Tot het ruimteloze verinnigd tot het tijdloze ingewijd tot al vervolkomen, leef ik de vreugde van het nu in het onvatbaar ogenblik.
Nu niets meer kan veranderen terwijl de stromen vloeien kan ik liefdevol sterven: vonk uit een leven dat nooit vergaat.
Pinksteren 1999
uit "Zangen van Ongrond"
Erik van Ruysbeek (1915-2004)
De naam Pinksteren is afgeleid van het Griekse woord 'pentekoste' dat vijftigste (dag) betekent. Het is het feest van de vijftigste dag na Pasen.
In de christelijke kerken wordt herdacht dat de Heilige Geest neerdaalde over de apostelen. Deze geschiedenis wordt beschreven in het Nieuwe Testament, De Handelingen der Apostelen 2:1-6. Op Pinksteren verspreidden zich tongen als van vuur over de apostelen. Deze begonnen daarop alle volken in hun eigen taal toe te spreken. Het betekende het begin van de verbreiding van het christendom.
"Wie gij de zonden kwijtscheldt, zijn ze ook vergeven,
en rekent gij ze toe - Ik straf hen voor hun kwaad."
Tot tweemaal toe sprak Hij Zijn woord van vrede
opdat die hen geheel vervullen mocht:
want wie Hij uitzendt, wordt
door Zijn gebeden gedragen tot zijn laatste ademtocht
Nel Benschop – uit: ‘hemel-hoog & aarde-diep’
03. Laat mij, Heer
Laat mij, Heer, door de kracht van Uw Geest elke dag een wonder verrichten, een klein wonder van liefde, dat steeds een ziel uit het duister zal lichten, een wonder dat weer hoop schenkt en moed, dat treurenden vreugd'vol laat loven en zelfs harten van steen trillen doet.
Heer, schenk mij die geestkracht van boven!
Laat mij, Heer, door uw Geest onbevreesd met vuur'ge tong de vlam ontsteken op plaatsen waar Uw liefd' is geweest, doch voor kou reeds lang is geweken.
Geef mij de kracht die Simson bezat wereldse tempels te vernielen en te bouwen de hemelse stad in verdwaalde, zoekende zielen.
Frits Deubel
04. De Heilige Geest
Het leren leven uit Zijn kracht, is wat de Heil'ge Geest mij geeft, opdat een bronwel, fris en rein, met levend water mij omgeeft. Het wekt mij op, bezielt, verkwikt en laat met vuur'ge tongen zien, wie ík wil zijn in deze tijd en welke Geest ík heden dien.
'k Zie voor mijn oog de tempelbeek, waarin Ezechiël mag gaan. Ik hoor hoe hem een stem verzoekt er tot zijn enkels in te staan. En verder moet hij, tot de beek weldra tot aan zijn knieën reikt, daarna zelfs tot zijn heupen gaat en nog die stem niet van hem wijkt.
Totdat hij merkt, de tempelbeek uiteind'lijk ondoorwaadbaar blijkt. Helaas kan hij er niet meer staan, slechts zwemmen thans het beste lijkt. Het woord klinkt: "Hebt gij het gezien? Nu keren wij hier samen om." Dan zwijgt in mij dit wond're beeld en ik weer bij mijzelf uitkom.
Ik ben terug op aard en denk: Als 't vuur des Geestes in mij gloeit, de goddelijke tempelbeek als 'n stroom van levend water vloeit, die troost, bemoedigt en versterkt en mij vervult geheel en al, dat ik dan als Ezechiël mij daarin vrij'lijk werpen zal!
Geest van de Heer, geef ons weer zicht op 't woord dat Petrus tot ons richt, opdat we niet in Jezus' naam de weg der minste weerstand gaan.
Blijf voor Uw kerk realiteit ook dan, als Gij haar niet bevrijdt en de omweg van Uw geduld verleidt tot rebellie en schuld.
Gij kent ons strijdbaar christenhart, dat levenslang Uw leiding tart. Heer van de Geest, doe ons voortaan Uw lange weg met geestdrift gaan onder de tongen van Uw vuur getuigend van Uw grote uur.
