Inspirerende teksten.

Woorden zijn hefbomen - Wegen van de ziel - Vriendelijkheid - Verdriet is bewogen worden - Intiem Testament - Huiver - Hij tekende overal ramen - Als er na de dood - Een klein verrijzenisverhaal - Teksten van Phil Bosmans - I am in love with love alone - Zachtheid en vriendelijkheid - Enkele parabels van Sri Ramakrishna -

Overwin met Zachtheid en Vriendelijkheid

 

IK HEB ER NOOIT VAN GEHOUDEN afgodsbeelden te slopen, want ik geloof in het goddelijk instinct van het menselijk hart dat die afgods­beelden eens in het verleden deed ontstaan als werken van liefde en begrip. Wij zijn het die niet begrijpen wat ze voorstellen en betekenen. Wij zijn het die het spoor bijster zijn en niet de Groten die deze werken uit voorbije tijden, die eeuwenlang aan miljoenen troost hebben gebracht, hebben geschapen; ik houd er niet van afgodsbeelden te slo­pen en idealen in het hart van de mens te verbrijzelen. Het is veel beter kennis te brengen, dingen duidelijk te maken, met zachtheid en vrien­delijkheid te overwinnen: 'Onderzoek dit grondig, broeder, hier is iets waarvan ik heb ontdekt dat het bijzonder mooi en goed is. Probeer het zelf. Onderzoek het zo nauwkeurig mogelijk en als u ziet dat het goed is, kom dan en help mee anderen te geven wat u en ik hebben ge­vonden.'

 

Afgodsbeelden vernielen is gemakkelijk en is volgens mij te lang gebeurd, langer dan de geschiedenis van de mensheid daaraan toekent. Natuurlijk, men kan zeggen dat een afgodsbeeld een juweel bevat en dat om dat te vinden het in ieder geval nodig is het afgodsbeeld te ver­nietigen. Maar er zijn andere manieren. Als dat afgodsbeeld een edelsteen bevat, is die er door zeer wijze mensen in geplaatst, en er is een manier om dat juweel te vinden zonder het afgodsbeeld kapot te maken, dat daarna als onbruikbaar wordt afgedankt.

 

Wat zijn die afgodsbeelden? Ik bedoel niet alleen die van brons, steen of hout. Ik bedoel afgodsbeelden in het algemeen, die mensen aanbidden en die ze in hoofd en hart meedragen. Ziet u niet dat men soms door een overdreven beeldenstorm de mensen innerlijk achterop brengt, ze ontmoedigt, van het pad afbrengt? Het is gemakkelijk een beeldenstormer te zijn. Het is gemakkelijk te vernielen en stuk te maken; het is te gemakkelijk dingen omver te werpen - en vaak is het dan ook een populaire bezigheid. Maar voor rechtgeaarde mensen is er wel belangrijker werk dan dat.

G. de Purucker.

 

“I am in love with Love alone” - P.Yogananda


Ik zocht liefde in vele levens. Bittere tranen van afscheiding en berouw heb ik vergoten om eindelijk te weten wat Liefde is. Ik offerde alles op, alle gehechtheden en illusies om tenslotte tot de ontdekking te komen dat ik alleen maar de Liefde van God, Gods Liefde, liefheb. Toen dronk ik Liefde door alle ware harten. Ik zag dat Hij het Enige Alomvattende Kosmische Wezen is die Liefde geeft, die Lief heeft; die Ene trillende Geur die hangt en naar boven komt in alle bonte soorten bloemen van liefde in de tuin van het leven.

Vele zielen vragen zich droevig en hulpeloos af, waarom liefde van het ene naar het andere hart vlucht. Ontwaakte zielen realiseren zich dat het hart niet grillig is in zijn liefde voor andere harten, maar slechts de Ene God-Liefde liefheeft die in alle harten huist.


De Heer fluistert eeuwig en altijd zacht naar jou: Ik ben Liefde, maar om het geschenk van Liefde en het schenken daarvan te kunnen ervaren, verdeelde Ik Mij in drieën: Liefde zelf, degene die liefheeft en de geliefde. Mijn (Goddelijke) Liefde is prachtig, puur, eeuwig en altijd heerlijk en Ik proef er op vele manieren van, door vele vormen. Als vader drink Ik eerbiedige liefde uit de diepe bron van het hart van mijn kind. Als moeder drink Ik de nectar van onvoorwaardelijke liefde uit de zielenbeker van de kleine baby. Als kind drink Ik en voel Ik de beschermende liefde van vaders rechtvaardige rede. Als zuigeling drink Ik zonder enige bijbedoeling uit de heilige graal van moederlijke aandacht. Als meester drink Ik genegenheid uit de veldfles van de bedachtzame attenties van de bediende. Als bediende nip ik eerbiedig van de liefde uit de bokaal van meesters waardering. Als goeroe geniet Ik van de pure liefde uit de kelk van de leerling die zich in devotie geheel overgeeft. Als vriend drink Ik uit de als vanzelf klaterende fonteinen van spontane liefde. Als een goddelijke vriend drink Ik met grote teugen het kristalheldere water van kosmische Liefde die ontspringt uit het reservoir van alle harten die God aanbidden.

Slechts de Liefde heb Ik lief, maar Ik sta mijzelf toe om te worden misleid wanneer Ik als vader of moeder slechts aan het kind denk en voor hem voel; wanneer Ik als geliefde mijn liefde slechts laat uitgaan naar mijn beminde; wanneer ik als bediende alleen leef voor de meester. Maar omdat Ik slechts de Liefde liefheb, breek Ik uiteindelijk door deze misleiding van Mijn ontelbare gezichten van het menselijke ‘zelf’ heen. Om die reden breng Ik de vader over naar het astrale land wanneer hij vergeet dat het Mijn Liefde is en niet die van hem, die het kind beschermt. Om die reden haal Ik de baby van de borst van de moeder, opdat zij leert dat het Mijn Liefde is die zij in hem aanbad. Ik ontfutsel de beminde weg van hem die zich verbeeldde dat zij het was die hij liefhad, anders dan Mijn Liefde die in haar antwoordde.


Op die manier speelt Mijn Liefde verstoppertje in alle mensenharten, zodat iedereen de kans krijgt om Mijn Liefde zelf te leren ontdekken en vereren en niet de tijdelijke menselijke ontvangers van Mijn Liefde. Zodat iedereen in staat is om Mijn Liefde te ontdekken en vereren die danst van het ene naar het andere hart.


Mensen bedelen bij elkaar vanwege het “Hou van mij alleen” en dus maak ik hun lippen koud en verzegel ze voor altijd zodat zij die onwaarheid niet meer kunnen uitspreken. Omdat zij allemaal Mijn kinderen zijn, wil Ik dat zij de opperste waarheid spreken: “Hou van de Ene Liefde in ieder van ons”. Aan een ander te zeggen, “ik hou van jou” is vals tot het moment dat jij de waarheid beseft: “God als de Liefde in mij houdt van Zijn Liefde in jou”. De maan lacht om al die miljoenen goedbedoelende beminden die onbewust en onwetend aan hun geliefden de leugen vertelden: “ik hou eeuwig en altijd van jou”. Hun schedels zijn verstrooid over de winderige zandvlakte van de Eeuwigheid. Ze kunnen hun adem niet meer gebruiken om te zeggen “ik hou van jou”. Ze kunnen hun belofte om eeuwig en altijd van elkaar te houden niet meer herinneren noch inlossen.


Zonder één woord te spreken heb Ik jullie altijd liefgehad. Alleen Ik kan zeggen, “Ik heb je lief”, want Ik hield al van je van voor je was geboren; mijn Liefde geeft jou leven en bezielt je zelfs op dit ogenblik; en alleen Ik kan jou liefhebben nadat de poorten van de dood jou hebben opgesloten waar niemand, zelfs niet degene die jouw grootste liefde was, jou ooit kan bereiken.


Ik ben de Liefde die menselijke poppen laat dansen aan koorden van emoties en instincten, om het drama van liefde uit te spelen op het schouwtoneel van het leven. Mijn Liefde is prachtig waar je eeuwig van kunt genieten wanneer je alleen daarvan houdt; maar de levenslijn van jouw vrede en vreugde wordt afgesneden wanneer je in plaats daarvan verstrikt raakt in menselijke emoties en gehechtheden. Besef, Mijn kinderen, het is Mijn Liefde waarnaar je hunkert!


Diegenen die Mij liefhebben in de vorm van één enkel persoon of die Mij onvolmaakt liefhebben in één persoon, weten niet wat Liefde is. Alleen zij die Mij wijs, onberispelijk, compleet, in totale overgave liefhebben weten wat Liefde is; slechts diegenen die Mij volmaakt en in gelijke mate in alles liefhebben en die Mij volmaakt en in gelijke zin als alles liefhebben, weten wat Liefde is.




Teksten van Phil Bosmans.

 

Engelen zijn mensen die doorschijnend zijn. Het zijn mensen die 'licht' doorgeven. Waar ze zijn wordt alles helder en klaar. Het zijn mensen vol leven, die wat dood is tot leven brengen.

