Gedichten voor en over kinderen

 
 
 

01.  Het gestorven kind.

 De moeder zingt:

Ik sliep vannacht mijzelve vrij
uit wolk van dit verdriet -
tot ik, voorbij den tijd ontwaakt,
keek in een leeg gebied,
en hoorde tusschen maan en sneeuw
zijn stem, maar zag hem niet.

 

Hij zong; ik voelde dat hij stond
voor mij, en zag mij aan -
het werd mij daar zoo licht, ik kon
zijn zingen niet verstaan;
Ik wist alleen nog dat mijn kind
zong tusschen sneeuw en maan.

 

Hij zong zoo ijl, hij zong zoo blij,
dat ik niet treuren mag
om hem, die zingen kan en nooit
de donkre dagen zag -
O, als wat ik hem gaf maar niet
versmaad begraven lag ....

wat ik hem gaf.... neen, neen, wat hij
mij zond - o wonderlijk -
een licht blad van een roos, die bloeit
nog buiten mijn bereik -
een teeken van zijn liefde, die
mij wacht in een ver rijk.

 

(Adriaan Roland Holst)

 

02. Het kind en ik

 

O kleine vreemdeling. Mijn zoon,

zoals je van de heuvel holt

met wind en zon licht in je haar,

alsof je uit de hemel komt,

zoals het trouwens is ...

lichtjaren ver van hier vandaan,

God, voor dit ene ogenblik

heb ik misschien mijn leven lang

bestaan. Ik steek mijn armen uit.

 

Wat houdt een mens nog over van

het licht waaruit hij is ontstaan?

Pas op, je valt. Het doet geen zeer,

een kind is zoveel dichter bij

de aarde dan de grote mensen

en de hemel zo dichtbij,

hij komt er nog maar net vandaan.

 

(M.Nijhoff)

 

03. Het kindje


Waar het kindje slaapt
is het l weer goed:
samen toegedekt
liggen ziel en bloed;
alle duistre daden in het huis bedreven
vonden in een wiegelied vergeven.

Pop en blokken staan
stil en maneblank
in het open raam
op de vensterbank;
blij dat God weer zonder wrevel kan beminnen
kijkt de vriendelijke maan naar binnen.

 

(Adriaan Roland Holst)

 

04. Kindje, wat ben je stil.

 De waarheid kwam

heel langzaam

als een kille tocht.

Het was

die zekerheid

waardoor mijn

wezen zocht

naar jou !

Maar je bent stil.

 

Kindje,

wat ben je stil,

en toch zo dicht bij mij.

 

Ik heb het net gehoord.

Een afgestorven lied.

Een afgebroken woord.

 

Ik gaf je

al een naam;

speelde gevoelens door.

 

Breekbaar gaf jij

daaraan diep

in mijn  schoot

gehoor.

 

Nu ben je stil,

mijn kindje,

nog niet geboren,

ik heb in jou

vandaag

zoveel geluk

verloren.

 

(Hans de Bondt

uit: Nu jij er bent)

 

 

05. Ik durf je

 

Ik durf je nauwelijks aan te raken,

perzik, zijdepapier, kostbaar porselein

en vl meer dan dat.

Tere huid die een heel leven omspant,

alles om mens te zijn,

en eigenlijk veel meer dan dat.

Wonder waarop ik niet uitgekeken raak,

belofte voor morgen en overmorgen,

en ja, vl meer dan dat.

 

Ik moet nog bekomen van je komst,

je hebt me overhoop gezet met geluk,

Ik weet niet meer waar staan van liefde.

Je bent een wonder van teerheid,

een zucht van leven,

een roze dageraad die het licht

aan de hemel spint.

Bemind al voor je eerste schreeuw,

gekoesterd en gedroomd,

brandpuntje van liefde.

 

Ja, je bent welkom,

slapend mysterie,

spartelend geheim

dat mijn dagen en nachten overhoop zet.

Met jouw handje in mijn hand

droom ik je een wereld van vrede,

waarin de bloem

van het geluk kan ontluiken.

O ja, je bent welkom!

 

(Julien van Remoortere)

 

06. Mijn kind. 

Nu jij er bent

heb ik ontdekt

hoe iedereen

met zachte potloodstrepen

bij wat normaal

en niet-normaal

mag heten,

heel duidelijk

de scheidingslijnen trekt.

 

Klein kind.

Mijn bloed ben je.

Je bent mijn band.

En als het komt

dat iemand om je aarzelt,

dan zal ik steeds

omwille van jouw waarde,

je bergen in de holte

van mijn hand.

 

(Hans de Bondt.

Uit: Nu jij er bent.)

 

07. Van t wiegsken in t graf.

 

Er blies een nijdige rukwind

Er knakte een bloemeken af.

Een kindeken is gestorven; -

Van t wiegsken naar het graf !

Wie zal zijn graveken dekken?

De madelieven blank.

Wie zal het stillen en sussen?

De vogels met lied en zang.

Wie zal het kindeken drenken?

De dauw valt lavend neer.

Wie zal het s morgens wekken?

Och, niets en niemand meer.

 

(G.T.Antheunis)

 

08. Bij de dood van een kind.

 

Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan.
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.

Soms is het of een kind
Verdwaald is naar dit leven.
Het gaat alsof het zich bezint,
En denkt: waar is mijn vroegre huis gebleven?
Wie weet of ik het straks niet vind.

Soms schijnt het bij zijn komst alreeds volgroeid.
Gelijk een zoete vrucht.
Beweegt het schommlend door de voorjaarslucht.
De huid is warm, die een rijp bloed doorvloeit.
Het sterft, zo weinig nog vermoeid?
Maar 't raadsel dat het in zich sloot
Was de nabije dood.

Gevallen in de chaos als een vonk,
Heeft haar gestalte ons kort bekoord.
Een vonk - die weer verslonk.
Nu tasten wij naar verf en woord
En voeden onze herinnering
Met een gedicht of tekening.

 

Albert Verwey

 

09.  Overweging

 

We maken graag kinderen gelukkig.

Vooral in de maand december vullen we hun handen en armen met speelgoed en geschenken.

Ons hart smelt als we en kind kunnen blij maken.

Zakenlui weten dat.

Ze speculeren op ons smeltend hart om ook onze geldbeurs te doen slinken

Nu vraag ik me toch af, of we niet doordraven in de verkeerde richting.

Of we in de opgewonden ren naar speelgoed, onszelf en de kinderen niet voorbijlopen?

Ik vrees zelfs dat vele kinderen stikken onder speelgoed.

We geven heb de indruk dat het geluk afhangt van wat men HEEFT.

Dat is nochtans een noodlottige misrekening.

Zo leren ze nooit gelukkig te ZIJN.

Geluk is eerder een kwestie van ZIJN dan van HEBBEN.

Men kan af en toe geluk hebben en toch niet gelukkig zijn; opgroeien tot gelukkige mensen is meer een kwestie van WORDEN dan van KRIJGEN.

Daarom hangt het geluk van kinderen meer af, van wat we zijn voor hen dan van wat we geven.

Niet onze weelde maar wel onze levensrijkdom kan hun hart vullen.

Vraag u niet af wat je meer kunt geven aan uw kind.

Vraag wat je meer kunt zijn voor hen.

Misschien is geven gemakkelijker?

Geef het dan uw tijd, uw aandacht, uw medeleven, uw liefde.

Het loont de moeite kinderen gelukkig te maken.

We kunnen ons leven niet beter beleggen; want alleen door gelukkige kinderen bouwen we aan een betere toekomst en een gelukkiger wereld.

 

10. DROOM KIND

Droom kind
droom maar weg op de wind
want jou wacht nog een leven vol zorgen

Droom kind
droom maar weg op de wind
maar geloof in het wonder van morgen
Als het najaar is gekomen
en het groen heeft meegenomen
is dat niet voor lang
Als de natte kale takken
in de winterstorm knakken
wees dan niet bang
Onontkoombaar zijn de grote dingen
de seizoenen laten zich niet dwingen
en het jaar dat gaat
in vast regelmaat
zijn eigen gang

Droom kind
Niemand is ooit in zijn leven
zonder tegenslag gebleven
of tegenwind
Niet je dromen die bedriegen
maar de grote mensen liegen
uit angst mijn kind
Ook de dappersten zijn weggedoken
ook het sterkste hart is soms gebroken
want ons levenslied
is vol verdriet m'n kind
maar de liefde wint

Droom kind weg op de wind
ook al wacht jou een leven vol zorgen
Droom kind en bij al wat je vindt:
geloof in het wonder van morgen!
Want jij ben een wonderkind....

 Paul van Vliet

 

 

11. Uitspraken van jonge kinderen over leven, geloven, God, bidden etc.

 

Hoe kan dat, dat ik weet dat ik ik ben?

Meisje, 4 jaar

 

Moeder, ik vind het toch niks leuk dat ik geboren ben en dat ik misschien nog lang moet leven.

Jongen, 5 jaar

 

Ik kruip maar weer in je terug, want ik vind het leven niks leuk.

Meisje, 8 jaar

 

God is vader, net als pappa, maar dan God.

Meisje, 4 jaar

 

Jullie bidden altijd: Onze Vader, is er dan geen moeder?

Jongen, 7 jaar

 

Is God een man of vrouw of allebei?

Jongen, 8 jaar

 

Waarom sneeuwt het zo hard? Ziet God dan niet dat ik mijn nieuwe jas aan heb?

Jongen, 4 jaar

 

Soms denk ik dat de bomen zelf God zijn.

Meisje, 6 jaar

 

Ik liep laatst in het bos en het was er zo mooi, ik voelde me zo prettig, dat ik onze lieve Heer wel een kus op zijn voorhoofd had willen geven.

Jongen, 8 jaar

 

Ik denk dat het leven, ik wou zeggen ons leven, iets is als de gedachten van een reus.

Jongen, 5 jaar

 

Nu weet ik iemand die God gezien heeft. Ons babytje. Maar nu zul je zien dat als hij kan praten, hij het niet meer weet

3-jarige

 

Als je dood gaat, moet je in een doosje en dan word je pas weer wakker in de hemel.

3-jarige

 

Het is heel onaardig van God om ook brandnetels te schapen.

Jongen, 4 jaar

 

Wat was er op aarde toen de wereld nog niet bestond?

Meisje, 8 jaar

 

Ik kost helemaal niets, ik ben zo van God op de wereld gekomen.

Jongen, 5 jaar

 

Mamma, wie was het eerst geboren, jij of ik?

Meisje, 4 jaar

 

Hoe maakt God nu kindjes? Ik denk dat ie eerst het hoofdje maakt, dan het buikje, dan de beentjes en de armen, dan de handjes en de vingers en dan plakt ie de haren erop, dan laat ie het een tijdje drogen en dan is het klaar.

Meisje, 3 jaar

 

Een priester is een man die zich verkleedt en bidt

Meisje, 4 jaar

 

Was Jezus katholiek of protestant?

4-jarige

 

Als je nu eens geopereerd wordt, kan de dokter dan je zonden zien?

Meisje, 6 jaar

 

Mam, als de heer Jezus altijd bij je is, waarom laat Hij je dan stoute dingen doen?

Meisje, 7 jaar

 

Het is bij God net als bij de kruidenier, je betaalt met geloof en je krijgt de hemel ervoor terug.

Jongen, 8 jaar

 

Jongen van 5 belde een oom op: Kunt u me ook zeggen wie Onze Lieve Heer is, want hier thuis weten ze het niet.

 

Wij kunnen God niet zien, maar s nachts landt God.

Jongen, 4 jaar

 

Ik vind God lief, want Hij heeft zon lief kindje.

Jongen, 3 jaar

 

Vader God, weet U wel dat er mensen op uw maan zijn geweest?

Jongen, 5 jaar

 

God is een rotvent en ik bid niet meer. Gisteren heeft de juf gezegd dat God alles kan en vandaag zegt ze: Jullie moeten wat meebrengen voor de kindertjes in Afrika want die hebben honger.

Nou, als God alles kan en die kinderen geen eten geeft, is Hij dan niet een rotvent? God heeft mensen nodig en die helpen mee, zei juf Nou, dat is ook makkelijk: helpen en een ander laten betalen.

Jongen, 6 jaar

 

Iedereen gaat tenslotte dood. God blijft dan alleen over. Hij is ook alleen begonnen.

Jongen, 6 jaar

 

Mama, waar was ik toen ik nog niet bij jou in de buik zat en ook niet bij pappa? Was ik toen dood?

Jongen, 3 jaar

Ik denk dat God jou nooit dood zal laten gaan. Als je heel oud geworden bent, dan zal Hij jou een hele tijd laten rusten en als je dan uitgerust bent, dan ben je weer jong.

Jongen, 6 jaar.

 

Wanneer begint het leven, raad eens, raad eens? Als je doodgaat natuurlijk!

Jongen, 5 jaar.

 

12. Ik ben lekker stout

 

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer...
nee, nooit meer in m'n leven!
Ik hou m'n handen op m'n rug
en ik zeg lekker niks terug!

 

Ik wil geen vieze havermout,
ik wil geen tandjes poetsen!
Ik wil lekker knoeien met het zout,
ik wil niet aardig zijn, maar stout
en van de leuning roetsen
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil!

 

En heel hard stampen in een plas
en dan m'n tong uitsteken
en morsen op m'n nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
En ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

 

En ik wil op de kanapee
met hele vuile schoenen
en ik wil aldoor gillen: nee!
En ik wil met de melkboer mee
en dan het paardje zoenen.
En dat is alles wat ik wil
en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!

 

uit: 'Ik ben lekker stout'

Annie M.G. Schmidt

 

13.  Middagmaaltje. 

 

Kindje, 'k zal je voeren

Lekkere, zoete pap,

Met een zilv'ren lepeltje ...

Mondje open - hap!

 

Daar komt een groote wagen

Stappe - stappe - stap,

Gauw het schuurtje open ...

Wagen binnen - hap!

 

Daar komt een zeilend scheepje

Vol met zoete pap,

Vaart de haven binnen ...

Wg is 't scheepje - hap!

 

Daar komt een aardig paardje

Rappe - rappe - rap,

Wat draagt 't op zijn ruggetje? ..

't Is al binnen - hap!

 

Eene - twee - drie ...

Nu de laatste hap,

Oppelepop is 't papje,

Knap zoo, kindje, knap!

 

Rie Cramer

Prentjes bij versjes

 

14. De guitige Kikker.

 

Een ooievaar op hoogen poot

Trok statig naar den breeden sloot;

Bij de' overkant, daar stond een snoek

Op schildwacht in een donkren hoek.

 

Een kikkertje zwom lustig rond,

Omdat-ie 't water lekker vond;

Nu op zijn buik, dan op zijn rug,

En nu eens langzaam, dan weer vlug.

 

Opeens hij beide bazen zag;

Toen kwam er om zijn bek een lach.

Die slokkerds, dacht-ie 'k fop ze net,

En dr hij zwom met grooten pret.

 

En toen hij bij den langbeen kwam,

In eens een grooten vaart hij nam,

En joeg, als zat hij in een spoor,

Tusschen den dubblen vijand door.

 

Heer ooievaar deed haastig: pik!

De snoek schoot roef vooruit: o schrik!

Daar heeft de bek den snavel beet;

Als ijzer zijn ze aaneen gesmeed.

 

De langbeen trekt; de snoek, die rukt;

Loskomen geen van bei gelukt.

Het water schudt en plast en spuit, -

En 't kikkertje, dat lacht hen uit.

 

Ch. M. van Deventer

Krabbeltjes van oom Chap

 

15. De katten van den koning

 

In het grote Paleis te Ede,

woonde Koning Bram de Tweede.

 

Er waren twintig kamers in,

in kamer 12 woonde de Koningin.

 

In kamer nummer 11,

woonde de Koning zelf.

 

In de kamer daarnaast, de tiende,

woonde 's Konings bediende.

 

In kamer nummer 4

woonde de kamenier.

 

In kamer nummer 8

woonde de kamerwacht.

 

en hoog in het Koninklijk gebouw,

waar het donker was en heel erg nauw,

 

in een kamertje, dat geen nummer had,

woonde de Koninklijke kat.

 

De Koninklijke kat heette Ferdinand,

hij woonde in een Koninklijke kattemand.

 

En in zeven kleine mandjes,

woonden zeven Ferdinandjes.

 

De kamenier, Jonkvrouw van Dop,

klom elke dag de trappen op.

 

Ze bracht ze 's morgens elk,

een zilveren bordje met melk,

 

ze bracht ze kattenbrood, vlees en vis,

en alles wat lekker voor katten is.

 

Maar met of zonder reden:

de katten waren ontevreden...

 

Han G. Hoekstra

Het verloren schaap.

 

16.  Hoe ongehoorzame kindertjes gestraft worden.

 

Vader liet zijn huis verbouwen,

Want het zag er leelijk uit;

Jan, zijn zoon, vond dat heel aardig;

't Was een pretje voor den guit.

 

Maar Papa ze aan den jongen,

Dat, als 't volk was heengegaan,

Jantje niet, als naar gewoonte,

Op de ladders zou gaan staan.

 

Jantje le zijn hand op 't hartje,

Hief zijn blikje vroom omhoog.

'k Zal 't niet doen Pa! - Zei hij ernstig,

Maar - het kleine Jantje loog.

 

Want toen Vader eens ging wand'len,

En ook Mo was uitgegaan,

Klom hij schielijk op de ladder,

Die het volk had laten staan.

 

Doch de ladder stond niet stevig;

Jan beklom die keer op keer,

Maar daar glijdt ze - Jan springt neder,

En - komt op zijn hakken ner.

 

Door den schok was 't hoofd van Jantje

Heelemaal in 't lijf gezakt;

En zijn welgemaakte beentjes

Schenen ook als afgehakt.

 

Mie de Poes en Piet het vinkje

Riepen beiden: dat is erg!

Nu is 't vroeger mooije Jantje

Een afschuwelijke dwerg!

 

Toen zijne Ouders wederkeerden,

Gilde hij van puur verdriet;

Maar zijn Vader zeide koeltjes:

Neen, die dwerg is Jantje niet.

 

Moe zei dito van 's gelijken,

En zij bragten hem op straat;

Aklig stond hij daar te jamm'ren,

Maar nu kwam berouw te laat.

 

Nu moet hij zijn volgend leven

Beed'len om een stukje brood.....

O! dat ongehoorzaam wezen,

Brengt veel kindertjes in nood!

 

Hopmanius

Losse bladen uit het zondenregister van ondeugende kinderen

 

17. Het slimme muisje.

 Een muisje zat

Voor 'n muizegat

En vlak bij het gaatje daar zat

De kat.

Het muizeke likte zijn baardje,

Het poesje dat kwikte zijn staartje.

 

Het poesje zei:

Kom 's dichterbij:

Hoe zacht is dat pootje van mij,

Als zij!

Zal ik je fluweelige buisje

Nou's aaien, mijn snoeperig muisje?

 

Het muisje riep:

Sliep uit, sliep, sliep!

Dan was het gedaan met mijn piep-

Piep-piep.

Dag poeslief, je bent er niet achter,

Mijn moederken aait me veel zachter.

 

G.W. Loovendaal

 

18. Het beertje Pippeloentje

 

Kijk, het beertje Pippeloentje

heeft geen sok en heeft geen schoentje,

heeft geen dasje en geen boordje

en geen tasje met een koordje

en geen broekje en geen jakje

en geen pakje met een zakje

en geen hemdje en geen wolletje

en geeneens een parasolletje

en geen ponnetje voor in bed,

maar

Pippeloentje heeft een pet!

 

Kijk, het beertje Pippeloentje

gaat niet wandelen in 't plantsoentje

en niet steppen op een stepje

en niet scheppen met een schepje

en niet knikkeren en niet tollen

en niet hard de straat op hollen

en niet schrijven en niet rekenen

en geen bere-poppetjes tekenen,

en niet roetsjen van de trap.

Maar

Pippeloentje eet z'n pap.

 

Geef 't beertje maar een zoentje:

Welterusten Pippeloentje!

 

Annie M.G. Schmidt

 

19. Het fluitketeltje

 

Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis,

het keteltje staat op het kolenfornuis,

de hele familie is uit,

en het fluit en het fluit en het fluit: tt

 

De pan met andijvie zegt: Foei, o, foei!

Hou eindelijk op met dat nare geloei!

Wees eindelijk stil asjeblief,

je lijkt wel een locomotief.

 

De deftige braadpan met lapjes en zjuu

zegt: Goeie genade, wat krijgen we nu?

Je kunt niet meer sudderen hier,

ik sudder niet meer met plezier!

 

Het keteltje jammert: Ik hou niet meer op!

Het komt door m'n dop! Het komt door mijn dop!

Ik moet fluiten, zolang als ik kook

en ik kan het niet helpen ook!

 

Meneer en mevrouw zijn nog altijd niet thuis

en het keteltje staat op het kolenfornuis,

het fluit en het fluit en het fluit.

Wij houden het echt niet meer uit... Jullie?

 

Annie M.G. Schmidt

 

20. Paasversjes    

 

Zeg haasje,zeg haasje ,wat doe jij in.'t bos

Ik verf daar mijn eitjes en droog ze op het mos

Ik kleur ze zo prachtig met rood geel en blauw

Want het is bijna paasfeest daarom werk ik gauw

 

 

Ik stop dan die eitjes zo mooi in mijn mand

En ga er mee reizen en trekken door het land

Ik leg ze op hoekjes en pleintjes in t'gras

Dan denken ze heus dat de paashaas er was

 

 ***

Pasen

 

Juist in deze tijd van het jaar
met de komst van een nieuwe lente,
wens ik je al het goede
dat Pasen je kan brengen.

Mag de schoonheid van dit seizoen
je slechts geluk brengen.
Ik hoop dat de vreugde van Pasen
je het hele jaar door zal omringen

Wilma Beekman

  

 ***

HONDERD KLEINE HAASJES

 

Er huppen honderd kleine haasje
met een mandje in het rond
en ze leggen waar ze komen
steeds een eitje op de grond

 

Bij de vijver, bij het schuurtje
op het gras en bij de heg
maar als ze mensen aan zien komen
rennen alle haasjes weg

 

Honderd kleine lieve haasjes
met een mandje op hun rug
en zijn de mensen weer verdwenen
komen alle haasjes terug.

 

  ***

 HET KUIKENTJE


Ergens in een winkel
daar scharrelt op de grond
van een etalage
een piepklein kuiken rond

 

Hij pikt tegen de ruiten
en gaat op zoek naar graan
hij kijkt verbaasd naar buiten
waar heel veel mensen staan

 

Maar als hij 't lege eitje ziet
is hij pas cht verrast
en vraagt zich vol verbazing af:
heb ik drin gepast?

  

 ***

 DE PAASHAAS HEEFT EEN MANDJE

 

De paashaas heeft een mandje
en komt hij op een dag
verstopt hij eitjes in de tuin
die jij dan zoeken mag


en heb je ze gevonden
dan is t een beetje feest
dan weet je, weet je zeker
dat de paashaas is geweest

 

  ***

 

 Paashaas:

O jongens toch - wat druk
er moet nog veel gebeuren
ik moet alleen vandaag al
driehonderd eitjes kleuren!

 

Kip:

Ja, wat nou druk druk druk?
dat moet jij nodig zeggen
want vr jij eitjes kleuren kunt
moet k ze nog gaan leggen

 

Paashaasje

Haasje, haasje hupla hop,
kleur je mooie eitjes op,
breng ze rond met goede wensen:
Vrolijk Paasfeest, lieve mensen!

 

21. Kindervragen.

 

Je vraagt zo moeilijk soms:

of alles steeds opnieuw zal komen?

Of de blaadjes aan de bomen

herboren worden na hun winterslaap?

 

Ik ken je honger wel,

maar jij hebt zoveel van het leven nog te leren

wat ik nog niet verklaren kan.

Je moet je eerst nog leren weren.

 

Zo vroeg je gisteren of oma,

die van haar dromen niet genas,

in de lente weer zou groeien als het gras?

En; of haar dood,

waarvan je had gehoord,

de winter was?

 

Pierre Van Laeken

 

22.  Kleinkinderenspel.

 Soms zegt hij: nu ben ik

de prins uit het boek.

Dan weer is hij bakker

en geeft mij een koek.

 

 

Soms is hij mijn vader

en ben ik het kind,

of moet ik de boom zijn

en hij speelt de wind.

 

 

Vaak is hij alleen maar

een teder gebaar

en zegt zacht: dag liefje,

en streelt mijn grijs haar.

 

 

Pierre Van Laeken

 

23. Toen ons kindje glimlachte

Toen hij geglimlacht heeft, 't eerst van zijn leven,
kwam hij uit verre, stille landen zweven.
Daar had hij geen gehoor en geen gezicht,
en leefde alleenlijk bij inwendig licht.

Daar is het eenzaam en geen enkel ding
wordt er verwacht of laat herinnering.
Alles is daar zeer ernstig, en de nacht
heeft er geen weemoed, en ook niets dat lacht.

Met al de strengheid in zich van die sferen
kwam hij het luide, lichte leven leren,
de klanken en de grote mens-gezichten,
de schitteringen en de lampelichten.

't Was alles hem oneigen en om 't even,
want niets verbond hem met dit nieuwe leven.
Tot hij zijn moeder en zijn vader zag,
opmerkzaam op het wonder van hun lach.

Dat vreemde teken, dat hij niet verstond,
dat wonderlijk bewegen van hun mond,
dat sein van liefde, met een zacht verdriet
door 't weten van Verleden en Verschiet,

dat zocht hij stil te ontvangen met begrip,
zo ernstig als de stuurman van een schip
die zoekt op onbekende zee zijn koers
en ziet een lichtsignaal door 't nevelfloers.

Hij liet zijn oge' als tweelingstarren gaan
en zag ons beurtelings d'een na d'ander aan,
alsof hij omzocht op zijn hartegrond
of hij geen antwoord voor dat teken vond.

Toen was het plotseling of een vogel diep
in hem ontwaakte, die daar heel lang sliep,
en met een schone stem aan 't zingen ging,
lied 'ren van blijdschap en herinnering.

En als een bloem uit 't verre schemerland
ontbloeide in hem herkenning en verstand.
Hij zond het liefde-teken tot ons weer;
Hij lachte zelf - en was niet eenzaam meer.

Frederik van Eeden

 

24. Niemand heeft je ooit gezien

Niemand heeft je ooit gezien
maar toch ben je van mij.
Niemand heeft je ooit gezien
maar toch ben je bij mij.
Ik wist het allereerst van jouw bestaan.
Je bent vlakbij maar ver nog hier vandaan.
Niemand heeft je ooit gezien
maar toch ben je bij mij.
Hier onder mijn hart begint jouw leven,
hier onder mijn hart groeit het geluk.
Jouw jonge leven en mijn geluk.

Niemand heeft je ooit gezien
nog niemand die je kent.
Niemand weet of jij een jongen of een meisje bent.
Al is je vader ook een knappe man,
hier weet hij toch het fijne nog niet van.
Niemand heeft je ooit gezien, nog niemand die je kent.
Heel geduldig moet ik op je wachten.
Maar ik tel de dagen met een lach,
ja ik zal wachten maar met een lach.

Niemand heeft je stem gehoord, maar ik heb je verstaan.
Alles wat mij toebehoort dat is voor jouw bestaan.
Je brengt me onrust en je brengt me vree.
Maar wat je brengt daar heb ik vrede mee.
Nu zing ik nog eenmaal en dan moet je slapen gaan

 

Helga

 

25. Slaap maar

 

Ik zie hoe je moeders ogen stralen
De liefde heeft haar aangeraakt
Ik zoek een zin die ik kan vertalen
Wat jij in mij hebt losgemaakt

Slaap maar
En weet dat je welkom bent
We leven naar het moment
Dat jij hier bij ons zal zijn
Zorg maar dat je groter groeit
Voor ons heb je al een naam
Je wieg staat al bij het raam
Dus neem de tijd

Ik heb een signaal van jou gekregen
En luister hoe je hartje klopt
Ik voel je zo nu en dan bewegen
Wanneer je naar het leven schopt

Slaap maar
En weet dat je welkom bent
We leven naar het moment
Dat jij hier bij ons zal zijn
Zorg maar dat je groter groeit
Voor ons heb je al een naam
Je wieg staat al bij het raam
Dus neem de tijd

Slaap nu maar
En wacht op een goed moment
Je weet dat je welkom bent

 

Marco Borsato

 

26. BABY'S MANIER

 

Als baby wou, zou hij z omhoog kunnen vliegen naar de hemel.

Het is niet voor niets dat hij ons niet verlaat.

Hij vindt het heerlijk zijn hoofdje

aan moeders borst te laten rusten

en kan het niet verdragen haar een moment uit het oog te verliezen.

 

Baby kent allerlei wijze woorden,

al weten op deze aarde maar heel weinigen wat ze beduiden.

Het is niet voor niets dat hij nooit wenst te spreken!

Het enige wat hij wil, is moeders woorden

te leren verstaan van moeders lippen.

Daarom ziet hij er zo onschuldig uit.

 

Baby had een massa goud en paarlen

en kwam toch naakt als een bedelaar op deze aarde.

Het is niet voor niets dat hij zich zo vermomde!

Dit lieve, naakte bedelaartje doet alsof hij hulpeloos is,

zodat hij bedelen kan om moeders schatten van liefde.

 

Baby was vrij van alle banden

in het land van de wassende maan.

Het was niet voor niets dat hij zijn vrijheid prijsgaf!

Hij weet dat er plaats is voor eindeloze vreugde

in dat kleine hoekje, dat moeders hart is,

en vl heerlijker dan vrijheid is het,

in haar armen gevangen te worden.

 

Baby had nooit schreien geleerd,

want hij woonde in het land van de volmaakte zaligheid.

Het is niet voor niets dat hij verkoos tranen te ver­gieten!

Hoewel hij met de glimlach van zijn dierbaar gezichtje

moeders blij ontroerde hart tot zich trekt,

weven zijn smartkreetjes over de kleine moeilijkheden

een dubbele band van liefde en medelijden.

 

R. Tagore De Wassende Maan.

 

27. DE OORSPRONG

 

De slaap, die zachtjes baby's oogjes aanraakt, -

weet iemand ook van waar die komt?

Ja, er gaat een gerucht: dat hij ergens huist

in de schaduw van het flauw door glimwormpjes verlichte woud,

waar, in een elfendorpje, twee schuchtere tover­knopjes ontluiken.

 

Het lachje, dat in de slaap om baby's lippen speelt, ­

weet iemand ook vanwaar dat komt?

Ja, er gaat een gerucht: dat een jonge, matte straal

van de opkomende maan de zoom raakte

van een ver­dwijnende herfstwolk,

en daar werd dat lachje geboren

in een met dauw besproeide ochtenddroom,

dat lachje dat in de slaap om baby's lippen speelt.

 

Die lieflijke, zachte frisheid op baby's lichaampje,

­weet iemand ook waar die zo lang verborgen lag?

Ja, - toen moeder een jong meisje was,

lag het in haar hart en doordrong het haar

met een teer en stil myste­rie van liefde, -

die lieflijke, zachte frisheid die baby's lichaampje overbloost.

 

R. Tagore De Wassende Maan.

 

28.  Geboorte

 

Opeens is er een mensje bij,
ik hoor het luid en klagend huilen,
misschien wil het nog even schuilen,
de wereld is zo koud en wijd.

Ik huil en zucht, ik lach en bid,
ik fluister liefdevol zijn namen,
want door een mist van vreugdetranen,
zie ik ons nieuw en rijk bezit.

De wereld is zo wijd en kil...
ik sluit het kindje in mijn armen,
om het te troosten en te warmen.
En dan... dan is mijn kindje stil.

 

Joy 2002

 

29. Zomeravond

(Naar het Portugees)

Kindje, slaap maar, kindje,
't was ook zo warm deze dag.
In de schemer
zit nu een kleine egel
met zijn mooie stekels
eenzaam in het gras.

Het gras wacht op regen.
Geen takje beweegt er.
Luister naar de merel,
hoog op ons dak.

Avond vol verlangen.
De maan maakt zich klaar voor de nacht.
In de avondschemer
komt strakjes onze egel
nog een egel tegen,
liefkoost haar vacht.

Van ver wordt de merel
antwoord gegeven.
Morgen komt de regen
waar het gras op wacht.

Kindje, slaap maar, kindje,
in de avondschemer.
Hebt al slaap gekregen.
Slaap maar mijn schat.

uit 'Verzamelde gedichten'  Willem Wilmink

 

30. Sprookje

 

Zij luistren beiden naar haar oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen.
zichtbaar in hun verwijde ogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
- het witte en het blonde haar -
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

uit: 'De vogel Phoenix', 1961  M. Vasalis

 

31. als ze als kind

 

als ze als kind niet altijd zo stil had hoeven zijn

had ze vandaag misschien het hoogste lied gezongen

als ze als kind niet altijd zo alleen was geweest

had ze vandaag misschien allang iemand gevonden

 

als ze als kind niet altijd zo bang had hoeven zijn

had ze vandaag misschien van iemand durven houden

als ze als kind niet altijd zo'n puinhoop had gezien

had ze vandaag misschien kastelen kunnen bouwen

 

als ze als kind de warmte van de zomer had gekend

was ze die warmte in haar winter nooit verloren

als ze als kind de warmte van een nest had gekend

had het haar hele leven lang niet zo gevroren

 

als ze als kind niet al zo oud had hoeven zijn

had ze vandaag nog een kinderlied gezongen

als ze als kind gewoon een kind had kunnen zijn

was ze vandaag als een kind opnieuw begonnen

 

LISELORE GERRITSEN

 

32. Te Middelharnis is een kind verdronken

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
't stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.

-Te Middelharnis, denk ik, 'k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.


Ed Hoornik (1910-1970)
Uit: Verzamelde Gedichten (1966)

 

33. Een kinderspiegel

'Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.

Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.

Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij alsmaar bij elkaar.'


Judith Herzberg (1934)
Uit: Beemdgras
Uitgever: Van Oorschot, Amsterdam 1968

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

 

Stem voor Spiritele Vrienden

Top 100 NL

 

 

LetsStat website statistieken