Gesluierd ging ik door het leven een waas bedekte mijn gezicht hoe moest ik ware Liefde geven het duister verjagen voor het Licht?
Waar is Uw Shaloom? Waar is Uw vrede? Waar is Uw kracht, o Heer, in mij?
Hoe moet ik overwinnend leven? Waar is Uw blijdschap? Wanneer ben ik vrij?
"Ontvang Mijn Geest, kind, Ik wil Hem jou geven Hij schenkt jou alles wat jij begeert. Shaloom en vrede, kracht en vreugde als Mijn Heilige Geest in jouw leven regeert.
Dan is het Pinksteren, ook in jouw leven als Mijn Geest als een duif op jou nederdaalt. Dan ben je vrij, kun je werkelijk leven geen sluier bedekt dan nog jouw gelaat."
Waar is de Geest van Pinksteren gebleven, doorzindert dan die gloed niet meer ons leven. Waar is de vlam,is hij gans opgebrand, Houdt ik slechts as,verkoolde resten in mijn hand?
Waar is de wind die waaide door ons leven, wordt niemand dan meer door Zijn kracht gedreven. Is het vuur van Pinksteren gedoofd, wordt in de kracht des Geestes niet geloofd?
Waar is de drang die ons weer noopt tot spreken, moet dan de Geest de mond niet openbreken. Moet dan de hele wereld niet verstaan, de grote werken die de Here heeft gedaan?
Nog klinkt ons toch uw opdracht in de oren, "Gaat heen,doet alle volken van Mij horen" "Want Ik heb eeuwige zaligheid beloofd, aan iedereen die in Mijn woord geloofd".
Doe dan o Heer het Pinkstervuur weer branden, Gij voert ten hemel op met zegenende handen. Laat dan die Zegen dalen op ons hoofd, ontsteek in 't hart de vlam die bijna was gedoofd.
Dan worden wij weer door Uw sterke wind gedreven. Dan zal het Pinkstervuur weer branden in ons leven. Dan worden wij opnieuw bezield door Uwe Geest. Dan viert Uw kerk op aarde weer echt Pinksterfeest!
‘Waar twee of drie in Mijn naam tezamen zijn, daar ben Ik in hun midden’, heeft de Christus gezegd. Wanneer voor enig doel de mensen bij elkaar komen, dan kan een samenbundeling van krachten – zielenkrachten – plaats hebben, die hen in staat stelt tot een verhoogde ontvankelijkheid.
Op de dag van Pinksteren, nog kort nadat de apostelen de Heiland voor het laatst aanschouwd hadden, waren zij bijeen gekomen, vervuld van droefheid en ongetwijfeld tot het uiterste gevoelig geworden door de overstelpende gebeurtenissen, die na de gevangenneming van Jezus elkander hadden opgevolgd. Toen zij daar bijeen waren, aangevuld met Matthias, die ter vervanging van Judas was gekozen, geschiedde het dat, als een bruisende windvlaag en als een vuur dat hen in beroering bracht, de Heilige Geest zich over hen uitstortte. Voor de bovenzinnelijke aanschouwing werd de aura rondom hun hoofden ongewoon helder lichtend, zodat het was of er vurige tongen boven hen waren, zoals Lucas beschrijft. De uitstorting van de Geest was bij hen ook zichtbaar geworden.
Voor de anderen die er bij kwamen, was het eveneens een verwonderlijke gebeurtenis, want allen, onder wie ook vreemdelingen uit verschillende landen, konden deze Galileeërs verstaan. Nu is het ‘met tongen spreken’ een bekend feit, dat in die tijd nog veelvuldig voorkwam. Wij mogen er echter ook nog een ander aspect in zien en wel, dat mensen, die waarlijk uit de geest denken en spreken, elkaar verstaan.
Wij zullen de betekenis van de Pinkstergebeurtenis eerst in enkele grote lijnen bezien.
De evolutie van de mensheid valt te onderscheiden in twee delen, de tijd vóór en de tijd sedert de komst van Christus. Voordat deze plaatsvond, werd de mens, die innerlijk nog chaotisch was, geordend, tot op zekere hoogte uiteraard. Wij kunnen dat nog het duidelijkst waarnemen bij Israël, waar aan deze ordening nog een bijzonder doel was verbonden: de voorbereiding van de komst van Christus. Hier was het de Wet van Mozes, die de ordening in het denken bracht, allereerst de tien Geboden uit Exodus 20:3-17 en voorts de talloze minutieuze voorschriften in hetzelfde en in de drie volgende boeken.
Maar ook bij andere volkeren kwamen er wetten die ordening brachten. Deze wetgevingen hadden een zekere functie bij de vorming van het denken, maar bij die van Mozes was dit in een zeer bijzondere mate het geval.
Zoals uit de geschiedenis van Jacob en die van Odysseus zichtbaar wordt, bestond de eerste fase van het denken uit de sluwheid en de listigheid. Tekenend hiervoor is het – overigens onwaarschijnlijke – verhaal van Herodotus, dat farao Ramses II, die geen zoon had om hem op te volgen, de slimste dief van het land uit bewondering voor diens intelligentie met zijn dochter liet huwen. Wij kunnener echter uit zien, hoezeer in Egypte de intelligentie in ere was.
Uit die fase der listigheid is tot op heden overgebleven, dat bij veel mensen het denken nog steeds een aangelegenheid is van het berekenend verstand, dat in dienst van het eigenbelang wordt gesteld. Niet echter bij allen is dit het geval; in de loop van het vierde tijdperk reeds begon bij een zeker aantal mensen, allereerst de wijsgeren, het denken zich bezig te houden met morele normen. Dit luidde de overgang in van het denken bij de ‘natuurlijke mens’ tot het geestelijk gerichte denken.
In het ‘midden der tijden’ had de komst van Christus plaats. De mensheid, welker zielenbewustzijn sedert de ‘zondeval’ steeds verder naar de aardewereld toe was gegroeid, moest de impuls ontvangen om de weg terug, d.i. tevens de weg omhoog, te gaan betreden, hetgeen moest geschieden met behoud van de verworven vrijheid en onder het verder ontwikkelen van de individualiteit.
De komst van Christus luidt het hier bedoelde tweede deel van de weg der evolutie in. Drie jaren verblijft de Heiland bij de mensen, hen lerend dat naastenliefde de normale verhouding tussen hen behoort te zijn, en metterdaad laat Hij zien, dat de hoogste liefde gelegen is in het geven van zichzelf.
Na zijn hemelvaart zendt de Verlosser, zoals Hij beloofd heeft, de mensen de heilige Geest toe. Op dat merkwaardige Pinksterfeest geschiedt het voor de eerste keer, maar Hij wil ons deze te allen tijde toezenden, en wel opdat wij op een nieuwe wijze zullen gaan denken, met inschakeling van de naastenliefde en de morele factor.
Degenen die dit niet doen en het denken alleen een berekende en combinerende functie toekennen, worden in de brief aan de gemeente te Sardes toegesproken (Openb. 3:1). ‘Ik weet uw weken, (ik weet) dat gij de naam hebt te leven, maar gij zijt dood’. Hiermede wordt bedoeld, dat hun denken dood is. Het denken uit de geest daarentegen wordt gevoed uit de geestelijke wereld en schenkt ons een levend bewustzijn. Het is de geest, die levend maakt en die alles nieuw maakt.
In de brief aan de Romeinen staan enige woorden, die een licht werpen op de betekenis van de Pinkstergebeurtenis: ‘Hervormt u door de vernieuwing van uw denken’ (12:2). In de oorspronkelijke tekst wordt dit niet in de aoristvorm gezegd, die er een aansporing voor één keer van zou hebben gemaakt; deze woorden gelden dus voor altijd.
De Pinkstergebeurtenis is niet iets voor één keer geweest; zij was een begin. Christus heeft bij de afscheidswoorden kort voor zijn gevangenneming gezegd, dat hij na zijn heengaan de trooster (parakletos) zou zenden, de geest der waarheid. Dit geldt voor alle tijden.
Men heeft aangaande de betekenis van Pinksteren wel eens gemeend, dat de heilige Geest alleen zou werken in en vanuit de gemeente der gelovigen. Dit is echter een te beperkte opvatting. Weliswaar geeft het samenkomen van een groep mensen een verhoogde ontvankelijkheid, maar de heilige Geest is er ook voor de enkeling.
Dit laatste brengt de vraag met zich mee: hoe kan de individuele mens de geest ontvangen?
Diep in ons hart weten wij het allen: dit kan geschieden door het gebed, en ook door meditatie en concentratie. Bij het bidden komt het vooral aan op de juiste zielenhouding en op het concentreren van de gedachten op Hem, tot wie men zich richt. Men kan zich wenden tot God, maar ook tot de Verlosser;Hij toch maakt deel uit van Gods wezen en is het tot ons gewende deel daarvan.
Tot God of tot Christus richt men zich met de gehele mens, met het denkend verstand, maar ook met de liefde (met geheel uw hart) en met al zijn kracht. Dat laatste niet in een poging om zijn eigen wil door te zetten; dat zou ook niet baten, maar wel de kracht der liefde.
Het is eveneens mogelijk, woordloos te bidden, want voor de Hemel is niets van ons wezen verborgen, zelfs onze intiemste gedachte niet. Dit wordt voorspelbaar wanneer men denkt aan de woorden, die Paulus aanhaalt bij zijn rede op de Areopagus te Athene over God sprekende zegt de apostel: ‘…hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enigen van uw dichters hebben gezegd’.
Het is aanbevelenswaardig, na het overdenken of uitspreken van wat men zou willen vragen, zwijgzaam te worden en te ‘luisteren’. Men houdt daarbij dus op actief te denken en stelt zich open om te ontvangen. Immers, zolang wij eigen gedachten vormen, kunnen wij daarmee een belemmering opwerpen voor datgene, wat tot ons wil komen. Men zij niet ontmoedigd als het antwoord niet dadelijk komt; de tijd van God is een andere dan die van de mens.
Een goede methode is ook de volgende: ’s avonds voor het slapen gaan stelt men zijn vraag. Het antwoord vinden wij dan vaak bij het ontwaken, want op dat ogenblik zijn wij het meest ontvankelijk voor bovenzinnelijke belevenissen; wij gevoelen het antwoord dan veelal in ons bewustzijn aanwezig.
Tenslotte nog iets dat Steiner hieromtrent heeft gezegd: wanneer wij de vaste overtuiging hebben dat onze bede verhoord zal worden, dan wordt deze verhoord. (Wellicht is het er als volgt mee gesteld: zou dit laatste niet het geval zijn, dan zouden wij ook de overtuiging niet gevoelen.)
Kenmerkend voor het geestelijk bewustzijn is, dat wij dit ook gezamenlijk kunnen hebben. Hoewel volkomen onze eigen individualiteit behoudend, kunnen wij toch elkander verstaan en nader tot elkaar komen, doordat wij in de medemens datgene herkennen, wat wij ook in onszelf dragen.
In het verhaal van de Pinkstergebeurtenis wordt gezegd, dat de aanwezigen elkanders taal begonnen te spreken, toen zij vervuld waren met de heilige Geest. De taal van de geest maakt, dat wij elkander verstaan, boven alle onderscheid van rassen en volkeren.
Het desbetreffende verhaal in Handelingen 2 is de uit geestelijke aanschouwing afkomstige weergave van een gebeurtenis, die heeft plaatsgevonden toen de twaalf ervoeren, dat de Christus hun, gelijk hij beloofd had, de heilige Geest toezond. Zij waren de eersten die deze konden ontvangen. De toestand van verhoogde ontvankelijkheid waarin ze verkeerden stelde hen in staat dit op een zeer bijzondere wijze te beleven.
Heer, ik wil U vragen: als U mij voorbij ziet gaan deze dag of morgen raakt U mij dan even aan U hoeft niets te zeggen want alleen dat stil gebaar zal in mij bewerken dat ik weer Uw kracht ervaar