Engelen zijn mensen die een soort oorspronkelijke vreugde uit het paradijs hebben meegekregen. Geloof me, engelen zijn wezens van vlees en bloed, die op een onzicht­bare wijze de wereld rechthouden. Diep in hen voel je iets van het mysterie van een ondoorgrondelijke goedheid die door alles heen naar de mensen toe wil. In hen wordt een liefde tastbaar, die je zomaar omarmen wilt. Ik voel God in deze mensen tot me komen met zijn tederheid en zijn bezorgdheid.

 

Je bent met iets bezig. Je komt niet klaar. En via een onzichtbare antenne krijgt ergens iemand een ingeving, een soort bevel om je te benaderen en je te helpen, je een steun te zijn, je een duw te geven of om je te troosten.

'Je bent een engel,' zeg je dan. Je zegt het tegen een man, een vrouw, een jongen, een meisje. Geslacht en leeftijd spelen geen rol! Er komt iets goeds, iets heerlijks over je! Het leven wordt licht en alle pijn is weg!

 

Maar engelen kun je niet krijgen op bestelling. Ze komen dikwijls heel onver­wacht, zijn soms onopvallend aanwezig, wijzen je de weg en verdwijnen weer! Ik heb al heel wat engelen ontmoet! Soms kwamen ze uit de massa getreden, doken op uit de straat, gaven je een hand en losten je probleem op en verdwenen weer in de straat en in de massa. Naamloos, zonder te wachten op dank!

 

Er zijn nog engelen in de wereld! Maar er zijn te weinig engelen, daarom is er nog zoveel duisternis en zoveel ellende! God is op zoek naar engelen onder de mensen van nu. Maar te veel mensen zien Hem niet meer, horen Hem niet meer.

Ze hebben hun eigen antenne gestoord of afgebroken! Ze vangen niets meer op en geven niets meer door!

Kom, je bent een engel en er zijn in je eigen omgeving mensen genoeg voor wie je een engel kunt zijn!

 

**********************************************

 

Mens: je bent niet gemaakt voor de industrie, voor de productie, de bankrekening en de supermarkt. Je bent gemaakt om 'mens' te zijn! Je bent geschapen voor het licht, voor de vreugde, om te lachen en te zingen, om te leven in liefde en voor het geluk van je medemens.

 

Mens: je bent geschapen naar het beeld van een God die liefde is. Met handen om te geven, een hart om lief te hebben en twee armen juist lang genoeg om een ander te omhelzen!

 

**********************************************

 

Niemand is zo slecht als in zijn slechtste momenten. Niemand is zo goed als in zijn beste momenten! Het gevaar bestaat dat je een mens levenslang taxeert naar een begane fout. Mensen worden meestal vastgespijkerd op hun verkeerde houding en daden. En toch: een slechte eigenschap is nog geen slechte mens. Een slechte dag is nog geen slecht leven.

 

Als je kwaad denkt, zul je kwaad doen, stoot je af en maak je mensen slecht. Als je goed denkt, ga je de ander waarderen en zeg je: 'Je mag er zijn, je bent de moeite waard!'

Met goede mensen wordt alles weer goed. Goede mensen zijn een zegen voor deze wereld. Een goed mens ben je, als je geeft zonder aan jezelf te denken, zonder je af te vragen of het iets uithaalt en zonder op dank te wachten.

 

**********************************************

 

Leven is 'leven met anderen'! Leven met anderen is leven met hen, met wie ik alles moet delen. Die ik moet aanvaarden, die ik geen pijn mag doen, die ik moet lief­hebben.

Zonder anderen is leven, liefhebben en gelukkig zijn een utopie! We zijn door ontelbare banden met elkaar verbonden. Ik kom pas tot ontplooiing dankzij de anderen. Ik heb de anderen nodig... niet alleen omdat zij zoveel voor mij doen maar ook omdat ik zoveel voor die anderen kan betekenen.

Ik heb ogen en oren om de anderen te ontdekken, voeten om naar hen toe te gaan, handen om te geven en te helpen en een hart om lief te hebben.

 

**********************************************

 

De zon is voor velen de gewoonste zaak van de wereld.

Toch doet ze elke dag een wonder.

Ze steekt het licht en het vuur voor me aan.

Ze vecht tegen de wolken om me te zien en me een mooie dag te schenken.

's Nachts gaat ze naar de andere kant van de aarde om ook daar de mensen haar licht te schenken.

Doof ik de zon, dan zit ik in de zwartste duisternis en de ijzigste kou.

Zo is het met de liefde.

Gaat de liefde op in m'n leven, dan brengt ze licht en warmte.

Als ik de liefde heb, kan ik veel missen.

Maar als de liefde ondergaat in m'n leven, worden de schaduwen steeds groter

en geraak ik stilaan in de nacht en in de kou.

Een klein verrijzenisverhaal.

 

 

Eens was er een tweeling, een meisje en een jongen, die in de baarmoeder een gesprek voerden.

 

Het meisje zei tegen haar broertje:

- Ik geloof dat er leven is na de geboorte.

Het broertje wilde daar niets van weten.

- Nee, dit is alles wat er is. Het is hier donker en prettig. We hoeven niets te doen en worden goed gevoed.

Maar het meisje hield vol:

- Er moet toch meer zijn dan deze donkere plek, er moet ergens licht zijn en ruimte om te bewegen.

Maar haar tweelingbroer liet zich nóg steeds niet overtuigen.

 

Na een pauze zei zijn zusje aarzelend:

- Er is nog iets dat ik je zou willen zeggen, al ben ik bang dat je dat ook niet zult geloven: ik denk dat we een moeder hebben.

Nu werd haar broertje razend.

- Een moeder, een moeder? - riep hij - Waar heb je het over? Ik heb nog nooit een moeder gezien, en jij al evenmin. Waar haal je dat idee vandaan? Zoals ik al heb gezegd, er bestaat niets anders dan dit! Waarom moet je zo nodig meer hebben? We hebben het hier toch niet slecht? Ons ontbreekt niets hier, dus hebben we alle reden om tevreden te zijn.

 

Zijn zusje was uit het veld geslagen door de reactie van haar broertje, en durfde een poos niets meer te zeggen. Toch bleven deze gedachten haar bezighouden, en omdat ze niemand anders had om mee te praten dan haar tweelingbroertje, zei ze tenslotte:

- Voel je niet af en toe die samentrekkingen? Het is geen gevoel, en soms doet het echt pijn.

- Ja, - antwoordde hij - wat is daar zo bijzonder aan?

- Nou, - zei het zusje - ik denk dat die samentrekkingen ertoe dienen om ons voor te bereiden op de overgang naar een nieuwe plaats, waar het veel mooier is dan hier, waar we onze moeder van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Lijkt je dat geen mooi vooruitzicht?

 

Haar broertje gaf geen antwoord. Hij had genoeg van het gebazel van zijn zusje, en besloot geen aandacht meer aan haar te schenken; misschien zou ze hem dan met rust laten.

 

Bron: We vonden het verhaal in een boek van Henri Nouwen: Met de dood voor ogen.

Tielt: Lannoo, 1994

Als er na de dood

 

 

Als er na de dood nu eens niets meer komt...?
Is het leven er dan anders om geweest?
Zou je anders leven wanneer er niets meer kwam?
Gesteld dat we voor eeuwig insliepen en dat je je achteraf
niet eens meer kunt realiseren dat ze je met hun verhalen
over het hiernamaals bij de bok hebben genomen..

Zou dat dan een reden zijn om nu anders te zijn?
Zou ik dan bloemen gaan vertrappen of kinderen slaan?
Zou ik dan mensen pijn doen of kameraden verraden?
Zou ik met minder eerbied naar de sterrenhemel kijken?
Zou ik minder verlangen niet te hoeven sterven?

Ik zou er alleen verdriet over hebben,
dat mijn hunkering naar eeuwig leven bedrog is in mij.
Dat mijn hartenwensen niet betrouwbaar zijn.
Dat mijn fantasie niet betrouwbaar is.
Dat de grote godsdiensten der wereld apekool zijn.

Maar dat bedrog zal ik dan delen met een geliefde.
We zullen er samen om huilen.
We zullen zeggen: onze harten zijn bedrieglijk.
Laten we elkaar vasthouden in deze wanhopige toestand.
En dat zullen wij dan doen.

En onderhand zal opnieuw de twijfel komen.
Want we zullen voelen: deze liefde is geen bedrog.
Het is niet waar dat het allemaal niet waar is.
We voelen, we ruiken, we proeven onsterfelijkheid.

Nieuwsgierig zullen we sterven.
En zo moet het ook.

(Fons Jansen)

Hij tekende overal ramen.

 

Hij tekende overal ramen.

Op te hoge muren,

op te lage muren,

op wanden die stompe hoeken maken,

in de lucht en zelfs op de daken.

 

Hij tekende ramen alsof het vogels waren.

Op de grond, in de nachten,

in de voelbaar dove blikken,

in de omgeving van de dood,

op de graven, in de bomen.

 

Hij tekende zelfs ramen op de deuren.

Maar hij tekende nooit een deur.

Hij wilde niet naar binnen en niet naar buiten.

Hij wist dat het onmogelijk is.

Hij wilde alleen zien: zien.

Hij tekende ramen.

Overal.

 

Robert Juarroz.

 

Huiver.

 

Huiver

siddering

voelen: dit is heilige grond

gegrepen worden

aangeraakt

weten: hier heb ik geen woorden voor

ik stamel en stotter

 

de huid van de geliefde die ik vereer

kaarsrechte bomen in een stil bos

tapijten van bosanemonen en hyacinten

vuurrood de ondergaande zon

paarden biddend stil in een wei

roerloos de buizerd in een ijle lucht

een kind dat zalig slaapt

een bewegingloze namiddag in huis

zwaluwen gierend over de daken

een bloeiende lentetuin

 

soms kan het heilige

je naderen

en voel je de warme adem

van de geest –

zegening,

stilte,

zwijgen,

het hart vol schroom.

 

Uit: Een weg naar binnen. Marcel Ploem

 

 

Intiem testament.

 

Laat ik je dit nog zeggen,

voor de dood mij komt halen,

zoek niet in de tuin van mijn leven,

je zou er verdwalen,

ga ook niet in ’t huis,

laat van dat oud kasteel

de deuren en ramen gesloten, er zijn er teveel.

 

De kamers klagen, de wanden krommen zich

onder ongeneeslijke kwalen,

’s nachts spoken er wat anderen

mij hebben aangedaan: haat er verraad,

ik wil niet dat jouw jeugd

aan die huiver ten gronde gaat.

 

Dit heb ik liefgehad: het zuivere dagbegin;

hoor: tientallen vogeltjes groeten het rood

aan de heuvelrand.

En later, als de zon in het zenith brandt,

zit dan neer in de schaduw van de platanen,

geniet van de middagrust

in de koelte dier loofrijke lanen.

 

Nog later, als de schemer des avonds

je eenzaam vindt,

ga dan naar ’t hart van het dorp, mijn kind,

warm je aan de eenvoud der simpelen;

soms, wellicht, zal een oude man gaan spreken;

luister naar diens schoon, wijs verhaal --

het zal je droefheid doorbreken.

 

Want leed, naarmate je dieper bemint,

zal er komen

en veel liefs zal je deel zijn,

kind van mij en mijn dromen.

Maar ook dan: roep mij niet terug

uit die tienduizend dingen

waartoe ik ben ingegaan. –

Ook zo,zal ik bij je zijn: in het donkere zingen

van de wind in de schemering,

in ’t fluisteren ’s nachts van de bomen.

Maar ook in het licht zal ik zijn,

in de gouden-gloed van je jeugd-blijde dromen.

Toelachen zal ik je uit de bloesems

van de perelaar,

ook in de geuren der aarde zal ik zijn,

het rijp aroom der tamarinde.

 

In alles wat vrucht draagt,

de bronstroep van de adelaar,

en bij de bruidsdans van de reebok

om de schoon-schuwe hinde

zal ik ’t adembenemende rythme slaan.

Roep mij dus niet, maar ontvang de schoonheid

van ’t leven met wijd open zinnen:

Zo zal ik tot je komen

uit de tienduizend dingen.

 

Laat anderen hun waan.

Je zou vruchteloos zoeken.

Zelden straalt er waarlijk-groots

uit hun woorden, hun boeken.

Onder ’t mom je te troosten doen ze je pijn.

Blijf liever alleen met je eenzame

maar onbezoedelde smart.

 

En laat wat je heugt van mij stil en in vrede zijn.

Dicht bij de vruchtbare aarde. En diep in je hart.

 

(Louis de Bourbon)

uit: Mag ik bij jou wenen? Marcel Ploem

 

Verdriet is bewogen worden: een vraag.

 

Als ik in mij kijk

of mensen mij uitnodigen en toelaten

om in hen te kijken,

naar verdriet,

verdriet dat plots invalt als een bliksem,

verdriet dat blijft hangen als een mist,

verdriet dat beangstigt als de nacht,

verdriet dat versteent met de dag,

verdriet dat pijn wordt en lijden,

als ik zoek in dit duizendkoppig gevoel

wat het is,

hoe het een naam geven,

hoe het in mij en de ander bestaat,

of ik verdriet héb

of ik het bén,

heeft het een vaste plaats en wààr dan,

kruipt het rond en hòe dan,

komt het vanbuiten of groeit het vanbinnen,

doe ik het mij aan of wordt het mij aangedaan,

dan is mij dit duidelijk:

Verdriet is bewogen worden: een vraag.

Soms een vraag van mij aan mij.

Soms een vraag van mij aan een ander

of omgekeerd.

Soms het leven zelf in vraag.

Soms weigering van alleen vraag.

Verdriet heeft met leven te maken.

Het staat midden in mijn leven.

Het staat midden in het leven van elke mens.

 

Verdriet is een vragend signaal

dat in het hoofd

of het hart

of het bekken

of doorstromend van kop tot teen,

me helemaal doorhuivert en doortrekt,

om te beseffen wat er gaande is.

 

Verdriet is misschien

een van deze inwendige zintuigen

die we nauwelijks nog kennen,

laat staan ze ontwikkeld hebben.

Zo is het averechts gaan werken.

In plaats van gezichtsverbredend,

vernauwt het onze horizon.

Het maakt het leven kleurloos,

terwijl het juist dingen in de verf wil zetten.

Alles wordt smaakloos

daar waar het juist bedoelt

het gebeuren te dòòrproeven.

Het werkt verlammend,

terwijl het eigenlijk tot nieuw leven wil wekken.

 

Verdriet is de vraag

wat en in welke mate ik

de dingen, de wereld, de mensen

als bezit beschouw,

vasthoudend,

aan mij hecht.

 

Verdriet is een boodschapper,

helder of troebel

al naargelang de zuiverheid,

de verfijning van het instrument – ikzelf -,

van op komst zijnde verandering, het gaat gebeuren –

van gekomen verandering, het is gebeurd –

van omgekomen verandering, het is verbeurd –

en hoe ik hierop reageer.

 

Het openbaart mij

mijn vermogen om los te laten.

Zoals koorts mij waarschuwt

over mijn fysieke toestand,

zo geeft verdriet signalen

over mijn zieletoestand.

 

Het is erg verontrustend

dat wij als moderne mensen

koorts en verdriet wegbannen uit het leven.

Zo maken wij

onze beste zintuigen

tot vijandige vermogens.

 

Verdriet is een soort weerstandsmeter.

Het peilt mijn verzet

tegen de Weg die ik moet gaan,

mijn eigen Weg,

mijn Weg samen met anderen.

Het is het onvoorziene stuk

het veroverde terrein dat ik moet prijsgeven,

datgene wat ik nog niet begrijp

en weet te herkennen als mijn Weg.

 

Verdriet verklaart me iets

van mijn verstarring:

piekerend en tobbend mijn hoofd stoten,

te pletter lopen in een doolhof van rationalisatie –

of mij te weer stellen,

mijn hart opvreten,

er het hart van in zijn,

een hoge borst opzetten,

het slecht verteren,

zelf verdriet worden

het ondergaan,

erin ten onder-gaan.

 

Uit: Mag ik bij jou wenen? Marcel Ploem

Vriendelijkheid.

 

Vriendelijkheid is niet die artificiële smile

waardoor ik goed overkom,

die niet dieper en verder gaat dan mijn lippen,

dan het kunstmatige masker

waarachter ik mijn berekening verschuil.

Ze is vrucht van aandacht, met het hart,

de volkomen bereidheid om aanwezig te zijn

bij dat wat is.

Ze is een langzame vrucht,

geen overhaast gewonnen buitenkant.

Ze is binnenkant,

gloed zoals vuur vanuit een kern kan gloeien.

Ze is dagelijks:

een dagelijkse oefening,

dagelijks gewoon.

Er is niets sentationeels aan vriendelijkheid

en toch onweerstaanbaar.

Er is niets veroverends aan vriendelijkheid

en toch overwint ze alles.

Ze strijdt niet

Ze snijdt niet.

Ze maakt geen omwegen.

Ze eist niets terug.

Ze is vrij en verhelderend.

Ze is vrij en bevrijdend.

Liefdevolle vriendelijkheid is een parel,

langzaam groeiend in de schelp van de ziel.

Voed je aan de oceaan van goddelijke energie

die in alles aanwezig is.

 

(Marcel Ploem. Uit: Een weg naar binnen)

 

 

 

 

Uit: Wegen van de ziel.

 

Velen vrezen het onbekende,

en datgene wat een allesoverheersende

duisternis lijkt te zijn.

 

Jullie benaderen ons met onzekerheid.

En toch is alles hier licht…

En toch is alles hier vrede…

En toch is alles hier schoonheid.

 

Voor elk ziel die de leegte

tussen twee werelden overschrijdt,

staat een ziel te wachten,

met uitgestoken hand en een hart vol vreugde.

 

Jullie zullen begroet en welkom geheten worden.

Er zal een viering zijn.

Want de zielen die al vertrokken zijn…

van jullie aarde weggegaan zijn…

zullen de vreugde van de hereniging waar

wij het al over gehad hebben, kennen.

 

Niemand zal alleen de tunnel in gaan.

Niemand zal het pad naar de dood

hoeven te bewandelen zonder hulp

en een leidende hand.

 

Er zal altijd iemand tegen je fluisteren:

“Kijk naar het licht.”

En daar zul je naartoe getrokken worden.

En je zult opgewonden stemmen horen.

Want zij die je opwachten

bij wat jij als dood beschouwt,

staan al klaar om je geboorte te vieren.

 

Vrees dus niet,

want de dood is een pijnloze ervaring.

de angst om bij degenen die je achterlaat

weg te gaan, bij hen die van je houden,

zal verdwijnen… want

je zult hen nog steeds zien.

En je zult nog steeds bij hun leven

betrokken kunnen zijn…

en kunnen zien hoe ze groeien…

en je zult ze kunnen steunen.

 

Dood is geen straf!!!

 

Je gaat een nieuwe reis maken…

Je ticket is betaald…

Je plaats is besproken.

Je zult onze kust veilig bereiken…

en niemand zal hier alleen komen..

en voor niemand zal het een eenzame reis zijn,

want er zijn altijd zielen die op je wachten,

vol vreugde en met geluk in hun hart,

omdat je veilig bij ons bent teruggekeerd.

 

(Rosemary Altea)

Woorden zijn hefbomen.

 

Woorden zetten iets in beweging.

Woorden,

gevuld met gedachten van afbraak en haat,

verdelen de mensen,

zaaien onrust en leiden tot geweld.

Woorden,

gevuld met kracht van liefde,

brengen vreugde,

maken mensen nieuw en scheppen

een betere wereld.

Woorden kunnen mensen veranderen.

Ieder woord is een gebeurtenis.

Een woord dat het hart raakt,

verandert het hart.

Een woord, gesproken of gelezen

op een juist moment,

is als brood tijdens een hongersnood.

 

(Phil Bosmans)

Enkele Parabels van Sri Ramakrishna

 

Fanatisme is een andere naam voor onwetendheid

 

Een kikker woonde in een bron; daar zat hij al geruime tijd. Hij was er geboren en getogen. Hij was een kleine, onooglijke kikker. Op een dag viel er een zee-kikker in die bron. De bron-kikker vroeg aan de onverwachte bezoe­ker: 'Waar kom je vandaan?'

'Ik kom uit de zee' antwoordde de zee-kikker.

'De zee? Hoe groot is die zee dan wel?'

'Oh! Heel groot!!'

De bronkikker strekte al zijn ledematen en vroeg: 'Is de zee dan zó groot?'

‘Ach, welnee, véél groter!'

Dan nam de bron-kikker een geweldige aan­loop en sprong van de ene kant van de bron naar de andere en vroeg: 'Is de zee zo groot als mijn bron?'

'Beste vriend,' mopperde de zee-kikker, 'hoe kom je erbij om de zee te vergelijken met dit onbeduidende plasje water?'

De bron-kikker was op zijn teentjes getrapt: 'Niets daarvan, niets kan groter zijn dan mijn bron! Er bestaat absoluut niets groters dan mijn bron! Die kikker is een leugenaar; dat hij maar vlug ophoepelt!'

 

Zo is het gesteld met eenieder die kleingeestig is. Gezeten in zijn eigen kleine bronnetje, denkt hij dat de hele wereld niet groter kan zijn dan dat.

 

Alles wat je buiten jezelf zoekt is uiteindelijk in jezelf te vinden

 

Iemand wilde roken en ging naar het huis van de buren om zijn houtskool aan te steken. Het was nacht en het hele huisgezin sliep. Nadat hij een tijdlang had staan kloppen ging de deur open.

'Wat is er aan de hand?' vroeg de heer des huizes.

'Dat kun je wel raden, buurman, je weet dat ik zo gek op roken ben. Mag ik mijn houtskool aansteken?'

'Jij bent ook een mooie!', zei de buurman, 'je hebt je zoveel moeite getroost om hierheen te komen en aan te kloppen, terwijl je zelf een brandende lantaarn in je hand hebt!'

 

Wat we zoeken zit vaak heel dicht bij ons; toch trekken we van plaats tot plaats om het te vinden!

 

Bijten mag niet, maar sissen wel!

 

Op een plek waar koeienjongens hun vee lie­ten grazen leefde eens een erg giftige slang. Iedereen was bang voor het dier en steeds op zijn hoede. Op een dag kwam er een monnik voorbij die plek. De jongens renden op hem af en zeiden: 'Eerwaarde, U kunt hier beter uit de buurt blijven, want er zit een heel gevaar­lijke gifslang.' 'Ach, kinderen, dat doet er niet toe; ik ken enkele mantra's.' De monnik ver­volgde zijn weg, terwijl de jongens, uit angst voor de slang, achterbleven. Intussen kron­kelde de slang snel en met opgeheven kop dreigend op de monnik af. Zodra hij vlakbij gekomen was prevelde de monnik een mantra, waarna de slang zich als een regenworm aan zijn voeten vleide. De asceet sprak: 'Luister eens, slang, waarom doe je iedereen kwaad? Kom hier, ik zal je een heilige formule geven; door deze voortdurend te herhalen zul je leren om God lief te hebben en uiteindelijk zul je Hem realiseren en zul je verlost worden van je oude agressieve gewoonten.'

 

Zo gezegd, zo gedaan. De slang kreeg een mantram en werd geïnitieerd in het spirituele leven. Hij boog neer voor zijn goeroe en sprak: 'Eerwaarde Heer, wat moet ik doen om spiritueel te groeien?'

'Herhaal dit heilige woord', sprak de goeroe, ‘en doe niemand meer kwaad.' Terwijl de yogi aanstalten maakte om verder te gaan, zei hij nog: 'We zullen elkaar wel weerzien, tot dan!'

 

Enkele dagen gingen voorbij en het was de jongens opgevallen dat de slang niet meer beet. Ze bekogelden hem met stenen en hij gedroeg zich als een regenworm. Op een dag kwam een van de jongens zo dicht bij dat hij de slang bij de staart pakte en hem keer op keer in het rond zwierde om hem ten slotte neer te smakken tegen de rotsen. De slang spuwde bloed en verloor het bewustzijn. Hij was ver­lamd en niet meer in staat om te bewegen. De jongens lieten hem voor dood achter en gin­gen weg.

 

's Avonds laat kwam de slang langzaam bij. Met veel moeite slaagde hij erin om zijn li­chaam naar zijn schuilplaats te slepen. Door­ dat vele van zijn ribben gekneusd waren kon hij amper bewegen. Zo gingen vele dagen voorbij. De slang werd steeds magerder en zag er tenslotte uit als een skelet met een vel er­over. Af en toe durfde hij 's nachts naar buiten te gaan om wat voedsel te zoeken, maar over­dag bleef hij in zijn hol uit vrees voor de jongens. Sinds hij de mant ram gekregen had, had hij niemand meer kwaad berokkend en om zelf in leven te kunnen blijven at hij afval; bladeren en fruit dat van de bomen was geval­len.

 

Een jaar later kwam dezelfde monnik voorbij diezelfde plek en hij vroeg aan de jongens of ze de slang nog gezien hadden. Zij vertelden hem dat de slang al lang dood was. Dat kon de monnik niet geloven, want hij wist dat de slang niet zou sterven zonder de vruchten geplukt te hebben van de beoefening van de mantram, die hij hem gegeven had. Hij ging dus op zoek terwijl hij de slang bij de naam riep. Toen de slang de stem van zijn goeroe hoorde kwam hij te voorschijn uit zijn hol en boog diep uit respect voor zijn leraar.

'Hoe gaat het met je?' vroeg de monnik. De slang antwoordde: 'Alles gaat wel, goeroe-ji' 'Maar waarom ben je dan zo mager?' vroeg de leraar. De slang antwoordde: 'Meester, U hebt me opgedragen om niemand meer kwaad te doen. Vandaar dat ik leef op een dieet van bladeren en fruit; misschien ben ik daardoor wat afgevallen.'

Doordat de slang sattvisch geworden was, kon hij op niemand meer boos zijn. Hij was totaal vergeten dat die koeienjongens hem dood wilden maken. De yogi sprak: 'Het is onmoge­lijk dat je alleen door gebrek aan voedsel er zó uitziet! Er is vast nog iets anders voorgevallen; denk eens goed na.' Dat deed de slang en langzaam begon hij zich te herinneren dat de jongens hem tegen de rotsen gesmakt hadden. 'Oh, ja,' - zei hij - 'nu herinner ik me dat de jongens me mishandelden, maar zij zijn zich niet bewust van wat ze deden. Zij wisten na­tuurlijk niet dat ik helemaal veranderd was. Hoe konden zij vermoeden dat ik niet meer zou bijten en niemand meer kwaad zou berok­kenen?'

De yogi riep: 'Schaam je je niet! Ben je nou helemaal gek? Weet je dan niet meer hoe je je beschermen moet! Ik heb je gevraagd om niet te bijten, maar ik heb je niet verboden om te sissen! Waarom heb je ze niet weggejaagd door te sissen?'

 

Zo is het ook voor ons noodzakelijk om soms aan slechtwillende mensen onze tanden te la­ten zien! Af en toe moeten we ze afschrikken, anders worden we zelf gepakt. Maar... we mogen niet met vergif spuiten en anderen kwaad berokkenen.

 

Bron: Prana 47 – voorjaar 1987

 

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL