Carl Gustav Jung

Kesswill 1875 - Kussnacht 1961

 

 

 

 

 

 

Inleiding - Wat ik als eerste las - Uittreksels - Persoonlijkheidstypes deel I : extravert - deel II : introvert - Citaten van Jung - Fragmenten uit: Het ik en het onbewuste. - Persona en animaZiel (=psyche) -  Archetypen en de bijbel  - Archetype en het onbewuste - Jung en Gnosis  - Synchroniciteit - Visioenen -

 

 

 

 

Inleiding.

Van jongsaf aan heb ik altijd veel belangstelling gehad voor psychologie en psychiatrie. Al tijdens mijn tienertijd ontleende ik in de bieb boeken over deze onderwerpen. Toen ik moest kiezen voor een loopbaan stond ik op een tweesprong: in het onderwijs of iets met psychologie?

Ik heb dan toch maar voor het onderwijs gekozen - waar het feit dat je met mensenkinderen werkt toch ook wel behoorlijk wat psychologische inzichten vereist - en zo verenigde ik deze beide wegen enigszins.

Nu ik niet meer hoef te werken voor mijn dagelijks brood heb ik uiteindelijk toch weer de tijd om mij in de menselijke psyche te verdiepen - men zegt wel eens dat oude liefde niet roest - en heb ik mij, na eerst de autobiografie van Jung te hebben verslonden - de verzamelde werken van deze bijzondere man aangeschaft.

Jung was een van de grootste pioniers van de moderne psychotherapie. Begrippen als collectief onbewuste, archetypen, introvert en extravert, die inmiddels goed bekend zijn geworden, zijn door hem geÔntroduceerd.

Graag wil ik je op deze pagina laten kennismaken met deze unieke man - en zijn werk - die zijn tijd ver vooruit was.

  

 

 

Wat ik als eerste las over/van Jung.

Herinneringen, Dromen, Gedachten

Jungs levensverhaal is geen autobiografie in de gebruikelijke zin. Voor alles is het een beschrijving van zijn innerlijke groei. Alles wat hij als doorslaggevend of bepalend voor zijn leven beschouwde, krijgt ruime aandacht: een droom uit zijn kindertijd evenzeer als de verhouding tot zijn vader of de pijnlijke breuk met Freud. Zijn zeer persoonlijke visioenen en zijn dikwijls dramatische confrontaties met het onbewuste worden beschreven. Door Jungs persoonlijke, eigenzinnige aanpak is het een boek geworden waarin de lezer de mens Jung tegenkomt.

Jung wilde niet dat dit boek nog tijdens zijn leven zou gepubliceerd worden. Daarvoor had hij er zichzelf te zeer in bloot gegeven en hij wilde geen energie meer besteden aan het weerleggen van kritieken die zeker zouden volgen. Daarom is dit bijzondere levensverhaal pas gedrukt na de dood van Jung (1961) De drie eerste hoofdstukken, over zijn kinder- en tienertijd, schreef hij zelf en zo ook een hoofdstuk over zijn visioen bij een BDE. De rest liet hij over aan een biografe, Aniela Jaffť  - wiens teksten hij wel nalas en aanpaste vooralleer  hij er zijn goedkeuring aan gaf.

Herinneringen dromen gedachten<br>




C.G. Jung
Herinneringen dromen gedachten
C.G. Jung

 

 

 

Uittreksels: Herinneringen, Dromen, Gedachten.

Eerst een stukje uit de inleiding:

Het leven van de mens is een twijfelachtige poging. Het is alleen kwantita­tief een enorme verschijning. Het is zo vluchtig, zo ontoereikend, dat het gewoon een wonder is, dat iets zich ontplooien kan, dat iets kan bestaan. Dat heeft al indruk op me gemaakt toen ik nog een jong medisch student was, en het leek me een wonder, wanneer ik niet voortijdig vernietigd zou worden.

 

Het leven deed me altijd wat denken aan een plant, die leeft vanuit haar wortelstelsel. Haar eigenlijke leven is niet zichtbaar, dat is verborgen in haar wortels. Dat wat boven de grond zichtbaar wordt leeft slechts ťťn zomer. Dan verwelkt het - een kortstondige verschijning. Wanneer je denkt aan het eindeloze ontstaan en vergaan van leven en van beschavingen, krijg je de indruk van volstrekte nietigheid. Maar ik hield altijd het gevoel, dat er onder de eeuwige veranderingen iets is dat leeft en dat standhoudt. Wat je ziet is de bloesem, en deze vergaat. De wortels houden stand.

 

Eigenlijk vind ik alleen die gebeurtenissen uit mijn leven de moeite van het vertellen waard, waarbij de onvergankelijke wereld binnendrong in de ver­gankelijke. Daarom vertel ik hoofdzakelijk over innerlijke belevingen. Tot hen behoren mijn dromen en fantasieŽn. Ze vormen tegelijk de oerstof voor mijn wetenschappelijke werk. Ze waren als gloeiende lava, waaruit zich de te bewerken steen uitkristalliseert.

 

Naast de innerlijke belevingen verbleken andere herinneringen - mensen, reizen, mijn omgeving. Velen hebben de geschiedenis van onze tijd beleefd, velen hebben erover geschreven; men kan beter hun boeken erop naslaan, of van hen erover horen. De herinneringen aan de uiterlijke feiten van mijn leven zijn voor het grootste deel verbleekt of verdwenen. Maar de ontmoe­tingen met de andere werkelijkheid, de hevige ontmoeting met het onbe­wuste, hebben zich voor altijd in mijn geheugen vastgezet. Daar was altijd overvloed en rijkdom, en al het andere verzonk daarbij in het niet.

 

Zo behield ik ook alleen aan die mensen onvervreemdbare herinneringen, wier namen al van oudsher geschreven stonden in mijn 'levensboek' . Onze ontmoetingen waren dan ook tegelijk een soort herkenning.

 

Ook de echt belangrijke gebeurtenissen die in mijn jeugd of later van buitenaf tot me kwamen, stonden in het teken van de innerlijke beleving. Al heel jong heb ik gemerkt dat de verwikkelingen van het leven uiteindelijk weinig te betekenen hebben wanneer er geen antwoord of oplossing van binnenuit komt. De uiterlijke omstandigheden kunnen de innerlijke niet vervangen. Daarom is mijn leven arm aan uiterlijke gebeurtenissen. Ik kan er niet veel over vertellen; het zou me leeg of onwezenlijk toeschijnen. Ik kan mezelf alleen begrijpen vanuit de innerlijke belevingen. Zij zijn het bijzondere in mijn leven, en over hen gaat mijn 'autobiografie'.'

 

 

Een opmerkelijk stuk uit het visioen dat Jung kreeg tijdens een BDE

 

 

Terwijl ik de treden naar de ingang in de rots naderde gebeurde er iets merkwaardigs met me: ik had het gevoel of alles wat ik tot dan had mee­gemaakt van me afgenomen werd. Al mijn meningen, mijn wensen en ge­dachten, de hele fantasmagorie van het aardse bestaan viel van me af, of werd me ontroofd - een uiterst pijnlijk proces. Maar er bleef ook iets over, want het was alsof ik alles wat ik ooit beleefd had of gedaan had, alles wat om me heen gebeurd was, nu bij me had. Ik zou ook kunnen zeggen: het was bij mij en dat was 'ik'. Ik bestond er om zo te zeggen uit. Ik bestond uit mijn verleden en had absoluut het gevoel: dat ben 'ik' nu. 'Ik ben deze bundeling van wat volbracht en geweest is'. -

Deze belevenis gaf me het gevoel van uiterste armoede, maar tegelijk van grote bevrediging. Er was niets meer dat ik verlangde of wenste, maar ik bestond als het ware objec­tief: ik was datgene wat ik doorleefd had. Aanvankelijk overheerste wel­iswaar een gevoel van vernietiging, van beroofd zijn of geplunderd zijn, maar plotseling viel dat ook weg. Alles leek voorbij, het bleef een fait ac­compli, zonder enige binding met het vroegere. Ik voelde geen spijt meer dat iets weggevallen of afgepakt was. Integendeel: ik had alles wat ik was en ik had alleen dat.

 

Nog iets anders hield me bezig: toen ik de tempel naderde was ik er zeker van dat ik in een verlichte ruimte zou komen en dat ik daar al die mensen zou aantreffen waar ik in werkelijkheid bij hoorde. Daar zou ik - ook dat was een zekerheid - eindelijk begrijpen in welke historische samenhang ik, of mijn leven, thuishoorde. Ik zou weten wat er vůůr me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen. Het leven dat ik had geleefd was me vaak als een verhaal voorgekomen dat geen begin en geen eind heeft. Ik had het gevoel een historische perikoop te zijn: een stuk tekst waaraan het voorafgaande en volgende gedeelte ont­breken. Het leek alsof mijn leven met een schaar uit een lange keten was geknipt, en veel vragen waren onbeantwoord gebleven. Waarom is het zů gegaan? Waarom heb ik daarmee gedaan? Wat zal eruit volgen? Op al deze vragen Ė daar was ik  zeker van - zou ik een antwoord krijgen zodra ik de stenen tempel was binnengetreden. Daar zou ik inzien waarom alles zů en niet anders geweest was. Ik zou daar bij de mensen komen die het antwoord op mijn vragen naar het ervoor en erna weten.

 

Terwijl ik nog over deze dingen nadacht, gebeurde er iets dat mijn aandacht trok: van beneden, vanuit Europa, steeg een gedaante omhoog. Het was mijn arts, of beter gezegd, zijn beeltenis, omlijst door een gouden ketting of lauwerkrans. Ik wist meteen: 0 ja, dat is mijn dokter die me behandeld heeft. Maar nu komt hij in zijn oergestalte; een Basileus van Kos.[1][1] Tijdens zijn leven was hij een avatar (incarnatie) van deze Basileus, de tijdelijke belichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan. Nu komt hij in zijn oergestalte.

 

Vermoedelijk was ook ik in mijn oergestalte. Dat had ik weliswaar niet waargenomen; ik stel me alleen voor dat het zo geweest is. Nadat hij als een beeld uit de diepte naar me was toegezweefd en voor me stond, vond een stille gedachte-uitwisseling tussen ons plaats. Mijn arts was namelijk door de aarde afgevaardigd om me een boodschap te brengen: er werd tegen geprotesteerd dat ik op het punt stond heen te gaan. Ik mocht de aarde niet verlaten en moest terugkeren. Op het moment dat ik dat vernam eindigde het visioen.

 

Ik was ten diepste teleurgesteld, want nu leek alles tevergeefs. Het pijnlijke proces van de 'ontbladering' was tevergeefs geweest en ik mocht de tempel niet in, niet naar de mensen die bij me hoorden.

 

 


[2][1] * Basileus = koning, Kos was in de oud heid beroemd om zijn Asklepios.tempel en was de geboorteplaats 'van de arts Hippocrates (vijfde eeuw voor Christus).

 

 

 

 


JUNG en GNOSIS

 

UIT: Mijn ontmoetingen met Jung Ė Prof. Gilles Quispel

 

Gnosis

 

Jung had de gnosis al vroeg ontdekt. In zijn dissertatie uit 1902 over de psychologie van oc­culte verschijnselen merkt hij al op, dat zijn proefpersoon, zijn nichtje HELLY PREISWERK, gnostische systemen tekende zonder de teksten van de oude gnostici te kennen.

Zijn archetypenleer ontdekte hij via een tover­papyrus. In het gesticht BurshŲlzli, waar hij werkte, riep een patiŽnt, een winkelbediende uit ZŁrich hem eens naar het raam en zei:

'Dokter, kijk eens, de zon heeft een staart (fal­lus) en als die zwaait, ontstaan de winden.' La­ter las hij in een boek van ALBRECHT DIETERICH, Die Mithrasliturgie, een toverpapyrus uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, hoe een to­venaar high wordt en ziet, hoe de zon een tuit heeft, die de winden veroorzaakt. Dat bewees hem, dat waanvoorstellingen nog oude reli­gieuze voorstellingen bevatten. Dat leidde hem tot zijn leer van archetypen.

En in 1915 schreef hij, onder het pseudoniem van de tweede-eeuwse gnosticus BASILIDES zijn dichterlijke Sermones ad Mortuos (Preken tot de doden) waarin hij een nieuwe God van goed en kwaad, ABRAXAS genaamd, verkondigde. Hij kende de gnosis goed, ook in Griekse bron­nen, want hij had al heel vroeg zijn klassieke talen geleerd. Alleen het manicheÔsme kon hij niet erg waarderen. Toen in de jaren dertig van deze eeuw in Egypte manicheÔstische hand­schriften werden gevonden en met Duitse verta­ling werden uitgegeven, kocht hij die, maar hij vond ze vervelend.

Eens woonde hij een college van mij bij, waarin ik vertelde dat volgens de katholieke ketter­bestrijder EUODIUS van UZZALA MANI zijn open­baringen had ontvangen: 'a gemino suo, id est a spiritu sancto' (van zijn Tweeling, dat is de Heilige Geest). Hij begon te mopperen en te vloeken (dat kon hij goed, ook in het Engels), pakte een opschrijfboekje uit zijn binnenzak en maakte een aantekening. De belangrijkste leerstelling van het manicheÔsme, de eenheid van de mens en zijn tweeling, van ik en Zelf die met Jungs visie overeenstemt, was hem ont­gaan. Maar dat was een uitzondering.

Wat van de eigenlijke gnosis der oudheid destijds bekend was, kende hij. Het was dan ook vanzelfsprekend, dat hij mij hielp toen ik een gnostische codex (boek), die in Nag Ham­madi gevonden was, op het spoor kwam. Hij was destijds vrijwel de enige, die de betekenis van deze vondst besefte. Anderen, in het voetspoor van Martin Buber en consorten, ver­achtten de gnosis.

Met behulp van zijn medewerker C.F. MEIER en een voormalige patiŽnt, de industrieel GEORGE PAGE, kon ik op 10 mei 1952 het handschrift voor 35 000 Zwitserse franken in Brussel ko­pen. Het werd de Codex Jung genoemd. En het bevatte onbekende werken van Valentinus zelf: het Evangelie der Waarheid, omstreeks 150 na Christus waarschijnlijk in Rome geschreven, en de Brief over de Opstanding, mogelijk ook van Valentinus. Dat was werkelijk een act of God.

Hoe aangrijpend was het, de eerbiedwaardige grijsaard in zijn toren te bezoeken en de be­langrijkste passages uit het Evangelie der Waarheid te horen voorlezen: 'Het leven van de mens in onbewustheid is als een boze droom, waarin men achternagezeten wordt of zelf een ander vermoordt. ' 'De gnosticus is als een bergbeklimmer, die in de mist zijn reisge­noten is kwijtgeraakt en ronddwaalt. Dan hoort hij zijn naam roepen. Nu weet hij waar hij heen gaat, waar hij vandaan komt en wie hij is. '

George Page herinnert zich, dat de oude man zei: 'Mijn hele leven heb ik gewerkt om de ziel te leren kennen en deze mensen wisten het al.' Inderdaad is het Evangelie der Waarheid een bevestiging van de waarheid der Jungse psy­chologie. Het had door een Jungiaan geschre­ven kunnen zijn.

 

Synchroniciteit

 

Van jongs af was Carl Gustav Jung in de con­tramine geweest en had hij oog gehad voor al­ternatieve vormen van wetenschap. Eerst was dat het spiritisme, later de astrologie. Wij heb­ben avonden lang vol verbazing met klapperen­de oren zijn verhalen over sterrenwichelarij moeten aanhoren. Later hield hij zich vooral bezig met de alchimie, die hij terecht als een vorm van gnosis beschouwde. Ook kende hij de kabbalistiek, lang voordat dat mode werd. Ik trof hem eens aan op zijn studeerkamer met het boek Cabala denudata, van de christelijke kab­balist KNORR VON ROSENROT, dichter van ons gezangvers Morgenglans der eeuwigheid. Sar­castisch zei de oude heer: 'Dat gaat over de par­tes posteriores dei' (het achterwerk van God). Pas heel laat heb ik begrepen wat daar achter zat. Jung verzette zich vanuit het diepst van zijn wezen tegen de opvatting dat de wereld een machine is en de mens ook. En toch leert de of­ficiŽle wetenschap sinds NEWTON en DARWIN de mechanisering van het wereldbeeld. Dat heeft de Zwitserse zenuwarts op slimme wijze bestre­den. Hem was opgevallen, dat bij een analyse zo vaak een samenloop van omstandigheden optrad, die met de gemoedstoestand van de pa­tiŽnt leek overeen te stemmen. Er gebeurde iets in de buitenwereld, dat beantwoordde aan de constellatie van een archetype in de binnen we­reld van de menselijke ziel.

Hij verzamelde vele voorbeelden, maar durfde die pas te publiceren toen WOLFGANG PAULI in 1952 over de waarheid van de mythe schreef in een gezamenlijk boek, Natuurverklaring en Psyche. Jung lanceerde zijn theorie op de Eranos-conferentie in Ascona in 1951. Daarbij herinnerde hij ADOLF PORTMANN, hoogleraar in de biologie te Basel, aan een merkwaardig voorval.

Portmann had zich eens voorgenomen zijn re­devoering in Ascona te beŽindigen met een be­schouwing over de Gottesanbeterin, de Praying Mantis ofte wel de bidsprinkhaan. Toen hij de climax naderde en een vrome stemming in zich had opgebouwd, kwam door het open raam een Gottesanbeterin binnenvliegen, ging voor de spreker op de katheder zitten, onder het lampje dat de notities van de redenaar be­scheen, zodat op de muur achter hem de gehe­ven handen als van een biddend mens versche­nen.

Dat vertelde ik eens op een vergadering van de Rotary waar ook DAVID DE WIED, hoogleraar in de farmacologie en voorzitter van de Konink­lijke Academie van Wetenschappen, aanwezig was. Met zijn toestemming vertel ik het voor­val. Aangezien hij wel besefte dat dit ene voor­beeld het hele rationalisme ondermijnde, trachtte hij het te weerleggen. Dat was verbeel­ding, het was louter toeval, op het laatst opper­de hij zelfs dat iemand op het balkon voor het raam had gezeten met een bidsprinkhaan in zijn hand, die hij op het juiste moment had la­ten vliegen.

Deze man was later eens op weg naar Schiphol en kwam in een file tot stilstand. Hij zette de autoradio aan en hoorde, dat het dagboek van ANNE FRANK nu integraal zou worden uitgege­ven. Omdat hij zelf jarenlang in Wassenaar on­dergedoken had gezeten, raakte hem dat diep. Maar de file zette zich in beweging, hij zette de radio af en richtte zijn blik op de vrachtauto die voor hem stond. Het was een wagen van het expeditiebedrijf Achterhuis. En wat was ook weer de titel van het dagboek van Anne Frank? Juist ja. 'Het...'

'Louter toeval', zegt de rationalist.

Maar Jung zag dat heel anders. Zijn gezicht straalde als nooit tevoren. Hij zei tegen me: 'Es geht um die Erfahrung der FŁlle des Seins.'

Hij noemde deze overeenstemming tussen ziel en kosmos een zinvolle samenhang zonder cau­saal verband, ein akausaler Sinnzusammen­hang.

In feite was dat niets nieuws. Dat was al ont­dekt door POSIDONlUS VAN APAMElA (100 v.C.), die in Cadiz (Spanje) de samenhang tussen de maan aan de hemel en eb en vloed op de aarde waarnam.

Iets dergelijks vermoedde hij tussen sterren en gebeurtenissen bij mensen. 'De sympathie aller dingen' noemde hij dat. En deze organische be­schouwing van mens en kosmos was in zwang tot aan de mechanisering van het wereldbeeld. Dan zien wij pas dat Jung een geniale man was: toen de moderne mens zijn geloof in religieuze voorstellingen verloren had, bewees Jung dat hij, gelukkig, in zijn dromen nog altijd my­thisch, beeldend, dacht; toen de mens zich een machine ging voelen, wees Jung hem erop, dat onopgemerkte gebeurtenissen van het alledaag­se leven de waarheid van het organische we­reldbeeld nog altijd bewezen.

Hij zei: 'Gelovige mensen zouden dat de hand Gods noemen. Daar heb ik niets tegen, maar voor mijn doeleinden noem ik het synchronici­teit. '

 

 

 

 

 

Citaten van Jung.

 

ďDe mens wordt nooit geholpen in zijn lijden door wat hij zelf denkt, maar alleen door openbaring van een wijsheid groter dan de zijne. Deze trekt hem op uit zijn ellende.Ē

 

"Je kunt de wonden van een ander alleen maar genezen als je er zelf ook enkele hebt."

 

"Geen enkele gordiaanse knoop is ooit definitief middendoor gehakt: hij heeft de onaangename eigenschap zichzelf weer in de knoop te leggen."

 

"Het is gemakkelijker tot Mars door te dringen dan tot zichzelf."

 

"Als we iets in het kind willen veranderen, moeten we het eerst onderzoeken en kijken of het niet iets is wat beter in onszelf kan worden veranderd."

 

"Elke vorm van verslaving is slecht, of het narcotische middel nu alcohol, morfine, cannabis, macht, werk of idealisme is."

 

"Nadenken is zwaar, daarom oordelen de meesten."

 

"Als we iets in het kind willen veranderen moeten we het eerst onderzoeken en kijken of het niet iets is wat beter in onszelf kan worden veranderd."

 

"Alles waarvan we ons niet bewust zijn, bevindt zich in geprojecteerde toestand."

 

Een man die nooit door de hel van zijn hartstochten is gegaan, heeft ze ook nooit overwonnen.

 

Wat er na de dood gebeurd is zo onuitsprekelijk groots, dat onze fantasie en onze gevoelens niet toereikend zijn om ons er zelfs bij benadering een voorstelling van te maken.

 

Men wordt niet verlicht door zich allerlei beelden van licht voor te stellen, maar door zich bewust te worden van de eigen innerlijke duisternis.

 

Datgene in onszelf wat we niet in ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot.

 

De mens die in contact komt met haar hogere Zelf ervaart dat alle dualisme, "ik" als eenling en eenzame toeschouwer tegenover de buitenwereld; mens tegenover kosmos; mens tegenover de godenwereld, worden opgeheven.

De dualiteiten die wij ervaren en waar wij veelal door worden gekweld, zijn producten van het discursieve denken.

 

Een projectie is een eigenaardig, maar algemeen voorkomend verschijnsel waarbij een individu een inhoud van de psyche verbindt met een voorwerp of een wezen uit de wereld om hem heen, terwijl het in werkelijkheid een eigenschap is van zijn eigen innerlijke leven.

 

In de tweede helft van het leven moet men de innerlijke wereld leren kennen. Dat is een algemeen probleem.

 

De metafysische taak van de mens ligt in de voortdurende uitbreiding van het bewustzijn en zijn bestemming als een individu ligt in de schepping van individueel zelf-gewaar-zijn. Bewustzijn maakt de wereld zinvol.

  

Iemand met zijn schaduw confronteren

is hem zijn eigen licht laten zien.

 

Citaten uit Herinneringen, Dromen, Gedachten.

 

De beslissende vraag voor de mens is: ben ik op het oneindige betrokken of niet? Dat is het criterium voor mijn leven. Alleen wanneer ik weet dat het onbegrensde het wezenlijke is, richt ik mijn belangstelling niet op futiliteiten en op dingen die niet van essentieel belang zijn.

Weet ik dat echter niet, dan ben ik er voortdurend op uit om mee te tellen in de wereld, omwille van de een of andere eigenschap die ik als mijn persoon­lijk bezit beschouw. Dus wellicht om 'mijn' begaafdheid of 'mijn' schoon­heid.

Hoe meer nadruk de mens op oneigenlijk bezit legt en hoe minder hij van het wezenlijke bespeurt, des te onbevredigender is zijn leven. Hij voelt zich beperkt omdat hij beperkte bedoelingen heeft, en dat leidt tot afgunst en jaloezie.

Als je begrijpt en voelt dat je tijdens dit leven al bent aangesloten op het oneindige, dan veranderen je wensen en je instelling. Uiteindelijk is het slechts het wezenlijke in je dat meetelt en als je dat niet hebt, dan is je leven verspild.

Ook in relatie tot de ander is het van door­slaggevend belang of het oneindige erin is uitgedrukt of niet.

Uit: Jung -  Herinneringen, dromen en gedachten

 

 

 

 

 

Fragmenten uit: Het ik en het onbewuste.

Verzameld werk Ė deel 3

 

 

'Ik erken dat er een psy­chische factor in mij werkzaam is, die zich op de ongelofelijkste manier aan mijn bewuste wil kan onttrekken. Deze brengt me op de merkwaardigste ideeŽn, veroorzaakt ongewilde en ongewenste stemmingen en emoties, brengt me tot verbazingwekkende handelingen, waarvoor ik geen enkele verantwoordelijkheid kan aanvaarden, verstoort mijn rela­ties met andere mensen op irriterende wijze, enzovoort. Ik voel me machteloos tegenover dit feit, en het allerergste is dat ik er verliefd op ben, zodat ik haar ook nog moet bewonderen.' ­

 

De libido kan alleen maar begrepen worden in een bepaalde vorm, dat wil zeggen, ze is identiek met de fantasiebeelden. En we kunnen haar alleen maar weer uit het onbewuste bevrijden, doordat we de corresponderende fantasiebeelden naar boven halen. Daarom geven we in dit soort gevallen het onbewuste de kans zijn fantasieŽn naar boven te laten komen.

 

We weten niets over het wezenlijke en over het absoluut zijnde. We er­varen echter verschillende effecten, via onze zintuigen van 'buitenaf, en via onze fantasie van 'binnenuit'. Evenals we nooit zouden beweren dat de kleur groen op zich bestaat, zo zouden we ook nooit op het idee komen een fantasiebeleving op te vatten als iets dat zelfstandig bestaat, en dus als iets dat letterlijk moet worden genomen. Het is een uitdruk­king, een schijn, die voor iets onbekends, maar niettemin werkelijks staat

 

Een voortdurende bewustmaking van anders onbewuste fantasieŽn, samen met een actieve deelname aan het fantasiegebeuren heeft, zoals ik in heel veel gevallen heb gezien, het gevolg dat ten eerste het bewust­zijn verruimd wordt aangezien talloze onbewuste inhouden bewust worden; dat ten tweede de dominerende invloed van het onbewuste ge­leidelijk vermindert; en dat ten derde een verandering van de persoon­lijkheid plaatsvindt.

 

De verandering van de persoonlijkheid is natuurlijk geen verandering van de oorspronkelijke erfelijke aanleg, maar een verandering van de al­gemene instelling. De scherpe scheidingen en tegenstellingen tussen be­wust en onbewust, die we in conflictueuze, neurotische naturen zo dui­delijk zien, berusten bijna altijd op een opmerkelijke eenzijdigheid van de bewuste instelling. Deze geeft de absolute voorrang aan ťťn of twee (psychische) functies, waardoor de andere functies ten onrechte naar de achtergrond worden verdrongen. Door het bewustmaken en beleven van de fantasie worden de onbewuste en minderwaardige functies in het be­wustzijn geassimileerd: een proces dat natuurlijk een diepgaand effect op de instelling van het bewustzijn heeft.

 

Het overgrote deel van de mensen is volstrekt niet in staat zich indivi­dueel in de ziel van een ander te verplaatsen. Dit is zelfs een uiterst zeld­zame kunst, die bovendien niet al te ver gaat. Ook de mens die we het beste menen te kennen, en die ons zelf bevestigt dat we hem volkomen begrijpen, is in wezen een vreemde voor ons. Hij is anders. En het uiterste en beste dat we kunnen doen is om tenminste dit andere te ver­moeden, te eerbiedigen en ons te hoeden voor de enorme stommiteit het te willen interpreteren.

