Teksten in verband met gnosis II

01. De Bijbel en de Antieke Mysteriën – 02. Opus Postuum – 03. Valsheid in geschrifte – 04. Het openvallend testament – 05. Het Gnostisch Alternatief – 06. De Hermetische schakel – 07. Het Evangelie van Judas. – 08. De Wereldbeschouwing der Rozenkruisers – 09. Het Visioen van Henoch - 10. De Apocalyps en de wet der tegenstellingen - 11. Waarheid achter Woorden - 12. Vermaning van de ziel -

 

 

01. De opstanding

 

 

Fragment uit: De Bijbel en de Antieke Mysteriën – J. G. Sutherland

 

De opstanding van Jezus moeten wij ons niet voorstellen als een gebeurtenis die tegen de natuurwetten in zou zijn gegaan. Teneinde enig inzicht te verkrijgen over hetgeen zich hier voltrok, zullen wij eerst nagaan, wat er met de gewone mens geschiedt nadat hij gestorven is. Het O.T. geeft hieromtrent een zeer beknopte, maar belangrijke mededeling in Hoséa 6:2: ‘Hij zal ons na twee dagen doen herleven; ten derde dage zal Hij  ons oprichten en wij zullen leven voor Zijn aangezicht’.

 

In de Nomokánon van Malaxa, een oud handboek voor het kerkelijk recht, wordt gezegd dat op de derde dag na iemands overlijden zijn nagedachtenis wordt gevierd; de reden daarvan wordt als volgt opgegeven: ‘op die dag komt de engel hem halen om hem naar de hogere gewesten te brengen’, ook de Perzische Avesta heeft het over deze drie dagen.

 

Bij ons allen heeft drie dagen na de dood de opstanding plaats, maar ten gevolge van de zondeval geschiedt dit met een in de loop der incarnaties ernstig gehavend bovenstoffelijk wezen. Daar komt nog bij dat het aetherlichaam[1][I]

 er geen deel aan heeft; het blijft achter en valt langzaam uiteen en wordt opgelost in de aethersfeer, met uitzondering van een extract, dat behouden blijft en meegaat bij de opstijging naar de zielenwereld.

 

Nu is er voor ons het probleem: wat was het dat de discipelen aanschouwden bij de opstanding van de Heiland? – wat de discipelen toen aanschouwden was Zijn aetherisch lichaam.

De verklaring hiervan is deze: bij Jezus was ten gevolge van de drie jaar durende inwoning van de goddelijke Christusgeest het gehele bovenstoffelijke wezen, ook het aether- of levenslichaam, vervolmaakt. Het aetherlichaam van Jezus had de dood overwonnen; ook de vormkrachten van het stoffelijk lichaam hadden de dood overwonnen.

 

Paulus wijst er met nadruk op, dat de opstanding van de Heiland voor ons allen van het allergrootste belang is (I Kor. 15:14). Ware Jezus niet uit de doden opgewekt, zo zegt hij, ‘dan zou onze prediking ijdel zijn’. In 15:20-22 verklaart hij deze woorden, en in 35 ev. gaat hij hiermee voort: de gewone aardse mens stamt af van Adam maar de geestelijke mens stamt als zodanig af van Christus, die nu ‘de laatste Adam’ wordt genoemd; Paulus had ook kunnen zeggen: de tweede Adam. In dit licht bezien vormt de opstanding van Jezus de aanvang van onze opstanding na de dood in een verre toekomst, dus, als wij vele incarnaties verder zijn. Met behulp van de geestelijke krachten die de Heiland ons toezendt, kunnen wij dat bereiken. Indien wij deze niet opnemen, gelden de woorden van de dichter Ten Kate: ‘Ik kan mijzelf geen wasdom geven’.

 

Wanneer de vraag wordt gesteld, op welke wijze de mens de opstandingkrachten kan ontvangen, dan kan het antwoord luiden: allereerst is er de levenswijze volgens de woorden van Jezus in het Evangelie, de meditatie en het diep doordachte gebed. Voorts is ons een machtig hulpmiddel gegeven in het sacrament van het Avondmaal en – wat hiermee samenhangt – het zich bewust openstellen voor de Christus.

Langs de hier genoemde wegen komt het zielewezen tot verdere groei en vervolmaking, en dit geldt ook voor het aetherlichaam. Laatstgenoemde voertuig kan – maar dat is dan een zaak van meer dan één incarnatie, wellicht van vele, dusdanig worden gesterkt, dat het na de dood niet meer uiteenvalt, doch behouden blijft, zoals bij Jezus het geval was.

Dit is het geheim van de boom des levens, een naam die verband houdt met het aether- of levenslichaam. Het wordt ook wel ‘vormkrachtenlichaam’ genoemd.

 

Het hier bedoelde wezensdeel beheerst en regelt de functies van het stoffelijk lichaam; dit geschiedt zonder dat wij er een merkbare invloed op kunnen uitoefenen. De volledige beheersing van alle functies van het aether- of levenslichaam wordt in de Bijbel voorgesteld door het beeld van de boom des levens, die bij de zondeval de mens werd ontnomen (Gen. 3:22) en die hij in het Nieuwe Jeruzalem[2]opnieuw zal ontvangen (Openb. 22:2). ‘En de bladeren van de boom waren tot genezing van de volkeren’. Ziekte en dood zullen dan zijn overwonnen.

Wie het woord van Christus verneemt en in de Vader gelooft, heeft het eeuwige leven, aldus Joh. 5:24, ‘want hij is overgegaan uit de dood in het leven’. De oorspronkelijke tekst bevat een woord dat letterlijk kan vertaald worden met: overgestapt. Aangaande hetzelfde onderwerp zegt Johannes in zijn eerste brief 3:14: ‘wie niet liefheeft, blijft in de dood.’

Somtijds gebeurt het, dat men van datgene, wat de evangelist bedoelt, verschijnselen ziet bij het sterven van mensen in wie het hogere leven, dat in hen ontkiemd was, zich doet kennen. Degenen die daarbij aanwezig zijn, aanschouwen het opblinken van het hogere licht in de ziel, zoals dat in de laatste ogenblikken kan geschieden.

(…..)

 

Bij de paradijsmens was het zielewezen doorstraald met het hogere licht, zonder dat hij daar met een denkend en begrijpend bewustzijn tegenover stond. Bij de toekomstige mens zal het goddelijk-geestelijk licht wederom inspelen, maar dan zal hij het bewust kunnen opnemen. Aangevangen zijnde als instinctwezen, zal hij Gods wegen bewandelen met een eigen bewustzijn. Daartoe zal hij, zoals Jakob Boehme zegt, zijn egoïstische eigenwil moeten opgeven en in de plaats daarvan een wil dienen te ontwikkelen, die gericht is op God.



[1]Het aetherlichaam bevat de levensadem voor het fysieke lichaam. Het houdt dit dus letterlijk ‘in leven’.

[2] Het koninkrijk waar Jezus steeds over sprak

 

02. Jezus-woorden

 

 

Uit de appendix bij Opus Posthuum door  Jacob Slavenburg.

 

Inleiding:

In onderstaande weergave heb ik gebruikgemaakt van zowel Bijbelse als, vooral ook, buiten-Bijbelse bronnen. Daarbij heb ik niet gestreefd naar volledigheid. Een poging daartoe zou een heel boek vergen. Onderstaande is illustratief voor wat ik ‘de Weg’ noem, analoog aan de benaming voor de vroegste christenen. Het is de ethiek zoals Jezus die predikte in zowel besloten kring als in het openbaar (het onderscheid daartussen is niet altijd even duidelijk). De ethiek die moest leiden tot een ‘wedergeboorte’ van de ‘nieuwe’ mens. De leringen zijn opgedeeld in negen thema’s. Voor de benamingen daarvan heb ik werkwoorden gebruikt, omdat dit wellicht het meeste aansluit bij de belevingswereld van die volgelingen van Jezus die Hebreeuws lazen en Aramees spraken. (J. Slavenburg)

 

 

Zich houden aan de wet.

 

Jezus zei: jullie hebben gehoord dat tot onze voorouders is gezegd: je zult niet doden … Maar ik zeg jullie: ieder die vertoornd is op zijn broeder zal strafbaar zijn voor het gerecht.

Als je je gave naar het altaar brengt en het schiet je daar te binnen dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan je gave voor het altaar achter en ga je eerst met je broeder verzoenen …

 

Jezus zei: jullie hebben gehoord, dat er gezegd is: je zult geen echtbreuk plegen. Maar ik zeg jullie: ieder die naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.

 

Jezus zei: jullie hebben gehoord dat tot onze voorouders gezegd is: je zult geen valse eed doen, maar je houden aan de eed voor de Heer. Maar ik zeg jullie helemaal niet te zweren … je ja moet ja zijn en je neen, neen …

 

Jezus zei: wie zijn vader en moeder niet haat, zoals ik, kan voor mij geen leerling zijn; en wie zijn vader en moeder niet liefheeft, zoals ik, kan ook niet mijn leerling zijn.

 

Jezus zei: … je zult de Heer je God liefhebben met heel je hart en met heel je ziel, met heel je verstand en met heel je kracht …

Je zult je naaste liefhebben als jezelf. Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet.

 

Volgen van andere geboden.

 

Jezus zei: heb medelijden opdat je medelijden ontvangt; vergeef opdat je vergeven wordt. Zoals je doet zal je teruggedaan worden, zoals je geeft zul je ontvangen; zoals je oordeelt wordt je geoordeeld; in de mate waarin je zelf goed bent, ontvang je ook goedheid. Met de maat waarmee je meet word je ook gemeten.

 

Jezus zei: jullie hebben gehoord dat er gezegd is: je zult je naaste liefhebben en je vijand haten. Maar ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen …

 

Jezus zei: zegen hen die je vervloeken, bid voor je vijanden en vast voor hen die je vervolgen … Heb lief die je haten en je zult geen vijand meer hebben.

 

Jezus zei: bid voor je vijanden. Want hij die niet tegen je is, is voor je. Hij die vandaag ver is zal je morgen nabij zijn.

 

Jezus zei: indien je broeder door een woord gezondigd heeft en hij heeft je genoegdoening gegeven, neem het aan zevenmaal per dag.

 

Jezus zei: lieg niet en doe niet wat je verfoeit, want voor de hemel zijn alle dingen openbaar.

 

Jezus zei: wie zondigt is een slaaf van de zonde.

 

Jezus zei: ga binnen door de nauwe poort. Want wijd is de poort en breed is de weg die naar de ondergang leidt, en velen zijn het die daarlangs gaan. Hoe nauw is de poort en hoe smal is de weg die naar het leven leidt, en weinigen zullen hem vinden.

 

Jezus zei: geef het kwade geen kans.

 

Jezus zei: als je geld hebt, leen het niet uit tegen rente, maar geef het aan hem van wie je het niet terug zult krijgen.

 

Jezus zei: als je het kleine niet bewaart, wie zal je dan het grote geven? Want ik zeg je: wie in het allerkleinste trouw is, zal ook in het vele trouw zijn.

 

Jezus zei: laat de grootste onder je als de jongste worden, en wie regeert als iemand die dient.

 

Jezus zei: oordeel niet naar het uiterlijk, maar vel een rechtvaardig oordeel.

 

Jezus zei: heb je broeder lief als je eigen ziel, behoed hem als de appel van je oog.

 

Jezus zei: nooit zullen jullie blij zijn als je niet vol liefde naar je broeder kijkt.

 

Jezus zei: een van de grootste misstappen is verdriet doen aan de Geest van je broeder.

 

Jezus zei: laat de zon niet ondergaan over je boosheid.

 

Jezus zei: het is zaliger te geven dan te ontvangen.

 

Zoeken, vinden en zich verheugen.

 

Jezus zei: hij die weet, laat hen zoeken en vinden en zich verheugen.

 

Jezus zei: laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt, en als hij vindt zal hij verontrust worden en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en hij zal over het Al heersen en rust vinden.

 

Jezus zei: wie zoekt zal vinden en wie klopt zal worden opengedaan.

 

Jezus zei: voor hem die het leven zoekt is er de rijkdom daarvan. Want het genot van de wereld is vals en haar goud en zilver zijn dwalingen.

 

Jezus zei: … zoek om van klein groter te worden, niet om van groter klein te worden.

 

Jezus zei: zoek eerst het Koninkrijk … en alles zal je erbij gegeven worden.

 

Jezus zei: … zoek … naar de onvergankelijke schat die blijft; waar geen mot komt om te eten, noch een worm om te vernietigen.

 

Jezus zei: zoek de grote dingen en de kleine zullen je worden toegevoegd.

 

De Heer zei: die zoekt is ook die openbaart …

 

Bewust worden.

 

Jezus zei: als je weet wat je doet ben je gelukzalig, als je het niet weet ben je … een overtreder van de wet.

 

Jezus zei: als de heer des huizes weet dat de dief zal komen, zal hij wakker blijven tot hij komt, en hij zal hem niet in laten breken in het huis van zijn Koninkrijk om zijn bezittingen weg te nemen.

 

Jezus zei: niemand kan het huis van een machtige binnengaan en hem overweldigen, tenzij men zijn handen heeft gebonden; dan kan men zijn huis ondersteboven halen.

 

Jezus zei: een stad kan niet verborgen blijven als ze op een berg ligt. Je steekt een lamp niet aan om ze onder de korenaar te zetten, maar je zet ze op de kandelaar, en dan schijnt ze voor allen in huis.

 

Jezus zei: als een blinde een blinde leidt vallen zij beiden in een gat.

 

Jezus zei: het is niet mogelijk voor een man om twee paarden te bestijgen en twee bogen te spannen. En het is niet mogelijk voor een knecht twee heren te dienen; anders zal hij de een vereren en de ander beledigen.

 

Jezus zei: wie de Vader belastert, hem zal vergeven worden; en wie de Zoon belastert, hem zal vergeven worden; maar hij die de Heilige Geest beledigt, hem zal niet vergeven worden, noch op aarde, noch in de hemel.

 

Jezus zei: zeg je niet: nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, ik zeg je: sla je ogen op en kijk naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst.

 

Jezus zei:  wees schrander als slangen en onschuldig als duiven.

 

Jezus zei: geen enkele goede boom brengt slechte vruchten voort en geen enkele slechte boom goede vruchten. Aan de vruchten kent men de boom.

 

Jezus zei: men oogst geen druiven van doornstruiken, noch plukt men vijgen van distels; zij geven geen vruchten. Maar een goed mens brengt uit zijn schatkamer het goede voort; een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer – die in zijn hart is – slechte dingen voort en spreekt kwaad. Want als zijn hart daarmee gevuld is brengt hij slechte vruchten voort.

 

Jezus zei: zout is goed; maar als zout zoutloos wordt, waarmee kun je het dan kruiden?

 

Jezus zei: vertrouw op het licht zolang het er (nog) is, dan worden jullie kinderen van het licht.

 

De Verlosser zei: de lamp van het lichaam is het bewustzijn.

 

Zichzelf leren kennen

 

Jezus zei: wie het Al denkt te kennen maar niet zichzelf blijft volkomen in gebreke.

 

Jezus zei: de splinter in het oog van je broeder zie je, maar de balk in je eigen oog zie je niet. Als je de balk uit je oog verwijderd hebt, dan zul je helder genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder te verwijderen.

 

Jezus zei: waar je bewustzijn is, daar is je schat.

 

Jezus zei: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.

 

Jezus zei: red jezelf en je ziel.

 

Jezus zei: zalig is hij die zijn eigen ziel zal leren kennen.

 

Jezus zei: als jullie jezelf kennen zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen dan zullen jullie in armoede zijn; dan zijn jullie in armoede.

 

De Logos zei: Als jullie de waarheid kennen zal de waarheid jullie vrijmaken.

 

Jezus zei: Wat jullie mond ingaat zal jullie niet onrein maken, maar wat jullie mond uitgaat – dat zal jullie onrein maken.

 

De Heer zei: hij die spreekt is ook hij die hoort, en hij die ziet is ook hij die openbaart.

 

Jezus zei: ken dat wat voor je aangezicht is en wat voor je verborgen is zal je worden geopenbaard. Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden.

 

Leeg maken (kruisigen van de oude mens)

 

Jezus zei: als iemand achter mij aan wil komen, laat hij met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en mij volgen.

 

Jezus zei: wie zijn kruis niet opneemt als ik, zal mij niet waardig zijn.

 

Jezus zei: hij die rijk geworden is zal heersen en hij die kracht heeft zal ervan afzien.

 

Jezus zei: gezegend is hij die de wereld gekruisigd heeft en niet heeft toegestaan dat de wereld hem kruisigde.

 

Jezus zei: als jullie je kleren aflegt zonder schaamte en dan je kleren opneemt en ze onder je voeten legt – zoals kleine kinderen – en er overheen loop, dan zullen jullie de Zoon van de Levende zien en zullen jullie niet bevreesd zijn.

 

Jezus zei: er was een rijk man met veel geld. Hij zei: ik zal mijn geld gebruiken om te zaaien, te oogsten, te planten en mijn schuren te vullen met vruchten, zodat ik aan niets gebrek heb. Dit was wat hij dacht in zijn hart. En die nacht stierf hij. Wie horen heeft, die hore.

 

Jezus zei: waak en bid dat je niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

 

Jezus zei: wees niet bezorgd van vroeg tot laat, noch van de ochtend tot de avond, welk voedsel je zult eten of welke kleren je zult dragen.

 

Jezus zei: gelukzalig de mens die geleden heeft, hij heeft het leven gevonden.

 

Jezus zei: wie de wereld heeft leren kennen heeft een dood lichaam gevonden; en wie een dood lichaam heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig.

 

Jezus zei: wie de hand aan de ploeg slaat, maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk van God.

 

De Heer zei: als je de werken, die niet in staat zijn je te volgen, achterlaat, dan zul je rusten.

03. Valsheid in geschrifte.

De verborgen agenda van de bijbelschrijvers.

Jacob Slavenburg - ISBN 90-5730-350-7

 

Uit het eerste hoofdstuk: Inleiding.

 

Eeuwenlang houdt de kerk christenen voor dat de bijbel Gods woord is. God zou zich daarbij bediend hebben van mensen die inspiratie ontvingen.

Door inspiratie kunnen prachtige geschriften zijn ontstaan, maar het zijn altijd mensen geweest die deze producten klas­seerden, beoordeelden, verbeterden, aanpasten, aannamen of verwierpen. Mensen gingen naar menselijke maatstaven ook uitmaken wat geïnspireerd was en wat niet.

 

Overduidelijk komt dit aan het licht door wetenschappelijk Bijbelonderzoek. Dat toont namelijk onomstotelijk aan dat de vele handschriften, waarop de moderne Bijbelvertalingen zijn gebaseerd, onderling op tienduizenden plaatsen verschillen. En dat is ook logisch; de belangrijkste handschriften dateren uit de vierde eeuw na Christus. Drie eeuwen bewerking gingen daar­aan vooraf...

 

De Bijbelwetenschap ontdekte dat de nieuwtestamentische evan­geliën in eerste instantie naamloos zijn overgeleverd. Het waren daarbij ook nog altijd bewerkingen van oudere geschriften.

Buiten wetenschappelijke reconstructies van die oudere bronnen zijn er gedeelten uit zeer vroege evangeliën bekend die de kerkvaders nog citeerden, maar die door de latere kerk als 'apocrief' (duister) werden bestempeld.

 

Een enorme stimulans voor het onderzoek naar oude en authentieke christelijke bronnen vormde een ontdekking in 1945 bij Nag Hammadi. Daar werden ronduit spectaculaire geschriften gevonden, die na vele omwegen in de laatste decen­nia van de twintigste eeuw bekend raakten. Onder die geschrif­ten bevond zich het complete Evangelie van Thomas. Dit opmerkelijke evangelie bevat 114 uitspraken van Jezus, waar­van de meeste tot nu toe onbekend waren. Gloednieuwe woor­den van tweeduizend jaar oud...

Steeds meer Bijbelgeleerden situeren het oudste gedeelte van dit evangelie rond de eerste helft van de eerste eeuw; geruime tijd voor de totstandkoming van de Bijbelse evangeliën.

 

Pas in 367 na Christus werd een lijst gepubliceerd van 'geïnspi­reerde' teksten. Die lijst komt nauwkeurig overeen met ons Nieuwe Testament. Het betrof echter een zeer beperkte keuze

uit enkele honderden geschriften uit de vroegchristelijke litera­tuur. Inmiddels waren er zeer oude en oorspronkelijke evange­liën (zoals het Evangelie van Thomas) verketterd, omdat ze van­uit de theologische inzichten van die tijd als 'niet zuiver in de leer' werden beschouwd. De in de loop der tijd gevormde godsleer blijkt dan ook niet gebouwd te zijn op de intrinsieke lerin­gen van Jezus van Nazareth; de leringen van Jezus werden omgevormd en aangepast aan het zich ontwikkelende leergezag.

 

Voorbeelden van de verborgen agenda van de bijbelschrijvers zijn er te over. Een agenda die steeds meer in dienst werd gesteld van een wordende godsleer, een theologie; en van een kerk als (machts)instituut. Daaraan werden oorspronkelijke leringen van Jezus opgeofferd; daaraan werd authenticiteit opgeofferd.

Valsheid in geschrifte was hiertoe een geëigend middel. Dat geldt niet alleen voor de evangeliën, maar bijvoorbeeld ook voor de brieven. Praktisch alle hedendaagse Bijbelgeleerden zijn het erover eens dat minstens de helft van de aan apostel Paulus toegedichte brieven niet door hemzelf geschreven zijn. Het zijn producten uit latere tijd. Van de zogenaamde katholieke brie­ven in ons Nieuwe Testament, brieven die op naam gesteld wer­den van een apostel, blijkt zelfs geen enkele apostel de schrijver te zijn geweest.

 

Onthutsend bij dit alles is de kloof tussen de Bijbelwetenschap en de geïnteresseerde leek of gelovige. Het verhaal vanaf de kansel is een volslagen ander dan dat van de bijbelwetenschap­pers. Van de laatste stand van het wetenschappelijk onderzoek klinkt via kansel of preekstoel maar zeer weinig door.

Dit boek probeert deze kloof enigszins te overbruggen. De conclusies kunnen voor sommigen zeer schokkend kan zijn. Dit boek is dan ook niet geschreven voor mensen die zich nog in deze veiligheid willen blijven koesteren. Zij doen er beter aan dit boek niet te lezen. Het is geschreven als een eyeopener voor mensen die dit soort 'veiligheid' diep van binnen al lang niet meer voelen.

 

Uit het laatste hoofdstuk: conclusies.

 

Steeds weer blijkt dat de leer van de kerk niet gebaseerd is op de leringen van Jezus maar op een later gevormde theologie. En deze godsleer werd niet ontwikkeld naar de oorspronkelijke geschriften maar de teksten werden achteraf aangepast aan de zich vormende theologie. Zo schroomde men bijvoorbeeld niet om aan een vertaling van een kopie van een kopie van een brief, die overigens al valselijk op naam van de apostel Johannes was gesteld, nog eens het dogma van de drievuldigheid toe te voe­gen (het zogenaamde Comma Johanneum), zodat het moest lij­ken of Jezus dat in deze vorm zelf gepredikt zou hebben. Het is slechts één van de zeer, zeer vele voorbeelden.

Ten slotte werd er na ruim driehonderd jaar een omstreden, maar wel bindende selectie gemaakt van (veelvuldig gecorri­geerde) geschriften die wel en die niet gelezen mochten worden. Een sterk aanvechtbare selectie, zoals we hebben kunnen lezen. Het 'woord van God' is minder eenduidig dan kerken ons eeu­wen lang probeerden te doen geloven.

 

We zagen tevens dat er al vroeg in de geschiedenis van het christendom manipulaties plaats vonden over de gestalte van Jezus en over zijn leringen. Praktisch iedere schrijver werkte met een (meestal verborgen) agenda. Zo beschrijven de oudste Bijbelse evangeliën Jezus als mens en niet als God. Het vierde evangelie laat daar wel ruimte voor, maar kan ook in andere zin uitgelegd worden (Jezus werd Christus, het Woord werd tij­delijk vlees). In het oudste christendom, het judese, zag men Jezus als een profeet. Als mens geboren uit de geslachtsgemeen­schap tussen Jozef en Maria ontwikkelde hij zich tot een geeste­lijk niveau waarin hij één kon worden met het totale bewust­ zijn, Christus kracht genoemd. Kwaadsprekers noemen dit gnostisch. Het is echter vooral puur joods-christelijk. Een reflectie van het oudste christendom. De verborgen agenda van veel schrijvers leidde er toe dat de Christusgeest buiten de mens werd geplaatst, wat nog later ontaardde in een schier onbevat­telijk dogma van een mannelijk gekleurde drie-eenheid. Ook het Koninkrijk werd van de actualiteit ontdaan en geplaatst in een verre heilstoestand.

Ondanks Jezus' leringen, ook die in het Nieuwe Testament, werd de vrouw steeds meer geminacht en onderdrukt. Ondanks Jezus' leringen over de liefde voor de medemens werden en worden keer op keer de wapens gezegend. Ook door de zich o zo christelijk noemende president van de Verenigde Staten.

Verder zagen we dat Jezus geen kerkstichter was en dat dog­ma's over verzoening en erfzonde niet op hem, en ook niet op zijn vroegste volgelingen, teruggaan.

Wat is er in dit verband mooier dan te besluiten met een oproep van Jezus die het Nieuwe Testament niet gehaald heeft. Dat het toch een authentieke lering betreft moeten we wel aannemen omdat de twee oudste bronnen deze uitspraak beiden citeren in diverse handschriften. Het is ook dat wat ik de lezer van harte toewens:

 

Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken totdat hij vindt.

En als hij vindt zal hij verwonderd zijn.

En als hij zich verwondert zal hij heersen.

En als hij tot beheersing is gekomen zal hij rust vinden.

 

04. Het openvallend Testament.

Jacob Slavenburg -  ISBN 90-202-8244-1

 

Inleiding

 

Tien jaar terug, in 1991, verscheen van mijn hand een boek over Jezus. Als ti­tel kreeg het mee: Een ander testament. Het was een van de eerste in een rij van de zovele Jezus-boeken uit het laatste decennium van de vorige eeuw.

Nu, een tiental jaren later, ligt er een totaal nieuw boek over Jezus. Veelzeg­gend is de titel: Het openvallend testament. Het 'andere testament' van het eind van de twintigste eeuw begint in deze nieuwe era steeds meer open te vallen. De bladzijden worden zichtbaar. Debet daaraan zijn niet alleen de opzienbaren­de handschriftenvondsten, zoals de NagHammadi-geschriften, maar ook de veranderende inzichten in de Bijbelwetenschap. En, vooral niet te vergeten, een groeiend bewustzijn bij veel mensen.

Hoewel dit boek deels steunt op de verworvenheden van de nieuwtestamentische wetenschap is het geen wetenschappelijk werk in de enge zin van het woord. De strikt wetenschappelijke verantwoording voor de veranderende vi­sie op Jezus en het vroege christendom heb ik onder andere neergelegd in mijn 'wetenschappelijke' boeken De 'logische' Jezus en Opus Posthuum. In dit boek gaat het om een brede visie op de mens Jezus en om de betekenis van Christus. Dit alles mede aan de hand van de jongste bronnen.

 

Liefde

 

Zo in de laatste maanden van het jaar zie je in boekwinkels vaak een scheurka­lender liggen. Op de driehonderd vijfenzestig bladzijden staan spreuken over wat liefde is. Liefde is goed zijn voor elkaar, liefde is om de beurt de afwas doen, liefde is elkaar te respecteren, liefde is niet altijd gelijk te willen hebben, liefde is ...

Over liefde wordt in alle toonaarden gezongen. Liefde wordt ook verbasterd. Tot het afschuwelijke: de liefde bedrijven. Het afschuwelijke eraan is dat de seksuele handeling die hiermee wordt bedoeld vaak helemaal niets met liefde, of zelfs maar met genegenheid te maken heeft.

De ouden kenden voor het begrip liefde meerdere woorden. De bekendste zijn wel eros, caritas en agape. De liefde van de scheurkalender komt niet verder dan de caritas, die van de liedjes ontstijgt meestal de eros niet.

De Liefde waar Jezus over spreekt is die van de agape, de allesomvattende Liefde. De andere begrippen over liefde zijn hooguit daarvan afgeleide ver­schijningsvormen. Liefde is Totaal, het Al, allesomvattend. Liefde is de bron van het leven. Liefde is de adem van Geest. Door Liefde is alles tot stand geko­men, in het geestelijke, het zielegebied en het stoffelijke. Christus is de mani­festatie van die Liefde. Christus is de kracht in de mens die deze Liefde mani­fest maakt. Door de Christusindaling in de stof is de Liefde beleefbaar, ervaar­baar.

Paulus schreef over deze Liefde zijn beroemde Hooglied. (1 Kor. 13. 1-13)

De mogelijkheid deze Liefde te ervaren is de erfenis die Christus in ons tot uit­drukking heeft gebracht.

Ooit was er een tijd dat de Liefde als het ware een was met de mens. De mens leefde vanuit de Liefde, maar was zich dat niet bewust. Het was in een ver ver­leden toen de mens, symbolisch gezien, nog met God wandelde in de koelte van de Paradijstuin. Bij het meer individueel bewustworden in de materie sleet het collectieve Godsbewustzijn. In de mysteriën kon de mens die Liefdeskracht nog aanschouwen. Dat was een mentaal en een emotioneel gebeuren. De Lief­de was niet geïntegreerd in het dagelijkse bestaan. Wijsheid was er in over­vloed. En sinds de grote Boeddha ook mededogen. Maar Liefde leek onbereik­baar voor de aardse mens.

Toch was de Liefde nooit weg. Als een slang lag zij opgerold in het hart van de mens. Klaar om zich op te richten.

 

Toen verscheen Christus.

De Liefde ontwaakte.

Het Licht der Liefde scheen in de duisternis.

Maar de duisternis kon het nog niet aan.

De Liefde werd tot caritas, goeddoen aan de ander.

Wat bleef was ook onnoemelijk veel eros.

En veel ego, de plek waar eros zich als eerste manifesteert. Het was nodig.

Ook deze weg moest en moet gegaan zijn.

Nu is er weer die klop op de hartedeur.

De Liefde wacht geduldig tot wij opendoen

 

Het testament valt open

 

Zoals het fortuin van de overleden huisheer verborgen blijft zolang diens laat­ste wil nog ongeopend is, zo ligt ook het Al verborgen zolang de Vader van het Al onzichtbaar is, Hij die zijn eigen oergrond is, en uit wie alle ruimten voort­komen.

Om dit testament te openen is Jezus gekomen.

Hij werd aan het hout genageld en zo heeft hij de wilsbeschikking van de Va­der aan het kruis gehangen.

0, zulk een grootse lering!

Hij verlaagt zich tot de dood hoewel het eeuwig leven hem omkleedt. (Evangelie der Waarheid, NHGI, 55)

 

Bovenstaand citaat is uit het bij Nag Hammadi herontdekte Evangelie der Waarheid. Het testament is geopend door Jezus, maar kon slechts door weini­gen gelezen worden.

 

Jezus heeft alles in het geheim gedragen.

Hij openbaarde zich namelijk niet zo als hij in werkelijkheid was,

maar hij openbaarde zich zo dat hij gezien kon worden.

Hij openbaarde zich aan allen.

Aan de groten openbaarde hij zich groot, aan de kleinen klein,

aan de engelen als een engel en aan de mensen als mens.

Daarom was zijn woord voor iedereen verborgen.

Slechts enkelen hebben hem gezien, en de gedachte omvat dat ze zichzelf in hem zagen.

Toen hij zich in heerlijkheid aan zijn leerlingen openbaarde op de berg, was hij niet klein.

Hij was groot geworden.

Maar hij maakte ook de leerlingen groot zodat ze konden zien dat hij groot was.

Op de dag van het avondmaal zei hij: 'U die het volkomene, het licht, verenigd heeft met de Heilige Geest, verenig ook de engelen met ons, de afbeeldingen daarvan. (Filippus 22)

 

Velen zagen Jezus klein. Zij legden Jezus 'klein' uit.

Velen zagen Jezus als een kerkstichter. Zij legden Jezus 'kerks' uit.

Sommigen zagen Jezus als een wijsheidsleraar. Zij legden Jezus 'wijs' uit.

leder ziet Jezus vanuit zijn eigen perspectief.

Aan zijn leerlingen verscheen hij groot, nadat hij ze 'groot' had gemaakt.

Aan Maria van Magdala verscheen hij als de Christus.

In zijn intieme gebed vraagt hij de Vader werkelijkheid te laten worden waar hij zelf voor leefde, totale realisatie, verwerkelijking. Het beeld gaat op in de werkelijkheid. Het beeld van de engel, de mens, wordt als engel.

Dat staat te lezen op de lichtende bladzijde uit het opengevallen testament. Dat het ieders deel moge worden...

 

05. Het Gnostisch Alternatief.

 

Johan M. Pameijer.

 

HET LIJDEN, EEN MET ALLEN

 

Een kreupele grijsaard, een ijlende zieke en een ontbindend lijk brachten prins Siddharta van Kapilavastoe op andere gedachten. De weelde in het paleis van uitgebreide maaltijden en betoverende dansmeisjes verloren hun glans in de schaduw van het leed buiten de paleismuren. Een kaalgeschoren monnik, die zijn bedelnap ophield riep in de prins een oud heimwee wakker. Hier lag de werkelijkheid, niet binnen de beschermende muren van het paleis. Op een nacht verwisselde Siddharta zijn kostbare gewaad voor het kleed van een bedelmonnik, kuste zijn slapende vrouwen kind vaarwel en sloop het huis uit, op zoek naar bevrijding. Na een periode van strenge ascese en meditatie onder de bodhiboom bereikte hij de verlichting en werd de Ontwaakte, de Boeddha.

 

Kort daarna formuleerde hij met zijn analytische geest de grondslag van zijn leer in een preek tot zijn eerste vijf leerlingen.

"Dit, monniken, is de edele waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden, vereniging met datgene wat ons niet lief is, is lijden; scheiding van wat ons lief is, is lijden; het gewenste niet verkrijgen is lijden. Kortom de vijf elementen, die het hechten aan het bestaan veroorzaken, zijn lijden.

Dit, monniken, is de edele waarheid van het ontstaan van het lijden. Deze dorst is het die de wedergeboorte teweegbrengt, die van vreugde en verlangen begeleid is, die hier en daar zijn vreugde vindt, als de dorst naar wellust, de dorst naar eeuwig leven, de dorst naar de dood, de dorst naar genot, dorst naar bestaan, dorst naar macht.

 

Dit, monniken, is de edele waarheid van de opheffing van het lijden; het is het volkomen vrij zijn van deze dorst, het opgeven, het afleggen, het verbannen daarvan.

Dit, monniken, is de edele waarheid van de weg, die voert tot de opheffing van het lijden; het is deze edele achtvoudige weg, namelijk: het juiste geloof, het juiste besluit, het juiste woord, de juiste daad, het juiste leven, het juiste streven, het juiste denken en het juiste mediteren."

 

Lijden is inherent aan het geopenbaarde bestaan. Op het moment dat er twee zijn ontstaat het verlangen naar hereniging. Naarmate het aantal ver­splitsingen toeneemt groeit het ingeboren heimwee. In het diepste van ons onbewuste reist het met ons mee door alle incarnaties. Het bevat de prikkel tot activiteit. Alle werk is een zoeken. Iedereen is op zoek, weinigen weten waarnaar. Het heimwee, dat aanzet tot het zoeken, is de uiteindelijke oorzaak van onze zo rijkgeschakeerde samenleving, onze religies, onze wetenschap, onze kunsten. Al ons werk is een poging om ons lijden op te heffen. Het lijden is het onbewuste besef van onze afgescheidenheid van een God, die door mystici vaak als "de Geliefde" wordt aangeduid. Alle leven streeft naar hereniging met de onbekende verre Geliefde. Het heilige huwelijk in het bruidsvertrek lijkt een onbereikbaar ideaal. Maar mystie­ken, die de reis naar binnen maakten, vonden daar de verloren gewaande Bruidegom.

 

De grijsaard, de zieke en de dode uit de Boeddhalegende symboliseren het onvolmaakte leven. Door de monnik ontdekt Boeddha dat hij de andere helft niet buiten zichzelf, maar in zijn eigen wezen moet zoeken. Alle lijdensverhalen zijn zinnebeelden van het incomplete leven.

 

De Egyptische vruchtbaarheidsgod Osiris was lange tijd het zinnebeeld van het ontstaan en vergaan in de natuur. Stervend en herrijzend moest hij de godheid zijn, die in het dodenrijk de gestorvenen ontving en begeleidde. Zo ontwikkelde een lokale godheid zich tot het prototype van de afwisseling van aards en hemels leven.

Op aarde sneed zijn broeder Seth hem in de veertien stukken, die hij uitstrooide over de Nijl, de levensstroom van het woestijnland Egypte. Waarom uitgerekend in veertien stukken en niet in zeventien of een willekeurig ander aantal? Omdat in de veertien al de terugkeer besloten ligt. Zoals eerder opgemerkt is het dubbele zevental een aanwijzing voor de involutie en de evolutie. Het zijn de twee zijden van de cirkel, de dubbele betekenis van de slang. De dood van Osiris sloot dus zijn terugkeer tot het leven in. Isis, zijn liefhebbende gemalin, herstelde zijn heelheid.

 

In de Egyptische mysteriën was de terugkeer tot het leven van Osiris het hoogtepunt. Hij werd in de huid van de overwonnen Seth gewikkeld en sprong daar levend en wel uit tevoorschijn. Het gaan door de dierenhuid was in Egypte een uitbeelding van de nieuwe geboorte. Na het lijden van Osiris, veroorzaakt door Seth, de demon van de materie, volgde altijd het feest van de Opstanding. Omgekeerd kon er nooit van een opstanding sprake zijn als er geen lijden aan was voorafgegaan.

 

Boeddha kende het lijden door aanschouwing. Hij leed niet zelf, al nam hij in zijn ascetische oefeningen wel enig lijden op zich. De onthechting aan de prettige dingen van het leven is een loodzwaar offer. In het geval van prins Siddharta zou het interessant zijn om te weten of hij nog wel eens terugdacht aan de milde momenten in het paleis, het gezelschap van zijn vrouw Yasodhara en zijn zoon Rahula. Hij kende de liefde, de intimiteit van het echtelijke bed. Als de latere Boeddha liet hij zich vol verachting uit over de sexuele genoegens.

 

Ook veel westerse mystici bedreven in hun jonge jaren vol overgave de liefde. De devote Therese van Avila was een behaagziek meisje en van Jeanne d' Arc is haar felle temperament bekend. Van Bernard van Clervaux wordt verteld dat hij tien kinderen had. In een later levensstadium wijdden al deze heiligen zich aan een ascetisch leven. Dat moet een offer zijn geweest, dat van tijd tot tijd als een krachtige beproeving ervaren werd.

 

Toch leed de Boeddha niet echt. Na zijn Verlichting onder de bodhi-boom zwierf hij predikend langs de stoffige landwegen van India. Naar verluidt sloten zijn naaste familieleden zich als discipelen bij hem aan. Ook zijn dood was niet uitzonderlijk. Hij stierf aan dysenterie, maar bleef tot het laatste moment actief als leraar. Van Boeddha kan niet worden gezegd dat hij door het lijden ging, zoals vijfhonderd jaar later de Joodse timmerman Jezus. Boeddha aanschouwde het lijden en ontwierp een weg om eraan te ontkomen, maar Jezus onderging het lijden aan den lijve. Dat is het grote verschil tussen de twee Meesters. Boeddha bleef de Verlichte, Jezus ging verder. Na zijn verlichting werd hij weliswaar verheerlijkt door zijn vader, maar de grootste beproeving moest nog komen. Daarin is Jezus uniek.

 

BEPROEVING VAN HET KRUIS

 

De Kerk heeft het lijden verheerlijkt zonder zich af te vragen of de esoterici van de oudheid het misschien bij het rechte eind hadden in hun opvatting, dat het kruis een symbool is. Zou het lijden van de Christus niet een metafoor kunnen zijn voor het oerheimwee naar God, zoals dat leeft in alle mensen?

 

Een Klein-Aziatische groep christenen las in de tweede eeuw in de Handelingen van hun geliefde presbyter Johannes, dat de gekruisigde niet was wie zij dachten dat hij was. Na een reidans met de discipelen richt de Christus het woord tot de verbaasde leerlingen. "Als jullie wilt meedoen aan mijn reidans, moeten jullie jezelf zien in mij die spreekt en nadat je gezien hebt wat ik doe, zwijg over mijn geheimenissen. Jij die danst moet begrijpen wat ik doe, omdat dit het menselijk lijden is dat ik zal lijden. Want je zou totaal niet kunnen inzien wat je lijdt als ik niet door de Vader als Woord tot je zou zijn gezonden. Jij die zag wat ik deed, zag mij als een lijden. "

 

In deze moeilijk te begrijpen mysterieuze tekst is Jezus de Zoon van God, die niet kan lijden aan een stoffelijk kruis, maar die het lijden wel zichtbaar kan maken. Je moet er echter doorheen zien en het beschouwen als een teken voor een dieper lijden. Hij liet aan Johannes, de auteur van de Handelingen, een lichtend kruis zien dat stevig verankerd was en op het kruis was een grote veelvormige menigte. Boven het kruis was de Heer zonderuiterlijke gestalte, alleen met een zoete, goddelijke stem. "Johannes, dit lichtend kruis wordt soms door mij Woord genoemd vanwege jullie, soms verstand, soms Christus, soms deur, soms weg, soms brood, soms zaad, soms opstanding of Zoon, Vader, Geest of Leven, soms waarheid, geloof en soms genade, dit alles met het oog op de mensen. Maar in werkelijkheid is het de grens van alle dingen en het vaststaande markeringspunt van de vaststaande dingen, die uit het wankele zijn ont­staan en het evenwicht van de wijsheid, wijsheid namelijk in evenwicht. Er zijn plaatsen aan de rechter- en de linkerkant, machten, krachten, heer­schappijen, demonen, werkingen, dreigingen, uitbarstingen van toorn, duivels, satans en de onderste wortel waaruit de natuur der dingen tevoor­schijn komt."

 

Het visioen dat hier wordt beschreven is van een kosmisch kruis, dat zich als de levensboom of de were1das uitstrekt van de stof tot in de hoogste geestelijke regionen. Met de veelvormige menigte op het kruis worden de menselijke geesten bedoeld. De rechterkant is de plaats van de goede geesten, engelen, goden; de linkerkant is woonplaats van kwaadaardige creaturen. Telkens als in de bijbel van links en rechts wordt gesproken is er sprake van kwaad en goed. De vrouwelijke linkerkant is de maan zijde, het onechte, het sterfelijke, de kant van de wateren, van de menselijke zielen ook. Zowel de rechter- als de linkerkant zitten in de mens, man of vrouw.

 

Christus vereenzelvigt zich met het kruis, dat levensboom en ruggengraat is. Het kwade en het goede zitten ook in hem. Zijn lijden dient om de twee in evenwicht te brengen.

"De bonte menigte om het kruis is de lagere natuur," vervolgt de Heer. "Als zij, die je in het kruis ziet, nog zonder vorm zijn, dan betekent dat, dat nog niet elk lid is toegevoegd van hem die is neergedaald. Maar wanneer de natuur van de mens is opgenomen en het geslacht dat naar me toe komt aan mijn stem gehoorzaamt, zal hij die me nu hoort daarmee verenigd worden." In poëtische, bijna verheven woorden is hier het transformatieproces beschreven, waaraan elk menselijk wezen vroeg of laat onderworpen is. Wie de moeite neemt om deze diepzinnige teksten te overpeinzen ontdekt de betekenis van de inwijding, die Jezus door zijn lijden openbaart.

 

Na de Verlichting, waarneembaar gemaakt in de Verheerlijking op de berg, doorschrijdt Christus de vierde poort van inwijding en hij betreedt het terrein van lijden. Waarom lijden? Omdat een Verlichte, zoals ook Boed­dha was, niet meer beschermd is tegen fysiek en psychisch lijden van anderen. De mens van de negentiger jaren staat via de televisie voortdurend bloot aan het lijden van medemensen in andere delen van de wereld. Oorlog, honger, vluchtelingen en politieke gevangenen houden haar de schrijnende werkelijkheid van een ontspoorde samenleving voor ogen. Gelukkig bezit zij een soort ingebouwd beschermingsmechanisme. Na­tuurlijk raakt het wereld leed hem, maar hij gaat er niet onderdoor. De mens kan verder leven alsof er niets aan de hand is. Ongemerkt stompt hij af en langzamerhand wordt hij steeds minder gevoelig voor het onvoorstelbare leed dat verre medemensen teistert.

 

Een Verlichte, zoals Boeddha en Christus, is door zijn inwijding niet meer beschermd. Zijn bewustzijn is zo verhoogd, dat het de grenzen met de medemensen is ontstegen. Het ik-gevoel heeft zich verbreed tot een wij-gevoel. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Alle leed en pijn, alle verdriet en afgunst, alle haat en trots voelt hij in zijn eigen ziel alsof het zijn eigen leed, pijn, verdriet, afgunst, haat en trots was. In zijn bewustzijnsontwikkeling staat hij nu voor de onontkoombare noodzaak al dit negatieve in zichzelf te overwinnen. Daarmee ontlast hij tegelijk de mensheid, wier portie nega­tieve aandoeningen vermindert met de hoeveelheid kracht, die een inge­wijde aanwendt om tot de overwinning te komen. Deze overwinning op de zwaarste beproeving is niet minder dan een opstanding uit de dood door kruisiging aan het wereldleed.

 

In de dagen van gevangenneming, veroordeling en kruisiging weerspiegelt zich de geweldige innerlijke strijd, waar de ingewijden van de derde graad doorheen moeten. Dat is een van de oorzaken van het klagende woord "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten," want tijdens een be­proeving is God afwezig, behoort ook afwezig te zijn als een helper bij een examen. Daarop doelt ook de zesde bede van het Onze Vader: "Leid mij niet in de verzoeking." Ten onrechte dacht men, dat God de mens in de verzoe­king bracht en dat wordt als een God onwaardige daad beschouwd. Maar nee, God wordt gevraagd weg te blijven als iemand beproefd moet worden. Christus weet wat zijn opgave is, ook nu hij de derde graad van inwijding openbaart aan de wereld door middel van zijn kruisdood en zijn opstanding.

 

Tegen deze achtergrond wordt duidelijk wat hij bedoelt met de woorden uit de Handelingen van Johannes: "Niets van de dingen waarvan ze zullen spreken heb ik geleden. Integendeel, het lijden dat ik jou (Johannes) en de anderen getoond heb bij het dansen (het lijden dat wordt veroorzaakt door het gevangen-zijn in de kringloop), wil ik een geheimenis laten noemen. Want wat je bent, zie je. Dat heb ik je laten zien. Maar wat ik ben, dat weet ik alleen, niemand anders. Kijk naar mij op een waarachtige manier, dat ik niet ben wat ik zei, maar wat jullie in staat zijn te begrijpen, omdat je ermee verwant bent. Je hoort dat ik lijd, maar ik lijd niet, niet lijdend en toch lijdend, doorstoken en niet geslagen, hangend en toch niet gehangen, bloed uit mij stromend en toch niet bloedend. Kortom, wat ze zeggen omtrent mij is mij niet overkomen en wat ze niet zeggen, dat heb ik geleden."

 

DE ZOON DES MENSEN

 

Niet te hebben geleden wat zij dachten dat hij leed. Dat is een diep mysterie van verstrekkende zeggingskracht. De sprekende Christus uit de Handelin­gen van Johannes is dezelfde van wie de Franse mysticus Teilhard de Chardin zegt: " Al met al is Jezus aan het kruis zowel het symbool als de werkelijkheid van de ontzaglijke eeuwenoude inspanning die de geschapen geest stap voor stap omhoog voert, om hem naar de diepten van het goddelijk milieu terug te voeren. Hij vertegenwoordigt de schepping die, gesteund door God, de hellingen van het Zijn bestijgt en zich nu eens aan de dingen vastklemt om er een steunpunt te vinden, dan weer zich ervan losrukt om er bovenuit te stijgen, en altijd met haar fysieke noden de door haar morele inzinkingen teweeggebrachte achteruitgang compenseert."

Voor Teilhard is het kruis een bovenmenselijk symbool, dat al voor de oorsprong van de tegenwoordige mensheid stond opgericht voor de weg die naar de hoogste toppen van de schepping leidt.

 

 

Bron: Het gnostisch alternatief – Johan M. Pameijer

06. De hermetische schakel
Jacob Slavenburg

 

 

Een goddelijke openbaring

 

De kraamkamer van de schepping.

 

Toen ik eens mediteerde over het Zijn, steeg mijn bewustzijn tot grote hoogte, terwijl mijn lichamelijke zintuigen vrijwel uitgeschakeld werden, zoals bij mensen die door slaap overmand zijn na een overvloedig maal of zware li­chamelijke inspanning. In die toestand kwam het mij voor, dat iemand van buitengewone grootte, van niet te bepalen afmeting, mijn naam riep en tot mij zei: 'Wat wil je horen en zien en wat ben je van zins te leren kennen. '

Ik zei: 'Wie bent u dan?'

'Ik ben', zei hij, 'Poimandres, het Bewustzijn van de volstrekte vrijmacht. Ik weet wat je wilt en ik ben overal met je. '

Ik zei: 'Ik wil het Zijn leren kennen, zijn natuur begrijpen en God kennen. Wat wil ik dat graag horen', zei ik.

Hij zei daarop tot mij: 'Onthoud goed wat je wilt vernemen, ik zal het je leren. '

Bij die woorden veranderde hij van gedaante, en terstond werd mij alles in een oogwenk geopenbaard en ik zag een onbegrensd schouwspel: alles was licht geworden, sereen en vriendelijk, en bij die aanblik werd ik van verlan­gen ernaar vervuld. Kort daarop ontstond in een deel ervan duisternis, die zich neerwaarts bewoog. Zij was beangstigend en somber, met kronkelende windingen, zodat ik aan een slang moest denken. Daarop veranderde die duisternis in een vochtige substantie, die onbeschrijflijk woelig was en rook afgaf als een vuur en een onuitsprekelijk klagend geluid voortbracht. Daarop steeg er een ongearticuleerd geloei uit op, zodat ik aan het geluid van vuur moest denken.

Uit het licht daalde echter de heilige Logos af op de substantie en zuiver vuur sprong uit de vochtige substantie op naar boven; het was licht in gewicht en fel, en actief tegelijk. En daar de lucht (eveneens) licht in gewicht was, volg­de deze de (vuur)vlaag: zij steeg vanuit de aarde en het water op tot het vuur, zodat zij daaraan opgehangen scheen. Aarde en water bleven echter in ver­mengde toestand waar zij waren, zodat de aarde niet van het water te onderscheiden was. Maar zij waren in beweging, omdat de bries van de Logos (het Woord) daar hoorbaar overheen ging.

Poimandres nu zei tot mij: 'Heb je ook begrepen wat dit schouwspel wil zeg­gen?' En ik zei: 'Dat zal ik nu te weten komen. '

‘Dat licht', zei hij, 'ben ik, Bewustzijn, jouw God, die er was voor de vochti­ge substantie die uit de duisternis tevoorschijn kwam. De stralende Logos, die uit Bewustzijn voortkwam, is de Zoon van God'

'Hoe moet ik me dat dan voorstellen?' zei ik.

'Je moet dat zo opvatten: wat in jou ziet en hoort, is (als het ware) het Woord

des Heren, maar je bewustzijn is (als het ware) God de Vader. Zij zijn immers niet van elkaar gescheiden, want hun eenheid is het leven. '

'Dank u', zei ik.

 

Zo begint Poimandres, het eerste libellus van het Corpus Hermeticum. Hermes is aan het mediteren als zijn bewustzijn overvloeit in het bewustzijn van het Al. En hij ziet onuitsprekelijke dingen. Er wordt hem een blik gegund in de kraamkamer van de schepping. In een oogopslag beleeft Hermes het ontstaan van de Kosmos, van de wereld, van de hemelse Mens en van de aardse mens. En daarna wordt hij opgeroepen om zelf tot gids te zijn voor anderen, een heilige plicht.

 

Over de oorzaak van alles

 

Het is begrijpelijk dat Marsilio Ficino in de vijftiende eeuw zijn vertaling van het Corpus Hermeticum uitbracht onder de titel Pimander. Want in het zo aansprekende eerste libellus van het Corpus Poimandres, ligt de kern van het hermetische gedachtegoed. Maar ook niet meer dan dat. We zullen op de vol­gende bladzijden proberen, aan de hand van treffende citaten, iets weer te geven van de grondgedachten in de hermetica, te beginnen bij de gouden driehoek: God, Kosmos, Mens.

 

Zoals eerder gezegd wordt er in de hermetische literatuur niet anders dan met de grootste eerbied en prudentie over God, of hoe Deze ook wordt aangeduid, gesproken. Talrijk zijn in de hermetische literatuur de bloemrijke hymnen die tot Hem/Haar opgezonden worden. God is de Eeuwig Goede. Alles is in God. Zonder God is er niets. God is de oorzaak van alles:

God is derhalve geen geest, maar de oorzaak dat geest bestaat, geen levens­adem, maar de oorzaak dat de levensadem bestaat, geen licht, maar de oor­zaak dat het licht bestaat.

Want God is het Al en het Al is uit Hem en alles wordt bepaald door Zijn wil. Hij, die het Al is, is goed, schoon, wijs, oorspronkelijk, zelfbewust, zichzelf bekend en niemand nader. Zonder Hem is er nooit iets geworden, is er niets en zal er niets zijn. Want alles is uit Hem, en in Hem, en door Hem. Uit Hem zijn ook alle veelsoortige en veelvormige eigenschappen, en geweldige grootheden, en oneindige afmetingen, en alle vormen, die gestalte kunnen aannemen.

Toen iemand eens aan Hermes vroeg wat God is, antwoordde hij:

'De maker van het Al,

het alwijze Bewustzijn,

in eeuwigdurendheid. '

 

Hermes probeert met regelmaat aan Tat (en Asclepius) uit te leggen wat God nu eigenlijk is. Soms zelfs op plastische wijze:

Ga ook maar eens bij jezelf te rade, op de volgende manier: beveel je ziel naar Indië te reizen, en zij is er al voor je dit bevel hebt uitgesproken. Gelast haar daarna naar de Atlantische Oceaan te gaan, en zij is ook daar weer even vlug. En toch is zij niet van de ene plaats naar de andere gegaan, maar zij was er al. Beveel haar nu naar de hemel te vliegen. De ziel doet dat zon­der dat zij vleugels nodig heeft. En er is ook niets dat haar tegenhoudt, de gloed van de zon niet, de ether niet, de omwenteling van de vaste sterren niet, de hemellichamen van de planeten niet. Alle ruimten doorklievend vliegt zij tot het uitspansel, het laatste hemellichaam. En als je ook dat hemelgewelf zou willen doorbreken, en schouwen wat daarboven is, dan kun je dat.

Let er eens op, hoe grote macht je hebt, hoe grote snelheid je kunt ontwikke­len. Als jij dat kunt, kan God dat dan niet? Je moet zó over God denken: Hij heeft alle ideeën in zich, de Godsidee, de idee van de Kosmos, de ideeën van alles. Als je jezelf niet aan God gelijk maakt, kun je je geen begrip van God vormen; want het gelijke wordt alleen door het gelijke gekend Maak jezelf groter tot je beantwoordt aan Hem die onmetelijk groot is. Verhef je boven

alles wat ruimtelijk is, stijg uit boven de tijdelijkheid en word een eeuwig Wezen, dan zul je God kennen. Overtuig jezelf dat voor jou niets onmogelijk is en houd voor ogen, dat je alles kunt kennen, iedere kunst, iedere weten­schap, de aard van elk levend wezen. Klim hoger dan de hoogste hoogte, daal dieper af dan de diepste diepte. Neem de gevoelens van alle 'schepselen' in jezelf op, van vuur, water, droog, vochtig. Stel je voor, dat je alomtegenwoordig bent, in de aarde, in de zee, aan de hemel, voor je verblijf in de moederschoot, in de moederschoot, jong, oud, dood, in het hiernamaals. Als je je dat alles tegelijk bewust hebt gemaakt, tijden, plaatsen, dingen, kwaliteiten, kwantiteiten, dan kun je verstaan wat God is.

 

God is dus voor de ingewijde 'te verstaan':

 

'Zo is het klaarblijkelijk voor hem, die bij machte is het te schouwen. Want Hij wil, dat het daartoe komt. En dat gebeurt ook, alleen wanneer Hij het zo beschikt. Men kan zelfs wel zeggen dat al het andere er dáár voor is. Want het is het Goede eigen, dat het zich openbaart aan de ingewijde, Tat. '

(Tat.) 'U hebt ons vol gemaakt, vader, van de heerlijke en zeer schone aan­schouwing en het oog mijns geestes is van een bijkans heilige eerbied vervuld tengevolge van dit inzicht. '

(Hermes:) 'Dat kan zeer wel het geval zijn, want de aanschouwing Gods is iets geheel anders dan een blik in de stralen van de zon, die vurig zijn en zo verblindend, dat men de ogen moet sluiten. Maar God verlicht, en wel in de mate welke een mens verdragen kan die de in vloeiing van de geestelijke glans vermag op te vangen. Dat geestelijke licht is scherper dan het zonnelicht en dringt dieper door, maar het is zonder enig letsel en vol onsterfelijkheid. '

God is in ieder atoom

God is te allen tijde, ook voor de niet-ingewijde, zichtbaar in Zijn/Haar werk! Allereerst in de wonderschone kosmos, maar ook in de schitterende natuur, het menselijk lichaam, de dieren, de planten, de mineralen.

Maar de Ene, die niet is voortgebracht, is uiteraard zowel zonder uiterlijke verschijning als onzichtbaar, maar doordat hij alle dingen een uiterlijke verschijningsvorm geeft, wordt hij zelf door alle dingen heen en in alles zicht­baar, en dat het meest aan wie hij zelf zich wil vertonen.

Wie is er klaarblijkelijker dan Hij? Daarom heeft Hij alles gemaakt, opdat je Hem door alles heen zou mogen schouwen. Dat is de goedgunstigheid van God, dat is zijn wondere macht, dat Hij zich toont door alles heen. Er is niets dat onzichtbaar is, ook niets geestelijks. Je geestelijk Bewustzijn laat zich zien al contemplerende, God laat zich zien al doende.

'Als je Hem ook wilt schouwen, kijk dan eens naar de orde van de Kosmos en de doelmatigheid daarvan. Let op de wetmatigheid van de verschijnselen en de zin van de geschiedenis. Zie, hoe de materie vol leven is. Beschouw de grote kosmische god in beweging met al zijn heerlijkheden en schoonheden, halfgoden en mensen. '

(Tat.) 'Ja maar, vader, dat zijn alleen maar uitstralingen van God (niet God zelf). '

(Hermes:) 'Als dat werkelijk al/leen maar uitstralingen zijn, jongen, van wie gaan die dan uit? Van een andere god?

Hemel, water, aarde en lucht zijn delen van de Kosmos. Je weet toch wel, dat evenzo leven en onsterfelijkheid, noodlot en wetmatigheid, voorzienigheid en natuur, ziel en geest ledematen (van God) zijn? Hun bestand wordt terecht het Goede genoemd. En er is niets gebeurd in het verleden, er gebeurt niets in het heden, waarin God niet tegenwoordig is. '

(Tat.) 'Is Hij dan ook in de materie, vader?'

(Hermes.) 'Stel je voor, dat de materie buiten God zou zijn: waar zou je dan een plaats voor haar kunnen vinden? Wat zou zij anders zijn, denk je, dan een chaotische massa, als zij geen uitstralingen zou ondergaan. En als ze inderdaad wel door uitstralingen bewerkt wordt, van wie gaan die dan uit? Je her­innert je nog wel, hoe wij daarnet in ons gesprek hebben vastgesteld, dat die uitstralingen lichaamsdelen van God zijn.

Door wie zouden dan wel alle wezens tot leven gewekt worden? Door wie worden de Onsterfelijken onsterfelijk gemaakt? Door wie wordt het veranderlijke inderdaad veranderd?

Of het nu over de materie gaat of over een lichaam of over een substantie, dat zijn allemaal uitstralingen van God, moet je weten. De uitstraling in de materie is de stoffelijkheid, en de uitstraling in de lichamen is de lichame­lijkheid, en de uitstraling in de substantie is de substantialiteit.

En dat is God, het Al.’

 

De veelvormige Kosmos

 

We zagen in de eerste verhandeling van het Corpus Hermeticum hoe ge­schilderd wordt dat Hermes in contact komt met het hoogste Bewustzijn, in de vorm en naam van Poimandres. In het elfde libellus uit dezelfde verza­meling vindt er wederom een ontmoeting plaats tussen de driewerfgrote Hermes en het hoogste Bewustzijn, kortweg aangeduid met 'Geest'. Ook nu weer vloeit het bewustzijn van Hermes samen met het Albewustzijn (in de vorm en naam van 'Geest') en komt zo tot diepgaande kennis en inzicht. Wat de Kosmos betreft, deze is - zo wordt Hermes meegedeeld - een beeld van de Eeuwigheid; en deze is een beeld van God. En dan doet zich een wonder­lijke ontvouwing van diep esoterische kennis voor. Ook hier laat ik de tekst zelf aan het woord. In de eerste plaats omdat deze zo ongelooflijk mooi en helder is en in de tweede plaats om niet te vervallen tot een gortdroge uitleg. Dat de wijsheid zich moge ontvouwen in het eigen bewustzijn zoals dat ook in de hermetische cirkels het geval moet zijn geweest.

 

God, Eeuwigheid, Kosmos, tijd, wording en vergankelijkheid. God brengt de Eeuwigheid voort. De Eeuwigheid de Kosmos. De Kosmos de tijd. De tijd  wording en vergankelijkheid.

Van God is het wezen als het ware de Wijsheid, van de Eeuwigheid is het wezen de onveranderlijkheid, van de Kosmos de ordening, van de tijd de veranderlijkheid, van worden en vergaan leven en dood.

De werkingen Gods zijn wereld geest en wereld ziel. De werkingen van de Eeuwigheid zijn bestendigheid en duur. De werkingen van de Kosmos zijn eeuwige wederkeer en kringloop van zondvloed naar wereldbrand, van oer­tijd naar eindtijd, en terug, zoals die door de loop der sterren van Steenbok naar Kreeft, en omgekeerd, zijn bepaald. Van de tijd zijn de werkingen vermeerdering en vermindering, van wording (en vergankelijkheid), kwaliteit en kwantiteit.

Zo is dan de Eeuwigheid in God, de Kosmos in de Eeuwigheid, de tijd in de Kosmos, de wording in de tijd. De Eeuwigheid staat stil en onbewegelijk voor God, de Kosmos beweegt zich in de Eeuwigheid, de tijd beperkt zich tot de Kosmos, wording voltrekt zich in de tijd ...

De Eeuwigheid is een beeld van God, de Kosmos is een beeld van de Eeuwigheid, de zon van de Kosmos, de mens van de zon. En de verandering noemt men dood, omdat het lichaam tot ontbinding overgaat en het leven in het onbekende verdwijnt. Die zogenaamd ontbonden lichamen, beste Hermes, en de Kosmos in het bijzonder, -je luistert eerbiedig, daarom durf ik het te zeggen - die wereld verandert wel, omdat elke dag een deel ervan in het on­bekende verdwijnt, maar hij gaat nooit tot ontbinding over en vergaat dus niet. De Kosmos is wel aan veranderingen onderhevig, namelijk omwentelin­gen en verdwijningen. Maar omwentelingen zijn alleen maar rondgangen naar het punt van uitgang; als iets verdwijnt, maakt het altijd plaats voor iets nieuws. En zo komt het, dat de Kosmos alle vormen aanneemt, niet omdat die vormen in hem vastgelegd zijn, maar omdat hij zichzelf uit zichzelf transfor­meert. Als nu de Kosmos alvormig is, wat zou dan zijn Maker zijn? We mogen nooit zeggen, dat hij amorf, vormeloos is. En als ook Hij alvormig zou zijn, zou Hij gelijk zijn aan de Kosmos, en dat kan niet. Zou hij dan maar één vorm hebben, eenvormig zijn? Als dat zo was, zou Hij de mindere zijn van de Kosmos, en dat kan ook niet.

Wat zullen we dan zeggen dat Hij is? Wij moeten wel iets zeggen, anders loopt ons onderzoek op niets uit. En onze opvatting van God mag niet aan twijfel onderhevig zijn. Welnu dan: als God een gestalte heeft, dan is dat een onlichamelijke Idee, welke aan de waarneming van het lichamelijke oog ont­snapt, en tegelijk openbaart Hij alle gestalten door de vormen, welke de li­chamen van de Kosmos aannemen.

 

07. Het Evangelie van Judas.

 

 

De discipel Judas, die in de christelijke traditie de reputatie van gemene verrader van Jezus heeft gekregen, is in het naar hem genoemde evangelie, dat vorig weekend uitgebreid aan in de media kwam, letterlijk de "ster".

"Jouw ster is de leidende ster", zegt Jezus in de tekst over hem.

 

Het in het Koptisch geschreven document gaat terug op een Grieks origineel van voor 180. Het dook eind jaren zeventig op in Egypte, werd het land uitgesmokkeld en uiteindelijk aangekocht door galeriehoudster Frieda Tchachos uit Genève. Het verloren gewaande evangelie was voorheen alleen bekend door het negatieve oordeel erover van kerkvader Irenaeus.

 

Ik heb de Engelse vertaling gevonden op de site van NGC en doe nu mijn best om het voor jullie, bezoekers van Spirituele Vrienden en zoekers naar kennis, in het Nederlands te vertalen, zo goed en zo kwaad als het kan.

Helaas ontbreken nogal wat woorden en zinnen omdat het document heel erg beschadigd is geraakt

doordat het jarenlang lag te verdrogen in een bankkluis. Maar wat er wel nog is, moet ons wel aan het denken zetten.

 

Mijn idee over Jezus en Judas is al sinds tijden een beetje gelijklopend met wat nu in dit evangelie geopenbaard wordt, namelijk dat het vrijwel onmogelijk is dat Judas de schurk en verrader zou kunnen geweest zijn zoals de reguliere evangelies ons wilden laten geloven. Wanneer Jezus inderdaad ook goddelijk was ( en daaraan heb ik nooit getwijfeld en twijfel ik nog steeds niet ) dan had Hij beslist geen verrader uitgekozen als een der dichtst bij Hem levende discipelen. Jezus moet dus volkomen op de hoogte geweest zijn van wat Judas zou gaan doen en het er ook nog mee eens geweest zijn. Was dat niet zo geweest, dan had Hij het ‘zogenaamde’ verraad van Judas wel verhindert.

 

 

 

 

Dan komt hier de vertaling die ik aan het maken ben:

 

zo werd het gevonden                                      Tijdens restauratie

 

Het evangelie van Judas

Vertaald uit het koptisch door

Rodolphe Kasser, Marvin Meyer en Gregor Wurst

In samenwerking met Francois Gaudard.

 

Vrij vertaald uit het Engels  in het Nederlands

door Fran, webmaster Spirituele Vrienden

 

 

 

Inleiding: Het begin

De geheime inhoud van de openbaring die Jezus deed tijdens een gesprek met Judas Iscariot

gedurende een week, tot drie dagen voor Zijn dood.

 

 

De opdracht van Jezus op Aarde

Wanneer Jezus op aarde verscheen verrichtte Hij mirakels en grote wonderen tot  heil van de mensheid. En aangezien sommigen leefden in rechtschapenheid en anderen in hun zondigheid, werden er twaalf leerlingen geroepen.

Hij begon met hen te spreken over de mysteries van Gene Zijde en wat er zou gebeuren in de eindtijd. Vaak verscheen Hij niet aan zijn leerlingen in Zijn eigen gedaante, maar bevond Hij zich onder hen als een kind.

 

Scene 1: Jezus' gesprek met Zijn leerlingen: Het dankgebed of de eucharistie.

Op een dag was Hij met Zijn leerlingen in Judea en Hij vond hen, samen zittend, in godsvruchtige beschouwing.  Terwijl Hij Zijn leerlingen naderde, [34]samen zittend en een gebed uitsprekend over het brood, lachte Hij.

De leerlingen spraken tot Hem: “Meester, waarom lacht U om ons dankgebed? We deden wat juist is.”

Hij antwoordde en sprak tot hen: ‘Ik lach niet om jullie. Jullie doen dit niet uit jullie eigen wil, maar omdat hierdoor jullie God zou geloofd worden.”

Zij zegden: “ Meester, U bent […] de zoon van onze God.”

Jezus sprak tot hen: “ Hoe kennen jullie mij? Waarachtig [ik] zeg jullie, geen enkele nakomeling van dit geslacht waartoe jullie behoren zal mij kennen.”

 

 

De leerlingen worden kwaad.

Wanneer de leerlingen dit hoorden, werden  ze kwaad en woedend  en begonnen Hem in hun hart te vervloeken.

Toen Jezus hun gebrek aan [begrip] bemerkte [sprak Hij] tot hen: “Waarom maakt deze opwinding jullie boos? Jullie God is in jullie en […] [35]heeft jullie aangezet tot boosheid [in] jullie zielen. [Laat] degene onder jullie die [sterk genoeg] is onder de mensen, de volmaakte geestelijke mens tot opstanding brengen en staan voor mijn aangezicht.”

Allen zeiden: “Wij hebben de kracht.”

Maar hun geesten waagden het niet om voor [hem] te staan, behalve Judas Iskariot. Hij was in staat om voor Hem te staan, maar hij kon Hem niet in de ogen zien, en hij draaide zijn gezicht opzij.

Judas [sprak] tot Hem: “Ik weet wie U bent en waar U vandaan komt. U bent van het onsterfelijke koninkrijk van Barbelo. En ik ben niet waardig de naam uit te spreken van degene die U gezonden heeft. “

 

 

Jezus spreekt met Judas apart.

Daar Jezus wist dat Judas nadacht over iets wat hem in geestvervoering bracht, sprak hij: “Neem afstand van de anderen en ik zal jou de mysteries van het koninkrijk openbaren. Het is mogelijk voor jou om dat te bereiken, maar je zal heel wat te verdriet te verduren krijgen. [36] Want iemand anders zal in jouw plaats komen, zodat het twaalftal [discipelen] weer tot voltooiing komen voor hun god.”

Judas sprak tot Hem: “Wanneer zal je me deze dingen vertellen, en [wanneer] en wanneer zal de grote dag vol licht aanbreken voor dit geslacht?”

Maar toen hij dit vroeg, verliet Jezus hem.

 

 

Scene 2: Jezus vertoont zich opnieuw aan zijn leerlingen.

 

De volgende morgen, nadat dit gebeurde, kwam Jezus opnieuw bij zijn leerlingen.

Zij vroegen Hem: “Meester, waar ging je heen en wat heb je gedaan nadat je van ons wegging?”

Jezus sprak: “Ik ging naar een ander groot en heilig geslacht.”

 

Zijn  leerlingen zeiden tot Hem: “ Heer, welk is dat grote geslacht dat beter is dan dat van ons, en heiliger is dan ons geslacht dat nu leeft in dit koninkrijk?

Toen Jezus dat hoorde, lachte Hij en sprak: “Waarom denken jullie in jullie harten over het sterke en heilige geslacht? [37] Waarlijk [ik] zeg jullie, geen enkele nakomeling van de geborenen in de tijd zal dat geslacht ooit zien, en geen menigte engelen van de sterren zullen heersen over dat geslacht, en geen enkele mens, ten dode geboren, kan er zich mee verbinden, want dat geslacht komt niet van […] dat […] is geworden. Het geslacht van de mensen onder [jullie] is van het mensdom […] kracht, welke [… de] andere krachten […] door [dewelke] jullie leven.

Wanneer [zijn] leerlingen dit hoorden, werd hun geest verontrust. Ze konden geen woord uitbrengen.

Een andere dag kwam Jezus weer tot [hen].  Ze spraken tot [hem]: “Meester, we hebben U gezien in een [visioen] want wij hadden grote [dromen …] nacht”

[hij zei] “Waarom hebben [jullie … wanneer] je gingen verschuilen?” [38]

 

 

De leerlingen zien de tempel en  bespreken hem.

Ze [spraken: “We zagen] een groot [gebouw met een groot] altaar [erin, en] twaalf mannen – het waren priesters, zo te zien – en een naam; en een grote menigte wacht bij dat altaar, [totdat] de priesters [… en] de offerandes [ontvangen]. [Maar] wij bleven wachten.”

[Jezus sprak]: “Wat voor [priesters] zijn het?”

Ze [zeiden: “Sommige …] twee weken; [sommige] offeren hun eigen kinderen, anderen hun vrouwen, tot lof [en] in nederigheid met elkaar; sommigen slapen met mannen; sommigen zijn verwikkeld in [moordpartijen]; sommigen begaan een massa zonden en stellen wetteloze daden. En de mannen die [voor] het altaar staan roepen uw [naam] aan, [39] en in al hun onvolkomen daden, worden de offers tot voltooiing gebracht […].”

Nadat ze dit verteld hadden werden ze stil, want ze waren verontrust.

 

  

Jezus geeft een zinnebeeldige uitleg van het visioen over de tempel.

Jezus sprak tot hen: “Waarom zijn jullie verontrust? Waarachtig, ik zeg jullie, al de priesters die voor het altaar staan, beroepen zich op mijn naam.

Opnieuw zeg ik jullie, mijn  naam is geschreven op dit […] van de ontwikkeling der sterren tot die van de menselijke geslachten. [ En zij ] hebben bomen zonder vruchten geplant, in mijn  naam, op een schandelijke wijze.”

Jezus sprak tot hen: “ Degenen die jullie de offerandes hebt zien ontvangen bij het altaar – dat is wie jullie zijn.

Dat is de god die jullie dienen, en jullie zijn de twaalf mannen die jullie gezien hebben.

Het vee dat jullie hebben zien aanvoeren, als offergaven, zijn de vele mensen die jullie op een dwaalspoor brengen [40] voor dat altaar. […] zal opstaan en op die manier gebruik maken van mijn naam, en geslachten van godsvruchtigen zullen  hem getrouw blijven.

 Na hem zal uit [de ontuchtigen ] een ander opstaan, en een volgende, uit de kindermoordenaars, zal opstaan, en een andere uit degenen die met mannen slapen, en uit degenen die zich onthouden,

en uit de rest van het bezoedelde, wetteloze en  dwalende volk,

en degenen die zeggen: ‘Wij zijn als engelen’, zij zijn de sterren die alles tot voleinding brengen.

Want aan de geslachten der mensen is gezegd: ‘Kijkt, God heeft jullie offers ontvangen uit de handen van een priester’ – dat is een bedienaar van de dwaling.

Maar het is de Heer, de Heer van het universum, die beveelt, ‘Op de laatste dag zullen zij beschaamd gemaakt worden.’ “ [41]

Jezus sprak [tot hen], “Stop met of[feren …] wat jullie hebben […] boven het altaar, daar zij boven jullie sterren en engelen staan en daar reeds tot hun voleinding gekomen zijn. Dus laat hen [verstrikt] zijn in jullie bijzijn, en laat hen gaan [-ongeveer 15 lijnen missen hier -] geslachten […].

Een bakker kan niet alle schepsels [42] onder de hemel voeden. En […]tot hen […] en […] tot ons en […].

Jezus sprak tot hen, “Stop met  jullie tegen mij te verzetten. Elk van jullie heeft zijn eigen ster en ieder[een  - ongeveer 17 lijnen missen hier - ] [43] in […] die gekomen is [ … lente] want de boom […] van deze eeuwigheid […] voor een tijdje […] maar hij is gekomen om Gods paradijs van water te voorzien, en het [geslacht] dat zal overblijven, want [hij] wil de [levensweg van] dat geslacht niet bezoedelen, maar […] in alle eeuwigheid. “

 

 

Judas ondervraagt Jezus over dát geslacht en over de menselijke geslachten.

Judas sprak tot [hem, “Rabbi], welke vruchten brengt dit geslacht voort?”

Jezus antwoordde, “De zielen van elke menselijk geslacht zal sterven. Wanneer deze mensen echter de tijd van het koninkrijk zullen vervuld hebben en hun geest hen verlaat, zullen hun lichamen sterven maar hun zielen zullen leven, en zij zullen verheven worden.’

Judas sprak, “ En wat zal de rest van de menselijke geslachten doen?”

Jezus zei, “ Het is onmogelijk [44] om te zaaien op [rotsen] en er vruchten van te oogsten. [Dit] is ook de weg […] de [bezoedelde] mensheid […] vergankelijke Sophia […] de hand die sterfelijke mensen geschapen heeft, zodat hun zielen opstijgen tot het eeuwige koninkrijk hierboven. [Waarachtig] zeg ik u, […] engel […] kracht zal kunnen zien dat […] heilige geslachten […].”

Nadat Jezus dit gezegd had, vertrok Hij.

 

 

Scene 3: Judas vertelt een visioen en Jezus reageert.

 

Judas sprak: “Meester, U hebt geluisterd naar hen allemaal, luister nu ook naar mij.  Want ik heb een groot visioen gezien.”

Wanneer Jezus dit hoorde, lachte Hij en sprak tot hem: “ Jij dertiende geest, waarom doe je zo je best? Maar spreek, en ik zal geduld met je hebben.”

 Judas sprak tot hem, “ in het visioen zag ik mezelf gestenigd worden door de twaalf leerlingen en [45] [mij, door elk van hen] vervolgd worden. En ik kwam ook op de plaats […] na U. ik zag [een huis…], en mijn ogen konden zijn grootte niet [omvatten]. Grote mensen omringden het, en het huis een groen dak, en in het midden van het huis bevond zich [een menigte – twee lijnen missen hier -], zeggende, ‘Meester, leid mij binnen bij dit volk.’ ‘

[Jezus] antwoordde en zei, “ Judas, jouw ster heeft jou op een dwaalspoor gebracht. “ Hij vervolgde, “Geen enkele in de stof geborene is het waardig om het huis, dat jij gezien hebt, te betreden, want dat huis is voorbehouden voor de heiligen. Noch de zon, noch de maan zullen daar heersen, noch de dag, maar de heiligen zullen daar voor altijd vertoeven, in het eeuwige koninkrijk, samen met de heilige engelen. Kijk, aan jou heb ik de geheimen van het koninkrijk uitgelegd [46] en ik heb jou geleerd over de dwaling van de sterren; en […] zend het […] naar de twaalf eeuwigheden.”

 

 

Judas ondervraagt Hem over zijn eigen lot.

Judas sprak, “Meester, zou het kunnen dat mijn nakomelingen onder de leiding van de heersers zullen zijn?”

Jezus antwoordde en sprak tot hem, “ Kom, zodat ik [ - twee lijnen missen - ] maar dat je veel zal treuren wanneer je het koninkrijk ziet en heel zijn geslacht.”

Toen hij dit hoorde, sprak Judas, “ Waar is het dan goed voor dat ik het ontvangen heb? Want U hebt mij afgescheiden van dat geslacht.”

Jezus antwoordde en sprak, “ Jij zal de dertiende worden, en je zal vervloekt worden door de andere geslachten – en jij zal over hen heersen. Bij het einde der tijden zullen ze jouw opvaring [47] tot het heilige [geslacht] vervloeken.”

 

 

Jezus onderwijst Judas over kosmologie: De geest en de zelfverwekte.

Jezus sprak, “[Kom], zodat ik jou kan leren over [geheimen] die niemand ooit [heeft] gezien.

Want er bestaat een groot en eindeloos koninkrijk, waarvan de uitgestrektheid door geen enkel engelengeslacht is gezien,

 en [waarin] zich [een] grote en onzichtbare [Geest] bevindt,

 welke nog nooit door het oog van een engel is gezien,

nog nooit door een harte-gedachte is begrepen

en nog nooit door een naam is benoemd.”

En een lichtende wolk verscheen daar. Hij sprak, ‘ Laat een engel tot leven komen als mijn helper.’

Een grote engel, de verlichte goddelijk  Zelf-Verwekte, rees op uit de wolk.

Omwille van Hem kwamen nog vier andere engelen tot leven, uit een andere wolk, en zij werden helpers van de engelachtige Zelf-Verwekte. De Zelf-Verwekte sprak, [48] ‘Laat […] tot leven komen […], ‘ en het kwam tot leven […]. En hij [schiep] de eerste verlichte geest om over hem te heersen. Hij sprak, ‘ Laat engelen tot leven komen om [hem] te dienen,’ en een ontelbare menigte kwam tot leven. Hij sprak, ‘[Laat] een verlichte eeuwigheid tot leven komen,’ en het kwam tot leven. Hij schiep een tweede verlichte geest [om] erover te heersen, samen met ontelbare aantallen engelen, om hem te dienen.  Zo is het dat hij de rest van de verlichte eeuwigheden schiep. Hij deed hen heersen over hen, en Hij schiep voor hen ontelbare aantallen engelen, om hen bij te staan.

 

 

 

Adamas[1][1] en de Hemellichten.

 

“Adamas verbleef in de eerste verlichte wolk, nooit door een engel – onder allen die ‘God’ genoemd werden – gezien. Hij [49][…] dat […] het beeld […] en naar de gelijkenis van [deze] engel.

Hij liet het integere geslacht van Seth ontstaan […] de twaalf […] de vierentwintig […] Hij liet tweeënzeventig hemellichten ontstaan in het integere geslacht, in overeenstemming met de wil van de Geest. De tweeënzeventig hemellichten zelf, lieten driehonderd zestig hemellichten ontstaan in het integere geslacht, in overeenstemming met de wil van de Geest, dat er vijf zouden zijn voor elk van hen.

“De twaalf tijdperken[2][2] van de twaalf hemellichten vormden hun vader, met zes hemelen voor elk tijdperk, zo dat er tweeënzeventig hemelen zijn voor de tweeënzeventig hemellichten, en voor elk [50] van hen [vijf] uitspansels, [in het geheel dus] driehonderd zestig [uitspansels].

Zij verkregen zelfbestuur en een [grote] ontelbare engelenschaar, voor glorie en aanbidding, [en daarna ook] maagdelijke geesten, ter ere en ter aanbidding van alle eeuwigheden en hemelen en hun uitspansels.”

 




[3][1] ’adham (mens)

[4][2] aeon aion (levenstijd, leven, eeuwigheid

 

 

De kosmos, chaos en de onderwereld.

Het geheel van deze onsterfelijken wordt ‘de kosmos[5][1]’ genoemd – dat is, ondergang[6][2]– door de Vader en de tweeënzeventig hemellichten die horen bij de Zelf-Verwekte en zijn tweeënzeventig eeuwigheden.

In hem ontstond het eerste menselijke wezen met zijn onvergankelijke krachten. En het leven dat ontstond in zijn geslacht, het leven waarin de wolk van kennis en de engel verblijven, wordt genoemd [51] El.

[…] leven […] hierna […] sprak, ‘Laat twaalf engelen tot leven komen [om] te heersen over de chaos en de [onderwereld].’ En zie, vanuit de wolk verscheen een [engel] wiens aangezicht glansde van vuur en wiens verschijning was verontreinigd door bloed. Zijn naam was Nebro, wat betekent ‘oproermaker’; anderen noemen hem Yaldabaoth.

Een andere engel, Saklas, kwam ook uit de wolk. Zo schiep Nebro zes engelen – evenals Saklas – om hen bij te staan, en ze brachten twaalf engelen tot leven in de hemelen, waarbij elk van hen een aandeel kreeg in de hemelen.

 

De Heersers en de Engelen.

“De twaalf heersers spraken met de twaalf engelen: ‘Laat ieder van u [52] […] en laat hen […] geslacht [ - een lijn ontbreekt -] engelen’:

De eerste is [S]eth, die Christus genoemd wordt.

De [tweede] is Harmathoth, die wordt […].

De [derde] is Galila.

De vierde is Yobel.

De vijfde [is] Adonaios.

Dit zijn de vijf die heersten over de onderwereld, en eerst en vooral over chaos.




 

 

De schepping van de mensheid.

“Toen sprak Saklas tot zijn engelen, ‘Laat ons een menselijk wezen scheppen naar de gelijkenis en naar het beeld.’ Zij vormden Adam en zijn vrouw Eva, die in de wolk Zoë genoemd wordt. Want met deze naam zoeken alle geslachten de man, en elk van hen roept de vrouw bij deze namen. Nu be[val] Sakla niet [53][…] behalve […] de ge[slachten…] dit[…].

En de heerser sprak tot Adam, ‘Je zal lang leven, met uw kinderen.’ “

 

 

Judas stelt vragen over de bestemming van Adam en de mensheid.

Judas sprak tot Jezus, ‘[wat] is de lengte in  tijd dat een menselijk wezen zal leven?”

Jezus zei, ‘ Waarom ben jij hierover verbaasd, dat Adam, met zijn geslacht, zijn levenstijdspanne heeft geleefd op de plaats waar hij zijn koninkrijk ontving, tot op hoge ouderdom met zijn heerser?’

Judas vroeg aan Jezus, ‘Sterft de menselijke geest?’

Jezus sprak, ‘Dit is de reden waarom God opdracht gaf aan Michael om aan de mensen een menselijke geest te leen te geven, opdat zij dienstbaarheid zouden kunnen verlenen, maar de Ene Grote gaf opdracht aan Gabriel om geesten te schenken aan het grote geslacht, met geen heerser boven hen – dit is de geest en de ziel. Daarom, de [rust] van de zielen [54] [-hier ontbreekt een lijn-]

 

 

 Jezus bespreekt de vernietiging van de goddelozen met Judas en anderen.

“[…] licht [ -bijna twee lijnen ontbreken hier-] rondom […] laat […] geest [die] binnen in u [is] verblijven in dit [vlees] te midden van de engelengeslachten. Maar God verwekte kennis om aan Adam te [geven] en aan hen die bij hem waren, zodat de koningen van de chaos en van de onderwereld niet bij machte zouden zijn om hen te overheersen..”

Judas vroeg aan Jezus, ‘ Wat zullen deze geslachten doen?’

Jezus antwoordde, ‘ Waarlijk, ik zeg u, voor ieder van hen zullen de sterren zaken brengen om tot voltooiing te komen. Wanneer Saklas zijn toegemeten tijdspanne zal voltooid hebben, dan zal hun eerste ster verschijnen met de geslachten, en zij zullen voleindigen wat zij hebben gezegd dat zij zouden doen. Daarna zullen zij ontucht bedrijven in mijn naam en hun kinderen slachten [55] en zij zullen […] en [ - ongeveer zes en een halve lijn missen hier - ] mijn naam, en hij zal […] uw ster over het [der]tiende eon.”

Hierna [lachte] Jezus.

[Judas vroeg], ‘ Meester, [waarom lacht u om ons?’

[Jezus] antwoordde [en sprak], “ ik lach niet [om jullie] maar om de dwaling van de sterren, want deze zes sterren dwalen rond met deze vijf strijders, en zij zullen alles vernietigd worden, samen met hun scheppingen.”

 

 

Jezus spreekt over hen die gedoopt zijn, en Judas’ s verraad.

Judas vroeg aan Jezus, “Zeg me, wat zullen degenen, die gedoopt zijn in Uw naam, doen?”

Jezus antwoordde: “Waarlijk, ik zeg [u], dit doopsel [56] mijn naam [ - ongeveer negen lijnen ontbreken hier - ] voor mij. Waarlijk, tot u Judas, zeg [ik] [dezen die] offers brengen aan Saklas […] God [ - hier missen drie lijnen - ] alles wat kwaad is.

“Maar jij zal hen allen overtreffen. Want jij zal de man offeren die mij bekleedt.

Reeds is jouw hoorn geheven,

Jouw woede is ontbrand,

Jouw ster vertoont zich helder

En jouw hart is […]. [57]

“ Waarlijk […] jouw laatste […] worden [ - ongeveer twee en een halve lijn missen - ], verdriet [ - twee lijnen missen - ] de heerser, omdat hij vernietigd zal worden. En dan zal het beeld van het grote geslacht van Adam verheven worden, voorafgaand aan dat van hemel, aarde en engelen,want dat geslacht, dat deel is van het eeuwige koninkrijk, bestaat. Kijk, alles is aan jou geopenbaard. Verhef je ogen en zie naar de wolk en het licht erin en de sterren die er omheen staan. De ster die de weg toont, is jouw ster.”

Judas verhief zijn ogen en zag de lichtende wolk, en hij trad er binnen. Degenen die op de grond stonden hoorden een stem uit de wolk komen die sprak, [58] […] groot geslacht […] … beeld […] [ - ongeveer vijf lijnen ontbreken - ]

 

 

Besluit : Judas verraadt Jezus.

[…] Hun hogepriesters mompelden want [hij] was in de gastenkamer gegaan om er te bidden. Maar sommige schriftgeleerden waakten zorgvuldig met de bedoeling hem te arresteren tijdens zijn gebed, want zij waren bevreesd voor het volk, sinds iedereen hem als een profeet zag. Zij benaderden Judas en zegden tot hem: “Wat doe jij hier? Jij bent een leerling van Jezus.”

Judas antwoordde zoals zij het wensten. En hij kreeg wat geld en droeg Hem aan hun over.

 

 

Meer lectuur over dit onderwerp

 

http://www.nationalgeographic.nl/judas.php

 

http://www9.nationalgeographic.com/lostgospel/

 

http://www9.nationalgeographic.com/channel/gospelofjudas/

 

http://www.trouw.nl/deverdieping/religie_filosofie/article273146.ece

 



[1] heelal

[2] (bederf/verdoemenis )

[3] THE VISION OF ENOCH - THE MOST ANCIENT REVELATION:  God Speaks to Man

 

 

 

 

08. De Wereldbeschouwing der Rozenkruisers.

 

Max Heindel.

 

Over de Thora - Het Oude Testament

 

Men moet niet vergeten, dat het niet in de bedoeling lag van de oorspronkelijke schrijvers van de Bijbel om de waarheid in zulk een dui­delijke vorm weer te geven, dat de oppervlakkige lezer die maar dadelijk kon begrijpen. Zij peinsden er niet over om een 'open boek Gods' te schrijven.

De grote occultisten die de Zohar schreven, leggen sterk de nadruk op dit punt. De geheimen van de Thora waren niet bestemd om door iedereen begrepen te worden, zoals uit de volgende aanhaling blijkt:

 

'Wee hem die in de Thora - de wet - slechts eenvoudige verhalen en gewone woorden ziet! Als zij echt niets méér bevatte, dan zouden wij immers zelfs in onze tijd in staat zijn een Thora samen te stellen, die de bewondering veel meer verdiende. Dat is echter niet zo. Achter elk woord in de Thora schuilt een verheven betekenis en een machtig myste­rie. De verhalen van de Thora zijn het gewaad van de Thora. Wee hem die dit gewaad van de Thora voor de Thora zelf houdt! ... De onnozelen schenken al hun aandacht alleen aan de uiterlijke inkleding en de verha­len van de Thora. Zij weten niet beter. Zij zien niet wat eronder het gewaad verborgen ligt. De mensen die meer weten, wijden hun aandacht niet aan het gewaad, maar aan het lichaam dat het omhult.'

 

In deze woorden wordt duidelijk op de allegorische betekenis gedoeld. Ook Paulus zegt op ondubbelzinnige wijze, dat de geschiedenis van Abraham en de twee zonen die hij bij Sara en Hagar had, zuiver alle­gorisch is (Gal. 4: 22-26). Vele passages zijn gesluierd, andere moeten letterlijk opgevat worden en niemand die de sleutel van het occultisme niet bezit, is in staat de diepzinnige waarheid achter het vaak afstotelijke omhulsel te vinden.

 

De geheimhouding van deze diepzinnige onderwerpen en het onver­anderlijk gebruikmaken van allegorieën zodra het gewone volk in aanra­king met occulte waarheden kwam, blijkt ook duidelijk uit het optreden van Christus die altijd tot de menigte sprak in gelijkenissen, terwijl Hij de daarin verborgen diepere betekenis later in het geheim aan zijn disci­pelen verklaarde. Bij verscheidene gelegenheden legde hij hun ten op­zichte van zulke vertrouwelijke leringen, geheimhouding op.

 

Paulus' wijze van werken stemt hiermee ook overeen, want hij geeft 'melk', dat wil zeggen de meer elementaire leer aan de 'jonge kinderen' in het geloof, terwijl hij de 'vaste spijs' of de diepere leer voor de 'sterken' bewaart, voor hen die geschikt zijn die te begrijpen en te ont­vangen.

 

Het Oude Testament werd oorspronkelijk in het Hebreeuws geschre­ven, maar wij bezitten geen enkele regel meer van het oorspronkelijke handschrift. Reeds omstreeks het jaar 280 v.Chr. ontstond de Septua­gint, een Griekse vertaling van het Oude Testament. Zelfs ten tijde van Christus heerste er al de grootste verwarring en rezen er de meest uit­eenlopende meningen over de vraag wat als oorspronkelijk aangenomen kon worden en wat er ingelast was.

 

Pas na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap begonnen de schriftgeleerden de verschillende geschriften samen te voegen en pas na 500 n. Chr. verscheen de Talmud, de eerste tekst die op onze huidige lijkt en die, zoals uit het voorafgaande blijkt, verre van volmaakt is.

 

09. Het visioen van Henoch - De oudste openbaring.[1]

 

God spreekt tot de mens.

 

Ik spreek tot u.

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

Wanneer je geboren werd

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste blikken

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste woord

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste gedachte

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste liefde.

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

Door uw eerste lied

Wees stil

Weet dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door het gras van de weiden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de bomen uit de wouden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de dalen en de heuvels

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de Heilige Bergen

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de regen en de sneeuw

Wees stil

Weer

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de golven van de zee

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de morgendauw

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik spreek tot u

In de vrede van de avond

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de stralende zon

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de schitterende sterren

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de stormen en de wolken

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de donder en de bliksem

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de raadselachtige regenboog

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Wanneer je alleen bent

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Door de Wijsheid van de Ouden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Aan het einde der tijden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Wanneer je mijn engelen hebt gezien

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Door heel de Eeuwigheid

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

 

Ik spreek tot u

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Bron: The Essene Gospel Of Peace

Book Two

THE UNKNOWN BOOKS
OF THE ESSENES

 



 

10. De Apocalyps en de wet der tegenstellingen. (C G Jung)

 

 

 Jezus sprak tot hen: "Als gij de twee één maakt

en als gij het inwendige gelijk het uitwendige maakt

en het uitwendige gelijk het inwendige

en het boven gelijk het onder,

en als gij het mannelijke en het vrouwelijke één maakt,

 zodat het mannelijke niet mannelijke

en het vrouwelijke niet vrouwelijk zij,

en als gij ogen vormt in plaats van een oog,

een hand in plaats van een hand,

een voet in plaats van een voet,

een gelijkenis in plaats van een gelijkenis,

dan zult gij ingaan."

Thomas-evangelie – logion 22 

 

 

 

 



 

De Apocalyps is enerzijds zó persoonlijk, en anderzijds zó archetypisch en collectief, dat we wel beide aspecten in aanmerking moeten nemen. De moderne belangstelling zou zeker in eerste instantie naar de persoon van Johannes uitgaan. Zoals al eerder gezegd, is het niet onmogelijk dat Johannes, de schrijver der Brieven, identiek is met de apocalypticus. De psychologische bevindingen spreken ten gunste van zo'n veronderstel­ling. De 'openbaring' werd door een vroege christen ervaren die als auto­riteit vermoedelijk een voorbeeldig leven moest leiden, en die zijn ge­meente de christelijke deugden van het ware geloof, de deemoed, het geduld, de overgave, de onzelfzuchtige liefde en de ontzegging van alle wereldse lusten moest vóórleven. Dat kan op den duur ook de beste te veel worden. Prikkelbaarheid, een slecht humeur en emotionele uit­barstingen vertegenwoordigen de klassieke symptomen van chronische deugdzaamheid. De beste toelichting met betrekking tot zijn christelijke instelling vormen wel zijn eigen woorden: 'Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en ieder die liefheeft, is uit God verwekt en kent God. Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. . . Hierin bestaat de liefde: niet dat wij God hebben lief­gehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad, en ons zijn Zoon als zoenoffer voor onze zonden heeft gestuurd. Geliefden, wanneer God ons zozeer heeft liefgehad zijn ook wij verplicht elkander lief te hebben. . . En we hebben de liefde, die God voor ons heeft, gekend en geloofd. God is liefde, en wie in de liefde woont, woont in God en God woont in hem

... Er is geen vrees in de liefde ... Wie echter vreest, heeft de volmaakt­heid in de liefde niet bereikt. Als iemand zegt: ik heb God lief, en (toch) zijn broeder haat, dan is dat een leugenaar. . . En dit gebod hebben we van Hem, dat hij, die God liefheeft, ook zijn broeder lief moet hebben.'

 

Wie echter haat de Nicolaïten? Wie dorst naar wraak, en wil Jezabel zelfs op haar ziekbed werpen, en haar kinderen laten sterven? Wie kan maar niet genoeg krijgen van bloeddorstige fantasieën? Laten we echter psy­chologisch nauwgezet zijn: het is niet het bewustzijn van Johannes dat dergelijke fantasieën verzint, maar ze worden hem in een gewelddadige 'openbaring' toegestoten; ze overvallen hem met een ongewilde en on­verwachte hevigheid, en met een intensiteit, die, zoals gezegd, alles overtreft wat we normaliter als compensatie van een enigszins eenzijdige bewustzijnsinstelling konden verwachten.

 

Ik heb veel compenserende dromen van gelovige christenen gezien, die zich wat betreft hun werkelijke zielstoestand vergisten, en die zich in een andere gesteldheid waanden dan met de werkelijkheid overeenkwam. Maar ik heb niets gezien dat ook maar in de verste verte met de grove contrasten van de Johannesopenbaring vergeleken zou kunnen worden, tenzij het om een zware psychose zou gaan. Tot een dergelijke diagnose geeft Johannes echter geen aanleiding. Daarvoor is de Apocalyps niet verward genoeg, te consequent, en niet subjectief en grotesk genoeg. Haar affecten zijn, gezien haar object, adequaat. Haar schrijver behoeft geen onevenwichtige psychopaat te zijn. Het is voldoende dat hij een hartstochtelijk religieus mens met een overigens geordende psyche is. Hij moet echter een intensieve relatie met God hebben, waardoor hij open komt te staan voor een doorbraak die al het persoonlijke verre over­treft. De werkelijk religieuze mens, die tegelijk de mogelijkheid tot een ongewone bewustzijnsverruiming in zich draagt, moet rekening houden met zulke gevaren.

 

Het doel van de apocalyptische visioenen is immers niet om de gewone mens, Johannes, te laten weten hoeveel schaduw hij onder zijn lichtna­tuur verbergt, maar om de ziener de ogen te openen voor de onmetelijk­heid van God; want wie liefheeft, zal God kennen. We kunnen zeggen: omdàt Johannes God liefhad en al het mogelijke deed om ook zijn me­demensen te beminnen, is hem de 'gnosis', de godskennis, toegestoten. Hij heeft, zoals Job, de woeste verschrikkelijkheid van Jahwe aan­schouwd, en daarom zijn Evangelie der liefde als eenzijdig ervaren en met het Evangelie der vrees aangevuld: God kan bemind en moet ge­vreesd worden. Daarmee breidt het gezichtsveld van de ziener zich tot ver over de eerste helft van het christelijk tijdperk uit: hij vermoedt dat na duizend jaar het antichristelijk tijdperk zal beginnen, een duidelijk teken dat Christus geen onvoorwaardelijke overwinnaar is.

 

Johannes loopt vooruit op de alchemisten en op Jacob Boehme; hij voelt wellicht zijn persoonlijk betrokken-zijn in het goddelijk drama, aange­zien hij al anticipeerde op de mogelijkheid van de geboorte Gods in de mens; iets wat in de alchemisten, Meester Eckhart en Angelus Silesius ook vermoedden. Hij gaf daarmee in grote lijnen het programma voor het hele tijdperk Vissen aan, met haar dramatische enantiodromie[1] en haar duister einde, dat we nog niet hebben beleefd; een einde met waar­lijk en niet overdreven apocalyptische mogelijkheden, waarvoor de mensheid huivert. De vier onheilspellende ruiters, de dreigende tonen der bazuinen en de nog uit te gieten schalen des toorns wachten reeds of nog: de atoombom hangt boven ons als een zwaard van Damocles, en daarachter loeren de onvergelijkelijk ontzettender mogelijkheden van de chemische luchtoorlog, die zelfs de gruwelen van de Apocalyps in de schaduw zouden kunnen stellen. Lucifer vires accendit Aquarius acres - Aquarius doet de wilde krachten van Lucifer ontbranden. Wie zou in ernst willen beweren, dat Johannes tenminste de mogelijkheden die in de eindtijd van het christelijke tijdperk onze wereld rechtstreeks bedreigen, niet juist heeft voorzien? Hij weet ook, dat in het goddelijk pleroma het vuur, waarin de duivel gepijnigd wordt, voor eeuwig be­staat. God heeft een vreselijk dubbelaspect: een zee van genade stuit op een gloeiende vuurzee, en het licht der liefde overstraalt een duistere gloed, waarvan gezegd wordt: ardet non lucet - ze brandt, maar straalt geen licht uit. Dàt is het eeuwige evangelie (in tegenstelling tot het tijde­lijke): men kan God liefhebben en moet hem vrezen.

 

De Apocalyps, die met recht aan het einde van het Nieuwe Testament staat, gaat hier bovenuit en loopt vooruit op een toekomst, die met alle apocalyptische verschrikkingen in tastbare nabijheid staat. Het besluit in een onbezonnen moment van de een of andere Herostrates kan voldoende zijn om de wereldcatastrofe op gang te brengen. De draad, waaraan ons noodlot hangt, is dun geworden. Niet de natuur, maar de 'genius der mensheid' heeft de fatale strop geknoopt, waarmee zij zich elk moment om het leven kan brengen. Dit geeft slechts met andere woorden weer, wat Johannes bedoelt als hij over de 'toorn Gods' spreekt.

 

Op de mens komt het nu aan: een verschrikkelijke verwoestingsmacht is hem in handen gegeven, en de vraag is, of hij de wil om deze te ge­bruiken kan weerstaan, en haar met de geest der liefde en wijsheid aan banden kan leggen. Uitsluitend op eigen kracht zal hij daartoe nauwe­lijks in staat zijn. Hij heeft daartoe een 'verdediger' in de hemel nodig, en dat is juist de tot God gevoerde knaap, die de 'heling' en het 'volledig-maken' van de tot dan fragmentarische mens bewerkt. Wat ook de heelheid van de mens, het zelf, op zich mag betekenen - empi­risch is het een spontaan door het onbewuste geproduceerd beeld van het levensdoel, aan gene zijde van de wensen en vrezen van het bewust­zijn. Het stelt het doel van de hele mens voor, namelijk het werkelijk worden van zijn totaliteit en individualiteit met of tegen zijn wil. De ac­tieve kracht achter dit proces is het instinct, dat er voor zorgt dat alles, wat in een individueel leven thuishoort, er ook in terecht komt – of het subject nu ja zegt of niet, of het hem bewust wordt wat er gebeurt of niet. Het maakt natuurlijk subjectief een groot verschil of je weet, wat je leeft, of je begrijpt wat je doet, en of je je voor datgene wat je van plan was of gedaan hebt, verantwoordelijk verklaart of niet. Wat deze bewust­heid of het ontbreken daarvan inhoudt, heeft een woord van Christus uitputtend geformuleerd: 'Als ge weet wat ge doet, zijt ge zalig, als ge echter niet weet wat ge doet, zijt ge vervloekt en een overtreder der wet. ' Onbewustheid geldt voor de rechterstoel van de natuur en van het noodlot nooit als een verontschuldiging; er staan integendeel hoge straffen op. Daarom verlangt alle onbewuste natuur naar het licht van het bewustzijn, waar ze zich toch ook zo zeer tegen verzet.

 

De bewustmaking van het verborgene en geheimgehoudene confron­teert ons zeer zeker met een onoplosbaar conflict; tenminste zo lijkt het voor het bewustzijn. De symbolen echter, die vanuit het onbewuste naar voren treden, wijzen op de confrontatie van de tegenstellingen, en de beelden van het doel stellen hun geslaagde vereniging voor. Hier komt ons een empirisch constateerbare hulp van de kant van onze onbewuste natuur tegemoet. Het is de taak van het bewustzijn om deze aandui­dingen te begrijpen. Wanneer dat echter niet gebeurt, gaat het indivi­duatieproces toch nog verder, alleen zullen we er dan het slachtoffer van zijn. We zullen dan door het noodlot naar het onvermijdelijke doel worden meegesleurd, dat we fier rechtop hadden kunnen bereiken, als we alleen maar af en toe de moeite en het geduld hadden opgebracht om de numina, verborgen tekenen, van de lotsweg te begrijpen.

 

Het komt er thans alleen nog maar op aan of de mens een hoger moreel ni­veau, dat wil zeggen een hoger niveau van bewustzijn kan bereiken, om opgewassen te zijn tegen de bovenmenselijke macht, die de gevallen en­gelen hem in handen hebben gespeeld. Hij kan echter niet verder met zichzelf komen, zolang hij niet beter op de hoogte is van zijn eigen aard. In dit opzicht heerst helaas een verschrikkelijke onwetendheid, en een niet minder grote afkeer van de vermeerdering van inzicht omtrent het eigen wezen. Maar toch kunnen vandaag de dag zelfs mensen, waarvan men dat helemaal niet verwacht, de ogen niet langer sluiten voor het in­zicht dat er iets met ons zou moeten gebeuren in psychologisch opzicht. Helaas verraadt het woordje 'zou', dat men niet weet wat te doen, en dat men de weg niet kent, die naar het doel voert. Men kan weliswaar hopen op de onverdiende genade van God, die onze gebeden verhoort. Maar God, die onze gebeden niet verhoort, wil ook mens worden, en daartoe heeft hij via de Heilige Geest de creatuurlijke mens met zijn duisternis uitverkoren; de natuurlijke mens, bevlekt door de erfzonde, de mens die de gevallen engelen de goddelijke wetenschappen en kunsten hebben geleerd. De schuldige mens is geschikt en daarom uit­verkoren om geboorteplaats voor de voortschrijdende incarnatie te worden; en niet de onschuldige, die zichzelf niet aan de wereld geeft, en die zijn tribuut aan het leven weigert, want in zo'n mens zou de duistere God geen ruimte vinden.

 

Sinds de Apocalyps weten we weer, dat God niet alleen bemind, maar ook gevreesd moet worden. Hij vervult ons met het goede en het kwade, anders was hij immers niet te vrezen; en omdat hij mens wil worden, moet de vereniging van zijn antinomie in de mens plaatsvinden. Dat be­tekent voor de mens een nieuwe verantwoordelijkheid. Hij kan er zich met zijn nietigheid en kleinheid niet langer uitpraten, want de duistere God heeft hem de atoombom en de chemische oorlogswapens in handen gelegd, en hem daarmee de macht gegeven, de apocalyptische schalen der gramschap over zijn medemensen uit te gieten. Omdat hem nu als het ware goddelijke macht is toegevallen, kan hij niet meer blind en on­bewust blijven. Hij moet kennis nemen van de aard van God, en van dat­gene wat zich in de metafysica afspeelt, zodat hij zichzelf zal begrijpen, en daardoor God zal kennen.

 

Bron: C. G. Jung – Mensbeeld en Godsbeeld – Antwoord op Job

 



[1] Heraclitus sprak al over het regulerende principe van de tegendelen en noemde het Enantiodromie (de gang van de tegenovergestelden), waaronder hij verstond dat alles eens in zijn tegendeel overgaat.

Voor Jung is enantiodromie het aan de dag treden van de onbewuste tegenstelling in chronologische volgorde. Dit verschijnsel treedt bijna altijd op als het bewuste leven langere tijd wordt beheerst door een extreem eenzijdige richting, zodat zij een even sterke maar onbewuste tegenhouding in het onbewuste vormt. Het ligt voor de hand dat Jung niet de overgang van het ene in het andere tegendeel de moeite van het nastreven waard acht, maar het overstijgen van de tegenstellingen in een groter geheel dat beide omvat.

11. Waarheid achter Woorden

Gnosis

Verboden geloof

 

De gnosis herleeft. Een verboden geloof uit het begin van onze jaartelling keert terug. Dit is een teken van het Watermantijdperk. Gnosis is de gods­dienst van het directe kennen. Tussen 200 vóór en 200 na Christus had zij miljoenen aanhangers in de landen rond de Middellandse Zee. De christelijke gnosis verleende aan het vroegere christendom de esoterische verdieping die Jezus Christus bedoeld had. Toen Hij als twaalfjarige jongen in de tempel debatteerde met de schriftgeleerden, verkondigde Hij Wijsheid. Ook in de synagoge van Kapernaüm sprak Hij met veel groter gezag dan de schriftgeleerden. Hij was niet gekomen om de joodse wet van Mozes te ontbinden, maar om hem esoterisch te vervullen.

 

Het woord "wijsheid" is in Lucas 2 vers 40 tot 52 niet toevallig gebruikt. Het is de gnostische Sophia, die doorklinkt in de onbevangen Jezus. Het is de wijsheid van de gnosis, de directe Godservaring. Dit geloof bloeide, ge­tuige de enorme gnostische bibliotheek van Alexandrië die 750.000 boeken bevatte. De brandstichting in deze boekerij heeft latere generaties onthouden van een geweldige bron van informatie. Toen het christendom staatsgods­dienst en de kerk instituut werd, was het gedaan met de gnosis.

 

Vele doctrines

 

De gnostieken kenden niet één leer, maar vele verwante doctrines. Dat kwam doordat men niet op uiterlijk gezag steunde, maar op innerlijke ervaring. Binnen het stelsel van de gnosis was men vrij om zijn eigen ge­loofsovertuiging inhoud te geven. De kerk stelde een leer samen en verlang­de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan die leer. De banvloek over de grote kerkvader Origenes, die feitelijk een gnostisch denker was, maakte duidelijk dat de gnosis als een groot gevaar van de officiële kerkleer werd beschouwd.

De bewoners van menig gnostisch klooster verborgen hun boekenbezit in grotten. Het duurde tot 1945 eer een bedoeïen in de buurt van de Egyptische plaats Nag Hammadi zo'n gnostische bibliotheek terugvond. Na veel omzwervingen kwamen de boeken op de bureaus van de geleerden terecht.

Tegenwoordig zijn al deze teksten, vaak door deskundigen becommentarieerd, voor de gewone lezer beschikbaar. Het betekent een grote verrijking van onze cultuur, getuige de titel van een nieuwe uitgave onder redactie van professor Quispel: "Gnosis, de derde component van de Europese cultuur­traditie". De beide andere, Athene (filosofie) en Jeruzalem (religie), kon­den zich redelijk vrij ontplooien, terwijl de gnosis vijftien eeuwen lang een verborgen, ondergronds bestaan moest voeren.

Voor 1945 waren gnostische teksten alleen fragmentarisch bekend en dan alleen nog door aanhalingen van felle bestrijders. Vandaag kan iedere geïn­teresseerde zich in de doorgaans prachtige teksten verdiepen zonder straf op te lopen.

 

Wat is gnosis?

 

Gnosis in de mens is datgene wat behoefte aan verdieping, aan meditatie oproept. Mensen met een gnostisch bewustzijn keerden zich af van het traditionele christendom en wendden zich tot de oosterse religies, die geen banvloek over de gnosis kenden. Men wist niet meer dat het cultuurgoed van Hindoeïsme en Boeddhisme ook in het westen had bestaan onder de naam gnosis. Eeuwenlang eiste de orthodoxie het alleenrecht op. We wisten niet beter dan dat de vier bekende evangeliën en de brieven van Paulus tot de leidinggevende geïnspireerde literatuur uit de Oudheid be­hoorden. Zeker, er bestond ook een stroom apocriefen, maar deze boeken waren naar het alternatieve circuit verbannen. Dat er in de oudheid naast de Bijbelse canonieke boeken, een enorme hoeveelheid religieuze literatuur circuleerde was nauwelijks tot brede lagen van de bevolking doorgedrongen.

 

Esoterisch perspectief

 

Zo werkte een feitelijke censuur eeuwenlang door. Met de belangrijke vondsten van Nag Hammadi en Qumran (De Dode Zee-rollen) is een ge­weldige bron van kennis ontsloten. Er blijken veel meer evangeliën te be­staan, tal van handelingen, brieven en openbaringen die destijds eenvoudig uit het intellectuele circuit zijn weggesaneerd. Nu komen deze vergeten boeken te voorschijn en in het licht van onze tijd verlenen ze aan het traditi­onele christelijke geloof een esoterisch perspectief dat vernieuwend werkt.

Volgens Lucas zond Jezus twee van zijn discipelen, Petrus en Johannes, uit om de zaal te zoeken voor het laatste avondmaal. De zaal zou hen worden aangewezen door een man die een waterkruik droeg. Maar mannen dragen in het Nabije Oosten nooit waterkruiken. Dat is vrouwenwerk. Wie deze tekst in Lucas 22 vers 10 onbevangen leest, moet de verborgen aanwijzing wel aanvoelen. Het ligt voor de hand dat de vervulling van de Wet die Jezus beloofde, in het astrologische tijdperk van de Waterman zou plaatsvinden. Dat tijdperk is aangebroken of komt naderbij. De kennis neemt sneller toe dan de mentaliteit, maar er is sprake van een kentering. De hedendaagse mens is niet minder religieus dan vroeger, hij heeft zich vrijgemaakt van kerkelijke censuur. Zijn vlucht naar de oosterse religies geeft aan dat hij rijp is voor de gnosis, de oude godsdienst die een hoopvol perspectief kan geven aan onze naar verlossing snakkende mensheid.

 

Het reddende inzicht van de gnosis

 

Jezus zei: "Als zij tegen u zeggen: Waar komt u vandaan? Zeg dan tegen hen: Wij zijn gekomen uit het Licht waar het Licht uit zichzelf is ontstaan. Het bestond en openbaarde zich door hun beeld. Wanneer zij tegen u zeggen: Wie bent u? Zeg dan: Wij zijn zijn zonen en wij zijn de uitverkorenen van de Levende Vader".

 

Woorden van Jezus, die men vergeefs zal zoeken in de bijbel. Ze staan in het evangelie van Thomas, dat waarschijnlijk een van de bronnen was, die Marcus en Mattheüs voor het samenstellen van hun evangeliën gebruikten. Maar de vaders van de vroege Roomse kerk verklaarden het geschrift, dat in de gemeente van Edessa circuleerde, tot ketterij. Met vele andere waar­devolle teksten belandde het op de brandstapel. Maar een Egyptische kloos­terabt verborg de boeken in kruiken en begroef die onderaan een steile rots in de woestijn. Pas in 1945 stootte de schop van een bedoeïen op de kruiken. Sindsdien is de christelijke wereld een schat aan geschriften rijker, die een fris nieuw licht werpen op een verkalkend geloof. Nu horen we de stem van Jezus zelf in onze harten klinken: "Ieder die de betekenis van deze woorden vindt, zal de dood niet smaken". De reddende gnosis is aan de mensheid teruggegeven. De mens van onze eeuw kan zich opmaken voor een nieuwe openbaring. In de tweede eeuw was de mensheid er niet rijp voor. Nu snakt zij naar de nieuwe impuls, die de intuïtie op doet leven.

Gnosis is de kennis van de waarheidsgrond van mens en kosmos. Ware kennis (of inzicht) verlost de mens, die gevangen is in de wereld van de zintuigen, zegt de Duitse gnosiskenner Karl Rudolph. Een andere onder­zoeker, Hans Leisegang, wijst erop, dat gnosis als religieus inzicht en erva­ringsweten de wetenschap van de eeuwen rondom de geboorte van Jezus voltooide en verdiepte.

 

Esoterische wijsheid

 

Gnosis (kennis) impliceert een diepe esoterische wijsheid, die uitsluitend als mythologie in de materiële wereld besproken kan worden. Mythologie is de neerslag in volksreligies en sprookjes van grondwaarheden, die alle mensen in hun collectieve onbewuste hebben opgeslagen en die vaak in droomsymbolen tot het bewustzijn doordringen.

De verscheidenheid aan gnostische mythen berust op dezelfde grondwaar­heden, verteld in beelden die deels zijn ontleend aan de Griekse mythologie. Aan deze beeldverhalen ligt geen uiterlijke waarneming ten grondslag. Het zijn in markante beelden geschilderde vertellingen van innerlijke waarheden. In de grondwaarheden van de gnostici zijn altijd weer vier trappen te onder­scheiden. De bekende onderzoeker Hans Jonas noemt ze: de val, de knech­ting, het verrijzen en de eenwording. De "val" wordt beschreven in de my­then, de "knechting" is de realiteit van het dagelijks leven, het "verrijzen" uit het door de zintuigen beperkte bewustzijn is onze opdracht en de "een­wording" met God ons uiteindelijke doel. Vraag is wat er "valt" en wordt "geknecht", wat er "verrijst" en tenslotte "één wordt".

Dan spreken we over de Goddelijke Lichtvonk, die vanaf het oerbegin in ons wezen is achtergebleven en die tegelijkertijd voorwaarde en oorzaak is van het mysterie. dat wij "leven" noemen. De Lichtvonk is een goddelijke kern, die niet onderworpen is aan de lichamelijke dood, maar die wel wordt gevuld met onze levenservaringen. Om als mens deel te hebben aan het eeuwige leven, moeten we leren om ons bewust te worden van deze onster­felijke goddelijke kern. Het verwerven van dat bewustzijn door het verkrijgen van inzicht in het hoger wezen der dingen is gnosis. De vele gnostische sek­ten ontwikkelden elk hun eigen weg om gnosis te verwerven. We weten nu dat gnosis de zuurdesem is van het christendom.

 

De Al-Vader en de Al-Moeder

 

Een van de boeiendste scheppingsvoorstellingen uit de gnostische literatuur komt voor in het toonaangevende "Geheime boek van Johannes", dat zich in de Nag Hammadivondst bevond. De titel geeft aan, dat het geschrift be­rust op de mondelinge overlevering van ingewijde op ingewijde. Na een beschrijving van de onbegrensde onmetelijkheid van de Al-Vader, vertelt het traktaat hoe deze Ene zich deelde en zijn evenbeeld, de Al-Moeder, ver­wekte.

"Hij, die zichzelf kent in zijn eigen licht, dat hem omringt, dat de bron van het levende water is, het licht vol zuiverheid. De bron van de Geest liet het levende water uitstromen en voerde het koor van alle eonen en allerlei we­ relden aan. Hij begreep dat het zijn eigen beeld was, toen hij het zag in het heldere lichtwater, dat hem omgaf. En zijn gedachte werd iets zelfstandigs, manifesteerde zich en stond voor hem, vanuit de straling van het licht".

Dit evenbeeld van de Onzichtbare is Barbelo, de volmaakte eon der heer­lijkheid.

"Zij verheerlijkte hem, omdat zij door hem te voorschijn is gekomen, en zij kent hem. Zij is de eerste gedachte, zijn beeld. Zij werd de eerste Mens, na­melijk de maagdelijke Geest, de man-vrouwelijke, die uit zijn voorzienigheid is voortgekomen".

Er wordt dan verteld hoe zij, Barbelo - in andere systemen Pronoia (voor­zienigheid) of Sophia (wijsheid) genoemd - met zijn toestemming vijf eonenparen schiep door ze alleen maar te denken. Op deze wijze werd zij de oermoeder der schepping. In het Geheime boek van Johannes wordt ver­teld hoe allerlei door de goddelijke eenheid veruiterlijkte eigenschappen zich onmiddellijk verzelfstandigden in eonenparen. Het eerste vrouwelijke goddelijke wezen had hier echter niet genoeg aan. We horen de eonenparen het volgende vertellen: "Onze medezuster nu, Wijsheid, dacht uit zichzelf een gedachte. Gedachtig aan de geest en de eerste Gedachte wilde zij haar evenbeeld uit zichzelf te voorschijn laten komen, hoewel de Geest het niet had goedgekeurd. Wegens de ontuchtigheid, die in haar was, kon haar gedachte niet vruchteloos zijn en haar maaksel kwam te voorschijn, onvol­komen en lelijk van uiterlijk, omdat ze hem zonder haar paargenoot ge­maakt had. En hij leek niet op het uiterlijk van zijn moeder, daar hij een an­dere gestalte had. Hij had het achtereind van een slang en het gezicht van een leeuw. Zijn ogen schoten vuur. Zij stootte hem van zich af, buiten die plaatsen, opdat niemand van de onsterfelijken hem zou zien, omdat zij hem in onwetendheid had voortgebracht. En zij noemde hem Jaldabaoth".

 

Een toornige en wraakzuchtige God

 

In het gnostische denken wordt deze Jaldabaoth gelijkgesteld met de toornige en wraakzuchtige God van het Oude Testament, de schepper van hemel en aarde en tenslotte van de mens. Jaldabaoth verkeert in volstrekte onwetendheid aangaande de Al-Vader van het Licht. In zijn duisternis ver­beeldt hij zich de hoogste instantie in de kosmos te zijn en schept (alleen maar door ze te denken) op dezelfde manier als de Al-Vader eonenparen en archonten, die weerspiegeld worden in de dierenriem en de zeven planeten, die boven de aarde en Tartaros, de onderwereld, staan.

De door Jaldabaoth geschapen mens is het materiële evenbeeld van de An­tropos, de Goddelijke Mens (Adam), die, geschapen naar het beeld van de Al-Vader, het prototype is van de aardse mens. De archonten (engelen der duisternis) zijn de gevangenbewaarders, die ervoor moeten zorgen, dat de aardse mens niet met de hemelse mens (die zij overigens niet kennen) verenigd kan worden. Maar de aardse mens heeft, volgens de gnostici, het vermogen om de hemelse mens in zichzelf te herkennen. Daardoor overstijgt de mens in zijn mogelijkheden de macht van Jaldabaoth en zijn archonten, die zich ten onrechte de heersers van hemel en aarde wanen.

 

Christus

 

Christus bestaat in dit systeem al. Hij zal later geboren worden in een aards lichaam als Jezus. Het "Geheime boek van Johannes" zegt hierover: "De onzichtbare Geest nu verheugde zich zeer over het Licht, dat ontstaan en als eerste verschenen was uit de eerste kracht, dat is zijn voorzienigheid, Barbelo. En hij zalfde hem met zijn goedheid, zodat hij volmaakt, zonder gebrek en Christus (gezalfde) is, omdat hij met de goedheid van de onzichtbare Geest was gezalfd. Hij (de Geest) stortte zich op hem uit en hij ontving de zalving door de maagdelijke Geest".

Christus gaat dus vooraf aan alle andere eonen. In die zin is hij ook in de bijbel de heerser over alle engelen. Christus is het eerste geschapen evenbeeld van God de Al-Vader, wiens Licht door middel van Christus meegaat in alle schepselen. Dat oorspronkelijke Licht woont in ons als de Goddelijke Lichtvonk, die wij moeten ontdekken en met behulp van de lessen van onze leermeester Jezus tot bewustzijn moeten brengen. Het is duidelijk, dat in het gnostische denken Maria de belichaming is van Barbelo, de goddelijke Voorzienigheid of Wijsheid. Als de goddelijke Wijsheid schonk zij in ongehoorzaamheid het lichaam aan Jaldabaoth, de maker van de materiële wereld. Als de Maagd Maria herstelt ze die fout, door in de materiële wereld het stoffelijke lichaam te schenken aan Christus, het eerste evenbeeld van God, in de gestalte van Jezus.

Het "Geheime Boek" verwoordt het aldus: "Toen de moeder echter inzag dat de misgeboorte der duisternis niet volmaakt was, omdat haar paargenoot niet met haar overeengestemd had, deed ze boete en weende hevig. En de broeders (haar mede-eonen in het Pleroma, dat de afbeelding is van Gods volheid) hoorden het gebed van haar boete en smeekten voor haar. De heilige onzichtbare Geest stond het toe. Nadat nu de onzichtbare Geest het toegestaan had, stortte hij een geest uit het Pleroma op haar uit; haar paar­genoot daalde tot haar af om haar tekortkomingen te herstellen".

Uit deze tekst blijkt, dat het baren uit onwetendheid van Jaldabaoth in de geestelijke wereld, zijn grote tegenhanger heeft in het baren van Jezus, de Eniggeboren Zoon, in de stoffelijke wereld. Zijn opdracht is de onwetende mensheid te begeleiden op haar moeilijke weg tot verlossing uit de duisternis door gnosis, op naar het eeuwige Licht.

 

Opwekken van de Lichtvonk

 

Christus woonde als de Lichtvonk in alle menselijke zielen. Jezus is geboren om hem op te wekken tot bewustzijnsgrond in alle mensen. Zijn leer is bedoeld als hulp om het verstand met de bewustzijnsgrond te verenigen. Alles in het leven draait om het verkrijgen van inzicht, van gnosis, in de ware identiteit van de mens. De moeder (Mater-materie) moet kennis krijgen omtrent de Vader en het werkterrein is de mens. Dat is de gnostische boodschap, die het grondmotief vormt voor elke wereldreligie. In het "Evangelie der Waarheid" wordt de Moeder Dwaling genoemd. "De Dwaling vervaardigde haar eigen materie in leegte zonder de Waarheid te kennen". Deze vrouw en wereldmoeder, de materie, heeft dus twee kanten: die van Duisternis en Licht. Wij kennen haar in de persoon van Maria van haar lichtzijde, als de moeder van alle levenden, als gids en helpster van alle zoekenden en lijdenden. Zij wijst de weg naar haar Zoon, die zonder concessies te doen, de boodschap van Licht aan de wereld brengt.

 

 

 

Bron: Waarheid achter Woorden – verborgen Bijbelse wijsheid – Johan M. Pameijer.

ISBN 90-73783-05-4

 

12. Vermaning van de ziel (citaat)

De geest is de vader van de ziel; het lichaam is de vrouw van de ziel. De ziel richt zich zowel naar de een als naar de ander. Het ene moment is zij gericht op de geest, zo­als een zoon gericht is op de vader. Dit is haar ware en ineigen wijze van handelen. Het andere moment is zij gericht op de lichamelijke werkingen, als een man die brandt in het verlangen naar de vrouw. Dit is een in­cidentele en voorbijgaande werking.

 

Zie hoe de vrouw haar man, als hij alleen met haar is, verwelkomt met spel en lach en lieve woorden en lief en vriendelijk met hem praat: maar wat ze in haar schild voert is iets geheel anders dan haar uiterlijke ver­toon. Haar bedoeling is in feite de man tot slaaf te maken, hem te gebruiken voor haar eigen doeleinden en hem in het gevaar te storten. Zij geeft hem honing te drinken, die echter met dodelijk gif vermengd is.

 

Zie hier tegenover hoe een vader, die met zijn zoon alleen is, strenge waarschuwingen en berispingen tot hem richt en hem hard toespreekt. Maar wat hij in ge­dachten heeft is iets geheel anders dan de uiterlijke schijn. Door zo te handelen is zijn enige doel dat zijn zoon er voordeel en profijt van zal hebben in alles wat het leven aangaat. Hij geeft zijn zoon een bittere drank te drinken die hem tegenstaat, maar waarin gezondheid, leven en een gelukkig einde gemengd zijn.

 

De lichamelijke natuur is uw vrouw, 0 ziel, de geest is uw vader. Een klap van uw vader is beter dan de kus van uw vrouw. Van uw vader kunt ge niet scheiden; de verwantschapsband tussen u en hem kan niet verbroken worden. Of ge van hem weggaat dan wel bij hem woont, of er een goede dan wel een slechte verstand­houding is, door alle omstandigheden heen is de ver­wantschap bindend. Een man kan van zijn vrouw scheiden. Dan is de band die hem met haar verbond verbroken. Hij kan echter niet zijn vader verwerpen en een andere vader aannemen. Als ge uw vader gehoor­zaamt, 0 ziel, zal leven en geluk uw deel zijn. Maar als ge uw vader - de geest - niet gehoorzaamt, maar wel uw vrouw - de lichamelijke natuur - zult ge onder­gaan in dood en ellende.

 

Bron:

HERMES TRISMEGISTOS - VERMANING VAN DE ZIEL

CRYSTALSERIE I  - 1993 - ROZEKRUIS PERS - HAARLEM - NEDERLAND

 

 

 

Teken mijn gastenboek

 


Stuur Fran een mailtje
 

Je kan om de twaalf uur een stem uitbrengen voor Spirituele Vrienden

 

Top 100 NL