Het supra-fysieke lichaam.

 

Hoofdstuk 3 uit het boek MEER DAN EEN LEVEN

door Joan Grant en Denys Kelsey.

 

Uitgeverij Ankh-Hermes BV Deventer - 1973 - ISBN 90202 48138

  

 

In de erkenning van de reïncarnatie ligt de wetenschap opgesloten dat de huidige persoonlijkheid niet alleen onsterfelijk is, maar één is uit een reeks persoonlijkheden. Minder algemeen echter wordt erkend dat het lichaam, behalve voor wat betreft zijn uiterlijke, driedimensionale schors, eveneens onsterfelijk is.

 

Het lichaam van ieder individu bezit een fysieke en een supra-fysieke component; en wanneer de energie-uitwisseling tussen deze twee componenten ophoudt te bestaan sterft het fysieke lichaam.

Maar het supra-fysieke lichaam sterft niet. Het kan niet sterven: om de simpele reden dat het bestaat uit een orde van materie die niet onderworpen is aan het proces dat wij ‘dood’ noemen, een proces tijdens hetwelk de door een energie-veld geïntegreerde fysieke deeltjes desintegreren omdat het energie-veld inactief is geworden.

 

Het grootste deel van de misvattingen omtrent de condities van het gediscarneerde, het niet-belichaamde leven, stamt uit de illusie dat de enige aspecten van de persoonlijkheid die onafhankelijk van het fysieke lichaam kunnen bestaan, die zijn welke te maken hebben met begrippen en emoties. Als dat zo was dan zouden de doden inderdaad amorf zijn, schepsels zonder passie of eigenschappen, maar gelukkig bestaan zulke verschijningen alleen in de verbeelding, of in Gotische vertellingen.

 

De ware stand van zaken is dat het supra-fysieke lichaam de ontvanger is van zintuiglijke ervaring op alle niveaus van activiteit, en wanneer het bevrijd is van de noodzaak te functioneren door middel van zijn fysieke tegenhanger,is het oneindig verder in zijn perceptie dan wanneer het omfloerst is door het vlees. De persoonlijkheid, of het fysieke lichaam nu toevallig dood is of levend, wakend of in slaap, bewust of onbewust, behoudt dus altijd zowel vorm als functie. De wetenschap dat we ‘lichamen aards en lichamen hemels’ bezitten is geenszins nieuw. Het was gemeengoed in meer verlichte beschavingen zoals het vroege dynastieke Egypte; het is daarom dat de Sfinx, het lichaam van een dier met een mensenhoofd, het tweevoudig aspect van de persoonlijkheid symboliserend, zo dikwijls werd afgebeeld in de Nijlvallei.

 

Het is omdat de dogmatici, die geen niet-stoffelijke realiteit konden aanvaarden, het supra-fysieke lichaam verwarden met het fysieke, dat de opvatting omtrent de wederopstanding van de stoffelijke deeltjes werd ingegrift in het christelijk erfgoed.

 

Hetzelfde rampzalige ongeloof heeft gemaakt dat de dood in onze moderne civilisatie zo’n groteske gedaante heeft aangenomen. Lijkbezorgers mogen wellicht hun voordeel doen met het overheersen van de necrofobie, maar honderdduizenden individuen lijden bovenmatig omdat hun fysieke lichamen door chemische en zelfs door mechanische middelen aan het kloppen worden gehouden terwijl ze klaarblijkelijk gereed zijn om te worden afgeschud, net zoals een slang zijn uitgediende huid afschudt.

 

Alsof het nog niet erg genoeg was aan de subtielere aspecten van het lichaam onsterfelijkheid te ontzeggen, werd er nog een verdere onwaardigheid aan toegevoegd – het lichaam werd uitgebeeld niet als de wezenlijke partnes maar als de vijand van andere elementen van de persoonlijkheid. Grote aantallen mensen, hoewel zij lippendienst bewezen aan een goddelijke schepping, werden slachtoffer van het idee dat zij hun lichaam behoorden te verloochenen en anderszins te achtervolgen. Dit is daarom zo’n bijzonder noodlottige praktijk omdat een lichaam dat gewend is geraakt aan het toebrengen van lijden aan zichzelf, niet al te kieskeurig zal zijn over het toebrengen van lijden aan lichamen van anderen.

 

Helaas worden deze noodlottige praktijken door vele, anderszins normale leden van de samenleving, nog respectabel geacht ook.

 

Rituele geseling of het dragen van een haren boetekleed zijn nu ongebruikelijke middelen tot zelfkwelling, maar mensen die verslaafd zijn aan dezelfde ongezonde houding van ‘kracht-door-lijden’ kunnen toch verwachten dat ze door de meerderheid van hun toeschouwers als heldhaftig worden gezien.

 

Het verloochenen van welk van onze vijf zintuigen ook, in plaats van te trachten deze te ontwikkelen en te trainen tot instrumenten waarmee we vreugde kunnen geven en ontvangen, is even onjuist gedacht als wanneer een musicus één van zijn handen zou afhakken in de mening dat hij dan beter piano zou kunnen spelen. Maar een boosaardig conditioneringsproces heeft vele mensen ertoe gebracht bewondering te voelen voor ieder die zichzelf met opzet het leven zuur maakt. De bokser bijvoorbeeld die straf op zich neemt tot hij één keer een hersenschudding teveel krijgt en geestelijk onvolwaardig wordt; de bergbeklimmer die doorklimt al loopt hij het risico door de bijtende vorst zijn vingers en tenen te verliezen; de fakir op zijn spijkerbed en de celibatair in zijn cel. Waarom bestaat er zo’n sterke tendens deze zelfopgelegde ellendes te beschouwen als een teken van verdienste?

 

De reden is eenvoudig, maar niet bepaald vleiend. Het is omdat haast iedereen vroeg of laat wel eens heeft toegegeven aan zo’n onbenullig misbruik van energie. Daarom vereist het een ingrijpende, en dikwijls zeer vernederende, herziening van onze denkbeelden., en een moedige mobilisatie van onze aangeboren eerlijkheid, om ons voor eens en voor altijd te realiseren dat er hoegenaamd geen deugd steekt in het zoeken van lijden.

 

Ik heb dit geleerd door persoonlijke ervaring. Er was bijvoorbeeld een gelegenheid dat ik mij zo weinig bekommerde om het overleven van mijn lichaam dat ik erop stond stem te geven aan wat ik geloofde, hoewel ik wist dat ik daarmee geen bres zou kunnen schieten in de muur van dogma waardoor de mensen uit die eeuw zich hadden laten insluiten. Dus werd ik levend verbrand: hetgeen een uitermate onplezierige manier is van vermoord worden. Maar toen berokkende ik tenminste niemand anders enig lijden; en de menigte vond het verbranden van een heks even prikkelend als een hedendaagse menigte een ongeval bij een autorace. Ik was echter niet altijd gelukkig genoeg om alleen mijzelf schade te doen. In de twaalfde eeuw bracht ik een mooi en gezond lichaam waar ik dol op was ertoe, zichzelf en anderen ernstig ongemak te bezorgen door het een wapenuitrusting te schenken en het te laten deelnemen, met evenzeer misleide manspersonen, aan een steekspel. Tenslotte stierf dat lichaam doordat het een ponjaard door zijn rechteroog gedreven kreeg… een episode die ik me nog te levendig herinner om me behaaglijk te voelen.

 

Ik denk dat datgene wat de herinnering zo duidelijk omlijnd houdt de geschokte verbazing is die ik voelde toen mijn vizier geopend werd en ik, in plaats van het glimlachend gezicht van mijn schildknaap, op het punt mijn harnas los te gespen en me op de been te helpen, het gezicht zag van de schildknaap van mijn overwonnen tegenstander die in een moment van wraakzuchtige woede doorging mij naar de andere wereld te helpen. Korte tijd later speten bepaalde dingen mij nog meer. Want in plaats dat ik geprezen werd omdat ik de wetten van de ridderschap in acht nam, werd mij verteld, bepaald zeer kortaf, dat ik veel dichter bij het gezegende patroon van de evolutie zou hebben geleefd als ik geluisterd had naar het advies van mijn zintuiglijke waarneming … die mij bezworen had thuis te blijven, mijn tuin en de liefde voor mijn vrouw te cultiveren.

 

Zelfs bij de mensen die zich volledig bewust zijn dat hun huidige persoonlijkheid er slechts één is uit een lange reeks, is het niet ongewoon op te merken dat zij hun vorige lichamen beschouwen als afgegooide kleren, gedragen voor de tijd van één leven en dan afgedankt. Als men hen vraagt naar een verklaring waarom sommige lichamen worden geboren met inherente gezondheid en schoonheid, en andere onvolwaardig, heeft het antwoord herhaaldelijk de strekking dat het lichaam óf wordt geschonken als een beloning óf als een straf. Maar ons lichaam wordt niet aan ons geschonken: het is ingewijd door een vroeger supra-fysiek van onszelf, hoewel dat niet noodzakelijk onze onmiddellijke voorganger in de reeks hoeft te zijn.

 

Het ruwe materiaal,dat door een supra-fysiek wordt beïnvloed wanneer dat supra-fysiek een nieuw fysiek lichaam organiseert, bestaat uit een bevrucht eitje en zijn genen. Een bevrucht eitje bezit zijn eigen energie, maar slechts voldoende om het twee of drie dagen in leven te houden, tenzij het wordt geadopteerd door een supra-fysiek. Als het supra-fysiek dit speciale ovum heeft overgenomen, na rijpe bezinning en door opzettelijke keuze, kan het een doeltreffende selectie maken uit de voorhanden genen. Het is in feite keuze en geen toeval, waardoor het ene kind veel gezonder en knapper van uiterlijk is dan broers of zusters uit hetzelfde gezin.

 

Het waakzame supra-fysiek zal ook de moeder zodanig beïnvloeden dat deze instinctief het soort voedsel verlangt dat het groeiend embryo nodig heeft. Als het embryo het te kwaad krijgt doordat de moeder teveel rookt of teveel martini’s drinkt zal het supra-fysiek haar wellicht treffen met een tegenzin daarin, en als dit middel faalt om het kwaad te verzachten kan het zijn toevlucht nemen door haar aanvallen van misselijkheid te bezorgen, totdat ze de wenk opvangt.

Maar als het supra-fysiek het eerste het beste bevruchte ovum neemt om maar weer gauw terug te komen in de fysieke omgeving, zal het waarschijnlijk zo’n ongeschikte keuze doen uit het beschikbare materiaal dat het lichaam dat hiervan het resultaat is veel minder bewonderenswaardig is dan het had kunnen zijn.

 

Het is het Integraal, de totale som van door de hele reeks persoonlijkheden verworven wijsheid, dat behoort te beslissen welk supra-fysiek het nieuwe lichaam, dat de fysieke component van de zich nieuw-incarnerende persoonlijkheid moet worden, organiseert.

 

Er zal een instinctieve weerklank bestaan tussen het supra-fysieke, dat is opgetreden als ‘ouder’ voor het foetus, en het incarnerend individu: daardoor komt het dat de fysieke bekwaamheden, verworven in één bepaald voorbestaan, gewoonlijk gemakkelijker beschikbaar zijn dan vermogens, verworven in een van de andere.

 

Het supra-fysiek dat door het Integraal is uitgezocht, zal haast altijd een foetus van de eigen sekse organiseren. Maar als een supra-fysiek dat is afgesplitst van zijn Integraal zich impulsief aan een bevrucht eitje hecht, kan het een foetus creëren van de tegengestelde sekse, doch slechts met gedeeltelijk succes; hetgeen de oorzaak vormt van bepaalde soorten seksuele anomalie. Een vrouw bijvoorbeeld die te lijden heeft gehad van vele ongewenste zwangerschappen, of die in doodsangst gestorven is na een abortus of in het kraambed, kan zichzelf op allerlei uiteenlopende manieren beschermen tegen een herhaling van zo’n martelende ondervinding.  Ze kan haar nieuwe lichaam onvruchtbaar maken; of, als ze besluit mannelijk te worden, kan ze het of impotent of steriel maken, opdat ze niet bij machte zal zijn andere mensen een soortgelijke misère te berokkenen. Ze kan besluiten immuun te blijven voor seksuele begeerten tenzij tegenover een lid van hetzelfde geslacht, of dit nu mannelijk of vrouwelijk is. Dit is een zeer veel voorkomende oorzaak voor homoseksualiteit, en als dit algemeen werd erkend zou dat niet alleen de handeling vergemakkelijken maar meer nog zou het verdriet, veroorzaakt door onwetende critici, vermeden worden.

 

Hoewel het fysieke lichaam kan worden aangedaan door ontelbare oorzaken van buitenaf, zoals genezing van infectie door antibiotica, of verlamming door het virus van kinderverlamming, wordt het supra-fysiek zelden aangedaan, behalve door oorzaken binnen de persoonlijkheid. Een man, doof geworden door het ontploffen van een bom, zou zijn gehoor kunnen behouden op alle andere niveaus van de realiteit. Maar een man die doof is geworden, liever dan het gezanik van zijn vrouw te moeten aanhoren, zou kunnen merken dat de perceptie van zijn supra-fysieke oren ook verminderd is. En hij kan onderhevig blijven aan dit zelfopgelegd onvermogen tot hij inziet dat hij, in plaats van zijn toevlucht te nemen tot het laffe middel van zichzelf doof maken, óf zijn vrouw had moeten beletten hem nog langer op de kop te zitten, óf haar in de steek had moeten laten.

 

Een dikwijls voorkomende oorzaak van beschadiging van het supra-fysieke lichaam is een opvatting die wordt gehuldigd door een andere component van de persoonlijkheid. Als het lichaam bijvoorbeeld, geleid door zijn aangeboren wijsheid, een ander lichaam afstotend vindt maar toch gedwongen wordt intieme contacten te verduren omdat zijn instincten worden overheerst door de valse ethiek, in ere gehouden door de rest van de persoonlijkheid, zullen er onvermijdelijk moeilijkheden ontstaan. Dit kan zich voordoen als een ziekte van de geest of van het lichaam, waarvan geen van beide waarschijnlijk zal worden verholpen als het individu zijn opvatting van ‘plicht’ niet wijzigt.

 

De plicht, die zo dikwijls het excuus vormt om iets te doen waarvan we weten dat het verkeerd is, maakt dat een schrikwekkend aantal mensen de seksuele omgang verdraagt als een vale routine, alleen omdat zij het etiket ‘man’ en ‘vrouw’ ophebben. Daarbij plegen ze onbewust ‘adultery’, overspel, want de oorspronkelijke betekenis van de Engelse term a-dul-tery was ‘seks zonder zoetheid’ – een verhelderend feit dat mij werd medegedeeld door één van de weinige echte priesters die ik in deze eeuw heb ontmoet en die ook een vermaard bijbelgeleerde was. Hij stierf kort voordat hij zou worden beroepen als bisschop van de Church of England; van zijn katheder placht hij met donderende stem uit te roepen: ‘Negenennegentig procent van de huwelijksontrouw heeft plaats in het huwelijksbed’.

 

Als een celibatair met voldoende vuur bidt voor de ‘gave der kuisheid’ kan hij zijn supra-fysiek impotent maken. Tenzij hij zijn fout heeft ingezien voor hij stierf, of tijdens zijn ont-lichaamde periode vraagt om te worden verlost van zijn onvermogen, is het waarschijnlijk dat een later lichaam te lijden zal hebben van deze disfunctie.

 

Helaas merken mensen, die hebben gebeden voor iets waarvan zij later inzien dat dit nu net hetgeen is wat zij het minst van alles wensen, dikwijls dat valse trots hen verhindert om genezing te vragen.

Hoe goedbedoelend en doeltreffend een genezer ook mag zijn, en op welk niveau van bewustzijn hij ook te werk mag gaan, een genezing kan niet plaatshebben zonder de medewerking van de patiënt. Tenslotte raakt zelfs de koppigste wil voldoende van zijn stuk om hulp te vragen, zelfs al kan dit meebrengen dat men ruiterlijk moet toegeven dat het slechts blinde gehoorzaamheid aan dogma of terreur of taboe was die maakte dat men een groot deel van zijn tijd en zijn energie heeft verspild.

 

Vele schijnbaar irrationele angsten hebben hun oorsprong in de een of andere pijnlijke episode, ondergaan door een vroeger supra-fysiek, die het huidige lichaam vastbesloten is niet te herhalen. Een banaal voorbeeld van dit mechanisme maakte dat ik niet in staat was te leren duiken. Ondanks de hartstochtelijke vastbeslotenheid mijn onvermogen te overwinnen dat me dwong schichtig van het trapje het water van het zwembad in te lopen, terwijl andere jonge vrouwen zich op de duikplank elegant in evenwicht hielden, gooide ik onveranderlijk mijn hoofd achterover voor het het water raakte. Ik viel ontelbare keren plat op mijn buik voor ik tenslotte wel moest aanvaarden dat ik niet wist hoe mijn lichaam te beletten te resoneren op een vroeger lichaam dat bij een ongeluk zijn nek had gebroken op een onder water verborgen stuk rots.

 

Enkele jaren geleden trachtte ik over mijn doodsangst voor slangen heen te komen door Charles ertoe te krijgen een hazelworm te vangen, zodat ik mezelf aan zo’n dier kon wennen. Nadat ik deze proefneming had georganiseerd was ik vol vertrouwen dat ik door kon zetten, vooral daar ik wist dat het reptiel volkomen onschadelijk was. Ik was mij niet bewust van enige angst, eigenlijk was ik ietwat verbaasd dat ik had besloten te oefenen op een hazelworm in plaats van te beginnen met een echte slang.

 

Ik kan me het incident zo levendig voor de geest halen dat ik haast mijn hand nog kan zien die zich uitstrekt om de kleine hazelworm, die zich zo vol vertrouwen in Charles’ handpalm heeft genesteld, op te pakken. Dan stopt mijn hand midden in de lucht, de vingers uitgespreid alsof ze tegen een glasplaat drukken. Ik besteedde bijna een uur aan de poging die hazelworm aan te raken; ik voelde mijzelf steeds meer voor gek staan en werd hoe langer hoe bozer op mijzelf. Maar ik kon mijn hand niet dwingen er dichterbij te komen dan 15 centimeter. Mijn intellect wist dat ik geen gevaar liep; maar mijn lichaam, resonerend op in vroegere supra-fysieken opgedane ervaring, wist dat martelende pijn het gevolg was van een slangenbeet.

 

Ik weet zeker dat de angst voor slangen alleen maar zo algemeen is omdat de meeste onder ons onplezierige ontmoetingen hebben gehad, in onze over vele levens zich uitstrekkende geschiedenis, met deze wijdverspreide diersoort. Maar aangezien ik toentertijd van mening was dat de latente energie van het normaal waakbewustzijn zou worden verdund als men enig soort van onplezierige herinnering in dit bewustzijn toeliet, begaf ik mij in de herinnering aan drie slangenbeet-episoden, waarvan twee een vroegtijdige dood tot gevolg hadden gehad. Waren deze episoden uitgelopen op een afsplitsing van een deel van de persoonlijkheid dan zou het herinneren welhaast zeker een therapeutische uitwerking hebben gehad. Aangezien deze episoden echter reeds lang geïntegreerd waren maakte het tijdelijk binnen mijn bewustzijn brengen de zaken alleen maar erger, en ik won niets bij deze poging, behalve weer een voorbeeld van de beroepsrisico’s van de veraf-herinnering.

 

De in vele supra-fysieken opgeslagen herinnering waarschuwt het huidige lichaam niet alleen tegen het herhalen van een handeling die rampzalig is gebleken, maar tracht het ook te beschermen tegen lijden vanwege door het intellect aan het lichaam gestelde eisen. Als mijn lichaam bijvoorbeeld stijf wordt door te lang over een schrijfmachine gebogen te zitten, zou het, als het maar even de kans kreeg, instinctief opstaan en zich uitrekken. Doch al te dikwijls weigert mijn intellect, in beslag genomen door de poging een denkbeeld tot uiting te brengen, te letten op de verstandige suggestie van mijn lichaam die beleefd onder de aandacht wordt gebracht als een fluistering van mild onbehagen. Wordt dit verzoek blijvend genegeerd dan zal het lichaam zijn behoeften heviger aankondigen, als pijn. Daarom is het belangrijk gewaar te zijn van het eigen lichaam in plaats van zijn advies ijverig te negeren: een onderwerp dat meer in detail wordt besproken in het hoofdstuk over het cultiveren van het instinct.

 

De erkenning dat pijn allereerst een waarschuwing is, en een roep om hulp, door het supra-fysieke lichaam overgebracht naar andere componenten van de persoonlijkheid, kan in verschillende vormen van pijnverminderende technieken praktisch worden toegepast. Een van deze technieken begon ik te gebruiken toen ik begin twintig was, hoewel ik de ratio van het proces nog niet had uitgewerkt en louter handelde volgens mijn instinct.

 

Een kennis vertelde me dat ze een zware maagoperatie moest ondergaan om een massief groeisel dat voor kwaadaardig werd aangezien te verwijderen. Ze wilde dat ik bij haar was voor ze naar de operatiekamer ging en als ze bijkwam uit de narcose, omdat ze het gevoel had dat ik haar wel eerlijk zou zeggen of ze een kans had op echt herstel, of dat ze haar lichaam zo soepel mogelijk moest opgeven. Ze was bang om onder narcose te gaan, iets dat ze slecht verdroeg. Voorheen had ze te lijden gehad van langdurig braken waardoor de wond na een blindedarmoperatie was opengebarsten.

 

Ik was bij haar toen de zuster haar Avertin gaf en ze dreef de bewusteloosheid in alsof het een natuurlijke slaap was, een volkomen normaal gebeuren. De operatie duurde twee uren en de uitslag was veel beter dan iemand van ons had verwacht: want het groeisel was een tumor die bijna vier pond woog, maar vrij van enig spoor van kwaadaardigheid.

 

Toen ze werd teruggebracht naar haar eigen kamer waar ik zat te wachten, was ze natuurlijk nog diep bewusteloos: en de zuster drong er bij mij op aan dat ik zou gaan lunchen aangezien de patiënte niet voor over drie of vier uren zou bijkomen. Ik stond op het punt dat te doen toen ik een ingeving kreeg dat ik bij haar moest blijven en dat niemand anders in de kamer mocht zijn. Voor ik deze privacy kon verkrijgen moest ik zowel de chirurg als de dokter vragen tegen de hoofdzuster te zeggen dat ik het met hun volle goedkeuring deed.

 

Wederom meer handelend volgens een ingeving dan volgens enige logica, trok ik een stoel bij het bed zodat ik gemakkelijker ontspannen kon blijven zitten, met mijn hand op haar voorhoofd. Toen begon ik haar te vertellen, langzaam en duidelijk sprekend, wat er precies aan haar lichaam was gedaan … de chirurg was zo vriendelijk geweest mij de procedure die hij had gevolgd in detail te vertellen. Ik wist dat ze zich niet bewust was van het geluid van mijn stem, maar de woorden werkten als een draaggolf die het gemakkelijker maakte haar supra-fysiek te be-indrukken met de informatie die ik trachtte over te brengen.

 

Nadat ik er de nadruk op had gelegd dat ze niet langer enige angst voor kanker hoefde te hebben beschreef ik de spierlagen die uit elkaar waren gehaald, en de verschillende andere weefsels die waren ingesneden en dan tijdens de loop van de operatie gehecht, zodat ze precies wist waarheen de energie te richten die het helen zou versnellen. Ik legde uit dat de waarschuwing die naar haar bewustzijn was uitgezonden in de vorm van pijn opgevolgd was, en dat daarom de pijn niet langer enig nut had. Toen zei ik tegen haar dat ze, in plaats van de narcose te zien als een vijand die haar uit haar lichaam had gedreven, deze moest aanvaarden als een zegenrijk hulpmiddel dat haar ervoor had behoed de pijn van de chirurgie te voelen. Daarom zou ze, in plaats van te proberen door braken de overblijfselen van de narcose kwijt te raken, deze gebruiken als een pijnstiller die haar verdoving zou rekken en doen overgaan in een staat van natuurlijke slaap.

 

Om de twee of drie minuten herhaalde ik de voorstelling: verdere ervaring met postoperatieve patiënten heeft bewezen dat dit onnodig is tenzij de patiënt bijzonder onontvankelijk is.

Tijdens een periode van vier uren bewoog ze nauwelijks: op zich een uitmuntend teken, want vóór de ontwikkeling van moderne verbeteringen in de anesthesie ging een bewusteloze patiënt dikwijls hevig tekeer waarbij de hechtingen gevaar liepen, en soms moest hij worden tegengehouden om niet uit bed te vallen. Ze werd lang genoeg wakker om te zeggen: ‘Het was idioot van me te denken dat het kanker had kunnen zijn … ik heb helemaal geen neiging om over te geven … ik ga dus weer slapen.’

 

Ze sliep rustig de hele nacht door: en zelfs op de eerste dag na de operatie voelde ze zo weinig ongemak dat dit gemakkelijk onder controle werd gehouden met aspirine in plaats van met morfine. Haar wond genas zo snel dat ze al binnen een week naar mijn huis mocht voor verder herstel.

 

Een voorbeeld van een andere techniek door middel waarvan op een supra-fysiek gerichte energie inwerking kan hebben op het fysieke lichaam werd verschaft door een man van drieëntwintig die op Trelydan kwam. Ik had een advertentie gezet voor een huisonderwijzer, en onder de antwoorden was een brief van de aalmoezenier van de legereenheid voor plastische chirurgie in East Grinstead; daarin stond dat ze een patiënt hadden die reed verscheidene operaties had ondergaan maar nog steeds leed aan osteomylitis van het rechter scheenbeen waardoor tenslotte de amputatie van zijn voet noodzakelijk zou zijn. Voor deze echter naar behoren kon worden verricht leek het raadzaam dat hij minstens drie maanden vakantie zou houden om weer op krachten te komen; een kalme omgeving waar hij goed voedsel en frisse lucht kon krijgen zou hem goeddoen. Hij had minimale verpleegzorg nodig: zijn verband zou om de andere dag door een praktiserend geneesheer moeten worden verwisseld, maar dat kon worden gedaan bij de dokter aan huis. Zijn papieren met medische gegevens werden naar  onze plaatselijke dokter gezonden, die tegen me zei dat het nutteloos zou zijn te proberen meer voor de jongen te doen dan hem goed voeden en hem opgewekt houden: want in die dagen, vóór de penicilline, was osteomylitis niet te behandelen. De dag nadat de jongen was aangekomen nam ik hem mee naar de avondkliniek, van plan om te zien hoe de wond werd verbonden zodat ik kon leren hoe dat zelf te doen. Maar het zien van ellenlang, van pus doordrenkt, stinkend verband dat werd afgetrokken van een gat in het been dat centimeters diep was gaf me zo’n wee gevoel dat ik er maar net in slaagde het vertrek uit te komen zonder dat de dokter of de patiënt besefte hoezeer ik tekortschoot.

 

De jongen was moe toen we thuiskwamen en besloot in bed te eten. Graag nam hij mijn voorstel aan om hem in en uit het bad te helpen, en hij vertelde de geschiedenis van ieder van zijn vele littekens die hij volkomen objectief beschouwde als een soort oorlogsdagboek. Hij had zijn verwondingen allemaal opgedaan op de eerste dag van de actieve strijd en een hele nacht had hij in de woestijn gelegen voor hij werd opgepikt. Hij was getroffen door zeven verschillende kogels. De ene had een nier geraakt, de andere een long, nog twee waren door zijn schouderblad gegaan; de laatste drie verwondingen waren betrekkelijk oppervlakkig geweest, met inbegrip van die welke het scheenbeen net boven de enkel had versplinterd. Van al de grote en van twee van de kleine wonden was hij verrassend snel genezen met heel weinig infectie. Maar het scheenbeen was ernstig geïnfecteerd geraakt en daardoor lag hij al maanden langer in het ziekenhuis dan was voorzien.

 

Nadat ik het dienblad had weggehaald en hem gezellig bezig zag met een boek, voegde ik mij bij Charles en bij Bill Kennedy, een goede vriend van Jung, die zich van de overige mensen in huis hadden teruggetrokken in mijn studeerkamer om te genieten van de laatste fles echt goede port. Ik kan me niet herinneren waarover we aan het praten waren, behalve dat het niet te maken had met de jongen of met zijn been, toen ik plotseling uitriep: ‘Een minuut lang niet praten … ik ben van niveau verschoven.’ [1][1]

 

Ik vond mijzelf terug, kijkend naar een meer dan levensgroot kruisbeeld, uit hout gesneden en levendig gekleurd, de wonden als druipend van vers bloed. Ervoor knielend, zijn ogen gevestigd op de door de voeten gedreven spijker, lag een jonge monnik van wie ik wist dat hij een voorafgaande persoonlijkheid was van de jongen die boven in de slaapkamer lag te lezen. Ik wist dat de jonge monnik aan het bidden was om een teken van genade te ontvangen in de vorm van stigmata – maar omdat hij bang was te weinig nederig te schijnen vroeg hij dat dit teken niet zou verschijnen op zijn handen of op zijn voorhoofd maar op zijn voeten.

 

Mijn niveauverschuiving duurde slechts enkele minuten, maar toen ik terugkeerde naar het normale waakbewustzijn besefte ik dat de wond in de enkel van de jongen precies samenviel met de door de buitenkant van de voet gedreven spijker van de gedaante aan dat martelend realistisch crucifix. Datum en andere omstandigheden bleven vaag, maar ik meende dat de monnik een Spanjaard was, gestorven zonder absolutie te hebben verkregen, misschien in de achttiende eeuw tijdens een missie naar Zuid-Amerika.

 

Ik wist, met die innerlijke zekerheid die veel meer geldigheid heeft dan logisch redeneren, dat het supra-fysiek van de monnik zijn energie alleen zou vrijgeven, en daarmee zijn capaciteit om in te werken op het lichaam van de jongen, als hem een symbool van absolutie werd geschonken dat hij zou herkennen. Hij eiste de vrijheid, verleend door een op de juiste wijze gewijd sacrament. Dus, terwijl ik een glas port nam en een biscuitje, hield ik daar mijn handen overheen en bad zeer intens dat ik het voertuig mocht zijn voor de noodzakelijke zegening.

 

Ik had al ontdekt dat de jongen hoegenaamd geen belangstelling had voor reïncarnatie of enig aanverwant onderwerp. Hij was opgevoed in een zeer puriteins gezin, waardoor hij een afkeer had van iedere vorm van religie. En het had hem kennelijk opgelucht toen hij vernam dat niemand van ons ter kerke ging. Dus bracht ik hem iets dat een volkomen wereldlijk glas port met een biscuitje leek te zijn.

 

Achtenveertig uur later bracht ik hem weer weg om zijn verband te laten verwisselen. De dokter zei naderhand tegen mij dat hij nauwelijks zijn ogen of neus kon geloven toen hij een volmaakt schoon, droog windsel van de wond aftrok, en zag dat daar in de diepten reeds gezond weefsel aanwezig was. Er kwam geen herhaling van de infectie; evenmin leed de jongen nog enige pijn aan zijn been.

 

De beschadiging aan het bot was echter zo uitgebreid dat het te breekbaar bleef om zijn gewicht gelijkmatig te dragen. Twee jaar later kwam hij tot de slotsom dat hij beter zou lopen met een kunstvoet. Dus liet hij de voet alsnog amputeren, en na deze operatie genas hij zonder speciale bijzonderheden.

 

Een ander geval waarbij een vroegere super-fysiek last veroorzaakte betrof een psychiater, Alec Kerr-Clarkson. Hij kwam eerst naar Trelydan omdat hij voor de mogelijkheid van reïncarnatie een aarzelende belangstelling had verkregen, door materiaal dat hij had opgedaan bij zijn patiënten die hypno-analyse ondergingen. Daaropvolgend had hij twee of drie van mijn boeken gelezen en dacht dat ik wellicht een interessant subject kon zijn voor verder onderzoek.

 

Hij stond op het punt het huis te verlaten om de nachttrein terug naar het noorden van Engeland te pakken, na een door ons allen gewaardeerd weekend waarin echter niets bijzonders was voorgevallen, toen Charles hem een koppel fazanten gaf. Aangezien de rantsoenering toen op zijn allerstrengst was, vormden fazanten gewoonlijk een zeer welkome gift, zodat we alle twee verrast waren toen Alec, in plaats van de bij de nek met een touwtje aan elkaar gebonden vogels aan te pakken, er uitermate verlegen uitzag en, terugdeinzend, vroeg om de vogels stevig in een pak te wikkelen. Charles, zich afvragend wat er aan de hand kon zijn, legde uit dat de vogels beter onverpakt getransporteerd konden worden; waarop Alec uitriep: ‘Maar ik kan geen veren aanraken!’

 

Nauwelijks kwamen de woorden van zijn lippen of ik hoorde mijzelf met nadruk zeggen: ‘De oorzaak dat je geen veren kunt aanraken is dat je een dood had die veel overeenkomsten vertoonde met één van de mijne. Je werd tussen de doden achtergelaten op een slagveld … ik weet niet waar of wanneer … maar de bodem is kaal, bleek zand en rotsgesteente, grijs. Gieren slaan je gade … zes gieren. Je bent heel ernstig gewond, maar je kunt je armen nog bewegen. Iedere keer dat je beweegt huppen de gieren een beetje verder weg. Maar dan komen ze weer dichterbij springen … Nu zijn ze zo dicht bij dat je ze kunt ruiken … ze beginnen aan je vlees te rukken… ‘

Op dit punt onderbrak Charles me; want Alec was duidelijk van zijn stuk gebracht. Hij was in elkaar gezakt op de sofa en zweette overvloedig. Hij was duidelijk helemaal niet in conditie om te reizen en aanvaardde dankbaar ons voorstel dat hij minstens tot de volgende dag zou blijven. Hij ging naar boeven, naar zijn kamer, maar al gauw riep hij me.

 

Hoewel hij zijn hevige rillingen had proberen te stoppen door een heet bad te nemen en naar bed was gegaan, verkeerde hij nog in de greep van een spontane herinnering. Hij bezwoer me de gieren weg te jagen, en zwaaide zijn arm alsof hij nog kon zien hoe ze onontkoombaar op hem toe hupten … ‘Waarom lieten ze me in de steek om alleen te sterven … waarom? … waarom? Elke andere man had een vriend om hem de strot af te snijden … waarom hebben ze mij verraden … mij?’ Zijn doodsangst had nu plaatsgemaakt voor een stijgende, verontwaardigde woede.

 

Plotseling besefte ik dat het deze emotie was die maakte dat hij gebonden bleef aan zijn dood door de gieren. Hij voelde dat hij niet alleen een afgrijselijke dood had ondergaan, maar hij onderging ook het verraad van zijn kameraden die hem in de steek hadden gelaten om alleen op het slagveld te sterven. Ik had dit eerder moeten beseffen, want ik wist maar al te goed dat het de plicht was van de onmiddellijke superieur van de wapenbroeder om diegenen die ernstig gewond waren liever te doden dan hen langzaam te laten sterven… zo’n coup de grâce verleende zelfs een vorm van absolutie als er geen priester beschikbaar was om die absolutie te geven.

 

Het grootste deel van die nacht bracht ik door, zittend aan zijn bed, terwijl hij afwisselend huiverde en zweette alsof hij leed aan een aanval van malaria. Maar tenslotte was ik in staat de man die hij geweest was te doen beseffen dat hij niet opzettelijk in de steek was gelaten, en met oneindige opluchting zei hij: ‘Ze moeten gedacht hebben dat ik dood was … ik ben helemaal niet boos meer … ik heb geen reden hen te haten omdat ze me lieten doodgaan tussen de doden …’ Toen was hij Alec en niemand anders en hij viel rustig in slaap.

 

Hij sliep kalm tot de volgende middag, om verfrist en vrij van symptomen te ontwaken. Pas later die dag vertelde hij mij dat hij van kinds af een fobie voor veren had gehad. Hij had dit zo verwarrend gevonden, vooral als zijn kinderen hem plaagden omdat hij niet eens in staat was vogeltjes te redden die verstrikt waren geraakt in de netten die over de aardbeiplanten waren gespannen, dat hij hulp had gezocht bij verscheidene collega’s, wie het even weinig lukte hem te genezen als het hem gelukt was om zichzelf te genezen.

 

Toen hij vertrok om de nachttrein te pakken droeg hij de fazanten aan hun nek. In zijn bedankbrief schreef hij me: ‘Ik hoop dat geen van mijn medepassagiers wist dat ik psychiater ben want ze zouden voor een lid van mijn professie mijn gedrag uiterst vreemd hebben gevonden. Ik kon de verleiding niet weerstaan de fazanten van het rek af te halen en ze te strelen … want ik was zo verrukt om mijzelf te kunnen tonen dat ik nu echt geniet van het aanraken van veren!’

 

Hoewel het fysieke lichaam geen realiteit bezit behalve die in het onmiddellijk tegenwoordige, want de versie van vandaag heeft die van gisteren vervangen – die daarom heeft opgehouden te bestaan – gaat deze wet niet op voor vroegere versies van zijn supra-fysieke component. Want deze supra-fysieke componenten, immuun zijnde voor de processen van de dood, kunnen een onafhankelijke identiteit handhaven zolang de persoonlijkheid hen van voldoende energie voorziet. In de praktijk komt het niet dikwijls voor dat men een individu aantreft waarin niet verscheidene supra-fysieken co-existeren.

 

Multiple supra-fysieken kunnen een waardevol element vormen voor de persoonlijkheid, aangezien ze deze niet alleen een ruimer veld van activiteit verschaffen maar ook de identificering met mensen uit verschillende leeftijdsgroepen vergemakkelijken. Zij maken het de persoonlijkheid mogelijk zich niet alleen het zintuiglijke bewustzijn dat hun fysieke lichaam in een vorige fase van zijn existentie registreerde te herinneren, maar deze ook in het heden te ervaren. Verreweg de beste manier om met kinderen te communiceren ligt in het gebruikmaken van het supra-fysiek dat men in de eigen kindertijd heeft ontwikkeld: want behalve in strikt driedimensionale zin zijn de gevoelens weer als van een kind, en niet als van een volwassene.

 

Een ruimere toepassing van hetzelfde mechanisme treedt op als men tevens gebruik maakt van de supra-fysieken die horen bij vorige persoonlijkheden. Dit maakt het veel gemakkelijker zich te identificeren met mensen die ouder zijn, of van een ras waartoe men niet langer behoort, of van het andere geslacht. Als deze supra-fysieken, wanneer ze niet in gebruik zijn, alleen de energie bewaren die vereist is om hun identiteit te handhaven, zijn ze vergelijkbaar met een kast vol kleren die klaarhangen voor iedere geschikte gelegenheid. Maar als één daarvan een overmatige hoeveelheid energie bevat die hij niet kan, of niet wil, ontladen, kan deze energie moeilijkheden veroorzaken voor de rest van de huidige persoonlijkheid; of voor een latere in dezelfde reeks.

 

Als het lichaam van een volwassene zijn bewegingsopdrachten ontvangt van een tijdens de kindertijd gevormd supra-fysiek kan de discrepantie in de relatieve grootte van deze twee componenten het individu vatbaar maken voor ongelukken. In plaats van soepel samen te bewegen, zoals een goed bij elkaar passend stel harddravers, voelen ze zich net zo weinig op hun gemak als een Percheron, samen ingespannen met een Shetlandpony.

 

Ik had dit intuïtief onderkend bij verscheidene gelegenheden, jaren voor het begrip van het supra-fysieke lichaam vorm begon aan te nemen en mijn therapie, gebaseerd op deze intuïtie, succesvol bleek te zijn. De eerste keer dat ik hiervan gebruik maakte was bij een jongen van zestien die pathologisch onhandig was. Als hij in bomen klom schatte hij de afstand tussen de ene tak en de andere gewoonlijk verkeerd, of vertrouwde hij op een te zwakke tak die zijn gewicht wel zou kunnen dragen. Hij viel van zijn fiets, botste tegen het meubilair, bolderde de trap af, en het gekletter van brekende borden was een betrouwbaar teken dat hij hielp met afwassen.

 

Ik nam hem mee naar huis uit de kliniek, waar hij het aanbrengen van zes hechtingen in zijn kapotte knie met zijn gebruikelijke stoïcisme had verdragen, toen ik een plotselinge ingeving kreeg omtrent de oorzaak van zijn moeilijkheden. Zolang hun kinderen klein waren betoonden zijn ouders demonstratief hun genegenheid, maar op het moment dat ze oud genoeg waren om naar kostschool te gaan op zevenjarige leeftijd, werd van hen verwacht dat ze zich gedroegen als een man. In hun termen betekende als een man niet alleen dat ze lichamelijk flink waren, maar ook dat ze als vanzelfsprekend afstand deden van het warme fysieke contact dat zo’n vitale factor vormt in het uitdrukken en ontvangen van genegenheid.

 

Na het eten die avond lag hij op de sofa in mijn studeerkamer, en onder het mom van hem raad te vragen, begon ik aan het verhaal van een imaginaire kolonel. De symptomen van de kolonel werden gezien als het resultaat van het feit dat hij zich hield aan de traditie van het uitgestreken gezicht, hetgeen ertoe had geleid dat hij niet in staat was uiting te geven aan zijn gevoelens. Tegen de tijd dat mijn verhaal eindigde was er weinig over van de heroïsche figuur, behalve de lintjes op zijn oorlogstenue. Er werd aangetoond dat hij minder een man was dan wel een marionet, en hij leek alleen maar zo dapper omdat zijn verbeelding dusdanig verdord was dat hij niet kon geloven dat een kogel hem zou treffen. Aangezien de jongen de eerste pijnen meemaakte van een liefdesgeschiedenis, voorzag ik de kolonel van een vrouw die mij toevertrouwd had dat haar man niet alleen in publiek spookachtig vervelend was, maar in bed zelfs nog vervelender.

 

Toen ik was uitgepraat wierp de jongen plotseling zijn armen om me heen en snikte. Maar zijn tranen waren tranen van opluchting – bij het besef dat er absoluut niets infantiels stak in beminnenswaard zijn en in het verlangen bemind te worden.

 

Zijn onhandigheid was te wijten geweest aan zijn pogen de periode dat je je met goed fatsoen kon laten knuffelen, voort te zetten. Het moment dat hij erkende dat je gevoelloos voordoen niet alleen averechts werkte maar ronduit ongezond was, kwam zijn energie vrij om zijn huidige supra-fysiek in te stromen, met het resultaat dat zijn coördinatie met snelle schreden vooruitging. Hij bewees dit de volgende ochtend door een verzameling breekbaar antiek glas af te wassen zonder dat er ook maar een scherf afging. En het volgend seizoen op school openbaarde hij een ongewone gave voor cricket en andere behendigheidssporten. Maar wat hem veel meer plezier deed was de ontdekking dat hij heel goed kon dansen, in plaats van zijn vriendinnetjes van zich te vervreemden door altijd op hun tenen te trappen.

 

Een overeenkomstig mechanisme was aan het werk in een andere patiënt. Deze was buitengewoon groot, maar ondanks het feit dat hij vele keren zijn hoofd had gestoten aan te lage deurposten en zelfs als hij zijn eigen auto instapte, en dat hard genoeg om een ernstige

hersenschudding te veroorzaken, kwam op zijn minst één pijnlijke stoot dagelijks voor.

 

Ik werkte met zalven en sympathie, tot hij plotseling van mij een bruuskere vorm van therapie te verwerken kreeg … niet mijn verdienste, aangezien deze werd geïnspireerd door louter ergernis. Hij had aangeboden een dienblaadje met eten voor een kind naar boven te brengen, en enkele minuten later hoorde ik een gekletter, gevolgd door een niets goeds voorspellende bons die me de trap opjoeg. Hij had zijn hoofd gestoten aan een lage blak en zichzelf knock-out gemaakt. Eerst dacht ik dat hij een schedelbasisfractuur had want zijn hoofd zag eruit als een bloederige massa, hetgeen voornamelijk tomatensoep bleek te zijn.

 

Aangezien ik in het huis de enige andere volwassene was sleepte ik hem centimeter voor centimeter de gang over en sjorde hem in zijn bed. Hij bleef bewusteloos terwijl ik aardewerkscherven uit zijn gezicht haalde, pleisters aanbracht en hem helemaal schoonmaakte. Op dit punt opende hij de ogen en zei gemelijk, ‘Ik wou dat je zo verstandig was niet in een huis te wonen dat ontworpen is voor dwergen.’

 

Variaties op deze klacht had ik net éénmaal te veel gehoord. ‘Het is niet ontworpen voor reuzen die doen of ze dwergen zijn!’ gaf ik terug. ‘Hoeveel keer moet je nog een lastpost van jezelf maken, voor je het feit aanvaardt dat je zes voet lang bent, en geen vijf voet!’

‘Ik ben helemaal niet lang!’ zei hij verontwaardigd. Toen voegde hij er langzamer aan toe: ‘Tenminste, ik voel me niet groot … ik denk dat ik me zo groot voel als toen ik een jongen van veertien was.’

 

Het kostte twee of drie weken om erachter te komen waarom zijn lichaamsbeeld was blijven vastzitten aan dit tijdperk in zijn leven, maar toen we zover waren voelde hij zijn ware grootte en bukte dus automatisch.

 

Hoewel een ‘vastzittend’ of een buiten proporties uitgegroeid supra-fysiek veel last kan bezorgen, een supra-fysiek dat vrij en doelmatig werkt kan, naast andere voordelen, een uiterst nuttig middel verschaffen om de fysieke component een of andere bekwaamheid bij te brengen. Dit ontdekte ik toen ik, zestien jaar oud, de pezen scheurde van mijn linkervoet. De prognose was somber, en ik was zeer neerslachtig toen ik afluisterde hoe een dokter tegen mijn moeder zei dat ik nooit meer in staat zou zijn om te dansen of te tennissen, hoewel ik eventueel wel goed genoeg zou kunnen lopen om golf te spelen.

 

Dit scheen een erg schrale troost, aangezien ik na een half dozijn lessen zo’n minimale aanleg had getoond dat de golfinstructeur had verklaard het een verspilling van tijd en van mijn vaders geld te achten om me nog verder les te geven.

 

Na een week of zestien van liggen op sofa’s of de tuin rond geduwd worden in een oude rolstoel, met daarbij nog de ellende dat ik niet kon pianospelen aangezien ik in mijn armen een tijdelijke verlamming had ontwikkeld vanwege het gebruik van krukken, besloot ik dat ik zou proberen mezelf golf te leren spelen door het oefenen in mijn supra-fysiek – waaraan ik in die dagen nog dacht als aan mijn ‘bovenverdiepinglichaam’. Met het geduld van een kunstjesvertonende zeehond die leert op zijn neus een bal te balanceren leerde ik iedere spier zijn rol in het spel te spelen. Steeds weer verbeeldde ik mij hoe ik speelde rond de links, die ik mij voor ogen kon brengen, aangezien ik dikwijls had rondgewandeld met diegenen onder mijn vrienden die geestdriftige golfspelers waren. Twee maanden lang, zowel in wakende als in slaaptoestand, oefende ik ijverig golf. Nu hoefde ik alleen maar te bewijzen dat ik de voorstelling kon herhalen op het driedimensionale peil van activiteit.

 

Gelukkig werden de Hampshire County kampioenschappen dat jaar op Hayling Island gespeeld. Vier dagen voor de meeting werden de pleisters van mijn voeten gehaald. Ik kreeg van een vriend gedaan dat hij mijn naam opgaf voor ieder onderdeel, en ik verkreeg moeders toestemming om naar het clubhuis te gaan, onder voorwendsel dat ik ze wilde gadeslaan als ze van start gingen.

Toen ik naar de eerste afslagplaats liep vertrouwde een deel van mijn geest erop dat mijn lichaam de instructies van mijn supra-fysiek zou gehoorzamen, en het andere deel was doodsbang dat, als ik de club zwaaide, ik de bal volkomen zou missen, of zelfs dat ik zou vallen als mijn linkerbeen onder mij in elkaar zakte. Misschien omdat ik wist dat ik, als ik de bal de zandduinen in zou moeten volgen, het zou afleggen bij het zware lopen en niet in staat zou zijn in en uit de zware bunkers te klimmen, hield ik de bal zorgvuldig op de netjes verzorgde baan. Jarenlang daarna bewaarde vader in zijn portefeuille een knipsel uit de nationale krant: ‘Meisje Golf Wonder! Zestien jaar oude speelster sleept vijf medailles in de wacht tijdens de Hampshire County Kampioenschappen!’

 

Dit is één van de redenen waarom ik weet dat het uiterst belangrijk is zich het supra-fysiek in te denken als verkerend in een toestand van gezondheid en doelmatigheid, zelfs wanneer de fysieke tegenhanger lijdend is aan de gevolgen van ziekte, verwonding of leeftijd. Want het supra-fysiek zou een zeer zegenrijk effect moeten hebben, en heeft dat ook, op zijn ‘rugschild’; zoals herhaaldelijk wordt aangetoond wanneer zijn invloed een schijnbaar ‘spontane’ genezing produceert nadat het een stoot energie heeft ontvangen uit het supra-fysiek van iemand anders … het grondbeginsel achter vele soorten buitenstoffelijke genezing.

 

Het supra-fysiek kan de terugslag van zijn zegenrijk proces te verwerken krijgen en, als de persoonlijkheid dat toestaat, kan het worden aangedaan door een weerklank op kwalen en onvolmaaktheden die zich eigenlijk niet zouden mogen uitstrekken tot buiten het fysieke lichaam. Dit is waarom het gevaarlijk is zijn ziekten te personaliseren. Men kan niet in staat blijken het lichaam te genezen van zijn reumatiek of zijn acne, maar het heeft geen nut te denken: ‘MIJN artritis’ of ‘MIJN uitslag’, zo intensief dat deze narigheden dan ook de meer subtiele bestanddelen van de persoonlijkheid kunnen aantasten.

 

De begeerte zich vast te klemmen aan de jeugd doet dikwijls schade aan het doel zelf; want als teveel energie wordt gericht op het handhaven van het supra-fysiek dat overleefd behoort te zijn, wordt het huidige ontkracht, hetgeen vroegtijdig verouderen tot gevolg heeft.

 

Het karakter loopt eveneens kans achteruit te gaan, want deze weigering de realiteit onder ogen te zien is niet meer en niet minder dan een bijzonder vervelende vorm van slechtgehumeurdheid.

Zo’n humeur kan zelfs dodelijk zijn, zoals ik leerde toen ik een Romeinse vrouw was van veertig jaar. Ik was nog gezond en knap; maar ik vond het gemakkelijker de scribae (=schrijvers) te verwijten dat ze onleesbaar schreven dan toe te geven dat mijn ogen minder goed waren dan ze plachten te zijn, en ik had kortgeleden drie van mijn voortreffelijke tanden verloren. Dat had me niet zoveel kunnen schelen, ware het niet dat ik een veel jongere man had ontmoet op wie ik verliefd was geworden; ik speelde het klaar hem dikwijls te zien door hem te benoemen als de huisdokter.

 

Hij talmde met het tonen van zijn genegenheid, en iedere nieuwe witte haar, iedere rimpel erbij, bracht me in herinnering dat de tijd kort was. Dus, in de hoop dat hij zou beseffen hoezeer hij me zou missen als ik op het punt stond te sterven, zette ik een uitvoerige pseudo-zelfmoord in scène. Nadat ik een marmeren sarcofaag had laten bewerken, nodigde ik mijn kennissen uit op een afscheidsbanket: hetgeen ietwat excentriek werd gevonden aangezien dit gewoonlijk alleen werd gehouden als de gastheer tot de slotsom was gekomen dat de eer vereiste dat hij zou sterven door het eigen zwaard.

 

Nadat ik een prachtige afscheidstoespraak had gehouden die vele van de meer aangeschoten gasten tot tranen roerde, trok ik mij terug om het tafereel voor te bereiden dat ik vol vertrouwen zag als niet meer dan het voorspel tot een heel wat verrukkelijker daad. Ik schikte mijzelf in mijn sarcofaag, nu gevuld met warm, geparfumeerd water en bestrooid met witte rozenblaadjes – ik weet nog dat ik dacht dat het, na aan zijn huidige doel te hebben voldaan, een allerelegantst bad zou zijn – en toen riep ik mijn dokter.

 

Gebiedend beval ik hem de aderen in mijn pols te openen, en wachtte erop dat hij me zou bezweren in leven te blijven, zodat hij me kon overstromen met zijn hartstochtelijke toewijding.

 

Maar in plaats daarvan gehoorzaamde hij mij zonder meer. Ik had niet meer van afgrijzen vervuld kunnen zijn als hij me in koelen bloede had vermoord. Trots stond me niet toe hem te zeggen schroefverbanden aan te leggen – dus moest ik daar liggen, kijkend hoe het water roze werd, en nog meer roze, en toen rood. Ten slotte sloot ik mijn ogen, zodat hij niet zou zien dat ze blind waren van woede.

 

Ik ben hem buitengewoon dankbaar dat hij het inzicht, het medegevoel en de zedelijke moed bezat om mij aan mij blufferij te houden, want hij genas mij van iedere verleiding nog eens deze walgelijke vorm van chantage te gebruiken. Maar hij kreeg wel een vlaag mee van die langdurig opgeslagen woede toen ik een spontane herinnering opving aan die episode, doezelend in een heel wat prozaïscher bad: want die Romein is weer dokter, Denys Kelsey[2][1] geheten.

 

Aangezien ik minstens tweemaal zelfmoord heb gepleegd, gedreven door valse trots of een boze bui, en ik mij bij drie of vier andere gelegenheden opzettelijk heb teruggetrokken uit volmaakt doelmatige lichamen, weet ik dat er geen kwestie is van voor hemelse rechters gesleept worden om te worden gestraft of veroordeeld. Maar wat, althans in mijn ervaring, onveranderlijk gebeurt is dat het deel van de persoonlijkheid dat trachtte te ontsnappen uit een speciaal probleem, een overeenkomstige situatie reproduceert zo spoedig mogelijk nadat het reïncarneert.

 

Als het aspect van de persoonlijkheid dat te maken heeft met bepaalde opvattingen, van zijn fysieke lichaam een vogelverschrikker heeft gemaakt, zal het supra-fysiek dat voor de moeilijkheid wordt gesteld een nieuw lichaam te verschaffen, zijn andere partners niet gemakkelijk bij hem passend vinden. In plaats van dat het instinct, de intuïtie en het intellect soepel samenwerken naar een gemeenschappelijk doel, geven zij zich over aan moordende twisten die hen alle drie aanzienlijke moeilijkheden kunnen opleveren, want wie er ook tijdelijk overheerst, er zal geen vrede zijn voor zij opnieuw integratie verkiezen.

 

Zo is het dus niet lonend zelfmoord te plegen tenzij uit een eerbaar motief, zoals tot voorbeeld gesteld door Captain Oates die wegliep in de Arctische sneeuwstorm, of door de vele helden die hun cyanidecapsules hebben fijn gekauwd, liever dan onder martelingen hun vrienden te verraden. Maar ik ben er zeker van dat we er allemaal op voorbereid horen te zijn de volle verantwoordelijkheid op ons te nemen voor het teweegbrengen van onze eigen dood, als ons lichaam niet langer een nuttig voertuig is om onze persoonlijkheid over te brengen.

 

Wij genieten niet langer de voordelen van een cultuur waarin de dood wordt erkend als niet meer dan een bijzonder type niveauverschuiving dat ieder individu dikwijls heeft meegemaakt. Daarom zijn weinig mensen in staat te sterven enkel en alleen door de tijd daarvoor rijp te achten. Zelfs als zo’n intentie helder geformuleerd is bestaat tegenwoordig het risico dat deze niet effectief zal blijken, omdat de pogingen van het supra-fysiek zijn fysieke deeltjes af te schudden verijdeld zullen worden door gecompliceerde medische technieken waarmee het volledig onbekend is.

Daarom ben ik van mening dat iedereen volledig op de hoogte gebracht behoort te worden van de prognose van elke ernstige ziekte, en dat hem wordt meegedeeld wat de werkelijke kansen zijn die pleiten tegen een bevredigende terugkeer naar gezondheid. Dan is het aan hem, en aan niemand anders, om te kiezen wanneer en of hij gereed is te sterven.

 

Als Denys of ikzelf onvolwaardig worden in een mate die ons verhindert nog verder geluk te schenken aan onszelf of aan andere mensen, in het bijzonder als onze toestand het verplegen tot een onverkwikkelijke taak maakt, hopen wij dat iemand zo barmhartig zal zijn de middelen te verschaffen waarmee we onze lichamen met hetzelfde medegevoel kunnen behandelen als waarmee we de lichamen van bejaarde of lijdende honden en paarden hebben behandeld; en dat wij deze dan kunnen verlossen van verdere ongemakken.[3][2]



 

 

Bovenstaande tekst is een uittreksel uit dit boek:

 

Meer dan één leven.

Joan Grant en Denys Kelsey

Uitgeverij Ankh Hermes bv Deventer - 1973

ISBN 90202 48138

 

 

 



[1][1] Joan Grant beweert in haar boek dat ze regelmatig ineens in een andere tijdsdimensie terechtkwam waarbij ze in staat was haar eigen eerdere levens te herbeleven ofwel terechtkwam in eerdere levens van haar patiënten. Zo’n toestand noemt zij ‘een verschuiving van niveau.’

 

[3][2] Dit is niet ‘mijn’ mening (cfr Francine)

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL