Moeder, waar zijdt gij? Gij hadt altijd antwoord op mijn vragen, gij wist waarom dit en dat,
waarom als wij samenlagen in bed en naar boven zagen, de kabouter vleugels had.
Warom winter, waarom zomer, waarom honger, waarom kou, waarom appelen op de bomen
en de kinderen waarvandaan schreiend zij op de aarde komen. Ik heb het nooit goed verstaan.
Maar nu moet gij mij vertellen, sprookjesmoeder, lieve vrouw, kittelend mijn orelellen,
waar die kindren henengaan.
Hubert van Herreweghen (Gedichten II, 1961)
In memoriam matris
Ze was al heel erg oud. Daar riep een meisje: 'Kijk, oma, het is winter!' En zij zei: 'Ik zou zo graag gaan spelen, weer spelen in de sneeuw.' De lente kwam, een lente later zou ze sterven. Maar ze zei: 'Ik zou zo graag gaan lopen, lopen door de regen, al die druppels op mijn gezicht.'
De zomer was voorbij, voorbij. Ze zei: 'Die appeltjes rook ik zo graag, vooral wat in het gras lag, in de grote tuin van mijn pa. Dat rook zo goed, zo goed.' Haar rimpels betoveren haar glimlach, het verleden staat op een kier. Heel even kijkt een meisje naar een oud meisje in een hof van Eden.
Geert Van Istendael (1996) Uit: "Het geduld van de dingen", uitg. Atlas - Amsterdam/Antwerpen, 1996
Geen kind meer
Je leeft je eigen leven, wat zij er ook van vindt, je bent allang geen kind meer. Je wilt erover praten, maar niet op die manier, je zult haar best verdriet doen, maar niet voor je plezier. Wat moet je nog met haar en met haar ouderlijk gezag? En dan opeens, dan is-ie er, die dag…
De dag waarop je moeder sterft, de dag die je dagen van dan af aan wat grijzer verft, al hou je niks te klagen: je hebt je goede vrienden nog, die staan je ook dichtbij en als je soms een minnaar zoekt, dan staan ze in de rij.
Maar niemand zal meer weten hoe je met je pop kon spelen en niemand zal nog ooit je vroegste vroeger met je delen. De dag waarna je nooit meer kwetsbaar wezen mag en klein, de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.
Wat al die jaren fout ging komt dan niet meer terecht en wat je nog wou zeggen blijft eeuwig ongezegd: de machteloze frasen van je genegenheid en dat het niet haar schuld was en ook dat het je spijt. De dingen die je lang niet zeggen kon en zeggen wou en dan zo graag nog één keer zeggen zou…
De dag waarop je moeder sterft, dat jij wordt losgelaten en al haar eigenschappen erft, die jij zo in haar haatte: de scherpe tong, de bokkenpruik, deze zure schooljuffrouw, die zullen ze dan binnenkort herkennen gaan in jou.
En hoop´lijk ook de and´re kant: de aardige, de zachte, maar of je die hebt meegeërfd valt nog maar af te wachten. De dag waarna de rest een kwestie wordt van tijd en pijn, de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.
Jan Boerstoel mei 1993
Moeder
Ik kom terug naar huis.
Ik loop traag de trappen op en adem in...Ik wil opnieuw het dunne wolkje ruiken van de soep, bereid voor mij. Ik wil aanbellen en horen hoe jij naar de deur gelopen komt, zien hoe die opengaat en voor mij de ogen stralen van een heilige. Ik wil je gouden tand zien blinken wanneer je lachend uitroept : - Kom binnen meisje!
Mijn lieve, mijn prachtige moeder!
Vandaag heeft de bruine aarde jouw bruine ogen uitgewist. En de spin van de grote leegte heeft in jouw haar zijn web geweefd.
Ik word alleen verwelkomd door een jaren oud verdriet.
Jij wacht op mij op de heuvel je ogen zijn donkere viooltjes, je armen - dun, groen, uitgestrekt om mij te omhelzen...
Maja Panajotova
Uit: Noord & Zuid - Poëten in het Vlaams parlement (Lannoo, 2004)
De moeder het water
Ik ging naar moeder om haar terug te zien. Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en leeg, als keek zij naar de verre overzijde van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
- toen ik daar stond op het gazon, pils gedronken in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid - misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.
Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer- loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren bewogen nog een beetje in de wind, als voer
zij over stille waatren naar een oneindig daar en later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer Hem Zijn beloften na te komen, haar te bewaren.
Rutger Kopland uit: 'Tot het ons loslaat', 1997
Wasdag
Mijn moeder zingt. Zij is alleen en hangt de was op lange lijnen. Achter de schuur zit ik. Steeds weer verschijnen haar handen om de waslijn heen.
God is mijn licht, ik wandel op zijn pad zingt zij. De lijnen raken vol. De zon legt om haar hoofd een aureool van goud dat zij nooit eerder had.
Dan is ze weg. Ik hoor de achterdeur eerst opengaan en daarna dicht. Achter de schuur zit ik, en mijn gezicht is vol van tranen en van wasgoedgeur.
Johanna Kruit Uit: 'Omtrent het getij', 1985.
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden, worden weer buren. Een minuut of tien dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken, mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd - laat mij daar midden uit de oneindigheid een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
uit: Nieuwe Gedichten van Martinus Nijhoff (1894-1953)
Ballade over moederverdriet
Het schip voer weg, zij oogd’ het na Het zonlicht ging met hem Nog hoort zij het laatste woord dier jonge diepe stem
Tot weerziens moeder en kus en zijn kus Die op haar lippen brandt Zijn blik die lang de hare zocht Het wuiven van zijn hand
Zij bergt het alles in haar hart Geen dag, geen nacht gaat om Of voor haar ogen rijst het beeld: houd moed; “ik kom weerom”
nooit dof is 't oog , nooit bleek haar wang als zij zijn brieven leest; die liggen voor haar neer Zij leest de laatste ‘t meest,
en prest haar lippen op zijn naam en op zijn jubelkreet: “Ik kom terug! Mijn laatste brief” “Houd huis en hart gereed!”
Een kille lichteloze nacht nacht, Was ‘t leven zonder hem; Hij keert! de nacht heeft uit! Weldra Hoort zij zijn lach, zijn stem..
En drukt zij hem in arm en voelt zijn kus en strijkt zijn haar zijn donk’re lokken van ‘t gelaat Veranderd- niet voor haar!
Zij zit en staaroogt uren lang.. Daar staat het reuzegroot: “Ik kom weerom!” Wordt nimmer waar Men zei:” Uw zoon is dood;”
Hij stierf op zee en nog veel meer, Zij heeft het niet verstaan, “Ik kom weerom”, zo fluisterd’ zij, en kijkt u lachend aan.
En iedere morgen wacht zij hem Dan gaat zij naar de ree en doolt de schepen langs, en tuurt Naar de eindeloze zee.
En iedere middag wacht zij hem en zet zijn stoel gereed; Er toeft een glimlach op ‘t gelaat In ‘t feestlijk zondagskleed.
En iedre avond wacht zij hem en strookt zijn peluw glad en luistert tot het laatst geluid Gestorven is in stad
en als zij ‘t oog voor altijd sluit dan is ‘t schoon bleek en stom, als murmelden haar lippen nog, “Houd moed ik kom weerom”
Nu drukt zij hem in d’ arm en voelt zijn kus en strijkt zijn haar Zijn donkre lokken voor t’ gelaat Zijn niet vergrijst voor haar.
Marie Agathe Boddaert
Angst
Het is zoo ver, Moeder.
De morgen was grauw, toen ik wegging van huis.
Sinds klimt het licht, stil en aanhoudend,
Wijder klaren al wijder klaarten
En ik dwaal als een vogel boven de wolken.
Ik wil je zien, Moeder. Ik wil nog éénmaal in je ogen
zien, voor de grondelooze diepte mij neemt.
Jij bent zoo ver.
Het is zoo ver, Moeder.
Ik koos de witte stilte, toen ik wegging in den herfst.
Sinds zonk de wereld onder 'mijn voeten.
Zwakker worden de stemmen, hooger en hooger
rijzen de witte zalen.
Ik luister. Straks?
Ik wil je hooren, Moeder. Ik wil nog éénmaal je
stem hooren, voor ik wit word.
Je bent zoo ver.
Het is zoo ver, Moeder.
Ik nam den grijzen weg, toen ik wegging in den wind.
Sinds ging ik den berg op,
Dieper wijken de dalen, de bosschen zijn voorbij en
schaarscher wordt het leven tusschen de steenen,
Mijn hart bonst.
Ik wil bij je rusten, Moeder. Ik wil nog éénmaal
zachtjes rusten, voor de sneeuw komt.
Je bent zoo ver.
J.C. Van Schagen (1891)
Moeder
Ik kom terug naar huis.
Ik loop traag de trappen op en adem in...Ik wil opnieuw het dunne wolkje ruiken van de soep, bereid voor mij. Ik wil aanbellen en horen hoe jij naar de deur gelopen komt, zien hoe die opengaat en voor mij de ogen stralen van een heilige. Ik wil je gouden tand zien blinken wanneer je lachend uitroept : - Kom binnen meisje!
Mijn lieve, mijn prachtige moeder!
Vandaag heeft de bruine aarde jouw bruine ogen uitgewist. En de spin van de grote leegte heeft in jouw haar zijn web geweefd.
Ik word alleen verwelkomd door een jaren oud verdriet.
Jij wacht op mij op de heuvel je ogen zijn donkere viooltjes, je armen - dun, groen, uitgestrekt om mij te omhelzen...
Uit: Noord & Zuid - Poëten in het Vlaams parlement (Lannoo, 2004)
Maja Panajotova
Bulgaarse dichteres die al vele jaren in Belgie woont. Geboren op 1mei 1951 in Aleksandrovo (Bulgarije).
Heimwee naar moeders woordenschat
Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer en van de muzen honderd lepe wetten om ze verbluffend naast elkaar te zetten tot schone larie over duister zeer.
Maar als ik op een avond bij ruig weer de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten, de troost schud uit de kuil van mijn sonnetten, vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.
Geleerde vrienden die het kunnen weten hebben eerst de armoe van uw mond geteld maar geen heeft mij dan tot nog tot vermeld
hoe gij met twintig woorden mild gemeten mij meer met wijsheid en geluk vervult dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.
(uit: De hondenwacht 1951)
Karel Jonckheere
Reserve
Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw wordt het mij week en wonderlijk te moede; hoe woest de wind door zoveel jaren woedde, ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.
Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede, een halve eeuw was zij mijn vader trouw, en als het even in haar macht lag zou zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.
Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen): zij put uit raadselachtige reserve.
Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven, maar in haar blauwe ogen blijft die blik alsof het allermooiste nog moet komen.
Jean Pierre Rawie
(uit: De Tweede Ronde, jrg.12, nr. 2, Amsterdam, 1991)
Moederliefde
Het geheugen werkt vaak fotografisch Een beeld van vroeger is er plots weer. Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste om even een korte rustpauze te houden. De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.
Haar gezicht kun je dichterbij halen. Dan zie je hoe over haar ogen een dun laagje vocht ligt en trilt, nog geen echte tranen, maar toch, iets als een pril begin van verdriet.
Haar handen liggen in haar schoot, lichtbruin, als gevallen bladeren, wegzakkend in een wolk van weemoed. En ik, nog een kind, leg het hoofd met de rode schram over de wang op de harde rondingen van haar knieën. Jaren later laat zij mij los en leer ik de eenzaamheid van de volwassenen.
Uit: Het nut van de poëzie, 2003
Willem Roggeman
Kind der aarde
Nu kom ik elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis: Geen afstand in de avond scheidt mij van uw liefdelichte huis.
Voorgoed uit al Gods sterren ken ik de eigen moeder mijn: Daar is niets in de wijde heemlen als uw ogenschijn.
Hoe vindt de schaamte mijner ogen, Moeder, u onveranderd schoon; Hoe bleef gij trouw en goed, Moeder, voor de ontrouwe zoon!
Ik slaap zoals een ongeboren kind zou slapen in uw schoot, En drink uw koele donkre kracht in nachtelijke dood,
En elke nieuwe morgen in het nieuwe licht Rijs ik op sterker vleuglen, Moeder, weg uit uw gezicht:
Als ziel en vogel die zijn moeheid dichtst aan uw hart verslaat, Die stijgt en zingt het naast bij God met iedren dageraad...
Zo laat mij elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis: Mij kan geen afstand scheiden, Moeder, van uw liefdelichte huis!
Uit de bundel 'Vergeten liedjes' van P.C. Boutens (1870-1943)
De Moeder
Hij sprak en zeide In 't zaâl zich wendend: Vaarwel, o moeder, Nooit keer ik weer... En door de lanen Zag zij hem gaan en Sprak geen vervloeking maar weende zeer.
Sprak geen vervloeking... Doch, bijna blijde, Beval de maagden: Laat immermeer De zetels staan en De lampen aan en De poort geopend, de slotbrug neer.
En toen, na jaren, Melaats een zwerver Ter poorte klaagde: Uw zoon keert weer... Zag zij hem aan en Vond geen tranen, Voor zoveel vreugde geen tranen meer.
uit Experimenten (1911) van Geerten Gossaert (1884-1954)
MOEDER
We liepen samen dikwijls langs de stranden Als ’t avond werd. Dan zong ze naast de zee - Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende, Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.
Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen En steeds bewegend, steeds bewegend hart - Wij wisten dat in haar geleden werd, Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden.
Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven, Donkere moeder, wieg haar lichaam warm, Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot -
Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood, Die mensen eenzaam maakt en stil en arm - Maar die het witte zonlicht niet kan dooven.
Martinus Nijhoff (1894 – 1953) Uit: ‘Verzamelde gedichten’, vierde druk, Bert Bakker Den Haag, 1974
Al met aarde
Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht, nooit keek men zo laat in het vroegste gezicht
toppen van binnenvingers onder de huid, in gekuild licht, gras onder steen, tellen tot een
nog moeder dan haar dubbelgangster is zij slapen moet zij buiten het ei
dit goed inlezen en nooit meer aanspreken nu zelfs de winter zich afschreef, te zwart om te sneeuwen
dat waar men levenslang uitkroop nu dood lopend vlees is, gedicht en ontledigd
tijd verbruikt, ingeteerd heden, geven en nemen één tweeërlei lepel, onaangeroerd eten
'neergegooid in de hoek van een oud station'
vergeten bagage, afgelast eindpunt, zelfs geen laatste trein die haar meeneemt -
Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten, zoals een pop waarin een hart zou kloppen, door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.
Ik zie uw knoken door uw kaken steken en diep uw ogen in het hoofd gedrongen. En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken, wanneer ge zegt 'kom, zit aan tafel, jongen'.
Ik hoor u 's avonds aan de muren vragen of gij de vensters wel hebt toegesloten. Gij kunt den mist niet uit uw hersens jagen. Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten.
Daar in de verte wordt een put gegraven; ik hoor zo goed het ploffen van de kluiten. En achter 't huis zie ik een schimme draven: hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten.
- Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder. - Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte benen: hij is een vriend, een goede vriend, een broeder: hij is niet ruw, hij wandelt op de tenen;
Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen. Gij kunt gerust een onze-vader lezen, en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen dat gij geen kou vat en tevree zult wezen.
In november 1932 gepubliceerd in tijdschrift Forum In 1934 gebundeld in Verzen van Vroeger 1992 in Verzameld werk uitg. Querido, 2002 in Domweg Gelukkig in de Dapperstraat, 22e druk uitg. Bert Bakker
elsschot willem
Aan mijn moeder
Ik heb gedroomd, o moeder, dat gij op sterven laagt, en voor het al te sluiten mij lang in d'oogen zaagt.
Gij spraakt van eerlijk blijven, van recht door 't leven gaan; hebt toen nog eens geglimlacht, en alles was gedaan.
'k Wou om vergeving smeken, waarvoor, ik wist het niet, en bij u nederknielen; mijn knieën bogen niet.
Toen wist ik dat 'k u nimmer nog iets vergelden kon. Uw stem deed mij ontwaken in 't klare licht der zon.
Daar blonken groote tranen van heil en droefenis. En 'k voelde diep in 't harte wat een moeder is.
elsschot willem
Moeder
Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen: zij moet de kamer doen; stof beeft; dan dweilen, voor het eten zorgen, zien wat van gisteren overbleef.
Ik ben in haar liefde geborgen, die elk verraad der wereld overleefd: wie ik ook werd, wij eten overmorgen de koek die zij gebakken heeft.
Wanneer de zondagmorgen is ontloken staat heel haar wezen in de blijde bloei, waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,
omdat ik dan niet meer gevoel hoe door de dood is aangestoken, wat bij een andere vrouw begon.
Uit: Verzamelde gedichten Gerrit Achterberg
Mijn moeder sterft
Er wordt om mij geroepen: mijn moeder sterft. Ik moet de valleien opzoeken die ik erf.
Bloemen van voor zestig jaren bloeien over. Het is niet te geloven, o grijze haren,
dat ik er nog niet was, toen zij neer lag in het gras, hunkerend naar het leven, dat ik ben gebleven.
Het is niet te denken, dat zij me straks niet zal wenken op het terras dier andere weide aan gene zijde van stof en as.
Gerrit Achterberg uit: Sphinx, opgenomen in Verzamelde gedichten, Querido, 1988
De moeder
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde Vatten mijn beenderen vuur.
(Mijn moeder, gevangen in haar vel, Verandert naar de maat der jaren.
Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift Der jaren door mij aan te zien en mij Haar blijde zoon te noemen.
Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts, Haar gewrichten waren jonge katten,
Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.
"Je bent me ontgroeid," zegt zij traag mijn Vaders voeten wassend, en zij zwijgt als een vrouw zonder mond.)
Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur. Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen, Ik was de genode maar de dodende gast.
En nu, later, mannelijk word ik u vreemd. Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: "Hij is De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt De honden in mij wakker."
Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde. In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert Niet naar mij terug, van u herstel ik niet.
Hugo Claus Uit: "Oostakkerse gedichten", De Bezige Bij, 1955.
Mijn moeder
Mijn moeder was een heilige vrouw. O daar ligt blijdschap in die rouw. Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet. Als de melk van haar borst... O mijn moeder was goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar wang, Haar ogen al ziel en haar woorden al zang! Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend: Ach, jongen waar hebt ge zo'n moeder verdiend! En toch, gij wist nog niet half wat ze deed Uit verborgen zorgen: hoe hard zij streed In de nederigheid van haar weduwsmart, Met een roos op 't gelaat en een doorn in 't hart! Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond, Tot het laatste bloed uit haar warme wond... Mijn moeder!... Zoete gedachtenis, Beheers wat er goeds in mijn leven is!
Uit de bundel: toortsen René de Clercq
Moederken
't En is van u hiernederwaard, geschilderd of geschreven, mij, moederken, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven.
Geen tekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van stene, 't en zij dat beeld in mij, dat gij gelaten hebt, allene.
o Moge ik, u onweerdig, nooit die beeltenis bederven, maar eerzaam laat ze leven in mij, eerzaam in mij sterven.
Uit de bundel: laatste verzen Guido Gezelle
Angst
Het is zoo ver, Moeder.
De morgen was grauw, toen ik wegging van huis.
Sinds klimt het licht, stil en aanhoudend,
Wijder klaren al wijder klaarten
En ik dwaal als een vogel boven de wolken.
Ik wil je zien, Moeder. Ik wil nog éénmaal in je ogen
zien, voor de grondelooze diepte mij neemt.
Jij bent zoo ver.
Het is zoo ver, Moeder.
Ik koos de witte stilte, toen ik wegging in den herfst.
Sinds zonk de wereld onder mijn voeten.
Zwakker worden de stemmen, hooger en hooger
rijzen de witte zalen.
Ik luister. Straks?
Ik wil je hooren, Moeder. Ik wil nog éénmaal je
stem hooren, voor ik wit word.
Je bent zoo ver.
Het is zoo ver, Moeder.
Ik nam den grijzen weg, toen ik wegging in den wind.
Sinds ging ik den berg op,
Dieper wijken de dalen, de bosschen zijn voorbij en
schaarscher wordt het leven tusschen de steenen,
Mijn hart bonst.
Ik wil bij je rusten, Moeder. Ik wil nog éénmaal
zachtjes rusten, voor de sneeuw komt.
Je bent zoo ver.
J.C. van Schagen (1891)
Herinnering
Moeder, weet je nog hoe vroeger Toen ik klein was, wij tesaam Iedere nacht een liedje, moeder, Zongen voor het raam?
Moe gespeeld en moe gesprongen Zat ik op uw schoot en dacht In mijn nachtgoed, kleine jongen, Aan 't geheim der nacht.
Want als wij dan gingen zingen 't Oude altijd-eendre lied Hoe God alle, alle dingen Die wij doen, beziet, Hoe zijn eeuwige, grote wondren Steeds beschermend om ons zijn - Nimmer zong je moeder, zonder 'n Beven dat refrein - , Dan zag ik de sterren flonkren En de maan door de wolken gaan, D' Oude nacht met wijze, donkre Ogen voor me staan.
Martinus Nijhoff (1894-1953)
Vader
Veilig op de arm van Vader kom maar op, wie doet me iets? Links en rechts dreigen gevaren maar 't is vreemd, ik vrees toch niets
Samen steken we hier over en we komen veilig aan zo, zegt Vader, nu maar even op je eigen benen staan
Als ik dapper naast Hem voortstap aan Zijn grote, sterke hand denk ik: zonder hulp van Vader liep ik nooit aan deze kant.
vader kocht ooit een verzameld werk een bundel gedichten van degelijk merk
bij wat hij mooi vond zette hij strepen een enkele keer een uitroepteken
bij tijd en wijle herlees ik die zeer summiere biografie
in een code van strepen en stippen steeg het water hem naar de lippen
uit: Goejanverwelleshuis 1971
Willem Wilmink
WIJDING AAN MIJN VADER
O Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart, en míj liet leven, en me teder léerde leven met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven, en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
- ik, die thans ben als een, die in den avond vaart, en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven door zoele zomer-winden in de lage reven, en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,
en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden wijd-suizend over 't matte water, en de weiden zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...
Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeren, tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren, neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.
Uit de bundel: het Vaderhuis (Verzen) Karel v/d Woestijne, 1909
IK BEN GEEN VADER EN IK HÈB GEEN ZOON
Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon. Niets dan een sage is zijn zacht bestaan. Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan In grootte en glans en werd volwassen-schoon.
Nevens mij, glorieus en monotoon, Verging de kringloop van zijn kort bestaan. Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan En langs het kloppend halsje van mijn zoon.
Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel. Ik ken alleen de klare periode Van bloei die boven mijne schouder rees. Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.
God weet, wij hebben soms een droom van node, Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.
eerste gedicht uit de cyclus: De gedroomde zoon
Uit de bundel: De Lichtstreep (1926 - 1928) II De gedroomde zoon (1928) Willem de Merode
De Grootvader
Hij spreekt wel soms van al zijn lijden, Die oude man met sneeuwwit haar; Maar meest zit hij in zich verzonken En stil en zwijgend nevens haar.
Zij wordt wel groot, maar is zo tenger; Hij legt de hand soms op haar hoofd: -- Zo ze eenmaal in mijne oude dagen Door vroege dood mij werd ontroofd!
Dan lacht ze op hem met stille weemoed, Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt En denkt: hij zal niet lang meer leven: Hij wordt zo stram, hij is zo oud!
Wie zal het eerst van beiden sterven, Zo diep beducht thans voor elkaar -- Het meisje in de bloei van 't leven, Of de oude man van tachtig jaar?
Uit de bundel: Gedichten, 1870
Rosalie Loveling
De Dankbare Zoon
Ik ben een zeer gelukkig kind, Wanneer men dit bedenkt: Mijn vader is mijn beste vrind, Die mij schier alles schenkt: Zijn afgedragen zomervest, Zijn oude broeken, en de rest; Maar dat weet Moeders naaister best.
Hoe lekker smaakt die boterham, Met dat Sint Nikolaas, Dat mijn mama mij brengen kwam In plaats van Leidse kaas. En och! hoe menig arme man Zijn zoontje proeft daar nimmer van; Daar de ouwe 't niet betalen kan!
En daarop noopt mij dankbaarheid, Reeds op het pad der deugd (Gelijk mijn vader dikwerf zeit) Te wand'len in mijn jeugd: Altijd de rechte weg te gaan, En, met mijn Zondags buisje aan, Nooit ergens tegen aan te staan.
Wanneer Papa uit wandlen gaat, Neemt hij ons dikwijls mee En reciteert soms over straat 't Sanscrities a, b, c: En, als ik 't hem dan nazeg, ik Dan lees ik in zijn vaderblik: 'Ik ben ontzaglijk in mijn schik.'
En daarom is mijn vast besluit, O dierbaar ouderpaar - Dat ik, ofschoon uw jongste guit, Uw meekrapkleurig haar Nooit grijs doe worden voor de tijd, Noch dat ik door gebrek aan vlijt Het vaderhart u openrijt.
Integendeel, door mijn gedrag Hoop ik al meer en meer, - Als ik het zo 'reis noemen mag, - Te strekken tot uw eer. Zo moogt gij eenmaal, oude liên! Nog in uw jongste telg misschien Uw evenbeeld gespiegeld zien.
Verleden week zag ik een zoon, Die zijne grootmama Behandlen dorst met smaad en hoon, De moeder van zijn pa! Hij zei: haar man, die ouwe paai, Sprak naamlijk als een schorre kraai.... - Dat stond die jongen heer niet fraai.
Gerrit van de Linde
Mijn handen
Ik zie op mijn oude handen - hun taak is bijna gedaan - Brachten ze eer of schande? Brachten ze zegen aan? O mijn handen! Mijn handen! Nu moeten ze spoedig vergaan.
Ze hebben al rimpels en vouwen, vlekken bruin, die geen water wist. Ach! Al te groot vertrouwen! Wat hebben ze vaak zich vergist - Mijn handen! Mijn handen! Hoe dikwijls hun schoonst bedoelen gemist.
Nu gaan ze welken en kwijnen, ze laten zich niet meer gebiên, uiteen valt de kunstige, fijne gehoorzame machien - O mijn handen, mijn handen, gauw zal ik uw schrift niet langer zien.
Dan worden ze mager en beven, in verlangen naar eeuwige rust, dan is 't laatste woord geschreven het laatste kaarsje geblust. En mijn handen, mijn handen, voor 't laatst nog door lieve lippen gekust.
Nog eens doet mijn wil hen buigen in gehoorzaamheid naar elkaar, zo zullen ze blijven getuigen, van mijn gang tot de zalige schaar O mijn handen! Mijn handen! Verstijfd dan in durend aanbiddings-gebaar.
Uit de bundel: Ik heb de witte water-lelie lief Frederik van Eeden 1926
De oude man
Een oud man in de straat zijn klein verhaal aan de oude vrouw het is niets het klinkt als een ijl treurspel zijn stem is wit zij gelijkt een mes dat zo lang werd aangewet tot het staal dun werd Gelijk een voorwerp buiten hem hangt deze stem boven de lange zwarte jas De oude magere man in zijn zwarte jas gelijkt een zwarte plant Ziet gij dit snokt de angst door uw mond het eerste smaken van een narkose
Uit de bundel: Nagelaten Gedichten Paul van Ostaijen
Vader overleden
o Al te kwade boodschapper, die, bitsig als een horselbie; die, stekende als een degenstoot; die, snel gelijk de bliksemslag; die, stom en doof, noodzakelijk, te mijwaard op de snaren komt gevlogen van de tekendraad! Te gauwe, och arme, vindt ge mij en biedt gij, in uw bitsigheid, de boodschap, - en geen troost daartoe! - dat 'vader overleden' is! Ge'n zegt niet hoe hij, vroomgezind, zijn kruise en zijne ellenden droeg; ge'n zegt niet, echt en recht, hoe hij onwankelbaar gelovig en betrouwende in Gods goedheid was; ge'n zegt niet hoe, beneên de bast van buitenwaardse ontederheid, hij teerheid in zijn herte borg; ge'n zegt niet hoe, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds, hij was werkzaam, hoe ‘t gevaar hij niet en minde, niet en vreesde, daar ‘t de plicht beval; ge'n zegt niet hoe nauwkeuriglijk hij omzag, daar te zorgen viel voor kinderlijke onschuldigheid; ge'n zegt niet hoe noch wat hij was, voor God en voor de mensen: gij en steekt me... en gij en stoot me maar door ‘t herte, dat hij henen is, mijn broeder! Van geen zielenruste en rept gij! - Och, hoe herteloos doorslaat mij nu die bliksemslag en biedt hij me, in zijn bitsigheid, de boodschap, - en geen troost daartoe! - dat "vader overleden" is! - Zijn ziele God genadig zij! o Al te kwade boodschapper!
Kortijk, 1/1/1899 Uit de bundel: Laatste gedichten
Guido Gezelle 1899
Het huis mijns vaders
Het huis mijns vaders waar de dagen trager waren, was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren. - Ik was een kind, en mat het leven aan de lach van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren der schemeringen om de bomen, en der jaren om 't vredig leven van de roereloze dag.
En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven dat naast mijn dromen als een goede vader ging... - De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven te weten, hoe een vlucht van grote vooglen hing, iedere avond, in de teedre zomer-luchten die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan, als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten die rustig-zwaar in 't loof der stille bomen staan.
...Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren als schaamle bloemen in de avond, o mijn kind. En 'k minde u. - En zo 'k vele vrouwen heb bemind sindsdien, met moede geest of smeekende gebaren: u minde ik; want ik zag uw kinder-ogen klaren om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn, in 't huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.
Karel v/d Woestijne
Vader
De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven, sereen, omdat ze niet meer zo acuut en niet meer zo heel heel even moeten gebeuren van minuut tot minuut.
Zo ging mijn vader, sinds hij stierf ook in mijn dromen al een paar keer dood, maar trager, er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid, en leeft hij tóch nog verder, verder en wat vager.
Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader, van ouwe woorden, het woord 'altegader', het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon'.
Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven in de dromen van mijn zoon. Tot ik gewoon blijf leven.
HERMAN DE CONINCK
Papa
Ik heb dezelfde ogen
En ik krijg jouw trekken om mijn mond
Vroeger was ik driftig
Vroeger was jij driftig
Maar we hebben onze rust gevonden
En we zitten naast elkaar
En we zeggen niet zoveel
Voor alles wat jij doet
Heb ik hetzelfde ritueel
Papa, ik lijk steeds meer op jou
Ik heb dezelfde handen
En ik krijg jouw rimpels in mijn huid
Jij hebt jouw ideeën
Ik heb mijn ideeën
En we zweven in gedachten
Maar we komen altijd thuis
De waarheid die je zocht
En die je nooit hebt gevonden
Ik zoek haar ook
En tevergeefs
Zolang ik leef
Want papa, ik lijk steeds meer op jou
Vroeger kon je steng zijn
En ik heb je soms gehaat
Maar jouw woorden
Ze liggen op mijn lippen
En ik praat nu
Zoals jij vroeger praatte
Ik heb een goddeloos geloof
En ik hou van elke vrouw
En misschien ben ik geworden
Wat jij helemaal niet wou
Maar papa, ik lijk steeds meer op jou
Jij gelooft in God
Dus jij gaat naar de hemel
En ik geloof in niks
Dus we komen elkaar na de dood
Na de dood nooit meer tegen
Maar papa
Ik hou steeds meer van jou
Stef bos
Het huwelijk
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
In d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven
Haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
Toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
En mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren
Hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren
En hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
Het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen
En rilde waar ze stond, maar leefde en bleef gezond
Hij dacht: Ik sla haar dood en steek het huis in brand
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
En rennen door het vuur en door het water plassen
Tot bij een ander lief in enig ander land
Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
Staan wetten in de weg en praktische bezwaren
En ook weemoedigheid die niemand kan verklaren
En die des avonds komt, wanneer men slapen gaat
Zo gingen jaren heen, de kinderen werden groot
En zagen dat de man die zij hun vader heetten
Bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten
Een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood
Willem Elschot
De akkers van mijn vader
Langs een gordijn van draden
langzaam omlaag zakkend
hebben de seizoenen mijn wonden
geheeld. Al dertig jaren.
Met een gebaar van zorg
zoals een vader alleen dat kan
heb je me meegenomen naar
jouw velden, naar jouw akkers.
Daar plachten we ademlopend
te spelen. Daar vader.
Met een smaak van
dode herfstbomen.
Maar toen vader, toen stierf
Al gauw en snel het landschap
in jou. En nu vader,
nu draag ik jou
naar jouw akkers.
Voor een laatste keer
Dimitri Casteleyn
Volière
Van top tot teen vol vogels zit mijn vader.
Er hangen korenblauwe luchten in zijn lijf
en vergezichten om bij weg te dromen
en takken waar men, vogel zijnde, graag op slaapt.
Als ik je sloeg was het mijn vlees dat vroeg om slaag.
Als ik je zoen zoek ik verzoening met mezelf.
Nu jij me hier ziet zitten, vindende verlorenheid
Die ons nog niet begrijpt, heb jij jezelf gehoord.
Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?
En hoor ik iedereen als jij weer zwijgt: ‘Ik ben alleen’?
Alleenzijn is voor mij een raar substantief, voor jou
Een onbepaalde wijs. Maar je 18 is mijn 41 waard.
Onze leeftijd zonder beroep, onze naam zonder adres -
Wat kun je dan nog leren van een kind, een man als ik?
Dat je mijn vlees moet slaan en zoenen, vechtend
Tegen dit hevige doodgaan dat ik op vader bevocht.
Leonard Nolens
Tokkeltuit en z'n vader
Ken je den kleinen Tokkeltuit?
Hij vindt, dat Vader niets beduidt:
een Pa is er maar wat op toe:
één ding bestaat: dat is z'n Moe;
en Vader denkt: ‘Dat komt nog wel;
hij is te klein nog voor het spel.’
Er wordt heel veel voor hem bewaard,
want Vader is een prachtig paard;
o, Tokkeltuit is nú nog klein,
maar eenmaal zal hij ruiter zijn
en rijdt de gang af en terug
op Vaders brede paarderug. -
Maar nu...; nee', als hij Vader ziet,
dan denkt ie: ‘Dat is Mammie niet’
want Moeder komt op dit uur aan
met custardpap en een banaan,
en om het jeuken van z'n maag
ziet hij z'n Moeke-moesje graag.
En Moeder zegt: ‘Zo, spreeuwenjong,
wat huil je weer met bibbertong;
komt voor M'nheer de pap te laat?
Wat maakt m'n kleine man zich kwaad.
Kijk, Vader, hoe de kleine vent
het klappen van de zweep al kent.’
En Vader kijkt, glimlachend, toe
en denkt: ‘Zo'n jongen en zo'n Moe
is er geen tweede span op aard’
- hij krabt verlegen in z'n baard
en lacht om zoveel groot geluk -
‘Wat is zo'n kereltje toch druk.’
Jac. van Hattum
Het kauwgumkind
Het kauwgumkind weet nog niet goed,
hoe of het zich gedragen moet.
Vaak kijkt men stomverwonderd toe
en denkt, dat kind lijkt wel een koe.
Het blaast een bobbel voor z'n mond
en kijkt dan heel verdwaasd in 't rond.
Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,
en die komt uit Amerika.
De kauwgum-Pa kauwt op kantoor
van negen uur tot zes uur door.
Wanneer er thuis gegeten wordt
legt elk z'n kauwgum naast z'n bord.
En nauw'lijks is het maal gedaan,
of elk vangt weer te kauwen aan.
Eerst als men 's nachts de ogen sluit
spuwt elk verveeld z'n kauwgum uit.
Jac. van Hattum
VADERDAG.
Ondanks dat ik zelf ook vader ben heden En mijn echte vader reeds lang is overleden Heb ik nog een vader in het leven En Die ga ik vandaag wat aandacht geven
Velen denken niet aan Hem Ondanks dat iedereen Hem kent Jammer dat velen Hem zijn vergeten Of niets van Hem meer willen weten.
Deze vader ga ik gedenken En veel universele bloemen schenken Een kaarsje steek ik voor Hem aan Waarmee ik Hem dank voor mijn bestaan
Zo is het voor mij altijd vaderdag Omdat ik de God van al het Leven kennen mag Mijn overleden vader eer ik in gedachten Want die zit niet meer op vaderdag te wachten.
Voor alle overleden vaders steek ik ook een kaarsje aan Voor elke vader die heeft bestaan Daarmee wil ik hun ook laten weten U bent hier niet meer, maar toch niet vergeten.
Ik zal die zondagmiddag met mijn vader op wandel door het land niet licht vergeten al is het vijftig jaar en méér geleden, zo dicht bij hem als bijna nooit meer later.
Wij kwamen bij een akkerstuk, door bossen die aan vier kanten stonden, ingesloten, – door varens een verwoestend spoor gestoten dan verend verder over vedermossen.
Wij vonden er een hof. Het hoge koren met ritselingen rijpgestookt van boven stond in de palle juli onbewogen tegen mijn open ogen en mijn oren.
Ik zág niets anders, hóórde niets dan droge verdorde zoemgeluiden van insecten onzichtbaar kevertjes en rode plekken papavers door veel bijen aangevlogen.
Een wereld die bestond en aan den lijve ervaarbaar vaderlijk, een nieuwe aarde met ademing en aanvangen van klaarte waarin ik wilde blijven en verblijven.
Anton van Wilderode Uit: Daar is maar één land dat mijn land kan zijn