REÏNCARNATIE
door verschillende auteurs.

 

Hans Stolp - Jozef Rulof - Dr. Kelsey - Henri de Vidal de St. GermainSwami Vivekananda - Joanne Klink

De heilige wetten van karma en reïncarnatie

Hans Stolp (pastor en auteur)

 

8 oktober 2005 Amersfoort

Een belangrijke vraag:

 

Onlangs kreeg ik een brief van iemand met een vraag over karma en reïncarnatie. Wat er in die brief stond, raakte me. Het ging namelijk over het misbruik van de heilige wetten van karma en reïncarnatie. Een misbruik, waarover ik vaker hoor, en waarvoor ik regelmatig waarschuw. Nu is het inzicht in karma en reïncarnatie een groot geschenk dat wij in deze tijd vanuit de geestelijke wereld ontvangen hebben. Het heeft mij bijvoorbeeld niet alleen geholpen mijn eigen leven of de grote geheimen van onze tijd beter te begrijpen, maar het heeft mij ook geholpen (iets van) het geheim van Jezus Christus te verstaan. Dat is dus geen gering geschenk! Maar juist daarom vind ik het belangrijk dat wij wél op een zuivere en liefdevolle manier over karma en reïncarnatie leren praten, en dat wij dit geschenk niet kapot maken door er op een verkeerde manier mee om te gaan. Daarom ga ik graag nog eens op dit thema in. Ik vroeg mijn briefschrijfster of ik een paar fragmenten uit haar brief in Verwachting mocht afdrukken. Dat mocht, en dus volgen nu eerst die fragmenten:

 

Een kennis van mij heeft verschillende lezingen van jou bijgewoond en is al veel ‘verder' in

al deze - voor mij nog zeer prille - begrippen, overwegingen en ontdekkingen, dan ik ben. Ze vertelde me dat ze in haar werk ­orthopedische hulp en healing aan kinderen met verschillende geestelijke en lichamelijke handicaps - naar een gehandicapt kind de opmerking had gemaakt: “Och, en dat ie ook nog zelf voor dit leven hebt gekozen!"

Ze had deze opmerking gemaakt voortvloeiend uit haar overtuiging van reïncarnatie. Het kind had haar met grote ogen aangekeken, waaruit mijn kennis de overtuiging kreeg dat het DUS waar was wat ze had gezegd....

 

Ik was ~ en ben nog steeds ~ erg geschrokken van deze opmerking.

 

Vroeg haar of je dat ook zomaar kon zeggen, ALS HET AL WAAR ZOU ZIJN…..          

Maar  haar overtuiging dat je zelf voor zo’n leven koos, klonk erg overtuigend. Dat was de consequentie van reïncarnatie.

Ik voelde en voel me nog erg ongelukkig hiermee. Het haakte vreselijk bij mij en ik kwam er niet mee in het reine. Hoe kon je dit zomaar zeggen tegen zo'n hulpeloos mensje?

Alsjeblieft Hans, HOE ZIT DAT? VERTEL HET ME.

 

Laat ik meteen maar luid en duidelijk zeggen dat ik een opmerking als hierboven onjuist (want in strijd met de wet van de liefde) vind. Meestal ben ik - uit respect voor anderen - tamelijk voorzichtig in mijn uitspraken, maar in dit geval ben ik maar het liefst heel duidelijk. Omwille van de liefde. En om de zuiverheid van het inzicht in karma en reïncarnatie te behoeden. Je mag namelijk nooit tegen een ander die een zware levensweg heeft, zeggen: 'Daar heb je nu eenmaal zelf voor gekozen.'

 

Er zijn allerlei redenen voor, waarom je dat niet mag zeggen. Maar de belangrijkste reden is simpelweg dat een dergelijke opmerking liefdeloos is. Liefde vraagt van mij niet om de ellende van een ander te verkláren, het vraagt 'alleen maar' van mij om mijn hart open te zetten voor de pijn en het verdriet van de ander, om dat op die manier te delen. En als je wérkelijk je hart open zet voor (bijvoorbeeld) een gehandicapt kind, dan begrijp je zelf ook even niet meer, waarom zo'n kind zoveel verdragen moet. Ik vergeet tenminste alles wat ik over karma en reïncarnatie weet, zodra ik de wanhoop en/of het verdriet van de ander in de ogen van de ander zie, dat in mijn hart toelaat en dat vanbinnen probeer te doorvoelen.

 

Op zo'n moment sterven van louter verdriet alle woorden in mijn mond en voel ik mij zó machteloos, dat ik in die situatie alles vergeet wat ik weet.

Verklaren is volgens mij dan ook in wezen een geraffineerde poging om de machteloosheid te ontlopen die je voelt als je wérkelijk in eigen hart de pijn van een ander doorvoelt en meedraagt. Verklaren betekent dat je als het ware afstandelijk naar de ander kijkt en dat je je hart gesloten houdt en begint na te denken over het waarom. liefde verbiedt ons echter niet alleen om de ellende van een ander te verklaren, het maakt het ons zelfs onmogelijk om dat te doen! Gewoon, omdat je dan geen woorden meer hebt.

 

 

 

   

 

Maak er geen dogma van!!!

 

Er is een prachtig voorbeeld uit het verleden. In de bijbel staat de ontroerende geschiedenis van Job, de man die ooit de rijkste mens op aarde was, maar die alles verloor: zijn bezit, zijn slavinnen en slaven, al zijn vee en tenslotte ook nog eens al zijn kinderen, zeven zoons en drie dochters. Deze Job zei, toen hij alles verloren had en oog in oog stond met de puinhoop van zijn leven: 'De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen. De naam des Heren zij gelooft.' [1]

 

Als je deze reactie van Job in alle rust tot in je hart laat doordringen, dan begin je het indrukwekkende van dat antwoord te voelen - en daarmee de geestelijke grootsheid van Job. Op de een of andere manier weet hij zijn vertrouwen in God te bewaren, hoe groot zijn ellende ook is. Als ik mij probeer te verplaatsen in Job, dan weet ik niet, of ik zelf deze grootheid van hart zou kunnen opbrengen als ik in een soortgelijke situatie terecht zou komen. Ik denk eigenlijk van niet.

 

Deze uitspraak van Job mag je rustig een persoonlijke belijdenis noemen. En het staat als een kleinood in de bijbel, als een verre bemoediging voor wie het moeilijk heeft: het kán, er zijn mensen die dwars door alles heen het vertrouwen weten te bewaren. Dit voorbeeld van Job helpt ons dan ook om in moeilijke situaties te bidden: 'Alsjeblieft God, help mij om mijn vertrouwen niet te verliezen, juist nu ik het zo nodig heb. Geef mij alsjeblieft iets van de kracht van Job.'

 

Nu zijn er verschillende verhalen uit het verleden die allemaal ongeveer hetzelfde vertellen: dat het in de tijd vóór de Tweede Wereldoorlog wel gebeurde dat dominee of pastoor op bezoek ging bij een gezin dat zojuist een kind aan de dood had verloren - iets dat in vroeger tijden natuurlijk regelmatig voorkwam. De verhalen vertellen dat het nog wel eens voorkwam dat dominee of pastoor tegen de bedroefde ouders zei: 'Jullie moeten maar denken: de Here heeft gegeven, de Here heeft genomen. De naam des Heren zij geloofd.' Tegenwoordig kunnen we nauwelijks meer begrijpen dat zoiets vroeger gezegd kon worden. Het is zo hard. Toch was dat toen min of meer 'gewoon'.

 

Nu gaat het mij er om wat er nu eigenlijk in zo'n situatie gebeurt: dat een persoonlijke belijdenis of geloofsuitspraak van Job ineens tot dogma wordt. En dat dominee of pastoor zo'n persoonlijke uitspraak nu ineens gaat gebruiken als iets dat je kennelijk op alle mogelijke situaties kunt toepassen. Maar als je dat doet wordt diezelfde uitspraak, die eerst zo ontroerend was, ineens meedogenloos! Het wordt dan een uitspraak die mensen pijn doet en zeker geen troost geeft. Het wordt een dogma waarmee dominee en pastoor mensen om de oren slaan. Dat mag dus niet! Zó mag je deze persoonlijke geloofsbelijdenis van Job niet misbruiken. Alleen de mens zelf die door de diepste ellende heengaat, mag zoiets zeggen. Een buitenstaander mag dat niet.

 

Gewoon, omdat hij of zij het niet zelf ervaart en dus niet weet waarover zij of hij het heeft.

Van dit voorbeeld kunnen we leren om dat dus nooit te doen: de persoonlijke (geloofs)uitspraken van een enkel mens op iedereen toe te passen en tot dogma te verklaren. Wanneer je dat doet, ben je verkeerd - want liefdeloos - bezig. Toegepast op karma en reïncarnatie betekent dat dit: als je inzicht ontvangt in de heilige wetten van karma en reïncarnatie gaat het erom dat je die vooral gebruikt vóór en toepast óp je éigen leven. Alleen voor jezelf, en niet om allerlei situaties of onbegrijpelijke lotgevallen van andere mensen te verklaren.

 

Je eigen verantwoordelijkheid leren dragen Maar wat betekenen die heilige wetten voor mij persoonlijk dan? Heel eenvoudig dit: dat ik bij moeilijke of pijnlijke levenservaringen die ik moet doorstaan, niet de schuld aan anderen geef en naar anderen wijs als de oorzaak van mijn verdriet, maar dat ik tegen mezelf zeg: 'Hans, op de een of andere manier heb je hier kennelijk zelf voor gekozen. Geef dus niet anderen de schuld, maar vraag je af wat je hiervan te leren hebt.' Als ik probeer op deze manier met de moeilijke situaties van mijn leven om te gaan, dan helpt dit inzicht in reïncarnatie mij om mij niet in het slachtofferschap op te sluiten (en dus verbitterd te raken) en om steeds maar de schuld bij anderen neer te leggen, maar om daarentegen door de pijn heen te gaan en wijzer te worden, liefdevoller en milder. Als ik op deze manier met de moeilijke ervaringen van mijn leven omga, dan verover ik daarmee een innerlijke winst op die pijnlijke ervaringen. En door er zó mee om te gaan leer ik bovendien ook nog eens precies de levensles die ik mij eens, voor mijn geboorte in de geestelijke wereld, voorgenomen had te leren.

 

Karma en reïncarnatie zijn dus bedoeld voor mij persoonlijk. Om mij te leren mijn verantwoordelijkheid op mij te nemen, en niet langer naar anderen te wijzen. Op die manier bevrijdt dit inzicht mij van het slachtofferschap, helpt mij mijn eigen verantwoordelijkheid te leren dragen en maakt het mij mogelijk om geestelijk te groeien. Op deze manier gezien is dit inzicht dus een groot geschenk!

 Zo ervaar ik dat zelf tenminste. En zó is dit inzicht

(alleen maar) bedoeld! Als een hulp op je eigen levensweg, en nooit om het leven van een ander te verklaren!

 

Daarnaast helpt dit inzicht mij om dingen te begrijpen die ik vroeger nooit begreep. Het leert mij bijvoorbeeld dat ik niet kan zeggen dat God de oorzaak is van alle ellende. Karma en reïncarnatie leren mij nu juist dat die ellende onze eigen ellende is: die hebben wij zelf in vorige levens veroorzaakt! Als je maar in één leven gelooft, dan valt het niet te begrijpen, waarom de ene mens maar tien jaar oud wordt en in die tien jaar allerlei narigheid meemaakt, en de ander minstens tachtig wordt, en ondanks het feit dat hij of zij veel mensen kwaad doet, toch alleen maar voorspoed meemaakt. Hoe kan dat?

 

Vroeger dachten wij dat Gód dat zo regelde en vroegen wij ons af: 'Waarom doet God dat?' Nu weten we dat we niet kunnen zeggen dat God dat doet, maar dat wij zelf voor die lessen gekozen hebben, en dat ze vaak voortvloeien uit wat we in vorige levens deden. De fouten die we in vorige levens maakten, mógen we overigens maken, want je kunt alleen groeien met vallen en opstaan. Maar wel krijgen we die fouten net zolang voorgeschoteld tot we het eindelijk op de goede manier leren doen. Enfin, voor dit thema verwijs ik graag naar mijn boek Karma, reïncarnatie en christelijk geloof dat zojuist in herdruk verschenen is. Daarin bespreek ik deze thema's uitgebreid. (En nu ik het er toch over heb: Ten Have, mijn uitgever, bedankt voor deze herdruk! Heel wat mensen benaderden Ten Have met de vraag of er geen herdruk kon komen van dit boek - en deze herdruk is van al die verzoeken het resultaat. Leuk hé? Naast Ten Have dus ook jullie bedankt voor al die brieven, mails en telefoontjes aan de uitgever!)



[1]  Job 1 : 21

 

 

Niet alles is karma...

 

Heel belangrijk is het om ons - in het kader van het thema dat we bespreken -   te realiseren dat we niet moeten denken dat wij nu ineens voor de volle honderd procent beginnen te begrijpen waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Denk niet dat je met dit inzicht in karma en reïncarnatie in de hand, nu ineens alles kunt begrijpen en verklaren. Blijf alsjeblieft bescheiden! En denk vooral niet dat wij nu in staat zijn het karma van een ander te doorgronden. Wie dat denkt te kunnen, gaat in wezen op de stoel van God zitten - en dat lijkt me niet de plaats waar een mens hoort te zitten...

 

Er zijn namelijk zoveel redenen, waarom ons bepaalde dingen overkomen. En daarom maken we een grote fout als we alles meteen maar uit persoonlijk karma willen verklaren, in de zin van 'daar heb je zelf voor gekozen.'

 

Een prachtig voorbeeld dat ons iets duidelijk maakt over de duizelingwekkende grootsheid van de karmische wetten, en dat ons bescheidenheid leert bij de verklaring van die wetten, vinden we in

de bijbel. En wel in het Evangelie van Johannes (hoofdstuk 9). Daar wordt het verhaal verteld over een blindgeboren man. De leerlingen van Jezus vragen aan hem waaróm deze man blind geboren is. Is dat vanwege zijn eigen karma, vragen ze, of komt dat omdat hij het karma van zijn ouders draagt?

 

Jezus zegt als antwoord op die vraag dat deze man niet blind geboren werd vanwege zijn eigen karma, en evenmin vanwege het karma van zijn ouders, maar dat deze man zelf, vrijwillig, voor dit moeilijke levenslot gekozen had 'om de god in hem aan het licht te brengen'. In dit antwoord van Jezus vinden we al drie verschillende redenen waarom een mens soms een moeilijk levenslot krijgt te dragen.

 

Dat kán (1) het gevolg zijn van zijn eigen karma. Misschien heeft hij in een vorig leven geen meedogen gehad met een blinde en deze man of vrouw misschien zelfs bespot. Dan zeggen de karmische wetten dat hij in een volgend leven nu zélf ervaren mag dat het lot van een blinde niet gemakkelijk is, en dat deze mens daarom mededogen verdient. Als je de dingen aan je eigen lijf meemaakt, ga je er meestal wel anders over denken!

Jezus zegt echter dat in dit geval de man niet blind geboren werd vanwege een dergelijk persoonlijk karma. Evenmin werd hij blind geboren om het karma van zijn ouders te helpen dragen.

 

Dat kan dus ook: (2) dat wij moeilijke of pijnlijke dingen meemaken, niet omdat wij dat zelf karmisch veroorzaakt hebben, maar simpelweg om daarmee iets van het karma van een geliefde te helpen dragen! Dat is eigenlijk iets indrukwekkends! Dat wij er vrijwillig voor kunnen kiezen om iets moeilijks mee te maken, alleen om daar een ander mee te helpen. Dat is een teken van echte liefde!

Maar, zegt Jezus, in deze situatie is de man, waar het om gaat, ook niet blind geboren om op die manier het karma van zijn ouders te helpen dragen.

 

Nee, zegt Jezus, hij werd (3) blind geboren om op die manier 'de god in hem aan het licht te brengen.' Dat wil zeggen dat deze man voor een moeilijk leven koos, omdat je door het innerlijke gevecht met die moeilijkheden geestelijk heel snel groeien kunt. In dit geval zó snel, dat 'de innerlijke Christus', 'het hoger zelf', of 'de goddelijke geest' daardoor in deze man aan het licht kon komen. Dat is dus niet mis: om vrijwillig voor een moeilijk leven te kiezen om geestelijk in één keer heel snel te kunnen groeien.

 

Samenvattend mag je dus concluderen dat er volgens Jezus al drie heel verschillende redenen zijn waarom de dingen ons overkomen die ons overkomen: óf vanwege je persoonlijk karma, óf om het karma van anderen te helpen dragen, óf om daardoor de impuls voor een snelle geestelijke groei te krijgen.

 

 Daarnaast bestaat er ook nog zoiets als een familie-karma. Bovendien hebben wij allemaal ook nog eens te maken hebben met een groepskarma en een volkskarma. En al deze verschillende soorten van karma kunnen evenzeer de oorzaak zijn van de ervaringen die een mens te verwerken krijgt. Als je je dit alles realiseert, begin je te beseffen hoe moeilijk - zeg maar rustig: onmogelijk - het is om het karma van een ander te verklaren: er zijn zoveel verschillende redenen voor de dingen die ons overkomen, en dat zijn allemaal redenen die voor ons grotendeels verborgen zijn! Gewoon, omdat het goddelijke Plan voor ons verborgen is.

 

Het voorbeeld van mijn briefschrijfster hierboven laat zien dat degene die die uitspraak deed: 'daar heb je zelf voor gekozen', in feite niet op de hoogte is van de veelvormigheid en grootsheid van het karmische patroon. Had ze wel iets van deze dingen afgeweten, dan zou zo iemand zeker niet zo'n liefdeloos antwoord gegeven hebben!

 

Tenslotte...

    

 

Op zich vind ik het inzicht in karma en reïncarnatie niet iets, waar ik warm of koud van word. Warm vanbinnen word ik als ik aan Christus denk en hem innerlijk voor me zie. Warm word ik vanbinnen wanneer ik aan de engelen denk en aan de grootsheid van de kosmos. Dat heb ik niet bij genoemde inzichten. Maar wél zijn die inzichten belangrijk voor me: ze vormen als het ware de basis ofwel het uitgangspunt van de esoterische traditie - en dus van de manier waarop ik zelf naar het leven kijk. En daarom beschouw ik het ook als een geschenk dat we in onze tijd deze inzichten (weer) aangereikt krijgen - want dat er een verborgen leiding vanuit de geestelijke wereld zit achter het feit dat steeds meer mensen zich in onze tijd bewust worden van de vanzelfsprekendheid van karma en reïncarnatie, dat is mij wel duidelijk.

 

Juist omdat deze inzichten de basis vormen waarop de esoterische traditie stoelt, beginnen we elk jaar na de zomervakantie onze reeks van zaterdagse lezingen in Amersfoort met een dag waarop het thema 'karma, reïncarnatie en christelijk geloof' centraal staat. (Dit jaar doen we dat op 9 september)

Op die dag ga ik ook in op het feit dat deze inzichten in het verre verleden nog deel uitmaakten van het christendom. En dat Jezus regelmatig over deze inzichten met zijn leerlingen sprak. Maar centraal op die dag staat steeds weer de oproep: alsjeblieft, laten we er samen voor waken dat we deze inzichten niet liefdeloos en oordelend gebruiken, maar dat we dat

op bescheiden manier doen, met een groot meedogen voor de heel eigen (en vaak onbegrijpelijke) levensweg van onze naaste! ....

 

 

Bron: Verwachting – Tijdschrift voor Spirituele Ontwikkeling – nr 36 jaargang 10

www.stichtingdeheraut.nl

Geplaatst met toestemming van de auteur: Hans Stolp

 

foto’s genomen door mezelf te Amersfoort op 08/10/2005

 

 

Tekst geschreven door Jozef Rulof

 

PROFETIE EN REÏNCARNATIE

Wie oren heeft om te horen, die hore…….

 


’Zie, ik zend ulieden den Profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des Heeren komen zal’; (Maleachi 4-5).
Reeds enkele honderden jaren voor de geboorte van Christus werd deze profetie gedaan. Het Nieuwe Testament bevestigt deze voorspelling. In Mattheüs 11:9-15 zijn de volgende woorden van Jezus te lezen:
’Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Want deze is het, van dewelken geschreven staat: Zie, Ik zend mijn engelen voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u henen. Voorwaar Ik zeg u, onder degenen die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen is meerder dan hij. En van de dagen van Johannes de Dooper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan en de geweldigers nemen het zelve met geweld. Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou. Wie oren heeft om te horen, die hore!’

 

Met deze uitspraak, die nauwelijks voor een andere interpretatie mogelijk is, bevestigt de Messias het feit, dat de profeet Elia en Johannes de Dooper dezelfde zijn! ‘Wie oren heeft om te horen, die hore’, zegt Hij er nog bij. Met welk doel? Heeft Christus toch tegen dovemansoren gesproken? Ja, want de mens heeft deze ontzagwekkende uitspraak van de Messias inderdaad niet begrepen! Christus kon de mens indertijd niet meer schenken dan zijn bewustzijn kon verdragen en verwerken. Iemand die toen zou hebben beweerd dat de aarde een – naar kosmische begrippen – nietige bol is, die met een snelheid van ruim 100.000 kilometer per uur een ellipsvormige baan om een ster beschrijft, zou als een krankzinnige zijn opgesloten! Christus had de mens van toen veel meer kunnen schenken, dan dat Hij reeds heeft gedaan, maar hoe had Hij dit moeten klaarspelen? Heeft Hij de mens al niet meer gegeven, dan deze tot heden toe ooit heeft kunnen verwerken? Is het onwaarschijnlijk en onredelijk aan te nemen, dat de Messias nog veel eerder aan het kruis zou zijn geslagen, wanneer Hij de mens alles had geschonken, wat Hij deze had willen en kunnen geven? Kunnen wij aan een kind kosmische wijsheden verkondigen? Zijn de mensen – in verhouding tot de Christus – niet zuigelingen in de geest?
De Christus is al veel te ver gegaan. Het bewustzijn dat Hij de mens heeft willen schenken was slechts een fractie van Zijn eigen Goddelijk bewustzijn en toch heeft de mens dit al niet kunnen begrijpen. Daarom werd de Messias vermoord. Nu nog doet de mens niet anders en vermoordt hij dagelijks hogere gevoelens, die hem zouden kunnen optrekken, maar die hij nog niet kan of wil bevatten! Wat dit betreft, is er nog niet veel veranderd. Desondanks gaat de wereld toch vooruit, al is het ons niet altijd gegeven deze vooruitgang duidelijk waar te nemen.


De wet van de reïncarnatie, die de Messias heeft aangehaald met het voorbeeld van Elia en Johannes de Dooper geldt nl. voor al het leven in de ruimte. God heeft deze wetten voor al Zijn leven gemaakt, omdat Hij als een Vader van Liefde al Zijn kinderen even lief had en daarom geen uitzondering kon maken door het ene kind boven het andere te stellen! De theoloog, die dit toch verkondigt geeft alleen blijk, meer kennis te bezitten van zijn eigen kerkelijke dogma, dan van God Zelf en Zijn heilige wetten!
Al het leven van God ondergaat dezelfde wetten. Elk mens, elk dier en al het verdere leven in de ruimte beleeft de reïncarnatie. Het Oosten aanvaardt dit reeds lang, ofschoon de mens ook daar de Goddelijke realiteit door eigen verzonnen franjes en fabels heeft verduisterd. Niettemin wordt er de wedergeboorte als feit aanvaard. In dit opzicht is het Oosten het Westen dus vooruit.


De reïncarnatie vormt de kosmische sleutel, die alle poorten opent van het mysterie der schepping. De reïncarnatie geeft ons leven zin en inhoud en geeft ons concrete antwoorden op al onze vragen. Alleen de reïncarnatie verklaart ons het Hoe en Waarom, terwijl voor God de reïncarnatie het vlak is, waarop alles wordt geprojecteerd! Alleen door de wedergeboorte kon de schepping evolueren. Het ene leven bouwde op de ervaring voort, die werd opgedaan in het vorige leven. Zo werd steen op steen gelegd, totdat het bouwwerk gereed was. Elk wezen in de ruimte is gelijk aan het saldo van al zijn vorige levens. Alle ervaringen en belevenissen van miljarden levens hebben de persoonlijkheid gevormd van het hoogste product der schepping de mens.


Ieder wezen heeft een eigen – een andere – weg gevolgd. Daarom is ook elke persoonlijkheid anders en zijn er geen twee volkomen gelijke mensen in de ruimte! ‘Wie oren heeft om te horen, die hore’, heeft Christus gezegd, maar wie bezat het gevoel om dit uit Zijn woorden op te maken? En toch, was het niet eenvoudig? Wanneer wij de lente beleven en wij zien de natuur uit haar schoonheid ontwaken, dan kunnen wij de reïncarnatie zien!


De mens leert al kijken, kort nadat hij als zuigeling uit de moeder komt. Het zien echter leert hij veel moeilijker! Vele mensen denken er nooit over na, dat er tussen kijken en zien een kloof gaapt, die bijna onoverkoombaar lijkt. Zij kijken hun hele leven lang zonder ooit te hebben gezien! Toch moeten zij er eens aan beginnen. De reïncarnatie geeft hun die kans miljoenvoudig!
Johannes de Dooper was Elia. Beter gezegd is echter, dat Elia voor een gedeelte Johannes de Dooper was, maar dat Johannes de Dooper meer was dan Elia! Het gehele gevoelsleven van Elia lag immers in Johannes de Dooper verdisconteerd, terwijl de ervaring van zijn jongste leven hier nog bij kwam!
De wereld heeft verscheidene van deze hoogstaande boodschappers gekend. Niet altijd was er echter een Christus om hiervan getuigenis te kunnen afleggen! Wie oren heeft om te horen, die hore! De wereld heeft in de loop der tijden vele profeten gekend zoals Elia. Elke eeuw kent zijn eigen profeten en er is geen werelddeel, geen land, of het heeft deze genade beleefd. Hoe dikwijls echter werd hierop acht geslagen? Hoe dikwijls weren deze niet vermoord, geminacht, gehoond of gevangen gezet? Wie was Galileï? Wie waren Mohammed, Boeddha en Confucius? De wereld aanvaardt nu de profetieën van deze persoonlijkheden.


Er zijn echter nog meer profeten geweest – ook in onze tijd – die niet werden begrepen of geloofd door de mensheid! Niettemin hebben dezen hun Goddelijke taak voor de aarde volbracht. Het zaad is door hen gelegd. Wij allen vormen de voedingsbodem, waarop dit zaad moet ontkiemen. Christus was de grote zaaier van 2000 jaar terug. Wij hebben intussen andere zaaiers ontvangen, die mochten voortbouwen op hetgeen door Christus werd gebracht! Misschien slaagt de mens er eens in de zaaier, die ook in ons land heeft geleefd, te vinden. Hoe snel het zaad dan zal ontkiemen is afhankelijk van het gevoelsleven van de mens. Bij de één schiet dit zaad in zijn ziel als een paddenstoel omhoog, bij de ander zal dit niet het geval zijn. De reïncarnatie zal in deze gevallen zijn beslissende invloed laten gelden!
Wij allen echter, die het gevoel ervoor bezitten, dienen te zorgen, dat wij geestelijk gereed zijn voor de wijsheden, die ons zullen bereiken, wanneer wij onze profeet hebben gevonden. Want niets geschiedt zonder zin in de schepping en deze zending komt rechtstreeks van de bron, die eeuwigheid

vertegenwoordigt! Laten wij trachten deze zending te begrijpen. Wie oren heeft om te horen, die hore! 

 

 

REÏNCARNATIE WORDT WETENSCHAP!

Dr. Kelsey

’Dr. Kelsey, een Engelse psychiater, beweert dat hij de herinnering van enkele van zijn patiënten kan terugdringen in de moederschoot’, aldus een bericht uit Time, Chicago, dat in wetenschappelijke kringen zeer veel opzien baarde. Het Londense tijdschrift Journal of Mental Science gaf hierover de volgende lezing:
Een ongetrouwde dame van 44 jaar werd onder hypnose gebracht door Dr. Denys E. R. Kelsey, die het bewustzijn van zijn patiënte terugdrong tot de leeftijd van 13 jaar, daarna tot 5 jaar, vervolgens tot 6 maanden en uiteindelijk tot 3 weken. ‘Ik behoorde tot een eenheid en nu ben ik gespleten,’ luidde het antwoord van de gehypnotiseerde vrouw op de vraag van Dr. Kelsey, wat zij zich herinnerde. ‘Telt u tot tien,’ beval DDR Kelsey ‘en u zult weer tot die eenheid behoren.’ De vrouw begon te tellen en antwoordde hierna met volkomen kalme en rustige stem: ‘Dit is de moederschoot. Er is iets, dat in mij en door mij klopt - het hart van mijn moeder. - Ik kan niet zien en ik heb het gevoel, dat ik geen mond bezit.’ ‘In welke positie bevindt u zich?’ vroeg DDR Kelsey verder. ‘Ik lig in elkander gekruld,’ antwoordde de patiënte, die onmiddellijk hierna ook de houding aannam van een foetus.
Hierna trachtte DDR Kelsey van zijn patiënte een beschrijving te krijgen van hetgeen zij zag van de toestand van voor haar eenheid. ‘Het was donker maar toch was het gevuld met kleuren van onbeschrijfelijke schoonheid,’ luidde het schijnbaar tegenstrijdige en verwarde antwoord, ‘er heerste een absolute stilte, toch was de plaats gevuld met hemelse muziek; het was zo stil en toch leek alles te trillen.’ In aansluiting hierop beschreef de gehypnotiseerde vrouw de pijnen, die zij beleefde en die overeen kwamen met barensweeën.
Volgens DDR Kelsey zal de wetenschap op deze wijze kennis kunnen vergaren over het geboorteproces.
Dit is slechts één relaas uit de vrij uitgebreide praktijk van genoemde dokter. Uiteraard staat de wetenschap hier nog zeer gereserveerd tegenover. Zij weet niet goed wat haar in deze te doen staat, want als de bevindingen van DDR Kelsey betrouwbaar zijn - en er zijn vele geleerden die hieraan niet meer twijfelen - dan impliceert dit, dat ook zij de reïncarnatie - de wedergeboorte van de mens - zal dienen te aanvaarden! Hoe zou het anders mogelijk zijn, dat het bewustzijn van de mens tot in de moederschoot - en zelfs nog verder - kan teruggaan, indien de mens niet reeds voor zijn geboorte dit bewustzijn zou hebben bezeten?
Zou de Amerikaan L. Ron Hubbard dan toch weten waarover hij spreekt wanneer hij beweert: ‘Ik kan bij sommige mensen de herinnering terugdringen tot de duisternis van de periode voor de geboorte tot de conceptie en zelfs tot verder terug, tot levens op een andere planeet!’
De reïncarnatie is voor vele Westerlingen nog moeilijk te aanvaarden, maar beseft het Westen wel, dat, met uitzondering van de aanhangers van de Islam, praktisch het gehele Oosten de wedergeboorte als vaststaande wet aanneemt? In Tibet en in Brits-Indië hebben Hogepriesters hiervan bewijzen mogen ontvangen, die als zij aan de Westerling bekend zouden zijn, deze met één slag zou doen omzwaaien in zijn huidige levensbeschouwing. Het passieve Oosten glimlacht echter wijsgerig en zwijgt.
Het stemt ook tot nadenken, dat volken die op andere werelddelen leven en niets afwisten van Oosterse wijsheden, ook tot dezelfde slotsom zijn gekomen! Wij denken nu b.v. aan de Noord-Amerikaanse Indiaan. Zou het misschien kunnen zijn dat deze mensen, omdat zij dichter bij de natuur staan dan wij, grotere sensitiviteit bezitten om de stem van het levende universum te kunnen beluisteren?
Prof. DDR Paul Radin van het geografisch-ethnologisch genootschap hield onlangs in Zwitserland een lezing over de z.g. zielsverhuizing - de wedervleeswording - als zijnde een oerwoud geloof, dat ook bij de Indianen had wortel gevat. Hij was in het bezit van een oud document, afkomstig van een priester. Volgens dit document was de biologische dood slechts een struikeling. De dode leeft verder en is in contact met zijn familie - alleen het omgekeerde is niet mogelijk - en hij is zich van zijn existentie volkomen bewust. Bijvoorbeeld: De Indiaan werd tijdens een gevecht gedood. Hij stond echter op, ging naar huis naar vrouw en kinderen en zei: ‘Hier ben ik weer.’ Toen hij echter geen antwoord kreeg en merkte dat hij voor hen onzichtbaar bleef, werd hij angstig en vroeg zichzelf af: ‘Ben ik dood?’ Hij ging weer terug naar het slagveld en vond daar zijn eigen stoflichaam. Toen begreep hij, dat hij was gestorven. Tot zover het relaas van Prof. Dr. Paul Radin, die er tenslotte op wees, dat zulke voorstellingen waren gebaseerd op een buitengewoon hoogontwikkelde theologie! Wie hierover meer zou willen weten wordt met klem aangeraden het prachtige werk van Jozef Rulof Door de Grebbelinie naar het Eeuwig Leven te lezen!
Een sterk tot de verbeelding sprekend voorbeeld van reïncarnatie vonden wij onlangs in een bekende Noorse krant, die de verantwoording op zich neemt van het volgende bericht:
’Vanaf de oudste tijden hebben de mensen geloofd in een voortleven na de dood. De dood is niet het einde, doch in haar ligt de kiem van een nieuw leven, de reïncarnatie of wedergeboorte.’
'n Voorval, dat dit aannemelijk maakt geschiedde in Bjellanus in Noorwegen. Daar leeft, in de Skogabygatan, mevrouw Ise Sjösten. Tot aan het tijdstip, dat zich bij haar een werkelijk fenomenaal herinneringsvermogen openbaarde, had zich nimmer een dergelijk verschijnsel voorgedaan. Toen zij eens voor inkopen in de stad vertoefde, bleef voor een moment haar blik gevestigd op het gelaat van een man die haar aandacht trok, maar haar totaal onbekend was. Zijn gezicht kwam haar bekend voor en zij voelde in haar binnenste dat zij met deze man iets te maken had gehad, maar in welk opzicht? Met deze vraag kwam tegelijk een gevoel van angst over haar. Er moest een verschrikkelijke gebeurtenis met dit gezicht verbonden zijn. Plotseling kwam, als uit nevelachtige verten, de herinnering aan het gebeurde naar voren.
Tientallen van jaren lagen tussen deze ontmoeting in Bjelanus en het toenmalige Trincomali op het eiland Ceylon. Zij voelde zich weder teruggeplaatst in de streek waarin zij, vele jaren geleden, geleefd en geleden had. Toen, het moet omstreeks 1910 zijn geweest, was deze Noorse vrouw een Singalees meisje. Marima werd zij genoemd. Zij woonde met haar ouders aan de rand van het stadje Trincomali. Op haar twaalfde jaar werd haar door een blanke man geweld aangedaan. Zij verweerde zich tot het uiterste tot de man haar met een mes doodde. Het lijk verborg hij in het struikgewas.
De laatste blik van die man had zij in Bjellanus, in het gelaat van de man die zij nu ontmoet had, herkend. Vanaf dit ogenblik, door de plotselinge ontmoeting met de man, die haar dat had aangedaan, kreeg mevrouw Sjösten herhaalde malen visioenen.
Waarschijnlijk was dit voorval nooit openbaar gemaakt, als niet na zulke visioenen ondragelijke hoofdpijnen waren opgetreden, waardoor zij zich gedwongen voelde een arts te raadplegen. Deze arts vond haar niet normaal en liet haar daarom opnemen in een zenuwinrichting en door een psychiater onderzoeken. Deze kwam echter tot de conclusie, dat zij volkomen normaal was en ontsloeg haar uit de inrichting.
De pers was intussen bekend geworden met dit voorval en zorgde voor publiciteit. Zo hoorde ook Dr. Lundgreen, die zich bezig hield met de studie van - en experimenteerde met - de hypnoseverschijnselen, van dit voorval. Hij begaf zich naar Bjellanus en vroeg mevrouw Sjösten of zij bereid was zich aan een experiment te onderwerpen. Deze gaf haar toestemming, waarna Dr Lundgreen haar onder hypnose bracht en haar bevel gaf zich te herinneren wat er in het verleden was geschied.
Onder hypnose bevestigde zij haar bevindingen, dat zij de Singalese, Marima, was en in haar 12e jaar door een blanke man was vermoord. Tevens gaf zij een nauwkeurige beschrijving van de kleding en de tijd, zodat men vrij zeker kon zeggen, dat het in 1910 gebeurd moest zijn. Een onderzoek in oude couranten wees uit, dat op 14 maart 1908 in Trincomali een Singaleese genaamd Marima, door een Europeaan was aangerand en gedood.
Verder vertelde zij onder hypnose, dat zij daarvoor op Sardinié had geleefd als Guido Morani (dus als man). Deze werd op 29 oktober 1824 in Porto Scuso geboren en trouwde in 1849 met de dochter van de visser (hetgeen ,,hij" zelf ook was) Brebduso Nadi genaamd. Uit dit huwelijk werden 4 jongens en 2 meisjes geboren. Als visser leefde mevrouw Sjösten tot 1873.
Haar geboorte daarvoor beleefde mevrouw S in Wrexham in Engeland op 17 juli 1763. Zij heette toen Oliver Brughman en was de zoon van 'n koopman. In 1789 ging Oliver naar Londen in betrekking bij een koopman met relaties op handelsgebied overzee en later zond zijn vader hem als leider naar een nederzetting in Guatemala, waar hij tengevolge van koorts in 1796 overleed.
Alle plaatsen namen en jaartallen die mevrouw S in hypnotische toestand had genoemd, werden door Dr Lundgreen onderzocht aan de hand van oude kronieken en kerkboeken en juist bevonden. In Porto Scuso vond hij zowaar het familiegraf van Morani met jaartallen: Geb. 29 oktober 1824 -- gestorven 7 augustus 1873, gebeiteld in de grafsteen.
Shock kan herinneringen oproepen. Naar het oordeel van Dr Lundgreen sluimeren bij ieder mens de herinneringen uit vervlogen tijden en aardse levens. Zij zijn alleen maar bedolven en kunnen aan de oppervlakte komen door b.v. een indrukwekkend voorval. In dit geval, door de ontmoeting met de moordenaar uit het verleden.
Herhaaldelijk komen gevallen voor, dat mensen in een vreemde stad of landschap en op plaatsen waar zij nooit zijn geweest het gevoel krijgen: hier ben ik reeds eerder geweest!
Behalve het feit, dat alle door mevrouw S opgegeven plaatsnamen, namen en jaartallen volkomen overeenstemden met de voorhanden zijnde kronieken en kerkboeken is ook nog vermeldenswaard, dat zij tijdens de hypnose ook de taal sprak welke zij in de vorige levens bezigde, terwijl zij nu alleen de Noorse taal machtig was (thans moedertaal!).
Tot zover dit wonderlijke verhaal uit Noorwegen.
Het wonderlijk mooie van de waarheid is, dat zij steeds opnieuw door feiten zal worden bevestigd. In tegenstelling tot bepaalde hypothesen, meningen, stellingen en geloven, juicht de waarheid het steeds toe wanneer een kritisch en onbevooroordeeld onderzoek naar haar wordt ingesteld! Zij is nooit bevreesd, dat ooit een onderzoek kan plaatsvinden dat haar macht zou kunnen doen ineenstorten. Integendeel!
En in het besef hiervan dagen wij de wetenschap uit. Stapt over uw vooroordeel heen en onderzoekt alles zover dit in uw vermogen en competentie ligt. Het leven is mooier, dieper en zinvoller dan dat gij tot op heden toe hebt kunnen vermoeden. Zoekt en ge zult vinden. Klopt en er zal u worden opengedaan.

 

 

Met dank aan Henk en Diny Roesink

Lees meer teksten van Jozef Rulof op hun homepage

Liefdesband

 

 

Meer over het thema reïncarnatie

Hier en hier

 

De microkosmos[1]

Swami Vivekananda



 

 

Van nature is de menselijke geest geneigd om de aan­dacht naar buiten te richten door het schouwvenster der zintuigen en vanzelfsprekend houden de schoonheid en het ontzagwekkende der natuur aanvankelijk de aan­dacht geheel en al gevangen. De eerste vragen, die in de menselijke geest rezen, betroffen dan ook de uiterlijke wereld. De oplossing van het mysterie werd gezocht in de hemel, de sterren, de zon, de aarde, de rivieren, de bergen en de zeeën. Er waren rivier- en zeegoden, een god van de regen, van de donder, in het kort alle natuur­krachten en natuurverschijnselen werden gemetamorfo­seerd in goden en hemelse boodschappers. Maar naar­mate er meer over werd nagedacht, voldeden de gevorm­de gedachtenbeelden minder en minder en uiteindelijk richtte de aandacht zich naar binnen en werd de oplos­sing gezocht in de eigen ziel. Het speuren in de eigen geest begint als een hogere trap van beschaving is bereikt en een dieper inzicht in de natuur is verkregen.

 

Waar het hier nu om gaat, is het innerlijk van de mens. Dit is altijd een klemmend vraagstuk geweest. Er is wel geen man of vrouw, die zich niet van tijd tot tijd heeft afgevraagd: is er niets blijvends in het heenvlietende le­ven? Is er niets, dat blijft bestaan, als het lichaam sterft? En zo ja, hoe is dan het verder lot van dat wat blijft? Waar gaat het heen en waar komt het vandaan? Altijd en altijd weer zijn deze vragen gesteld en zolang deze schepping duurt, zolang er een denkend brein is, zullen zij steeds weer gesteld worden. Toch is het antwoord niet uitgebleven en naarmate de tijd verstrijkt, zal het antwoord meer en meer aan betekenis winnen. Duizen­den jaren geleden werd de vraag al beantwoord en tel­kens weer werd het antwoord opnieuw gegeven, verdui­delijkt met andere beelden, om het meer begrijpelijk te maken voor het inmiddels meer tot ontplooiing gekomen intellect.

 

Voor mij is het nu weggelegd, hetzelfde ant­woord nogmaals in een nieuwe vorm te geven, in de taal onzer dagen, zodat de oude idee begrijpelijk wordt voor de mens van nu. Want dezelfde goddelijke essentie, waaruit deze idee in lang vervlogen dagen ontsproot, leeft nog in elk mens en daarom is de idee ook voor ons te begrijpen. Ik kijk naar u. Wat is er allemaal voor nodig om u waar te nemen? Om te beginnen de ogen. Want al ben ik verder volkomen in orde, zonder ogen kan ik u niet zien. In de tweede plaats, het eigenlijke gezichtsorgaan. Want de ogen zijn het instrument om te zien; daarachter is het werkelijke orgaan, het zenuwcentrum in de herse­nen. Is dat beschadigd, dan kan de mens, ook met de bes­te ogen ter wereld, niets zien. Hetzelfde geldt voor al de waarnemingsorganen. Maar hiermee zijn we er nog niet. Als gij met volle aandacht zit te lezen, dringt het slaan van de klok in uw kamer niet tot u door. Toch is het ge­luid er en via oor en zenuwbanen is het naar de hersenen overgebracht. Desniettemin hoort gij het niet.

 

Wat ont­breekt er dan? De aandacht is er niet bij. Het derde, wat nodig blijkt, is dus aandacht van de geest. Wanneer de geest niet verbonden is met het hersencentrum en dus via dat centrum met het uiterlijke orgaan, heeft er geen waarneming plaats. Maar ook de geest is slechts trans­portmiddel; hij brengt de gekregen indruk over naar het intellect. Het intellect is de beslissende factor. Het neemt de binnengekomen indruk in ontvangst en stelt de aard ervan vast. Maar ook dit is nog niet voldoende. Het intellect brengt vervolgens de geclassificeerde indruk over aan de heerser in het lichaam, de menselijke ziel en dan valt het besluit wat er met de verkregen indruk al dan niet moet gebeuren. Het besluit wordt tenslotte langs omgekeerde weg tot uitvoer gebracht en daarmede is de waarneming voltooid.

 

De instrumenten bevinden zich aan en in het grofstoffe­lijk lichaam, zoals wij dat hier in deze wereld waarne­men; maar geest en intellect niet. Die zijn in wat hindoe­filosofie het fijnstoffelijk lichaam noemt en wat de christelijke theologie aanduidt als het geestelijk lichaam van de mens; fijner, heel veel fijner dan het lichaam, maar toch niet de ziel. De ziel staat er boven en buiten. Het uiterlijk lichaam gaat na enige jaren te gronde. Be­trekkelijk een kleinigheid is voldoende om er een einde aan te maken. Het fijnstoffelijk lichaam is veel minder kwetsbaar en houdt het heel wat langer uit; soms dege­nereert het en soms wordt het uiterst sterk. Wij nemen waar, dat de geest van de grijsaard zijn kracht verliest en dat met een krachtig lichaam vaak een krachtige geest gepaard gaat, dat verschillende medicijnen en kruiden op lichaam en geest inwerken en beide op uitwendige in­vloeden reageren. Evenals het lichaam kent ook de geest opgang en neergang en daarom is de geest niet hetzelfde als de onveranderlijke ziel.

 

Maar hoe weten we dat ei­genlijk van de ziel? Hoe kunnen we weten dat er, behal­ve de geest, nog iets anders is? Omdat kennis, die zelf­lichtend en de basis van alle intelligentie is, niet kan toebehoren aan doffe, dode stof. Nimmer werd grove stof waargenomen met intelligentie als eigen essentie. Geen doffe, dode stof kan zichzelf verlichten. Het is in­telligentie, die alle stof verheldert. Wat gij zijt, is er niet als zodanig, maar zoals het door intelligentie wordt ver­helderd. Dat gebouw daar wordt door uw intelligentie tot gebouw. Zonder intelligentie bleef het een steenmas­sa, zonder zin en betekenis. Ons lichaam is niet zelflich­tend; was het dat wel, dan zou een dood lichaam het ook zijn. Ook geest en spiritueel lichaam zijn niet zelflich­tend. Zij behoren niet tot de kern van intelligentie. Want wat zelflichtend is, kan niet vergaan. Het lichtende, dat schijnt door een geleend, een weerkaatst licht, heeft be­gin en einde; maar wat zelf licht is, hoe kan men dat doen ontstaan en vergaan, hoe doen toenemen of afne­men? De maan zien wij wassen en afnemen, omdat zij schijnt door van de zon weerkaatst licht. Een klomp in het vuur verhit ijzer weerkaatst de aan het vuur ontleen­de gloed, maar omdat het niet de eigen gloed is, ver­dwijnt hij al gauw. Vergankelijkheid doet zich alleen voor bij het niet-eigen, het aan iets anders ontleende licht; wat licht als essentie heeft, wat licht is, blijft schijnen en heeft altijd geschenen.

 

Nu weten we dan dat het lichaam, de uiterlijke vorm, niet zelflichtend is en zichzelf dus niet vermag te ken­nen; ook de geest kan dat niet. Waarom? Omdat de geest toe- en afneemt, nu eens krachtig, dan weer zwak is en omdat hij door iedereen en alles beïnvloed kan worden. Daarom is het licht, dat de geest doorschijnt, niet  zijn eigen licht. Wiens licht is het dan? Het moet af­komstig zijn van wat het eigen licht als essentie heeft en daardoor nimmer kan vergaan, niet af- en niet toe kan nemen; dat zelflichtend is; dat het licht zelf is. En dat is de ziel. Het is niet zo, dat de ziel kennis heeft; neen, ze is kennis. Zij heeft geen bestaan, maar zij is bestaan. Zij is niet gelukkig of ongelukkig, maar is geluk. Wat zich gelukkig voelt, heeft dat gevoel ergens aan ontleend. Wat kennis heeft, heeft die kennis opgedaan; wat een betrekkelijk bestaan heeft, bestaat in verhouding tot wat anders. Waar hoedanigheden zijn, vindt weerspiegeling plaats op een zelfstandigheid, doch die hoedanigheden zijn niet identiek met die zelfstandigheid.

 

Maar de ziel heeft geen kennis, bestaan en gelukzaligheid als kwali­teiten, zij is kennis, bestaan en gelukzaligheid; die drie zijn haar essentie.

Maar, zal men zeggen, waarom zullen we dat zonder meer aannemen? Het is toch evengoed denkbaar, dat ook de ziel met andermans veren pronkt. Maar als we zo doorgaan, komt er geen eind aan. En eens moeten we toch aan de oerbron komen, aan dat wat zijn licht niet aan wat anders ontleent, maar dat zelflichtend is. Om het niet onnodig verder te zoeken, stoppen we daar, waar we aan zelflichtendheid toe zijn gekomen; dat is bij de ziel.

 

We zien dus, dat het menselijk wezen om te beginnen be­staat uit een uiterlijk omhulsel, het lichaam. Vervolgens uit een fijnstoffelijk lichaam, bestaande uit geest, intel­lect en egoïsme, ofwel ik-bewustzijn. En achter dit alles vinden we het werkelijk zelf van de mens, de ziel. Alle hoedanigheden en krachten van het uiterlijk lichaam zijn ontleend aan het fijnstoffelijk lichaam, dat op zijn beurt kracht ontleent aan de ziel.

 

Nu zijn we eraan toe, ons af te vragen, hoe het staat met de natuur van de ziel. Indien het bestaan van de ziel ontleend is aan het argument, dat zij zelflichtend is, dan volgt daaruit logischerwijze, dat de ziel niet geschapen kan zijn. Een zelflichtend bestaan, onafhankelijk van enig ander bestaan, kan nooit het gevolg zijn van iets an­ders. Altijd moet het bestaan hebben; nooit was er een tijd, dat het niet bestond; want als de ziel er niet al was, hoe zou er dan tijd kunnen zijn? Het tijdsbegrip is van het eeuwig bestaan der ziel afhankelijk. Wanneer de ziel haar kracht op de geest reflecteert en daardoor het den­ken mogelijk wordt, ontstaat het begrip tijd. Was er geen ziel, dan was er geen denken en dus ook geen tijdsbegrip. De ziel kan dus niet in de tijd bestaan, want de tijd zelf is afhankelijk van de ziel, bestaat in de ziel. De ziel kent geboorte noch dood, maar doorwoont de verschillende stadia van het bestaan Zij manifesteert meer en meer haar eigen grootheid, terwijl zij via de geest op het li­chaam inwerkt en door het lichaam op wat buiten het li­chaam is. Zij meet zich als het ware een lichaam aan en is dat lichaam versleten, dan gebruikt zij een volgend li­chaam en zo gaat het steeds maar door.

 

Hier stuiten we op een veel omstreden vraagstuk, de re­incarnatie van de ziel. Het is merkwaardig, hoe overi­gens goed nadenkende mensen kunnen aannemen, dat zij uit niets zijn geschapen en dan logisch trachten aan te tonen, dat zij desniettemin voor eeuwig zullen bestaan. Wat uit het niets is voortgekomen, moet ongetwijfeld weer in het niets verzinken. Noch gij, noch ik zijn uit het niets verrezen en nimmer zullen we in het niets verzin­ken. Eeuwig hebben we bestaan en eeuwig zullen we be­staan en er is geen macht onder of boven de zon, die ons bestaan teniet kan doen. De idee van reïncarnatie heeft niets afschrikwekkends en is uiterst dienstig voor het moreel welzijn van de mensheid. Zij is de enig logische conclusie, waar een denkend mens toe kan komen. Als ge eeuwig zult voortbestaan, moet gij ook eeuwig bestaan hebben.

 

En het voornaamste bezwaar, dat tegen de reïncarnatie-idee wordt aangevoerd, heeft al heel weinig om het lijf. Het is, dat wij ons niets van een vorige bestaans­toestand herinneren. Maar herinnert gij u alles uit deze bestaansronde? Van toen gij nog een baby waart? Of uit uw kindsheid? Als uw bestaan afhankelijk is van uw her­innering, dan bestond gij een groot deel van uw leven niet! Waarom zouden wij ons bijzonderheden uit een vo­rig bestaan moeten herinneren? De hersens uit die tijd zijn er niet meer en wat ons tegenwoordig brein als aan­leg meegekregen heeft, is de resultante van in vorige le­vens opgedane ervaringen; een zekere aanleg en zekere geneigdheden, door de geest uit een oneindig verleden meegebracht.

 

Is het dan voor de geloofwaardigheid van de theorie niet nodig, dat wij scherpomlijnde herinneringen uit vorige bestaanszekerheden hebben, het komt niettemin voor dat er iets in ons opdaagt van wat nimmer in dit leven werd ondervonden. En ik heb goede reden om te kunnen ver­zekeren, dat ieder van ons zich eens zijn gehele verleden volledig zal herinneren en tot het inzicht zal komen, dat het bestaan van deze wereld slechts een droom was, een schouwtoneel, waarin wij als acteurs een rol hebben ge­speeld; dan zal volledige ongehechtheid als bij toverslag ons deel zijn; dan zal alle dorst naar genieting, het ons vastklampen aan het leven in deze wereld, voor altijd verdwijnen; dan zal de geest zo klaar als de dag voor zich zien hoe vele miljoenen malen wij vaders en moe­ders, kinderen en echtgenoten, verwanten en vrienden hadden en waren; hoe ontelbare malen wij rijk waren en arm, machtig en onderworpen. Alles kwam en ging voor­bij. Als de herinnering u dit alles voor ogen zal toveren, zult gij onbewogen als een held de wereld in het gelaat schouwen, ook als die wereld u laakt. Dan zult gij met de gloed der overtuiging kunnen zeggen: '0 Dood, wat voor verschrikking kunt ge voor mij nog hebben.' En geen is er, die dit niet eens zal beleven.

 

Zijn er redelijke argumenten en bewijzen aan te voeren, die voor de idee van reincarnatie pleiten? Zeer zeker! Om te beginnen kan alleen de reïncarnatietheorie be­vredigend verklaren, waarom de ene mens zoveel mak­kelijker kennis opdoet dan de andere. Laat ons eerst het proces om tot kennis te geraken eens nagaan. Stel, dat ik op straat een hond zie. Hoe weet ik dat het een hond is? De indruk, die het zien van de hond maakt, wordt overgebracht naar mijn geest, waar al de tevoren opge­dane indrukken systematisch bewaard zijn gebleven. Zodra een nieuwe indruk binnenkomt, vindt vergelijking plaats met de aanwezige voorraad indrukken en wordt hij opgeborgen in dat gedeelte van het systeem, waar hij thuis hoort. De eigenaar van het magazijn van indruk­ken voelt zich bevredigd en in ons geval weet ik nu, dat dat, wat ik zie, een hond is. De ontvangen indruk toch toont overeenkomst met de aanwezige voorraad hond­indrukken. Doe ik een indruk op, die ik niet op de be­schreven wijze thuis kan brengen, dan voel ik mij onbe­vredigd. Deze geestestoestand wordt 'onwetendheid' genoemd, de tegenovergestelde 'kennis'.

 

Toen voor de eerste maal werd waargenomen, dat een appel zo maar van een boom viel, was dit een onbevredigende indruk. Maar toen het verschijnsel zich herhaalde, vormde zich een bepaalde afdeling 'vallende voorwerpen'. Het zich telkens weer herhalende verschijnsel kreeg de naam 'zwaartekracht'. We zien hieruit, dat zonder een er­varingsgrond van tevoren ontvangen indrukken, nieuwe ervaringen niet ondergebracht zouden kunnen worden. Het vergelijkingsmateriaal zou ontbreken. Zo zou een kind, dat inderdaad als tabula rasa (oftewel met schone lei) ter wereld kwam - zoals sommige Westerse filoso­fen aannemen, dat met elk kind het geval is - er slecht aan toe zijn, wat de mogelijkheid van het opdoen van kennis betreft.

 

We weten dat het ene individu makke­lijker kennis opdoet dan het andere. Dit wijst erop, dat de een van de aanvang af over meer vergelijkingsma­teriaal beschikt dan de ander. Want er is maar één ma­nier om kennis op te doen, en dat is ervaring. Wat we niet in dit leven ervaren hebben, maar waarvan we toch blijk geven kennis te bezitten, is uit vorige levens mee­gebrachte ervaring. Hoe zou de universele vrees voor de dood anders te verklaren zijn? Een juist uit het ei ge­komen kuiken zoekt bij de nadering van een roofvogel ogenblikkelijk bescherming onder moeders vleugels. In­stinct, zegt men. Een mooi woord, maar wat is instinct? Hoe komt het, dat een jong eendje dadelijk het water opzoekt en rondzwemt? Laat ons dit zgn. instinct eens onder de loep nemen.

 

Een kind leert pianospelen. In het begin moet het aandacht schenken aan elke noot, die het aanslaat. Maar na een paar jaar gaat het spelen als van­zelf; instinctief kunnen we zeggen. Wat eerst met bewus­te wil werd gedaan, geschiedt later onwillekeurig. Maar dit is pas de helft van wat ik duidelijk wilde maken.

 

Het omgekeerde is ook waar. Elke instinctief geworden handeling kan weer tot bewuste wilshandeling gemaakt worden. De werking van elke spier van het lichaam kan bewust beheerst worden. En dus kunnen we zeggen, dat instinct een degeneratie is van bewuste wilshandelingen. Wanneer we nu toepassen, wat wij bij de macrokosmos hebben gevonden, dat iedere evolutie een involutie voor­onderstelt en omgekeerd, dan kunnen we zeggen, dat in­stinct geïnvolueerde rede is. Bewuste wilshandelingen zijn tot automatische handelingen gedegenereerd. Maar bewuste wilshandelingen zijn alleen mogelijk, nadat eerst ervaringen zijn opgedaan, of met andere woorden kennis is verkregen. Vrees voor de dood, het eendje dat uit zich zelf te water gaat en alle onwillekeurige, tot in­stinct geworden handelingen van het menselijk wezen, zijn het gevolg van vroeger opgedane ervaringen. Tot zover is alles wel duidelijk en hebben wij ook de nieuw­ste wetenschap aan onze zijde. Maar nu doet zich een moeilijkheid voor.

 

De moderne wetenschap geeft toe dat mens en dier geboren worden met een ondergrond van ervaring. Maar, zegt men, waarom zouden wij aanne­men, dat het zielservaring is? Waarom zou de overdracht dier ervaring niet lichamelijk geweest kunnen zijn door middel van de bevruchting? Waarom die ervaring niet als erfelijk beschouwd? Als gezamenlijke voorvaderlijke ervaring, aanvangende met het protoplasma? Deze vraag is zeer snedig en graag geef ik toe, dat erfelijke over­brenging een rol speelt, maar alleen voor zover het de levering van het materiaal betreft. Door onze handelin­gen in het verleden hebben wij ons geschikt gemaakt om opnieuw geboren te worden in een bepaald soort li­chaam, en dat lichaam komt van ouders, die door hun handelingen zich geschikt gemaakt hebben die bepaalde ziel als nakomeling voort te brengen.

 

De erfelijkheidstheorie, zoals ze wordt aangehangen, neemt zonder meer aan, dat geestelijke ervaring in de stof kan worden uitgedrukt en vastgelegd. Wanneer ik naar iets kijk, ontstaat er in het meer van mijn geest een golf. Die golf legt zich, maar er blijft iets in fijne vorm als indruk van achter. Wij kunnen begrijpen, dat een fy­sische indruk in het lichaam achterblijft, een litteken bij­voorbeeld. Maar welke goede grond is er om aan te ne­men, dat een geestelijke indruk in het lichaam kan ach­terblijven? Het lichaam valt immers uiteen. Wat kan de drager van die indruk zijn? En als wordt aangenomen, dat in de bioplasmische cel het schier oneindig aantal indrukken aller tijden is verzameld, dan dient toch dui­delijk gemaakt te worden, hoe dat mogelijk zou kunnen zijn. Het is daarom meer redelijk zich te houden aan de opvatting, dat die indrukken in de ziel voortbestaan, dat die ziel telkens weer tot nieuwe geboorte komt en daartoe gebruik maakt van het voor haar doel meest geschikte materiaal en wanneer dat niet aanwezig is, heeft te wachten totdat dat materiaal zich voordoet. De erfelijk­heidstheorie houdt dan in zover haar waarde, dat zij gel­dend blijft voor wat het door de ziel benodigde mate­riaal betreft. De ziel blijft voortbestaan en maakt gebruik van lichaam na lichaam. Iedere gedachte, die wij den­ken en iedere handeling, die wij verrichten, blijft be­waard in een uiterst fijne toestand, steeds gereed om op­nieuw vorm aan te nemen.

 

Wanneer een mens sterft, zal de ziel als het ware geladen zijn met de resultante van al de opgedane ervaringen. En daardoor wordt haar rich­ting gegeven bij wat komen gaat. Is het met die resultan­te zo gesteld, dat zij zich een nieuw lichaam moet vor­men om verdere ervaring op te doen, dan zal zij zich richten tot die ouders, die geschikt zijn het daartoe die­nend materiaal te leveren. Zo zal zij door lichaam na li­chaam heentrekken; soms een hemels lichaam, dan weer een menselijk lichaam of ook wel een dierlijk lichaam. Zo zal het doorgaan, tot de ziel voldoende ervaring heeft opgedaan en de cirkelgang is volbracht. Zij heeft dan haar eigen natuur leren kennen, de onwetendheid heeft zich opgelost en zij is tot volmaking gekomen. De nood­zaak om zich een weg te banen door grofstoffelijke, fijn­stoffelijke en mentale lichamen is niet meer aanwezig. Zij straalt in het eigen licht en is verlost van alle ge­boorte en dood.

 

Ik zal hier nu niet in nadere bijzonderheden treden. Maar één ding zou ik nog willen opmerken en wel, dat de reïncarnatietheorie de vrijheid van de menselijke ziel impliceert. Bij haar is geen sprake, dat we eigen zwak­heid op andermans schouders kunnen leggen, wat algemeen gebruikelijk is.   

 

Gewoonlijk zijn we blind voor eigen fouten en als er iets mis is, ligt de schuld altijd bij een ander, een mens, of het lot, of de duivel, of zelfs God. Het is echter zo, dat wij oogsten, wat wij gezaaid hebben. Wij smeden ons ei­gen lot. Niemand anders kunnen wij ervoor prijzen of er­om laken. De wind waait en de vaartuigen, die hun zei­len hebben opgezet, worden voortgestuwd. Maar zij, die geen zeil voeren, blijven waar ze zijn of worden door de stroom afgedreven. Kan de wind daar iets aan doen? Is het de fout van de hemelse Vader, Wiens wind van ge­nade dag en nacht zonder onderbreking waait, dat som­migen gelukkig en anderen ongelukkig zijn? Zijn zon schijnt voor zwakken en sterken. Zijn wind waait voor zondaar en heilige. Hij is de Vader van allen, goedertie­ren en onpartijdig.

 

Zoudt gij heus denken dat de Heer der schepping de onbenulligheden van ons leven in het­zelfde licht ziet als wij dat doen? Wat een ontaarde op­vatting van God zou dat zijn! Als jonge honden vechten we hier op aarde met elkaar en zijn zo dwaas om te den­ken, dat God het even ernstig neemt als wij. Hij weet heus wel, dat het maar kinderspel is. Het is grote dwaas­heid Hem te zien als een verheven potentaat, die straf­fen en beloningen uitdeelt. Zijn oneindig mededogen gaat uit naar allen zonder enige uitzondering, te allen tijde, onder alle omstandigheden en waar ook. Van ons hangt het af er gebruik van te maken.

 

Zoek de fout nooit bij een ander of iets anders, hier op aarde of in de he­mel. Gaat het niet goed, zoek dan in uzelf waar de fout zit en doe het anders en beter. Sta op eigen benen en zeg: 'Wat mij schort, heb ik zelf bewerkt. Maar wat ik opbouwde, kan ik ook weer afbreken.' Weet, dat gij zelf de schepper zijt van uw lot. En alle sterkte en hulp, die gij nodig hebt, bevinden zich in u zelf. De oneindige toe­komst ligt voor u. Vergeet nooit dat geen uwer woorden, gedachten en daden in het niet verdwijnt, maar dat zij iets vóór u in petto houden. Wat er verkeerd in was, ligt op de loer om u op het onverwachtst als een tijger te be­springen en wat er goed in was, ontwikkelt een macht, die, als een leger van engelen, steeds klaar staat om u overal en altijd te verdedigen en voort te helpen.



[1] Hier ‘ziel’ genoemd

Begint ons bestaan bij de conceptie?

Joanne Klink

 

‘Want als de ziel het hemelse oord verlaat, komt ze in een lichaam, als in een vreemd land.’ Philo van Alexandrië

 

Er zijn fundamentele vragen die een mens bewust of onbe­wust bezighouden: 'Waar kom ik vandaan?' 'Waarom ben ik hier op aarde?' 'Waarom moet ik meemaken wat me hier overkomt?' 'Wat is mijn levensopdracht?' 'Waar gaan we heen als we sterven?'

Nu is het zeer merkwaardig dat we in het algemeen wel bewust zijn van de vraag waar we heengaan als we sterven, maar eigenlijk nooit vragen: 'Waar komen we vandaan als we geboren worden?' Zelfs daar waar men met de fundamentele werkelijkheid van het leven bezig is, in de kerk onder andere, wordt juist die vraag niet gesteld. Het is haast alsof er een taboe op rust. Zoiets vraagt men niet. Het huwelijk, de con­ceptie, de geboorte, daar ligt het antwoord. En daarmee uit.

 

Via de genen geschapen?

Is een mens dan een product van zijn ouders? Ligt daar ons begin? In het sperma en de eicel, als de bevruchting plaats­vindt? Juist in deze jaren dat de 'genen' met de erfelijke eigen­schappen zo in de belangstelling staan, wetenschappelijk en populairwetenschappelijk, krijgt dit nog meer nadruk. De eigenschappen van elk individu worden bepaald door de volgorde van zuren in zijn DNA-keten waarin zich de erfe­lijke informatie bevindt. We zouden dus een gevolg zijn van chemische processen. Maar ook de omgeving waarin we ge­boren worden is medebepalend voor ons mens-zijn.

Er zijn veel gelovigen die de schepping van God aan het oerbegin stellen. Toen zouden we er persoonlijk dan nog niet zijn geweest. Het enige waar wij dan persoonlijk van afhan­kelijk zijn, zouden dus de cellen zijn die via de conceptie door onze ouders zijn samen gebracht krachtens een proces van de natuur?

Maar dat is voor gelovigen nog te aards gedacht. Ouders die een kind krijgen, beseffen intuïtief dat ze het ‘van God ont­vangen hebben.  Als een geschenk uit de hemel’. Maar schept God dan een mens door de ouders?

Dit 'geschenk' blijkt echter vaak aan zeer bepaalde beperkin­gen gebonden te zijn. Bepalend voor het zo-zijn van het kind is dan toch die structuur van de cellen die de erfelijke eigen­schappen bevatten en reguleren. Hoe zal dat 'dobbelspel' uit­vallen? Wel erg verschillend! Het ene kind 'met alles erop en eraan' en het andere misvormd of nauwelijks levensvatbaar. Superintelligent of achterlijk. Een Mozart of een toekom­stige terrorist.

Wie is die 'Superdobbelaar' die deze menselijke eigenschap­pen en mogelijkheden zo willekeurig en verschillend ver­deelt?

Wordt daarom die vraag naar het waarvandaan zo verdron­gen, omdat we dan in grote geloofsmoeilijkheden zullen ge­raken en er niet meer uitkomen? Is die onrechtvaardige ver­deling van erfelijke eigenschappen toeval of 'Gods wil'? Evenals ziekte, lijden, blijkt geboorte ook een raadsel op te geven: waarom? 'Waarom zij wel en wij niet?' 'Waarom is mijn kind zo en niet anders op de wereld gekomen?'

In de christelijke traditie is dat probleem nog versterkt omdat het niet aan de orde gesteld mocht worden, omdat zelfs al heel vroeg in de geschiedenis van de kerk als één van de leerstellingen gold dat 'God de ziel schept bij de conceptie. ' Maar met wat een willekeur schept Hij dan zielen, zo ver­schillend van elkaar, zo verschillend ook in ontwikkeling!

 

Pre-existentie van de ziel

Eén van de grootste kerkvaders, Origenes, die leefde van 185 tot 253 na Christus, die zelf wel niet officieel veroordeeld is door de kerk, maar toch als ketter is beschouwd, zou ge­schreven hebben: 'De rechtvaardigheid van de Schepper moet toch in alles zichtbaar worden. Ze blijkt dan pas duide­lijk als men van ieder hemels, aards of onderaards wezen kan zeggen dat hij zelf de oorzaken heeft teweeggebracht voor de verschillen die al vóór de geboorte aanwezig zijn.' De zielen zouden al een lange geschiedenis hebben doorgemaakt, sinds ze door God als intelligenties zijn geschapen, maar ze zijn afvallig geworden en steeds verder omlaag gezonken, in steeds dichtere sferen en dienovereenkomstige lichamen.

De gedachte aan een 'pre-existentie van de ziel', een bestaan van de ziel vóór, lang voor de geboorte, is in de kerkelijke traditie sindsdien met kracht onderdrukt. Wie dat zou gelo­ven, was 'anathema'.

Nu pas, tegen het einde van de twintigste eeuw, dus meer dan zeventienhonderd jaar later, worden we ons van deze moge­lijkheid bewust, al is er wel een grote weerstand tegen deze veronderstelling. We willen er niet graag aan dat er méér in ons zou leven dan herinneringen aan onze kinderjaren en onze bewuste levenservaringen.

 

Het levenslot

En toch. Laten we eens verder denken. Niet alleen de wille­keur van erfelijke eigenschappen stelt ons voor raadsels, maar ook het leven na de geboorte. Hoe verschillend is het levens­lot voor de éne mens of voor de ander! Haast onvergelijkbaar soms. Wreed willekeurig lijkt het lot verdeeld onder de men­sen. Je zal maar pech hebben! Terwijl anderen op mogen groeien in een harmonieus gezin, in welvaart en geluk en zelf weer gezegend worden door voorspoedige nakomelingen. En dan de lengte van het leven! De één leeft drie minuten of sterft al vóór de geboorte. Een ander moet achtenzeventig jaar tobben met een handicap of afschuwelijke levensomstan­digheden. Ook hier weer dat 'dobbelspel'. Waarom de één wel en de ander niet? Waarom moet mij dit overkomen en gaat het een ander voor de wind?

En dan komen er theologen die zeggen: 'In dat éne leven nu en hier op aarde moeten we het maken! Dat is nu juist het geweldige van de verantwoordelijkheid van de mens dat hij deze éne kans heeft!' Of zoals een Rooms-katholiek theoloog het uitdrukte: 'Dat is juist de grootheid van de mens dat hij, gesteld tussen geboorte en dood, beslissen moet over een eeuwigheid.' Of een Protestant: 'We zijn in zonde ontvangen en geboren.' Hoe staat het dan met de schepping van de ziel bij de conceptie? Op hetzelfde moment dan al een zondig wezen, dat pre-embryo; zonde geërfd via de genen?

Maar dat kind dan dat vlak na de geboorte gestorven is? Wat heeft dat voor kans gehad te leven of gode welgevallig te leven? Of de mens die in een misdadig milieu moet op­groeien?

Is de veronderstelling dat we als product van de genen, van de erfenis van onze voorouders worden geboren en dan het in één leven moeten maken, eigenlijk niet absurd? En deze ab­surditeit dan ook nog aan God toeschrijven, terwijl de pasto­rale troost volgt dat we moeten buigen voor de geheimenis­sen van God. Het klinkt allemaal erg oneerbiedig, maar mis­schien zijn deze eeuwenoude theorieën over onze afkomst wel Gode-onwaardig en een majesteitsschennis van zijn on­eindige Liefde. In kerk en wetenschap worden deze tot op heden nog steeds volgehouden. Laten we eens voorzichtig het eeuwenoude platgetreden pad van 'zo is het en niet an­ders' verlaten en om ons heenkijken of het misschien anders zou kunnen zijn.

Bijvoorbeeld dat dit 'éne leven' maar een klein fragment zou zijn van een veel langere geschiedenis en ontwikkeling. Je kunt één fragment pas beoordelen als je de hele weg overziet. Wie weet, zijn er samenhangen die ons nu nog ontgaan. Niet dat er dan geen geheimen meer blijven, maar het wordt veel minder absurd en onredelijk.

Waarom zou wél de aarde, de ontwikkeling van levende we­zens een geschiedenis van miljoenen, zelfs miljarden jaren vergen en die van het meest ingewikkelde wezen, een mense­lijke persoonlijkheid, naar lichaam en ziel, slechts een ont­wikkeling van negen maanden en dan van enkele jaren nodig hebben?

 

Herbeleving van de geboorte

Is een kind dat geboren wordt een beginnend wezen, een onwetend, onnozel schepseltje? En zal het alle informatie van ons volwassenen moeten krijgen, over God en het leven, over goed en kwaad?

Hoe komt het nu dat juist in de laatste decenniën plotseling de mogelijkheid van een bestaan vóór de geboorte bij ons is opgekomen?

In een vorig hoofdstuk schreven we al dat één van de redenen is dat er via nieuwe methoden in psychotherapie - al zijn ze nog niet algemeen gebruikelijk - mogelijkheden zijn geko­men dat mensen in diepe ontspanning in de tijd terug kunnen gaan en bijvoorbeeld hun geboorte opnieuw kunnen bele­ven, met alle emoties, pijnen, beelden, geuren en geluiden. Tot in de kleinste details kunnen ze beschrijven wat de toen­malige pasgeborene beleefde en waarnam.

En nu blijkt iets dat heel vreemd is: het lijken waarnemingen van een wijze persoonlijkheid die veel meer ziet en begrijpt dan de aanwezige ouders of arts en verpleegster of vroed­vrouw. De toenmalige baby! Zijn dat projecties naar het ver­leden van de nu volwassene die haar of zijn geboorte herbe­leeft, maar nu gekleurd door zijn volwassen inzicht? Nee, dat is niet zo, want de nu volwassene kan precies beschrijven wat hem of haar nooit is verteld: dat de vloer van de verloskamer met dit soort tegels was bekleed, dat de verpleegster sandalen aanhad, dat de moeder nog naar de kapper was geweest vóór de bevalling, wat de dokter zei en wat hij dacht terwijl hij zijn handen stond te wassen, wat de zorgen van de moeder waren of dat ze boos was dat haar man te laat was gekomen. Tot in de kleinste finesses kan men beschrijven wat de toenmalige pasgeborene beleefde en zag. Ook het felle licht, de plotse­linge kou, het harde geluid.

Op een congres in Toronto in 1983 over de psychologie van vóór en tijdens en na de geboorte, 'pré- and perinatal psycho­logy', werd geconstateerd dat de herinneringen en dan ook de waarnemingen van de toen geborene 'sophisticated' ble­ken te zijn. Als van een wijze volwassene. Wat moeten we nu hieruit opmaken?

Het lijkt er dus op dat een wetend wezen bezig is zich in een foetus te incarneren en alles nog kan waarnemen, ook tijdens de zwangerschap, alvorens helemaal in te dalen in het kleine beperkende lijfje.

Als een vlinder die zich op moet vouwen in een cocon! Men kan dit vergelijken met de ervaringen tijdens de zogenaamde 'klinische dood'. Ook dan bevindt men zich buiten en boven zijn lichaam en kan men alles waarnemen wat er gebeurt, zelfs de gedachten van de aanwezigen 'lezen'. Eenzelfde situ­atie doet zich blijkbaar ook voor tijdens de zwangerschap en bij de geboorte.

Want herinneringen kunnen bij de herbeleving verder terug­gaan dan de geboorte. Ook wat tijdens de zwangerschap is gebeurd, kan de toenmalige foetus, nu volwassen geworden, tot in details vertellen en emotioneel herbeleven. Het blijkt dan dat deze ervaringen heel indringend en determinerend zijn geweest, veel meer dan de ervaringen en traumata in de eerste kinderjaren. Het lijkt wel alsof de blauwdruk voor het komende leven, ook traumatisch, al ingeëtst wordt vóór de geboorte.

En wat de herinneringen betreft, deze kunnen, als de ouders nog leven of in zoverre de moeder het zich ook nog herinne­ren kan, geverifieerd worden. Zelfs telepathisch opgevangen gesprekken worden in deze herbeleving weergegeven. Niet alleen de emoties of de muziek die tijdens de zwangerschap geklonken heeft, maar dus ook gedachten zijn opgevangen.

Het meest frappante en uitvoerige voorbeeld daarvan kan men lezen in het boek over een gesprek met een ongeborene, waarin een mediamiek begaafde moeder, Mirabelle Coudris, telepathisch de gedachtetrillingen opvangt van de nog niet geborene.

Deze waarneming en dit meeleven begint niet pas als de foe­tus of het embryo zich ontwikkeld heeft, maar al veel eerder. Dit zijn geen fantastische hypothesen, er bestaan al vele dui­zenden protocollen van: vele herhalingen van dezelfde soort ervaringen met verificaties!

 

Incarneren en aarden

Maar wanneer komt de persoonlijkheid of de ziel dan in het lichaam, om zich werkelijk te incarneren? Uit de vele versla­gen van herinneringen tijdens diepe ontspanning blijkt dat dit heel verschillend is.

Helen Wambach, een psychotherapeute in de U.S.A., heeft 750 mensen deze vraag gesteld tijdens hun lichte trancetoe­stand; we zullen hiervan enkele voorbeelden doorgeven. Hoe meer begaafd - niet in intellectuele zin - en ontwikkeld een persoonlijkheid is, hoe later deze blijkt te incarneren, soms pas bij de geboorte. Zij hebben dan ook weinig mogelijkheid gehad zich aan te passen aan het materiële bestaan, zich thuis te voelen in het lichaam. En dat blijkt in het verdere leven ook een moeilijkheid te zijn. Misschien kunnen we wel zeggen dat dit incarneren bij ieder mens een lang proces is. Hoe wijzer de ziel, hoe moeizamer het lichaam wordt bewoond.

Voor sommige lezers gaat dit waarschijnlijk te ver, maar anderen weten dat er tegenwoordig veel alternatieve therapieën zijn, juist erop gericht om mensen beter 'in hun lichaam te brengen', beter 'te aarden' in het 'hier en nu'. Want daartoe zijn we blijkbaar dan toch op de aarde gekomen, geboren in de materie, om hiér ons leven te leven, met alle mogelijkhe­den en moeilijkheden van deze weerbarstige materie, niet in het minst in het lichaam. En voor velen duurt dit proces van in-carneren wel een leven lang. Niet om ons totaal te vereenzelvigen met de materie, met ons lichaam, dat juist niet, maar om er werkelijk te zijn, in het hier en nu en met de voeten op de grond.

Ook hier weer zouden we moeten beseffen dat de meest wezenlijke ervaringen in de vorm van langzame processen plaatsvinden. Bij de eerste ademhaling of schreeuw ben je geboren, maar wanneer zijn we werkelijk hier aanwezig, met lichaam én ziel? Werkelijk geboren? En zijn we niet op aarde om niet naar de materie, maar naar de geest wedergeboren te worden? Maar daartoe dient dan dit aardse leven blijkbaar om ons juist verder te brengen dan de aarde.

Ik kan me indenken dat het veel lezers moeite kost om te wennen aan deze tot nu toe voor ons vreemde mogelijkheid dat we er al zouden zijn vóórdat de conceptie plaatsvindt, dat we blijkbaar ergens vandaan komen, in een bepaalde gestalte, op weg naar de aarde, om geboren te worden. Het kan na­tuurlijk ook een bevrijding zijn uit een te beperkte voorstel­ling. Het wordt zoveel grootser; de perspectieven verwijden zich!

Er is méér tussen hemel en aarde dan we ooit maar voor mogelijk hebben gehouden!

Een mens is bij het begin van zijn leven op aarde veel meer dan dat niets ziende en niets begrijpende baby’tje dat in de handen der mensen wordt opgevangen. Zoals veel moeders kunnen getuigen: 'Toen ik de baby in mijn armen nam, wa­ren het geen baby-ogen die me aankeken!' Het door je heen­kijken van pasgeborenen, alsof ze in een diepte of verte schouwen, dat beleven veel ouders.

­

Uit: Het Onbekende Venster – Nieuwe Ervaringen met Leven en Sterven.

 

 

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 




Website statistieken gratis, LetsStat X1