Op deze plaats wil ik graag vertellen waarom ik geloof in reïncarnatie en waarom ik zelfs aanneem dat het niet anders kan dan dat reïncarnatie een algemeen geldende wet is voor alle levende wezens, in het bijzonder voor ons als mens.
Ik geloof niet in de mogelijkheid, zoals sommige oosterse religies beweren, dat wij zouden herboren worden als dier of als plant, maar wel dat wij leven na leven verder evolueren in steeds weer nieuwe stoffelijke mensenlichamen die ons in staat stellen te ervaren, te leren, goed te maken en aan onszelf te werken tot we zover zijn dat we het diploma 'kind van God' behalen en verder kunnen aan Gene Zijde.
***
Reïncarnatie betekent volgens Van Dale: wedergeboorte van de ziel in een lichaam. Het woord ‘reïncarnatie’ stamt uit het Grieks en betekend letterlijk wedervleeswording. Met reïncarnatie wordt bedoeld dat een wezenlijk deel van onszelf (bewustzijn, ziel, geest) het lichamelijk sterven overleeft en na kort of langer verblijf in een andere dimensie, weer in een nieuw stoffelijk lichaam incarneert voor een volgend leven. Het doel van reïncarnatie is dat wij, door vele levens te ervaren en te leren van die ervaringen, in een bewustzijnstoestand kunnen komen die vrij is van lijden.
***
Volgens onze westerse religies zou reïncarnatie niet bestaan. Noch in de katholieke kerk, noch in allerlei protestantse kerken vond ik enige aanduiding van het bestaan van reïncarnatie.
Een tijdje geleden nam ik me voor om erachter te komen of dit thema überhaupt nog wel aan de orde komt in de opleiding van priesters en dominees. Ik mailde dus met een paar mensen,
die een theologische opleiding hadden gevolgd, en moest tot mijn verbazing vaststellen dat dit onderwerp totaal doodgezwegen wordt en helemaal niet meer ter sprake komt.
En dát terwijl er in de oudste christelijke geschriften wel degelijk sprake van is. Zelfs in de bijbel zijn er verschillende verwijzingen die, indien met open geest gelezen, de wedergeboorte in een nieuw lichaam niet ontkennen. En ook Jezus deed wel eens uitspraken die erop wezen dat reïncarnatie bestaat.
***
In de evangeliën leert Jezus ons een Vader kennen die vol van liefde voor al zijn schepselen zorgt en er niet één laat verloren gaan. En wat leert ons de kerk? Mensenkinderen die zich niet bekeren tot het Christendom en zich niet voor de volle 100% aan de tien geboden houden gaan voor eeuwig naar een brandende hel. Onschuldige kinderen, die ongedoopt sterven, gaan naar het ‘voorgeborchte’ van de hel en mogen niet in gewijde grond begraven worden. Mensen die het wagen hun huwelijk te verbreken mogen niet meer in de kerk komen. ‘Heidenen’ die nooit de kans kregen om het woord van God te horen en zich te laten dopen zijn voor eeuwig verloren… en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.
Zelfs een aardse vader gaat niet, behalve bij hoge uitzondering, op deze wijze om met zijn kinderen. Hoe zou God, die ons toch door de kerken wordt voorgesteld als een liefdevolle Vader dit dan wel doen?
Dit zou nog enigszins te rijmen zijn als ieder kind, van bij de geboorte, dezelfde kansen zou krijgen. Maar dat is beslist niet zo. Heel veel kinderen worden geboren in omstandigheden die hen totaal geen mogelijkheid bieden om Christus te leren kennen. Sommigen hebben zelfs niet eens de verstandelijke vermogens om ooit in staat te zijn om daar iets over te leren. En nog anderen sterven al voordat ze nauwelijks het levenslicht hebben aanschouwd. Zou het God dus behagen om al die levens af te straffen omdat zij geen kansen kregen, terwijl Hij hen uiteindelijk zelf die kans niet heeft gegeven?
Dit lijkt me de grootst mogelijke contradictie, en toch willen de kerken ons dit laten geloven. Waarom?
***
Ik vond een zeer duidelijk antwoord op die vraag in een citaat van Carol Bowman die uitgebreid onderzoek deed naar gereïncarneerde kinderen.
In haar boek: ‘Wie was mijn kind?’ zegt zij: 'Waarom zou de kerk zich zoveel moeite getroosten om reïncarnatie in diskrediet te brengen? De meest voor de hand liggende verklaring hiervoor is de impliciete psychologie van het begrip reïncarnatie. Iemand die in reïncarnatie gelooft, neemt door middel van wedergeboorte verantwoordelijkheid voor z'n eigen spirituele ontwikkeling. Hij heeft geen priesters, biechten en rituelen nodig om zich tegen verdoemenis te beschermen (allemaal ideeën die, tussen haakjes, niet tot de lering van Jezus behoren). Hij hoeft zich alleen maar te bekommeren om zijn eigen daden, zowel ten opzichte van zichzelf als ten opzichte van anderen. Geloof in reïncarnatie elimineert de angst voor eeuwige hel en verdoemenis, die de kerk gebruikt om de geloofsgemeenschap onder de duim te houden. Met andere woorden: reïncarnatie ondermijnt rechtstreeks de autoriteit en macht van de dogmatische kerk.'
Nog een betoog over reïncarnatie in het evangelie
02. REINCARNATIE: HET BIJBELSE GEZICHTSPUNT.
Sai Baba
Ofschoon dit niet bij iedereen bekend is, staan er ook in de bijbel verscheidene teksten die betrekking hebben op karma en/of reïncarnatie.
Hier volgen drie voorbeelden daarvan, genomen uit de evangeliën van Mattheus en Johannes.
Uit deze voorbeelden blijkt, dat reïncarnatie voor velen in Israël een vanzelfsprekende zaak was en dat ook Jezus en de apostelen erin geloofden.
* In Johannes 3:3-8 voert Jezus een gesprek met Nikodemus, dat eigenlijk geen verdere uitleg nodig heeft.
Hier volgt de tekst uit de Groot Nieuws Bijbel.
'Ik zeg u de waarheid,' zei Jezus, 'niemand kan zo maar het koninkrijk van God zien; eerst moet hij opnieuw geboren worden.'
Nikodemus vroeg: ‘Hoe kan iemand die al oud is, opnieuw geboren worden? Moet hij soms terugkeren in de schoot van zijn moeder om voor de tweede maal geboren te worden ?
'Geloof mij', antwoordde Jezus, ‘niemand kan het koninkrijk van God binnenkomen, als hij niet geboren wordt uit water en Geest. Een mens brengt menselijk leven voort, maar de Geest goddelijk leven. Over mijn woorden: U moet opnieuw geboren worden hoeft u dus niet verbaasd te zijn. De wind waait waarheen hij wil. Je hoort hem wel suizen, maar je weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die geboren is uit de Geest.'
*Johannes 9:1-3 geeft een duidelijk voorbeeld van het geloof in karma uit een vorig leven en dus ook van reïncarnatie.
'In het voorbijgaan zag hij een man die vanaf zijn geboorte blind was. 'Rabbi’, vroegen zijn leerlingen hem, 'waarom is hij blind geboren? Om zijn eigen zonden of om die van zijn ouders?'
'Zijn blindheid heeft niets te maken met zijn eigen zonden of die van zijn ouders', antwoordde Jezus. Hij is blind omdat men in hem de macht van God aan het werk moet kunnen zien.'
Uit de vraag van de apostelen blijkt, dat zij slechts twee mogelijkheden zagen voor de blindheid van de betreffende man. Of hij had gezondigd voor hij geboren werd, wat betekent dat hij al eerder had geleefd, of zijn ouders waren schuldig geweest aan een of andere overtreding.
Dat de discipelen hier zo gemakkelijk over spraken lijkt erop te duiden, dat karma en reïncarnatie algemeen geaccepteerd waren onder de joden in die tijd.
Jezus wijst deze gedachte van Zijn leerlingen niet onmiddellijk als absurd van de hand, terwijl Hij hier toch de kans kreeg om reïncarnatie te veroordelen, wanneer Hij van mening was dat deze leer onwaar was. Nee, Jezus accepteert deze opvatting als de gewoonste zaak van de wereld, maar Hij geeft voor de blindheid van deze man een bijzondere verklaring.
Hij zegt namelijk, dat deze man zo bezocht is, omdat hij bestemd is om door middel van Christus op wonderbaarlijke wijze genezen te worden en zo de macht van God te openbaren.
*Het derde voorbeeld heeft betrekking op de terugkeer van de profeet Lei.
Deze heeft waarschijnlijk in de negende eeuw voor Chr. geleefd.
Vier eeuwen later vermeldde de profeet Malachiet in de laatste regels van het oude testament de belofte van God, dat Hij de profeet Lei zou zenden voor de Heer zou komen. (Malaechi) 3:23.
In de meeste bijbels is dit echter (Malaechi 4:5).
Een teken van de komst van de Messias zou dus zijn: de wederkomst van Elia.
In het evangelie van Mattheus lezen wij, dat de mensen zich afvragen wie Jezus nu eigenlijk is.
In de omgeving van Caesarea Filippi gekomen, vroeg Jezus zijn leerlingen:
‘Voor wie houden ze de Mensenzoon eigenlijk?’
Sommige mensen zeggen dat U Johannes de Doper bent, antwoordden ze, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten. (Mattheus 16:13-14).
Jezus zelf zegt echter in Mattheus 11:13-14, dat Johannes de Doper Elia is.
Ook in Mattheus 17;10-13 zegt Jezus, dat Elia al gekomen is, maar dat men hem niet herkend heeft.
Toen begrepen de leerlingen dat hij Johannes de Doper had bedoeld.
In deze teksten bevestigt Jezus dus de leer van reïncarnatie.
Wanneer men Johannes de Doper echter vraagt of hij Elia is, ontkent deze dat. (Johannes 1:21-23).
De verklaring hiervan is, dat Johannes inderdaad niet wist dat hij Elia was.
Wij kennen onze vorige levens niet en dus wist ook Johannes niet dat hij eens als Elia op aarde had geleefd.
Jezus wist dit vanzelfsprekend wel.
Ondanks het feit, dat karma en reïncarnatie dus in de bijbel voorkomen en door Jezus werden geaccepteerd, maken zij toch geen deel uit van het huidige christelijke gedachtegoed.
De leer van reïncarnatie en daarmee ook die van karma werd ketters verklaard en uit de christelijke theologie verwijderd op het Tweede Concilie van Constantinopel in 553 na Chr.
Het geloof in reïncarnatie leidt ertoe, dat men zich in staat voelt zonder de gevestigde instellingen de christelijke weg te kunnen bewandelen.
Het individu is zich ervan bewust, dat zijn bestemming zijn eigen zaak is, zijn eigen keuze.
De kerk kan hem helpen bij het bereiken van het doel van zijn leven, maar dat is niet noodzakelijk.
Deze opvatting brengt dus een aanzienlijke beperking met zich mee van de macht van de kerkelijke leiders.
Verder waren de kerkelijke autoriteiten van mening, dat er een zekere dwang moest zijn om de mensen te weerhouden van zonde.
Reïncarnatie kan een reden zijn om je verlossing maar voor je uit te schuiven naar een volgend leven.
Het besluit van de kerk om reïncarnatie te verwijderen uit de christelijke theologie heeft ertoe geleid, dat vele geschriften die niet pasten in de leer in opdracht van de kerk werden vernietigd.
De huidige bijbel bevat slechts een klein gedeelte van de teksten over Jezus die ooit hebben bestaan.
De kerk is er niet in geslaagd alle ongewenste teksten te vernietigen.
Zo werd er in 1945 in Egypte een groot aantal manuscripten gevonden, waarvan sommige dateerden uit de tijd dat ook de evangeliën zelf werden geschreven.
Hieronder bevonden zich het Evangelie van Thomas, het Evangelie van Philippus, het Geheime Boek van Thomas, de Apocalyps van Petrus en nog vele andere teksten die betrekking hebben op het leven en de leringen van Jezus.
Hopelijk zullen deze teksten de mening van de christelijke kerk over karma en reïncarnatie nog eens wijzigen.
De reïncarnatietheorie werd pas na 553 door de kerk verboden. Onder de kerkvaders en de eerste christenen waren er zeer veel die er in geloofden. Stellig heeft ook de strijd tegen de gnostiek meegebracht, dat men reïncarnatie afwees, omdat juist alle gnostici er in geloofden, en er vaak zweverige en zeer on-Bijbelse theorieën aan verbonden. Het is vermoedelijk dit geheim leeraspect dat vele oprechte theologen hinderde. Dat dit inderdaad aanwezig was blijkt uit een uitspraak van de heilige Hieronymus: ‘De reïncarnatieleer werd in de oudste tijden steeds aan een kleine schare uitverkorenen als een waarheid, die voor de grote massa niet uitgesponnen mocht worden, meegedeeld.’ Daaraan voegde hij de mededeling toe, dat deze leer als geheimleer ook aan de eerste christenen bekend was.
Uit K. O. Schmidt: ‘Wir leben nur einmal’ nemen we nog de volgende gegevens over:
De heilige Augustinus vraagt: ‘Leefde ik niet reeds in een ander lichaam, eer ik in het lijf mijner moeder ontstond?’
Clemens van Alexandrië verklaart, dat de reïncarnatieleer een van oudsher afgeleverde waarheid is, die door de apostel Paulus bevestigd werd en sindsdien ‘goddelijke traditie’ is.
Origines, een van de grootste geleerden der kerk, gezaghebbend voor de opbouw van de geloofsleer, was een besliste aanhanger van de reïncarnatieleer en duidt in vele plaatsen hierop. ‘Als men weten wil, waarom de menselijke ziel de ene keer het goede gehoorzaamt, de andere keer het kwade, moet men de oorzaak in een leven zoeken, dat aan het tegenwoordige leven voorafging.’ – ‘Ieder van ons jaagt door een opeenvolgende reeks van levens heen naar de volmaaktheid.’ – ‘Wij zijn verplicht steeds nieuwe en betere levens te volgen, zij het op aarde, zij het in andere werelden.’ – ‘Onze volkomen overgave aan God, die ons van alle kwaad reinigt, beduidt het einde van onze wedergeboorten.’
De kerkvader van Nyssa: ‘Het is voor de ziel een natuurnoodwendigheid, dat ze door meervoudige levens gereinigd wordt.’
Rufinus verzekert in een brief aan Athanasius, dat het geloof aan herhaalde levens de algemene overtuiging der kerkvaders was en van oudsher aan de ingewijden als een oude traditie overgeleverd werd.
De heilige Justinus vermeldt uitdrukkelijk, dat de ziel meer dan éénmaal in een lichaam woont.
De heilige Hilarius is eveneens voorvechter van de reïncarnatieleer, net als de heilige Bonaventura.
Aartsbisschop Louis Passavali, gewijd door monsignore Towianski, schrijft met een beroep op bisschop Stanislaus Flakowski openlijk: ‘ Ik ben van mening, dat het een belangrijke schrede voorwaarts beduiden zou, indien men openlijk de leer van de reïncarnatie verkondigen zou, en wel de incarnaties op aarde, alsmede die in andere werelden. Op deze wijze zouden vele raadsels, die nu als onverklaarbare nevels de geest en het verstand der mensen omsluieren, opgelost worden.’
Het zou zinvol zijn als het joods en christelijk theologisch denken een innovatie kon ondergaan vanuit de hedendaagse informatie- en communicatietheorie. Dit zou het ook eenvoudiger kunnen maken reïncarnatie (als informatie- en energiecontinuïteit) theologisch te situeren en te integreren.
De Bijbelse terminologie zou voor onze tijd aansprekender worden, als we de moed hebben af te stappen van dierbaar geworden clichés die geen existentiële functie meer hebben in het atoomtijdperk.
De mensheid heeft al sinds lang alles ontvangenwat haar te geven viel. Maar alle kennis moet door nieuwe generaties steeds opnieuw worden verwerkt en elke tijd vraagt om een andere vorm waarin die kennis is gegoten.
De leer van de reïncarnatie bij voorbeeld is al zeer oud. Maar die kennis is een tijdlang terzijde geschoven omdat de Europese beschaving andere wegen diende te gaan. Die cyclus is thans bijna voltooid en nu kan deze kennis opnieuw als een weldaad aan ons gegeven worden.
In zekere zin is die kennis onveranderd gebleven, maar in andere opzichten kunnen wij haar nu, tweeduizend jaar na de geboorte van Christus, met andere ogen zien waardoor deze idee de mensheid opnieuw bevruchten, verlichten en verlossen kan.
Christian Morgenstern (1871-1914)
Christendom
Reizen van de ziel door tussen werelden
Precies zoals er in de oude tijden een heidense en een gnostische reïncarnatieleer bestond, kent ook het Christendom op zijn eigen wijze het thema van de zielsverhuizing. Maar in tegenstelling tot oudere opvattingen rekent het Christendom op een tijdperk van onbekende duur die de ziel tussen dood en voleinding moet doorbrengen in het purgatorium, het vagevuur.
Hemel en hel zijn in het Christendom duidelijk omschreven situaties van duurzame aard. Het vagevuur daarentegen is van een voorbijgaand karakter en het mag gezien worden als een reeks van in elkaar overgaande toestanden waarin de ziel komt te verkeren, wanneer zij door een trapsgewijs omhoog stijgen tenslotte tot de aanschouwing van God komt. Deze reis van de ziel valt te omschrijven als een zwerftocht die de ziel tot allerlei ervaringen brengt, maar het is tegelijkertijd ook steeds een periodiek oponthoud in de verschillende gebieden waaruit het vagevuur bestaat. Kerkvaders, maar ook denkers en zieners hebben dit verblijf omschreven als 'een reis van de ziel'.
Wanneer we de reïncarnatie beschouwen als een horizontale reis van de ziel binnen 'het rad van geboorten' dan is het opstijgen van de ziel via verschillende reinigingsfasen te beschouwen als een verticaal gerichte reis.
De christelijke tocht van de ziel door het hiernamaals voert volgens duizend jaren oude inzichten door allerlei oorden, sferen, lagen en hemelen waarvan zelfs symbolisch-geografische voorstellingen bestaan. Een soort hemelse 'ruimtekunde' die Uranografie wordt genoemd.
'De ruimtelijke beelden, die christelijke zieners en theosofen gebruiken om een indruk te geven van de stijgende weg die de reizende ziel moet volgen, mogen niet worden opgevat in hun letterlijke betekenis van het woord. Dat zou een zintuiglijke beperking zijn. Deze beelden zijn eerder de gebrekkige weergave van ervaringen in een volstrekt vrije, geestelijke ruimte in die andere wereld.'!
Zo'n visioen van geestelijk zien en ervaren in het hiernamaals is eens door de heilige Hildegard von Bingen in een brief, gericht aan Guibert von Gemblours, beschreven: 'Dat wat ik zie, kan ik niet volstrekt waarheidsgetrouw weergeven zolang ik in het lichaam ben en de ziel daarginds niet waarneemt. Bij deze visioenen stijgt mijn ziel zo hoog als God het toelaat, ik dring door tot in de hemel, maar ik reis ook door verschillende klimaten waar ik volkeren kan waarnemen die duidelijk ver van mijn eigen land verwijderd leven. Niet alleen deze dingen neem ik waar, ik zie ook het wisselen der wolken en andere tot de natuur behorende verschijnselen. Die zie ik echter niet met mijn aardse ogen, evenmin hoor ik ze met mijn oren. Het is niet mijn verstand of een van de vijf zintuigen waarmee ik deze waarnemingen doe. Ik zie deze dingen uitsluitend in mijn ziel, ook al lijken mijn aardse ogen geopend. Ik ben daarbij niet in extase, ik zie dit alles dag en nacht bij volledig bewustzijn.’
Kerkvaders
Clemens van Alexandrië (geboren tussen 140-150, overleden voor 216)
'Paulus leerde de reïncarnatie'
De Griekse kerkvader Clemens van Alexandrië werd waarschijnlijk in Athene geboren en stierf rond het jaar 216 in Jeruzalem..
Hij kwam tot de overtuiging dat de reïncarnatie juist was en hij geloofde dat ook de apostel Paulus de reïncarnatie had onderwezen. Deze kerkvader, schrijver en dichter, die eigenlijk Titus Flavius Clemens Alexandrinus heette, was rond het jaar 200 leider van een filosofische school in Alexandrië (Egypte) tot hij voor de vervolgingen door keizer Septimus Severus moest vluchten.
Clemens van Alexandrië was onder andere de leraar van Origenes (185-254), die evenals zijn meester de leer der reïncarnatie was toegedaan.
