Reïncarnatie in liedjes en gedichten.

 

 

01. Reïncarnatie – 02. De reïncarnatie – 03. Een vreemde tijger – 04. De Boodschap van de maan – 05. Ik stierf als steen – 06. Het Licht van Azië – 07. Twee vrienden – 08. Opdrachtverklaring – 09. Mens en noodlot -

 

01. Reïncarnatie

 

Ik was het kind van duizend moeders

En duizend dochters baarde ik

Ik was een zus van duizend broeders en

Iedere broer was ooit mijn zus.

 

Wellicht was ooit mijn zoon mijn vader

Mijn ergste vijand was mijn lief

En de oom van mijn geliefde opa

Was ééns mijn nichtje, klein en lief

 

Ik woonde bij de indianen

Waar ik rond de totem liep

En later was ik weer een neger

Die koppen snelde en buiten sliep

 

Ik was een middeleeuwse heks

Zat aan de tafel bij een koning

En later was ‘k een stoere zeebonk

Of hoorde bij een toverkring

 

Ik kan mijn levens niet meer tellen

Op al de vingers van mijn hand

Maar één ding kan ik wel vertellen

Er is steeds wel een hecht verband

 

En ooit komt aan die rij van levens

Een wonderlijk en lieflijk eind

Dan ga ik naar het land van liefde

Waar elke dag het zonlicht schijnt

 

Daar wandel ik dan met mijn liefste

Die eeuwenlang al bij me hoort

Wiens stem ik doorheen al mijn levens

Diep in mijn ziel steeds heb gehoord.

 

Francine   - 04/02/2005 23u10

 

Muziek van Peter Koene

 

Bovenstaand gedicht werd op 31 augustus 2005 op muziek gezet door Peter Koene

waarvoor mijn oprechte dank!

 

 

 

02. De reïncarnatie

Willem Vermandere.
(West-Vlaamse zanger en beeldhouwer)


Hoort, ik zing u onomwonden, ons schamel lijf zal ooit vergaan
als we dood zijn en verzwonden, maar ons zieltje blijft bestaan.
Ik zou zelfs durven beweren, en bewijzen bovendien:
We gaan ooit nog reïncarneren, we gaan mekaar nog werezien.
We zien mekaar in later eeuwen, als patroon of als proleet,
Of tussen d’apen en de leeuwen, in den dierentuin, wie weet,
Of als krab of kwal in ’t water, stel u voor als mossel of vis
Wat weet ne mens van later, welk lot hem beschoren is.

‘k las hierover dikke boeken, tot in ’t middeleeuws archief
van een klooster ging ik zoeken, maar ik voel’t ook instinctief.
’t Is nie moeilijk te voorspellen, als je mensen observeert,
hun gedrag zal u vertellen, naar waar dat ’t evolueert,
politieker stoute wezel, burgerman lamlendig schaap,
de professor dat wordt nen ezel, en de meester dat wordt nen aap,
gladde paling advocaatje, apotheker sluwe vos,
tammen hond, drilsoldaatje, dikke jonkman, vetten os.

Pronk j’in ’t goud den dag van heden, je wordt later kakmadam,
Vent of vrouwe van lichte zeden, je wordt getransformeerd in tram.
Ook als onderdeel van nen velo, zijn d’er al veel gereïncarneerd,
Of als dashbord van nen auto, al duizenden were gekeerd.
Soms gebeurt het en dat is jammer, da’j’ herleeft als appel of peer,
Als komkommer of kwamkwammer, als kool of raap of nog veel meer.
Die levensvormen zijn kortstondig, alle soorten spijs en drank
verdwijnen uitgekakt heel grondig en de rest is stank voor dank.

’t Is afhankelijk van veel factoren: was je puur materialist,
dan wordt je zeker niet herboren als tamboer of trompettist,
maar als baksteen of als mortel, geen verstand en geen gevoel,
of als zwabber of als borstel, met ’t stof als enig levensdoel.
Loop j’in bonte beestenvellen, chinchilla, nerts of hermelijn,
Overbodig te vertellen, dat uw lot navenant zal zijn.
Zoek het niet in hemel of helle, of in ’t schroeiend vagevier,
‘k zeg het niet om u te kwellen, maar uw straffe krijg je hier.

Maar ik, die blijkbaar alles wete, ieders toekomst hier deurgrond,
D’r zijn soms dagen da’k nie ete, ‘k loop met grote zorgen rond.
Ik gaf de paus onder zijn voeten, ik dreef de spot met ’t vatikaan,
Voor al die laster zal ik boeten, ik zal als kwispel voortbestaan.
Of ik krijg klauwen en leeuwenmanen, ik was nen flauwe flamingant,
De pluimen van nen waalsen hane, ‘k was nen geslepen komediant,
Ik zong van God en van ons Here, zogezeid zonder respect,
Als ’t peird van Blanche kom ik were, want ik zong in ’t dialect.

Ik zal mijn lot geduldig dragen, ook al is’t mijn grote wens,
‘k durf het hier als slot nog vragen, reïncarneer me maar als mens.
Als nen smid of boer ten lande, of als metser, timmerman,
om te werken met mijn handen en te wroeten al da’k kan.
Of als clown wil’k were keren, als acrobaat of als jongleur,
om de kinders ’t amuseren, als muzikant of scamoteur¹
Laat mij dansen, laat mij springen, liedjes kwelen bovenal,
Want voor u hier mogen zingen, da’s veruit het schoonst van al.

(1)goochelaar

03. Een vreemde tijger

 

Hoe kan men een zoon van vijf

troosten  voor doodsgedachten ?

Alle bedenksels falen,

behalve de reïncarnatie.

 

Dus oude oma is nu

een tijger ?

 

Ja jongen, maar niet in Artis,

niet in een kooi,

niet een tijger die ijsbeert.

 

Zij die haar leven lang leed

onder de tirannie

van geldgebrek, echtgenoot, crisis,

roddel en burenruzies,

die verzoend heeft en vergoelijkt,

die doof was voor alle kwaad

en tenslotte voor Alles doof was,

 

zij is een tijger met gruwelijk felle,

gruwelijk mooie ogen,

en wee de man in de wildernis

die haar ontmoet:

opgevreten is hij,

eer hij beseft dat er iets op hem toespringt.

 

Een vreemde tijger is het,

een tijger die soms een wonderlijke

droom heeft: een pas gedweild stoepje,

een pijpenrek met de woorden

'Het is geen man

die niet roken kan'.

 

Maar een sterke tijger:

die de droom van zich afschudt als regen

en met lange trefzekere sprongen

het dier bereikt of de jager

of de pelgrim bij de rivier.

 

Een tijger zonder genade.

Een tijger die wraak neemt.

 

Willem Wilmink

 

04. De Boodschap van de maan


De maan wordt sinds mensenheugenis iedere maand vol, dan neemt hij weer af, verdwijnt heel even... en daarna wordt hij weer opnieuw geboren.
En zo boven zo beneden.


Wij mensen worden geboren, groeien op, worden volwassen, worden oud, gaan dood en worden weer opnieuw geboren.
Zo boven zo beneden.


En op een dag, beter gezegd op een nacht wilde de maan de mensen zijn boodschap brengen.
In al zijn wijsheid liet de maan de spin tot zich komen.
En de maan zei tegen de spin: "Spin, ik wil dat jij de mensen mijn boodschap brengt. Zo boven, zo beneden." De spin liet zich zakken aan een fijn draadje. En langzaamaan zakte de spin van de maan naar de aarde.
De spin kwam op aarde en ging op weg naar de mensen. Maar op weg naar de mensen kwam de spin de haas tegen. En de haas zei tegen de spin: "Waar kom je vandaan, waar ga je naar toe, wat ben je aan het doen en wat ga je doen".


"Eh, niet zo gehaast, haas", zei de spin, "Jij bent altijd zo gehaast. Ik kom van de maan, ik ga naar de mensen en ga de mensen de boodschap van de maan brengen".
"Ach", zei de haas, "Ik ben veel sneller dan jij. Laat mij die boodschap maar brengen." En ‘zoef' weg was de haas.
Voordat hij goed en wel begrepen had wat de boodschap van de maan nu eigenlijk wel en niet was.


De haas kwam bij de mensen en riep alle mensen rond zich heen.
De mensen gingen in een grote kring rond de haas staan.
En de haas verkondigde: "Mensen, ik breng jullie de boodschap van de maan!”
En de mensen luisterden met grote hazenoren.
En de haas vervolgde: “De maan gaat dood, blijft dood. Mensen gaan dood, blijven dood."
De mensen keken elkaar aan. Ze keken naar de haas. Sommige mensen moesten lachen. De mensen vonden het een vreemde boodschap, boodschap van de haas, boodschap van de maan.


Maar ja, de haas die zegt het en het is de boodschap van de maan dus het zal wel waar zijn.  
De haas ging terug naar de maan


En de haas zei tegen de maan: "Maan, ik heb jouw boodschap aan de mensen gebracht".
"Wat!", zei de maan, "ik heb jou helemaal niet uitgekozen tot mijn boodschapper. Jij bent altijd veel te gehaast. Wat heb je in hemelsnaam de mensen verteld?"
"Nou", zei de haas, " ik heb de mensen verteld: “De maan gaat dood, blijft dood, mensen gaan dood, blijven dood".


“Wat, “ zei de maan, “Dat was heel mijn boodschap niet!”
De maan nam een tak en heeft de haas toen boven op zijn lip geslagen.
De lip van de haas is toen gespleten.   En sindsdien heeft de haas een spleetje in zijn lip. En veel van ons mensen denken dat wanneer we dood gaan, dood blijven.

Maar de mensen die dat geloven en denken die hebben de verkeerde boodschap van de haas ontvangen.
Kijk maar naar de maan, die wordt iedere maand weer opnieuw geboren.
En zo boven zo beneden...

 

Philip van der Zee.

05.

 

Ik stierf als steen en werd een plant,

Ik stierf als plant en werd een dier,

 

Ik stierf als dier, ... toen ... werd ik een mens.

Waarom dan vrezen voor de dood ?

Ben ik ooit slechter of minder geworden toen ik stierf ?

 

Eens ga ik dood als mens en wordt een wezen van licht,

een engel uit de droom.

 

Doch mijn weg zet zich voort, alles op GOD na verdwijnt.

Ik word wat niemand gezien of gehoord heeft.

 

Ik word de ster boven alle sterren,

en straal neer op geboorte en dood.

 

Djalal Al-Din Roemi (Maulana) - Perzisch mysticus XIII°-Eeuw.

 

06. Het Licht van Azië

 

Sommige van Boeddha’s leringen werden aan het westen gebracht door Sir Edwin Arnold in zijn geïnspireerde gedicht, Het Licht van Azië. De gedeelten over karma en reïncarnatie zijn bijzonder treffend:

 

De Boeken zeggen terecht, mijn Broeders! Dat het leven van ieder mens
    De uitkomst van zijn vorige leven is:
Vroegere fouten brengen zorgen en leed,
    Zegen volgt op vroegere deugd.

Dat wat je zaait zul je oogsten. Zie gindse velden!
    Het sesamzaad was sesamzaad, het koren
Was koren. De stilte en de duisternis wisten!
    Zo is het lot van de mens geboren.

Hij komt, oogster van de dingen die hij zaaide,
    Sesamzaad, koren, zoveel oorzaken in vorige geboorten;
En zoveel onkruid en vergif, die
    Hem en de lijdende aarde ontsieren.

Als hij goed zal werken, deze laat wortelen,
    En hele zaaiplanten daar plant waar ze groeien,
Vruchtbaar en schoon en rein zal de grond zijn,
    En rijk de te verwachten oogst.

– Boek 8 -

07.   

De Nederlander Hendrik Marsman (1899-1940) geeft op treffende manier weer hoe verschillende lotsverbindingen door elkaar kunnen lopen.

 

Twee vrienden

 

De maan maakt de nacht tot een sneeuwwit veld.
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:
er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zozeer eender gekleurd
dat de een als hij soms naar de ander ziet
bij zichzelve zegt: maar ben ík dat niet ?
een vrouw; nog een vrouw; een verterend gemis.
het is alsof alles ten einde is:
want één hart blijft thuis en één hart gaat op reis
maar geen van twee vindt het Paradijs.

08. Opdrachtverklaring

 

 Er is mij geen opdracht gegeven,
niet door de goden
niet door de mensen,
geen leer werd mij door iemand aanbevolen.
Ik wist niet, van waar ik gekomen was,
waarheen ik ging,
ik voelde mij thuis waar ik geboren was,
vader, moeder, broers om me heen,
de tuin, de akker, het woud,
de bergen in de verte.


Eén ding wist ik snel, maar dan uit mezelf:
wáár wil ik worden, schoonheid beleven, het goede doen.
Veel mensen waren mijn voorbeeld daarin,
en ik zag ze graag.
Van hen mocht ik leren,
over de werking der goddelijke voortijd,
die te onderzoeken, die te beproeven, die op te volgen,
dat was mijn wil, niet van een ander.
Geen leraar gebood mij : gij zult!
En wanneer hij het zei, ging ik eerst na,
deed wat mij juist scheen.


Zo schouwde ik om me heen,
zag naar het aarderijk,
de stenen, de planten, de dieren en naar de sterren.
Alle wezens spraken tot mij,
en ik trachtte hen te begrijpen.
Van ieder leerde ik iets,
van mezelf slechts weinig,
tot ik mezelf leerde kennen,
als een vreemde, vanuit mijn hogere zelf.
Vooreerst scheen mij de wereld als goed,
dan zag ik, dat er veel boosheid was.


Ik dacht, alle mensenzielen zijn schoon,
en ontdekte vele afgrijselijke.
Ik zocht de waarheid
en vond de leugen.
Het boze, het afgrijselijke, de leugen,
omvormen wou ik ze.
Ik streed daarom met mensen,
wanneer ze mij niet de vrijheid verleenden,
te zien, te zeggen, te doen,
wat ikzelf als waar en goed en schoon erkende.


Christus kon ik beminnen,
omdat Hij mij nooit tot iets dwong.
Hij is mijn hoogste Leraar geworden.
Andere mensen werden het slechts,
in zover zij spraken
Niet ik, maar de Christus in mij.
Maar de nacht, die naar het niets leidt?
Ik leerde van het donker het verlangen naar het licht.


Het licht doet aan het donker de kleur ontstaan.
Kleur wekt de ziel.
De ziel leert van de sterren
de taal van de goden.
De eerste waarheid die ze mij leerden,
zij luidt :
Mens, gij zijt vrij, en mens, gij kunt beminnen,
Mens, weet u tot vrijheid bestemd,
uit liefde steeds weer geboren,
om als enkeling in de gemeenschap van allen te werken.
Dit is uw opdracht, u door uzelf verleend,
de vrije en liefhebbende mens waardig.

 

Albert Steffens

Uit: "Steig auf den Parnass und schaue", Dornach 1960.

09. Mens en noodlot.

 

Voordat ik op de aarde kwam

toonde men mij mijn levenspad,

gevuld met kommer en gram,

met lijden en met tranennat;

slachtoffer van mijn eigen streken,

met fouten en als resultaat

een plotse toorn om mijn gebreken,

met hoogmoed, schaamte, trots en haat.

 

Ik zag echter ook de vreugdedagen

vol licht en met al wat men droomt,

zonder verzoekingen, zonder klagen,

waarin de bron van ’t goede stroomt;

waar liefde hen die stoff’lijk zijn

de vreugde van de vrijheid schenkt

en waar de mens verlost van pijn

als uitverkorenen van de geesten denkt…

 

Men toonde mij het kwaad en goed,

men toonde mij de fouten van mijn kant,

men toonde mij mijn wonden en bloed,

men toonde mij de engelen en hun helpende hand…

 

Toen ik dit komend leven zag

welde plotseling de vraag bij mij:

wilde ik dit leven dat voor mij lag,

want ’t uur der waarheid was nabij…

 

Ik overzag nogmaals het kwade;

‘Dit leven aanvaard ik bewust’,

antwoordde ik toen vastberaden

en nam mijn noodlot in alle rust…

 

Zo was het toen ik op aarde kwam,

zo ook begon mijn levensgloren;

geen klacht over ’t leven dat ik op mij nam,

want ‘ja’ zei ik voor ik werd geboren!

 

Auteur onbekend.

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 





Website statistieken gratis, LetsStat X1