Egyptische pries­ters teegen het afwijken van de traditie. En eeven streng handhaven de Boedhistische priesters in Tibet elken klank der gewijde woorden. Maar de woorden zijn al lang dood, de ziel is er uit, hun zin zelf wordt niet meer verstaan.

 

Hawthorne, de Amerikaansche dichter, spreekt van "The Burden of mortal language, that crushes all the finer intelligences of the soul". En hij vraagt: "who has not been conscious of mysteries of truth and reality, which will not we ar the chain of language"?

"Mortal Language". Maar er is ook "immortal lan­guage". Dat is het WOORD, waarvan Jezus sprak en waaraan het Roode Lampje herinnert.

 

109. In 't hartje van Amerika voer ik in een kleine kano op de Cawrivier. Ik voel een zeekere kinderlijke trots en voldoening, als ik dit neerschrijf. Het klinkt nogal wijdsch.

Maar toch, er was weinig kunst aan. Men liet zich maar meesleepen door den stroom, zorgdragend in het diepe te blijven, stuurend en peddelend met één lichte riem. Men moest wel mee, van teegen den stroom opgaan was geen sprake. En nu voel ik de conditie der menschen, het leeven, de toestand waarin zij zich bevinden van vrijwel gelijken aard. Een oovermachtige strooming sleept ons mee. Er teegen op gaan, is gekkenwerk, het ­kan niet. Toch zijn wij niet geheel en al machteloos, want wij kunnen met onzen peddel een weinig stuuren en zorgen, dat wij in diep water blijven. Doet men dat niet, dan slaat de wankele kano dadelijk om. Hoe meer we nu meegaan met den stroom, hoe meer wij de groote macht die ons sleept volgen, des te veiliger voelen wij ons. Maar wij hooren in de verte een dof gedreun en weeten: daar zijn de versnellingen, daar is de waterval.

Niemand kan terug, wij allen moeten omlaag in den kolk, van klip tot klip geworpen.

Heer, wees ons genadig!

 

110. Met deeze gelijkenis wil ik uitdrukken, dat WIJ maar zoo bitter weinig te zeggen hebben in den gang van ons leeven. Wat zijn wij op den breeden sterken

stroom? Een dor blad, een drijvend houtje. Wie kan ons dan aansprakelijk stellen voor hetgeen wij doen, hulpelooze schepsels als wij zijn? Maar toch kunnen we rich­ting geeven! En een ligte beweeging met onzen peddel kan ons op de klip of in veilige wateren stuuren. En onze taal, dat is de stuurriem. En het Roode Lampje is de vuurbaak, de licht-tooren.

 

111. "Et in unam sanctam catholicam et apostolicam, ecclesiam" .

Credo!

Ik geloof daaraan stellig, ik kan het met vastheid en goed geweeten uitspreeken. Ik geloof in een heilige, katholische en apostolische kerk. Is hier geen misver­stand moogelijk? Natuurlijk wel, zooals ooveral en altijd, waar taal te pas komt. Ik heb een vrij stellig en duidelijk denkbeeld van hetgeen ik bedoel. Maar niet zoo zeeker weet ik, wat de menschen bedoelen, die met mij spreeken oover de heilige Moederkerk. Als we het woord kerk signifisch beschouwen dan vinden we allereerst de kerk als het gebouw. Dat is het duidelijkst voor alle menschen, daaroover is misverstand het minst moogelijk. Maar het gebouw is maar symboolisch. Ieder die zijn gedachten onderzoekt, zal vinden, dat "kerk" als gebouw, voort­duurend verward wordt door een veel hooger, maar ook veel vager begrip, n.l. kerk als menschengroepeering, als vereeniging van een aantal leeden. Maar dan zijn wij er nog niet. Want als ik het wel heb, is volgens de katho­lieke leer de kerk nog heel iets anders en iets meer, dan het geheel harer leeden. Het is, als ik een pooging tot expressie mag wagen - het ontoereikende van alle expressie bedenkend - het is de zinnelijk onwaarneem­bare eenheid, waarvan de geloovige menschen de zinnelijk zichtbare deelen zijn.

Als dit goed is uitgedrukt, dan komt dit geheel oover­een met mijn eigen denkbeeld omtrent de Kerk, waar­oover ik mijn "Credo" uitsprak. Ik geloof in den geloovi­gen mensch, in den samenhang van alle geloovigen tot een éénheid, en een onzinnelijk weezen, dat alle ge­loovigen omvat. Dat is dus, in de signifische ontwarring van het woord "kerk" de derde hoofdbeteekenis. Men heeft:

1e. Het gebouw.

2e. Het geheel harer leeden.

3e. De mystieke, direct niet waarneembare Eenheid, Ecclesia.

 

De kerk, waaraan ik geloof, wordt aangeduid door de derde beteekenis. Maar daarbij is volstrekt niet alle misverstand uitgeslooten. De woorden "apostolisch" en "katholiek" maken de moeyelijkheid niet. Ik versta het woord "apostolisch" als "oovereenkoomend met de leer van Jezus' aposte­len en voortzettend hun arbeid". "Katholiek" begrijp ik als "voor iederen mensch geldig". Dit alles komt oovereen met de beteekenis, die het woord "kerk" voor mij heeft.

Maar een grooter bezwaar is dit, dat ik niet zeeker ben, of de thans bestaande zinnelijke kenbare, hiërarchische organisatie, die zich de Roomsch Katholieke Kerk noemt, identisch is met de Heilige Kerk, de Sancta Ecclesia, die uitmaakt de niet zinnelijk bespeurbare eenheid van alle waarlijk geloovigen in Jezus Leer. Met andere woorden: ik kan niet toe-geeven, dat alle leeden van de Roomsch Katholieke kerk behooren tot die heilige Ecclesia, noch dat alle menschen, die de Ecclesia omvat, behooren tot de Roomsch Katholieke organisatie. Er zijn, naar mijn weeten en waarneemen, zeer veel katholieken, die niet tot de Heilige Kerk behooren, en veel leeden der Heilige Kerk, die niet Roomsch-Katholiek zijn.

 

112. Dat de zinnelijk zichtbare menschengroep, die de Roomsch Katholieke kerk heet, zoo uitgebreid, zoo prachtig en zoo sterk is, met haar eeuwen-oude organi­satie, haar ritueel en lithurgie, haar schoone gebeeden en gezangen, haar kunstwerken, haar heerlijke gebouwen, haar muziek - en haar Zaligen en Heiligen . . . . dat alles is indrukwekkend en grootsch. Ja, men kan zeggen, dat geen menschengroepeering haar in macht en schoonheid nabij komt. Maar die grootte en pracht bewijst niet, dat zij de waarheid omsluit en bevat, de geheele waarheid en niets dan de waarheid. Dit moeten zij bedenken, die de Roomsche moederkerk verheerlijken en haar pracht en grootte prijzen. Was niet het Romeinsche Imperium prachtig en grootsch, met zijn zuilenrijke steeden, met de heerlijke wonderstad Rome als midden, met zijn bouwkunst en beeldhouwkunst, zijn waereld-omspannend net van recht en wet - en wat was daarin het groepje ongeschoolde visschers? Maar die hadden de waarheid. - Het reusachtige Romeinsche Rijk ging te gronde, maar het groepje apostelen verooverde de waereld.

Dus moet de pracht der Roomsche Kerk ons niet ver­blinden, en haar grootte en macht zijn geen bewijzen voor haar bezit der volle waarheid. Ook de schoonheid van haar gewijde muziek en kerkelijke kunst bewijst dat niet. Niet-kerkelijke muziek is ook schoon, en juist de scheiding van kerkelijke en niet-kerkelijke kunst is voor mij bevreemdend en niet in oovereenstemming met mijn denkbeeld van de Kerk.

De Kerk, waaraan ik geloof kent die scheiding niet. Die omvat alle menschelijk schoon. Ze kent ook niet de scheiding tusschen geestelijk en waereldlijk gezag. Haar hoofd is tegelijk Paus en Keizer. Ze heft het staatsbegrip op en vervangt het. Zij is de rechte Gemeenschap aan wier beheer alle waereldsche goederen door God worden toevertrouwd en in leen gegeeven. Zij is de moeder-hen en beschouwt alle menschelijke individuen als haar kie­kens, waarvoor ze zorg en bescherming heeft. Zij past toe het zuivere socialisme, door het ordenen van alle sociale werksaamheid. Zij verwerkelijkt het zuivere com­munisme, door het gestreng beheer van alle stoffelijke goederen, zoodat geen mensch kan hongeren, noch kan zwelgen.

Zij vervult de idealen van wie zich anarchist noemen, en vervangt geleidelijk alle gewelddadig gezag en al wat als dwang wordt gevoeld, door liefderijke opvoeding.

 

113. Eevenals voor het woord "Kerk" kan ik voor­het woord "Geloof" signifisch drie hoofdbeteekenissen vaststellen. Hiermee bedoel ik niet de "nuancen" zooals­ "reegenbui-geloof" (zie 38) maar de groote beteekenissen.

Ten eerste: het vaste en puure geloof dat absoluut, stellig, positief en onwrikbaar is en berust op eigen ervaring en waarneeming . Het geloof dat zegt: het kan niet anders zijn, ik moet dit aanvaarden en aanneemen.. Het spreekt van zelve. Zoo geloof ik in God's volmaakt-­heid en eigen onsterfelijkheid.

Ten tweede: het vertrouwend geloof, dat uit liefde voor­een persoon op zijn ervaring en verzeekering vertrouwt.. Zoo geloof ik aan Jezus en Johannes.

Ten derde: het scheppend geloof, dat zegt: ik geloof en, ik wil dat dit of dat zal gebeuren, b.v. dat de Sancta Ecclesia op Aarde verwerkelijkt zal worden.

Dit laatste gelooven is teevens een willen, en daardoor­scheppend, creatief. Dat is het geloof dat is als een mosterdzaad, het geloof dat bergen verzet, dat heelkracht heeft en wonderen doet. In elk deezer drie zijn weer­

 "nuancen" van Algol tot electron.

Misschien weet iemand een beetere onderscheiding.

maar zulke onderscheidingen zijn onmisbaar, als we ten minste met elkaar willen omgaan op vriendelijke en nut­tige wijze. Zonder zulke onderscheidingen blijft het op aarde een eindeloos gekrakeel.

Ik geloof dus, (met geloof III) aan het ontstaan van een apostolische, Katholieke Kerk op aarde, waardoor deze tot nog toe zoozeer vervloekt schijnende planeet tot een waarachtigen voorhof des Heemels zal worden. Dit geloof berust op de waarneeming van hetgeen gebeurt, op de kennis van het menschelijk karakter, en op de algemeene begrippen die mij uit de studie van cultuur­geschiedenis en staats-geschiedenis zijn oovergebleeven.

Vreede op Aarde! wie wil het eigenlijk niet? Het groepje harde vechtersbazen en égoïsten smelt steeds meer weg. De roep om broederschap en rechtvaardigheid weer­galmt door alle landen. Hoe groot is de blindheid der menschen, die het wonder dat onder hun oogen geschiedt niet waarneemen! Ze zien het wel, als ik er op wijs, maar begrijpen de eenvoudigste gevolgtrekking niet. Dan noemen ze me "optimist" met superieur glimlachend hoofd schud­den, hetgeen dan zeggen wil dat ik mij gelukkig maak en "laat troosten” door een schijn, een illuzie, een zelfbedrog.

Ben ik optimist? Maar wat dan wel te zeggen van het optimisme van de drie-honderd miljoen Roomsch Katho­lieken, die toch vast vertrouwen op een zalige toekomst, voor elk die van goeden wille is.

Als ik zóó optimist durfde zijn!

Dikwijls zeg ik tot mij zelven: als het toch eens alles heusch en werkelijk waar ware, welk een heerlijkheid! welk een uitkomst! Die nauwkeurig afgebakende weg, met licht-boeyen en betonning, alles precies aangegeeven. Niemand die be­hoeft te verdwalen, tepzij hij 't stellig wil. Daarbij alles verklaard en toegelicht, in de uitvoerige, op alle vragen en weifelingen wel bereekende scholastiek.

En eindelijk een heemel vol Engelen, Heiligen en Zaligen, die nog altijd met ons meedeleeven, niet In raadsel-achtig duister, maar in groot, gezellig Licht.

Als het toch eens heusch waar ware!

Maar hoe is het dan toch moogelijk dat er nog aan getwijfeld wordt en dat zooveel miljoenen die heerlijk­heid verwerpen?

"Zij die toch óók wel zalig willen weezen

Als hen maar kracht en kennis waar gegund"

Zooals ik voor dertig jaar schreef (in "de Broeders") en nu herhaal.

Als ik het maar gelooven kon, dat alles zoo dood­eenvoudig en wel-ingericht was in de waereld, aange­geeven als op een uitmuntende staf-kaart van aarde en heemel, de eenige officiëele en betrouwbare gids.

Als het toch eens waar ware!

 

114. De nachtegalen zijn stil geworden. De nieuwe generatie is gereed en vóórvoelt de zangen die mij in de volgende lente zullen verheugen. Als ik dan nog ooren heb voor hun lieve stem. Nog zingt het kleine grut van Winterkoning en Heggemusch - en één Lijster heeft het hoogste woord. Niet de zwarte, melodieuze, be­zadigd liefelijke - maar de grauwe lijster, de muziekale, harts-tochtelijke, meest matineuze van alle voogels. Men moet hem hooren, in den vroegen ochtend, of na een onweer. Hij roept altijd iets, - iets zeer belangrijkst wat hij pas gevonden heeft en absoluut dringend wil meede­deelen. Teegenwoordig roept hij al maar: Fréderik! ­Fréééderik!

Hij weet wat van me, dat is duidelijk. Hij wil me waar­schuwen. Als ik hem nu maar verstaan kon.

Maar het gaat aldoor eeven dringend en nadrukkelijk: "Fréééderik! " Zonder toelichting, helaas!

 

115. Als ik nu mediteer oover die onbegrijpelijke dwarsheid en bal-oorigheid van de menschen om die zoo voortreffelijk aangeduide, en zulke heerlijke ver­schieten beloovende weg niet terstond dankbaar en blij­hartig te volgen (als het alles waar is, namelijk!) dan komt de Duivel om de zaak begrijpelijk te maken.

Die arme Duivel! Welk een zonderling beroep, de waereld verklaarbaar te maken door zelf alle onverklaar­baarheid op zich te neemen. Satan - de zondebok Gods ­die de misverstanden der waereld draagt. Wat zou dat voor een schepsel zijn, geschapen met de neiging om het booven-alles mooye en gelukkige leelijk en onplezierig te vinden? En daarbij zoo sympathiek te zijn voor lang niet onbeduidende menschen.

Lady Welby zei mij eens dat de Duivel miskend werd. "Hij doet al zijn best", zei de ze, "om de menschen op 't rechte pad te houden, door zelf erg leelijk en terug­stootend te zijn. Dat is zijn opdracht en hij is teleur­gesteld als 't niet lukt."

Als ik mijzelven afvraag of ik den Duivel goed kan onderscheiden, dan twijfel ik. Ik onderscheid wel zeer goed het volk der démoonen. Maar dat is een bende klein, ongelukkig en belachelijk gepeupel. Ze zijn lastig, als ongedierte.

Maar hun Baas - als ze die hebben - kan ik niet goed onderscheiden. Zijn persoons-beschrijving, als door vroomen en heiligen gegeeven, is mij vreemd. Als ér zulk een Opper-Duivel is, dan zou ik hem beklagen, maar als een curieuze en nuttige figuur in de waereld-huis­houding. Zooiets als die deftige reiger, de Maraboet, die het vuil eet in de straten van Bagdad.

Mijn Duivel, de Duivel uit "de Broeders", is hoffelijk scherpzinnig, zelf-bewust, kritis'ch en decadent.

In die "Decadence" zit het 'm. Oover dat woord en begrip moet in een tweede deel gemediteerd worden.

Zou er toch zoo'n Baas-duivel zijn, die zich zorgvuldig voor mij verborgen houdt, een extra-groote en schrandere Démon?

Zou die mij dan al die kritische gedachten inblazen, om mij te verhinderen opgenoomen te worden in de Moederkerk? Zou die mij ook omlaag houden en door neevelen omringen, zoodat de fraaiste bloemvelden en de verheevenste berg-gebieden van mijn weezen voor mij onzichtbaar worden?

Hij verneedert en verkleint mij dan daarmee ten uiter­ste. Maar wat heeft hij er aan?

Is verneedering en klein-making niet juist wat ik be­hoef, volgens alle Heiligen?

En hoe krijgt hij het gedaan, in samenwerking met mijn ver-oudend lijf, deeze verneedering en verarming aantrekkelijk en plezierig voor te stellen. (Genotzucht, gemakzucht, traagheid, lafheid). En dat bedrog telkens weer met veel succes te herhalen?

Neen! hier ben ik het spoor bijster. Zou die officiëele Stafkaart hier wel correct zijn? Wat de groote Heiligen oover deeze vraag zeggen bevreedigt mij heelemaal niet.

Ze spreeken oover zichzelf als oover de ergste zondaars en zondaressen, terwijl ze ons worden voorgesteld als bijna zondeloos - zooals de "serafijnsche maagd" de heilige Teresia. Dat moet toch gejokt zijn. Het lijkt op geforceerde neederigheid.

En voor den armen Duivel, die de menschen echte ver­needering en deemoed leert, hebben ze geen woord van deernis of waardeering. Die verachte Knecht met zijn hondebaantje die moet maar branden, hoe langer hoe liever.

Hier zijn we weer duchtig in de war. Ik tast hier rond in duistere misverstanden. Deeze voorstelling van een Vorst der Duisternis die uit puure baldadigheid het mooye leelijk, het blijde verdrietig en het ware tot leugen maakt, die wil er bij mij niet in, en ook bij zeer goede en wijze menschen niet.

Een Ecclesia die ons hieroover niet beeter inlicht zal geen "catholica" zijn.

"Dan slaat der menschen eedelst intellect den Deemoedsbeeker lachend uit uw hand" zooals mijn Duivel tot zijn Broeder Jahweh zei.

En toch weet ik dat de verwarring kan worden opge­heeven. Het is waan en misverstand, het is de bedriege­lijke macht der taal, die ons hier gevangen en omneeveld houdt.

We hebben de sleutels der waarheid, maar we morrelen aan de verkeerde deur.

We moeten needer zitten, en sprakeloos méditeeren oover het goede en het kwade.

God geeve mij kracht het Roode Lampje in het oog te houden.

 

 

116. De grauwe lijster roept nu wat anders. Hij is blijkbaar ietwat moedeloos geworden, omdat ik hem maar niet verstaan kon. Nu roept hij aldoor en een beetje verdrietig: "Wil je niet? - Wil je niet?"

Ach lieve voogel, ik wil zoo graag. Maar ik weet niet wat je bedoelt. Ik denk ten minste dat ik wil. Ik wil willen, zooals ik geloof te gelooven. Ik kan ook' zeggen dat ik geloof te willen en wil gelooven. Maar dat ongelukkig persoontje, dat luistert naar den naam van "Free­derik" en in zijn wrakke kano door de woeste, schui­mende stroom-versnellingen peddelt, dat persoontje doet heel anders dan hij wel zou willen doen.

Hij heeft zich een voorstelling gemaakt van eenen Freederik, die erg goed, erg wijs, erg nuttig, erg heil­zaam voor anderen zou zijn, en niet ontevreeden met zich zelven. Is dat nu willen? of gelooven?

Maar het doet er niet toe wat het is, want er is toch van dit moois niets terecht gekoomen.

En ik heb aldoor geloofd en gewild.

Dat heb ik dus heel slecht gedaan, of gelooven en willen helpt niet. En ik wil toch zoo graag!

Ik wil zoo graag mooi handelen en liefdevol zijn. Ik wil zoo graag anderen gelukkig maken en den goeden weg wijzen. Want ik weet den goeden weg, en ik dacht dat iemand die den goeden weg weet en van goeden wille is - dat die ook niet ongelukkig zou zijn.

En ik ben toch ziels-ongelukkig en voel nog steeds het oovermachtige kwaad op mijn lendenen liggen en mij neerdrukken op de aarde. Mijn gezicht drukt hij in 't slijk, mijn mond komt vol modder en als ik om hulp wil schreeuwen tot den Allerhoogste, laat ik niets hooren als een jammerlijk gerochel. Mijn beenderen kraken onder den greep van mijn vijand. Wat zei ik zoo-eeven? Zei ik niet dat ik geen grooten Duivel kende? Wacht eeven, zegt Hij, ik zal 't je wel beduiden. En de lijster blijft roepen: "Wil je niet?"

 

117. Ik weet het zeer goed, eevengoed als Dante: de grootste gave die wij van God kreegen is de vrije wil, "Lo maggior don".

Maar nu komt het mij voor, dat ik klein behuisd ben, en daar zie ik, van uit mijn kleine behuizing, een reusachtige gave aankoomen, een geweldig groote kist, misschien wel een piano, of een huis-orgel. Moet dat bij mij weezen? Ach Heer! ik ben maar klein behuisd, hoe zal die kist de voordeur in?

En toch is het groote geschenk voor mij. "Nicht stürzen" staat er booven op "voor Freederik" "de Vrije Wil" .

Het is een vleugelpiano. Hij kan mijn deur niet in, en boovendien - ik kan er in 't geheel niet op speelen.

"Wil je niet? - Wil je niet?" Klinkt het van uit de lindeboomen.

 

118. Mediteerend oover de Ecclesia zweeft mij één gedachte voor, die mij telkens weer ontsnapt, zooals de schaduwen doen van de cellen en veezeltjes in het oog op het netvlies. Als men ze wil fixeeren, vliegen ze weg. Als de menschen oover God spreeken, dan zeggen ze: "Hij moet goed zijn. Hij moet rechtvaardig zijn. Hij moet liefderijk zijn, oneindig liefderijk. Hij moet ook verheeven zijn en schoon. . . . Hij moet. . . . Hij moet "

Ik ben het er mee de eens, dat Hij moet . . . . maar ik vraag wat signifische aandacht voor dit woord "moeten". Moeten is dwang zegt men teegen de kinderen.
En waar schuilt de dwang, als wij van God zeggen: Hij moet. . . .?

Het is zoo: Hij moet! maar wie of wat kan Hem dwingen? De niet-significus zegt: 'het woord "Hij moet" beteekent hier geen dwang, maar een logische gevolgtrekking uit al wat wij van Hem weeten.'  Dit is kletspraat. Want "al wat we van Hem weeten" , dat zijn diezelfde eigenschappen die Hij, volgens ons, moet hebben. En hier is wel deegelijk dwang. Want "logische gevolgtrekkingen" dwingen ook, en wel met onweerstaanbaren drang. "Logische gevolgtrekkingen" zijn leevende machten, die berusten op leevende, menschelijke gevoelens. Gevoelens van juistheid, reedelijkheid, en zoo voort. Het zijn dus onze eigen menschelijke gevoelens, die God dwingen te zijn, zooals Hij is. En zoo zijn het ook onze menschelijke gevoelens, die de Sancta Ecclesia dwingen te zijn zooals ze is, en te worden, zooals ze worden zal. Dit alles klinkt ontzettend aanmatigend en brutaal. Maar beziet het woord wel, eer het als een schaduw weer wegvliegt. Het is onweerspreekelijk en volgt uit signifisch denken: "Wij menschen dwingen God, en zeggen "Hij moet"! Hier wordt God's almacht alweer ingekrompen (zie § 20).

 

Natuurlijk zijn al deeze woorden weer onzinnig eeven als al wat oover God gezegd wordt. Maar er is een ander woord, dat als teegenwigt kan dienen. Niet de geheele mensch dwingt God, 'maar alleen dat wat Goddelijk in den Mensch is. God ontmoet zichzelven in den mensch, en dwingt zichzelven door den mensch. Dit is tenminst minder grove onzin. En zoo wordt ook de Ecclesia door den mensch gedwongen. Gelooft gij het niet? - Wel laat de Kerk het eens probeeren, zich te verzetten teegen dien dwang, en anders te zijn, of anders te worden dan de mensch wil. Laat zij eens iets anders leeren, dan wat strookt met wat men "het zeedelijk bewustzijn" der menschen noemt. Het zou mislukken, eeven als het Abrahams-offer (§ 106). Men zou nog meer schismata krijgen. De veele schismatieken die er al zijn, ontstonden alleen daardoor, dat de kerkleer voor hen niet meer harmonieerde met hun innerlijke gevoelens van waarheid, recht, zeedelijkheid of reedelijkheid. Te recht, of ten onrechte - naar mijn meening alleen ten gevolge van misverstand en gemis aan signifische wijsheid.


De Sancta Ecclesia, die ik verwacht, waarin ik stellig geloof, zal zijn, zooals zij zijn moet, gehoorzamend aan den Wil der menschen, die teevens is de wil Gods, omdat God en mensch hierin één zijn. Ik heb wel hooren zeggen, dat niet God den mensch schiep naar zijn beeld, maar dat de mensch God schiep naar zijn beeld. Dit kan ook waar zijn. En het behoeft niet de beteekenen, dat de mensch afgooden schiep. Voor de meeste menschen is het zeeker veel rustiger en veiliger te zeggen, dat God eeuwig teegenoover den mensch staat, als zijn Schepper en Beschermer.


Dit kan even goed waar zijn, als het andere. Twee waarheeden behoeven elkaar niet uit te sluiten, al schijnen ze elkaar teegen te spreeken. Twee melodiëen kunnen geheel verschillen en toch in harmonie samengaan, contrapuntisch. En al onze waarheeden zijn immers maar halve waarheeden, of één duizendste waarheeden. Van rationeele logica weet het Roode Lampje niets af.

 

119. Ja, dit is de kracht van mij, arme mislukte zwakkeling, dat ik niet zoek naar logische argumenten, maar naar de sterkste werkelijkheeden. Dat maakt deeze woordgepeinzen duurzaam. Wat wij God noemen is de sterkste werkelijkheid. En de Sancta Ecclesia, waarin ik geloof, en waarvan ik de triomf en de opkomst profeteer is de samenvloeying en vereeniging dier werkelijkheid in alle menschenharten. En al was ik de eenige, die haar komst voorzag - zoo zou dat niet haar Heerlijkheid schaden, of haar komst een oogwenk vertragen. Maar ik zal niet alleen staan, en die veelen zullen haar niet bedreigen, want ze leeft al in hen, en groeit, stil, onzichtbaar, onhoorbaar - dagelijks sterker, de aarde oovergietend met een Oceaan van licht. Brandt niet het Roode Lampje al in honderdduizend kerken?

 

120. Hoe jammer is het, dat men nog altijd de scheuringen tracht te verklaren door puure boosheid, hoogmoed en kwaadwilligheid. Waarlijk, de menschen zijn wel "astrant" maar toch zóó onnoozel niet. Wil de kerk, zooals ze thans is georganiseerd, zich zuiveren en verheffen tot de waarachtige Sancta Ecclesia, dan moet ze geloof hebben in den ernst en de liefde van allen, die God in zich voelen. Dan moet ze geloof hebben in den goeden wil der teegenstanders en schismatieken. Dan eerst zal ze van haar gebreeken gezuiverd worden. Waren niet de Engelsche Quakers ook schismatieken, en toch de meest waarachtig Christelijke menschen van hun tijd? Ten voorbeeld voor ons allen? En hoe dwaas en verkeerd is het den kinderen maar steeds in te hameren, dat trots, hoogmoed en verdorvenheid de oorzaak is van alle afvalligheid. En dat de mensch niets te reclameeren heeft, want hem was de vrije wil en de waarschuuwing gegeeven. Een geleerde vriend van mij, zeide mij nadrukkelijk: "Jezus wil, dat we ons verstand gebruiken".


Maar wie zijn verstand gebruikt ziet toch, dat de teegenstanders der georganiseerde priesterschap geen domme booswichten, maar meestal eerlijke en oprechte menschen zijn. En dan die "Vrije Wil"! Wie zijn verstand gebruikt, ziet toch, wat die "Vrije Wil" in het practische leeven beteekent! Ik geloof er aan, ik weet, dat het denkbeeld waarheid bezat, maar ach! wat helpt mij die Vrije Wil, als ik ze niet gebruiken kan. En ik ben toch niet zooveel zwakker en dommer dan de gemiddelde mensch.


Voor mij is de Vrije Wil, als een vleugel-piano, die mijn deur niet in kan, en waarop ik toch niet kan speelen. En wat zal zij zijn voor de groote, gedachtelooze, slaafsche, mode-zieke kudde?

Is het niet een bittere wreedheid, een tergende ironie in dat woord: "je hebt het vooraf geweeten! en de vrije  keuze werd je gelaten dus niets te reclameeren!"
De vrije keuze, och arm!

Welke moeder zegt teegen haar kind, dat naar de mooye roodgloeyende kachel gegreepen heeft, en nu schreeuwt met verbrande handjes: . . . . "ja! ja! kind, ik heb je gewaarschuwd, en je had de vrije keuze, je hebt je verdiende loon!"


Ik mag zulke dingen niet zeggen, dat brengt revolutiestemming in den mensch, hij moet ootmoedig blijven en zich schuldig voelen. Dat is noodig voor de praktijk. Maar ik geloof in een Godheid, die al-begrijpend en al-vergeevend is. De diepste, meest-goddelijke verzuchting die in mij oprijst zegt: "arme, arme menschen!" Nu nog, zoo goed als toen ik Ellen schreef, voel ik dat ik opstandig zou worden teegen een Godheid die niet in diepe deernis meedeleed met den gefolterden mensch.


Deemoedig wil ik zijn, maar ook oprecht. De arme, blinde, misleide mensch kan ik niet aansprakelijk stellen voor zijn zonden. Ik weet, hoe dit in elkander grijpt, God's één zijn met ons menschen, God's leed in ons leed, op Hem de verantwoording, want in Hem is de macht en de wijsheid. Maar ik kan dit niet verder in woorden brengen. Alleen kan ik zeggen, dat een schuldbekentenis - omdat we Vrije Wil hadden - een onwaarheid, een onoprechtheid is.

 

121. Er zijn drie houdingen van gebed.

De biddende jongeling uit den Helleenschen cultuurtijd bidt staande, met de armen omhoog, als omvattend een neederdalende zeegen der godheid. De monnik bidt geboogen in gestadigen deemoed. De muzelman ligt op de knieën en raakt beurtelings den boodem aan met het voorhoofd, en breidt dan weer de armen uit en richt het gelaat naar den heemel, om den zeegen te ontvangen.

Deeze drie houdingen van gebed zijn kenmerkend. Misschien is de houding van den muzelman het meest passend voor onzen menschelijken toestand, fiere oprechtheid en uiterste deemoed vereenigend..

 

122. Confiteor unum baptisma zn remisszonem peccatorum.

Het boekje oover Jezus' leer spreekt van de "reinigende afwassching". Waarom zou ik niet daaraan gelooven?

De werking van het water kan zijn drieërlei:

1e. physisch-hygienisch, de gewoone zindelijkheid, door alle cultuurvolken zoo hoog geëerd (cleanliness next to godliness)

2e. mystiek, door de bizondere boovennatuurlijke eigenschappen van het water

3e. symbolisch, aanduidend het reinigen van de ziel door oovergave en gebed.


Waarom zou ik dit niet willen belijden? Ik weet van die mystieke werking van het water niet meer dan wat enkele wijzen en geleerden ervan gezegd hebben. Maar ik neem het gaarne aan, met scheppend geloof. Ervaringsgeloof is het niet.

Hoewel . . ., dit nog niet zeeker is voor mij. Ik heb gewaarwordingen, die zeer goed het effect kunnen zijn van mystieke werking. Ik denk dat nu, eerst, omdat ik door mijn weetenschappelijke geestesvorming - of misvorming - niet aan zulke werkingen als oorzaak dacht.

 

123. Ik was heeden in 't bosch, zeer in de vroegte. Het bosch ligt teegenoover mijn huis, aan den anderen kant van den rijweg, en twintig jaren heb ik daar naast dat bosch gewoond, en bijna dagelijks er in gedwaald.

Maar toen ik er heeden kwam, in 't vroege morgen-uur, toen ondervond ik een werking als nooit te vooren. Iets dat mij heerlijk aantrok, iets geheimzinnigs, een wijding, die ik plechtig zou kunnen noemen, vooral ook door het leeven daar van al die schepselen, onder elkaar. En toch is het geen bizonder mooi of rijk bosch. Het zijn beukenlanen, stukjes dennebosch, akkermaalshout, een gegraven vijver.


Maar ik voelde iets van hetgeen de antieken voelden in het woud: eerbied en ontzag. Ik wilde het bosch afsluiten, opdat de Godheid er niet gestoord zou worden.

Het is dat eeuwen-oude leeven daar, dat mij nu voor 't eerst ontroert. Wij moeten ontfankelijk zijn om het waar te neemen.

 

124. Zoo ook het water.

Het is nu hoog-zoomer en een zalige weelde van warmte en schaduwloover. Alle geluiden zijn dierbaar omdat zij aan vroegere zoomers herinneren. Het geluid van stemmen op den weg, door de oopen ramen en deuren. De harmonika in den avondstond, vanuit het huisje onzer buuren. De geuren van hooi en zongekoesterd loover. De wielewaal, de blij-gonzende bijen, de wonderbare zweef-vliegen, die vaste plekjes van stilheid weeten te maken in de zoele ligt-bewoogen lucht. De veilige, streelende warmte om ons heen.


Ik ben naar 't meer gereeden, door het waterrijke zoomerland. En ik voelde de aantrekking van het water. De huisjes, aan alle kanten door heldere vaartjes en slootjes omringd, in weelderig groene tuintjes. En dan opeens de breede streep water, het fonkelende, blauw blikkerende meer. Daar is het goed zijn! Het water laaft de ziel. 0 het water! het water! Het plappert in het riet, het geurt en blinkt.


De menschen voelen het. Ze koomen in lichte kleurige kIeeren van alle kanten naar de zwemplaats. Daar is het vroolijk, gezellig. Ze plonzen en spatten en dartelen in het heldere en frissche. Jonge vrouwen en mannen samen. Dat is nu geoorloofd in onzen tijd. In haar onderkleederen mag men de vrouw niet zien, hoe zou ze zich schamen op straat! Maar zonder kleeren, behalve een eng-sluitend en doorweekt badpak, mag ze vrij gezien worden door ieder in de zwemplaats.

 

Welk concilie van vrouwen heeft dit als geoorloofd vastgesteld?

Maar hoe gemakkelijk voegen zich de jonge menschen in de nieuwe zeede.

De jonge mannen neemen het kalm, maar wie zegt wat de ouderen denken? En de jonge vrouwen doen gewoon en argeloos, alsof het van zelf spreekt. Maar o! hoe triomfeeren ze heimelijk, dat ze nu aan hun natuurlijk instinct moogen toegeeven en hun aangebooren rol van verleidster moogen speelen. Het heet dan dat alles rein is voor de reinen.

En toch, het was me alsof het zeegenende water ooverwon, ooveral klaterde en schaterde het licht, het meer straalde zoo wijd en de zon was goed en geneegen. "In remissionem peccatorum.

Is hier nu zonde? In dit groote heldere zonnelicht, in dit wijde, koele, frissche water, in dit vrije, natuurlijke spel van gezonde jonge menschen.

En toch - een priester of een monnik zou hier niet moeten koomen. Een zwerm van bekooringen zou met hem mee naar huis vliegen, zooals de kleine knazen, de zoomervliegjes om onze fiets. En hoe vreemd zou zijn zwart gewaad staan tusschen al dat witte en blanke en lichtgekleurde!


Hoe kan dit alles bij elkander behooren? Het zonnige zoornergeluk aan 't meer, met de blanke menschenkinders, die speelen en joelen en elkander heimelijk bekooren en tot zich trekken - om te voldoen aan ingebooren en noodzakelijke neiging.

En dan de tempel met het scheemerlicht, de zwoele sfeer, de vreemde en dreigende of troostende, maar altijd strenge en raadsel volle Leer.

En het sombere, kille klooster, waar de zwarte kleeren spreeken van eeuwige rouwen leed, van door gruuwelen afgeperst berouwen schuldgevoel,' van verre troost en voor de meesten onvatbare zeegen.


Alles nuances in één ras, één volk, één menschheid

Nu ben ik ver oover de helft van mijn leeven, nog weinig jaren resten.

Op de zwemplaats zeggen de jongelui onder elkaar: "Hij doet óók nog mee!" met pijnlijke waardeering voor mijn krasse ouderdom.

En toch weet ik niet waar ik behoor, wat mij meer trekt: het klooster, de tempel, of Gods blanke zonneschijn op frissche zoomermeeren.


Maar het water ontzondigt, het water verkwikt het lijf en verzadigt de ziel. Zoolang ik in dit lijf moet blijven, wil ik bij water woonen, bij het zachte lavende water. Het water, dat steeds de lage plaatsen zoekt, maar sterker is dan bergen en rotsen, symbool van deemoed. Het wondere water, dat ten gerieve der menschen afwijkt van zeer vaste reegels der natuur en zwaarder is dan ijs. Het water, waaromheen zich altijd de menschen hebben gegroepeerd, in hun paalwoningen, rondom de meeren , langs de rivieren, in de delta's der groote stroomen, aan de kusten der zee. Het water, dat zijn wondermacht toont in de woestijnen, waar alle leeven afhangt van enkele droppen.


Waarom zou ik niet in de kracht van den Doop gelooven, als Jezus heeft gezegd, dat Hij door het water, het natuurlijke en boovennatuurlijke water, ons naar lijf en ziel kan reinigen?
Confiteor.

125. Et expecto resurrectionem mortuorum.

Ik kan hier "expecto" zeggen zonder vrees van te liegen. Al is het woord in 't geheel niet klaar, en al staat volstrekt niet vast wat er onder "mortuus" en onder "resurrectio" bedoeld wordt. Maar wat ook de zuivere beteekenis mooge zijn, ik kan toch uitspreeken, dat ik het verwacht. Want ik verwacht het een zoowel als 't andere.


Als Jezus zegt: "laat de dooden hunne dooden begraven" dan begrijp ik, dat Hij met het woord "doode" speelt en beurtelings den geestelijk doode en den lichamelijk doode bedoelt. Geestelijk dood beteekent dan hier "ongeloovig" en "zondig".


Als er gesprooken wordt van "leevenden en dooden" die bij 't laatste oordeel zullen geoordeeld worden dan zal dit ook wel "geestelijk dood" moeten beteekenen . Hoewel ook gezegd zou kunnen worden met geringer waarschijnlijkheid, dat er bedoeld werd: degeenen die op den oordeelsdag nog leeven, zoowel als de reeds afgestorvenen.
Daarbij komt nog als bron van verwarring het woordbegrip "sterven", hetgeen niet alleen beteekent "doodgaan" in den gewoonen lichamelijken zin, maar ook "van het kwade afsterven", zoodat een "afgestorvene" of een "doode" zou beteekenen een van de zonde bevrijde ziel, juist omgekeerd als een "geestelijk doode".


Maar hoe dit zij, ik kan altijd zeggen: "expecto". Ik verwacht een opstanding, zoowel uit den geestelijken als uit den lijfelijken dood, wat ook onder "weeder-opstanding" verstaan mooge worden. Ik verwacht die met scheppend geloof.


Ik verwacht een verheerlijkt lichaam te ontvangen, wanneer, dat is van geen belang, wij hebben den tijd. De dood zelf bestaat voor mij niet. Dat is te zeggen: mijn eigen dood.
Iemand zei mij: "de eenige ramp, die je zelf niet beleeven kunt, is doodgaan." Zoo is 't, en daarom hebben we alleen eenig begrip omtrent den lijfelijken dood van anderen, die zoo groote ramp voor ons kan zijn.


Maar van den eigen lijfelijken dood hebben wij niet het flauwste begrip. Het moet een verandering zijn van groote beteekenis en waarde. Maar dat het waarneemende Zelf er door zou worden aangetast of vernietigd, dat is een uitdrukking zonder zin, want al wat is, is zoo en niet anders door het waarneemende Zelf... Dat waarneemende is dus voorwaarde, "beding", primaire noodzakelijkheid voor alle bestaan. Te zeggen, dat het waarneemende in ons vernietigd zou worden is ook zeggen, dat alles vernietigd zou worden, menschheid, aarde, zon en maan en sterren. Niemand denkt dat. Maar weinigen schijnen te beseffen, dat het niet-opstaan uit de dooden deezen onzin vooropstelt.

 

126. Ik hoorde mijn wiskundige vrienden oover deeze dingen spreeken. Zij spraken uuren achtereen met groot abstract vermoogen en treffende scherpzinnigheid. En ik verstond ze, met een algemeen vaag aanvoelen, maar zonder voldoende vermoogen om het spel der abstracties te volgen. En weer bedacht ik, eevenals bij vergelijking van zwembad en klooster, hoe wonderlijk ongelijk de menschen zijn, en hoe grillig verdeeld hun vermoogen en hun functie. Het heet vaak, dat mijn woorden moeyelijk te volgen en te begrijpen zijn. Niet meer dan een klein percentage van de massa heeft iets aan hetgeen ik zeg.


Maar ikzelf sta weer in machtelooze bewondering voor het vermoogen van andere menschen, van een vioolspeler, van een acrobaat, van een gewoone handwerksman, een horlogemaker, een bankwerker, een electricien, en van mijn hooggeleerde wiskundige vrienden. Hun vaardigheid is geheel buiten mijn bereik. Ik sta erbij als een onhandige en onweetende. En pijnlijk krimpt mijn zelf-respect ineen, en ik ooverweeg mijn ooverboodigheid en nutteloosheid.


Ik maak mij hier welligt weer schuldig aan hetgeen ik sommige Heiligen verweet, namelijk geforceerde neederigheid. Ik heb een sterk gevoel van onwaarde en machteloosheid. Dit schijnt te behooren bij den ouderdom, als het groote proces van de scheiding van ziel en lichaam. Ik voel als een niets-waardige, maar met heel wat meer recht dan zij, wien ik ooverdrijving verweet Met een sterke inspanning van mijn verstand bedenk ik, dat ik juist door mijn domheid, die ik nu zoo pijnlijk gevoel, een oovergang kan vormen tot die veelen die nog minder dan ik tot het volgen van abstracties in staat zijn. Zij zullen welligt mijn vage, gebrekkige en onsamenhangende gevoels-uitingen beeter verdragen dan het strenge en dorre gedachtenweefsel der wiskundigen.
En in mijn droefgeestigheid en zwaarmoedig peinzen draag ik toch een groot, gelukkig bericht.


En wel dit: er is oovereenstemming, harmonie, samenhang tusschen het gedachte-leeven der Wiskundigen en het gevoels-Ieeven van den Dichter. De resurrectie mortuorum is een waarheid, die door het wiskundig denken eeven stellig wordt erkend als door het dichterlijk-vroom gevoel. Die erkenning schijnt - voor zoover ik het kon volgen - op den weg der negatie bereikt te worden. Het begrip, dat met het woord "dood" wordt aangeduid, is onbestaanbaar, het is er niet. We kunnen het sterven van anderen aanneemen als een feit van beteekenis voor ons, maar voor onszelven heeft eigen dood en sterven géén beteekenis.


Zoowel wiskunde als significa, welke twee eigenlijk, in hoogste instantie één zijn, ontkennen de moogelijkheid van een persoonlijke vernietiging. Daardoor koomen ze, door uitsluiting, tot de verwachting van een weer-opstanding, als een booven tijd en sterven uitgaand begrip.

 

Aan Zee.

"Et vitam venturi saeculi. Amen Amen!"

127. Nu ben ik weer bij het grootste en onveranderlijkste wat de aarde heeft. En ik hoopte weer te voelen dat heerlijke gevoel van heel oud, en eeuwen en eeuwen hetzelfde. Ja, het Eeuwige Leeven. Dat brengt de zee mij als een verrukkend, diep gevoel. Ik kan het natuurlijk niet weergeeven. Ik heb het niet, wanneer ik op zee ben, op een schip - maar wel aan de kust, de zandkust of de rotsenkust. Aan de zandkust, door de meeuwen met hun wijd verlaten geschreeuw - en de schelpen en weekdieren, wier geslacht zoo oud is, zoo onnoemelijk oud. De zoomer staat nu zeegenend en kalm oover zee en land, en verbindt ze tot één vreugde. Hoe vreedsaam het land en de lijnen van de kim; het donker groenend loof, de rustige, veilige huisjes ooveral liefelijk in 't avondlicht.
En de zee minnelijk en kalm, haar adem frisch en zilt.


Maar toch niet - Niets stilt mijn vreugde-dorst meer op aarde. Ik ga langs de zee als een dorstende, maar ik kan niet drinken. Want het is er mee als met dit water, men ziet de tergende frischheid, maar wordt niet gelaafd. Dit water stilt den dorst niet, maar doet die toeneemen.

 

128. En dan weet ik dat die groote, kalme goedheid, die de blinkende zoomer-zee nu uitdrukt - plaats zal maken voor gruuwelijke, wreede wildheid.

God zegt ons zijn Goedheid en sereeniteit door de zee, maar ook zijn strengheid, in niets sparend stormgeweld. Dan is er koude en woestheid en verlatenheid en de dood.
Maar in dat alles hebben wij de vreugde te zoeken en te versterken. De heilige Gods-vreugde.
In alles is die verborgen. In bloemen, in het water, het zoete en het zilte, in het plechtige bosch, in de schoone gewijde kerken, en ook in de zoomerblijheid aan het zonvervulde strand.
En in de weetenschap en in de kennis. In het begrijpen der oneindig veelvoudige en verwikkelde beweegingen van electronen en heemelzonnen. En in het herinneren van al wat geleefd heeft, het oude en zeer oude bestaan van menschen, dieren en planten, en in het feest, het blijde samenkoomen van gelukkige menschen.

 

129. Ik was in Leiden, de rustige kleine stad niet ver van de zee, de stad vol kennis en weetenschap. Mijn ziel verbond de Gods-vreugde van de zee, met die van de kennis en weetenschap.

Daarvoor ben ik dan misschien nog tot eenig nut. Want ondanks mijn veroudend lijf, en de vreesselijke droefgeestigbeid die altijd dreigt en nooit meer rust laat - des-ondanks, en misschien juist daardoor, voelt mijn dichterlijk weezen die fijne, vage, geestelijke vreug­den met heftige, bijna smartelijke gewisheid.

Om die stad Leiden - zoo goed als om het meer, het bosch en de zee - zweeft een stemming, een onbeschrij­felijke gewaarwording van vreugde, van booven-natuur­lijke genieting.

In dat rustige stadje, met zijn deftige huizen en vroolijke stadstafreeltjes, hebben de menschen nu drie eeuwen lang gezocht te weeten, te begrijpen en te verzamelen.

En als ik daar nu wandel tusschen al dat verzamelde, de opgezette dieren, de ooverblijfsels van ouder bescha­ving en praehistorische menschen, die kunstvoorwerpen van vreemde volken, die planten in den kruidtuin, en de college-zalen en laboratoriën, sterrewacht en hospitalen, dan ooverpeins ik steeds deeze vraag "Waarom doen die menschen dat?"

Van sterrewacht, hospitaal en laboratorium kan men zeggen dat ze praktisch nut hebben, in dagelijkschen zin. Ze bevorderen den groei der menschheid. Maar waarom bekommeren de menschen zich, met een zoo énorme toewijding en eindeloos geduld, om het leeven van alle planten en alle dieren, tot zelfs de allerkleinsten? En om het doen en laten van alle menschen, en alle volken? En om de aller-nauwkeurigste bepaling van gang en plaats aller heemelzonnen? Waarom trachten ze, met de uiterste nauwkeurigheid alle leevende weezens namen te geeven en ze te registreeren in groote boeken, met platen en be­schrijving?

Waarom willen ze precies weeten hoe de aller oudste dieren en menschen leefden?

Waarom verzamelen ze groote zalen vol scherven van vaatwerk, die vrijwel waardeloos waren in den tijd waarin men ze gebruikte?

Waarom offert een man geld en goed, gezondheid en zijn heele leeven, om na te gaan in welke wooningen de voor-historische menschen leefden, of te verstaan hoe de kleinste dieren gebouwd zijn en zich voortplanten?

Vreemde gedachte-looze weezens toch! Gedachteloos, omdat àl hun werken, al is het enkel gedachte-werk, ge­schiedt zonder de innerlijke ooverweeging: "waarvoor doe ik dit?"

Waarom is alle weetenschap zoo heilig voor de men­schen, en des te heiliger naarmate ze minder triviaal nuttig is?

Merkt het op, de namen weetenschap en kunst duiden áán het heilige, dat zelfs in bloedigen oorlog nog gespaard wordt of waarvan het schenden - denkt aan Reims en Leuven - de grootste verontwaardiging wekt.

Men zegt dan dat het een bewonderen is van Gods Schepping, of geschied ter eere Gods.

Maar dat kan het motief niet zijn, want onder de ge­leerden zijn de vroomen, die welbewust God willen dienen door hun werk, de uitzonderingen.

Neen! het motief, de dwingende kracht is de Gods­vreugde, zooals de Dichter die bewust gewaar-wordt, maar de Geleerde onbewust gehoorzaamt.

Zijn gansche leeven wijdt hij aan opgravingen waar­door hij weet hoe vroeger een mensch begraven of een vesting gebouwd werd. Of hij zocht zijn heele leeven naar de wijze waarop een nieuwe soort ontstaat, of hij waagt gezondheid en leeven aan het bereiken van een onbekend plekje op aard. En hij vraagt niet: waarom doe ik dat? Hij is tevreeden en voldaan oover zijn werk, als hij eindelijk moet sterven.

En voor den Dichter zweeft de wondere bekooring van dat oude leeven om die verzamelingen en om die plaatsen van weetenschap. Dat is nog een heel ander ge­nieten als de voldoening oover de gevonden reliek, of het opgeloste probleem. Het is die vreemde vreugde, die jaren lang nawerkt, en nog het sterkst schijnt in de her­innering. Men zou van "stemming" kunnen spreeken, maar dat is iets vaags en vluchtigs. Gods-vreugde is veel intensiever en feller dan enkel stemming. Het is een genieting sterk als de schoonste muziek. Men gaat dan in een roes van herinneringen. Zoo moet ik dan steeds

denken oover het oud-Egyptische leeven, innig verlan­gend er alles van te herdenken, of oover Aziatische kunst, of oover de vóórwaereld en de voor-waereldlijke dieren.

Soms is het een stad in zoomertijd die mij zoo wonder­baar gelukkig maakt, door begrip en herinnering. Ook gebeurt het, vooral nu ik ouder word, dat door een korte zins-indruk, een geur, een geluid, een melodie, plotse­ling en zeer kort een stemming opdoemt uit een ver ver­leeden, uit jonge jeugd. Daardoor weet ik dan dat ook de vluchtigste vreugde niet vergaat, maar ergens bewaard blijft. Niets gaat verlooren.

En teegenoover het licht van zulke vreugde staat de akelige schaduw der naargeestigheid, die zich kan hechten aan een arme stads-wijk, in wintertijd, met een afschuu­welijke griezel.

Zoo is het mij dan, alsof ik nu en dan de essens proef van de Schepping, maar teevens voel dat ik, in mijn lijfelijk en afzonderlijk bestaan, maar zeer weinig kan bijdragen tot de groote harmonie. Mijn grenzelooze on­weetendheid en domheid bedroeft mij des te meer naar­mate ik de Gods-vreugde als heerlijker proef.

Maar hoe ouder ik word, des te stelliger voel ik dat deeze vreemde en fijne gewaarwordingen niet anders zijn als scheemeringen van het Eeuwige Leeven, vitae ven­turi saeculi.

God verheugt zich in zijn schepping, en naar mate ik mij meer met de Godheid versmelt en vereenzelvig, naar die mate deel ik ook in Zijn vreugde.

Maar door Hem nog geplaatst en gedreeven in het groote voorbereidings leeven, als werker en zwoeger in de werkplaats waar de schepselen hun leeven bouwen moet ik lijden en twijfelen en angstig wachten en smar­telijk gelooven en hoopen.

 

130. En de sterkste Gods-vreugde wolkt in geweldige heevigheid uit de complexe gevoelens en toestanden, die men onder het woord-begrip " Liefde " samenvat.

Dat is onnoembaar, daaroover is niet te beginnen.

De sexueele liefde kan alles in een vuurige vreugde­gloed zetten. En daar beseft de mensch nog het duide­lijkst, dat hij met Gods-vreugde te doen heeft.

En met den ouderdom nog het duidelijkst van al. Want dan verdwijnt de illuzie, dat het enkel onze voort­planting geldt. En de Gods-vreugde ontwolkt en omgeeft zielsverbindingen, waarbij het persoonlijke niet meer zoo de hoofdzaak is, maar die allerlei menschelijke of ook boovenmenschelijke concentratie-punten hebben. Men voelde de Liefde-emotie ook voor hen, die niet meer in het lijf leeven - en de extatische Gods-vreugde wordt meer en meer naar het Eeuwige Leeven gericht; terwijl het lijf dieper en dieper in de démonische schande ver­zinkt, die het uiteen-vallen vooraf gaat.

 

131. Deeze fijne en subtiele Gods-vreugde-gewaar­wordingen hebben niets met droomen uitstaande. Ja, als kind heeft men soms die Gods-vreugde in den droom met verbazende intensiteit. Maar dat schijnt te duiden op het verleeden, toen de ziel nog in de Oer-ziel verzon­ken lag.

Want met het ouder worden verdwijnen die oover­zalige droom-sensaties, en wordt allë Gods-vreugde uit­sluitend in het waak-Ieeven ontwaard.

 

132. Gemakkelijk valt het mij te erkennen: "expecto vitam venturi saeculi."

Expecto! - het spreekt van zelve. De wijze, die hier twijfelt, is niet wijs.

Maar hoe dat Eeuwige Leeven is, dat is de groote vraag. Wij moogen er blijkbaar niet te veel van weeten. Hoe onverbiddelijk sluit de donkere poort alle oopenbaring af! Ongeoorloofd heet het daaromtrent navraag te willen doen en hen terug te roepen, die ons verlaten hebben. Maar toch komt er nu en dan een lichtstraal. Nooit zonder twijfel, nooit zonder moogelijkheid van zelfbedrog, altijd raadselig en teleurstellend, omdat wij te veel willen.

Maar toch hebben wij vermoedens en ook vrij vaste inzichten omtrent het Eeuwige Leeven.

In puur geloof kan ik zeggen, dat er een Eeuwig Leeven is en dat wij er deel aan hebben.

Maar valsch en onaanneemlijk is voor mij de geijkte schildering, waarmee de waereld wordt getroost, de schil­dering van een vreugde en blijdschap zonder eind, een voortduurend gelukkig zijn, een heemel met algeheele zondeloosheid en smarteloosheid, vol onvermoeibaar zin­gende en loovende en bewonderende engelen en een martelplaats zonder toekomst daar diep onder. Een licht zonder schaduw, een genot zonder pijn, een goedheid zonder kwaad, dat alles kan ik niet aanneemen, eevenmin als een folter zonder eind of verandering. En al zou ook de Godheid mij dit rechtstreeks zeggen, zoo zou ik het niet kunnen gelooven.

Ook hier is signifisch onderzoek noodig. Het zou, naar ik meen, spoedig blijken, dat deeze conventionee1e voorstelling berust op ondoordachte taal-expressie en onbegreepen woord-combinaties.

Wie licht zegt, zegt schaduw Wie berg zegt, zegt dal, Wie deugd zegt, zegt zonde Wie vreugde zegt, zegt smart.

 

Al deeze paren kunnen alleen met elkaar en door elkaar bestaan. Het zijn de samenstellende essencen van het Hoogste Weezen. Een Godheid zonder smart, zonder zonde, is als een mensch zonder bloed of zonder been­deren.

De Gods-vreugde, die opwolkt uit de gansche schep­ping, ontstaat ook door de smarten, de gruuwelen, de boosheeden.

Er is niets ooverboodigs in al wat is, er kan niets ge­mist worden in de volmaakte harmonie. Onze slechtheid en onze dwaasheid is voor God eeven noodig als onze liefde en onze deugd. Alleen moogen wij dat niet beden­ken tot onze vrijwaring, want dan zouden we willen handelen als God, wat wij niet kunnen.

 

133. Ik wandelde met mijn kind langs de zee, die het hartstochtelijk lief heeft. En het zeide: "Weet je, vader, wat ik het naarste vind? als ik op de akelige, saaye cate­chisatie aan de heerlijke zee en het strand zal moeten denken. "

Is hier niet een vreesselijk gevaar? Is hier niet de groot­ste zwakheid van wat de Sancta Ecclesia heet? De meer­derheid der menschen zijn geen heiligen als Maria Theresia of Marie Alacoque of Anna Katrina Emmerich, die het heerlijke zinneleeven konden ontbeeren en zoo spoedig moogelijk wilden ontwijken.

Wij menschen moeten het Eeuwige Leeven voorbereiden door ooveral de Gods-vreugde te zoeken, te erkennen en te versterken.

Het moet niet zijn, dat een goede, normale, en stellig niet on-vroome knaap de leering van hooger wijsheid als een somber en saai bedrijf gaat voelen, in teegenstel­ling van de heerlijke frissche, van licht-en-vrijheid ver­vulde pracht der zee.

Waakt oover de zielen der kinderen, gij die u priesters noemt. Verjaagt ze niet van het schoonste en beste, door sombere rouwkleederen en doodgepraatte formulen. Het behoeft niet, het is zeeker niet de bedoeling van de Kerk - maar let op het gevaar. Luistert naar de woorden der Dichters en let erop, hoe die harmonie ontdekken tus­schen kerkelijke wijsheid en waereldsche schoonheid. Is het niet juist een wijs voorrecht der Katholieke kerk, dat ze de zinne-schoonheid van Tempel en Altaar zoekt te verhoogen.

De priesters zijn nog te weinig Dichters. En de Dichters denken er niet aan, dat ze ook Priesters en Heiligen be­hooren te worden, als de liefde en de schoonheid ver­geestelijkt zijn.

Wie de heilige dingen tot een afschrik maakt voor de kinderen, die vermoordt het fijnste en teederste in de kinderziel.

Ik heb in mijn verbeelding Christus gezien, die zijn eigen afbeeldsel van kalk en pleister te brijzelen gooit op den marmeren tempelvloer .

Een bitterheid voel ik, en afkeer, als ik denk aan de conventioneele, popperige, zoetelijke en weeë sante­kraam, die alle kerken oover de gansche waereld ont­siert. Men moet het verdragen, om de kinderlijke eenvoud, die dit klatergoud nog bewondert.

Maar de kinderziel op te voeden in het leelijke, ziel­looze en smakelooze, dat is een groot misdrijf.

 

134. Veelen, die leezen wat ik oover Gods-vreugde schreef, zullen zeggen: en muziek dan. Is muziek niet de zuiverste uiting van Gods-vreugde? En ikzelf vraag mij af, waarom muziek niet meer voor mij is, wat zij vroeger was. Zij is essens van schoonheid, ritmische en harmonische schoonheid, en Gods-vreugde kan zijn in muziek, - maar Gods-vreugde is toch iets geheel anders. Muziek kan ons een oogenblik heevig en gelukkig ont­roeren. Maar - dit heb ik al sints lang bemerkt – zij oefent niet blijvende en richtende kracht op ons leeven uit, en ze kan ons zelfs verblinden en verslappen, zoodat ze los raakt van het leeven zelf. Zij, die zwelgen in muziek worden niet daardoor gelukkiger menschen. Muziek is zoet en verkwikkend, maar geen diepe, duur­zame troost voor den ouderdom.

Dat kan alleen Gods-vreugde en vroome ontroering zijn. En muziek past daarin, zij werkt samen met kleur en wijding, en architectuur en liefde-volle gezindheid; zij zweeft dan om de kaarsenvlammen en stijgt op tot de veelkleurige ramen, en buiten kan ze ook samenwerken met de blijde zon, de zoele nacht, en het maanlicht en de liefde-ontroering tot meedemensch of God.

Maar dan is ze ook niet onafhankelijk. Muziek als muziek alleen is onbevreedigend, onveilig - een con­cert in een van onze leelijke, benauwde en onrustige stemminglooze concertzalen is mij een kwelling, bij de beste muziek. Het staat buiten het leeven en richt niet.

Tenzij ze zich hecht aan een grootsche gedachte en die ondersteunt en dan in harmonie blijft met al het omringende.

In een gezongen hoogmis is de muziek eedel en wat zij zijn moet. In een opera is zij meestal verdoolingen verderf.

Nooit ben ik dupe geweest van Wagner en zijn kunst. Een klein, ontroerend volksliedje is mij meer waard dan een Wagner opera van zes uuren lang.

 

135. Hoe moeyelijk valt het iets te zeggen oover zulke gewigtige en belangrijke feiten als het Eeuwig Leeven of de Gods-vreugde. Men kent toch alleen maar toe­standen van de ziel. En ieder onderscheidt en benaamt die, zonder eenige nauwkeurigheid of dieper aandacht.

Wat is bij voorbeeld verstaan onder het zoo vaak, ook door mij zelve , gebruikte, misbruikte en afgesleeten woord "de stem Gods."

Een stem, die woorden spreekt, is het zeeker niet.

Maar wat is het dan?

Wat noemen wij het Eeuwige Leeven? Wat is Gods­ vreugde? Wat noemt men de stem Gods? Als wij ons maar eens wilden gewennen minder conventioneel en minder gedachteloos te spreeken!

"Schoonheid" . . . . . er worden nog steeds boeken oover geschreeven.

Maar wie kan er toch iets meer van zeggen dan: "het is een aangenaam gevoel"?

 

136. Wie, niet bemerkt, dat deeze gepeinzen tot doel hebben versterking van het Geloof, die verstaat ze niet.

Als een gewelf wrak wordt, dan moet toch eerst worden weggebrooken en weggehakt wat op vallen staat, om het gezonde bouwwerk te kunnen herstellen.

Ik vertrouw, dat Jezus' kerk kan worden versterkt en hersteld, mits de eerlijke meening van oprechte menschen niet worde ontkend en versmoord.

Ik zal mijn best doen in een later boek te toonen hoe door al deeze negatie, door al dit weghakken van het wrakke en rotte, een grond van vast begrip en heilige oovertuiging zichtbaar wordt.

Oover woorden als "Goed en Kwaad" als "Zonde en Schuld", als "Boete en Berouw" moet nog signifisch worden gepeinsd. Oover schoonheid, liefde, sexualiteit moet nog vrij en eerlijk worden gedacht en gesprooken.

De toekomst is niet duister. Ondanks de diepe droef­heid, waarin ik leef, weet ik het met volkoomen stellig­heid. Het Eeuwig Leeven komt niet, maar is er reeds.

Het Licht schijnt op groote gebieden van onze ziel, die wij tijdelijk geheel vergeeten - en verlooren wanen.

Maar er gaat niets verlooren en voor wie het wil en verwacht komt alles weer.

 

137. Het Roode Lampje is maar een gekleurd stukje glas, met wat olie erin en een pitje - en het hangt aan metaalkettingen en de koster moet zorgen, dat het blijft branden.

Ziedaar de hoop der menschheid. Geen mirakel, geen boovennatuurlijkheid, een zwak en nietig vlammetje, en toch het Eeuwige Leeven belichtend.

Maar achter dat flauwe schijnsel ligt een heerlijke en geweldige werkelijkheid - die wij benaderen langs symbolische weegen. Dat Roode Lampje spreekt tot mij en zeegent en waarschuwt en steunt en leert. Ja, het leert door zijn eigen symbolisch weezen. Het duidt iets aan, wat het zelf niet is, en wat niet anders benaderd kan worden. Het is maar wat olie in een gekleurd glas ­maar hij die het deed lichten en ik die het zie, wij be­ grijpen de bedoeling, die niet subjectief is en niet objectief - weg met die woorden - maar eeuwig en waarachtig.

Dierbaar symbool, dat stil en zwijgend spreekt, ik ver­sta uw zachte gewijde taal. Ik zoek er mijn troost in en hecht er mijn vertrouwen aan. Als stoffelijk voorwerp zijt ge niets - als symbool zijt ge de redding der mensch­heid en het Licht der eeuwen. Gij zijt maar een klein, neederig vlammetje - maar ge zijt het signaal, richtend en waarschuwend, met de ontzachlijke beteekenis van een zeekere verlossing, een verheeven Gods-vreugde, een veilig te huis, een liefde-vol Hart en uitgespreide armen van vertrouwelijkheid.

Vergeef mij, leezer, als ik niet voldeed aan Uw ver­wachting. Ik ben U nog veel toelichting schuldig en ik zal er mee voortgaan, zoolang God mij krachten geeft.

Er is vasten grond onder der menschen voet te be­reiken, voor allen, als wij vertrouwend berusten ïn de voorloopige, tijdelijke begrensdheid van ons kennen en gevoelen.

Expecto vitam aeternam. Amen.

 

 

Deel II

 

 

Top 100 NL