Deze Griekse kerkvader Origenes werd ook wel Adamantios genoemd en werd in het jaar 232 geëxcommuniceerd vanwege zijn op sommige punten afwijkende meningen. Dr. Karl E. Muller schrijft over hem het volgende:
'Punt van gesprek over zijn ideeën was overigens niet de reïncarnatie, ofschoon de vraag daarnaar op meerdere concilies was behandeld. Over het algemeen neemt men aan dat het principe van de reïncarnatie pas tijdens het concilie van 525 definitief werd verworpen. Tien jaar later werd in diezelfde stad het onderwerp opnieuw naar voren gebracht op een concilie en toen pas werd het tot anathema verklaard. Maar ook de daarmee uitgesproken veroordeling had alleen betrekking op de veronderstelde oorzaken der reïncarnatie, niet op het geloof daarin als zodanig.
Het gaat dan ook om een zeer ingewikkeld vraagstuk. Lutoslanski schrijft bijvoorbeeld dat de aartsbisschop Passavalli zich op de leeftijd van 64 jaar tot de reïncarnatiegedachte bekeerde en ronduit verkondigde dat deze leer nooit door de kerk of enig dogma was veroordeeld. Over Pius XII, die paus was van 1939 tot 1958, gaat het verhaal dat hij ernstige pogingen in het werk heeft gesteld om het geloof in de reïncarnatie officieel toe te staan.
Ondanks de afwijzing door de christelijke theologie heeft binnen de christelijke wereld het geloof aan de juistheid der reïncarnatie altijd voortgeleefd. Dat is onder andere te zien in Middeleeuwse houtsneden met als onderwerp de levensbron. In het algemeen zien we op deze afbeeldingen een bron waar aan de ene kant oude en door zwakte getekende personen in afdalen om er aan de andere kant als jonge, sterke mensen weer uit te komen.
De oorsprong van deze sage gaat terug tot de oud Germaanse godin Hola, die het water en de wolken beheerste en die de zielen der gestorvenen in ontvangst nam om ze later als kinderen opnieuw naar de aarde terug te sturen.'
Wie dit alles overdenkt, ontkomt niet aan de vraagstelling of wellicht 'de wederopstanding des vlezes' zou kunnen wijzen op een verbasterde vorm van de reïncarnatie.
Na lezing van wat ik hiervoor al schreef zal het duidelijk zijn dat ik, in de katholieke kerk waarin ik werd groot gebracht, niet de antwoorden vond over wat een liefdevolle Vader nu eigenlijk te maken had met alle onrechtvaardigheden en tegenstellingen in dit aardse tranendal. Ik vond niets dan tegenstellingen en tegenspraken en het enige antwoord dat de kerk hierop te bieden heeft is: 'Het is de wil van God.'
Zo'n antwoord is de spreekwoordelijke 'steen in plaats van brood' waarom gevraagd werd.
Het Oosten.
Ik wilde dus zelf op zoek naar brood en aanvankelijk meende ik dat te vinden in de Oosterse religies, met name bij Brahma Kumaris waar ik een groot aantal meditatie avonden bijwoonde. Maar uiteindelijk voelde ik dat dit ook niet helemaal klopte. Men had het daar weliswaar wel over reïncarnatie, maar als een soort van eindeloos terugkerend rad. Dat leek allemaal behoorlijk zinloos en hield uiteindelijk geen vooruitgang in.
Jozef Rulof.
In de eerste helft van de jaren negentig vond ik ineens antwoorden op alle vragen die ik me stelde. Een verre kennis, die om zakelijke redenen bij me op bezoek was en waarmee ik aan de praat raakte, liet me een boek zien 'dat me wellicht zou interesseren'.
Het was het eerste deel van Vraag en Antwoord van Jozef Rulof. Ik had nog nooit eerder van die man gehoord, laat staan een boek gelezen.
Ik bladerde wat door het boek, las hier en daar iets, en wist op datzelfde moment dat ik hier eindelijk, in eenvoudige mensentaal, de antwoorden vond die de kerk nooit kon geven.
Vanaf die dag ben ik onmiddellijk begonnen met het verzamelen en lezen van alle boeken van Rulof, een hele rij, maar zeker de moeite waard. (meer hierover op mijn Jozef Rulof pagina)
Een van de grondslagen van het gedachtengoed van Rulof is: reïncarnatie
Ik plaats hieronder een aantal citaten uit zijn boeken die hiernaar verwijzen, maar er zijn er veel meer. Wie in dit onderwerp geïnteresseerd is kan ik dus alleen maar aanraden om enkele boeken te lezen.
Bron: Een Blik in het hiernamaals.
Hoe lang zou onze vriend in de duisternis moeten blijven, Alcar?"" Dit kunnen jaren zijn, André, doch ook eeuwen,"" Blijft hij dan steeds op deze plaats, ook wanneer hij het goede wil?"" Wel neen, natuurlijk niet. Ik heb je toch verteld dat geesten, die verlangen naar het hogere gaan voelen, door de hulp van degenen, die hier werken, naar andere plaatsen worden gebracht. Daar moeten zij leren en eerst wanneer zij dit willen laat men hun zien wat zij op aarde misdreven hebben. Dit weet men hier van een ieder. Daarna komt de wroeging, welke ieder mens, vroeg of laat, zal gevoelen. Dan treedt bij dezulken vaak de gedachten aan reïncarnatie naar voren, als hulp en genade van God. Zij mogen en kunnen dan naar de aarde terugkeren en zullen gedurende het nieuwe aardse leven al het leed en al de smart, welke zij veroorzaakt hebben, weer goed kunnen maken. De drang om goed te doen dragen zij onbewust in zich, omdat zij aan onze zijde in die verhoogde toestand zijn gekomen en daarvoor gestreden hebben, al kleven hun nog vele fouten aan. Dit is een grote genade voor hen, wanneer er een heilig verlangen in hen gekomen is om goed te mogen maken wat zij misdreven hebben. Deze wet is een der grootste wetten Gods, omdat Zijn oneindige liefde daaruit spreekt. Over reïncarnatie is ook zeer veel te vertellen. Op aarde wordt er door velen aan geloofd, maar men weet niet, hoe zij geregeld wordt.
U zei, dat vroege overgangen reïncarnatie betekenen; weet men, wanneer men hier binnentreedt, daar iets van?"" Neen, geen wezen weet daar iets van. Ik zei je reeds, dat alleen zij het kunnen weten, die kosmisch zijn ontwaakt. Alleen zij, die in de mentale gebieden leven, kunnen reïncarnatie aanvoelen en begrijpen. Het leven komt op aarde in onbewuste toestand en keert daaruit terug en is zich alleen van dat leven bewust."" Weet men hier van waar het leven op aarde overgaat? En hoe het geschiedt?"" Neen, ook dit is ons niet bekend."" Weet u, hoe vaak de mens de aarde zal bezoeken?"" Ja, dat weten wij. Het leven zal naar de aarde terugkeren, totdat het geestelijk voelt, al is die afstemming stoffelijk. Wanneer het in deze toestand is gekomen, heeft het daar niets meer te leren. Is je dat duidelijk?"
Bron: Zielsziekten, van Gene Zijde bezien.
Het is dus niet mogelijk, André, dat God het ene kind méér geeft dan het andere. Dit zijn levenswetten. Voor iedereen zijn deze mogelijkheden om te ontwaken weggelegd; elk mens bezit ze! God heeft deze mogelijkheden in onze handen gelegd. Wij leren hierdoor de schepping kennen. Daarna komt het zich eigen maken en dat geldt voor elkeen. Het is de bedoeling van God dat wij evolueren; daarvoor schonk Hij de mens alles van Zichzelf. Wij zijn goden! Ook hierin is God rechtvaardig. Dat God het ene kind bevoordeelt en het andere laat verhongeren of krankzinnig maakt kan niet! De homoseksueel en de krankzinnige hebben hun eigen toestand geschapen, maar zullen zich hiervan losmaken wat echter eerst in een volgend leven bereikt wordt. In dat leven zal de geest zichzelf leren kennen, maar dit gebeuren verbindt ons met de reïncarnatie en met het leven van deze en andere zieken.
Het moet je dus duidelijk zijn, waarvoor men op aarde is. Nu staan wij voor de reïncarnatie en moeten deze wedergeboorte aanvaarden anders stonden wij stil in deze stoffelijke en geestelijke ontwikkeling. Ik zei je reeds menigmaal, in één leven kunnen wij vrijwel niets bereiken. Daarin is de oneindigheid van God niet te beleven. Hiervoor zijn miljoenen levens nodig.
Bron: Het ontstaan van het Heelal
De mensen, die van geestelijke dingen iets wisten en die er zich voor interesseerden, wisten wel wat van karma, maar kwamen niet achter dit ontzaglijke probleem. Ook de theosofen hadden het steeds over reïncarnatie en karma, en karma was het gevolg van iets, dat men in een vorig leven had gedaan en dat in het volgende leven op aarde goed gemaakt moest worden. Maar hoe dat precies in zijn werk ging, dat wisten ook zij niet. Voor hen echter, die er niets van wisten, was karma niet meer dan een woord, maar die gingen ook nergens op in, vroegen niet waarom. en waarvoor, waren levend dood. In hen lag geen opstand, zij aanvaardden. Dit was echter geen aanvaarden, zoals men aanvaarden moet, want zij waren nog niet zo ver. Die mensen hadden nog te leren, moesten eerst ontwaken en daarvoor zouden zij terugkeren. Daarvoor was het leven op aarde, wat Alcar hem nu duidelijk zou maken. Er was geen andere planeet waar zij dit konden leren, dan de planeet aarde.
God openbaarde zich en dit openbaren is voor dit leven het overgaan in duizenden levens, om die hoogste graad, de goddelijke, te bereiken. Dan hebben wij echter miljoenen eeuwen achter ons en hebben deze lange weg afgelegd. Toen God zich nog niet geopenbaard had, was toch in wezen alles volmaakt en deze volmaaktheid bezit hier reeds dit kleine wonder van dierlijk leven. Wanneer de mens zich thans in zijn volmaakte toestand op aarde afvraagt wat is God en waarom zijn wij op aarde, is dit de openbaring, de waarheid en de werkelijkheid, omdat God wilde dat wij mensen in die openbaring zouden overgaan. God schiep dus voor de mens het heelal, schiep sterren en planeten, maar schiep de mens naar zijn evenbeeld. God wilde dat de mens bewust werd en dit goddelijke bewustzijn dat wij eens zullen bezitten, schonk God aan het wezen in een menselijke toestand.
Er zijn vele mensen op aarde die hun schouders voor de reïncarnatie zullen ophalen, maar anderen voelen het, want diep in hen ligt deze waarheid en werkelijkheid. Ik maakte je dit opnieuw duidelijk om aan te tonen, dat de wedergeboorte in eerste instantie aanwezig moest zijn, of Gods schepping was niet geslaagd en wij waren in dit stadium vernietigd. "
Wetenschappelijk onderzoek via regressie- en reïncarnatie therapie.
Sinds de helft van de 20ste eeuw gingen steeds meer mensen, via regressie, onderzoek doen naar vorige levens. Men ging deze 'therapie' gebruiken omdat men erachter kwam dat de oorzaak van ziektes, in dit leven, mogelijks kon gevonden worden in een vorig leven. Aanvankelijk gebeurde dat meestal door hypnose of magnetiseren, tegenwoordig zijn de therapeuten zo ver dat ze hun remigranten terug kunnen brengen naar vorige levens via een lichte trance.
Terwijl ik citaten van Jozef Rulof aan het opzoeken was voor het hoofdstukje hierboven, vond ik in Vraag en Antwoord I een tekst die erop wijst dat ook Rulof al naar die mogelijkheid verwees.
"Nog een ander voorbeeld. Een dame komt bij mij. Zij kan - zo vertelde ze mij - niet in een afgesloten ruimte zijn. Als dit haar toch overkomt, dan krijgt ze het gevoel, dat zij stikt en rent ze de deur uit. Er is niets aan te doen, zeggen de doktoren. Ook al hebben ze haar met medicijnen volgestopt, het blijft. Wat nu? Ik kreeg de diagnose en haar vorige leven te zien. Deze ziel als vrouw, was ook toen moeder. En in dat leven is zij levend verbrand. Juist, doordat zij zich opgesloten heeft gevoeld en doordat zij geen uitweg zag, verloor zij dat leven. En nu is haar toestand precies hetzelfde. De psychologen zeggen: half krankzinnig. Wij zeggen, door de meesters: ééns levend verbrand. En wie heeft er nu gelijk? Niets aan te doen! Niets en toch? Als ik haar had moeten genezen - wat niet mogelijk is, want wie kan haar diezelfde toestand laten beleven - had ik haar wéér diezelfde angst moeten laten doormaken om er nu uit te halen, wat er in zit. Dàn eerst zou zij weer zichzelf zijn. Eerst aan Gene Zijde lossen al deze verschijnselen op. En . . . geloof ook dit en aanvaard het, hier is èlk verschijnsel een wet, en dit wil zeggen, dat de mens ééns die narigheid heeft beleefd en dit vinden wij terug in het gevoelsleven van de mens. Daar de doktoren nog geen reïncarnatie kunnen aanvaarden, staan zij machteloos en sturen die mensen maar weg, of geven die patiënten medicijnen, doch het is de geest en niet de stof! "
Het is duidelijk, uit dit citaat, dat Jozef Rulof hier al de mogelijkheid aanstipt om psychisch zieken te genezen via een terugkeer naar en herbeleven van een vorig leven. Via regressietherapie dus.
Intussen heb ik zo veel gelezen over dit onderwerp en heb ik zo'n therapie ook van dichtbij meegemaakt van iemand uit mijn kennissenkring, dat ik ervan overtuigd ben dat hier een enorme omslag in de psychiatrie zit aan te komen. Op voorwaarde natuurlijk, zoals Rulof ook al zei, dat de heren doktoren willen aannemen dat dit leven niet het eerste en laatste in de rij is.
Op zoek naar bewijs.
Wanneer je ergens stellig in gelooft dan is het normaal dat je ook op zoek gaat naar bewijzen dat datgene waar je in gelooft, ook waarheid is.
Door Jozef Rulof was ik ten volle overtuigd van het bestaan en het nut van reïncarnatie, maar het is en blijft een feit dat ik dikwijls geconfronteerd word met mensen, uit mijn familie en kennissenkring, die vragen om bewijzen.
Ik ben dus op zoek gegaan naar die bewijzen om de sceptici stof te geven om over na te denken.
Een halve eeuw geleden zou het moeilijk geweest zijn om hierover iets te vinden, maar via mensen, wetenschappers, die zich bezighouden met regressie- en reïncarnatietherapie is het wat eenvoudiger geworden.
Ik ben bewust niet gaan zoeken naar allerlei ‘new-age-literatuur’ (die wel dik gezaaid ligt) over dit onderwerp, maar wel naar boeken van mensen die op een wetenschappelijke manier met onderzoek naar ‘verder leven na de dood’ en naar reïncarnatie bezig zijn geweest en nog bezig zijn.
(Ian Stevenson, Kubler-Ross, Helen Wambach, de Rochas, Moody etc)
Zo vond ik onlangs het boek van Hans ten Dam : Reïncarnatie – Denkbeelden en ervaringen.(eerder uitgegeven als: Ring van Licht)
Als ik al niet overtuigd zou geweest zijn van reïncarnatie, dan zou dit boek me beslist overtuigd hebben.
Het boek is gebaseerd op honderden en honderden regressies, zowel in binnen- als in buitenland. Er wordt bewust niet gerelateerd aan religie of geloofsovertuigingen. Hans ten Dam heeft zelf een praktijk voor regressietherapie, is docent bij Tasso (opleidingsinstituut voor regressietherapeuten) en heeft, mijns inziens, ook honderden boeken gelezen over de onderzoeken van zijn collega’s en dan alles netjes in kaart gebracht. Het boek lijkt me dus zeer betrouwbaar.
Ik ben niet van plan om hier het hele boek te bespreken maar wil wel graag een paar stukjes uit de uiteindelijke conclusies citeren. Wie hierdoor geïnteresseerd geraakt is verwijs ik naar het boek zelf dat in de meeste grote bibliotheken beslist te vinden is.
07. Citaten
Citaten uit Reïncarnatie – Denkbeelden en ervaringen.
Dit is, denk ik, HET grote definitieve werk over reïncarnatie; het is moeilijk voor te stellen dat het ooit zal worden overtroffen.
Uit: Voorwoord - door Hans ten Dam
Dit boek is een panorama van wat er over reïncarnatie geschreven is. Het geeft ook mijn beoordeling daarvan. Ik verwijs voortdurend, zodat de lezer de bronnen kan raadplegen en zijn eigen oordeel kan vellen. Ik probeer te komen tot samenhangende denkbeelden die overeenstemmen, althans niet strijdig zijn, met de ervaringsgegevens tot nu toe. Op grond van het huidige materiaal en enig nadenken kunnen we al veel gedachten over reïncarnatie uitzeven. Of reïncarnatie bestaat of niet bestaat of in een bepaalde vorm bestaat – één ding zal lezing van dit boek duidelijker maken: vele denkbeelden over reïncarnatie zijn onjuist of zelfs onzinnig. Ik hoop dat dit boek u helpt het kaf van het koren te scheiden.
Ik heb in deze uitgave meer aandacht gegeven aan de dubieuze weerleggingen van reïncarnatie, en nog meer aan de dubieuze onderbouwingen van reïncarnatie. Gelovigen en ongelovigen zijn één pot nat: mensen die iets weten hoeven niet meer na te denken en vooral niet te kijken naar wat ze niet willen zien. Gaat dit boek over het bewijzen van reïncarnatie? Bewijzen horen thuis in de logica en de wiskunde – en in de rechtszaal. Met empirische wetenschap heeft dat allemaal niets te maken. Getoetste gedachten worden aannemelijker of onaannemelijker. Wat waar lijkt te zijn, blijkt later onder sommige condities minder waar of op een heel andere manier waar te zijn. Vele gedachten kunnen we als vrijwel zeker onwaar ter zijde schuiven. Maar waarheid is iets voorlopigs, iets dat verschuift en verandert.
Ik heb weinig op met bekrompen wetenschappers die quasi-argumenten uit de hoge hoed toveren bij alles wat ze al bij voorbaat onzin vinden. Ik heb zo mogelijk nog minder op met bekrompen godsdienstigen die vinden dat de evolutieleer niet waar kan zijn omdat zij strijdig is met de letterlijke betekenis van de bijbel. Dat zijn mensen die geen snars begrijpen van wat wetenschap is en – wat misschien nog erger is – geen snars begrijpen van wat godsdienst is.
Zwakke zielen en zwakke geesten voelen zich aangetrokken tot godsdiensten omdat die zekerheid voor gemoed en brein beloven. Psychopaten voelen zich aangetrokken tot godsdiensten omdat het bovenmenselijke een makkelijk passend kleed is voor het onmenselijke. Dat is allemaal heel natuurlijk en uiteindelijk positief, omdat zulke mensen vroeger of later (als je in meerdere levens gelooft) juist door hun godsdienst tot nadenken en invoelen gedwongen worden. Maar als er te veel van zulke mensen zijn en als ze te luidruchtig worden, worden zij de spelbepalers. Onder mentale dwang gedijt noch godsdienst noch wetenschap.
Voorlopige samenvatting (hoofdstuk: De ziel en haar persoonlijkheden)
Een mens is een vaak in een lichaam verblijvende ziel, die min of meer zelfbewust is. Bewustzijn met een in zichzelf spiegelend brandpunt, een zelfbewustzijn, treedt op wanneer we ons in en door ons lichaam ervaren. Ons zelfbewustzijn groeit uit de weerkaatsing van een “stralende” ziel door een “ondoorzichtig” lichaam. Deze reflectie van de ziel krijgt een brandpunt dat, althans bij menselijke zielen in een menselijk lichaam, zelfbewustzijn geeft. Verschillende reeksen lichaamsgebonden ervaringen leiden tot verschillende brandpunten en dus verschillende identiteiten. In deze zelfbeleving beleeft de ziel zichzelf concreet: inclusief alle lichaamsbelevingen, inclusief alle gedachten en emoties, inclusief de levensgang. Na de dood blijft het zelfbewustzijn vroeger of later behouden. In de loop van haar levens verzamelt de ziel vele persoonlijkheden waarin zij zichzelf beleeft en steeds min of meer tot zichzelf komt. Elke persoonlijkheid is een persoonlijkheid in wording (soms in verwording) totdat zij vrede gevonden heeft, stabiel verankerd in de ruimere persoonlijkheid, totdat zij haar plaats gevonden heeft in het huis van het bewustzijn met de vele kamers, in het licht van de ziel. (……)
Wij zijn meer dan onze huidige persoonlijkheid. Achter en boven en om onze huidige persoonlijkheid is een vrijere en ruimere persoonlijkheid die vermoedelijk tijdens ons leven in zekere zin latent is, geen of minder of afgezonderd zelfbewustzijn heeft, maar wel constituerend en voedend als een matrijs of baarmoeder aanwezig is. “In het onderbewuste” zouden psychologen zeggen met de hen kenmerkende trefzekere topologie.
Wij hebben een persoonlijk bewustzijn met een nog ongerealiseerd stuk persoonlijkheid dat in ons onderbewuste is opgenomen en wel binnen de matrijs van de vrije, ruimere persoonlijkheid. Daarnaast hebben we enkele voedende vorige persoonlijkheden die we zelf gekozen hebben, of die aangeraden zijn, of die gewoon een kwestie van continuering zijn. Al zulke persoonlijkheden leven in ons onderbewuste. Daarnaast zijn we vaak vergroeid met onaffe levens door trauma’s of postulaten. (pagina 363-364)
Samenvatting (Hoofdstuk: een empirische kijk op reïncarnatie)
Een visie op reïncarnatie die redelijk in overeenstemming is met het tot nu beschikbare materiaal is:
- Waarschijnlijk reïncarneert iedereen tientallen of honderden keren
- Tussentijden wisselen sterk, en variëren meestal van enkele maanden tot enkele eeuwen. Een paar jaren of enkele tientallen jaren komt het meest voor.
- Geslachtswisseling komt bij tenminste 80% van de mensen voor, met wisselende frequentie, zonder duidelijke regels.
- Veel mensen hebben een levensplan.
- Wij komen meestal anderen tegen die we uit vorige levens kennen.
- Herinneringen aan vorige levens kunnen genezend werken en kunnen passen in het levensplan.(pagina 382)
Hoofdstuk: Reïncarnatie en levenskunst (of: over het nut van regressie naar vorige levens)
Een persoonlijke overtuiging is één ding, persoonlijke herinneringen aan vorige levens een ander ding, tijdens regressies de terugblik na de dood of de vooruitblik voor de geboorte ervaren weer een ander ding. En door reïncarnatietherapie een ander mens worden weer iets anders.Reïncarnatiedenkbeelden, vooral als ze gevoed worden door eigen ervaringen, kunnen een toename van levenskunst geven en daarmee een nieuwe dimensie in geestelijke gezondheid, in opvoeding, in ethiek en in maatschappelijke activiteit. In het volgende trek ik meer theoretische conclusies en daarna meer praktische consequenties.
Een ander zicht op het leven.
De dood blijft een ingrijpende en dramatische drempelovergang, maar terroriseert ons niet meer met een onvoorstelbaar en zinloos vacuüm. Het eerste gevolg van reïncarnatiebesef is het verminderen of zelfs verdwijnen van angst voor de dood.
De ervaringen van de levensterugblik na de dood en de levensvooruitzichten voor de geboorte maken van ons leven een zinvol traject: we gaan ergens heen en we komen ergens vandaan. De onderbreking door de dood verlost ons vaak van intens beperkende en intens pijnlijke omstandigheden. Door er regelmatig tussenuit te zijn, herstellen we ons steeds opnieuw.
We hebben een eigen levenslijn, een levensplan. We hoeven niet alles tegelijk te doen. Elk leven heeft een hoofdlijn, een hoofdthema. Er is minder willekeur en toeval, we aanvaarden ons leven meer en kunnen het gevoel hebben op koers te liggen.
Leren en ontwikkelen houden nooit op. Opnieuw leven is steeds opnieuw bedenken, uitvoeren en terugkijken. ‘Boven’ evalueren we, overdenken, sturen bij. ‘Beneden’ toetsen we onszelf en onze ideeën in de praktijk.
Verschillende levens brengen ons verschillende ervaringen. De ene keer man, de andere keer vrouw. De ene keer extravert, de andere keer introvert. De ene keer rijk, de andere keer arm. De ene keer zachtmoedig, de andere keer vasthoudend. Rijkdom en armoe, man of vrouw, het brengt allemaal zijn eigen beproevingen, zijn eigen voor- en nadelen. We leren te relativeren. Het maakt ons minder dogmatisch, minder bevooroordeeld, minder zelfingenomen, minder nationalistisch, minder racistisch, minder seksistisch.
Reïncarnatie geeft een altijd groeiende ervaringsrijkdom, een weliswaar soms moeizame en kronkelende, maar nooit afgesneden weg naar rijker inzicht, rijker gevoel, rijkere talenten, meer onszelf worden en meer verbondenheid met anderen. Het geeft onszelf en mensen in het algemeen menselijke waarde en menselijke waardigheid. Het onvolmaakte is tussenstation naar het steeds minder onvolmaakte.
Ons lichaam is geen gevangenis, maar een duikersklok om ‘hier beneden’ te kunnen opereren. Het is meer: een levende robot waarin we zelfbewustzijn ontwikkelen. Voor velen van ons geldt: geen zelfbewustzijn zonder lichaam voordat we in dat lichaam dat zelfbewustzijn ontwikkeld hebben. Voor anderen is het lichaam een levende robot waarin we afgescheidenheid en emoties leren ontwikkelen.
We helpen minder ontwikkelde mensen en worden geholpen door meer ontwikkelde mensen. Persoonlijke verhoudingen gaan door dood en geboorte heen. Door allerlei verwikkelingen heen groeien onderlinge relaties. We leren eerst om met anderen rekening te houden (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet; wat gij wilt dat u gedaan, doe dat ook een ander aan.’), dan ons in anderen te verplaatsen ( mededogen en empathie) en aan en door anderen leren we aanvaarding, respect en vertrouwen, ook in onszelf. We ontwikkelen verantwoordelijkheid.
De toekomst van onze planeet is onze eigen verantwoordelijkheid, gedeeld in lotgenootschap. De geschiedenis wordt een continuere stroom. (pagina 405 - 406)
Praktische levenskunst.
Het begint met goed geboren worden: weten bij wie je komt en waarom, niet te veel hooi op je vork nemen, een paar afspraken maken. Wees niet te ambitieus of te weinig ambitieus in je levensplan. Naast wat we aanwillen en aankunnen, beperken de omstandigheden onze mogelijkheden tot ontwikkeling en (karmische) afwikkeling. In één leven schoon schip maken, is een edele maar meestal dwaze ambitie. Vaak is het beter minder persoonlijk karma af te werken en meer aan anderen en aan de wereld bij te dragen. Als we schoon schip willen maken, moeten we bedenken dat we maar een miniem onderdeeltje zijn van de chaotische en smoezelige vloot die onze mensheid is.
Aanvaard je lot zonder fatalistisch te worden. We zijn wie we zijn en waar we zijn, maar we kunnen altijd veranderen. Karma zet ons niet vast. Karma is geen gecomputerde rechtspraak. Het is gedeeltelijk natuurwetmatig, en gedeeltelijk geweven uit onze eigen reacties en de pedagogische adviezen en ingrepen van anderen.
Wat je ook weet en kunt, je hebt altijd meer in je dan je denkt. Je kunt niet alleen altijd je verder ontwikkelen, je kunt ook altijd meer in jezelf ontdekken. Er is niet alleen oude pijn, er zijn ook oude schatten. Eén schat is de oudste en de diepste: dat is waarmee je ooit begonnen bent.
Ontvang je kinderen als mensen die hun eigen lijn moeten vinden, hun eigen lessen leren, hun eigen bijdragen leveren. Als ouders zijn we verantwoordelijk, maar wij zijn niet de enige, zelfs niet de belangrijkste oorzaken van hoe onze kinderen doen en hoe ze denken en voelen. We kunnen niet alles op ons conto schrijven: noch het goede, noch het verkeerde.
En de crème de la crème, het summum van levenskunst: sterf goed, blijf niet hangen, morren of mokken, trek je niet terug in je eigen gelijk of je eigen ellende, maar zoek de mensen op bij wie je hoort en kijk in de spiegel. (pagina 407)
***
Citaten uit: De mens heeft vele levens
Onze herinneringen aan een vorig bestaan
Dr. Helen Wambach, geboren in 1925, promoveerde in de psychologie en was vele jaren werkzaam als hoofdpsychologe, klinisch psychiater en als docente.
Zij deed een uitgebreid onderzoek naar vorige levens, aan de hand van meer dan 1000 proefpersonen. Bij controle achteraf stemden de door deze proefpersonen vertelde bijzonderheden (na regressie onder hypnose) nauwkeurig overeen met de gegevens die wij kennen uit andere wetenschappen zoals archeologie en geschiedkunde.
Enkele citaten uit het laatste hoofdstuk.
‘Wat bewijst mijn onderzoek? Het antwoord is aan de lezer. We leven in een cultuur waarin opvattingen met elkaar in botsing komen en nieuwe begrippen elkaar verstoten in het tumult van de veranderingen. Wat is de mens precies? De volgende grabbelton van ideeën geeft de antwoorden. Haal er wat uit, of beter nog, maak uw eigen samenvatting.
Concept A: Het wereldbeeld van de nuchtere wetenschapsman.
De koppige wetenschapsman weet heel goed dat er maar één realiteit is en deze buiten hemzelf ligt. Deze realiteit wordt gezien als iets zeer ernstigs, werkelijks en moeilijks. Dat is het enige wat de moeite waard is om aandacht aan te besteden. Alle inwendige functies van de geest worden door de pure wetenschapsman beschouwd als verbeelding, subjectiefen hij heeft er geen belangstelling voor. Volgens dit wereldbeeld is het bewustzijn een toevallig bijproduct van de evolutie van de hersencellen. Onze grijze massa, onze cortex, produceert het bewustzijn op dezelfde manier als ons hart bloed pompt. De geest heeft een functie, maar dat is alleen het tot stand brengen van een verbinding tussen de mens en zijn omgeving en wat daarin gebeurt. Innerlijke gebeurtenissen worden overgelaten aan schepsels als dichters, musici, vrouwen en primitieve volkeren. Volgens de opvatting van de nuchtere wetenschapsman moeten alle subjectieve ervaringen worden verwezen naar het rijk der fantasie.
Concept B: De hoogste leider, of ik-zal-u-de-hemel-laten-zien theorie.
Dit is een zeer populair wereldbeeld. Als we hierin geloven, weten we dat we leven en dat de wereld echt is, maar we voelen ook dat er boven ons allen een baas staat, net als in ons dagelijks leven. Deze baas is iemand die de wereld geschapen heeft en deze heeft ons dus volledig in zijn macht. Wij kunnen dit oppermachtige wezen niet kennen noch begrijpen, wij geven het de naam ‘God’. Maar nu en dan zijn er heel slimme mensen die een speciale golflengte hebben gekregen waardoor ze met deze baas van het universum kunnen converseren.
Volgens deze idee verspreidt die slimme persoon vervolgens zijn boodschappen onder degenen die gelovigen worden. Het idee dat hij het middel is waardoor een zuiver goddelijke geest spreekt, is kenmerkend voor de tussenpersoon tussen God en de mens. (…….) Wat er in dit wereldbeeld gebeurt is, dat al het bijgeloof dat iedere ‘openbaring’ vergezelt, belangrijker wordt dan de eigenlijke boodschap, namelijk liefde en eenheid met het universum. Dan gaan mensen redetwisten over welke goddelijke leider het beste contact heeft met de baas van het universum met als gevolg: godsdienstoorlogen, splitsingen in kerken over een bepaald dogma, etc.
Wanneer die boodschapper geen reïncarnatie predikt, dan bestaat reïncarnatie niet.
Concept C: De reïncarnatie-idee in het Westen, geïnspireerd door het Oosten.
Hier blijft het idee van de baas van het universum gehandhaafd, maar de nadruk ligt op de procedure waardoor zielen tot eenheid komen met de baas van het universum. In dit systeem gelooft men dat men begint als een vonk van het universele licht, een nieuwe ziel wordt en incarneert op aarde, en vervolgens een lange en moeizame weg aflegt door vele verschillende levens van een jonge ziel naar een oude ziel.
Hoe meer vergissingen hij maakt, hoe meer moeilijke levens hij moet doormaken, tot hij uiteindelijk al zijn karma uitwist. (…) Tenslotte bereikt hij dat laatste leven waarin hij boven het fysieke universum kan uitstijgen. Op dit punt wordt hij deel van Het Grote Witte Licht, dat een andere benaming is voor God.
Concept D: Het wereldbeeld van de kwantumnatuurkundige
(zie boek)
Concept E: Het Seth gebeuren
(zie boek)
Concept F: Het Wambach-wereldbeeld (of het beeld van de auteur)
(…)Volgens mij zijn wij net als appelbomen. We hebben een stam en wortels, takken en bladeren en brengen ook appels voort. De appels die wij produceren zijn individuele ego’s en levenservaring. Iedere appel aan de boom heeft de essentie van de hele boom in zich. Op deze manier zijn de DNA-moleculen in het zaad van de appels, de kleine vonkjes van God in ons allen. Wanneer mensen in regressie teruggestuurd worden naar een vorig leven, worden de appels – in plaats van buiten hun velletje te kijken naar een voorbijgaande rups, de zon en de regen – teruggestuurd hun steeltje in, door de takken naar de stam van de boom. Deze stam noem ik het superbewustzijn. Wanneer ik mensen in regressie breng, denk ik dat ik hen terugbreng door de stam naar de andere kant van de boom en dan weer naar een tak, en daar zeg ik: ‘Daar is nog een appel; kijk door dat velletje en kijk eens hoe de zonneschijn er daar uitziet, hoe het staat met de rupsen en voel je de wind waaien?’ Op die manier kunnen we vele levens meemaken in de boom, die de eenheid van onszelf is. De boom kan de ervaringen van ieder van de appels die daar in een bepaald seizoen groeien, kennen. (….)
De vraag waar het om draait in deze tweede helft van de twintigste eeuw is of de geest het allerbelangrijkste is en de materie een gevolg van geest of bewustzijn, dit in tegenstelling tot de oude idee in onze cultuur, dat de geest een toevallige schepping is van de evolutie en de ontwikkeling van het zenuwstelsel. (pagina 115 tot 120)
08. Boeken die ik zelf heb gelezen over dit onderwerp.
09. Elia, die terugkomen zou. Of de reïncarnatie in de bijbel.
Bron: Nieuw Inzicht omtrent de bijbel. J. G. Sutherland.
In het hoofdstuk over de Opstanding werd gewezen op het feit, dat de Bijbel spreekt over Elia, die terugkomen zou. Zowel in de kringen van de orthodoxie als die der vrijzinnigheid gaat men op dit onderwerp ongaarne in. Men gaat er zelfs nooit op in, want de terugkeer van Elia past niet in het eenmaal aanvaarde schema en men laat de uit die terugkeer voortvloeiende consequentie aangaande de mogelijkheid van wedergeboorte achterwege. Aangezien het echter Jezus zelf is, die over de wederkomst van Elia spreekt en deze nog eens nadrukkelijk bevestigt, is er toch alle
aanleiding om dit onderwerp iets nader te bezien.
Ook de brief van Jacobus 3 : 6 spreekt over de wedergeboorte.
In het boek Maleachi (3 : 1) wordt tot de profeet van die naam gezegd: "Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal." Deze woorden zijn afkomstig van de kosmische Christus. Hij heeft zijn weg op aarde zelf voorbereid.
Degene van wie Maleachi spreekt, is Johannes de Doper, die kwam om de weg van de Messias voor te bereiden. Van Johannes wordt op verschillende plaatsen in het NT gezegd dat hij de teruggekeerde Elia is. Jezus zegt over hem: "hij is Elia, die komen zou". Hierop wordt nog een bijzondere nadruk gelegd met de woorden: "Wie oren heeft, die hore" (Matth. 11: 7-15) Het betekent, dat de ingewijden dit konden begrijpen.
In de beschrijving van de verheerlijking op de berg lezen wij het nog eens. De discipelen Petrus, Johannes en Jacobus hebben daar een bovenzinnelijke aanschouwing en zien de Heiland in het goddelijk-geestelijk licht. Wanneer zij weer naar beneden afdalen, vragen zij: "Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen?" Daarop geeft Jezus het antwoord: ". . . Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is, en men heeft hem niet herkend." (Matt. 17:12)
Ook het Marcus-Evangelie spreekt van "Elia, die gekomen is", en wat het Lucas-Evangelie betreft, dit begint met de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper door de engel, die tot Zacharias zegt: "En hij zal voor Zijn aangezicht uit gaan in de kracht en de geest van Elia."
Uit Marc. 6:15 kan men opmaken, dat niet alleen priesters en schriftgeleerden met de wedergeboorte bekend waren, maar dat ook gewone mensen daarover enig begrip hadden, want door "anderen" wordt over de Doper gezegd: "Het is Elia."
Er zijn in de Bijbel ook indirecte aanwijzingen over dit onderwerp in het algemeen te vinden, en wel in het verhaal over de blindgeborene en dat van de genezing te Bethesda.
"En voorbijgaande zag Hij een man, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen hem en zeiden: "Meester, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?" - Indien de blindgeborene zijn gebrek had als gevolg van een door hem begane zonde, dan zou hij deze dan toch vóór zijn geboorte hebben moeten begaan, dus, in een vorig leven Joh. 9).
Joh. 5 verhaalt, dat Jezus te Bethesda een man geneest, die 38 jaren onafgebroken ziek is geweest. Vervolgens zegt Jezus tot hem: "Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome." Gezien de zeer lange duur van de ziekte, terwijl er niet gezegd wordt dat de patiënt een oude man is, is de zonde eerder toe te schrijven aan een vorig bestaan dan aan de tijd vóór hij ziek werd.
Zoals men ziet, worden hier de blindheid en de ziekte toegeschreven aan begane zonde. Het is belangrijk, dit even iets nader te bezien. Wij kunnen nl. wel ziek worden tengevolge van besmetting of door andere oorzaken zoals kou vatten, verkeerd voedsel e.d., maar daarmee zijn de talrijke en zeer uiteenlopende feilen van het fysieke lichaam niet alle verklaard. De een heeft een gezond lichaam en een sterk gestel, een ander is ziekelijk of is vatbaar, en weer een ander schijnt geboren te zijn om te lijden. Wat nu het ziek zijn tengevolge van zonde betreft: de door ons begane zonden kunnen in de loop van dit leven gevolgen met zich mee slepen, maar daarnaast geldt, dat zij op onszelf zullen terugslaan in het volgende aardebestaan, hetzij in de vorm van lichamelijke ziekte, hetzij in die van zenuwstoornissen en psychische moeilijkheden.
Wie dit niet wil of kan aannemen, schrijft een ziekte die het gevolg is van aanleg, of toe aan erfelijkheid of aan het lot, d.w.z., aan God die hem geschapen heeft.
Dit laatste is echter onjuist. De Schepper heeft oorspronkelijk alle mensen gelijk geschapen, zonder onderscheid van ras of huidskleur en zonder onderscheid in aanleg. Alle onderlinge verschillen zijn eerst in de loop van de incarnaties ontstaan, en wel door ons eigen toedoen. Om één voorbeeld te noemen: de donkere rassen hebben hun grotere pigmentvorming gekregen doordat zij hun individualiteit te laat gingen ontwikkelen. Door dit gebrek aan innerlijke kracht konden zij niet in voldoende mate weerstand bieden aan de zonnestraling. Hierdoor wordt ook verklaard hoe het mogelijk is, dat de Eskimo's van het hoge Noorden een donkere huidskleur hebben. Zou het alleen van de zonnestraling en niet van hun gemis aan innerlijke kracht zijn gekomen, dan hadden zij net zo blank als de Scandinaviërs moeten zijn.
De leer van de wedergeboorte was, naar wij kunnen nagaan, reeds in de oudheid bekend bij de volkeren van Oost-Azië, in Indië, China, Achter-Indië, Burma en Tibet, en ook bij de Grieken, de Kelten en de Germanen. Voorts, zoals wij zagen, bij de Israëlieten.
Wat de Grieken betreft, de leer van de zielsverhuizing was een van de kernpunten van de Pythagorese wereldbeschouwing. Pythagoras zelf verklaarde dat hij in zijn vorig leven de Trojaan Euphorbos was geweest, die door Menelaos voor Troje gedood werd. De grote wijsgeer beschrijft hoe hij, te Argos de tempel van Hera binnentredend, een aldaar aangebracht schild herkende als het zijne, dat hij destijds in de strijd had gedragen. Ovidius verhaalt hiervan in zijn Metamorphosen lib. XV.
Over de Kelten wordt in dit verband gesproken door Julius Caesar in lib. XIV van zijn boek over de Gallische oorlog. Hij zegt daarin, dat de Galliërs geloofden in het overgaan van de ziel in een ander lichaam. Volgens hem meenden de Galliërs, dat zij dadelijk of spoedig na de dood reïncarneerden, hetgeen niet juist is. Men reïncarneert namelijk meestal eerst na eeuwen.
In de Germaanse Edda gewaagt het lied van de Helgi van een koningsdochter, Sigrun geheten, die de wedergeboren Swafa was. Er bestaan drie Helgi-liederen van welke het derde handelt over Helgi, de "zoon van Hjorward. Hier wordt aan het slot vermeld, dat de gelieven Helgi en Swafa later wedergeboren zijn; dit zijn dus dezelfden als degenen van het eerstgenoemde lied.
Eén volk is er, waar men over de wedergeboorte weinig of niets verneemt, het Romeinse. Maar de Romeinen waren dan ook het eerste volk in de wereldgeschiedenis, dat op esoterisch gebied weinig weten bezat. Zij zijn het geweest, die in de vijfde eeuw de Gnosis gingen vervolgen. Sindsdien weet men in het Westen omtrent de leer der wedergeboorte niet veel meer.
Een vraag, die zich naar aanleiding van dit onderwerp al spoedig voordoet, is deze: waarom vertelt de Bijbel zo weinig over reïncarnatie?
Dit heeft, zo wel bij het OT als bij het NT , een goede reden gehad. Voor het OT gold de noodzaak, dat het volk van Israël zich moest losmaken van de oude natuurreligie, die vooral in de vroegere tijden gepaard ging met bovenzinnelijke belevenissen, hetgeen meebracht, dat men het leven op aarde niet zo heel belangrijk vond. Israël echter moest leren, de aandacht te richten op zijn bijzondere zending, en daarvoor moest het aardse bewustzijn ontwikkeld worden. Het occulte beleven moest vervangen worden door het verstandelijk denken over God en over de verhouding van de aardse mens tot Hem. Vooral in de psalmen kan men zien, dat het OT steeds opnieuw de aandacht richt op de aardewereld.
Met het NT is het in dezen weer anders gesteld, want dit richt zich tot alle volkeren der aarde. Ook hier evenwel gold het, dat het oude moest worden losgelaten en men zou leren, meer gewicht te hechten aan het aardse bestaan. Op aarde toch is het, dat de mens tot vrijheid en zelfstandigheid moet komen en zich verstandelijk ontwikkelt, teneinde een hoger bewustzijn te bereiken. Op aarde is het ook, dat hij de Christus moet vinden; dit geldt voor alle tijden. Wie Hem op aarde niet vindt, kan Hem in het hiernamaals niet vinden.
In verband met het hierboven genoemde was het nodig, dat de mensen na de komst van Christus tenminste in twee incarnaties hun aandacht terdege op het aardebestaan zouden richten. Waarom het er twee moesten zijn, zal uit het hiernavolgende blijken. Inmiddels is het merendeel van ons dermate "aards" geworden, dat het dringend nodig is, de aandacht ook op de eeuwigheid te gaan richten, te weten, op de gang der incarnaties. Alleen hierdoor krijgt men een inzicht in de samenhang van de omstandigheden en gebeurtenissen.
Nu valt nog de vraag te beantwoorden, wanneer komen wij op aarde terug, na hoeveel tijd?
Het antwoord hierop hangt samen met het feit, dat om de 2160 jaren de zon in een ander teken van de Dierenriem wordt gezien.
Dit houdt in, dat om de gemiddeld 2160 jaren het aangezicht der aarde verandert. In zulk een tijdsbestek moeten wij de evolutie ten minste twee malen meemaken, éénmaal in een mannelijke en éénmaal in een vrouwelijke incarnatie.
Het feit, dat de ene mens in geestelijk opzicht verder vooruit is dan de ander en dat het ene volk of ras verder voortgeschreden is dan het andere, wordt veroorzaakt doordat de een zich in zijn vroegere levens meer ingespannen heeft dan de ander en dat hij meer interesse heeft opgebracht. Niemand mag zich dus door het lot misdeeld achten voor wat zijn capaciteiten of zijn huidskleur betreft; God heeft hem van de aanvang der schepping af alle hulp geboden, maar niet iedereen heeft die hulp steeds aanvaard.
Er zijn wel eens mensen die, van deze gegevens uitgaande, op anderen neerzien wegens de geringere capaciteiten of de gebreken van dezen of hun huidskleur. Dit is onjuist, en het is ook gevaarlijk, want er is niet veel waarvan de hogere Machten zóveel afkeer hebben als hoogmoed. Paulus waarschuwt daar tegen: "Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle" (I Kor. 10 : 12) en dat doet hij ook nog eens in zijn brief aan de Galaten (6 : 1), maar, zo zegt hij in II Kor. 7 : 6, God vertroost de nederigen.
Een onderwerp waaromtrent alleen met behulp van de leer der wedergeboorte inzicht kan worden verkregen, is dat van het Nieuwe Jeruzalem. Dit is namelijk niet alleen belangrijk voor de mensen die in een heel verre toekomst zullen komen, maar voor ons allen. Het Nieuwe Jeruzalem is ons aller verre toekomst; wij zijn degenen, die later tot die nieuwe wereld moeten overgaan. Wij allen zijn geroepen om te evolueren tot het hoge geestesniveau van die toekomstige wereld. En dat niet alleen; de ganse aarde met al wat daarop leeft is bestemd om tot die bovenstoffelijke toestand over te gaan, waarvan in de Openbaring een symbolisch beeld wordt gegeven in de laatste twee hoofdstukken.
Sedert het begin van de schepping zijn wij met Gods hulp opgeklommen tot het niveau dat wij thans bereikt hebben, en deze opgang moeten wij voortzetten tot aan het "einde der tijden". Met het beëindigen van ons aardse leven worden wij dus niet uit de evolutie weggenomen; wij werken daaraan in onze toekomstige levens en ook van de hogere wereld uit, gedurende de perioden tussen twee incarnaties.
Wanneer wij echter een zodanige graad van ontwikkeling hebben bereikt, dat wij geen aardse incarnatie meer van node hebben, behoeven wij hier niet meer terug te keren. In zulk een geval kan iemand echter wel vrijwillig reïncarneren ten behoeve van een bijzondere zending. Een voorbeeld hiervan was Elia, die terugkwam om het pad des Heren voor te bereiden.
Opdat wij elk tijdperk van 2160 jaren tenminste éénmaal kunnen beleven van de actieve zijde, als man, en éénmaal van de passieve, als vrouw, komen wij dus, globaal beschouwd, om de duizend jaren terug op aarde.
Niet weinigen evenwel komen al veel eerder terug en, behalve dat het verband kan houden met een bijzondere zending, kan dit het gevolg zijn van een slecht besteed leven op aarde. Wie slecht geleefd heeft, komt na de dood onvermijdelijk terecht in de geestelijke duisternis en tussen de gevolgen van zijn daden. Wie op aarde alleen zichzelf heeft gezocht, vindt na de dood zichzelf alléén, in een ontstellende eenzaamheid. Het kan dan ook gebeuren, dat hij reeds na enige tientallen jaren of meer wederom op aarde geboren wordt, en wel in de omstandigheden, die hij zich in het vorige leven heeft bereid. Een slecht leven leiden is uitermate gevaarlijk.
Over dit eerder dan normaal moeten terugkomen spreekt de brief van Jacobus 3 : 6. Er wordt daarin gewaarschuwd tegen de zonden van de tong, dus, tegen het liegen, het kwaadspreken en het verdacht maken van een ander, en dat wordt gekarakteriseerd als iets, hetwelk "het ganse wezen bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet". Aangezien bij één geboorte of zelfs bij twee niet van een rad kan worden gesproken, moet aan deze uitdrukking dezelfde betekenis worden toegekend, die zij bij de andere volkeren altijd heeft gehad en ook thans nog heeft: de kringloop der wedergeboorten. De enige functie van een rad toch is, dat het ronddraait.
Nu kan men zich nog afvragen, wat het "in vlam zetten" hier betekent. Wanneer een rad te snel gaat draaien, loopt het warm, en kan dan of gloeiend worden of, als het van hout is, in brand vliegen. Het in vlam zetten van het rad der geboorte betekent dus, dat degene, bij wie dit plaatsvindt, sneller en vaker naar de aarde moet terugkeren dan normaal het geval is.
De leer der wedergeboorte is zeer troostvol. Wie zijn leven niet goed besteed heeft of het verspild heeft, krijgt later nogmaals een kans, vele kansen zelfs. Het spreekt echter vanzelf, dat zo iemand in de evolutie achterop is gekomen.
Karma en reïncarnatie komen we ook tegen in de hermetica. Hermes leert dat mensen die leven zonder God en gebod 'de terugkeer naar de hemel wordt ontzegd; zij worden veroordeeld tot de vernederende verhuizing naar andere lichamen, iets wat een vrome ziel nooit zal overkomen' .
Zie je, mijn jongen, door hoeveel lichamen wij heen moeten gaan en door hoeveel koren van demonen en opeenvolgende omlopen van de sterren om ons naar de Ene en Enige te haasten?
De mens zal net zolang opnieuw incarneren totdat hij aan zijn ware bestemming gaat beantwoorden. Dat is een lang proces. In de tiende verhandeling van het Corpus Hermeticum, 'Sleutel' geheten, onderwijst Hermes Tat over het wezen van de reïncarnatie:
'De menselijke ziel - voorwaar niet iedere, maar wel de vrome - is engelachtig en goddelijk. Als zo een ziel de goede strijd der godzaligheid gestreden heeft - dat is God kennen en geen mens leed doen - wordt zij geheel geest. Maar de onvrome ziel blijft wat zij is, zij straft zichzelf en zoekt weer een aards lichaam waarin zij kan incarneren. Dat moet dan wel een menselijk lichaam zijn, want een ander lichaam kan geen menselijke ziel bevatten; en zeker is het verboden, dat een menselijke ziel tot het lichaam van een dier vervalt. Een wet van God bepaalt dat een menselijke ziel een zo grote krenking bespaard blijft ... Daarom, jongen, als je God dankt, moet je bidden een hoog bewustzijn te verkrijgen. Daar wordt een ziel bij een volgende incarnatie alleen maar beter van, slechter kan niet. '
Dit thema wordt overigens schitterend en ongemeen helder verwoord in een van de Hermetische Definities:
Zoals het lichaam pas uit de moederschoot tevoorschijn komt als het volgroeid is, zo ontvliedt de ziel het lichaam (in de reeks incarnaties) pas als zij volmaakt geworden is. En zoals het lichaam, dat onvoldragen uit de schoot komt, ondervoed en onvolgroeid is, zo is ook de ziel die onvolledig uit het lichaam heengaat, onvolkomen en heeft nog een nieuw lichaam nodig. De kennis van het Zijn maakt de ziel voltooid. Zoals je de ziel behandelt tijdens je leven in het lichaam, zo zal de ziel jou behandelen na je dood.
Een helderder en beknopter uiteenzetting over karma en reïncarnatie is nauwelijks te vinden.
Bron: De Hermetische Schakel - Jacob Slavenburg
11. Citaten over reïncarnatie - karma - wedergeboorte.
“Ik aanvaard reïncarnatie als de beste verklaring voor een geval pas nadat ik alle andere heb uitgesloten – normale en paranormale. Ik concludeer echter dat al de andere interpretaties in een paar gevallen misschien van toepassing zijn, maar slechts in enkele gevallen. Ik geloof daarom dat reïncarnatie de beste verklaring vormt voor de sterkere gevallen, waarbij ik die bedoel waarbij de twee gezinnen elkaar tevoren niet kenden voordat het geval zich ontwikkelde. Dit is misschien ook wel de beste verklaring voor vele andere gevallen… Elke lezer zou het bewijs zorgvuldig moeten bestuderen – bij voorkeur in de monografie en vervolgens tot zijn of haar eigen conclusie moeten komen.”
Bron: Reincarnation and Biology: A Contribution to the Etiology of Birthmarks and Birth Defects. 2 delen, door Ian Stevenson. Westport. CT: Praeger, 1997.
‘Ik wil reïncarnatie niet voorstellen als een substituut voor huidige of toekomstige kennis van genetica en omgevingsinvloeden. Ik zie het als een derde factor, die bijdraagt aan de vorming van de menselijke persoonlijkheid en van een aantal fysieke eigenschappen en abnormaliteiten. Ik ben er echter wel van overtuigd dat het aandacht verdient vanwege de toegevoegde verklarende waarde die het heeft voor talloze onopgeloste problemen in de psychologie en de geneeskunde…Tenslotte zijn wij waarschijnlijk allen betrokken bij een tweeledige evolutie – van ons lichaam en van ons denkvermogen of ziel.’
Bron: Reincarnation and Biology: A Contribution to the Etiology of Birthmarks and Birth Defects. 2 delen, door Ian Stevenson. Westport. CT: Praeger, 1997.
" Als een Aziaat me zou vragen een definitie van Europa te geven, zou ik hem moeten antwoorden: dat is dat deel van de wereld wat wordt bezocht door de ongelooflijke begoocheling dat de mens uit het niets is geschapen en dat zijn huidige geboorte zijn enige intrede in het leven is."
Schopenhauer.
Vergeet niet dat ik terug zal komen... Nog even, als een korte stilte van de wind, en een andere vrouw zal weer mijn moeder zijn.
Kahlil Gibran
Er zijn drie redenen voor de mens om geboren te worden.
De eerste is ten gevolge van ons handelen, de wet van oorzaak en gevolg
De tweede is een onvervuld verlangen naar een bepaalde ervaring. Het gevoel dat hij een bepaald verlangen niet vervuld heeft en zijn verlangen terug geboren te worden om zulk verlangen te vervullen, is een hoofdreden.
De derde is een gebrek aan kennis, dus onwetendheid. De mens moet reïncarneren om de gevolgen van zijn daden te ondervinden. In deze omstandigheden is het onwetendheid die je naar wedergeboorte drijft.
Sai Baba
Eindeloos leven op aarde zou de definitieve dood van allen zijn, vandaar de wijsheid van het leven dat het zowel fysiek als psychisch van wedergeboorte tot wedergeboorte moet gaan.
Pieter Kooistra
Genie is ervaring. Sommigen schijnen te denken dat het gave of een talent is, maar het is de vrucht van vele ervaringen in vele levens.
Henri Ford
Iedereen die tot volledige zelfinkeer is gekomen, heeft kennis gemaakt met een vrijwel onbekende en dat kan heel schokkend zijn. Maar die IK is degene die deelneemt aan de evolutie omdat hij het eeuwige leven heeft. En zijn ervaringen bepalen de kwaliteit van zijn Ego, en ook zijn karma. Iedere daad heeft consequenties, iedere oorzaak zijn gevolg. Dat kan tot een groeiende wijsheid leiden, en dus bijdragen aan de evolutie. Reïncarnatie berust op de evolutiegedachte, en dat houdt dus ook in dat de ervaringen van een Ego belangrijk zijn voor de groeiende kwaliteit van zijn evolutie. Voor veel mensen die reïncarnatie accepteren is het een vraagstuk waar dat Ego na de dood heen zal gaan - en dat is juist weer een opgave van de rationele stofgebonden geest.
Marten Toonder
Een andere aannemelijkheidsgrond is de maatschappelijke en zedelijke betekenis der reïncarnatieleer. Zij geeft een inzicht in de mogelijke oorzaak van de enorme maatschappelijke ongelijkheden onder de mensen. Zij doet het begrijpelijk worden waarom de ene ziel onder de achterlijkste volken of de maatschappelijk misdeelden en gezonkenen geboren wordt, en de andere onder de beste en hoogste condities. Het valt moeilijk dit in overeenstemming te brengen met Gods Rechtvaardigheid en Liefde, waarom God de ene ziel zo zou bevoordelen of voortrekken boven de andere. Als men de reïncarnatieleer aanvaardt, is die moeilijkheid verdwenen. Wij als ouders zenden toch ook onze kinderen naar de school of klasse waar zij passen en waar hun ontwikkeling het best bevorderd wordt, al is de ene school of klasse voor het kind prettiger dan de andere, en al is ook voor sommige kinderen een strenge school nodig.
Ir. Felix Ortt - Het reincarnatievraagstuk.
We weten nu al heel wat over hoe het is om dood te zijn. Toch staan er nog steeds een paar vragen open. Er wordt vaak gezegd: ‘Je bent zo lang dood.’ Maar is dat wel zo? Blijf je inderdaad eeuwig dood? Deze vraag kan wonderlijk genoeg exact beantwoord worden. Je kunt erop rekenen dat je ongeveer tweeënvijftig jaar dood blijft.
De meeste westerlingen beschouwen reïncarnatie als puur bijgeloof en kunnen zich niet voorstellen hoe een dergelijke vreemdsoortige leer zich heeft kunnen ontwikkelen. De basis voor die ‘leer’ is echter bekend: daadwerkelijke belevenissen van mensen. Er is slechts één soort menselijke ervaring die de basis kan zijn geweest voor de reïncarnatiegedachte – herinneringen aan vorige levens.
Over research op het gebied van reïncarnatie moet niet licht worden gedacht. De bewering dat we allemaal al eerder hebben geleefd, is buitengewoon schokkend en er is een nauwgezet onderzoek voor nodig eer we de verantwoording voor die bewering op ons kunnen nemen. De afgelopen jaren is er op dit gebied met angstvallige objectiviteit veel onderzoek verricht. En uit al dat onderzoek is één bevinding naar voren gekomen: reïncarnatie is niet zomaar een theorie; het bestaat.
Ian Currie - De dood is niet het einde.
Het grafschrift van Benjamin Franklin.
Hier rust
het lichaam van Benjamin Franklin, boekdrukker,
als de band van een oud boek
waar de inhoud uitgenomen is
veroofd van zijn titel en verguldsel;
een spijs voor de wormen.
Maar het werk zelf gaat niet verloren,
doch - hiervan is hij zeker-
zal ter zijner tijd weer verschijnen
in een nieuwe en betere uitgave,
herzien en verbeterd
door
de schrijver.
De beroemde Romeinse redenaar, Cicero, schreef:
De dwalingen en het lijden in het menselijk leven brengen mij tot de aanvaarding van het idee, dat de mensen geboren worden om fouten weer goed te maken, die zij in vorige levens begaan hebben.
Paracelsus over reïncarnatie:
Theophrostus Philippus Aureolus Bombastus van Hohenheim, Paracelsus, geboren in 1493 te Maria Einsiedeln in het kanton Schwyz, was arts en natuurkundige. Hij was ook een bekend filosoof en behoorde tot degenen die de reïncarnatie als iets volkomen normaals beschouwen.
Hij schrijft: Over het herboren worden zijn dit mijn gedachten. Als iemand in de wereld alle dingen goed is begonnen en God welgevallig is, dan heeft de tijd de goede aard gebroken en is deze gespleten in goed en kwaad. Uit het goed kwam het kwaad. Deze aard is in de wereld en in de hemel, dat is niet te loochenen. Het eerste zijn de engelen, wonderlijk goed en mooi. Een deel ervan heeft zich met zonden beladen, een ander niet. De goeden zijn in Gods Rijk, de slechten er uitgestoten.
De mens wordt, voor hij erin komt, getoetst als goud in het vuur. Zodoende moet hij het vlees der aarde afleggen en het nieuwe vlees van een wedergeboorte verkrijgen, omdat zonder dat geen mens in de hemel kan komen.
Bron: Reïncarnatie en Preëxistentie
Kardec
In Het boek der geesten schrijft Kardec over de pluraliteit der existenties: Hoe kan een ziel die gedurende haar aardse bestaan de volmaaktheid niet voltooid heeft, haar zuivering van slechte eigenschappen bereiken? Door zich aan de beproeving van een nieuwe existentie te onderwerpen.
We hebben allen verscheidene existenties te leven. Iedere reïncarnatie is een stap op de weg naar het doel. Niet iedere geest (ego) heeft eenzelfde aantal reïncarnaties nodig. Na de laatste reïncarnatie wordt de geest zalig en is dan gezuiverd van alles wat onrein en stoffelijk is.
Niet alle reïncarnaties vinden plaats op dezelfde planeet. Iedere ziel kan meermalen op deze aarde reïncarneren, maar ze kan ook, nadat ze in een ander planetenstelsel is geweest, weer op deze aarde reïncarneren.
Het leven van een kind wordt vaak vroegtijdig beëindigd, omdat de in zijn lichaam geïncarneerde ziel een te vroeg afgebroken existentie in een voorafgaand leven afmaakt.
De dood van een kind is dan ook vaak als beproeving voor de ouders bedoeld. De geesten incarneren afwisselend in vrouwen en mannen, terwijl de ketting der reïncarnaties geestelijke banden knoopt tussen existenties die elkaar al in vroegere levens hebben ontmoet.
De ouders dragen aan hun kinderen alleen de fysieke eigenschappen over. De harmonie die in sommige families heerst, berust op de reïncarnaties van soortgelijke zielen, die met elkaar zeer veel overeenkomst vertonen.
De gereïncarneerden, zegt Allan Kardec, bewaren sporen van karaktereigenschappen van hun voorafgaande levens. De in ieder leven verworven ervaringen gaan niet verloren, omdat de bevrijde geest zich alles heel goed herinnert. Hij kan ze in een tegenwoordige reïncarnatie gedeeltelijk vergeten, maar ze blijven in zijn onderbewustzijn sluimeren. Reïncarnaties kunnen zeer vlug op elkaar volgen, maar er kan ook een langere tijd tussen zijn. De buitengewone aanleg van sommige mensen voor talen, wiskunde, muziek of een kunst, berust op zijn herinneringen aan voorafgaande existenties, gelooft Allan Kardec.
Hij denkt dat de ziel zich soms onmiddellijk reïncarneert, maar soms kunnen er honderden jaren tussenliggen. Wij hebben in dit boek het geval van Jasbir gezien, wiens ziel zich enkele uren na zijn dood reïncarneerde in het lichaam van Sobha Ram