 

Het is wellicht niet zonder meer begrijpelijk wat bedoeld wordt met het begrip

'middelpunt van de persoonlijkheid' . Ik zal daarom proberen dit probleem in een paar woorden te schetsen. Wanneer we ons het bewust­zijn met het ik als centrum voorstellen als iets dat tegenover het onbe­wuste staat, en wanneer we daarbij denken aan het proces van de assimi­latie van het onbewuste, dan kunnen we deze assimilatie opvatten als een soort toenadering tussen het bewustzijn en het onbewuste, waarbij het centrum van de totale persoonlijkheid niet langer met het ik samen­valt, maar een punt in het midden, tussen bewustzijn en onbewuste is. Dit zou het punt van een nieuw evenwicht zijn, een nieuw centrum van de volledige persoonlijkheid, een wellicht virtueel centrum, dat wegens zijn centrale positie tussen bewustzijn en onbewuste een nieuw, stevig fundament voor de persoonlijkheid garandeert. Ik geef natuurlijk toe dat dit soort visualiseringen nooit meer zijn dan grove pogingen van de onhandige geest om onuitsprekelijke, nauwelijks te beschrijven psycho­logische feiten uit te drukken. Ik zou hetzelfde ook met de woorden van Paulus kunnen uitdrukken: 'Ik leef, maar niet ik - Christus leeft in mij'.

 

FantasieŽn zijn geen surrogaat voor het leven maar vruchten van de geest, die diegenen toevallen, die hun schatting aan het leven hebben betaald. Iemand die wegloopt voor zijn plichten ervaart slechts zijn ziekelijke angst, en deze brengt geen en­kele betekenis voort. Ook mensen die de weg terug naar de moederkerk hebben gevonden zullen nooit met deze weg kennismaken. Het grote mysterie ligt ongetwijfeld in de rituele vormen van de kerk besloten. Hij kan daarbinnen een zinvol leven leiden. En uiteindelijk zal ook een nor­maal mens nooit problemen krijgen met dit soort inzichten, want hij neemt immers van oudsher genoegen met het weinige dat binnen zijn bereik ligt. Daarom vraag ik mijn lezers te begrijpen dat ik over gebeur­tenissen spreek, en geen behandelingsmethoden presenteer.

 

 FantasieŽn tonen een posi­tieve activiteit van anima en animus. Naarmate de patiŽnt zelf actiever deelneemt, verdwijnt de gepersonifieerde figuur van de anima of animus. Het wordt een relatiefunctie tussen bewustzijn en onbewuste. Wanneer echter de onbewuste inhouden (dus dit soort fantasieŽn) niet 'gerealiseerd' worden, ontstaat hieruit een negatieve activiteit en een personificatie, dat wil zeggen een autonomie van animus en anima. Er ontstaan psychische abnormaliteiten, toestanden van bezetenheid in al­lerlei graden, van gewone stemmingen en 'ideeŽn' tot en met psy­chosen. Al deze toestanden worden gekenmerkt door ťťn en hetzelfde feit, namelijk dat een onbekend 'iets' een kleiner of groter deel van de psyche in bezit heeft genomen. Het zet zijn weerzinwekkende en scha­delijke bestaan onverstoorbaar door tegen alle inzicht, verstand en energie in, waardoor het de macht van het onbewuste over het bewust­zijn aantoont. Het gaat dus eenvoudig om bezetenheid. In dit geval ont­wikkelt het bezeten deel van de ziel gewoonlijk een animus- of anima­psychologie. De incubus van een vrouw bestaat uit een aantal man­nelijke demonen, de succubus van de man is een vrouw.

 

We kunnen ons hier afvragen waarom het eigenlijk wenselijk is dat een mens individueert. Het is niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk, omdat het individu door vermenging met het onbewuste in situaties te­recht komt en handelingen uitvoert, waardoor hij in tweestrijd met zich­zelf komt.

 

Elke onbewuste vermenging en onafgescheidenheid oefent namelijk een dwang uit om anders te zijn en te handelen dan men zelf is.

 

Daarom kan men zich er niet mee verenigen, noch de verantwoorde­lijkheid ervoor op zich nemen. Men voelt zich verstrikt in een denigre­rende, onvrije en onethische situatie.

 

Maar het oneens zijn met zichzelf is nu eenmaal precies de neurotische en ondraaglijke toestand waaruit men zich graag zou willen bevrijden.

 

Bevrijding uit deze toestand kan echter pas plaatsvinden wanneer men zo kan zijn en handelen zoals men voelt dat men is.

 

Dit voelen de mensen aan, aanvankelijk wellicht slechts vaag en onduidelijk, maar naarmate ze zich verder ontwikkelen steeds sterker en duidelijker.

 

Wanneer iemand over zijn eigen toestand en han­delingen kan zeggen: 'Dat ben ik, zo handel ik', dan kan hij ťťn zijn met zichzelf, dan kan hij daar onverdeeld achter staan, ook wanneer het niet gemakkelijk is, en hij kan de verantwoordelijkheid hiervoor op zich nemen, ook wanneer hij daartegen in verzet komt.

 

We moeten overi­gens erkennen dat niets moeilijker te dragen is dan wij zelf. Maar ook deze uiterst moeilijke prestatie wordt mogelijk, wanneer we een onderscheid kunnen maken tussen onszelf en de onbewuste inhouden.

 

De introvert ontdekt deze inhouden in zichzelf, de extravert treft ze echter als pro­jectie in menselijke objecten aan. In beide gevallen hebben de onbe­wuste inhouden verblindende illusies tot gevolg, waardoor wij zelf en onze relaties tot onze medemensen vertekend raken en onwerkelijk worden.

 

Daarom is individuatie voor bepaalde mensen onvermijdelijk, niet alleen als therapeutische noodzaak, maar als een hoog ideaal, als een, idee van het beste dat we kunnen doen. Ik mag niet nalaten op te merken dat het tegelijk het oeroude christelijke ideaal is van het Koninkrijk Gods, dat' in ons' is.

 

Het denkbeeld dat aan dit ideaal ten grondslag ligt is dat uit een juiste instelling het juiste handelen voortvloeit, en dat er geen genezing en geen verbetering van de wereld bestaat, die niet bij het individu zelf begint.

 

Wie zelf een pauper of parasiet is zal het maat­schappelijk probleem nooit oplossen - om het eens kernachtig uit te drukken.

  

 

Persona en anima

Verzameld werk Ė deel 3

 

 

De persona is een gecompliceerd relatiesysteem tussen het individuele bewustzijn en de maatschappij, het is een soort masker, dat er enerzijds op berekend is om een bepaalde indruk op anderen re maken, en anderzijds om de ware aard van een individu te verbergen. Dat dit laatste overbodig is kan slechts iemand beweren, die dermate identiek is met zijn persona, dat hij zichzelf niet meer kent. Dat het eerste onnodig is, kan men zich slechts inbeelden wanneer men zich niet bewust is van de ware aard van zijn medemensen.

 

De maatschappij verwacht, en moet zelfs verwachten, dat ieder individu de hem toebedachte rol zo volmaakt mogelijk speelt, en dat dus iemand die dominee is, niet alleen objectief zijn ambtsfunctie uitoefent, maar ook altijd en onder alle omstandigheden de rol van een dominee zonder problemen vervult. De maatschappij verlangt dit als een soort zekerheid; iedereen moet op zijn eigen plaats blijven: de ťťn is schoenmaker, de ander dichter. Men verwacht niet dat iemand beide is. Het is ook niet raadzaam beide te zijn, want dat is een beetje vreemd. Zo iemand is immers 'anders' dan de anderen, hij is niet helemaal betrouwbaar.

 

In de academische wereld zou hij een' dilettant' zijn, in de politiek een 'onberekenbare' factor, religieus een Ďvrijdenkerí, kortom, hij zou de verdenking van onbetrouwbaarheid en ontoereikendheid op zich laden, want de maatschappij is ervan overtuigd dat alleen de schoenmaker, die niet ook nog eens dichter is, vakkundig gemaakte schoenen levert. De ondubbelzinnigheid van de persoonlijke verschijning is in de praktijk een belangrijke zaak, want de gemiddelde mens - de enige die de maatschappij kent - moet zijn hoofd bij een zaak kunnen houden om iets goeds te presteren: twee zaken zouden te veel voor hem zijn.

 

Onze maatschappij is zonder twijfel ingesteld op zulke idealen. Het is daarom geen wonder dat iedereen die iets wil bereiken, rekening moet houden met deze verwachtingen. Als individu kan natuurlijk niemand volledig aan deze verwachtingen voldoen, en daarom wordt de constructie van een kunstmatige persoonlijkheid een onontkoombare noodzaak. De eisen van fatsoen en goede zeden doen de rest bij het motiveren van een flatterend masker. Achter het masker ontstaat dan datgene, wat we 'privť-leven' noemen. Deze voldoende bekende splitsing van het bewustzijn in twee vaak belachelijk uiteenlopende figuren is een ingrijpende psychologische operatie, die niet zonder gevolgen voor het onbewuste kan blijven.

 

De constructie van een collectief geschikte persona beteken een geweldige concessie aan de buitenwereld, een ware zelfopoffering, die het ik regelrecht tot een identificatie met de persona dwingt, zodat er werkelijk mensen bestaan die geloven dat ze zijn wat ze voorstellen. De 'zielloosheid' van deze houding is echter slechts ogenschijnlijk, want het onbewuste verdraagt zo' n verschuiving van het psychische zwaartepunt absoluut niet.

 

Wanneer we dergelijke gevallen kritisch beschouwen, dan ontdekken we dat het voortreffelijke masker innerlijk gecompenseerd wordt door een' privť-leven'. De vrome Drummond klaagt er ergens over dat een 'slecht humeur de zonde van vrome mensen is'. Natuurlijk, want wie een persona opbouwt die te goed is, betaalt hiervoor met prikkelbare stemmingen. Bismarck leed aan hysterische huilbuien, Wagner voerde een correspondentie over ceintuurs van zijden kamerjassen, Nietzsche schreef brieven aan een 'lieve lama', Goethe voerde gesprekken met Eckermann, enzovoort.

 

Maar er bestaan geraffineerdere zaken dan de banale fouten van helden. Ik heb eens kennis gemaakt met een zeer eerbiedwaardige man, die gemakkelijk een heilige kon worden genoemd. Ik ging drie dagen lang met hem om, en kon bij hem geen enkele van de tekortkomingen van gewone stervelingen ontdekken. Mijn minderwaardigheidsgevoel nam bedenkelijke vormen aan, en ik begon er al serieus over te denken eens een beter mens te worden. Maar op de vierde dag kwam zijn vrouw mij consulteren... Sindsdien heb ik zoiets niet meer meegemaakt. Ik leerde echter hiervan dat iemand die ťťn wordt met zijn persona, al het storende door zijn vrouw kan laten uitbeelden, zonder dat zij dat merkt. Maar zij betaalt haar zelfopoffering met een ernstige neurose.

 

Deze identificaties met een maatschappelijke rol zijn in het algemeen rijke bronnen voor neurosen. Een mens kan zich nu eenmaal niet ongestraft van zichzelf ontdoen ten gunste van een kunstmatige persoonlijkheid. Alleen al de poging hiertoe ontketent in alle gewone gevallen onbewuste reacties: stemmingen, emoties, angsten, dwangvoorstellingen, zwakheden, ondeugden, enzovoort. De maatschappelijk 'sterke man' is in zijn privť-leven vaak een kind ten opzichte van zijn eigen gevoelstoestanden. Van zijn publieke discipline (die hij vooral ook van anderen verlangt) blijft privť slechts een jammerlijk restje over. Zijn 'plezier in het werk' heeft thuis een melancholiek gelaat; zijn 'vlekkeloze'

publieke moraal ziet er achter het masker merkwaardig uit - laten we hier niet over daden spreken, maar alleen over fantasieŽn - en ook de echtgenoten van dit soort mannen kunnen het een en ander vertellen. En wat betreft zijn onzelfzuchtig altruÔsme, daar zou je zijn kinderen over moeten horen.

 

In dezelfde mate waarin de wereld het individu verlokt tot identificatie met het masker, wordt hij ook prijsgegeven aan invloeden van binnenuit. 'Hoog staat op laag', zegt Lao-tse.

 

 Van binnenuit komt het tegen­deel naar voren, ja, het lijkt alsof het onbewuste met dezelfde macht het ik onderdrukt als waarmee dit laatste wordt aangetrokken door de per­sona. Het gebrek aan weerstand naar buiten toe, weerstand tegen de ver­lokkingen van de persona, betekent een soortgelijke zwakheid naar binnen toe, tegenover de invloeden van het onbewuste. Naar buiten toe wordt een effectieve en sterke rol gespeeld, maar innerlijk ontwikkelt zich een vrouwelijke zwakheid tegenover alle invloeden van het onbe­wuste: stemmingen en humeurigheid, angsttoestanden, ja zelfs een ver­vrouwelijkte seksualiteit (uitmondend in impotentie) krijgen geleidelijk de overhand.

 

De persona, het ideaalbeeld van de man zoals hij zou moeten zijn, wordt innerlijk gecompenseerd door een vrouwelijke zwakheid, en precies zoals het individu naar buiten toe de sterke man speelt, zo wordt hij in­nerlijk een vrouw, een anima, want het is de anima die tegenover de persona komt te staan. Omdat echter het innerlijk voor het extraverte bewustzijn duister en onzichtbaar is, en men bovendien zijn zwakheden minder goed ziet naarmate men meer identiek is met de persona, blijft ook de tegenhanger van de persona, de anima, volledig in het duister gehuld, en wordt daarom in eerste instantie geprojecteerd. De held komt hierdoor onder de plak van zijn vrouw. Wanneer haar macht aan­zienlijk toeneemt, dan verdraagt zij dat slecht. Ze wordt minder­waardig, en daardoor krijgt de man het welkome bewijs, dat niet hij zelf, de held, in zijn 'privťleven' minderwaardig is, maar zijn vrouw. Zijn vrouw heeft als compensatie de voor velen zo aantrekkelijke illusie ten minste met een held getrouwd te zijn, ongeacht haar eigen nutteloos­heid. Dit spel met illusies noemt men vaak 'levensinhoud' .

 

Evenals het omwille van de individuatie, de zelfverwerkelijking, onmis­baar is dat iemand zich kan onderscheiden van datgene wat hij zichzelf en anderen toelijkt, zo is het omwille van de individuatie ook noodzake­lijk dat hij zich bewust wordt van zijn onzichtbare relatiesysteem met het onbewuste, namelijk van de anima.

Op deze manier kan hij zich van haar onderscheiden. Van iets dat onbewust is kan men zich niet onder­scheiden.

Wat betreft de persona is het natuurlijk gemakkelijk iemand duidelijk te maken dat hij en zijn positie twee verschillende dingen zijn.

Van de anima daarentegen kan men zich veel moeilijker onderscheiden aangezien ze onzichtbaar is. Ja, men moet zelfs eerst het vooroordeel overwinnen dat alles wat van binnenuit komt, afkomstig zou zijn uit de oergrond van het allereigenste wezen.

 

 

De 'sterke man' zal wellicht toe­geven dat hij in zijn 'privť-leven' inderdaad bedenkelijk ongediscipli­neerd is, maar dat is nu eenmaal zijn eigen zwakheid, waarmee hij zich in zekere zin solidair verklaart. In deze neiging ligt natuurlijk een niet te versmaden culturele erfenis besloten. Wanneer iemand namelijk er­kent, dat zijn ideale persona verantwoordelijk is voor zijn verre van ideale anima, dan betekent dat een ondergraving van zijn idealen; de wereld wordt dubbelzinnig, hij zelf wordt dubbelzinnig. Hij gaat twij­felen aan het goede, erger nog, hij gaat twijfelen aan zijn eigen goede bedoelingen.

 

Wanneer we bedenken met welke machtige historische vooronderstellingen ons persoonlijkste idee van een goede bedoeling is verbonden, dan begrijpen we dat het bij onze heersende kijk op de we­reld aangenamer is persoonlijke zwakheden te betreuren, dan idealen te ondergraven.

 

Aangezien nu echter de onbewuste factoren evenzeer bepalende feiten zijn als de factoren die het leven van de maatschappij reguleren, en aan­gezien de eerste even collectief zijn als de laatste, kan ik even goed leren een onderscheid te maken tussen wat ik wil en datgene wat me door het onbewuste wordt opgedrongen, als een onderscheid tussen wat mijn po­sitie van mij eist en wat ik wens. In eerste instantie kunnen overigens al­leen maar de onverenigbare eisen van buitenaf en van binnenuit gezien worden.

 

Het ik staat daartussen, als tussen hamer en aambeeld. Maar te­genover het ik, dat meestal niets meer is dan een speelbal tussen uiter­lijke en innerlijke eisen, staat een moeilijk te benoemen instantie, die ik onder geen voorwaarde de bedenkelijke naam 'geweten' zou willen geven, hoewel dit woord in zijn beste betekenis heel goed bij deze in­stantie past. Wat er bij ons van het 'geweten' terecht is gekomen, heeft Spitteler met onovertroffen humor beschreven.

 

We moeten daarom maar zover mogelijk uit de buurt blijven van deze betekenis. We doen er vermoedelijk beter aan te beseffen dat het tragische spel van de tegen­stellingen 'binnen' en 'buiten' (in het boek Job en in de Faust be­schreven als een weddenschap met God) in wezen de energetica van het levensproces betekent - een spanning tussen tegenstellingen, die onmis­baar is voor de zelfregulering.

 

Hoe verschillend in uiterlijk en bedoe­lingen deze tegengestelde machten ook zijn, in wezen betekenen en willen ze het leven van het individu. Ze schommelen hier omheen als om het midden van de weegschaal. Juist omdat ze op elkaar betrokken zijn, verenigen ze zich ook in een gezamenlijke betekenis, die als het ware noodzakelijkerwijs, vrijwillig of onvrijwillig, uit het individu geboren wordt, en die daarom ook door hem aangevoeld wordt. Men voelt iets over wat er zou moeten en kunnen zijn.

 

Wanneer men afwijkt van dit vermoeden betekent dat een zijweg, dwaling en ziekte.

 

Het is waarschijnlijk geen toeval dat van het woord 'persona' onze mo­derne begrippen 'persoonlijk' en 'persoonlijkheid' afstammen.

Even­goed als ik over mijn ik kan beweren dat het persoonlijk is of een per­soonlijkheid, kan ik over mijn persona zeggen dat het een persoonlijk­heid is waarmee ik me min of meer identificeer. Het feit dat ik dan eigen­lijk twee persoonlijkheden heb, is niet zo opmerkelijk, aangezien elk au­tonoom of ook maar relatief autonoom complex de eigenaardigheid heeft als persoonlijkheid, respectievelijk gepersonifieerd op te treden.

 

Dit kunnen we heel gemakkelijk zien bij zogenaamde spiritistische ma­nifestaties zoals automatisch schrift en dergelijke. De geproduceerde zinnen zijn altijd persoonlijke uitspraken en worden in een persoonlijke ik-vorm gesteld, alsof achter elk geuit zinsfragment ook een persoonlijk­heid staat. Het naÔeve verstand denkt daarom meteen aan geesten. Iets dergelijks kunnen we zoals bekend ook zien bij hallucinaties van geestes­zieken, hoewel deze laatste vaak nog duidelijker dan de eerste slechts ge­dachten of fragmenten van gedachten zijn, waarvan vaak iedereen zonder meer het verband met de bewuste persoonlijkheid kan zien.

 

De neiging van relatief autonome complexen om zich rechtstreeks te personifiŽren, is ook de reden waarom de persona soms dermate 'per­soonlijk' optreedt, dat het ik gemakkelijk kan gaan twijfelen wat zijn 'ware' persoonlijkheid is.

 

Hetzelfde wat voor de persona, en in het algemeen voor alle autonome complexen geldt, gaat nu ook voor de anima op. Zij is eveneens een per­soonlijkheid, en daarom kan ze ook zo gemakkelijk op een vrouw worden geprojecteerd. Dat wil zeggen, ze wordt, zolang ze onbewust is, altijd geprojecteerd, want al het onbewuste wordt geprojecteerd.

 

De eerste draagster van dit zielenbeeld is altijd de moeder en naderhand zijn het vrouwen die bepaalde gevoelens in een man oproepen, onverschillig of deze positief of negatief zijn. Omdat de moeder de eerste draagster van het zielenbeeld is, is de scheiding van haar een delicate en belangrijke aangelegenheid van grote pedagogische betekenis. Daarom vinden we reeds bij primitieve volkeren vele rituelen, die deze scheiding in banen leiden. Alleen maar volwassen worden en een uiterlijke scheiding zijn niet voldoende; er zijn nog zeer diep ingrijpende inwijdingen tot man en ceremonieŽn van wedergeboorte nodig om de scheiding van de moeder, en daarmee van de jeugd, effectief te voltrekken.

 

Zoals de vader een bescherming tegen de gevaren van de buitenwereld vormt en op deze manier voor zijn zoon als voorbeeld voor de persona dient, zo betekent de moeder een bescherming tegen de gevaren die hem vanuit het duister van zijn ziel bedreigen. In de inwijding tot man wordt de initiant daarom onderricht over zaken omtrent 'gene zijde', waardoor hij in staat wordt gesteld zich te handhaven zonder de bescher­ming van zijn moeder.

 

De moderne cultuurmens moet deze, ondanks alle primitiviteit voor­treffelijke, pedagogische maatregel ontberen. Het gevolg daarvan is dat de anima in de vorm van het moederimago wordt overgedragen op de echtgenote met als resultaat dat de man zodra hij trouwt kinderlijk, sen­timenteel, afhankelijk en onderworpen wordt, of in het andere geval kribbig, tiranniek en overgevoelig, altijd bedacht op het prestige van zijn superieure mannelijkheid.

 

Dit laatste is natuurlijk alleen maar een omkering van het eerste. De bescherming tegen het onbewuste, die zijn moeder eerst voor hem betekende, is in de opvoeding van de moderne mens door niets vervangen. Daarom wordt het huwelijksideaal onbe­wust zo gevormd, dat de echtgenote zoveel mogelijk de magische moe­derrol moet overnemen.

 

Onder de dekmantel van het ideale exclusieve huwelijk zoekt de man eigenlijk bescherming bij de moeder, en komt zo verleidelijk tegemoet aan het bezitsinstinct van de vrouw. Zijn angst voor de duistere onberekenbaarheden van het onbewuste verleent de vrouw een illegitieme macht, en vormt het huwelijk om tot een zů 'in­nige gemeenschapí, dat het wegens innerlijke spanning voortdurend uit elkaar dreigt te springen - of anders gebeurt, uit protest, het tegendeel, met hetzelfde resultaat.

 

Ik ben van mening dat het voor bepaalde moderne mensen beslist nood­zakelijk is niet alleen in te zien dat ze van hun persona verschillen, maar ook van hun anima.

 

 

 

Visioenen

 

Begin 1944 brak ik mijn voet, en dat werd gevolgd door een hartinfarct. In een toestand van bewusteloosheid beleefde ik deliria en visioenen, die moeten zijn begonnen toen ik in direct levensgevaar verkeerde en men mij zuurstof en kamfer toediende. De beelden waren zů overweldigend dat ik zelf concludeerde dat ik de dood nabij was. Mijn verpleegster zei later: 'U was door een helder schijnsel omgeven!' Dat was een verschijnsel dat ze soms bij stervenden gezien had. Ik was bij de uiterste grens en wist niet of ik droomde of in extase was. In ieder geval speelden zich hoogst indruk­wekkende dingen af.

Het leek of ik me hoog boven in het wereldruim bevond. Ver onder me zag ik de aardbol, gedompeld in een heerlijk blauw licht. Ik zag de diep­blauwe zee en de continenten. Diep onder mijn voeten lag Ceylon en voor me lag het subcontinent van India. Mijn gezichtsveld omvatte niet de hele aarde, maar haar bolvorm was duidelijk te herkennen, en haar con­touren glansden zilverig door het wonderbaarlijke, blauwe licht. Op som­mige plaatsen leek de aarde kleurig of donkergroen gevlekt, zoals geoxideerd zilver. 'Links' lag in de verte een uitgestrekte vlakte - de roodgele woestijn van ArabiŽ. Het leek alsof het zilver van de aarde daar een rood­gele kleur had gekregen. Daarna kwam de Rode Zee, en, heel in de verte, ongeveer 'links boven', kon ik juist nog een stukje Middellandse Zee ont­dekken. Vooral daarop had ik mijn blikken gevestigd. Al het andere ver­scheen slechts onduidelijk. Ik zag weliswaar ook de sneeuwbergen van de Himalaya, maar daar was het nevelig of bewolkt. Naar 'rechts' keek ik niet. Ik wist dat ik op het punt stond de aarde te verlaten. Later heb ik geÔnfor­meerd hoe hoog je in de ruimte moet zijn om een dergelijk ver uitzicht te hebben. Dat bleek ongeveer 1500 km. te zijn! De aanblik van de aarde vanuit deze hoogte was het schitterendste en meest betoverende wat ik ooit heb beleefd.

Nadat ik dit alles enige tijd aanschouwd had, keerde ik me om. Ik had om zo te zeggen met de rug naar de Indische Oceaan gestaan, met het gezicht naar het noorden. Daarna leek het alsof ik een draai naar het zuiden maakte. Er kwam iets nieuws in mijn gezichtsveld. Op geringe afstand zag ik in de ruimte een geweldige donkere steenklomp, zoals een meteoriet - ongeveer ter grootte van mijn huis, misschien nog groter. De steen zweefde in het heelal, en ik zweefde in het heelal.

Soortgelijke stenen heb ik aan de kust van Bengalen gezien. Het zijn blokken zwartbruin graniet, waarin soms wel eens tempels worden uitgehouwen. Zo'n reusachtig donker blok was ook mijn steen. Een ingang leidde naar een klein portaal. Rechts zat op een stenen bank een donkere IndiŽr in lotuszit. Hij droeg een wit gewaad en verkeerde in een volkomen ontspan­nen houding. Zo wachtte hij me op - zwijgend. Twee treden leidden naar dit portaal; hier was links de poort naar de tempel. Ontelbare, in kleine nisjes aangebrachte holten gevuld met kokosolie en brandende kaarsenpitten, omgaven deze ingang met een krans heldere vlammetjes. Dat had ik ook eens in werkelijkheid gezien. Toen ik in Kandy op Ceylon de tempel van de Heilige Tand bezocht was de poort omlijst door een paar rijen van dergelijke brandende olielampjes.

Terwijl ik de treden naar de ingang in de rots naderde gebeurde er iets merkwaardigs met me: ik had het gevoel of alles wat ik tot dan had mee­gemaakt van me afgenomen werd. Al mijn meningen, mijn wensen en ge­dachten, de hele fantasmagorie van het aardse bestaan viel van me af, of werd me ontroofd - een uiterst pijnlijk proces. Maar er bleef ook iets over, want het was alsof ik alles wat ik ooit beleefd had of gedaan had, alles wat om me heen gebeurd was, nu bij me had. Ik zou ook kunnen zeggen: het was bij mij en dat was 'ik'. Ik bestond er om zo te zeggen uit. Ik bestond uit mijn verleden en had absoluut het gevoel: dat ben 'ik' nu. 'Ik ben deze bundeling van wat volbracht en geweest is'. - Deze belevenis gaf me het gevoel van uiterste armoede, maar tegelijk van grote bevrediging. Er was niets meer dat ik verlangde of wenste, maar ik bestond als het ware objec­tief: ik was datgene wat ik doorleefd had. Aanvankelijk overheerste wel­iswaar een gevoel van vernietiging, van beroofd zijn of geplunderd zijn, maar plotseling viel dat ook weg. Alles leek voorbij, het bleef een fait ac­compli, zonder enige binding met het vroegere. Ik voelde geen spijt meer dat iets weggevallen of afgepakt was. Integendeel: ik had alles wat ik was en ik had alleen dat.

Nog iets anders hield me bezig: toen ik de tempel naderde was ik er zeker van dat ik in een verlichte ruimte zou komen en dat ik daar al die mensen zou aantreffen waar ik in werkelijkheid bij hoorde. Daar zou ik - ook dat was een zekerheid - eindelijk begrijpen in welke historische samenhang ik, of mijn leven, thuishoorde. Ik zou weten wat er vůůr me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen. Het leven dat ik had geleefd was me vaak als een verhaal voorgekomen dat geen begin en geen eind heeft. Ik had het gevoel een historische perikoop te zijn: een stuk tekst waaraan het voorafgaande en volgende gedeelte ont­breken. Het leek alsof mijn leven met een schaar uit een lange keten was geknipt, en veel vragen waren onbeantwoord gebleven. Waarom is het zů gegaan? Waarom heb ik deze uitgangspunten meegebracht? Wat heb ik daarmee gedaan? Wat zal eruit volgen? Op al deze vragen - daar was ik zeker van - zou ik een antwoord krijgen zodra ik de stenen tempel was binnengetreden. Daar zou ik inzien waarom alles zů en niet anders geweest was. Ik zou daar bij de mensen komen die het antwoord op mijn vragen naar het ervoor en erna weten.

Terwijl ik nog over deze dingen nadacht, gebeurde er iets dat mijn aandacht trok: van beneden, vanuit Europa, steeg een gedaante omhoog. Het was mijn arts, of beter gezegd, zijn beeltenis, omlijst door een gouden ketting of lauwerkrans. Ik wist meteen: 0 ja, dat is mijn dokter die me behandeld heeft. Maar nu komt hij in zijn oergestalte; een Basileus van Kos. [* Basileus = koning, Kos was in de oudheid beroemd om zijn Asklepios-tempel en was de geboorteplaats 'van de arts Hippocrates (vijfde eeuw voor Christus) ]

Tijdens zijn leven was hij een avatar (incarnatie) van deze Basileus, de tijdelijke belichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan. Nu komt hij in zijn oergestalte.

Vermoedelijk was ook ik in mijn oergestalte. Dat had ik weliswaar niet waargenomen; ik stel me alleen voor dat het zo geweest is. Nadat hij als een beeld uit de diepte naar me was toegezweefd en voor me stond, vond een stille gedachte-uitwisseling tussen ons plaats. Mijn arts was namelijk door de aarde afgevaardigd om me een boodschap te brengen: er werd tegen geprotesteerd dat ik op het punt stond heen te gaan. Ik mocht de aarde niet verlaten en moest terugkeren. Op het moment dat ik dat vernam eindigde het visioen.

Ik was ten diepste teleurgesteld, want nu leek alles tevergeefs. Het pijnlijke proces van de 'ontbladering' was tevergeefs geweest en ik mocht de tempel niet in, niet naar de mensen die bij me hoorden.

 

In werkelijkheid gingen er nog ruim drie weken heen, voordat ik kon besluiten weer te leven. Ik at niet omdat elk voedsel me tegenstond. Het uitzicht op de stad en de bergen vanaf mijn ziekbed leek me net een beschilderd gordijn met gaten, of een krant vol gaten en met foto's, die me niets zeiden. Teleurgesteld dacht ik: Nu moet ik weer in het 'kistjes­systeem'! Het leek me namelijk alsof achter de horizon van de kosmos een driedimensionale wereld kunstmatig was opgebouwd, waar elk mens voor zich alleen in een kistje zat. En nu zou ik me weer moeten inbeelden dat dat iets waard was! Het leven en de hele wereld leken me een gevangenis, en ik ergerde me er grenzeloos over dat ik dat weer heel gewoon zou vinden. Ik was net zo blij geweest dat eindelijk alles van me afgevallen was, en nu was het alweer alsof ik - zoals alle andere mensen - aan draden opgehangen was binnen in een kistje. Toen ik in de ruimte stond, was ik gewichtloos en niets had er aan me getrokken. En dat moest nu alweer afgelopen zijn!

In stilte maakte ik mijn arts verwijten omdat hij me weer tot het leven had teruggebracht. Maar ook was ik bezorgd om hem: Mijn God, hij is in gevaar! Hij is immers in zijn oergedaante verschenen! En als iemand deze gedaante heeft bereikt is het zover dat hij moet sterven. Dan hoort hij al bij de kring van 'zijn mensen'. - Plotseling kwam de ontstellende gedachte bij me op dat hij moest sterven - in mijn plaats! Ik deed de grootste moeite er met hem over te praten, maar hij begreep me niet. Toen werd ik boos op hem. Waarom doet hij steeds alsof hij niet weet dat hij een Basileus van Kos is? En dat hij zijn oergestalte al heeft aangenomen? Hij wil me laten geloven dat hij het niet weet! Dat ergerde me. Mijn vrouw verweet me dat ik onvriendelijk tegen hem was. Ze had gelijk; maar ik nam het hem uiterst kwalijk dat hij niet wilde spreken over al datgene wat ik in mijn visioen met hem had beleefd. God nog aan toe, hij moet toch oppassen, hij kan toch niet zo onvoorzichtig zijn! Ik zou hem graag zeggen dat hij beter op zichzelf moet letten! Ik had de vaste overtuiging dat hij in gevaar was, omdat ik hem in zijn oergestalte ontmoet had.

Inderdaad was ik zijn laatste patiŽnt. 4 april 1944 - ik weet de datum nog precies - mocht ik voor het eerst op de rand van het bed zitten. Diezelfde dag moest hij bedrust nemen en hij is niet meer opgestaan. Ik hoorde dat hij koortsaanvallen had. Spoedig daarna is hij aan septicaemie (bloed­vergiftiging) gestorven. Hij was een goed arts en had iets geniaals. Anders was hij me ook niet als Vorst van Kos verschenen.

 

In die weken leefde ik in een merkwaardig ritme. Overdag was ik meestal gedeprimeerd. Ik voelde me zwak en ellendig en durfde me nauwelijks te bewegen. Terneergeslagen dacht ik: Nu moet ik weer deze grauwe wereld in. - Tegen de avond viel ik in slaap en ik sliep tot ongeveer middernacht. Dan kwam ik tot mezelf en was wellicht een uur lang wakker, maar dan in een volledig veranderde toestand. Ik was als in extase, of in een toestand van allergrootste zaligheid. Ik voelde me alsof ik in de ruimte zweefde, alsof ik in de schoot van het heelal was geborgen - in een reusachtige leegte, maar vervuld van het grootst mogelijke geluksgevoel. - Dat is de eeuwige zaligheid, dat kun je volstrekt niet beschrijven, het is veel te wonderbaarlijk, dacht ik.

Ook de omgeving leek betoverd. Op dat nachtelijk uur warmde de ver­pleegster wat eten voor me op, want alleen dan had ik trek in eten. Een tijdlang meende ik dat ze een oude Jodin was, veel ouder dan ze in werke­lijkheid was, en dat ze rituele koosjere spijzen voor me bereidde. Als ik naar haar opkeek was het alsof ze een blauwe lichtkrans om haar hoofd had. Ik zelf - zo leek het me - bevond me in het Pardes rimmonim, de Tuin der Granaatappels, en daar vond de bruiloft van Tifereth en Malchoeth plaats. [*'Pardes rimmonim' is de titel van een kabbalistisch traktaat van Mose Cordovero uit de zestiende eeuw. Malchoeth en Tifereth zijn volgens kabbalistische opvatting twee van de tien sferen van goddelijke manifestaties, waarin God uit zijn verborgenheid tevoorschijn treedt. Ze beelden een vrouwelijk en een mannelijk principe binnen de godheid uit ]

Of ik was als Rabbi Simon ben Jochai, wiens bruiloft aan gene zijde werd gevierd. Het was de mystieke bruiloft, zoals deze in traditionele kabbalistische voorstellingen beschreven wordt. Ik kan u niet zeggen hoe wonder­baarlijk dat was. Ik kon alleen maar voortdurend denken: Dat is nu de Tuin der Granaatappels! Dat is nu de bruiloft van Malchoeth en Tifereth! Ik weet niet precies welke rol ik daarin speelde. Welbeschouwd was ik het zelf: ik was de bruiloft. En mijn zaligheid was die van een zalige bruiloft. Geleidelijk aan verbleekte de beleving van de Tuin der Granaatappels en veranderde in iets anders. Nu kwam de 'Bruiloft van het Lam' in een feestelijk getooid Jeruzalem. Ik ben niet in staat de bijzonderheden daarvan te beschrijven. Het waren onbeschrijfelijke toestanden van zaligheid. Er waren engelen en er was licht. Ik zelf was de 'Bruiloft van het Lam'.

Ook dat verdween, en er verscheen een nieuw tafereel - het laatste visioen. Ik wandelde door een breed dal, dat uitliep in een zacht glooiende helling. Het einde van dit dal werd gevormd door een antiek amfitheater, dat prachtig in het groene landschap lag. En daar, in dit theater, vond de hieros­gamos (heilig huwelijk) plaats. Dansers en danseressen traden op en op een met bloemen getooid rustbed voltrokken de Alvader van Zeus en Hera de hierosgamos, zoals deze in de Ilias beschreven is.

Al deze gebeurtenissen waren heerlijk, ik was de ene nacht na de andere in de zuiverste zaligheid gedompeld, 'omzweefd door beelden van allerlei crea­turen'. Geleidelijk aan vloeiden de motieven ineen en verbleekten. Meestal duurden de visioenen ongeveer een uur; dan sliep ik weer in, en al tegen de morgen voelde ik: nu komt de grauwe ochtend weer! Nu komt de grauwe wereld met haar cellensysteem! Wat een nonsens, wat een ver­schrikkelijke onzin! Want deze innerlijke toestanden waren zo fantastisch, dat daarbij vergeleken de wereld gewoonweg belachelijk leek. Naarmate ik weer dichter bij het leven kwam, nauwelijks drie weken na het eerste visioen, hielden de visionaire toestanden op.

Je kunt je geen voorstelling maken van de schoonheid, van de intensiteit van het gevoel tijdens de visioenen. Ze waren het geweldigste dat ik ooit heb meegemaakt. En dan dit contrast, de dag! Overdag was alles een kwelling, mijn zenuwen konden absoluut niets meer verdragen. Alles irri­teerde me. Alles was te materieel, te grof en te zwaar, ruimtelijk en gees­telijk beperkt, met onduidelijke bedoelingen kunstmatig ingeperkt - en toch bezat dit alles een soort hypnotische kracht waardoor het geloofwaardig werd, alsof het de werkelijkheid zelf was, terwijl men haar nietigheid toch  duidelijk had ingezien. In feite ben ik, ondanks een opnieuw opgevijzeld geloof in de wereld, nooit meer helemaal losgekomen van de indruk dat het 'leven' een fragment van het bestaan is, dat zich afspeelt in een hiertoe gereserveerd driedimensionaal wereldsysteem.

Eťn detail herinner ik me nog nauwkeurig. In het begin, ten tijde van het visioen van de Tuin der Granaatappels, vroeg ik de zuster om verontschul­diging als ze schade mocht oplopen: er was een grote heiligheid in het ver­trek. Dat was gevaarlijk en kon schadelijk voor haar zijn. Natuurlijk begreep ze me niet. Voor mij was de aanwezigheid van het heilige een betoverende atmosfeer, maar ik vreesde dat ze voor anderen onverdraaglijk was. Daar­om verontschuldigde ik me dat ik er zelf immers niets aan kon doen. Destijds heb ik begrepen waarom men over de ruimtevullende 'geur' van de Heilige Geest spreekt. Dat was het. Er was in het vertrek een pneuma van onuitsprekelijke heiligheid, waarvan de verduidelijking het Mysterium Coniunctionis was.

Ik had nooit gedacht dat je zo iets zou kunnen beleven, dat een voortduren­de zaligheid ook maar mogelijk was. De visioenen en gebeurtenissen waren volkomen reŽel, niets was ingebeeld, maar alles was uiterst objectief.

 

Je voelt een zekere schroom om de uitdrukking 'eeuwig' te gebruiken, maar ik kan deze beleving slechts als zaligheid van een niet-tijdelijke toestand omschrijven, waarin heden, verleden en toekomst ťťn zijn. Alles wat in de tijd gebeurt, was daar samengevat tot een objectieve totaliteit. Niets was meer uitgesplitst in de tijd, of kon naar tijdelijke begrippen gemeten worden. Deze beleving zou je het beste als een toestand kunnen omschrij­ven - als een gevoelstoestand, die je je echter niet voor kunt stellen. Hoe kan ik me voorstellen dat ik tegelijkertijd ben als eergisteren, vandaag en overmorgen? Dan zou er iets nog niet begonnen zijn, iets anders was duide­lijk heden en nog iets anders was al beŽindigd - en toch was alles ťťn. Het enige dat het gevoel nog zou kunnen vatten zou een som zijn, een steeds van kleur wisselende totaliteit, waarin de verwachting over het beginnende evenzeer besloten ligt als de verrassing over het zojuist gebeurde en de be­vrediging of teleurstelling over het resultaat van het voorbije. Een on­beschrijfelijk geheel, waarmee je zelf verweven bent - en toch neem je het volledig objectief waar.

 

 

De ervaring van deze objectiviteit had ik later nog eens. Dat was na de dood van mijn vrouw. Ik zag haar in een droom, die op een visioen leek. Ze stond op enige afstand en keek me recht in de ogen. Ze was in de bloei van haar leven, ongeveer dertig jaar, en droeg de japon die mijn nicht, het medium, jaren geleden voor haar had gemaakt. Het was wellicht het mooiste dat ze ooit gedragen heeft. De uitdrukking van haar gezicht was niet op­gewekt en niet treurig, maar objectief wetend en kennend, zonder de minste  emotie. Het was alsof ze aan gene zijde van de nevels der affecten was. Ik wist dat zij het niet zŤlf was, maar een beeld dat ze speciaal voor mij daar had neergezet of teweeggebracht. Het bevatte het begin van onze relatie en alles wat er tijdens drieŽnvijftig jaar huwelijk gebeurd was, en ook het eind van haar leven. Tegenover zo'n totaliteit sta je sprakeloos, want je kunt dat nauwelijks vatten.

De objectiviteit die ik in deze droom en in de visioenen beleefde, hoort bij de voltooide individuatie. Ze betekent een afstand doen van waardeoordelen en van datgene wat we gevoelsbindingen noemen. Over het algemeen hecht de mens zeer veel waarde aan gevoelsbindingen, maar deze bevatten altijd nog projecties, die teruggenomen moeten worden, wil men tot zichzelf en tot objectiviteit komen. Gevoelsrelaties zijn relaties vol begeerte, belast met dwang en onvrijheid; je verwacht iets van de ander waardoor deze en jij zelf onvrij worden. De objectieve kennis staat achter de gevoelsmatige betrokkenheid; zij schijnt het centrale geheim te zijn. Pas door haar is werkelijke coniunctio mogelijk.

 

 

Na deze ziekte begon voor mij een tijd van vruchtbare arbeid. Mijn belang­rijkste werken zijn voor een deel pas daarna ontstaan. Deze kennis, of het aanschouwen van het einde van alle dingen, gaf me de moed nieuwe formu­leringen te gebruiken. Ik probeerde niet meer mijn eigen mening door te zetten, maar vertrouwde me toe aan de stroom van de gedachten. Zo kwam het ene probleem na het andere naar me toe en vond zijn eigen vorm.

Er was echter nog iets anders dat het gevolg was van mijn ziekte. Ik zou het kunnen formuleren als een ja-zeggen tot het 'zijn' - een 'ja' zonder voorbehoud tot datgene wat is. zonder subjectieve tegenwerpingen. De voorwaarden van het bestaan accepteren, zoals ik ze zie, zoals ik ze opvat. En mijn eigen wezen accepteren zoals ik nu eenmaal ben. Bij het begin van mijn ziekte had ik het gevoel dat mijn instelling niet juist was en dat ik daarom in zekere zin verantwoordelijk was voor het ongeval. Maar als je de individuatieweg gaat, als je het leven leeft, moet je ook de vergissingen op de koop toe nemen, anders zou het leven niet volledig zijn. Er bestaat geen garantie - op geen enkel ogenblik - dat we niet op een dwaalspoor raken of in een dodelijk gevaar terechtkomen. Men meent wellicht dat er een veilig pad bestaat. Maar dat is het pad van de doden. Dan gebeurt er niets meer, of in geen geval het juiste. Wie de veilige weg neemt, is zo goed als dood.               

Pas na mijn ziekte begreep ik hoe belangrijk het ja-zeggen tegen het eigen lot is. Want pas dan is er een 'ik' aanwezig dat ook niet te kort schiet als er iets onbegrijpelijks gebeurt. Een 'ik' dat volhoudt, dat de waarheid ver­draagt en dat opgewassen is tegen de wereld en het noodlot. Dan heb je met een nederlaag ook een overwinning behaald. Niets wordt verstoord - buiten noch binnen, want de eigen continuÔteit heeft standgehouden in de stroom van het leven en van de tijd. Maar dat kan alleen gebeuren als je je niet betweterig in de plannen van het lot mengt.

Ik ben ook tot het inzicht gekomen dat het denken dat zich in ons vol­trekt als een feitelijke aanwezigheid aanvaard moet worden, aan gene zijde van alle waardeoordelen. De categorieŽn van waar en onwaar zijn wel altijd aanwezig, maar ze staan niet-verbindend terzijde - want de aanwezig­heid van gedachten op zich is belangrijker dan hun subjectieve beoordeling. Maar ook deze waardeoordelen zijn op zich weer aanwezige gedachten die we niet mogen onderdrukken, want ook zij behoren tot de verschijning van de totaliteit.

 

Bron:

Jung - Herinneringen, dromen en gedachten Ė geredigeerd door Aniela Jaffť Ė ISBN 90-6069-306-x 

 

 

                                 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL