Gedichten over...

 
Moeder


Vader

kind der aarde - de moeder - MOEDER - al met aarde - moeder - aan mijn moeder - moeder - mijn moeder sterft - de moeder - mijn moeder - moederken - reserve - moederliefde - heimwee naar moeders woordenschat - moeder - angst - moederverdriet - Moeder? Waar zijdt gij? Gij hadt.... - In memoriam matris - Geen kind meer - MoederDe moeder en het water - De moeder, de vrouw - Wasdag - dwalen - angst - Herinnering -

 

Wijding aan mijn vader - Ik ben geen vader en ik heb geen zoon - de grootvader - de dankbare zoon - mijn handen - de oude man - vader overleden - het huis mijns vaders - vader - papa - het huwelijk - vader - vader (fd) - De akkers van mijn vadervoliere - vader - VADER - vaders vertelsels - vader en zoon - Tokkeltuit en z'n vader - Het kauwgumkind - vaderdag - akker - vaderdag HL -




Ave Maria




Dear Father

 

Dwalen

 

Als de geest van je moeder gaat dwalen

Door de spinragen van de tijd

Het spoor bijster raakt in de verhalen

Berust dan niet met spijt

Dat je haar nog zo slecht kan bereiken

Ze je kinderen soms niet meer herkent

Wees bedacht op dat vluchtige wonder

Wanneer je even dicht bij haar bent

 

Ze streelt je en zegt: ha, daar ben je

Zeg, wat heb ik je lang niet gezien

Leven zonder pa, daaraan wen je

Maar hier blijven, mij niet gezien

 

Ze noemt je mijn kind en ze vraagt

Hoe het toch gaat met je werk

En was je ook nog geslaagd

En ga je nog naar de kerk

 

En je hoopt dat ze dan snel vergeet

Dat haar bed in dit kamertje staat

En je ziet haar luisteren en staren

Terwijl je alles met haar bepraat

Je bent bedacht op dat vluchtige wonder

Nu je even dicht bij haar bent

Nu haar hele wezen alert is

En jouw boodschap gaaf overzendt

 

Je houdt van haar

Ik hou van haar

Hou van haar

 

               van de Cd Wonderen                   

  http://www.lordsmoorsingers.nl/

Moeder? Waar zijdt gij?
Gij hadt....
 
Moeder, waar zijdt gij? Gij hadt
altijd antwoord op mijn vragen,
gij wist waarom dit en dat,
 
waarom als wij samenlagen
in bed en naar boven zagen,
de kabouter vleugels had.
 
Warom winter, waarom zomer,
waarom honger, waarom kou,
waarom appelen op de bomen
 
en de kinderen waarvandaan
schreiend zij op de aarde komen.
Ik heb het nooit goed verstaan.
 
Maar nu moet gij mij vertellen,
sprookjesmoeder, lieve vrouw,
kittelend mijn orelellen,
 
waar die kindren henengaan.
 
     Hubert van Herreweghen
       (Gedichten II, 1961)

In memoriam matris
 
 Ze was al heel erg oud. Daar riep een meisje:
'Kijk, oma, het is winter!' En zij zei:
'Ik zou zo graag gaan spelen, weer spelen
in de sneeuw.' De lente kwam, een lente
later zou ze sterven. Maar ze zei:
'Ik zou zo graag gaan lopen, lopen door
de regen, al die druppels op mijn gezicht.'
 
De zomer was voorbij, voorbij. Ze zei:
'Die appeltjes rook ik zo graag, vooral
wat in het gras lag, in de grote tuin van
mijn pa. Dat rook zo goed, zo goed.' Haar rimpels
betoveren haar glimlach, het verleden
staat op een kier. Heel even kijkt een meisje
naar een oud meisje in een hof van Eden.
 
                Geert Van Istendael      (1996)
Uit: "Het geduld van de dingen", uitg. Atlas -
Amsterdam/Antwerpen, 1996

Geen kind meer

Je leeft je eigen leven,
wat zij er ook van vindt,
je bent allang geen kind meer.
Je wilt erover praten,
maar niet op die manier,
je zult haar best verdriet doen,
maar niet voor je plezier.
Wat moet je nog met haar en
met haar ouderlijk gezag?
En dan opeens, dan is-ie er, die dag…

De dag waarop je moeder sterft,
de dag die je dagen
van dan af aan wat grijzer verft,
al hou je niks te klagen:
je hebt je goede vrienden nog,
die staan je ook dichtbij
en als je soms een minnaar zoekt,
dan staan ze in de rij.

Maar niemand zal meer weten
hoe je met je pop kon spelen
en niemand zal nog ooit
je vroegste vroeger met je delen.
De dag waarna je nooit meer
kwetsbaar wezen mag en klein,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Wat al die jaren fout ging
komt dan niet meer terecht
en wat je nog wou zeggen
blijft eeuwig ongezegd:
de machteloze frasen
van je genegenheid
en dat het niet haar schuld was
en ook dat het je spijt.
De dingen die je lang niet zeggen kon
en zeggen wou
en dan zo graag nog één keer zeggen zou…

De dag waarop je moeder sterft,
dat jij wordt losgelaten
en al haar eigenschappen erft,
die jij zo in haar haatte:
de scherpe tong, de bokkenpruik,
deze zure schooljuffrouw,
die zullen ze dan binnenkort
herkennen gaan in jou.

En hoop´lijk ook de and´re kant:
de aardige, de zachte,
maar of je die hebt meegeërfd
valt nog maar af te wachten.
De dag waarna de rest
een kwestie wordt van tijd en pijn,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

 Jan Boerstoel mei 1993

Moeder
 
Ik kom terug naar huis.
 
Ik loop traag de trappen op
en adem in...Ik wil opnieuw
het dunne wolkje ruiken
van de soep, bereid voor mij.
Ik wil aanbellen en horen
hoe jij naar de deur gelopen komt,
zien hoe die opengaat en voor mij
de ogen stralen van een heilige.
Ik wil je gouden tand zien blinken
wanneer je lachend uitroept :
- Kom binnen meisje!
 
Mijn lieve, mijn prachtige moeder!
 
Vandaag heeft de bruine aarde
jouw bruine ogen uitgewist.
En de spin van de grote leegte
heeft in jouw haar zijn web geweefd.
 
Ik word alleen verwelkomd
door een jaren oud verdriet.
 
Jij wacht op mij op de heuvel
je ogen zijn donkere viooltjes,
je armen - dun, groen, uitgestrekt
om mij te omhelzen...
 
Maja Panajotova
 
Uit: Noord & Zuid - Poëten in het Vlaams parlement (Lannoo, 2004)

De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien.
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

- toen ik daar stond op het gazon, pils gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid -
misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn beloften na te komen, haar te bewaren.

Rutger Kopland
uit: 'Tot het ons loslaat', 1997

Wasdag

Mijn moeder zingt. Zij is alleen
en hangt de was op lange lijnen.
Achter de schuur zit ik. Steeds weer verschijnen
haar handen om de waslijn heen.

God is mijn licht, ik wandel op zijn pad
zingt zij. De lijnen raken vol.
De zon legt om haar hoofd een aureool
van goud dat zij nooit eerder had.

Dan is ze weg. Ik hoor de achterdeur
eerst opengaan en daarna dicht.
Achter de schuur zit ik, en mijn gezicht
is vol van tranen en van wasgoedgeur.

Johanna Kruit  Uit: 'Omtrent het getij', 1985.

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

uit: Nieuwe Gedichten van Martinus Nijhoff (1894-1953)


Ballade over moederverdriet

Het schip voer weg, zij oogd’ het na
Het zonlicht ging met hem
Nog hoort zij het laatste woord
dier jonge diepe stem

Tot weerziens moeder en kus en zijn kus
Die op haar lippen brandt
Zijn blik die lang de hare zocht
Het wuiven van zijn hand

Zij bergt het alles in haar hart
Geen dag, geen nacht gaat om
Of voor haar ogen rijst het beeld:
houd moed; “ik kom weerom”

nooit dof is 't oog , nooit bleek haar wang
als zij zijn brieven leest;
die liggen voor haar neer
Zij leest de laatste ‘t meest,

en prest haar lippen op zijn naam
en op zijn jubelkreet:
“Ik kom terug! Mijn laatste brief”
“Houd huis en hart gereed!”

Een kille lichteloze nacht nacht,
Was ‘t leven zonder hem;
Hij keert! de nacht heeft uit! Weldra
Hoort zij zijn lach, zijn stem..

En drukt zij hem in arm en voelt
zijn kus en strijkt zijn haar
zijn donk’re lokken van ‘t gelaat
Veranderd- niet voor haar!

Zij zit en staaroogt uren lang..
Daar staat het reuzegroot:
“Ik kom weerom!” Wordt nimmer waar
Men zei:” Uw zoon is dood;”

Hij stierf op zee en nog veel meer,
Zij heeft het niet verstaan,
“Ik kom weerom”, zo fluisterd’ zij,
en kijkt u lachend aan.

En iedere morgen wacht zij hem
Dan gaat zij naar de ree
en doolt de schepen langs, en tuurt
Naar de eindeloze zee.

En iedere middag wacht zij hem
en zet zijn stoel gereed;
Er toeft een glimlach op ‘t gelaat
In ‘t feestlijk zondagskleed.

En iedre avond wacht zij hem
en strookt zijn peluw glad
en luistert tot het laatst geluid
Gestorven is in stad

en als zij ‘t oog voor altijd sluit
dan is ‘t schoon bleek en stom,
als murmelden haar lippen nog,
“Houd moed ik kom weerom”

Nu drukt zij hem in d’ arm en voelt
zijn kus en strijkt zijn haar
Zijn donkre lokken voor t’ gelaat
Zijn niet vergrijst voor haar.

Marie Agathe Boddaert

Angst

 

Het is zoo ver, Moeder.

De morgen was grauw, toen ik wegging van huis.

Sinds klimt het licht, stil en aanhoudend,

Wijder klaren al wijder klaarten

En ik dwaal als een vogel boven de wolken.

Ik wil je zien, Moeder. Ik wil nog éénmaal in je ogen

zien, voor de grondelooze diepte mij neemt.

Jij bent zoo ver.

 

Het is zoo ver, Moeder.

Ik koos de witte stilte, toen ik wegging in den herfst.

Sinds zonk de wereld onder 'mijn voeten.

Zwakker worden de stemmen, hooger en hooger

rijzen de witte zalen.

Ik luister. Straks?

Ik wil je hooren, Moeder. Ik wil nog éénmaal je

stem hooren, voor ik wit word.

Je bent zoo ver.

 

Het is zoo ver, Moeder.

Ik nam den grijzen weg, toen ik wegging in den wind.

Sinds ging ik den berg op,

Dieper wijken de dalen, de bosschen zijn voorbij en

schaarscher wordt het leven tusschen de steenen,

 Mijn hart bonst.

Ik wil bij je rusten, Moeder. Ik wil nog éénmaal

zachtjes rusten, voor de sneeuw komt.

Je bent zoo ver.

 

J.C. Van Schagen (1891)

 

 

Moeder

 

Ik kom terug naar huis.

Ik loop traag de trappen op
en adem in...Ik wil opnieuw
het dunne wolkje ruiken
van de soep, bereid voor mij.
Ik wil aanbellen en horen
hoe jij naar de deur gelopen komt,
zien hoe die opengaat en voor mij
de ogen stralen van een heilige.
Ik wil je gouden tand zien blinken
wanneer je lachend uitroept :
- Kom binnen meisje!

Mijn lieve, mijn prachtige moeder!

Vandaag heeft de bruine aarde
jouw bruine ogen uitgewist.
En de spin van de grote leegte
heeft in jouw haar zijn web geweefd.

Ik word alleen verwelkomd
door een jaren oud verdriet.

Jij wacht op mij op de heuvel
je ogen zijn donkere viooltjes,
je armen - dun, groen, uitgestrekt
om mij te omhelzen...

 

Uit: Noord & Zuid - Poëten in het Vlaams parlement (Lannoo, 2004)

Maja Panajotova

Bulgaarse dichteres die al vele jaren in Belgie woont. Geboren op 1mei 1951 in Aleksandrovo (Bulgarije).

 

Heimwee naar moeders woordenschat

 

Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
en van de muzen honderd lepe wetten
om ze verbluffend naast elkaar te zetten
tot schone larie over duister zeer.

Maar als ik op een avond bij ruig weer
de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
de troost schud uit de kuil van mijn sonnetten,
vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

Geleerde vrienden die het kunnen weten
hebben eerst de armoe van uw mond geteld
maar geen heeft mij dan tot nog tot vermeld

hoe gij met twintig woorden mild gemeten
mij meer met wijsheid en geluk vervult
dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.

 

(uit: De hondenwacht 1951)

Karel Jonckheere

 

Reserve

 

Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw
wordt het mij week en wonderlijk te moede;
hoe woest de wind door zoveel jaren woedde,
ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.

Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede,
een halve eeuw was zij mijn vader trouw,
en als het even in haar macht lag zou
zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.

Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik
en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen):
zij put uit raadselachtige reserve.

Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven,
maar in haar blauwe ogen blijft die blik
alsof het allermooiste nog moet komen.

 

Jean Pierre Rawie

(uit: De Tweede Ronde, jrg.12, nr. 2, Amsterdam, 1991)

 

 

 

Moederliefde

 

Het geheugen werkt vaak fotografisch
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.

Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.

Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.

 

Uit: Het nut van de poëzie, 2003

Willem Roggeman

 

Kind der aarde

Nu kom ik elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Geen afstand in de avond scheidt mij van uw liefdelichte huis.

Voorgoed uit al Gods sterren ken ik de eigen moeder mijn:
Daar is niets in de wijde heemlen als uw ogenschijn.

Hoe vindt de schaamte mijner ogen, Moeder, u onveranderd schoon;
Hoe bleef gij trouw en goed, Moeder, voor de ontrouwe zoon!

Ik slaap zoals een ongeboren kind zou slapen in uw schoot,
En drink uw koele donkre kracht in nachtelijke dood,

En elke nieuwe morgen in het nieuwe licht
Rijs ik op sterker vleuglen, Moeder, weg uit uw gezicht:

Als ziel en vogel die zijn moeheid dichtst aan uw hart verslaat,
Die stijgt en zingt het naast bij God met iedren dageraad...

Zo laat mij elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Mij kan geen afstand scheiden, Moeder, van uw liefdelichte huis!


Uit de bundel 'Vergeten liedjes' van P.C. Boutens (1870-1943)


De Moeder

Hij sprak en zeide
In 't zaâl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaats een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zoon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond geen tranen,
Voor zoveel vreugde geen tranen meer.


uit Experimenten (1911) van Geerten Gossaert (1884-1954)

MOEDER

We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als ’t  avond werd. Dan zong ze naast de zee -
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.

Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen
En steeds bewegend, steeds bewegend hart -
Wij wisten dat in haar geleden werd,
Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden.

Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven,
Donkere moeder, wieg haar lichaam warm,
Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot -

Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood,
Die mensen eenzaam maakt en stil en arm -
Maar die het witte zonlicht niet kan dooven.


Martinus Nijhoff  (1894 – 1953)
Uit: ‘Verzamelde gedichten’,  vierde druk, Bert Bakker Den Haag, 1974

Al met aarde

Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht, nooit
keek men zo laat in het vroegste gezicht

toppen van binnenvingers onder de huid, in
gekuild licht, gras onder steen, tellen tot een

nog moeder dan haar dubbelgangster is zij
slapen moet zij buiten het ei

dit goed inlezen en nooit meer aanspreken
nu zelfs de winter zich afschreef, te zwart
om te sneeuwen

dat waar men levenslang uitkroop nu dood
lopend vlees is, gedicht en ontledigd

tijd verbruikt, ingeteerd heden, geven en nemen
één tweeërlei lepel, onaangeroerd eten

'neergegooid in de hoek van een oud station'

vergeten bagage, afgelast eindpunt, zelfs
geen laatste trein die haar meeneemt -

Gerrit Kouwenaar -  ‘Het ogenblik: terwijl’, Amsterdam 1987

Moeder

Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
zoals een pop waarin een hart zou kloppen,
door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.

Ik zie uw knoken door uw kaken steken
en diep uw ogen in het hoofd gedrongen.
En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken,
wanneer ge zegt 'kom, zit aan tafel, jongen'.

Ik hoor u 's avonds aan de muren vragen
of gij de vensters wel hebt toegesloten.
Gij kunt den mist niet uit uw hersens jagen.
Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten.

Daar in de verte wordt een put gegraven;
ik hoor zo goed het ploffen van de kluiten.
En achter 't huis zie ik een schimme draven:
hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten.

- Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder.
- Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte benen:
hij is een vriend, een goede vriend, een broeder:
hij is niet ruw, hij wandelt op de tenen;

Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen.
Gij kunt gerust een onze-vader lezen,
en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen
dat gij geen kou vat en tevree zult wezen.

In november 1932 gepubliceerd in tijdschrift Forum
In 1934 gebundeld in Verzen van Vroeger
1992 in Verzameld werk uitg. Querido,
2002 in Domweg Gelukkig in de Dapperstraat, 22e druk uitg. Bert Bakker

elsschot willem

Aan mijn moeder

Ik heb gedroomd, o moeder,
dat gij op sterven laagt,
en voor het al te sluiten
mij lang in d'oogen zaagt.

Gij spraakt van eerlijk blijven,
van recht door 't leven gaan;
hebt toen nog eens geglimlacht,
en alles was gedaan.

'k Wou om vergeving smeken,
waarvoor, ik wist het niet,
en bij u nederknielen;
mijn knieën bogen niet.

Toen wist ik dat 'k u nimmer
nog iets vergelden kon.
Uw stem deed mij ontwaken
in 't klare licht der zon.

Daar blonken groote tranen
van heil en droefenis.
En 'k voelde diep in 't harte
wat een moeder is.

elsschot willem

Moeder

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamer doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.

Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verraad der wereld overleefd:
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar wezen in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.

Uit: Verzamelde gedichten Gerrit Achterberg

 
 Mijn moeder sterft

Er wordt om mij geroepen:
mijn moeder sterft.
Ik moet de valleien opzoeken
die ik erf.

Bloemen van voor zestig jaren
bloeien over.
Het is niet te geloven,
o grijze haren,

dat ik er nog niet was,
toen zij neer lag in het gras,
hunkerend naar het leven,
dat ik ben gebleven.

Het is niet te denken,
dat zij me straks niet zal wenken
op het terras
dier andere weide
aan gene zijde
van stof en as.

Gerrit Achterberg
uit: Sphinx,
opgenomen in Verzamelde gedichten,
Querido, 1988

 
 De moeder

Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

"Je bent me ontgroeid," zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: "Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker."

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug, van u herstel ik niet.

Hugo Claus Uit: "Oostakkerse gedichten", De Bezige Bij, 1955.

 

Mijn moeder

Mijn moeder was een heilige vrouw.
O daar ligt blijdschap in die rouw.
Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet.
Als de melk van haar borst...
O mijn moeder was goed!
En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar wang,
Haar ogen al ziel en haar woorden al zang!
Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend:
Ach, jongen waar hebt ge zo'n moeder verdiend!
En toch, gij wist nog niet half wat ze deed
Uit verborgen zorgen: hoe hard zij streed
In de nederigheid van haar weduwsmart,
Met een roos op 't gelaat en een doorn in 't hart!
Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond,
Tot het laatste bloed uit haar warme wond...
Mijn moeder!... Zoete gedachtenis,
Beheers wat er goeds in mijn leven is!

Uit de bundel: toortsen  René de Clercq

Moederken

't En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.

Geen tekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van stene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
allene.

o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

Uit de bundel: laatste verzen Guido Gezelle

Angst

 

Het is zoo ver, Moeder.

De morgen was grauw, toen ik wegging van huis.

Sinds klimt het licht, stil en aanhoudend,

Wijder klaren al wijder klaarten

En ik dwaal als een vogel boven de wolken.

Ik wil je zien, Moeder. Ik wil nog éénmaal in je ogen

zien, voor de grondelooze diepte mij neemt.

Jij bent zoo ver.

 

Het is zoo ver, Moeder.

Ik koos de witte stilte, toen ik wegging in den herfst.

Sinds zonk de wereld onder  mijn voeten.

Zwakker worden de stemmen, hooger en hooger

rijzen de witte zalen.

Ik luister. Straks?

Ik wil je hooren, Moeder. Ik wil nog éénmaal je

stem hooren, voor ik wit word.

Je bent zoo ver.

 

Het is zoo ver, Moeder.

Ik nam den grijzen weg, toen ik wegging in den wind.

Sinds ging ik den berg op,

Dieper wijken de dalen, de bosschen zijn voorbij en

schaarscher wordt het leven tusschen de steenen,

Mijn hart bonst.

Ik wil bij je rusten, Moeder. Ik wil nog éénmaal

zachtjes rusten, voor de sneeuw komt.

Je bent zoo ver.

 

 

J.C. van Schagen (1891)


 

Herinnering


Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tesaam
Iedere nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?


Moe gespeeld en moe gesprongen
Zat ik op uw schoot en dacht
In mijn nachtgoed, kleine jongen,
Aan 't geheim der nacht.


Want als wij dan gingen zingen
't Oude altijd-eendre lied
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet, 
Hoe zijn eeuwige, grote wondren
Steeds beschermend om ons zijn
- Nimmer zong je moeder, zonder 'n
Beven dat refrein - , 
Dan zag ik de sterren flonkren
En de maan door de wolken gaan,
D' Oude nacht met wijze, donkre
Ogen voor me staan.

Martinus Nijhoff (1894-1953)

Vader

 

Veilig op de arm van Vader
kom maar op, wie doet me iets?
Links en rechts dreigen gevaren
maar 't is vreemd, ik vrees toch niets

 

Samen steken we hier over
en we komen veilig aan
zo, zegt Vader, nu maar even
op je eigen benen staan

 

Als ik dapper naast Hem voortstap
aan Zijn grote, sterke hand
denk ik: zonder hulp van Vader
liep ik nooit aan deze kant.

 

frits deubel

Vader

 

vader kocht ooit
een verzameld werk
een bundel gedichten
van degelijk merk

 

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken

 

bij tijd en wijle
herlees ik die
zeer summiere
biografie

 

in een code
van strepen en stippen
steeg het water
hem naar de lippen

 

uit: Goejanverwelleshuis 1971

Willem Wilmink

 

 

WIJDING AAN MIJN VADER

O Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teder léerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;

- ik, die thans ben als een, die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

Uit de bundel: het Vaderhuis (Verzen)
Karel v/d Woestijne, 1909

 

 

 

 

IK BEN GEEN VADER EN IK HÈB GEEN ZOON

Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.

Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.

Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.

God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.


eerste gedicht uit de cyclus: De gedroomde zoon

Uit de bundel: De Lichtstreep (1926 - 1928) II De gedroomde zoon (1928)
 
Willem de Merode

 

 

 

 

De Grootvader

Hij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken
En stil en zwijgend nevens haar.

Zij wordt wel groot, maar is zo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd:
-- Zo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroege dood mij werd ontroofd!

Dan lacht ze op hem met stille weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt
En denkt: hij zal niet lang meer leven:
Hij wordt zo stram, hij is zo oud!

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zo diep beducht thans voor elkaar --
Het meisje in de bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar?

Uit de bundel: Gedichten, 1870

Rosalie Loveling

 

 

 

 

De Dankbare Zoon

Ik ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt:
Mijn vader is mijn beste vrind,
Die mij schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest,
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister best.

Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama mij brengen kwam
In plaats van Leidse kaas.
En och! hoe menig arme man
Zijn zoontje proeft daar nimmer van;
Daar de ouwe 't niet betalen kan!

En daarop noopt mij dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd
(Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
Te wand'len in mijn jeugd:
Altijd de rechte weg te gaan,
En, met mijn Zondags buisje aan,
Nooit ergens tegen aan te staan.

Wanneer Papa uit wandlen gaat,
Neemt hij ons dikwijls mee
En reciteert soms over straat
't Sanscrities a, b, c:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik
Dan lees ik in zijn vaderblik:
'Ik ben ontzaglijk in mijn schik.'

En daarom is mijn vast besluit,
O dierbaar ouderpaar -
Dat ik, ofschoon uw jongste guit,
Uw meekrapkleurig haar
Nooit grijs doe worden voor de tijd,
Noch dat ik door gebrek aan vlijt
Het vaderhart u openrijt.

Integendeel, door mijn gedrag
Hoop ik al meer en meer,
- Als ik het zo 'reis noemen mag, -
Te strekken tot uw eer.
Zo moogt gij eenmaal, oude liên!
Nog in uw jongste telg misschien
Uw evenbeeld gespiegeld zien.

Verleden week zag ik een zoon,
Die zijne grootmama
Behandlen dorst met smaad en hoon,
De moeder van zijn pa!
Hij zei: haar man, die ouwe paai,
Sprak naamlijk als een schorre kraai....
- Dat stond die jongen heer niet fraai.


 Gerrit van de Linde

 

 

 

Mijn handen

Ik zie op mijn oude handen -
hun taak is bijna gedaan -
Brachten ze eer of schande?
Brachten ze zegen aan?
O mijn handen! Mijn handen!
Nu moeten ze spoedig vergaan.

Ze hebben al rimpels en vouwen,
vlekken bruin, die geen water wist.
Ach! Al te groot vertrouwen!
Wat hebben ze vaak zich vergist -
Mijn handen! Mijn handen! Hoe dikwijls
hun schoonst bedoelen gemist.

Nu gaan ze welken en kwijnen,
ze laten zich niet meer gebiên,
uiteen valt de kunstige, fijne
gehoorzame machien -
O mijn handen, mijn handen, gauw zal ik
uw schrift niet langer zien.

Dan worden ze mager en beven,
in verlangen naar eeuwige rust,
dan is 't laatste woord geschreven
het laatste kaarsje geblust.
En mijn handen, mijn handen, voor 't laatst nog
door lieve lippen gekust.

Nog eens doet mijn wil hen buigen
in gehoorzaamheid naar elkaar,
zo zullen ze blijven getuigen,
van mijn gang tot de zalige schaar
O mijn handen! Mijn handen! Verstijfd dan
in durend aanbiddings-gebaar.


Uit de bundel: Ik heb de witte water-lelie lief
Frederik van Eeden   1926

 

 

 

De oude man

Een oud man in de straat
zijn klein verhaal aan de oude vrouw
het is niets het klinkt als een ijl treurspel
zijn stem is wit
zij gelijkt een mes dat zo lang werd aangewet
tot het staal dun werd
Gelijk een voorwerp buiten hem hangt deze stem
boven de lange zwarte jas
De oude magere man in zijn zwarte jas
gelijkt een zwarte plant
Ziet gij dit snokt de angst door uw mond
het eerste smaken van een narkose

Uit de bundel: Nagelaten Gedichten
 
Paul van Ostaijen

 

 

 

 

Vader overleden

o Al te kwade boodschapper,
die, bitsig als een horselbie;
die, stekende als een degenstoot;
die, snel gelijk de bliksemslag;
die, stom en doof, noodzakelijk,
te mijwaard op de snaren komt
gevlogen van de tekendraad!
Te gauwe, och arme, vindt ge mij
en biedt gij, in uw bitsigheid,
de boodschap, - en geen troost daartoe! -
dat 'vader overleden' is!
Ge'n zegt niet hoe hij, vroomgezind,
zijn kruise en zijne ellenden droeg;
ge'n zegt niet, echt en recht, hoe hij
onwankelbaar gelovig en
betrouwende in Gods goedheid was;
ge'n zegt niet hoe, beneên de bast
van buitenwaardse ontederheid,
hij teerheid in zijn herte borg;
ge'n zegt niet hoe, van ‘s morgens vroeg
tot ‘s avonds, hij was werkzaam, hoe
‘t gevaar hij niet en minde, niet
en vreesde, daar ‘t de plicht beval;
ge'n zegt niet hoe nauwkeuriglijk
hij omzag, daar te zorgen viel
voor kinderlijke onschuldigheid;
ge'n zegt niet hoe noch wat hij was,
voor God en voor de mensen: gij
en steekt me... en gij en stoot me maar
door ‘t herte, dat hij henen is,
mijn broeder! Van geen zielenruste
en rept gij! - Och, hoe herteloos
doorslaat mij nu die bliksemslag
en biedt hij me, in zijn bitsigheid,
de boodschap, - en geen troost daartoe! -
dat "vader overleden" is! -
Zijn ziele God genadig zij!
o Al te kwade boodschapper!


Kortijk, 1/1/1899
Uit de bundel: Laatste gedichten

Guido Gezelle 1899

 

 

 

 Het huis mijns vaders


Het huis mijns vaders waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan de lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de bomen, en der jaren
om 't vredig leven van de roereloze dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van grote vooglen hing,
iedere avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in 't loof der stille bomen staan.

...Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaamle bloemen in de avond, o mijn kind.
En 'k minde u. - En zo 'k vele vrouwen heb bemind
sindsdien, met moede geest of smeekende gebaren:
u minde ik; want ik zag uw kinder-ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.

Karel v/d Woestijne

 

 

 

 Vader

De dingen die voorbij zijn, blijven rustig verder leven,
sereen, omdat ze niet meer zo acuut
en niet meer zo heel heel even
moeten gebeuren van minuut tot minuut.

Zo ging mijn vader, sinds hij stierf
ook in mijn dromen al een paar keer dood, maar trager,
er niet de tijd voor nemend, maar een eeuwigheid,
en leeft hij tóch nog verder, verder en wat vager.

Hij zegt niets meer, hij is een sfeer, mijn vader,
van ouwe woorden, het woord 'altegader',
het woord 'gelaat' en 'schoot' (van ons gezin) en 'schoon'.

Zo rustig wil ik ook wel sterven, een keer of zes, zeven
in de dromen van mijn zoon.
Tot ik gewoon blijf leven.


HERMAN DE CONINCK

 

 

 

Papa

 

Ik heb dezelfde ogen

En ik krijg jouw trekken om mijn mond

Vroeger was ik driftig

Vroeger was jij driftig

Maar we hebben onze rust gevonden

En we zitten naast elkaar

En we zeggen niet zoveel

Voor alles wat jij doet

Heb ik hetzelfde ritueel

Papa, ik lijk steeds meer op jou

 

Ik heb dezelfde handen

En ik krijg jouw rimpels in mijn huid

Jij hebt jouw ideeën

Ik heb mijn ideeën

En we zweven in gedachten

Maar we komen altijd thuis

De waarheid die je zocht

En die je nooit hebt gevonden

Ik zoek haar ook

En tevergeefs

Zolang ik leef

Want papa, ik lijk steeds meer op jou

 

Vroeger kon je steng zijn

En ik heb je soms gehaat

Maar jouw woorden

Ze liggen op mijn lippen

En ik praat nu

Zoals jij vroeger praatte

Ik heb een goddeloos geloof

En ik hou van elke vrouw

En misschien ben ik geworden

Wat jij helemaal niet wou

Maar papa, ik lijk steeds meer op jou

 

Jij gelooft in God

Dus jij gaat naar de hemel

En ik geloof in niks

Dus we komen elkaar na de dood

Na de dood nooit meer tegen

Maar papa

Ik hou steeds meer van jou

 

Stef bos

 

 

 

 Het huwelijk

 

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd

In d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven

Haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven

Toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt

 

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard

En mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren

Hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren

En hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard

 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond

Het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen

Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen

En rilde waar ze stond, maar leefde en bleef gezond

 

Hij dacht: Ik sla haar dood en steek het huis in brand

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen

En rennen door het vuur en door het water plassen

Tot bij een ander lief in enig ander land

 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad

Staan wetten in de weg en praktische bezwaren

En ook weemoedigheid die niemand kan verklaren

En die des avonds komt, wanneer men slapen gaat

 

Zo gingen jaren heen, de kinderen werden groot

En zagen dat de man die zij hun vader heetten

Bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten

Een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood

 

Willem Elschot

 

 

 

De akkers van mijn vader

 

Langs een gordijn van draden

langzaam omlaag zakkend

hebben de seizoenen mijn wonden

geheeld. Al dertig jaren.

 

Met een gebaar van zorg

zoals een vader alleen dat kan

heb je me meegenomen naar

jouw velden, naar jouw akkers.

 

Daar plachten we ademlopend

te spelen. Daar vader.

Met een smaak van

dode herfstbomen.

 

Maar toen vader, toen stierf

Al gauw en snel het landschap

in jou. En nu vader,

nu draag ik jou

naar jouw akkers.

 

Voor een laatste keer

 

Dimitri Casteleyn

 

 

Volière

 

Van top tot teen vol vogels zit mijn vader.

Er hangen korenblauwe luchten in zijn lijf

en vergezichten om bij weg te dromen

en takken waar men, vogel zijnde, graag op slaapt.

 

De meest diverse soorten herbergt hij.

Bijvoorbeeld in zijn hoofd iets hoogs,

een torenvalk, een nachtegaal, een kardinaal

of welbespraakten als de papegaai, alsook de ara

 

uit de karaokebar. Omstreeks zijn kolossale kont,

daar wonen enkel en alleen de doodgewonen:

kanaries, zebravinken, pimpelmezen,

meerstemmig maar saamhorig in hem thuis.

 

Als al die vogels simultaan duizeling-

wekkend aan het kwetteren slaan,

kan ik de nagalm van zijn zwijgen horen.

Nooit is het stil wanneer mijn vader zwijgt

 

Gruwez

 

 

Vader

 

Zoals jij zat

verloren in de hoeken van de tuin.

Een gevallen blad.

Een weggeworpen woord.

Een bijna vogel voor de kat.

 

Zoals jij zat

in de laatste stralen van de zon.

Een schemering.

Een ondergang.

Een leeg gebloeide avond.

 

Zo zal ik zitten in uw vel.

Een oude rozentuin.

Een lege schommel.

Een oud gerei

verloren in de hoeken.

 

Maar ik zal vloeken... vloeken!

 

Pierre Van Laeken

 

 

VADER

 

Vader, wat zou ik er voor willen geven

als je er af en toe nog eens kon zijn

en een zondag kwam zitten in mijn leven

bij mijn werk en mijn boeken en mijn wijn.

 

 Soms zie ik nog mannen van vijfentachtig

(je weet wel waar) met een gezicht vol zon

en zin, en dan denk ik: godallemachtig

als ik hem zo nog eens meenemen kon.

 

 Want op de een of de andere manier

leef ik toch ook nog steeds voor jou: jouw ogen

wil ik, met hun aandacht, pret en mededogen

bij mijn geploeter, mijn huis en mijn hier:

 

en ik zag ze zo graag een keer genieten

van al wat ze met tranen achterlieten.

 

Michel Van der Plas

 

 

Vaders Vertelsels.

 

 Toen 'k klein was, sprak mijn Vader mij

 Van Duimpje's aardge grappen;

 Hij deed me om Gullivers wondre reis

 Verbaasd in d'handen klappen.

 Van Sneeuwwitje, van Robinson,

 Van Nietdeug en zijn streken,

 Van dingen, die hij zelf verzon,

 Kon hij soms uren spreken.

 

 Ali-Baba die was mijn vriend,

 Maar Blauwbaard deed mij schrikken;

 Ik jubelde om het Tooverschip

 En lachte om Reinaart's strikken.

 Ik likte al blij mijn lipjes af,

 Als Jan zijn koeken bakte,

 Toen 'n half geraamte plots, pardaf!

 De vett'ge pan in smakte...

 

 Van Duizend en van éénen Nacht,

 Van wreede en zoete dingen,

 Wist Vader, als ik klein nog was,

 Te babblen en te zingen...

 En eindlijk deed een bonte koe

 Haar grooten mond wijd open;

 Daar is toen telkens, 'k weet niet hoe,

 't Vertelsel ingekropen!

 

Hendrik van Tichelen

 

 

Vader en zoon

 

 Als ik je sloeg was het mijn vlees dat vroeg om slaag.

 Als ik je zoen zoek ik verzoening met mezelf.

 Nu jij me hier ziet zitten, vindende verlorenheid

 Die ons nog niet begrijpt, heb jij jezelf gehoord.

 

 Kijk ik in mijn ogen als jij bang mijn blik ontwijkt?

 En hoor ik iedereen als jij weer zwijgt: ‘Ik ben alleen’?

 Alleenzijn is voor mij een raar substantief, voor jou

 Een onbepaalde wijs. Maar je 18 is mijn 41 waard.

 

 Onze leeftijd zonder beroep, onze naam zonder adres -

 Wat kun je dan nog leren van een kind, een man als ik?

 Dat je mijn vlees moet slaan en zoenen, vechtend

 Tegen dit hevige doodgaan dat ik op vader bevocht.

 

Leonard Nolens

 

 

Tokkeltuit en z'n vader

 

 Ken je den kleinen Tokkeltuit?

 Hij vindt, dat Vader niets beduidt:

 een Pa is er maar wat op toe:

 één ding bestaat: dat is z'n Moe;

 en Vader denkt: ‘Dat komt nog wel;

 hij is te klein nog voor het spel.’

 

 Er wordt heel veel voor hem bewaard,

 want Vader is een prachtig paard;

 o, Tokkeltuit is nú nog klein,

 maar eenmaal zal hij ruiter zijn

 en rijdt de gang af en terug

 op Vaders brede paarderug. -

 

 Maar nu...; nee', als hij Vader ziet,

 dan denkt ie: ‘Dat is Mammie niet’

 want Moeder komt op dit uur aan

 met custardpap en een banaan,

 en om het jeuken van z'n maag

 ziet hij z'n Moeke-moesje graag.

 

 En Moeder zegt: ‘Zo, spreeuwenjong,

 wat huil je weer met bibbertong;

 komt voor M'nheer de pap te laat?

 Wat maakt m'n kleine man zich kwaad.

 Kijk, Vader, hoe de kleine vent

 het klappen van de zweep al kent.’

 En Vader kijkt, glimlachend, toe

 en denkt: ‘Zo'n jongen en zo'n Moe

 is er geen tweede span op aard’

 - hij krabt verlegen in z'n baard

 en lacht om zoveel groot geluk -

 ‘Wat is zo'n kereltje toch druk.’

 

    Jac. van Hattum

 

 

Het kauwgumkind

 

 Het kauwgumkind weet nog niet goed,

 hoe of het zich gedragen moet.

 

 Vaak kijkt men stomverwonderd toe

 en denkt, dat kind lijkt wel een koe.

 

 Het blaast een bobbel voor z'n mond

 en kijkt dan heel verdwaasd in 't rond.

 

 Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,

 en die komt uit Amerika.

 

 De kauwgum-Pa kauwt op kantoor

 van negen uur tot zes uur door.

 

 Wanneer er thuis gegeten wordt

 legt elk z'n kauwgum naast z'n bord.

 

 En nauw'lijks is het maal gedaan,

 of elk vangt weer te kauwen aan.

 

 Eerst als men 's nachts de ogen sluit

 spuwt elk verveeld z'n kauwgum uit.

 

Jac. van Hattum

 

VADERDAG.
 
Ondanks dat ik zelf ook vader ben heden
En mijn echte vader reeds lang is overleden
Heb ik nog een vader in het leven
En Die ga ik vandaag wat aandacht geven

 

 Velen denken niet aan Hem
Ondanks dat iedereen Hem kent
Jammer dat velen Hem zijn vergeten
Of niets van Hem meer willen weten.

 

 Deze vader ga ik gedenken
En veel universele bloemen schenken
Een kaarsje steek ik voor Hem aan
Waarmee ik Hem dank voor mijn bestaan

 

 Zo is het voor mij altijd vaderdag
Omdat ik de God van al het Leven kennen mag
Mijn overleden vader eer ik in gedachten
Want die zit niet meer op vaderdag te wachten.

 

 Voor alle overleden vaders steek ik ook een kaarsje aan
Voor elke vader die heeft bestaan
Daarmee wil ik hun ook laten weten
U bent hier niet meer, maar toch niet vergeten.

 

Henk Roesink  http://www.liefdesband.nl

 

De akker

 

Ik zal die zondagmiddag met mijn vader
op wandel door het land niet licht vergeten
al is het vijftig jaar en méér geleden,
zo dicht bij hem als bijna nooit meer later.

 

Wij kwamen bij een akkerstuk, door bossen
die aan vier kanten stonden, ingesloten, –
door varens een verwoestend spoor gestoten
dan verend verder over vedermossen.

 

Wij vonden er een hof. Het hoge koren
met ritselingen rijpgestookt van boven
stond in de palle juli onbewogen
tegen mijn open ogen en mijn oren.

 

Ik zág niets anders, hóórde niets dan droge
verdorde zoemgeluiden van insecten
onzichtbaar kevertjes en rode plekken
papavers door veel bijen aangevlogen.

 

Een wereld die bestond en aan den lijve
ervaarbaar vaderlijk, een nieuwe aarde
met ademing en aanvangen van klaarte
waarin ik wilde blijven en verblijven.

 

Anton van Wilderode
Uit: Daar is maar één land dat mijn land kan zijn

 

VADERDAG

 

Als kleuter van een jaar of vier

denk je spontaan en zeker fier:

'Er is geen betere dan pa,

wat hij kan, doet geen mens hem na!'

 

Een knaapje van zo'n vijftien jaar,

zijn kin bezaaid met stoppelhaar,

die spot al met: 'Die ouwe thuis,

wat die doet, is beslist abuis!'

 

Met dertig jaren ouderdom

vind je papa toch niet zo stom.

Is er iets dat niet meer gaat,

vraag je aan papa om raad.

 

Hij ziet, hij kan en doet van al,

weet raad en daad voor elk geval.

Maar dit besef je vaak gewis,

als papa er niet meer is.

 

HENRI LUYCKX

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL