Waarvoor werkt gij?

 

Een toespraak door Frederik van Eeden.

 

 


De verovering van het bezit door de arbeiders.(1899)

  

Vrienden,

Ik noem u maar zo omdat ik hoop u tot mijn vrienden te maken. Niet door u complimentjes te geven en u te vleien. Maar door u een paar eenvoudige dingen zo duidelijk als ik kan te zeggen, met de bedoeling u beter en gelukkiger te doen worden.

Beter en gelukkiger, zeg ik. Eerst het een en dan - en daardoor - het andere. Eerst beter en dan gelukkiger.

Dat gij gelukkiger zoudt kunnen zijn dan nu, daaraan twijfelt gij zeker niet. Of vindt gij 't al mooi genoeg zoals het is? Ik denk, er kon nog wel een klein tikkeltje geluk bij, hier en daar.

Daarvan zijt gij zeker dubbel en dwars overtuigd. Maar zijt gij er eveneens van overtuigd dat gij ook een tikkeltje beter zoudt kunnen zijn? Beter, deugdzamer, verstandiger, meen ik?

Ik ken een oude spreuk, een echt oud-Hollandse spreuk, en ik raad u aan die goed te overdenken en uw leven lang te onthouden.

Die spreuk is: Waren wij als wij souden, wij hadden wat wij wouden.

Met die spreuk zal ik beginnen en zal ik eindigen. Begrijpt gij 'm goed? als wij maar waren zoals wij behoorden de zijn, dan hadden wij alles wat wij wensten.

Dat kan twee dingen beduiden; f, dat een zeer goed mens niet meer wenst dan hij kan krijgen, f dat het altijd aan onszelf ligt als er iets mankeert.

Dat is sterk, zult gij zeggen. En toch is 't waarachtig zo en die spreukenmaker wist wel wat hij zei.

Maar gij moet dit niet zo platweg en onnozel opvatten, alsof ieder die maar zijn best deed, kon krijgen waar hij nu juist er eens trek in had.

Als gij 999 van de 1000 mensen vraagt wat hun mankeert, dan zeggen ze: geld. En nu bedoelt mijn spreuk heus niet dat ieder braaf mens net zoveel geld kan krijgen als hij maar wil.

Maar als de mensen zeggen dat zij 'geld' begeren, dan jokken ze. De een begeert lekker eten, de ander een mooi huis, de derde mooie kleren, nog een begeert alleen voor een rijk man door te gaan, enzovoort. Ieder wat anders.

Nu zegt mijn spreuk dit: dat verstandige mensen alleen begeren wat zij nodig hebben, en dat als wij allen goed en verstandig waren, dat dan ieder kon hebben wat hij nodig heeft.

Wat hij nodig heeft. Maar nu is juist de vraag: wat heeft men nodig? En voor ieder is dat de grootste en moeilijkste vraag: wat heb ik nodig?

Hierbij moet gij onderscheiden het doel en de middelen.

Ieder zegt, als je vraagt wat hij nodig heeft: 'geld!' Maar dat is onwaar, want schijfjes zilver en goud, en stukjes bedrukt papier, daar kunnen we allen best buiten.

Geld is het middel, het doel is eten en kleren en woning. Maar men meent nog meer nodig te hebben, namelijk lekker eten en mooie kleren en een ruime woning. En dat is ook weer niet het eigenlijke doel, maar middelen. Want mensen die geld hebben, en lekker eten en mooie kleren en grote huizen, die menen altijd ng meer nodig te hebben.

En dan blijkt dat het eigenlijke doel is 'plezier' of 'genot'. Maar ook die dingen zijn niet genoeg voor wie ze heeft. Het zijn ook weer middelen en niet doel. Want plezier hebben en genot hebben bevredigt niet, zoals men zegt. Dat 'bevredigen', dat is wat gezocht wordt. En die vrede, die blijdschap die rustig maakt, die altijd door duurt, dat blijkt het doel te zijn waarnaar de mensen zoeken.

Nu, dit wetend, is het natuurlijk niet meer dan verstandig 'onmiddellijk' naar dat doel te zoeken, dit is met zo weinig mogelijk middelen. Net zo goed als iemand die van hier naar de Dam wil, niet eerst met pak en zak naar Schollenburg zal verhuizen, om daar het stoombootje te nemen. Onthoud dit, het komt te pas bij wat ik later zeggen zal.

Nu durf ik zonder enige twijfel zeggen, dat gij allen hier het nodige niet bezit.

Misschien zijn er onder u die feitelijk te weinig eten en kleren hebben, die dus honger lijden en kou. Maar al zijn er zulken niet onder u, al hebt gij allen eten genoeg, en dekking genoeg, om niet ziek te worden, dan nog beweer ik dat gij niet het nodige hebt, dat gij gebrek lijdt.

Waarom? Wat ontbreekt u?

Lekker eten, mooie kleren, grote huizen, geld en macht?

Dat bedoel ik niet. Want ik ken mensen die dat alles hebben en net zo goed gebrek lijden als gij.

En ik ken ook mensen die dit alles kunnen krijgen en het niet nemen, en toch 'geen' gebrek lijden. Er zijn er, en er waren er, die net zoveel vlees konden eten en wijn konden drinken als ze lusten, die in een eigen rijtuig konden rijden - en die verkozen te leven zonder vlees en zonder wijn, en zonder rijtuig en zonder bedienden, en die toch alles hadden wat ze nodig hadden en zo gelukkig waren als een mens kan zijn.

Nou ja, die zijn gek, zeggen sommigen onder u. neen, vrienden, die waren wijs, de allerwijsten. Want zij gingen direct naar den Dam en niet eerst met hun hele huishouden naar Schollenbrug.

Vraag een dronkelap wat hij nodig heeft en hij zegt: een vat jenever. Goed, geef hem een vat. Lijdt hij nu geen gebrek? Heeft hij nu het nodige? Hij krijgt zijn bekomst, ja - en 's avonds vindt gij hem op 't bureel, en over een dag of wat op 't kerkhof. Zult gij nu zeggen dat die man kreeg wat hij nodig had?

Wat ontbrak die man? Verstand, nietwaar? Kennis, inzicht van wat hij waarlijk nodig had. Hij had niet om jenever moeten vragen, maar om een dokter die hem genas, wanneer hij wijs was geweest.

Zo beweer ik dat het de meeste mensen, rijke zowel als arme, ontbreekt aan kennis van wat zij eigenlijk nodig hebben.

Nodig is dus allereerst de kennis van wat wij nodig hebben.

En als ik beweer dat gij gebrek lijdt, dan bedoel ik vooreerst dat deze kennis u ontbreekt. Gij hebt vr alles gebrek aan 'kennis'.

Want ge zijt allen min of meer ontevreden en allen min of meer ongelukkig, en ge dankt dat wat u ontbreekt is: geld.

Maar mensen die geld hebben in overvloed, die zijn net zo goed min of meer ontevreden en allen min of meer ongelukkig. Waarlijk, ik kan het weten, ik ken ze, door jarenlange omgang.

Maar luistert nu wel, om tot de kennis te komen heeft men twee dingen nodig: ervaring en overdenking. Men moet van alles ondervonden hebben en veel hebben nagedacht.

Men kan wel veel leren door horen zeggen, maar voor de meesten helpt dat niet. Men maakt een kind niet wijzer door het alles te verbieden. Wil men het goed laten weten dat een hete kachel pijn doet, laat het dan eenmaal vrij zicht te branden, dan is het voor altijd wijs.

Evenmin gelooft een mens van horen zeggen dat geld en weelde niet bevredigt. Hij moet het ondervinden of kunnen ondervinden. Hij moet vrij zijn.

Hoe zult gij geloven dat het niet genoeg is om gelukkig te zijn, als men elke middag in Maison Riche kan eten, zolang gij misschien eens in de week, als extraatje, een stukje vlees van de paardenslachter moogt kopen?

En tot overdenking is rust nodig. Wie twaalf uren daags moet zwoegen om aan een paar stuivers te komen, zal die ooit gelegenheid hebben om kalmpjes te gaan overdenken of geld eigenlijk wel nodig is voor zijn geluk?

Rust en vrijheid , dat zijn de twee dingen die wij behoeven om tot kennis te komen.

Die twee zaken ontbreken u in de eerste plaats. Gij moet werken, alle dagen van de week en alle uren van de dag bijna, zonder rust. En gij moet dat doen om in 't leven te blijven, zonder vrijheid. Daardoor blijft het allereerst nodige, de kennis, onbereikbaar.

En zo zit gij gevangen in een noodlottige cirkel. Vrijheid en rust kunt ge niet krijgen zonder kennis, en kennis niet zonder vrijheid en rust. Hoe zult ge hieruit losbreken?

Gij kunt eruit losbreken. Ik weet het en ik zie het voor mijn ogen hoe het kan. Ik weet het beter dan gij, precies zoals iemand die een kaart of plattegrond heeft van een stad, beter de weg zal weten dan iemand die geen kaart heeft, al is deze in die stad geboren en opgevoed.

Weest dus niet trots en zegt niet: 'ook al zo'n heer die niet weet wat armoe is.'

Neen, ik heb nooit gewoond in die jammerstad, die armoe heet, maar daarom kan ik u toch wellicht van dienst zijn, want ik heb de rust en de vrijheid gehad om kennis te verkrijgen. Ik heb een kaart en kan daarom misschien beter de weg weten dan gij, in uw eigen stad.

Zal men niet, om uit een gevangenis te komen, hulp willen aannemen van degenen die erbuiten staan?

Misschien vertrouwt ge mij niet en vraagt: 'Waarom doet hij dat? Hij heeft 't zelf goed. wat beduidt die zorg voor ons. Dat 's vast niet zuiver?'

Dan spreekt ge ook zo door gebrek aan kennis. Want ik hebt 't niet goed, omdat gij 't niet goed hebt. Ik heb niet wat ik nodig heb, omdat gij niet hebt wat gij nodig hebt. Eerst langzamerhand ben ik te weten gekomen wat ik nodig heb, en nu weet ik ook dat ik dat nodige niet krijgen kan zolang gij ontbeert. Nooit, al werd ik miljonair.

Want de mensen-maatschappij zit wonderlijk en fijn in elkaar. Mijn spreuk zegt dan ook niet:

'was een mens als hij sou,
dan had hij wat hij wou,'

maar: 'waren wij als wij souden'.

Wij, wij allen moeten zijn zoals wij behoren te zijn. Niemand vindt het hoogst mogelijke geluk in een maatschappij vol ongelukkigen. Het ware geluk van elk hangt af van het geluk van allen.

Dus heb ik alle reden u te willen helpen. Luistert hoe ik u wil helpen.

Een gevangene in ketenen denkt: had ik maar een vijl, dan kon ik mij bevrijden! Maar zolang de ketenen niet gebroken zijn, kan hij de vijl niet krijgen, en zolang hij de vijl niet heeft, kan hij de ketenen niet breken.

Maar als er nu iemand komt die zelf niet geboeid is, en de geboeide man een vijl bezorgt, dan is deze geholpen en kan zichzelf, al is't met geduld en zwaar werk, bevrijden.

Zo wil ik u een vijltje geven, een hard, scherp vijltje. Ik kan het u alleen maar geven, het zware werk ermee, dat moet gij zelf doen. En dat vergt geduld, denk erom.

Eerst moet gij nagaan hoe uw ketenen zijn gesmeed, en waar de zwakste stee is, om daar met voordeel aan 't werk te kunnen gaan.

Gij behoort alleen tot de 'werkende stand', nietwaar? Gij wilt dat wel weten, al weet gij ook dat er ook een boel mensen trots op zijn dat zij niet behoren tot de 'werkende stand', maar dus tot de 'beuzelende stand'.

Nu heb ik voor enige tijd aan deze leden van de 'beuzelende stand' gevraagd: waarvan zij leven? En zo vraag ik nu aan u, leden van de werkende stand: waarvoor werkt gij?

En net als zij zeggen: 'wij leven van geld,' zo zegt gij: 'wij werken voor geld,' maar dat is onzin.

Gij werkt niet voor geld, voor metaal en papier. Geld is een dood ding, een tussending, een schijnbeeld. Geen slijk, want daar kun je nog iets mee doen, maar wat kan men met bedrukte papiertjes doen?

Onze verering van geld is de ergste afgoderij. Gij weet wel dat de negers in Afrika een steentje of een stukje spiegelglas aanbidden en dat voor heilig houden. Gij weet ook misschien hoe vroegere landvorsten wel eens hun hoed op een staak zetten, en dan de mensen commandeerden die hoed eerbiedig te groeten. Nu, precies even dom als die negers en even laf als die onderdanen doen de tegenwoordige geldaanbidders.

En hoe dat toegaat, dat is niet zo moeilijk te vatten. Hebt gij weleens gezien hoe een slapende hond opkijkt, als je rammelt met zijn etensbak? Als je 't hem vragen kon, dan zou hij zeggen dat hij geen mooier muziek in de wereld kent. En toch heeft hij aan dat gerammel niks en aan die blikken bak ook niks. Maar hij weet wat er volgen zal, het eten, dat doet hem die bak en dat gerammel heerlijk vinden.

Zo vinden wij heerlijk die schijfjes metaal en die stukjes papier, om wat erop volgt, en door jarenlange gewoonte worden sommigen zo zot dat ze nog meer van 't geld gaan houden dan van de dingen die men ervoor krijgen kan. Dan hebben ze 't rammelen met de etensbak waarachtig nog liever dan 't eten zelf.

Geld is een zinnebeeld of bewijs van macht, in de handen van wie 't heeft. En die macht wordt eraan gegeven door u allen. Als niemand meer om geld gaf, dan kon men 't wel opruimen. En toch heeft niemand er iets aan, tenzij voor de mooiigheid.

Gij werkt dus niet voor geld, maar voor de mensen die u geld geven. Voor ieder die u geld geeft, voor die werkt gij.

Is 't niet zo? Gij moet wel. Uw leven en bestaan staan op 't spel. Als er morgen een groot huis wordt aanbesteed, en gij timmerlui, metselaars, schilders, smeden, behangers kunnen er werk krijgen, vraagt gij dan eerst aan de aannemer wie of er wonen zal? Of waar het huis voor dienen zal?

Goeie morgen! - bouw maar raak. Of 't een tuchthuis wordt, een paleis, een bank, een speelhol of een bordeel, bouw maar raak, wat gaat 't ons aan, als wij de centen maar zien.

Gij werkt voor ieder die u geld geeft.

Lijkt het u eervol en plezierig? Laat er morgen een cachot gebouwd worden, om uw kinderen overmorgen in op te sluiten, en als ze u geld genoeg geven per uur, ik wed dat het er in n dag staat.

Ik droeg laatst een aannemer een werkje op en vroeg wanneer hij beginnen zou en wanneer 't klaar zou zijn en hij zei: 'als u maar geld geeft, meneer, dan kun je zeggen: "hier, hondsvodden, allo! aan de gang!" en dan is 't klaar eer je 't weet.'

'Hier, hondsvodden,' zei de man. En zo is 't. Voor geld laat men zich alles aanleunen wat een slaaf in oude barbaarse tijd niet zou dulden. Maar men moet wel, nietwaar? 't Is een zaak van leven of dood.

Ge werkt voor ieder die u geld geeft. Voor ieder, voor schurk en schoft, even hard, even bereidwillig.

'Is 't hoer of dief
heeft-ie geld, men heeft 'm lief'
zegt een andere spreuk.

Vindt gij 't een genoeglijk bestaan, op die manier? Merkt ge dat ge in de ketens zit? Voelt ge de boeien knellen?

Ik mag u vooral niet opruien, is me gezegd. Allerlei edele en gemoedelijke mensen hebben me op 't hart gedrukt: 'toch niet opruien! Alsjeblieft, niet opruien,!'

Nu, ik denk er niet aan. Maar ik vind die grote bezorgdheid toch wel wat verdacht. Als ik zei dat ik naar Afrika ging met het doel om de negers van Dahomey op te ruien tegen hun koning, zouden ze me dan ook zo dringend vermanen het niet te doen?

Ik denk van niet. Zeker niet. Ze zouden er misschien wel iets moois in zien. Maar de negerkoning, die zou er bepaald tegen zijn.

Ik wil u vooral niet opruien. Maar ik wou u dit eens te overdenken geven, dit volgende vraagstuk: Gij werkt voor wie u geld geeft, en ieder werkt voor wie hem geld geeft.

Dus stroomt, in de maatschappij, het geld altijd daarheen waar gewerkt wordt, is het niet? Want niemand werkt zonder geld, en waar dus gewerkt wordt, daar moet geld naartoe, en dat is al eeuwen lang zo gegaan.

Welnu, eeuwen lang is het geld gestroomd naar het werk toe, dus kunnen we verwachten dat het meeste geld terecht is gekomen bij de 'werkende stand', en weggestroomd is van de 'beuzelende stand'.

Wel? - is dit niet logisch? - En komt het niet prachtig uit? De werkende stand wordt steeds rijker en rijker, en de beuzelaars worden met de dag armer. Is 't niet zo?

Een ander vraagstuk. Niemand werkt voor niet. Het spreekt dus vanzelf dat de mensen waar gij voor werkt, dat die ook voor u werken.

Daaruit volgt dat de werkende stand voor de werkende stand werkt, en dat er niemand is die voor de beuzelende stand werkt. Want wie zal er nu toch, in naam van al wat goed en recht is, gaan werken voor een beuzelaar?

Ook dat komt prachtig uit, nietwaar? Voor de werkers alleen wordt gewerkt. De leeglopers, wel, niemand die voor hen werken wil, ze moeten bedelen, en krijgen nu en dan uit meelij een brokje. Is 't niet zo?

Ik ben bang dat ze zullen zeggen dat dit opruien is. Maar ik wou dan toch eerst een behoorlijk antwoord op die paar vraagjes.

Ik hoop dat gij begint te merken dat uw ketens kunstig gesmeed zijn. 't Is niet makkelijk er wijs uit te worden.

De mensen die niet tot de werkende stand behoren, hebben 't meeste geld. En in plaats van voor elkander te werken, werkt ge bij voorkeur voor de beuzelaars. Hoe zit dat?

Bij voorkeur, zegt ik. Ga eens na of 't niet waar is.

Neem welk vak ge wilt, en vraag wat voor werk er in dit vak het liefst gedaan wordt. Wat is een kleermaker liever, een werkmanskleermaker of een heren-tailleur, zoals 't heet? Waar werkt de timmerman, de behanger liever, in arbeiderswoningen of in grote huizen van lediggangers? Wat is het ideaal voor de werkman? Voor de 'rijkdom' te werken, daarbij is 't meeste te verdienen. Voor de heren en dames die zelf niet hoeven te werken.

In plaats van een veracht, verstoten mens te zijn, een verschoppeling van de maatschappij, is de beuzelaar het midden, de spil waar alles om draait. De rentenier wordt steeds rijker, al niets doende, en ieder buigt en zwoegt voor hen. Hoe zit dat?

Nu zal ik er iets bij voegen, en dat zal u niet vriendelijk in de oren klinken.

Ge vindt het wel aardig, nietwaar? Als ik zo minachtend van de rijken spreek, als van beuzelaars. Daar lacht ge om, alsof ge die nietsdoende heren wel verachtelijk vindt. Maar ondertussen, het is uw liefste wens net zo'n beuzelaar te worden. Gij bewijst ze de grootst mogelijke eer, niet alleen door voor hen te zwoegen en te buigen, maar door ze te willen nadoen. Zie de werklui op zondag! Allemaal nagemaakte heertjes. De werkmansvrouwen willen eruit zien als de renteniersvrouwen, hun huisjes moeten renteniersmeubeltjes hebben en salons met spiegels, net als de huizen der rijken.

Waardoor heeft de rijkom u in zijn macht? Omdat gij 't in uw hart zo heerlijk zoudt vinden ook zelf rijk te worden. En als enkelen onder u erin slagen over te gaan van de werkende tot de beuzelstand, dan zijn ze geen haar beter, eer erger dan de rest.

Dit is stellig geen opruien, dunkt me.

Laat ik nu eens voor al toegeven dat er in de niet-werkende stand ook ijverige, zelfs nuttig-werkzame mensen zijn. [1] Tegenover beuzelen staat nuttig-werkzaam zijn. Maar wat nuttige werkzaamheid is, daar kan men lang over kibbelen. De een zal bijvoorbeeld het bouwen van een pantserschip nuttig werk noemen, de ander noemt het beuzelen. Daarover hoef ik nu in 't geheel niet te hakketeren. Dit staat vast, dat gij voor de ergste beuzelaar en zwendelaar, de fat die niets doet dan zich aan- en uitkleden, eten en uitgaan, of de beursspeculant, die niets is als een gewettigd dobbelaar - het staat vast dat ge voor die soort mensen met de meeste ijver werkt, alsof ze u wonder wat liefs hadden aangedaan.

Maar ook staat vast dat gij allen het renteniersleven volstrekt niet verachtelijk, maar zelfs eervol en begeerlijk toont te vinden, ja, dat het voor de meesten uwer het heerlijkste en fraaiste levensdoel schijnt te zijn.


 

Nu zal ik echter niet meer vragen, maar liever u iets uitleggen. Het is geen kunst om u omtrent deze dingen in de war te brengen. Leest maar een dik boek over staatshuishoudkunde en dan zijt ge voor tien jaar van de wijs. Toch is al dit raadselachtige zo verbazend duister niet, als men vast blijft houden aan het eenvoudige en juiste, en zich niet van de benen laat praten door schijngeleerdheid.

Hoe de rentenier het aanlegt om altijd door geld te hebben, zelf niets te doen en een ander voor zich te laten werken, dat weet gij best.

Hij leent honderd gulden uit en vraagt honderdendrie of honderdenvier, of nog meer terug. Tegenwoordig heet dat deftig en fatsoenlijk: van zijn geld leven. Alsof geld een appelboompje is, waaraan elk jaar nieuwe appeltjes groeien.

Vroeger, toen men de dingen beter bij hun nam noemde, heette dat woeker.

Dit is stellig geen nette manier van doen. Zeg er evenwel maar niets van, want als gij er de kans toe ziet, doet gij 't ook. Iedereen doet het, de koningen en de regeringen niet het minst. Dat het zaakje daarom nog niet netter is, dat zult ge wel willen horen. Zwendelen is zwendelen, al doet de godsganse wereld het. En honderd gulden geven en honderdvier terugvragen, dat is en blijft gemeen, zolang de wereld draait. Het maakt dat Jan kan leeglopen en lekker leven, terwijl Piet voor hem werken moet.

Maar 't rare van de zaak is, dat er altijd mensen gevonden worden, gek of ongelukkig genoeg, om te beloven dat ze honderdvier gulden terug zullen geven, als ze er honderd te leen krijgen. Men zou zeggen, daar moesten ze toch eindelijk eens voor passen.

Pas op, hier begint de doolhof. Vraag dit eens aan een professor, en die draait u een geschiedenis voor van kapitaaldienst, rentestandaard, vraag en aanbod, risicopremie, grondrente, ondernemerswinst, enzovoort, tot de hele boel gaat tollen. Houd vast dan, zeg ik, aan deze paal, die stevig staat boven al het water van zijn geleerdheid, dat Jan kan leeglopen en Piet voor hem laten werken, en dat dat gemeen is en gemeen blijft, zolang de wereld draait.

Er zijn altijd leners te vinden, die meer willen teruggeven dan ze te leen krijgen, omdat ze weten zelf weer te kunnen uitlenen en ng meer terug te krijgen.

Ja maar, zult ge zeggen, dan moet er eindelijk iemand aan 't kortste eind trekken?

Heel juist, mijn vrinden van de werkende stand, heel juist opgemerkt, iemand trekt aan 't kortste eind, wilt gij weten wie? Ga dan voor uw spiegel staan, als ge zo'n renteniersmeubel al bezit. Of eigenlijk, ga de wereld door en vraagt daar naar de allernuttigste werker, de man die 't zekerst van allen 'niet' beuzelt, de man die het koren zaait en de aardappelen rooit, die trekt nog aan het allerkortste eind.

Hoe kan dat nu? Zou men zeggen. Van de arbeiders moeten we 't hebben, allemaal. Zonder de arbeider moeten we allen verhongeren. Eigenlijk moest de arbeider de man zijn die de lakens uitgeeft, de nuttigste, de onmisbare werker, die moest de anderen in zijn macht hebben en niet omgekeerd. En als de boel maar een beetje eerlijk in elkaar zat, dan moest de landarbeider hooggeerd en rijk zijn, en niet de uitgezogen, geminachte verschoppeling die hij nu is.

Nu kan een professor u haarfijn bewijzen dat dit alles precies is zoals 't hoort. Hij zegt ten eerste dat niet de handenkracht meer het verstand, de wijsheid, of, zoals het mooie woord heet, het intellect de wereld regeren moet.

Dat kan niemand tegenspreken. Het is zonder twijfel waar. En dat gij, handenarbeiders, op 't ogenblik geregeerd wordt door het verstand, de wijsheid of het intellect, wie twijfelt eraan. De geleerden, de onderwijzers, dat zijn je rijke lui! Iedere rentenier is immers, omdat hij rentenier is, een veel slimmer, wijzer, verstandiger kop dan een handwerker? Ga maar eens naar zo'n grote heren sociteit toe, of naar zo'n hardrennerij van paarden, waar al de rijken en machtigen bij elkaar komen. De wijsheid straalt hun de ogen uit, het intellect stroomt u, om zo te zeggen, tegemoet, 't verstand druipt ze letterlijk van de kleren.

Ten tweede zal de professor u aankomen met het grote, geheimzinnige woord 'kapitaal'. Het 'kapitaal' regeert de wereld, voor het 'kapitaal' werkt gij, het kapitaal is onontbeerlijk, het kapitaal doet dit, het kapitaal doet dat, het is heilig, eerbiedwaardig, alvermogend. Wat een wonderlijk ding, h? Als je van afgoden spreekt, nou dat 't is nog eens een afgod! Gij moet ervoor werken, voor zwoegen en tobben, voor hongerlijden, en pas op als gij ertegen moppert!

Maar wat is het dan eigenlijk? Hebt gij 't beestje ooit wel eens gezien? Zouden ze 't ergens opgesloten houden in een hok, net zoals de oude Egyptenaars hun heilige stier of hun heilige krokodillen?

Ik verzeker u, goede vrienden, ik heb er lang en goed naar gezocht, maar dat beestje is nergens te vinden. Gelooft mij heel vast, wat ervan is, dat weet ieder en kan ieder zien. Er zijn mensen die kunnen werken, er zijn goede dingen die ze hebben voortgebracht en gemaakt, en er is eindelijk de goede, onuitputtelijke aardbodem, waaruit alles voor de dag moet komen. Maar een apart monster dat kapitaal heet, en dat ge dienen moet met uw lijf en leven, dat bestaat niet, dat is een afschuwelijke afgod en een mensenverzinsel. Dat ze er boeken vol over geschreven hebben, bewijst heus niets. Dat hebben ze over heksen ook gedaan en die zijn er evenmin.

Onthoudt nu dit. De mensen denken en zeggen dat kapitaal kapitaal voortbrengt. Ze bedoelen daarmee feitelijk dat geld geld kan voortbrengen. Maar gelooft gij dat schijfjes zilver en goud kunnen jongen als honden en katten? Gelooft gij dat er kleine bankbiljetjes groeien aan een groot, als knolletjes aan een aardappel, als pruimpjes aan een boom?

Er is maar n ding dat werkelijk voortbrengt, vanzelf voortbrengt, dat is de grond, onze aardbodem. En ook in die voortbrenging moet het geholpen worden met zwaar werk. Laat u dus niets wijsmaken over geld dat kapitaal zou zijn of over kapitaal dat zichzelf voortplant.

En van twee: of kapitaal brengt voort als een beest of plant, maar dan is 't ook geen geld, want geld is geen levend ding. Of kapitaal is wel geld, maar dan kan 't ook niet voortbrengen.

Weer een paal boven water. Houdt vast en laat er u niet afpraten.

Het woord 'kapitaal' is een van de gevaarlijkste, bedrieglijkste woorden waarmee de mensen elkaar ooit bedonderd hebben. Neem deze raad aan: gebruik het zo min mogelijk, en als iemand het u gebruikt, verzoek hem dan duidelijker, beter, minder vage woorden te gebruiken.

Laat hem spreken van goed, van grond, van geld, of van bezit. Dat zijn wezenlijke dingen die ieder kent. Dan loopt ge minder gevaar in de war gemaakt te worden.

Het is de bezitter, die kan leven van zijn goed zonder te verarmen. Het is de niet-bezitter, die voor hem werkt en hem in staat stelt te beuzelen. Want wie niet bezit moet lenen, en moet beloven meer terug te geven dan hij te leen krijgt en dat meerdere moet hij door arbeid verkrijgen.

Gij, niet-bezitters, zijt gedwongen te werken voor de bezitters of gij wilt of niet. Uw vrijheid is een wassen neus, het staat u alleen vrij te verhongeren, wanneer ge weigert toe te stemmen in de voorwaarden die de bezitter u stelt.

Zo zijn uw ketens gesmeed. Maar laat ons nu eens nagaan, van welk materiaal ze gesmeed zijn en waar de stee is waar ze 't lichtst zijn door te breken.

Gij denkt, uw ketens zijn van zilver en goud. Gij denkt dat het geld is, en enkel geld, waarmee men u geboeid houdt. Gij kent bezit alleen in de vorm van geld. Wat gij steeds dringender vraagt is geld, meer geld, hoger loon.

Vrinden, let niet alleen op 't rammelen van de etensbak, let op 't eten en waar dat vandaan komt.

Wat is bezit? Hoe kan bezit 't bezit voortbrengen? Is bezit het hebben van geld? Maar heus, geld jongt niet!

Het woord 'bezit' zegt het u al. Dat komt namelijk uit de tijd dat er nog geen stoelen waren. De grond, dat is het enige, echte, voortbrengende bezit.

De grond is de bron van alle goed. en de bezitter, dat is de man die op de grond zit, z, met zijn handen erop, als een vrek op zijn geldkist. En de niet-bezitter, die mag erbij staan, en wordt van de een naar de ander gejaagd.

Geldbezit, dat zou niemand in lediggang laten leven, als het niet betekende grondbezit. Voor geld kan men grond kopen, vruchtbare grond, de bunder voor duizend, tweeduizend, drieduizend gulden. Wie geld heeft, heeft grond, of recht op grond.

Gij hebt vermoedelijk altijd gedacht dat gij woont in uw eigen land. 't Wordt u immers altijd geleerd? Nederland, ontwoekerd aan de baren, vrijgevochten van Spanje, uw dierb're grond, uw vaderland, uw eigen land!

Kom, wijst mij eens een stukje dat heus van u is. Ga maar eens mee, 't land door, en wijst mij een stukje, zo groot als een rijksdaalder dat van u is. Als uw ene voet nog staat op de rond van mijnheer Die, dan staat uw andere al op de grond van baron van Zo tot Zo, wat blijft er over van uw eigen, dierbaar Nederland?

Nu ja, er zijn rijkswegen. Lopen moogt ge op eigen grond. Er zijn ook gemeente-gasfabrieken op gemeentegrond. Ge hebt dus ook verlichting van uw eigen grond. Lopen en kijken dat moogt ge als Nederlander. Maar eten, dat is toch ook niet helemaal overbodig. En waar is 't rijks-akkerland, of 't rijks-weiland?

Er zijn in Nederland vijf miljoen mensen. Maar op de rijkswegen en gemeentegronden na, hoort heel Nederland aan een paar honderdduizend mensen. Geen stukje is er vrij, als een legkaart sluit het grootgrondbezit aan elkaar. En die bezitters zijn niet allen Nederlanders. Een heel eiland, met honderden 'vrije' Nederlanders erop, hoort in volle eigendom aan een Duitse graaf. Die ene man kan al die vrije Bataven eraf jagen als hij wil.

En zo konden, als ze wilden, die paar honderdduizend bezitters al de overige miljoenen 'vrije' Nederlanders hun land afjagen, zo goed als een huisheer zijn huurders kan opzeggen. Ze doen het wijselijk niet, want dan was er niemand om hun land te bewerken. Neen, ze jagen hen juist niet weg, maar ze houden ze vast en geven hun precies zoveel van de opbrengst van 't land als nodig is om niet te verhongeren. Teveel om te sterven, te weinig om te leven. Op menig bezitting van grootgrondeigenaars krijgen de daggelders twaalf tot veertien stuivers daags. En dan maar werken, alsjeblief! Werken maakt zalig, zeggen de heren bezitters en gaan hun rente in Parijs verteren.

Begrijpt ge nu enigszins waarvan uw ketens gesmeed zijn?

Gij woont 'niet' in uw eigen land, en als er oorlog kwam, zoudt ge 'niet' vechten voor uw eigen grond. Gij woont, bij de gratie, op de bodem van anderen die uw arbeid niet missen kunnen.

Nederland, heel Nederland, behoort in volle eigendom aan een paar honderdduizend bezitters, Nederlanders en buitenlanders, en hun bezit bestaat uit formeel grondeigendom, wat per slot geheel op 't zelfde neerkomt.

Terwijl Nederlandse geldbezitters, door hun geld in 't buitenland te lenen, weer voordeel trekken van buitenlandse grond, en met het aldus gewoekerd geld u, hun afhankelijken en onderhorigen, van tijd tot tijd beweldadigen, als gij 't hen naar de zin maakt.

Afhankelijk zijt ge en onderhorig, in de meest volstrekte zin. Voor uw leven, voor vrouw en kind, moet gij de misselijkste poen eerbiedig dienen, als hij maar geld toont. Geen slaaf in oude tijden stond in treuriger positie.

Gij werkt 50 weken van 't jaar hard, en als gij de 51ste week ophoudt staat gebrek nog altijd even grimmig voor de deur. En als de heren genoeg hebben van uw werk, sturen ze u uit wandelen. Dan moogt ge optochten voor hen houden van werklozen.

De domste vlegel, als hij maar gerfd of gelukkig gedobbeld heft, kan over u commanderen. Daggelders die van aardappelen met lawaaisaus leven, planten de beetwortels waarvan ze de suiker nooit zullen proeven. Veenarbeiders die in plaggenhutten wonen, maken turf voor de haardjes in de salons op de Herengracht, naaisters die geen kleren hebben om mee op straat te komen, werken dag en nacht aan baljapons, lettergieters maken de ganse dag letters voor boeken die ze nooit zullen lezen, tuinlui kweken fijne groenten die ze zelf nooit zullen eten, timmerlui en metselaars maken huizen zoals ze die zelf nooit zullen bewonen. Gij werkt allen voor anderen, en wel voor mensen die u nooit iets goeds terugdoen. Ze betalen u, ja, maar ze geven u honderd in geld, maar vragen u honderdvier in werk terug. Hoe konden ze anders zelf niet behoeven te werken?

Ha!, denkt ge, nu zal hij ons zeggen hoe we die heren mores moeten leren. Nu komt het. Wat zal 't zijn? Dynamiet, barricades, glazen ingooien, schreeuwen op de Dam, met rooie vlaggetjes zwaaien, fluiten als de koningin komt, volksvergaderingen, oproer, geweld, schelden op politie, vechten tegen de soldaten?

 

Lieve vrienden, weest toch niet zulke domme kindertjes. Weet ge wat dat alles is? Niets als rinkelen met uw kettingen.daar breken ze niet van. De heren kennen die muziek en lachen er wat om. Hun slecht geweten maakt ze wel eens bang, maar voor zulke koue drukte behoeven ze niet bang te zijn. Dat weten ze wel

Ik zal u niet opruien, heb ik gezegd, en als ge ervan houdt lekker opgeruid te worden, dan ben ik uw vrind niet. Ik zou er geen schande in zien, want de vader van uw eigen land, Willem de Zwijger, de vader des vaderlands, werd ook eens een opruier genoemd.

Maar als ik u wil helpen tot het herkrijgen van uw vrijheid, dan zou ik dat niet onhandiger kunnen doen dan door u zulke domme dingen te leren. Gij kunt u niet bevrijden door dom en grof geweld, door drukte en geschreeuw. Met handen kunt ge geen ijzer breken - uw boeien gaan u maar in 't vlees, hoe harder ge eraan rukt. Maar kennis is de macht die u bevrijden zal.

Gij moet noch uw geduld, noch uw nederigheid, noch uw bescheidenheid verliezen.

Uw nederigheid, uw geduld, uw bescheidenheid, dat zijn schatten waarom de heren u benijden mogen. Pas op dat gij ze niet weggooit,gij hebt ze hoog nodig tot uw bevrijding. Even nodig als uw vlijt en uw bekwaamheid.

Een der wijste mensen uit de oude tijd, die leefde als een christen eer het christendom bestond, Epictetus, was een slaaf. En hij was niet alleen de wijste maar ook de gelukkigste mens van zijn tijd/ hij was geen kruiper, hij was niet laf, maar hij wist gelukkig en geduldig te zijn in de ellendigste omstandigheden.

Hij was een slaaf, hij was kreupel geslagen door zijn meester, hij was oude en ziekelijk, en toch zei hij nog: "Wat kan ik, oude, kreupele man anders doen dan God loven!"

Verwar toch vooral niet nederigheid en bescheidenheid met lafheid en slaafsheid. De lafheid wil ik u afleren. Op 't ogenblik dient gij op vernederende wijze. Gij dient en steunt de onrechtvaardigen en de slechten. En dat komt door uw gebrek aan kennis. Maar geduld, zachtheid en bescheidenheid, dat zijn de kenmerken van een wijs mens. Een wijs mens buigt voor het onvermijdelijke en hij acht zich niet te goed voor het geringste werk of het hardste lot. Maar hij zal eerder dood of ongeluk of schande verdragen, dan het ontrecht steunen. En door zijn wijsheid en zijn kennis zal hij weten hoe het ongeluk en de ellende te ontkomen, waar de domme in tenonder gaat.

Gij doet het werk voor de lediggangers en dat is onrecht, dat is slecht, en daar moet gij mee ophouden. Het is slecht voor u, en het is slecht voor de beuzelaars. Zal een goed vader dulden dat een van zijn kinderen de anderen voor zich laat werken? Het kind zou er door bederven. Zo bederft elke mens die gaat denken dat hij leeg mag lopen en anderen voor zich laten werken. Gij bedert, door uw onverstand, uw medemensen en uzelf. Daar moet gij mee ophouden.

'Ah,' zegt ge, 'werkstaken dus - dat doen we al, maar dat helpt niet hard.'

Werk staken, neen waarachtig niet. Doorwerken, alsjeblieft, nog harder als 't kan. Ge hebt gebrek en ge wilt ophouden met werken? Waar moet het goede vandaan komen? Wij zijn niet in luilekkerland. Staken en om hoger loon vragen bij de heren, dat baat niets. Zij zullen u hoger loon geven, maar altijd meer terugvragen dan ze geven. Ze zullen u niet meer honderd geven en hondervier terugvragen, maar ze zullen u tweehonderd geven en tweehondertwaalf terugvragen. Vergeet het niet, zij zitten aan de bron, zij hebben 't bezit, zij hebben macht over de aardbodem, waar alle goed uit voortkomt. Zij zullen u blijven dwingen en knijpen net zolang als zij die macht in handen houden.

Niet werk staken, integendeel. Maar niet meer voor de heren werken, maar voor elkander. Niet meer werken voor de beuzelaars, maar werken voor de werkers.

WERKERS WERKT VOOR ELKANDER

Ziehier 't vijltje dat ik u geven zou. Het is hard, het is scherp, het is deugdelijk en onbreekbaar. Maar gij moet het leren gebruiken, met vaardigheid, met ijver, en vooral met geduld.

'Makkelijk praten,' zegt gij, 'voor elkander werken, dit doen we al, en als we er niet voor de heren bij werken, dan verhongeren we.'

Och kom? Dus denkt ge dan, dat ge de renteniers nodig hebt? Me dunkt, dat klinkt heel wonderlijk. Als ge voor twee werkers en een luiaard werkt, hebt ge dan meer eten dan als ge voor twee werkers werkt?

'Neen, zult ge antwoorden, ' 't is niet om de renteniers, die kunnen we missen als kiespijn, maar 't is om hun bezit.'

Welnu, zeg ik, verovert hun bezit.

'Waarmee? Met revolutie?' -

O neen, dat is ijzer met handen breken. Maar met werk, met het gereedschap dat ik u gaf.

'Met werk? Hoe kan dat?' vraagt ge. 'Dat is een raad waar we niets aan hebben. Handenarbeid maakt niemand rijk.'

Vrinden, omdat gij 't gereedschap nog niet hanteren kunt, moet ge niet zeggen dat het niet deugt. Ik wil u wijzen hoe het te hanteren, maar ik herhaal, gij moet het zelf doen en dat kost geduld en ijver.

Ik heb u getoond dat niet geld de keten is die u boeit. Ik zal u wijzen de zwakke plaats, waar de keten is door te vijlen.

Gij moet niet het geld van de bezitters veroveren. Laat hun het geld houden als ze willen. Laat ze proberen of ze kunnen leven van gestoofde guldens en gebakken bankbiljetten.

Verover hun grond, en dan hebt ge de macht om hun het beuzelen af te leren.

Ik zeg niet 'slaat ze dood' of 'sluit ze op'. Integendeel, laat ze lopen. Doe hun geen kwaad, maar dwingt ze tot werk door niet langer voor hen te werken. Dan doet gij hun goed en geen kwaad. Dan handelt ge zuiver christelijk, en vergeldt kwaad met goed.

Verovert hun grond, zeg ik. En al uw afhankelijkheid houdt op, en ge zult vrij zijn tot een eerlijk en gelukkig leven.

Dit is u wel meer gezegd. De sociaal-democraten hebben u voorgehouden dat de grond en de werktuigen gemeenschappelijk eigendom moeten worden. Ik beweer dat de grond voldoende is, maar dat maakt weinig verschil. Zeker is 't dat met de grond beginnen moet.

Maar de sociaal-democraten willen dat de regering dit werkje voor u doen zal.

Nu, luistert wel. Ik vind uitstekend dat gij u met de regering van uw land - dat niet uw land is - bemoeit. Het is burgerplicht te kiezen en te stemmen. Sluit u aan bij een politieke partij, en zend een afgevaardigde naar Den Haag. Best! En natuurlijk een man die 't niet houdt met de bezitters! Uitstekend!

Nederland wordt over 't geheel, in vergelijk met andere landen, niet zo kwaad geregeerd: 't kon erger. In ben overtuigd dat die honderd heren in Den Haag het allemaal uitstekend menen, dat ze u eindelijk wel eens verbetering zullen bezorgen, en dat ze proberen zo rechtvaardig mogelijk te zijn.

Maar zoudt ge nu heus willen wachten tot die honderd met al hun langdradige redenaties vr en tegen, uw kastanjes uit het vuur hebben gehaald? Och, lieve vrienden, dan zou ik ook maar liever in n moeite door tot het laatste oordeel wachten. Dat komt ook eindelijk eens, en is zeker rechtvaardig.

Nee, zelf moet ge uw zaak ter hand nemen, zelf uw verwaarloosde boel beredderen, zelf uw bezit, uw grond veroveren. Niet wachten tot de staat het u toedeelt. Nooit zal een staat dit doen, die aan het hoofd staat van bezitters.

Nederland is uw land niet! Niet eer uw land uw land is, zal uw regering rechtvaardig voor u zijn.

Maakt Nederland waarlijk tot uw land en de Nederlandse staat zal handelen naar uw wensen. Nu handelt ze, heel natuurlijk, naar de wensen van de paar honderdduizend die Nederland in eigendom hebben.

En gij kunt het. Gij kunt uw grond veroveren. Want gij hebt arbeidskracht, en de bezitters hebben die niet. Zij zijn de arbeid ontwend, of verbeelden zich dat cijferen, speculeren, knutselen, schrijven en praten voor hen voldoende nuttige arbeid is. Zij zijn de zwaksten, mits gij uw arbeid verbindt met kennis en beleid.

Gij hebt niets nodig wat zweemt naar geweld of wetteloosheid. Met de eerlijkste, wettigste, vreedzaamste middelen kunt gij de grond veroveren, letterlijk onder de voeten van uw onderdrukkers.

Met wat geld moet ge beginnen. Natuurlijk, maar o zo weinig is voldoende.

Kent ge de Brusselse vereniging; het Volkshuis? Die is begonnen met 3000 franken, dat is honderdenvijftig gulden.

En nu, gaat eens zien! Er staat een volkshuis dat 300 000 franken of anderhalve ton gouds heeft gekost.

Dat is bijeengebracht door de ijver en het beleid van werklui, arbeiders als gijzelf.

Wilt ge zeggen dat ge minder kunt dan uw Belgische kameraads?

En hebt ge van de Engelse vakverenigingen wel gehoord? Die bestaan uitsluitend uit arbeiders en beschikken over miljoenen aan geld.

Zo met ge beginnen, en zo zijt ge reeds begonnen. Er bestaan hier coperaties als het Volkshuis te Brussel, er bestaan hier vakverenigingen, die reeds een aanzienlijke geldmacht bezitten.

Maar dit is niet genoeg. Zij wachten op uitkomst van de verkeerde kant. Zij volgen het eenvoudige maar onmisbare beginsel niet, dat ik u gaf ter bevrijding. Zij vechten om geld en werken voor de heren.

Maar ik zeg u : vecht om de bodem en werkt voor de werkers.

In plaats van een groot en kostbaar volkspaleis te bouwen, hadden de Brusselse werkers wijzer gedaan vruchtbare grond te kopen.

En in plaats van steeds te zwoegen in dienst van de grootindustrie, en hun waren te blijven brengen op de wereldmarkt, die geheel en al geregeerd wordt door de bezitters, deden de vakverenigingen wijzer een eigen markt te maken, op eigen grondgebied, door gemeenschappelijke voortbrenging en gemeenschappelijk verbruik.

Langzaam moet zulk een onderling werk groeien. Maar het zal, om diepe redenen, altijd sterker zijn dan zijn tegenstanders. Want werkkracht met beleid is altijd sterker dan lediggang, geldzucht, dobbelarij en woeker.

Als ge maar eenmaal vaste voet hebt gekregen op een klein stukje grond, omdat gij werken kunt en wilt, altijd zegevieren over de beuzelaars.

Men zegt wel dat het u aan 'koopkracht' mankeert. Weer zulk een raar woord met bedrieglijke betekenis. Wat is dat voor onzin, 'koopkracht'? Gij hebt werkkracht en eetkracht, nietwaar? Welnu, zorgt dat gij grond hebt en zult kunnen werken en volop eten krijgen voor uw werk. En als gij vr elkander werkt en niet tegen elkander, zoals nu, en de grond in gemeenschappelijk bezit houdt, dan zult ge ook overvloed hebben, en rust, en vrijheid om te kennen en te leren en te bewonderen.

Ik zal u een denkbeeld geven hoe gij te werk moet gaan. Al doende zult gij 't zelf beter leren dan ik 't u nu vertellen kan. Maar de hoofdbeginselen moogt gij niet loslaten. Gij kunt wel op tien wegen van hier naar den Dam lopen, zonder veel om te lopen. Maar de richting moogt ge niet kwijtraken. Uw kompas moet altijd wijzen op: Werkt voor de werkers, en verovert de grond tot gemeenschappelijk bezit.

Dus eerst de coperatieve vereniging. Of liever eerst van al, de schrandersten van u afgevaardigd naar Brussel, naar Gent, naar Berlijn, naar Londen, ja, als 't kon naar Amerika of Australi om te zien wat er daar gedaan wordt. En dan het geleerde toepassen, maar beter.

Een winkelvereniging, een bakkerij, alles in de stad nog. Gij moet beginnen waar gij zijt, en gij moet ergens een punt van afzet vinden. Gij moet de oude orde niet loslaten, eer de nieuwe zich begint te vormen.

Zodra er geld gewonnen is, op de wijze der Brusselaars, dan geen volkspaleis bouwen in de stad, maar een landkolonie stichten op goede grond. Uw eigen graan zaaien, uw eigen vee houden, uw eigen meel malen, en die produkten, zodra de landkolonisten genoeg voor zichzelf hebben, gebruiken voor uw bakkerij en uw winkelvereniging. Op die wijze zult ge al heel gauw veel groter winst maken. Want zodra ge uw werkers kunt voeden en kleden van eigen bodem, hebt gij werkkracht om niet, let wel: om niet. En de heren, al geven ze 't schandelijkste hongerloon aan hun blanke of bruine of gele loonslaven, moeten hun werkers toch bekostigen. En daarvoor moeten ze lenen en uitlenen, wat verkwisting meebrengt en onvruchtbaar werk. Gij zult altijd de sterkste zijn, zodra al uw werk vruchtbaar is. Want de heer moet behalve de vruchtbare erkers, ook zijn eigen weelde en de leeglopers of beuzelaars bekostigen, die hij voor die weelde behoeft. Hij heeft, wat men terecht onkosten noemt. Maar gij zult al uw werkers kunnen bekostigen, dat is letterlijk 'de kost geven', zonder onkosten.

Bovendien, de bezitter, die altijd zwendelt, want zonder dat kan hij niet bestaan, moet vroeg of laat de kans lopen die alle zwendel meebrengt, namelijk het bankroet. Even zeker als een speler aan een speelbank op de lange duur verliest, even zeker gaat de woekeraar op de lange duur failliet. Het kan lang duren, zeker, maar eerlijk duurt het langst.

En aan die landkolonie moet ge verbinden uw industrie, smeden, timmerlui, wagenmakers, kleermakers, schoenmakers - die allen leden moeten zijn van uw bond. En die mensen zullen eten van uw grond en dus hun voedsel goedkoper kunnen krijgen, ze zullen werken voor de bewerkers van de grond, ze zullen, door hun wonen op de grond, het terrein mee helpen bebouwen en vruchtbaarder maken.

En elke winst moet e niet besteden aan uitkeringen of percenten, maar aan 't kopen van nieuwe grond. Gij vormt natuurlijk een weerstandskas, en voorziet ook de ouden en hulpbehoevenden. Maar, zodra gij kunt, koopt gij nieuw terrein, is goede grond nog te duur, dan schrale, die goed gemaakt kan worden. Gij hebt werkkrachten in overvloed, en geen werk is beter besteed.

Dan gaat gij uw eigen vlas verbouwen, uw eigen schapen fokken, en de wevers en ververs kunt gij bij uw kolonies voegen. En hoe meer ge zelf voortbrengt, van alle levensbehoeften, des te onafhankelijker wordt gij van de wereldmacht. Met des te minder geld ook komt gij toe.

Want uw waren, uw levensmiddelen, die houden voor u altijd waarde, omdat gij ze onder elkander gebruikt. Al uw werk is dan vruchtbaar voor uzelf, en gij zult geen werkloosheid vrezen door de verscheidenheid van werk. Gij kunt altijd mannetjes gebruiken, zolang gij grond hebt. En die werkers kunnen altijd het loon voor hun werk krijgen, omdat er niets op de wereldmarkt mag worden gebracht eer de werkers genoeg hebben.

Ik denk als gij onbevangen en onbevooroordeeld hoort, dan zal 't u niet zo vreemd klinken. Maar de halve wijsheid der geleerden zal u ervan af willen brengen.

Zo zal men u zeggen: 'Wat? landbouwen? mensen; weet je dan niet dat de landbouw het onvoordeligste bedrijf is?'

Maar waarom is dat zo? Omdat men voor geld werkt en voor de heren werkt. Al het graan, alle veeprodukten, alles gaat naar de markt, en de markt wordt geregeld door de bezitters. En de bezitters hebben hun landen en hun slaven de hele wereld door, en die kunnen het brood krijgen zo goedkoop dat geen boer ertegen op kan.

Maar is tarwe als voedsel minder waard voor een mens omdat men er weinig geld voor krijgen kan? Let niet op 't geld, maar op de dingen. Verkoopt uw tarwe, uw melk, uw eieren, uw boter niet, maar brengt ze voort en verbruikt ze onder elkander en ge zult overvloed hebben.

Een ander zal u zeggen dat ge niet buiten de steden kunt. Neen, voorlopig niet. Gij moet uw punt van uitgang wel in de steden nemen. Maar hoe meer ge uw industrie verplaatst naar uw landkolonies, hoe meer uw smeden, uw timmerlui, uw metselaars werk krijgen op uw eigen kolonies, des te meer zult ge u los en vrij maken van de steden.

Maar ge moet beginnen met geld, en wel met geld uit de steden.en ge behoeft niet eens eigen penningen te maken, zoals men die in Brussel heeft. Wellicht kunt ge best met het gewone geld toe. Maar uw eigen markt moet ge maken, waar ge uw producten, tegen eigen prijs, aan uw eigen medeleden verkoopt.

Maar hoe ge de zaken inricht, hoe ge voortbrenging en verbruik inricht, deze beginselen moeten vaststaan: de grond blijve het gemeenschappelijk eigendom van alle leden, alle arbeidskrachtige leden zijn verplicht middellijk of onmiddellijk mede te werken aan de cultuur van de bodem, en wat wordt voortgebracht strekke ten bate van de werkers zelf.

Een verderstrekkend en moeilijker vol te houden beginsel is dit: leen niet tegen rente, verhuur niet tegen pacht, houdt geen uitkeringen van percenten of dividenden.

Ik weet, de sociaal-democratische verenigingen houden daar niet aan en lenen en woekeren even goed mee met de rest.

Misschien zijt gij gedwongen ermee te beginnen, maar hoe eerder ge het rentesysteem verlaat, hoe eerder ge slagen zult.

Een ander zal u zeggen: 'Maar mensen, denkt gij dan werkelijk voor uw eigen levensbehoeften te kunnen zorgen? Uw koffie komt uit Brazili, dat goed dat je aan hebt is van Australische wol geweven, je schoenen zijn van Amerikaans leer, dat mes is van Duits ijzer en Zweeds hout, je eet brood van Russisch meel, en rijst uit Engels Indi. Hoe moet ge aan kolen komen, op je eigen markt, aan ijzer, aan koper, aan duizend andere dingen waar je niet buiten kunt?'
Laat u niet verbijsteren, vrienden. Datzelfde had ge k kunnen bedenken. Gij werkt voor de heren. De heren hebben het zich lekker weten te maken op de wereld. Ze eten aan hun ontbijt kaviaar uit Rusland, aan hun diner perziken uit Californi, midden in de winter. Voor de heren komen de hammetjes uit Chicago, de fijne lamswol uit Louisiana, de koffie en de thee uit de Oost, 't porselein uit Japan, de diamanten en 't goud uit de Kaap.

De heren hebben de wereldmarkt geschapen, en die goed voorzien vanuit de hele wereld. Overal hebben ze hun landen, hun plantages, hun mijnen, hun ondernemingen. Overal hebben ze hun slaven, hun naakte Chinese, Maleise of negerkoelies, die de hele dag werken voor een vloek en een uitgeblazen ei. Overal varen hun stoomboten en vechten hun soldaten om hun grond en hun handel te beschermen.

Nu staat deze vraag met grote letters voor uw geweten: Wat wilt ge? Werken voor de heren en door hun genade mee-eten uit die hutspot van overal bijeengeschraapte waar, met de vrijheid om te verhongeren en optochten van werklozen te houden als ze u niet meer kunnen gebruiken?

Of wilt ge proberen te werken voor elkander en trachten voorlopig toe te komen van Hollands graan, Hollands vee, Hollands vlas en wol, Hollandse honing, zolang tot ge ook zelf plantages en ondernemingen kunt hebben in buitenland en kolonin, tot gij uw eigen zelfgemaakte stoomboten kunt laten varen om uw eigen koffie te gaan halen van uw eigen gronden?

Dat zal lang duren, dat laatste, denkt ge. Wie weet? Gij hebt uw lot in eigen handen. Werkkracht en kennis veroveren de wereld en eerlijk duurt het langst.

Misschien lijkt het u onmogelijk om zulke zaken als koffie, ijzer, steenkool te ontberen. Maar het is volstrekt niet gezegd dat gij die dingen ontberen zult. Gij zult ze moeten kopen tegen marktprijs. En het kan zijn in slechte tijden, dat ge maar weinig geld bezit om op de wereldmarkt te kopen.

Maar wat is dan 't ergste wat ge te vrezen hebt? Dat ge minder koffie en thee drinkt en zuinig moet zijn met uw metalen gereedschap en uw kolenvoorraad. Maar dat ergste is, dunkt me, nog wel iets draaglijker dan 't armhuis, of de fabrieksslavernij, of de werkloosheid waar ge nu dagelijks aan blootstaat. Het waarlijk nodige dat zult ge volop hebben, en ziekte en oude dag zullen hun schrikkelijkheid voor u verliezen.

En men hoeft toch waarlijk niet zoveel denkmateriaal in zijn hersenkas te hebben om te begrijpen dat wie woont op eigen onbezwaarde grond en het z heeft ingericht dat hij desnoods kan toekomen met wat die grond voortbrengt, dat zo iemand nooit bankroet kan gaan.

Gij weet hoe 't met bezitters en hun ondernemingen gaat. 't Is net een vuurwerk. Een mooi gezicht, de ene schittert al helderder dan de ander. Maar opeens, flap! Daar gaat er een uit. Daar komt er weer een nieuwe bij. Dat's een mooie! Wat een huis! Wat een paarden! Wat een grote buiten,! Flap, uit is ie, bankroet, de hele boel weg, en een stuk of tien anderen om de weeromstuit.

Dat komt, omdat ze alleen van zwendel leven, van dobbelarij en woeker. Ze lenen al hun geld uit, net zolang tot de lener het niet terug kan geven, en dan liggen ze, geheel en al. Ieder van hen verbeeld zich dat hij volmaakt secuur te werk gaat. Maar ieder merkt op zijn beurt, dat in zulk dobbelspel geen volmaakte securiteit bestaat. En er is in hun onverwachte en fatale bankroeten altijd iets wat geschikt is, ons met de wereldorde te verzoenen.

Maar gij, als gij handelt volgens de genoemde beginselen, kunt ge niet bankroet gaan. Als ge niet leent, maar spaart, en niet vecht om geld maar om grond en om voedsel, en als ge leert toe te komen met het zelf voortgebrachte, wie zal u iets kunnen maken? Op zijn hoogst kan men u beperken in weeldeartikelen, maar het nodige zal niemand u ontnemen.

En hoe meer uw werkkring en uw terrein zich uitbreidt, hoe vaster gij zult staan, en hoe meer gij al die dingen waar gij meent niet buiten te kunnen, zelf zult leren voortbrengen.

En uw werkkring behoeft niet tot dit land bepaald te blijven. Even goed als de bezitters zich verbonden hebben over de ganse wereld, ieder het eigen voordeel zoekend, zo goed en nog beter kunnen de werkers, voor elkander werkend, zich verbinden over de ganse wereld. En des te sterker zullen ze zijn, omdat ze ieder het zijne willen geven en het volle product van zijn arbeid. Omdat ze willen copereren, samenwerken, en niet concurreren, tegenwerken.

Misschien vindt ge me een verader, omdat ik, komende uit het kamp der bezitters, u het smalle pad wijs, waardoor ge hun bezit kunt overmeesteren. Maar ik doe het evengoed om hunnentwil als om uw wil. Want ik walg van hun wijze van leven en acht ze nog ongelukkiger dan gij. En ik zie maar n wijze om ze gelukkiger te maken. En die is, dat ze leren werken voor hun brood. En gij zijt het, gij alleen, die het hun zult leren.

Misschien heeft men u verteld dat ik een wonderlijke kerel ben, die dokter is en boer geworden is in 't idee daarmee de wereld te hervormen.

Vrinden, ik denk er niet over de wereld te hervormen. Daar zult gij zelf voor zorgen, of ik boer of dokter ben.

Wat ik doe, doe ik om mezelf te hervormen, niet de wereld. Ik doe wat ik niet laten kan, en het bevalt mij best.

Maar dit alles betreft mijn particuliere leven en gaat niemand aan dan mij en de mijnen. Ik heb er nooit iemand anders in gemoeid en zou er nooit in 't openbaar over gesproken hebben, als 't niet was door de babbelzucht en bemoeizucht der mensen die allerlei zotte en leugenachtige praatjes verspreiden.

Ik weet dat de wereld vol schrikkelijke ellende is, maar ik weet ook dat men niemand goed helpt, die men niet leert zichzelf te helpen.

Ik zeg mijn mening, maar ik heb een afkeer van alles wat op propaganda lijkt. Gedachten zullen wel voor zichzelf zorgen. Zijn ze onwaar, dan zullen ze vergaan, al schreeuwde ik mij schor van alle daken. Zijn ze waar, dan zullen ze zich verspreiden, al groef ik een kuiltje in de grond en fluisterde ze daarin. Het gras dat erboven groeide, zou ze aan de dag brengen.

Ik doe niet anders dan uit eigen beweging en uit vrije wil datgene, waartoe ik weet dat gij mijn kleinkinderen dwingen zult. Ik probeer te arbeiden voor mijn brood zo goed en zo kwaad als 't gaat, en ik doe het met anderen die mij willen helpen. En ik bemerk dat het gelukkig maakt. De heren en dames die naar Schollebrug reizen om op de Dam te komen, die lachen mij uit. Maar wie 't laatst lacht, lacht 't best.

Nu zegt men mij dat zulk spreken als nu doe tegen u niet helpen zal. Ik krijg brieven van moedelozen en verbitterden, die mij onnozel vinden omdat ik probeer wat zij al zolang vergeefs beproefden.

Maar verstaat mij allen wel, ik sprak hier omdat men 't mij gevraagd werd, en omdat ik mijn menig volstrekt niet wil verbergen.

Gelooft gij mij niet, handelt ge er niet naar - welnu, dat 's voor uw rekening. Het zal mij nog ontmoedigen, noch verbitteren.

Maar zo de woorden van anderen niet doordrongen, dan is dat omdat zij 't rechte woord niet vonden. En als mijn woord niet doordringt, dan zal ik denken dat ik 't rechte woord niet gevonden heb. Maar ik weet zeker dat er n mij iemand komen zal, die het woord spreekt dat gij verstaat. Want gij zijt noch doof noch blind, en als eens het rechte woord van kennis tot u doorgedrongen is, dan zult gij de wereld veroveren en hervormen, langs de weg die ik u heb gepoogd te wijzen.

Ik niet, maar gij zult de wereld hervormen, omdat recht sterker is dan onrecht, en arbeid sterker dan lediggang. Zo dit vonkje van waarheid de vlam doet slaan uit de lang opgegaarde brandstof, zo zal 't mij verheugen, gebeurt het niet, zo zal 't mij niet verdrieten. Ik zal even blij mijn eigen plichtje trachten te doen, en tevreden zijn als gij mij verder met rust laat.

Maar ik weet, zo vast als ik weet dat ik sterven moet, dat de omkeer komen zal. En dat de heren die mij nu een onnozele dweper en dromer noemen, het lachen wel verleren zullen, als uw landkolonies zich uitbreiden, en landgoed na landgoed door hen verkocht moet worden omdat ze failleren, terwijl uw werk, dat niet failleren kan, groeit en stuk na stuk tot zicht trekt.

En ziet ge nu dat ik niet oprui, dat ik geen verzet en geweld predik, dat ik geen haat en minachting aankweek? Ik waarschuw u voor hen, die u willen leren fel en heftig en hartstochtelijk te zijn, die u minachting leren voor uw tegenstander, die ieder domkop en dwaas schelden die niet 'van de partij' is, die verblind en hoogmoedig menen de waarheid in pacht te hebben en daar niets willen horen dat niet uit hun koker komt, die u alle daden van anderen willen verklaren uit kleine, onedele beweegredenen, want dat bewijst zelf een kleine, onedele geest. En ik weet dat zelfs de besten ertoe komen door partijgeest en sektehaat. Dat zijn de rechte dwepers, die hartstochtelijk zijn en fel. Maar ik verzeker u: felheid en heftigheid zijn tekenen van zwakte en onmacht. Wie u uw medemensen leert haten, leert uzelf haten en wat hartstochtelijk is houdt geen stand. Onder de bezitters vindt gij uw meerderen in beschaving, in manieren, in geletterdheid, in wellevendheid. Die dingen moet gij niet minachten maar overnemen. Neemt het goede ook over van uw vijanden. En doet ze wel die u verdrukt en vervolgd hebben, zeg ik. Doet ze wel, door hun te leren arbeiden.

Laat ook niemand mij voorhouden dat ik u wijs op stoffelijke belangen, en niet spreek over uw hogere, geestelijke behoeften. Een Chinees wijze, wiens leer het meest lijkt op die van Jezus, heeft gezegd dat wie een volk gerecht wil maken, moet zorgen voor gevulde buiken. Wie hongert en moet vechten om eten, leert moeilijk wijsheid of gerechtigheid.

Maar, let wel, ik leer u 'niet' rst voor uw buik te zorgen en daarna voor gerechtigheid. Integendeel, dat is wat gij nu doet en waarmee ik u raad op te houden.

Gij hebt nu alleen kleren en eten, omdat gij werkt in dienst van de onrechtvaardigen. Gij grist naar geld en streeft naar de gunst der rijken, gij werkt opdat anderen kunnen lediggaan.

Dat is onrecht, zeg ik. En zolang gij daarmee niet ophoudt, zal het u nooit beter gaan.

Was uw ellende noodlottig en onvermijdelijk, ik zou u aanmanen tot geduld en berusting. Maar ons hard lot is dikwijls 't gevolg van onkunde of van onze dienstbaarheid aan 't geld.

De slaaf der oudheid kon zich niet bevrijden dan door de gunst van zijn meester, hij moest zijn lot dragen. Maar gij, loonslaven, met uw schijn van vrijheid, gij kunt u bevrijden met kennis en goede wil. Maar alleen als gij werkt voor elkander, niet jaagt naar geld en persoonlijke macht, maar naar 't nodige levensonderhoud, wanneer gij u onderling verstaat en werkt in gemeenschap, niet in naijver.

Gelooft gij mij niet? Welnu, gaat uw oude gang, blijft werken voor de heren om 't geld, bakt pain-de-luxe en heren-banket en bezoekt de uitdelingen van boord en koffie en sticht uw meesters door optochten van werklozen.

Maar moppert dan ook niet, want dan hebt ge 't zelf gewild. Nog eens, tot slot, herhaal ik 't u:

Waren wij als wij souden,
Wij hadden wat wij wouden.


't Meeste kwaad wat ons geschiedt is geboren uit onkunde en onrecht, bedreven door onszelf of onze voorouders. En zo gij wilt dat uw nakomelingen u in eerbied en liefde zullen gedenken, zorgt dan dat gij geen onkunde en onrecht in uzelf duldt, dat de vader zal worden van hn ellende.

 

--------------------------------------------------------------------------------
[1
] Voor de gegoeden, die zich boos mochten maken over de naam beuzelaars, zeg ik dit: het verwijt treft de renteniers en de dobbelaars, en ieder heeft het zich juist zver aan te trekken als hij rentenier of dobbelaar is.

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL