De kruisiging

 


door Jozef Rulof beschreven
in het boek Het Ontstaan van het Heelal

 

Dit fragment is afkomstig uit het boek Het Ontstaan van het Heelal, van de mediamieke schrijver Jozef Rulof. In een van de hoofdstukken van het boek wordt de kruisiging majestueus uiteen gezet. Omdat het bijna Pasen is, heb ik dit fragment toegevoegd aan deze pagina. Het is een beschrijving van een uittreding waarin Jozef Rulof, door zijn leider André genoemd, onder begeleiding van een van de engelen in de hemelen, genaamd Alcar, het drama van Golgotha beleeft.

 

'Kijk, André, wij zijn in het Heilige land. In jouw tijd is hier niets heiligs meer. Blank en bruin hebben steeds ruzie en haten elkander. Er rust een vloek op dit Heilige land en dat komt door de mensen. Nog is dit het Heilige land en zal dat ook altijd blijven, want hier leefde Christus, Gods heilig Kind en hier sloeg men Hem aan het kruis. De wereld gaat haar gang en de mens leeft, doch zij leven zich uit.'
(...)


'Men zegt soms op aarde dat dit een legende is.'
'Wie dat zegt vervloekt zichzelf, zoals zij die in deze tijd leefden zich vervloekten en Christus aan het kruis sloegen. Ik heb je op verschillende wijze met het verleden verbonden, ik heb je mijn eigen leven en dat van anderen getoond, je hebt het ontstaan van de schepping gezien, alles hebben wij kunnen volgen en zou dit dan niet mogelijk zijn? Ik zal het je tonen, mijn zoon, maar niet alleen het verschrikkelijke gebeuren op aarde doch tevens hetgeen geschiedde aan deze zijde en wanneer dit heilige feest aan onze zijde wordt gevierd. Doch dat komt eerst straks, André'
(...)


'Het volmaakte Kind Gods zou de kruisdood sterven. Het volk in die tijd was in opstand. De Romeinen waren de heersers in dit land en in die chaos werd Christus geboren. Ik ga je nu met die tijd verbinden en je zult waarnemen dat dit geen legende is. Geve God dat de mensheid op aarde dit heilige gaat voelen en begrijpen, maar nog zijn wij niet zo ver. Kom, André, wij gaan hierheen, volg mij.'
(...)


Dan zei Alcar: 'Zie je daar die hoge berg, André?'
'Ja, Alcar'
'Golgotha, mijn zoon. Wie als waarachtig mens dit woord hoort spreken, moest op hetzelfde ogenblik geen zonden en fouten meer kunnen doen. Maar de mensen op aarde willen geen kinderen van God zijn en zijn dan ook gevoelloos, voelen niet wat dit betekent. Daar gaan wij aanstonds heen, want daar boven heb ik je heel veel te tonen. Ik vraag je, om je daarvoor gereed te maken, André, als je niet wilt dat je hart breekt, dat je ineen zinkt van smart, door de werkelijkheid die je zult beleven.'
(...)


'Mijn God, hoe machtig en natuurlijk is alles, hoe groot is ons leven, hoe diep en heilig Uw liefde. Steeds en steeds weer ontvangen wij Uw leven en wat brengen wij van ons aardse leven terecht? God roept ons geen halt toe, André, God gaf ons alles. Nu meer dan ooit tevoren zal je dat duidelijk zijn, vooral na alles wat ik je straks zal tonen. Ik ga nu naar die tijd over, toen Christus zou worden geboren. Maak je gereed, klamp je aan mij vast, vraag God om kracht, André, het heiligste dat je op deze reis kunt en ooit zul beleven, wacht je.
Er werd reeds gefluisterd van een wonderkind. Ergens in dit land, bij heel eenvoudige mensen, was een wonderkind geboren. Dat kind was het kind van een timmerman en nog geen acht jaren oud zijnde, ging reeds een roep, een gefluister van mens tot mens door het gehele land, van dit wonderkind uit. Maar in Egypte was het eerste Goddelijke wonder reeds bewaarheid. De piramide van Gizeh had de geboorte van dit kind voorspeld en de poolster wierp haar schijnsel op het bovenste van de piramide. Op datzelfde ogenlik werd de Christus geboren. Een eerste voorspelling en het eerste Goddelijke wonder van deze zending was bewaarheid. Eén gebeuren heeft de piramide reeds bevestigd. Een bliksemstraal doorkliefde het universum en Gods heilig licht keerde terug en het stond op dat ogenlik vast, dat de mens zich zou vergeten.


Een zon van liefde zou de mens ontvangen, doch de mens slingerde dit gouden licht van zich af. Door die daad heeft de mens zichzelf vervloekt. Wie op dat ogenblik zijn innerlijke ogen kon openen, had dit kunnen waarnemen. Als een symbool van de werkelijkheid stond daar de piramide en hoe oud de aarde ook wordt, als bergen en mensen vergaan, dit blijft, het is Gods wil. Dit is niet te vernietigen, hij die denkt dit te kunnen afbreken, vernietigt zichzelf. Het gouden licht werd in Gods aangezicht terug geslingerd, de mens op aarde aanvaardde niet.


De piramide was in die tijd in een dicht waas gehuld en bleef daarin. Honderden jaren zouden er voorbij gaan, eerst dan zou de mens zijn ogen openen, na al die eeuwen te hebben geslapen.
De geboorte van Christus lag dus in de piramide vast en op de seconde geschiedde dit wonder. Tevens de weerkaatsing van Gods heilig licht, dat gouden liefdelicht. Beide gebeurtenissen waren één feit, één toestand en een wet, zoals een Goddelijk wonder alleen kan zijn. Maar de mens brak een godswet doormidden. Wij zouden dat beleven en wij hebben dat beleefd.
Kom, mijn jongen, wij gaan omhoog. Ik zal je bij alles helpen. Golgotha wacht je. Je zult met de werkelijkheid worden verbonden. Drie machtige maar geestelijke problemen zal ik je duidelijk mogen maken, je zult dit met eigen ogen aanschouwen, doch twee problemen behoren tot het verleden.'


André zag een smalle weg dit kronkelend naar een hoge berg liep. Hij wandelde naast zijn leider die in gedachten was. Wat zou hij thans beleven? Hij voelde zich heel rustig en in hem lag een vreemde stilte. Hij voelde dat Alcar hem deze rust gaf en hij met hem verbonden bleef. André beefde innerlijk, want hij wist maar al te goed wat hem te wachten stond. Mijn God, dacht hij, moet ik ook dit beleven? Wie zal mij echter geloven? En toch, daar waar zij zo-even waren had Alcar geleefd, dit was Jeruzalem. Hier leefde Christus, hier, in deze stad was Hij gekruisigd. Dat voelen van het verleden was wonder baarlijk. In niets was er stoornis, hij begreep alles. Aan deze zijde kon men alles terugroepen en ging men het weer opnieuw beleven.
(...)


Als hij zich dieper instelde en ging aanvoelen, dan zag hij schimmen. Hier waren onnoembare wezens, zichtbare en onzichtbare mensen. Hij zag ze nu zeer duidelijk. De zichtbare, dat waren de stoffelijke mensen en dat was het Jeruzalem zoals het nu in zijn tijd was. De onzichtbare wezens waren de geestelijke mensen en op aarde gestorven. Nu hij zich daarop instelde ging hij beter waarnemen. Waar hij zag, overal waren deze geestelijke wezens. Allen lagen geknield en waren in gebed verzonken. Hij voelde heilig ontzag voor hen.


Ja, dacht hij, hier komt men tot zichzelf, hier kan men beleven, hier kan men bidden. Maar hij zag nog meer. Ginds en links en rechts van hem, zag hij duizenden en duizenden wezens tezamen. Liet Alcar hem dit zien? Dat zou wel zo zijn, want zo-even had hij dit niet waargenomen. Hij zag hen in lange rijen en nu gingen zij zich verspreiden. Waren deze wezens naar hier gekomen? Waren het pelgrims? Allen waren op aarde gestorven en leefden aan gene zijde. Hij wist dat zij over waren, want hij zag dit aan hun uitstraling. Stoffelijke mensen waren anders, een stoffelijk gewaad straalde een ander licht uit. De meeste onder hen droegen geestelijke gewaden, sommigen ook weer niet. Ook dat begreep hij. Deze waren nog niet zo ver en dat was hun bezit nog niet.
(...)


Hij zag dat velen schreiden. Zij lieten hun tranen over hun wangen rollen en schaamden zich daar niet voor. Al deze mensen waren als kinderen. Zie hun gelaat, voel dit en ga in hen, dacht André. Hij zou dit voelen en hij zou trachten in te gaan. Bij de piramide had hij iets dergelijks gevoeld. Wat waren er toch voor wonderen op aarde en de mens wist van geen wonderen af! Als kinderen van de eeuwigheid waren al deze wezens. In hun armen droegen zij geestelijke bloemen als sneeuw zo wit. Zij waren doorschijnend en groeiden op aarde niet. Ook straalden zij een krachtig licht uit. O, mijn God, welk een genade dit te mogen beleven.


Alcar ging nog steeds verder en hoger. Links en rechts van hem volgden andere mensen. Allen hadden bloemen. Deze bloemen waren hun eigen bezit, hij zag en voelde dit. Het waren sferenbloemen uit hun geestelijke woning. Die leefden en groeiden in hun eigen omgeving en waren door hun leed gegroeid. Hij zag ze in alle kleuren, iedere bloem was door strijd en leed tot volle schoonheid gekomen. Daardoor voedde de geest zijn eigen omgeving. Daardoor groeide en bloeide alles, maar tevens zijzelf. Dit waren de vruchten van hun arbeid. Op aarde hadden zij daaraan gewerkt en in de sferen was dit hun eigen bezit.
O, hij voelde en begreep hen allen. Zij brachten alles naar Gods heilig Kind. Deze bloemen waren voor de Christus en dit geschenk werd aanvaard, want door leed en smart en de grote liefde die zij allen droegen was dit tot stand gekomen. Aan de voeten van Gods heilig Kind wilden zij hun innerlijke geschenken neerleggen.
(...)


Golgotha was één mensenzee. In de ganse omgeving zag hij niets dan geestelijke mensen. Voort ging het, omhoog, waar het verschrikkelijke was geschied. Dadelijk zou zijn leider daar zijn, nog één kronkeling en dan waren zij boven. Hij volgde Alcar en wachtte af wat zou geschieden. Vragen durfde hij thans niet te stellen, daarmede zou hij wachten totdat dit mogelijk was. Nu waren zij boven en Alcar knielde neer; ook hij deed wat zijn leider deed.


André kon niet meer denken. Onwillekeurig begon hij te bidden en steeds dieper en ernstiger werd zijn gebed. Woorden kwamen niet in hem op, hij voelde alleen. Toch ware die gevoelens echt en zuiver, zoals een klein kind kon denken. 'Hoe zal ik dit goed kunnen maken', dacht hij. 'Mijn God, ik ben maar een nietig mens, ik leef nog op aarde en doe daar voor mijn leider werk en volg hem in alles. Ik zal mijn best doen, Vader en zal zorgen dat hetgeen ik ontvang, zuiver blijft. Dit werk zal ik niet bezoedelen en wil alles, alles doen wat goed is en mijn leider wenst. Vader in de hemel, ik heb geen bloemen en kom met lege handen, want ik behoor nog niet tot hen, tot al deze gelukkige mensen. Mijn plaats is nog op aarde, maar eens als ik voorgoed aan deze zijde ben, hoop ik mijn bloemen aan de voeten van Uw Kind te mogen neerleggen. Heb genade met mij, o Vader. Ik weet dat ik niets ben als uw afgezant mij niets geeft, maar ik ben dankbaar dat ik zijn instrument mag zijn. Vader in de hemel, sterk mij in mijn werk, vergeef mij mijn zonden en geef mij Uw liefde, zodat ik alle mensen kan liefhebben. O, God, hoe dank ik U dat ik het heelal heb mogen kennen, ik weet nu dat alles Liefde is. Vergeef mij als ik fouten bega, maar ik zal zorg dragen ze in goede daden om te zetten. Dan treed ik eens aan deze zijde binnen en keer terug met armen vol bloemen, door eigen strijd en leed ontvangen. Ik hoop dat te kunnen verdienen, Vader, alles zal ik doen en aanvaarden. U wil geschiede, Amen.'


André voelde zich leeg. Hij kon niet meer denken, alle krachten die in hem waren had hij in zijn gebed gelegd. Maar in hem lag thans een stil geluk. Hij voelde zich met al die duizenden één, want allen waren in gebed. Dan sloegen zij hun ogen op en hun blikken omhoog gericht, schouwden zij in de oneindige kosmos. Maar wat was dat?
Voor hem zag hij het kruis en dat kruis was als een lichtende zuil. Het was ontzaglijk groot en een goeden licht straalde het uit. 'Gods heilig licht', dacht hij. Daar, waar eens Gods Zoon was gestorven, stond dit gouden kruis. Dit was de heilige waarheid en de innerlijke uitstraling van Christus. Hij begreep dat dit tot het verleden behoorde. Houd, lichtend goud zag hij en dit licht was goddelijk. Wie dit zou zien, zou aan een legende niet meer denken. Zij zouden in stilte en diepe dankbaarheid neerknielen. O, hoe machtig was dit!
(...)


Om het kruis zag hij een gouden zon en die zon omstraalde het geheel. Hoe groot was dit heilige gebeuren. Daaruit was het heelal geschapen, zo was het universum geweest, in de tempel der ziel had hij dit mogen waarnemen. Dit gouden licht bleef in en om het verlichte Kruis en bescheen en overstraalde al deze geestelijke wezens. Dankbaar bogen zij hun hoofden en kusten de aarde. Uit de aarde waren zij geboren en de aarde was zoals zij waren, een deeltje van dat gouden licht. Heilig ontzag voor alles lag in hem.
(...)

 

'Zie dit licht, mijn zoon, dat is het heelal en is Gods eigen licht, dat je in de tempel der ziel hebt waargenomen. Dit is werkelijkheid. Dit is de waarachtige gebeurtenis toen men Christus aan het kruis sloeg. Achter het stoffelijke kruis en onzichtbaar voor de aardse mensen, was Gods eigen licht zichtbaar. Want God waakte over Zijn Kind en kwam Zijn Kind te hulp. Maar God sloeg men in het aangezicht. God stond dit toe en Zijn Kind werd vermoord. Toch was dit alles aanwezig, wij en biljoenen anderen hebben dit waargenomen, van de hoogste tot de laagste sfeer aan deze zijde. Allen die hun hoofden buigen, die zich willen geven en open stellen, kunnen worden verbonden. Dit alles is heilig, vergeet dat nooit, André, dit ging aan de kruisiging vooraf. Dit namen zij waar die in Hem Gods Kind aanvaardden en zij waren de gelukkigen. Toch is en blijft deze gebeurtenis hier waar te nemen, ieder jaar worden wij weer verbonden. Buig je hoofd, mijn jongen en wees dankbaar. Je liefde heb ik gevoeld, wees gelukkig. God zegene je en ons werk.'


Engelengezang weerklonk nu weer en de aarde trilde. Een schok voer door allen heen. Wat zou er geschieden?
Allen keken naar beneden. Daar hoorde André een ontzettend lawaai en gekrijs, de heilige stilte was voorbij. Mensen waren in aantocht. Wat zou hij nu beleven? Ging Alcar hem opnieuw verbinden? Allen die hier waren knielden opnieuw neer en baden. Uit de stad kwam dit gekrijs. Afschuwelijk was het en André dacht het te voelen.
(...)


'Kruisigt Hem! Kruisigt Hem!' anders hoorde hij niet. Daar kwamen zij. Geen geest bleef nu op zijn plaats, allen daalden af naar beneden. Op een plateau hadden de krijgslieden plaatsgenomen. Nu voelde André dat hij in een andere toestand kwam en ging hij in de stoffelijke wereld waarnemen. Zoals het in werkelijkheid eens was geschied, beleefde men aan deze zijde de kruisiging.
Mens ken u zelf, bidt, bidt, dat gij niet tot hen behoort. Iedere seconde wordt de Christus op aarde gekruisigd. Deze woorden striemden in zijn ziel. Hij hoorde ze tot hem spreken en het was alsof ze voor hem waren.


Christus is gekruisigd, Gods heilig Kind vermoord. Toen men Gods Kind aan het kruis sloeg viel de duisternis over de aarde. Geen van allen durfde omhoog te zien, in hun diepe zielenleven beleefden deze geestelijke wezens dit werkelijke, dit verschrikkelijke proces. En allen baden en vroegen om vergiffenis.
'Steelt niet, rooft niet, breekt geen harten, verguist geen liefde die u wordt gegeven, want steeds kruisigt gij de Christus', sprak een stem in André. Die stem trilde in zijn ziel. Ieder woord kwam in hem en kon hij volgen.


'Mijn kinderen', hoorde hij weer zeggen, 'God is in u, God is steeds in u geweest. Zijn eigen leven werd vernietigd en gij ziet hoe men Gods heilig Kind heeft begrepen. Een vloek rust op de aardse mens, op ons allen. Aan ons achter deze gebeurtenis uit de dragen en hen de ogen te openen. Gij allen zijt hier op uw pelgrimstocht en aanvaardt. God zegene u allen.'
(...)


Daar waren de beulen en daar waren de beide anderen, die met Christus waren omgebracht. Er sprak nu niemand meer, maar wie zich op dit onmenselijke instelde kon zien en beleefde dit afschuwelijke dat eens was geschied.
Mijn God, wie kan dit in vol bewustzijn zien geschieden? Velen waren reeds bezweken, maar hij bleef en voelde een hij begreep van wie hij deze krachten ontving. Hij klampte zich aan zijn leider vast en begreep thans diens woorden, voordat zij omhoog waren gegaan. Neen, hij wilde niet bezwijken. O, in hem schreide het zo, niets zou hij meer willen zien, hij vond dit reeds genoeg, dit reeds was afschuwelijk, maar een kracht die sterker was dan hijzelf, dwong hem te zien wat hier geschiede.
Die kracht wilde dat hij waarnam. Hier waren geestelijke wezens en velen waren ineen gezonken, maar hij moest zien en beleven, hoewel hij bijna bezweek van aandoening. Mijn God, wat een leed, hij kon niet meer en toch hield die kracht hem staande. Hij kon dit niet aanzien en zijn ziel schreeuwde om hulp.
(...)


Daar waren weer de beulen. Nu dacht hij krankzinnig te worden van smart. O, mijn God, hoe kunt Gij dit goed vinden. Noodlottig is dit einde, dit zal een vloek betekenen. Hoe afschuwelijk is het. Ach, sla mij neer, maar laat dat niet geschieden, dat houden wij niet uit, dat breekt het diepste zielenleven.
O, God, wees hun genadig, zij weten niet wat zij doen. Nog hoorde André de hamerslagen en zag die verschrikkelijke mensen om de Christus.
(...)


Nu was men bezig het kruis omhoog te trekken. De andere twee mensen had men reeds gekruisigd. André schreide en kon niet meer. Maar waar was Alcar? O, hoe kon men hem allen laten, want dit was niet te beleven, het was verschrikkelijk. Hoe hadden de mensen dit gekund. Toch waren hier wezens die dit beleefden, maar hij zag tranen, niets dan tranen, want allen die dit beleefde schreiden en waren innerlijk gebroken. Hoe zou dit einde zijn? Christus moest sterven. Nog eenmaal keek hij omhoog, toen voelde hij de kracht die hem dit liet beleven verzwakken en voelde hij zich wegzinken, zodat hij van niets meer af wist.
Hoe lang hij bewusteloos was geweest wist hij niet, maar toen hij zijn ogen opsloeg zag hij zijn leider Alcar. 'Alcar', riep hij, maar opnieuw zakte hij terug. Voor de tweede maal kwam hij tot bewustzijn en keek om zich heen. Een paar handen omstraalden zijn hoofd en toen hij opkeek, zagen twee ogen hem aan. Geen woord kon hij spreken, maar barstte in tranen uit.
(...)


'Engelen zongen, André, engelen zongen voor Christus. Ben je bereid en sterk genoeg dit nog eens te beleven? Ik kan je opnieuw verbinden en het je tonen, zodat je kunt zien, hoe men aan deze zijde dit alles heeft beleefd. Dit was het stoffelijke gebeuren, doch wat geschiedde er aan deze zijde? Zou je dit nogmaals kunnen beleven, André? Het is voor de mensheid op aarde, jij ziet voor hen, want zij allen verlangen er naar iets van dit verleden te mogen weten.
Er heerste duisternis rondom, doch in waarheid was er licht. De hemelen stroomden leeg, want allen waren op aarde toen Christus werd gekruisigd. Dat zag Christus en men zong Hem toe en omringde Hem met alle reine liefde. Geen wezen was er in die tijd meer aan deze zijde, alleen waren in de sfeer der aarde. Toch konden zij niets doen en moesten toezien dat men Hem kruisigde. Zij wisten dat dit afschuwelijke zou geschieden. Aan deze zijde wist men dat reeds honderden jaren van tevoren.
(...)


Voel dit eens aan, André en denk hier over na en tracht te begrijpen dat alles vast ligt, omdat men aan deze zijde weet hoe al de menselijke wegen zijn. Christus kwam en zou sterven. Hij gaf ons mensen alles en voerde ons het goddelijke binnen. Door Zijn dood kregen de mensen een geloof en leerden zij de waarachtige Liefde kennen. Zullen wij heengaan en onze weg vervolgen, André, of zal ik je verbinden?'
'Ja Alcar, gaarne, ik wil sterk zijn, ga mij opnieuw verbinden, ga niet heen, Alcar, ik zal bidden en God om kracht vragen. Hoe dankbaar ben ik U.'


Toen voelde André dat hij opnieuw in het verleden afdaalde en ging hij waarnemen.
Van de plaats waar zij waren zagen zij op Jeruzalem neer. Weer hoorde hij dat woeste gekrijs waarvan hij beefde. Daar waren zij op weg naar Golgotha. Hij zag alles en beleefde weer dit monsterachtige gebeuren. Er waren duizenden mensen op de been. Velen beleefden dit uit sensatie, anderen waren gebroken. Hij kon hen zien en hij herkende hen allen. De ellende kwam steeds dichterbij en hij dacht reeds te bezwijken, zo verschrikkelijk was het om aan te zien. Hij voelde dat hij nog dieper verbonden was dan zo-even. Nu hoorde hij weer het gezang dat hij van verre had gehoord. Duidelijke zag hij wat hier geschiedde. Daar zag hij Christus in een sneeuwwit gewaad gehuld.


André voelde zich wegzinken, toch wilde hij dit beleven en daarom spande hij al zijn krachten in om zich staande te houden. Voorop zag hij duizenden engelen en in hun handen droegen zij witte bloemen. Links en rechts en hoog boven de volmaakte Mens waren zij. Een heilige kracht ging van dit alles uit. Hij zag schitterende gewaden en in stralende schoonheid waren de meesters van de sferen op aarde. Plotseling verstomde het gezang en een diepe concentratie voelde hij in zich komen. Hij voelde en begreep waarom dit was. Alleen gingen vol eerbied terug, want één gevoel overheerste de gevoelens van hen. Ook André voelde dit en opnieuw hoorde hij gezang.
Mijn God, hoe is dat mogelijk. Alcar liet hem voelen wat dit betekende. Christus had hen allen doen voelen dat niet zij, maar Hij dit offer moest brengen. Zij mochten en konden niet helpen dragen, Christus alleen wilde dit offer brengen en Hij gaf zich geheel, wilde niet dat ook zij zouden dragen. Op weg naar Golgotha kreeg de mens een les. Onder die diepste smart en vernedering die Gods Kind onderging, bleef Christus zichzelf. Christus gaf alles, alléén wilde Christus dit volbrengen.
André beefde, want hij voelde, dat in het diepste leef de mens alleen moest zijn. Als alles werd gevraagd tot de laatste krachten toe, dan moest men dat zelf doen, of wij zouden ons niet geheel hebben gegeven. Deze les voelde hij, maar dat zouden mensen niet kunnen. De hevige concentratie loste nu in gezang op. Allen aan gene zijde hadden dit gevoeld. Zij weken terug en zagen toe dat dit moordproces begon. De stilte in hen en de gevoelens van al deze engelen omstraalden Christus. Hij wist en voelde dit en dankte al Zijn kinderen.


Weer zag André dat het universum vaneen scheurde en de sferen zichtbaar werden. Dan viel de duisternis in, ook dáár, waar het toch steeds licht was. Wat betekende dit? Liet men Hem alleen? Waarom was een gene zijde ook duisternis? Moest dit, nu dit verschrikkelijke ging beginnen? Niet alleen op aarde heerste er duisternis, doch tevens aan gene zijde. Wat was de bedoeling van dit gebeuren? Nu ging hij voelen en begreep wat ook dit betekende.
Toen Christus werd gekruisigd, heerste er op aarde duisternis, maar ook aan gene zijde was er geen licht meer en het was of hemel en aarde vergingen. Bergen scheurden vaneen, donder en bliksem hoorde en zag men en de aarde beefde en trilde. Hij vatte Alcars hand in de zijne. Aan de rand van het plateau stonden duizenden mensen tezamen en toen de aarde beefde en vaneen scheurde, begonnen de mensen te schreeuwen.


Nu wisten zij dat Hij geen mens was, maar Gods Zoon. De soldaten en beulen kozen het hazenpad. Mensen werden dood gedrukt en verpletterd en nog heerste er duisternis. Had God Zijn Kind vergeten? Liet men Hem op het verschrikkelijkste ogenblik alleen? André begreep, want Alcar liet hem voelen. Nu moest alles worden gegeven, nu werd er geofferd. Niet door andere krachten, maar op eigen krachten beleven.
Daarna hoorde hij spreken. Een zachte en reine stem hoorde hij zeggen 'Mijn God, Mijn God, hebt Gij mij verlaten?'


Toen eerst begreep André deze duisternis, waarvan men op aarde niets begreep. Dit was het laatste, dit waren de laatste krachten die de mens kon geven. Men stond alleen voor het aller, allerlaatste ogenblik en dan besliste de mens zelf. Dit was de bedoeling van God en was Gods heilige strenge wil. Ook Christus had dit moeten beleven, maar dit was ook voor de mens, géén zou er aan ontkomen. Alles, alles, de diepste krachten waren verbruikt. Christus gaf zich over. 'Het is volbracht', hoorde hij in zich komen.
Daarna hoorde hij gezang en de duisternis week voor het gouden licht. De sferen herleefden en de mensen werden weer zichtbaar, maar de volmaakte Mens was gestorven. In deze duisternis, voor mensenogen afgesloten, was dit geschied. Ook dit begreep hij en voelde de diepe betekenis van de heilige stervensproces. Men had Hem vermoord en een zon van liefde omgebracht. De mens had zichzelf vervloekt, had zich aan het heiligste vergrepen.
(...)


'Christus wilde dit alleen doen, André, maar ook wij moeten strijd alleen beleven, geen mens kan ons daarbij helpen. Dit is de les die de mensen hebben te leren en wie niet wil zal dit toch moeten doen. God liet Hem, Zijn Kind in waarheid alleen. Toen de duisternis inviel begreep Christus, dat dit zijn aller, allerlaatste krachten zou eisen. Nu was het grote ogenblik gekomen. Voor dat moment komen wij allen te staan en dan moeten wij bewijzen geven wat of wij willen. God deed dit en toch, achter die duisternis zag God toe en waakte en Christus legde zijn eigen bloemen aan de voeten van God, Zijn Vader in de hemel. Deze bomen die gekweekt waren door Zijn leed, gegroeid in Zijn heilig hart en ontwaakt door Zijn eigen leven, deze reine bloemen aanvaardde God en een gouden licht omstraalde het hoofd van Zijn Kind. Het is volbracht, maar dit is het einde van iedere ziel en wacht ons allen. Geen ontkomt hieraan, wij zullen ons zelf hebben te geven. Vroeg of laat zullen we dat beleven.


En is dat niet de moeite waard? Kunnen wij onszelf niet voor dàt, wat wij zullen ontvangen, geven? Zie naar hen die aan deze zijde zijn, allen hebben dit reeds beleefd, of de poorten van de lichtende sferen blijven voor ons gesloten. God vraagt alles, onze allerlaatste krachten en geen mens, noch geest kan ons daarbij helpen. In het leven op aarde moeten de mensen beginnen. Iedere seconde staan zij voor het laatste ogenblik. Steeds vallen zij neer en smeken zij om hen te helpen. Toch komt het steeds terug, want wij moeten verder, steeds verder en hoger, daarvoor gaf God ons die vele levens. Daarvoor is het leven op aarde en gaan wij van het ene in het andere leven over en leren onszelf kennen.


Dan maken wij goed, André en leggen alles af wat verkeerd is. De heiligheid van dit alles, mijn zoon, heb je kunnen voelen. Wat Christus dus beleefde, zullen wij beleven en ontvangen. De hemel staat voor ons open, een lange weg hebben wij nog te volgen, toch komen wij eens daar aan en worden door hen die daar reeds zijn, ontvangen. Dan zegt Christus, 'treedt binnen, mijn kinderen, ik dank u allen voor uw liefde.'
Dan zijn wij tot God teruggekeerd en in het Al binnengetreden.

 

 

Uit: Het Ontstaan van het Heelal; zesde druk

Wayti Uitgeverij

geschreven door Jozef Rulof.

 

Met dank aan Eelke voor het typewerk.

 

 

 


emailbox

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

 

Stem Spirituele Vrienden in de

Top 100 NL



  Website statistieken gratis, LetsStat X1