Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

      

Verhalen van Hendrik.

 

Deel 1

      

Long tall ships - Het monster - Het land Nimmermeer - Aan de andere kant van de   spiegel -De tijd, de herinnering - De ontdekking van het Franse leven -



Deel 2

 

Ruiter op de sterren -  De zee, de stilte en God - Ervaring bij een kloosterruïne – De Duivelskunstenaar - Gezicht op een zomeravond - Op weg naar het licht

 

 

 Deel 3
 

 

Deel 4

 



Long tall ships

 

 

Hij klapte het tuinstoeltje open en plantte het in het vochtige gras van de zeedijk. Hiervandaan had je een schitterend uitzicht over het wad. Aan zijn voeten, een meter of tien lager, lag een vuilgrijs strand dat zelden door badgasten werd betreden. Lange repen half vergaan zeewier, plastic flessen, rottende balken en een enkel stuk schoeisel vormden de garnering van deze strook niemandsland tussen zeewering en wad. Eigenlijk kon je niet eens van een strand spreken; het was meer een kwelder, bestaande uit een stelsel van onregelmatig gevormde zandplaten die door grote en kleine slenken van elkaar werden gescheiden. Wat verder uit de kust ging de kwelder geleidelijk over in de Waddenzee. Omdat het half bewolkt was, werden weidse stroken van het waterlandschap tussen de dijk en de eilanden aan de overkant door de zon beschenen. Dit was het vergezicht waar hij zo verzot op was en dat hem diep van binnen kalmeerde: een ingetogen clair-obscur, een maritiem spel van licht en schaduw, zon, wind en weidse verten.

 

Hij haalde zijn fototoestel tevoorschijn. Speels liet hij de zoomlens in en uitzomen terwijl hij door de zoeker het waterlandschap afspeurde. Aan de horizon zag hij een olietanker langzaam verder glijden in de richting van de Duitse havensteden of misschien wel de Scandinavische kust. Hij zoomde in op maximale vergroting en drukte af. Daarna borg hij het toestel weer voorzichtig op.

 

Waarom kon hij toch niet het leven leiden dat hij wilde, peinsde hij, waarom werden zijn gedachten onwillekeurig vaak weggezogen naar allerlei emotionele ballast die hem al sinds jaar en dag het leven vergalde? Hij wilde vrij zijn, zich krachtig en soeverein verheffen boven het gebeuzel en de beslommeringen van alledag. Als een meeuw wilde hij het luchtruim kiezen, statig en sierlijk wegwieken naar de verten, een blinkende stip in de eindeloze ruimte van zon, lucht en zee. En als nooit tevoren drong het besef zich aan hem op dat die ruimte en die weidsheid al in de kiem in zijn binnenste verscholen lagen, klaar om te worden gewekt. Het antwoord op al zijn zoeken en vragen lag binnenin, in de verborgen binnenkant van zijn dromen en gedachten. De sleutel tot dat verboden rijk lag ergens in zijn gevoel, zijn oeroud besef een vrij wezen te zijn, een lichtende geestelijke gestalte, een scheppend, ademend, soeverein wezen, opgebouwd uit licht, weidsheid en geest. Tot díe kern door te dringen, vanuit dát besef, die zekerheid te kunnen leven – dat moest het einddoel zijn van dit bestaan, en niets anders. Maar wat weerhield hem daar dan van?

 

Al onze beperkingen zijn denkbeeldig, besefte hij, het zijn verdichtsels die we hebben meegenomen uit onze jeugd en die door latere ervaringen telkens door onszelf zijn versterkt en bevestigd: aanslibsels van angst, twijfels en onzekerheid over onze ware identiteit. Tussen onszelf en de werkelijkheid daar buiten staan onze eigen drogbeelden in, lachspiegels van de geest, kromme lenzen die het onbelangrijke vergroten en het meest wezenlijke aan het oog onttrekken. Naarmate we ouder worden beitsen we allerlei denkpatronen steeds dieper in onze geest, totdat we op den duur het gevoel hebben dat we erin gevangen zitten. We ontwikkelen de mentaliteit van de gevangene, die vanuit van zijn zelfgeschapen cachot naar zichzelf en de wereld kijkt en daarbij droef constateert dat het hier beneden maar een zootje is en dat ook altijd wel zal blijven. Maar we hebben zelf ijverig meegebouwd aan dit huis van bewaring en we zullen het ook zelf weer steen voor steen moeten afbreken als we werkelijk vrij willen zijn.

 

Hij zuchtte diep en stond op. Langzaam daalde hij de glooiing van de dijk af, op weg naar het wad. Beneden aangekomen bleef hij staan. De zilte lucht prikkelde zijn tong en lippen. Met zijn blik volgde hij de scheervlucht van een meeuw die koers zette naar de eilanden. Sierlijk heen en weer laverend in de matige tegenwind loste het silhouet van het beest tenslotte op in het grijs en blauw boven de horizon. Jonathan Livingstone Seagull, dacht hij, met eendere vleugelslag wil ik hier al mijn angsten en problemen achterlaten en een nieuw leven beginnen.

 

Hij werd in deze gedachtegang gestoord doordat zijn schoenen langzaam maar zeker waren weggezakt in de drassige kwelder. Het sop was tot zijn sokken en schoenen doorgedrongen. Gelaten liep hij terug naar het klapstoeltje. Daar trok hij zijn sokken en schoenen uit. Terwijl hij zijn sokken met nijdige bewegingen uitwrong, schoot hem opeens te binnen dat hij waarschijnlijk vergeten had om de portieren van de auto af te sluiten. Zo heel erg was dat niet, want wie kwam er nu op het idee om een eenzame auto die op een verlaten landweggetje aan de voet van de zeedijk stond te stelen? Die anderhalve man en een paardenkop die hier voorbij kwamen taalden daar niet naar: dat waren sportvissers of boeren die hier in de buurt woonden. Toch vond hij het idee alleen al niet prettig. Daarom stapte hij met zijn blote voeten in zijn schoenen. Met zijn klapstoeltje in de ene, en zijn natte sokken in de andere hand daalde hij de trap van de zeedijk af. Hij rommelde in de zakken van zijn broek en overjas naar de autosleutel. Tevergeefs. Het zweet brak hem uit. Wat moest hij nu? Hij probeerde de portieren, maar ze zaten allemaal op slot.

 

Daar stond ‘ie dan, moederziel alleen in de polder. Het autosleuteltje was natuurlijk uit zijn broekzak gegleden toen hij de tuinstoel bovenaan de zeedijk had uitgeklapt. Hij zette het stoeltje tegen de kofferbak van de auto, de natte sokken er bovenop. Moeizaam zeulde hij weer naar boven. Bah, wat een kaal en rottig landschap was dit toch. Was hij maar thuis gebleven, dan had hij tenminste nog naar het voetballen kunnen kijken, naar Ajax-Borussia Dortmund. Maar nee hoor, als filosoof en schrijver moest hij vanavond natuurlijk weer iets zwaarwichtigs doen, bovenop een dijk zitten uitstaren over het wad om er zijn leven te overdenken. Wat een zelfkwellerij was dit toch eigenlijk.

 

Na lang zoeken vond hij eindelijk het sleuteltje, niet ver van de plek waar hij al die tijd had gezeten. Opgelucht liep hij andermaal de trap af. Hij opende de kofferbak en smeet er nijdig zijn stoel en kletsnatte sokken in. Hij startte de motor en zette een bandje op met kalmerende muziek van Enya. In gedachten verzonken reed hij terug naar huis. Wijds en sonoor galmde het nummer ‘Long tall ships’ uit de speakers. Bij het luisteren naar deze muziek herwon hij geleidelijk zijn kalmte. Niet meer zo verschrikkelijk diep nadenken nu, dacht hij. Laat ik voortaan maar mijn gevoel volgen. Ik ben nog maar pas veertig; ik heb nog tijd van leven. En hij kon weer een beetje glimlachen om zijn eigen chaoterigheid, zijn drukke, bestudeerde gedoe, zijn intellectuele scherpslijperij. Zacht neuriede hij mee op het ritme van het Enya-nummer. De buitenwijken van de stad waarin hij woonde kwamen al in zicht. Zelfs een verdekt opgestelde flitspaal die weerlichtend achter hem afging kon hem niet meer uit zijn evenwicht brengen.

                                                                                                

Hendrik Klaassens. 

 

 

 

 


 

Het monster

 

Een eigentijds sprookje over indringers in de menselijke geest

 

 

Ik kijk naar het monster. Het slaapt. Een uur geleden is het vanuit de keuken naar mijn slaapkamer gekropen. Daarna heeft het al zijn tentakels opgevouwen en is het gewriemel van zijn geschubde lijf overgegaan in een rustige, regelmatige ademhaling. Nietsvermoedend ligt het nu voor mijn bed te ronken, vlak onder het zilveren mes dat ik omklemd houd. Een paar uithalen naar de vormeloze kop zijn al voldoende. Waar wacht ik eigenlijk nog op? Heeft dat kreng mij nog niet genoeg narigheid bezorgd? Peizend blijf ik een ogenblik staan, mijn greep om het lemmet verslapt. En als uit een diepe, oude zweer die opnieuw open gaat, komen alle herinneringen die ik geprobeerd heb te vergeten weer boven.

 

Sinds het monster in mijn leven kwam is alles anders geworden. Door een spleet in de houten vloer is het bij me ingetrokken. Een klein, onschuldig slakje was het toen nog en het kwam me gezelschap houden in een periode waarin ik mij erg somber voelde. Slijmerig was het toen al, dat wel, en het stootte me af. Maar op een ondefinieerbare manier wist het contact met mij te leggen. Al vanaf de eerste dagen dat het bij mij in huis rond kroop probeerde het mij op te beuren als ik weer eens een pestbui had. Dan ging ik op mijn bed liggen, schopte mijn schoenen uit en sloot mijn ogen. De slak, die zich voorstelde als Memo, kroop dan naar mij toe en begon te vertellen. Hij beweerde dat hij mij door en door kende en zei tegen me dat ik een ridderlijke inborst had. Niet van dat stripverhalenwerk, nee: een echte ridder, iemand met aristocratisch bloed, een Held. Hij sprak dat woord met een hoofdletter uit.

 

In het begin geloofde ik hem niet. Maar wat hij zei klonk aangenaam en zijn zoetgevooisde stem monterde mij op. Stel je toch eens voor: ik een ridder, met wuivende helmbos, een maliënkolder en een zwaard dat losjes aan een riem om mijn middel bengelt. Ergens smacht een jonkvrouw met halfontblote boezem en Jacoba van Beierenpuntmuts op naar mijn terugkeer. Ja, dat leek mij wel wat. Ga verder, zei ik dan tegen hem, waar haal je die wijsheid vandaan? Ach heer, antwoordde hij, al vanaf het eerste moment dat ik u zag had ik het in de gaten. Zulke vurige, onverschrokken ogen als u hebt, die zie je zelden meer. Uw fiere gebaren en vaste tred verraden uw adellijke natuur, dat ziet een kennersoog onmiddellijk. U moet gewoon naar uw ware aard gaan leven, dan losse alle sores zich vanzelf wel op.

Die gedachte stond mij wel aan. Maar omdat ik hem niet helemaal vertrouwde, vroeg ik hem mij het bewijs te leveren voor zijn boude bewering. Die zal ik u geven, antwoordde hij, maar onder één voorwaarde: dat ik deze nacht naast u op uw kussen mag slapen. Na enige aarzeling stemde ik toe.

 

Toen ik de volgende morgen wakker werd, was alle somberheid uit mij verdwenen. Energiek stapte ik uit bed en bekeek mijzelf eens voor de spiegel. Dat rondsoppen in mijn eigen ellende moest maar ‘es afgelopen zijn, besloot ik. Mijn houding moest veranderen. Ook letterlijk. Fier stak ik de borst vooruit en kantelde mijn bekken iets naar achteren. Mijn handen plantte ik losjes in de zij en mijn hoofd hield ik schuin achterover. Zo, dat gaf direct al een heel andere aanblik. Als ik mij straks in deze houding op straat zou begeven, zou niemand mij meer herkennen. Ik nam een koude douche en bezag vol walging het slappe, halfslachtige leven dat ik tot nog toe had geleid. Waarom was ik na het V.W.O.  eigenlijk niet gaan studeren? En waarom had ik nog steeds geen vriendin? Het was allemaal gewoon een kwestie van dóórzetten. Nadat ik mij had aangekleed en wat had gegeten, fietste ik naar de universiteit om een inschrijvingsformulier op te halen. Theologie, dat leek mij wel wat. Dat verdiepte je levensinzicht. Doorstoten naar de top, naar het allerdiepste en het allerhoogste, waarom had ik dat nooit eerder geprobeerd?

 

Sinds die dag is de omgang met mijn slak vertrouwelijker geworden. Voortaan vlijde hij zich elke nacht naast mij op het kussen en voorzag mij tijdens mijn slaap van nieuwe levenskrachten. Onafgebroken lag ‘ie dan te murmelen over mijn goede eigenschappen en mijn ridderlijke natuur. En het werkte. Ik ging vooruit, dat kon je aan alles merken. Met tegenstanders veegde ik de vloer aan en schone jonkvrouwen maakte ik regelmatig het hof. Eentje meer of minder deerde niet, dat hoorde er gewoon bij. Mijn studie liep op rolletjes.

Ondertussen begon de slak te groeien. Elke morgen was ‘ie weer een beetje groter geworden. Eerst kon mij dat niet zo veel schelen, want dankzij hem beschikte ik over een schier onuitputtelijk dosis energie. Maar toen hij zo groot was geworden als een mannenvuist, begon de aanwezigheid van zijn weke, lillende massa op mijn hoofdkussen mij fysiek zó tegen te staan, dat ik van hem eiste dat ‘ie ergens anders ging slapen. Mokkend ging hij daarmee akkoord. Voortaan zou hij de nacht wel onder mijn bed doorbrengen.

 

Vreemd genoeg namen mijn krachten daarop af. De slak groeide ook niet meer. Toen ik hem weer ‘es om raad vroeg, vertelde hij mij dat dit kwam doordat de energie die van hem uitging alleen effectief op mij kon overgaan wanneer hij zich zo dicht mogelijk bij mij bevond. Eigenlijk zou hij het best met mij kunnen samenwerken als hij ’s nachts tegen mij aankroop. Hoewel ik dat een walgelijke gedachte vond, ging ik er na lang wikken en wegen mee akkoord. En ook nu weer bleek de slak gelijk te hebben. Mijn ridderidealen indachtig werd mijn houding nog kloeker dan eerst. Elke sneer van het grauw pareerde ik ogenblikkelijk en klunzige brieven van bedrijven en instanties werden door mij met gepaste minachting beantwoord. Een ridder laat zich immers niet koeioneren. Noblesse oblige! Mijn minnaressen behandelde ik evenzo.

 

De bijverschijnselen van deze opstelling lieten niet lang op zich wachten. Met steeds meer mensen kreeg ik het duchtig aan de stok. Vriendinnen, buren, studiegenoten – op steeds meer terreinen smeulden de irritaties. Hoewel de slak, die inmiddels zo groot was geworden als een flinke kater, mij nog steeds van energie voorzag en mij ’s nachts verhalen influisterde over mijn verheven roeping, begon het geruzie met anderen steeds meer kracht van mij te vergen. ’s Nachts kroop ik uitgeput in bed en alleen het vooruitzicht van de mooie dromen die ik zou krijgen weerhield mij er dan van om me van de slak te ontdoen.

 

Naarmate ik kwistiger met mijn energie omsprong werd mijn vermoeidheid diep binnenin alsmaar groter. Opnieuw vroeg ik de slak om raad. Hij antwoordde me, dat mijn probleem niet onoverkomelijk was. Als hij overdag, verstopt onder mijn overjas, overal mee naar toe mocht, kon ‘ie mij altijd subiet adviezen geven en van de nodige power voorzien. Ik voelde weerzin bij die gedachte, maar omdat ik zo niet langer door kon gaan, willigde ik zijn verzoek in. Elke morgen verborg ik hem, voordat ik de deur uitging, onder mijn overjas. Dan kroop ‘ie langs mijn ruggengraat omhoog tot vlak onder mijn nek. Dat had het nadeel dat ik daardoor wat voorovergebogen liep, maar voorlopig voelde ik me weer fit en zelfverzekerd, en dat is ook wat waard.

 

Na verloop van tijd merkte ik dat hij steeds tirannieker begon te worden. Zijn aanwijzingen kregen steeds meer het karakter van bevelen. Hij bemoeide zich werkelijk overal mee. Geen enkele plagerige, op zichzelf onschuldige opmerking van een ander mocht ik meer over mijn kant laten gaan. Noblesse oblige, fluisterde hij me dan in. En ik gehoorzaamde. Hele vetes vocht ik uit. Met de buurt, met kennissen, zelfs met vrienden. Al mijn tijd, energie en zelfs al mijn geld ging zitten in het bestrijden van het rapaille dat ik overal tegenkwam. Toen ik mij dat met een schok realiseerde, besloot ik mij van de slak te ontdoen.

 

Dat was eenvoudiger gezegd dan gedaan. De mentaliteit van de slak had zich diep in mij genesteld. Overal loerden vijanden op me, overal bestreed ik het onrecht en het janhagel. Maar het grootste janhagel was ik zelf ondertussen geworden. Daar moest verandering in komen! Ik verbood de slak daarom nog langer met mij op stap te gaan. Slapen op mijn kussen was er ook niet meer bij. Maar hij wilde van geen wijken weten. Sterker nog, hij begon te groeien als kool. Als ik hem ’s nachts in de tuin had gegooid, trof ik hem de volgende morgen in de keuken aan. Hij begon zelfs schubben te ontwikkelen. Zijn ogen op steeltjes veranderden in grote, loerende reptielenogen. En ook al sliep hij dan niet meer naast mij, de invloed die hij op mijn dromen had werd er niet minder om. Badend in het zweet werd ik uit nachtmerries wakker. Als ik dan trillend als een rietje om mij heen keek, zag ik hem in het schemerdonker voor mijn bed liggen. Uiteindelijk nam hij de gedaante aan van een reusachtige, geschubde kwal met tentakels eraan. Het afschuwelijkste was, dat al mijn gedachten, mijn hele doen en laten, op den duur door hem werden bepaald. Alsof alles zijn vorm en gedaante aannam, zijn geest ademde. Elk voorwerp in huis, elk contact met anderen, elk gerucht van buiten, elke handeling die ik verrichtte stond na verloop van tijd in het teken van het beest.

 

Gelukkig had ik in al die jaren heel wat opgestoken van mijn studie over de verborgen kant van de wereld. Mijn theologische opleiding had mij tot het inzicht gebracht dat het goed was om je af en toe ook ‘es open te stellen voor andere bestaansniveaus. Er was méér dan alleen maar de zichtbare, concrete en vaak platvloerse werkelijkheid. Ondanks – of misschien wel dankzij – de conflicten die ik overdag met jan en alleman uitvocht, was er in mij een gevoeligheid gegroeid voor de ragfijne wereld van de ziel, voor de subtiele, vaak nauwelijks merkbare gevoelens en gedachten die voortdurend vanuit de geestelijke wereld op je inwerken. De slak had daar maling aan: hij wist dat deze dingen me interesseerden, maar hij verfoeide deze manier van denken hartgrondig. Daarom probeerde hij mijn boeken over mystiek en esoterie te verstoppen. Maar ik was hem te slim af en verborg ze op een plekje op zolder waar hij niet bij kon komen. ’s Nachts, als ‘ie lag te slapen, haalde ik ze tevoorschijn en las erin totdat m’n ogen dichtvielen van vermoeidheid. En zo groeide in mij een andere manier van denken.

 

Uiteindelijk zou dat mijn redding betekenen. Ik had me nu al zó ver in de nesten gewerkt, dat ik besefte dat ik me niet meer op eigen kracht van de tirannie van het monster kon bevrijden. Daarom richtte ik ’s nachts, als het huis in diepe rust was, mijn smeekbeden tot de goede geesten waardoor ik mij wist omringd. In het begin gebeurde er niets; er kwam geen enkele reactie, hooguit een licht, kalmerend gevoel. Maar na maanden tevergeefs wachten werd mijn schreeuw om hulp eindelijk verhoord. In een droom verscheen mij een jonge vrouw. Ze droeg een lange, witte pij. In haar hand hield zij een zilveren mes. Daarmee moest ik zeven nachten, telkens vlak voor het slapen gaan, een paar keer uithalen naar het monster. Elke keer dat ik dat deed, zou een zevende deel van het beest in water veranderen; dat moest ik dan opdrinken. Na de zevende nacht zou het gedrocht voorgoed verdwenen zijn, maar het water zou nog lange tijd een bittere smaak in me achterlaten. Het mes dat ik nodig had zou ik, de volgende morgen, naast me op het kussen vinden.

 

Vanmorgen trof ik het moordwapen op mijn kussen aan. Voorzichtig heb ik het opgeraapt en in een handdoek gewikkeld. Dat heb ik de hele dag bij me gedragen, want ik vertrouw die slijmbal voor geen cent meer. Hij wordt steeds brutaler. Als ik aan het eind van de middag thuis kom, tref ik overal slijmsporen aan. Dan is meneer weer ‘es op strooptocht geweest. Laatst heeft ‘ie stiekem al mijn broodbeleg opgegeten, dat schijnt de nieuwste mode te zijn.

Ongeveer een uur geleden is ‘ie vlak voor mijn bed in slaap gevallen. Rustig en regelmatig gaat zijn geschubde lijf op en neer. In mijn hand houd ik het zilveren mes. Langzaam breng ik mijn hand naar de kop of wat daarvoor doorgaat: een kwabbig uitsteeksel met twee ogen, een mond en twee diepe poriën die als gehoororgaan dienen. Bevend hef ik mijn arm op.

Ik kijk, durf haast niet te kijken. Dan steek ik toe - snel, hard en onverbiddelijk. Geluidloos lost de kop van het ondier op in helder water. Ik vang het op in een kommetje dat ik vasthoud in mijn andere hand. Drinken maar!

 

 

 Er bestaan tal van visioenen over de drie dagen van duisternis, die onmiddellijk vooraf zouden gaan aan een radicale omvorming van de aarde. Zij  inspireerden me tot het schrijven van een kort verhaal. Dit is pure fantasie, geen 'openbaring' of toekomstvoorspelling. Ik geef alleen weer wat er aan beelden bij me opkwam toen ik die visioenen op me in liet werken.

 


 

 



Het land Nimmermeer

 

 

 

Onder een strakblauwe hemel en met een frisse bries in zijn rug fietste hij door het Friese landschap. Zijn zoontje van twee babbelde wat tegen hem aan. Af en toe stak het kereltje hem een dropje toe uit het zakje dat het in zijn kleine knuistjes vasthield. Hij moest zich half omdraaien om zijn jongste spruit, die in het zitje achterop zat, te kunnen verstaan. “Daar, papa, dáár, trekker!” Hij volgde de uitgestoken arm van zijn zoontje en zag inderdaad in de verte een trekker rijden. Achter het gevaarte reed een gierwagen, die zijn onwelriekende inhoud met een draaiend mechaniekje over de akkers spuide. Snel wendde hij zijn blik af. Links van hem, heel in de verte, zag hij een geel lint door het landschap kruipen: dat moest de trein zijn die steeds tussen Groningen en Leeuwarden heen en weer pendelde en luisterde naar de naam ‘Wadloper’. De trein reed in oostelijke richting, dus naar zijn geboortestad Groningen toe. Onwillekeurig moest hij denken aan de jaren die hij daar, eerst als kantoorbediende en later als student, had doorgebracht.  Eigenlijk had hij er nooit zijn draai kunnen vinden. Maar lag dat ten diepste niet aan hemzelf, aan het rusteloze levensgevoel dat hem steeds opstuwde en hem telkens weer ergens anders deed belanden, op zoek naar het geluk, naar zin en een taak waar hij zijn schouders met overtuiging onder kon zetten? Wat was het toch dat hij miste, waar kwam dat onophoudelijke, knagende gevoel diep uit zijn binnenste eigenlijk vandaan? Het was alsof hij voortdurend mank liep, nooit helemaal bij de situatie betrokken was waarin hij zich bevond. Alsof diep in zijn binnenste een mechaniekje ronddraaide dat steeds het schier onontwarbare kluwen aan herinneringen moest ontwarren en hem moest bevrijden van de angst voor de toekomst. Wat stond er tussen hem en het geluk in?

 

Aan de kant van de weg stond een SRV-wagen, vlak bij de oprijlaan naar een statige boerderij. Hij minderde vaart, stapte af en tilde zijn zoontje uit het zitje. Het klauterde achter hem aan de treden op van de winkel op wielen. Van de grootgrutter die uitsluitend Fries bleek te spreken kocht hij een paar blikjes frisdrank. Even later zaten ze samen in de berm en nipten met kleine teugjes van het vruchtensap. Hij keek om zich heen en genoot van het weidse landschap; het was wel een beetje kaal, maar daar stond tegenover dat je kilometers ver kon kijken en allerlei dorpjes en stadjes tot in de wijde omtrek kon zien liggen. Zijn zoontje was een prachtkereltje: mollig, speels en aanhankelijk. Eigenlijk was hij volgzamer dan zijn oudste zoon, die al naar school ging en over een uur van het schoolplein moest worden afgehaald. Maar ook de oudste was een schitterend kereltje: het was erg pienter, had overal belangstelling voor en was zuiver op de graat. Bovendien kon je schitterende gesprekken met hem voeren over het geloof, het doel van het leven enzovoort; natuurlijk wel op zijn eigen niveau, maar toch kon je aan alles wel merken dat het ventje overal diep over nadacht. Het had een beweeglijke geest en stond open voor al dat soort dingen. Het had ongeveer net zo’n karakter als hijzelf: eerlijk, serieus en een beetje dromerig, maar ook met vlagen van plotseling opkomende felheid. Ja, ook in zijn oudste zoon leefde de aanleg tot rusteloosheid, tot rondzwalken in de geest en het maken van verre reizen in de verbeelding.

 

Toen ze de blikjes hadden leeggedronken stapten ze weer op de fiets. Er was inmiddels wat bewolking op komen zetten. Af en toe zeilde er een wolk voor de zon, maar de temperatuur was erg aangenaam voor de tijd van het jaar. Geuren van fris gras en allerlei onbestemde geuren van het land bezwangerden de voorjaarslucht, alsof ze een belofte inhielden. Tegelijkertijd riepen ze een soort weemoed op – de weemoed naar het land Nimmermeer, de droombeelden van een onbezorgde jeugd op het platteland.

 

Tot zijn vijfde jaar had hij op het platteland doorgebracht. Vaak was hij in die tijd, zodra zijn kleine beentjes hem konden dragen, ertussen uit geknepen, uit de benauwende sfeer van het ouderlijk huis annex manufacturenwinkeltje, om zwerftochten te maken door het boerenland. Achter hun huis strekten zich, zo ver je kijken kon, weilanden en akkers uit. Een wirwar van weggetjes voerde door dat aardse paradijs. Een veelgebruikte pleisterplaats was de tuin van zijn opa geweest, die slager was en in zijn schaarse vrije tijd wat tuinierde. De tuin lag aan het eind van een smal, slingerend zandpad dat langs enkele boerderijtjes voerde. Daar had hij zich gelukkig gevoeld, zo helemaal alleen onder de zon, te midden van kriebelende, kruipende beestjes die je overal in de tuin zag rondscharrelen. Perkjes met aardappelen, bonen, rode kool en sla werden afgewisseld met braakliggende stroken grond. Soms nam hij een jampotje mee om er vlinders in te bewaren die hij met veel moeite gevangen had. Of hij stopte er gewoon een paar lieveheersbeestjes in die hij van de blaadjes van de heg plukte. Als de zon scheen in dit lustoord zong hij soms een psalm die hij op de kleuterschool had geleerd, zomaar, omdat hij zich goed voelde en het leven aangenaam was. Als er een paradijs was, zoals juf had verteld, dan moest dat vast en zeker wel wat lijken op deze tuin. Misschien was het een beetje groter en stonden er allerlei bomen in die hier niet voorkwamen, maar toch hadden ze wel iets van elkaar weg. Het nadeel van dat paradijs was natuurlijk wél dat er een grote slang in rond kroop die probeerde om de mensen te ‘verleiden’. Wat dat precies was wist hij niet, maar als juf dat zei klonk het wel erg akelig. Het had ongeveer dezelfde klank en dezelfde lugubere bijbetekenissen als wanneer hij zijn moeder hoorde voorlezen over Hans en Grietje, die door een boze heks naar binnen werden gelokt: eerst kreeg je zuurstokken en koekjes en was alles pais en vrees, maar daarna veranderde de sfeer en ging de deur op slot, waarna het ergste te vrezen viel. Als kind was hij gegrepen door dit duistere mysterie, dat toch maar eventjes liet zien dat de wereld niet zo fraai en simpel was als volwassen het vaak lieten voorkomen.   Maar ach, daar dacht hij niet zo vaak aan. Grote mensen hadden zo hun eigen zorgen en narigheid, daar kon hij niet te veel over inzitten.

 

“Papa, uitkijken!” Hij schrok op uit zijn overpeinzingen. Nog net op tijd kon hij een trekker ontwijken. Rakelings passeerden ze het grommende gevaarte, dat met draaiende motor aan de kant van de weg stond te wachten. De boerenknecht in zijn blauwe overall keek hem misprijzend aan met een amper ingehouden verwensing op z’n  lippen. Hij knikte hem vriendelijk toe.

 

Over een half uur zouden ze weer terug zijn in Leeuwarden. In de verte kon je het industrieterrein aan de rand van de stad al zien. Daarachter waren enkele kerktorens zichtbaar en een paar torenflats die erop duidden dat ook Leeuwarden met zijn tijd was meegegaan. Op deze afstand voelde hij al de sfeer van de stad, het netwerk van bezigheden, meningen, overtuigingen, het dagelijkse gedribbel en gebabbel van de tienduizenden Friezen die zich er hadden gevestigd. Geestelijk gesproken was elke stad en elke plaats een wolk van menselijke activiteit, gevoelens en gedachten, met uitschieters naar boven en naar beneden rondom de hoofdmoot, zoals een elektrisch veld op één plaats het sterkst was en naar de uiteinden toe steeds zwakker werd. Feitelijk kon je ook ieder mens als een verzameling overtuigingen, meningen, herinneringen en gedachten beschouwen, waarvan sommige elkaar leken uit te sluiten, maar desondanks deel bleven uitmaken van hetzelfde geheel, van een en hetzelfde perpetuum mobile van de geest. Wij zijn allemaal reizigers, besloot hij, terwijl hij vaart minderde omdat ze al praktisch thuis waren. We zijn reizigers van het land Nimmermeer naar het land van Ooit, dat nog komt. Zwijgend tilde hij zijn zoontje uit het zitje.

   

 

 

 




Aan de andere kant van de spiegel

 kort verhaal over een fictieve bijna-dood-ervaring

 

 

 

I

Zeven dagen en nachten bevind ik mij nu al in deze toestand. Vrij als een vogel kan ik mij verplaatsen. Afstanden, muren en sloten hebben voor mij geen betekenis meer.

 

Ik – of wat daarvan over is, laten we zeggen: mijn geest – gaat met de snelheid van de gedachte naar elke willekeurige plaats die ik wil bezoeken. Het meest intrigerende en eigenlijk ook het meest leerzame van deze nieuwe toestand is, dat het innerlijk, ja zelfs de meest intieme gedachten van de mensen die mij dierbaar zijn, voor mij zo doorzichtig zijn geworden als glas. Moeiteloos lees ik hun gedachten, registreer ik hun geheime bedoelingen en voel ik wat er op elk moment door hen heen gaat. Alleen daarom al hoop ik nog eventjes zo, in deze sfeer, te mogen blijven. Veel kans is daar echter niet op. Reeds voel ik me sterker en sterker aangetrokken tot mijn lichaam, dat amechtig ligt uitgestrekt op de intensive care van het AMC. Via dunne slangetjes en draden wordt het in leven gehouden. Waarschijnlijk is het nog slechts een kwestie van uren voordat mijn geest weer onderduikt in dat toegetakelde lichaam. Het begint zich steeds meer te roeren, alsof het al een aanloop neemt om zich uit zijn staat van doffe bewusteloosheid te bevrijden. Daarmee komt er een eind aan de meest wonderlijke ervaring die ik ooit in mijn leven heb gehad. 

 

De medici hebben hun werk goed gedaan, dat moet gezegd. Nadat ik met snijbranders uit het wrak van mijn auto was verlost, heb ik, op een afstandje boven de plaats van het ongeval zwevend, kunnen volgen hoe in het wit geklede ziekenbroeders mijn lichaam op een brancard legden. Daarna droegen ze mij naar een ambulance die al met draaiende motor en wijd opengeslagen deuren gereed stond. Tien minuten later lag ik met ontbloot bovenlijf op een operatietafel. De instrumenten waarmee ze mijn borstkas openmaakten fonkelden koud in het schijnsel van de felle kwiklampen. Op gedempte toon hoorde ik ze elkaar aanwijzingen geven. Eén van hen ploegde met een tang en een pincet in mijn borst. Toch voelde ik daarbij geen pijn, integendeel: terwijl ze met mijn lichaam bezig waren in een poging om de levensgeesten weer op te wekken, keek ik vanaf een plaats ergens bij het plafond belangstellend toe. Daarbij viel het me op dat de arts die mij met zijn gereedschap bewerkte al wat begon te kalen op zijn kruin. Ook merkte ik wat hij op dat ogenblik dacht. Eerst geloofde ik dat hij onophoudelijk tegen zijn collega’s stond te praten, maar toen ik een wat andere positie innam – iets wat mij verrassend weinig moeite kostte, ik bevond mij ogenblikkelijk daar waar ik mij wílde bevinden – zag ik dat zijn lippen daarbij niet bewogen. Toch hoorde ik hem heel duidelijk praten: “Drie ribben gebroken, shock, veel bloedverlies. Gevaar voor een hartstilstand, maar hij zal het wel redden. Rare knuppel trouwens. Marie zei dat ‘ie zomaar in z’n eentje tegen de vangrail was aangereden. Dronken misschien?  Hm,  niks van gemerkt. “

 

Hij blikte even op het apparaat dat mijn hartslag grafisch weergaf. Plotseling vertoonde de naald, die een onregelmatig berglandschap tekende op een draaiende rol, geen uitslagen meer.  Er ontstond commotie onder het personeel; op een wagentje met wielen eronder reden ze een elektrisch toestel naar de operatietafel. Elektroden werden op mijn borst bevestigd. Bij elke stroomstoot voer er een huivering door mijn lichaam. Maar het had succes: even later schoot de naald weer omhoog en beschreef in scherpe dalen en pieken het pulseren van de hartkamers. Vervolgens werd mijn borstkas weer met dunne, transparante draden dichtgenaaid.

 

Vreemd eigenlijk dat ik helemaal geen pijn voelde terwijl er van alles en nog wat met mijn lichaam werd uitgevreten. Of was ik dat misschien toch niet, dat toegetakelde lichaam op die operatietafel? Het droeg wel dezelfde broek die ik vanmorgen had aangetrokken. Ook had het ongeveer mijn gezicht, maar door de vele snijwonden op het voorhoofd en de wangen was het niet zo duidelijk herkenbaar. Het haar klopte precies. Wat mij tenslotte overtuigde was de ring om de ringvinger van mijn rechterhand. Ik zweefde naderbij om hem goed te bestuderen. Geen twijfel mogelijk: het vertoonde exact dezelfde inkepingen als mijn eigen ring; ik was getuige van mijn eigen operatie!

Zou het me lukken om Carla te waarschuwen, om haar ervan te overtuigen dat ik was verongelukt maar toch niet dood was? Levend, maar toch niet in mijn lichaam? Ik hernam mijn oude positie bij het plafond om na te denken. Goed: ik kon de gedachten van anderen opvangen. Maar konden anderen dan ook míjn gedachten lezen? Het was te proberen. Ik dacht aan Carla.

 

Tot mijn verbazing bevond ik mij in een oogwenk bij haar in de kamer. Zij zat met onze Roelof op schoot en voerde hem een fruithapje. Ik ging vlak voor haar staan en probeerde haar aan te raken, maar ze reageerde niet. Ze babbelde wat tegen de baby, die smakkende geluidjes maakte en haar met zijn grote, heldere ogen aankeek. Haar lippen bewogen niet, maar net zoals bij de chirurg die ik ook hardop had horen denken, ving ik haar gedachten op. Ze dacht erover na om straks, als ik thuis zou komen, nog even de stad in te gaan om babykleertjes te kopen. Maar misschien deed ze dat morgen wel, ze voelde zich zo moe. “Bah, er is ’s nachts ook altijd wel wat”, dacht ze, “is het niet Roelof die ’s nachts een kik geeft, dan is het wel Anton die om drie uur ’s nachts onze kamer komt binnenrennen omdat ‘ie naar gedroomd heeft. Henry gaat ook veel te laat naar bed, trouwens. Vaak zit ‘ie tot een uur of twee tv te kijken of te lezen, helemaal in trance. En maar roken ondertussen: daar moet ‘ie maar ‘es mee ophouden, die lummel!”

 

Ik schrok, probeerde een verontschuldiging te bedenken. Ik bracht mijn gezicht vlak bij het hare. Maar ze keek van me weg naar de klok. Ze deed gewoon alsof ik niet bestond. Dat was wel het toppunt! Eerst zulke gemene gedachten over mij en dan dít! Even vergat ik mijn nieuwe toestand, maar al snel gaf ik mijn verzet op. Verder argumenteren was zinloos. In dit onlichamelijke bestaan was ik slechts toeschouwer: alles ving ik op, elk woord, elk gevoel en elke gedachte, maar ik kon nergens ingrijpen; ik moest steeds machteloos toezien wat er allemaal met en om mij heen gebeurde. Dit was de totale aanvaarding, ik moest berusten in mijn nieuwe toestand. Was dit dan misschien de hel? Moest ik minutieus vaststellen wat de uitwerking van mijn daden was geweest, wat ik allemaal op aarde had teweeggebracht? Maar ik leefde toch nog? Was mijn hart soms niet weer opnieuw gaan kloppen, daar in het AMC? Had ik niet gezien dat ze mij op een brancard hadden weggereden naar de intensive care, met allemaal draadjes en slangetjes aan mijn armen en neus? Ik moest meer te weten zien te komen over deze situatie; misschien kon ik mij er dan uit bevrijden. Ik dacht aan mijn lichaam. Hoe zou het daar mee zijn? Ogenblikkelijk was ik weer terug in het ziekenhuis.

 

II

 

Het eerste wat mij opviel toen ik mijn lichaam herkende in het halfduistere zaaltje van de intensive care was, dat er een grote zuurstoffles naast mijn bed stond. Kennelijk waren ze nog steeds bang dat ik onverhoeds de pijp uitging. Ik probeerde het ding met mijn vingers te betasten, maar ze gleden erdoorheen. Stom natuurlijk: ik was immers onstoffelijk geworden, een geest! Ik kon overal naartoe gaan, het maakte niet uit: ik hoefde me alleen maar te concentreren, en hup, daar was ik al! Eigenlijk vond ik dat heel vermakelijk, evenals het feit dat de gedachten van anderen een open boek voor me waren geworden. Als mijn lichaam weer in orde was, kon die kennis me nog goed van pas komen. Stel je voor wat ik allemaal niet te weten kon komen: staatsgeheimen waren voor mij een peuleschil, vrienden, vriendinnen, familie, mijn ellendige buren.......ze hadden voor mij geen geheimen meer!

 

Later kon ik ze dat nog wel ‘es onder de neus wrijven. Bij die gedachte alleen al lachte ik in mijn astrale vuistje. Waar zou ik het eerst naartoe gaan? Ach, dat zag ik straks nog wel. Eerst eens kijken wat ik in deze toestand allemaal nog meer kon doen. Mijn denken was zo lekker scherp en helder geworden, alsof er een sluier voor mijn geest was weggetrokken.  Dat kwam natuurlijk doordat ik geen lichaam meer had. Of, beter gezegd, ik had er nog wel een, maar mijn geest was eruit gefloept en ging nu op eigen kracht verder. Mijn gedachten waren als intercity verder gegaan, bevrijd van alle zwaarte. Ik kon zelfs ín de lichamen van mensen kijken: als ik me daarop concentreerde, zag ik de sappen door hun organen stromen. Ook zag ik duidelijk voor me wat mensen mankeerde: rokers herkende ik aan de zwarte teerafzetting in hun longen, gezwellen waren kleine, sponsachtige vormen die zich meestal in de buik hadden genesteld. Als ik me nog dieper concentreerde, zag ik zelfs waarom mensen deze aandoeningen hadden opgelopen. Dit prikkelde mijn nieuwsgierigheid en ik maakte een rondje door een paar zalen van het ziekenhuis. Van elke patiënt stelde ik vast wat er met hem of haar aan de hand was. Doodsimpel eigenlijk, het was alleen maar een kwestie van concentratie.

 

Plotseling schrok ik van een gedachte die bij me opkwam: stel je voor dat er méér mensen waren zoals ik, die nog met een dunne draad met hun lichaam verbonden waren en naar believen de gedachten van anderen konden lezen. Die zouden dan ook kunnen nagaan wat ik dacht en voelde. Of niet soms? Waren mijn gedachten eigenlijk wel zo zuiver? Toch nam ik nergens zulke mensen waar. Maar het kón natuurlijk zijn dat zij onzichtbaar voor me waren, óf dat ik ze niet als zodanig herkende omdat ze er net zo uitzagen als mensen die nog wel in hun lichaam zaten. Kortom: hadden ze nog een lichaam, hoe ijl dan ook? In het laatste geval zou ik ook mijn eigen gedaante moeten kunnen zien. Stom dat ik daar nog niet aan had gedacht. Alles was ook zo nieuw en vreemd voor mij. Als er nog meer van zulke losgeslagen geesten bestonden, zouden ze vast en zeker benieuwd zijn naar de toestand van hun lichaam. En die lichamen lagen op de intensive care.... Ik staakte mijn rondje door de zalen en concentreerde me.

 

 

 

III

 

Anders dan de vorige keer was het nu heel licht in het zaaltje waar ik mijn lichaam achtergelaten had. Stuifmeellicht dwarrelde door het vertrek, te vergelijken met de stofbanen zonlicht die op een hete zomerdag door een dakraam binnenvallen. In dat wervelende schijnsel ontdekte ik een paar gestalten die gebogen stonden over enkele bedden. Als in trance staarden ze naar de vrijwel roerloze lichamen die daarop lagen uitgestrekt. Deze geesten schenen geen notitie van elkaar te nemen: ieder had uitsluitend oog voor zijn eigen ellende. Ik voelde hun verwarring, merkte hoe ze zich koortsachtig probeerden te herinneren wat er gebeurd was en waarom ze buiten hun lichaam waren geslingerd. Ze zagen er uit als gewone mensen, maar toch waren ze anders: ze waren iets groter dan normaal. En mijn eigen lichaam dan? Ik had tot nog toe altijd het idee gehad dat ik op de één of andere manier nog lijfelijk bestond, als geest wel te verstaan: een soort geestelijk lichaam als voertuig van mijn gedachten. Maar gezien had ik het nog niet. Nu werd ik zelf echter ook zichtbaar, gewoon door mijn aandacht erop te richten. Ik keek naar mezelf en zag dat ik de kleren droeg die ik vlak voor het ongeluk ook had gedragen. Alles leek iets uitvergroot, maar verder was er geen verschil. En plotseling schoot me iets te binnen wat ik al zo vaak in boeken over spiritualiteit en parapsychologie gelezen had, nl. dat het etherische lichaam iets groter is dan het stoffelijke lichaam. Dat was dus de oplossing van het raadsel. Nog één belangrijke, wat beklemmende vraag bleef er over. Ik had een aantal gestalten gezien van mensen die in coma lagen, net als ik zelf. Maar waren hier misschien ook andere wezens, geesten van gestorven, of misschien zelfs wel.....engelen?

 

IV

 

“Draai je ‘es om”.

Ik schrok. De stem die gesproken had, had vlak achter me geklonken. Het was een zachte vrouwenstem. Dus toch.....? Het leek me de hoogste tijd om te verdwijnen, terug naar Carla of zo. Toch hield iets me op deze plek gevangen. Kwam dat misschien door de vertrouwelijkheid van de stem die tot me gesproken had? Aan wie die stem toebehoorde wist ik niet, maar ze scheen geen kwade bedoelingen te hebben.

Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst. Langzaam draaide ik mijn hoofd om.

“Wees maar niet bang, je bent veilig. Ik moet je iets vertellen, Henry!”

Dit kon niet waar zijn, ik hield het haast niet meer uit! Daar stond een vrouwengestalte in een lange, sneeuwwitte mantel die haar vrijwel tot de voeten reikte. Haar lange haar hing los om haar schouders. Ze keek me vriendelijk aan.

“Wie... wie ben je? Wat wil je? Ben ik dan al..... dóód? Waarom houden ze mijn lichaam dan nog in leven?”

Ze schudde haar hoofd. “Niet dood”, sprak ze, “je ligt in coma. Je bent nu in het overgangsgebied, je zweeft tussen leven en dood. Maar je zult weer beter worden, en wel zeer binnenkort.  Over een week zul je uit het ziekenhuis worden ontslagen. Ben je nu tevreden?”

 

Ze wachtte af om het effect van haar woorden vast te stellen. Onbewogen bleef ze me aankijken.

“Hoe weet je dat?”, vroeg ik. “Hoe kun je mij bewijzen dat je gelijk hebt? Misschien is dit alles maar een droom en word ik morgenvroeg weer naast Carla wakker.”

“Dat geloof je toch zelf ook niet?”, sprak ze. “Je was aanwezig bij je eigen operatie. Later dwaalde je door enkele zalen van dit ziekenhuis om na te gaan voor welke kwalen de patiënten waren opgenomen: je keek met je geestelijke ogen ín hun lichaam. Is dat alles geen voldoende bewijs dat je uitgetreden bent? En wat die voorspelling betreft: je kunt me vertrouwen. Vóór dat ongeluk op de snelweg was ik jouw beschermengel, en dat ben ik nog. Het is mijn taak om je geweten wakker te houden en je te wijzen op jouw taak in het leven.”

“Mijn beschermengel?”, vroeg ik. “Waar was je dan toen ik verongelukte? Waarom heb je me niet gewaarschuwd? Als je werkelijk mijn beschermengel bent, had je dat toch zien aankomen? Nou?”

“Als jij na een doorwaakte nacht achter het stuur kruipt om een verre kennis op te zoeken, hoewel je nauwelijks in staat bent om te rijden, is dat jouw eigen verantwoordelijkheid.  Je bent onderweg tegen de vangrail opgebotst; de rest is je bekend. Wat verwacht je dan van mij? Tegen dat soort ellende kan ik je niet beschermen. Wél kan ik ervoor zorgen dat alles weer in goede banen wordt geleid als je brokken hebt gemaakt. Tenminste, als dat bij je levensweg past. Zoniet, dan sta ik volkomen machteloos.”

 

Ze keek me doordringend aan. Wist ze welke vraag ik nu wilde stellen?

“Ik begrijp het”, antwoordde ik. “Je spoort me aan om verstandig met mezelf om te gaan, maar verder laat je het aan mijzelf over wat ik feitelijk doe. In dit geval heb ik mezelf schromelijk overschat. De gevolgen ervan zal ik zelf moeten dragen. Maar hoort dit alles misschien ook bij mijn..... hoe zal ik het zeggen... bij mijn lot, of hoe je dat ook noemen wilt?”

“Nee, niet precies. Maar nu het toch is gebeurd, krijg ik de kans om je iets te leren. Je zweeft nu tussen leven en dood: dat is een gebied met veel gevaren, maar ook met veel mogelijkheden. Je kunt er de wereld van de geest leren kennen. De diepere natuur van de menselijke psyche is er in zijn volle omvang zichtbaar, tenminste, als je de wetten kent die dit gebied regeren. Je hebt er al iets van opgestoken. Zo heb je gemerkt dat je in staat bent om andermans gedachten te lezen. Ook drong jouw blik in menselijke lichamen door. Je zag er de werking van organen en hoe beschadigde weefsels die werking kunnen blokkeren. Tenslotte leerde jij je te concentreren op het waarnemen van andere bewoners van dit gebied.

 

Geloof me, de menselijke geest, ook de jouwe, is tot ongelofelijk veel in staat mits het bewustzijn voldoende is gerijpt. Tijdens het leven lukt het zelden om al die mogelijkheden te leren kennen, laat staan om al die mogelijkheden te leren beheersen. Maar na de dood, en eigenlijk ook al in dit overgangsgebied, is dat een stuk gemakkelijker omdat de mens dan van alle beperkingen van het lichaam is bevrijd. Een pure geest kan zich het best in zijn eigen sfeer ontplooien. De aarde, het leven daar, is een leerschool om ook in de trage, taaie wereld van de materie zielekrachten te ontwikkelen, daarin standvastig te worden en te blijven. Geestelijke groei, ontwikkeling van liefde voor jezelf en anderen, openheid en ontvankelijkheid voor Christus, daar komt het op aan. Er is geen andere weg.”

 

In gedachten verzonken bleef ik voor haar staan. Het was alsof een oud weten, een oeroud besef van god-weet-waar, weer in me open ging. Het begon me te duizelen. De omgeving vervaagde, maar de lichtende gestalte bleef.

Even later bevonden we ons allebei op een soort bergweide. Een groen, glooiend landschap, ingeklemd tussen indrukwekkende alpenreuzen, was zichtbaar. Boven een bergmassief in het oosten gloorde licht: geel, purper, violet. Het leek wel alsof de zon op het punt stond om op te komen.

 

V

 

Verwonderd nam ik mijn nieuwe omgeving in mij op. Het landschap ademde een diepe, intense vrede. Alsof de natuur hier tot rust, tot haar uiteindelijke bestemming gekomen was: een sereniteit die akelig aangenaam aandeed. Rondom heerste diepe stilte: de natuur hield haar adem in, wachtend op de dingen die komen gingen.

 

De jonge vrouw was naast me komen zitten. Ze keek naar de bergtop in oostelijke richting. Ik volgde haar blik.

Majestueus doorschoten de eerste stralen zonlicht het zwerk. De bovenste hellingen van een alpenreus schuin voor ons werden verlicht; traag kroop een brede baan licht langs de glooiingen naar beneden. Een tweede en een derde bundel volgden, en al spoedig was in het hele dal de blauwwitte waas van de morgendauw veranderd in een witte deken, die door de inwerking van het klimmende licht  oploste. Op de hellingen openden bloemen in allerlei kleurschakeringen hun knoppen. Dieren, die ik tot nu toe nog niet had opgemerkt, kwamen aanlopen over de bergweide. Argeloos vlijden ze zich neer in het sappige gras. De bomen begonnen zacht te ruisen in de koele bries, die vanuit de bergen werd aangevoerd. Vlak achter ons hoorde ik het geklater van een beekje. Nog steeds was er buiten ons geen mens te zien.

Bij het zien van zoveel schoonheid hield ik de adem in. Het was alsof de intense, diepe vrede van deze sfeer al mijn pijn en verdriet, die ik op aarde had geleden, liefdevol oploste, transformeerde tot een diepe, onuitsprekelijke vreugde die gloeide in mijn borst. En als nooit tevoren besefte ik hoe breekbaar en pijnlijk het leven op aarde vaak is, hoeveel angst, verdriet en onvrede wij mensen steeds wegdrukken om maar in de illusie te kunnen geloven dat wij het zo slecht nog niet hebben: de kruip-sluipwegen van de zelfbegoocheling, de mythe van een gelukkig aards bestaan. Vergeleken bij deze alomtegenwoordige vrede, dit bovenaardse geluk, waren dat hersenschimmen, liedjes die wij floten in het donker om onze eigen angst maar niet te voelen. Als dit onze uiteindelijke bestemming was, hadden wij nog mijlenver te gaan. Toch was ook dít werkelijkheid en was het mogelijk om dit te beleven.

 

Al die tijd had mijn beschermengel geen woord gesproken. Ze gaf me gelegenheid dit alles in me op te nemen. Eindelijk verbrak ze de stilte.

“Vóór je zie je het gebied dat wij het ‘Morgenland’ noemen. Dat is de eerste lichte sfeer. Er zijn andere, nog hoger dan deze. In dit gebied komen die zielen terecht, die zich van de zwaarte van het aardse bestaan hebben bevrijd. Ze hebben hun hang naar al het tastbare, naar stoffelijk bezit, overwonnen. Hier worden ze opgevangen door gidsen, begeleiders die hen gereed maken voor een taak in de geestelijke wereld. Die kan eruit bestaan dat ze voortaan de nog op aarde levende mensen moeten begeleiden als geestelijke gids, als beschermengel. Ook bestaat er de mogelijkheid dat ze afdalen in de duistere sferen, waar de zielen verblijven van mensen die nog gevangen zitten in de kringloop van wantrouwen, jaloezie en haat. Velen dalen af en vinden daar hun taak. Anderen bekwamen zich hier in een bijzondere taak, bv. het doen van uitvindingen op allerlei gebied, die dan vervolgens d.m.v. inspiratie of in dromen aan de mensheid worden doorgegeven. De mensen op aarde denken wel vaak dat ze een belangrijke uitvinding of ontdekking hebben gedaan, en ze laten zich daar dan graag uitgebreid om fêteren, maar de oorsprong van hun briljante invallen en ideeën ligt hier, in deze sfeer, waar talloze zielen samenwerken om de mensheid op een hoger geestelijk plan te tillen. Soms gebeurt het ook dat een ontdekking, die door een mens is gedaan, door ons toedoen weer spoorloos verdwijnt: ook in de duistere sferen wordt namelijk wetenschap bedreven.  Ook daar staan de mensen voor open, maar het hoeft verder geen betoog dat dergelijke uitvindingen een zeer schadelijke uitwerking hebben. Als het de ontwikkeling van de mens té zeer in gevaar brengt, worden de sporen ervan door engelgeesten uitgewist. Verder wordt in de sferen van licht ook kunst bedreven. Het is alleen van een andere orde dan op aarde.”

 

Ze keek me aan. “Heb je nog vragen?”

Eindelijk stelde ik de vraag die al die tijd op mijn lippen had gebrand. “Wat is dan míjn taak op aarde? Dat is me nog steeds niet duidelijk!”

“Ieder mens voelt in zich de aandrang om iets tot stand te brengen wat met zijn of haar leven ten nauwste samenhangt, iets wat hem geestelijk verder brengt. Nog vóór hij naar de aarde afdaalt om geboren te worden, wordt hem zijn levensopdracht duidelijk gemaakt. De één wordt er geboren om er kunst te brengen, de ander om het lijden van anderen te verlichten, weer een ander om door allerlei obstakels en beproevingen heen tot geestelijk inzicht te komen. Het uiteindelijke doel, de richting waarin wij ons allemaal bewegen, is om verrijkt met allerlei ervaringen terug te keren naar het goddelijk licht waarin wij ons bestaan zijn begonnen. Welke wil, welke aandrang voel jij steeds in je leven?”

 

“Het is zo dubbel allemaal. Ik wil beter met mezelf en anderen leren omgaan. Mijn natuur is zowel schuchter en teruggetrokken als fel en geëmotioneerd. Wat wil ik bereiken? Het is mijn drang naar kennis van alle oeroude, peilloos diepe vragen van het bestaan, vragen naar doel, oorsprong en zin, die me steeds voortdrijven. Díe wil ik oplossen, ontrafelen, er zo diep mogelijk in doordringen, zo diep als  voor een mens mogelijk is. God-weet-waar die drang vandaan komt, maar ze is er, sterk als een natuurkracht, een kracht, een macht die me steeds voortstuwt. Tegelijkertijd leeft in mij ook de drang om anderen te helpen, iets voor hen te betekenen. Daar wil ik over schrijven, over al deze vragen én over de antwoorden die ik met vallen en opstaan vind. Het is een vaag geheel, maar dit is wat er in me leeft. Ik ben nog steeds op zoek naar een toepassing van dit alles, naar een manier om dit vorm te geven.”

 

“Wat vind je dan het belangrijkst van al de dingen die je genoemd hebt? Wat heeft voor jou het meeste gewicht?”

“Eigenlijk weegt voor mijn het liefdevol en evenwichtig omgaan met anderen het zwaarst: ik heb het gevoel dat ik dat allereerst onder de knie moet krijgen en dat de rest dan op den duur wel zal volgen.”

“Dan is het beter daar eerst mee te beginnen. Ook de situatie waarin je nu leeft biedt daarvoor allerlei mogelijkheden. Je hoeft het echt niet zo ver te zoeken. Waarom ben je eigenlijk zo schuchter? Als je opener en met minder scrupules anderen tegemoet treedt en je angsten wat opzij weet te zetten, zul je al gauw merken dat ook dat geestelijke waarnaar je op zoek bent, snel binnen je bereik komt. Ik geloof dat dit al voldoende voor je is.”

 

Ze was opgestaan. “Ga nu”, sprak ze. “Ga terug om je taak af te maken. Ik weet dat dat niet gemakkelijk voor je is. Maar als je overwint zul je op den duur dit Morgenland bereiken. Jouw verlangen bracht jou hier: geef dat sterke oerverlangen naar wijsheid en liefde nu handen en voeten en, alsjeblieft, zie niet om in wrok naar mensen die je pijn hebben gedaan. Beleef liever je verdriet dan boos te zijn op anderen. Als je dat van me aanneemt is er geen macht meer die je zal kunnen tegenhouden om te komen waar je wilt zijn: het ‘Morgenland’.

Ik stuur je nu terug naar de aarde, zodat je daar kunt doen waarvoor je geboren bent. Maar eerst mag ik je nog iets laten zien van een hogere wereld, waar al het licht en al het leven zijn oorsprong vindt. Bewaar die herinnering in je hart: het zal je sterken op je verdere levensweg.”

Zegenend hief ze haar armen naar me op. Ik knielde neer. Daarop zonk ik weg. Het berglandschap vervaagde concentrisch rond de stralende aanblik van haar gelaat. Toen ook dat verdwenen was, hoorde ik even nog haar stem, die van heel uit de verte klonk: “Ooit zullen we elkaar weerzien. In het Morgenland.”

 

VI

 

Het was alsof ik door een reusachtige hand werd opgetild. Ik bevond mij in de ruimte. Pijlsnel bewoog ik mij voort in de richting van een stralende ster, die alle andere in glans overtrof. Hoewel ik mij met een duizelingwekkend vaart verplaatste, leek die ster maar heel langzaam naderbij te komen. Ik kan niet zeggen of het uren of minuten geduurd heeft: tijd leek hier niet te bestaan. Wel weet ik, dat het licht van de ster oogverblindend was, alsof je overdag met het blote oog naar de zon keek.

Geleidelijk wenden mijn ogen aan het felle schijnsel. Wat ik toen zag, tartte elke beschrijving. Op het oppervlak van die ster zag ik een stad, gebouwd van het helderste, puurste licht: hij was cirkelvormig en omgeven door een hoge muur waarin diamanten flonkerden. De stad lag op een berg en had op regelmatige afstanden poorten, waardoor engelgestalten in en uit gingen. Hun gewaden blonken als de zon. Ook kon ik enkele van de hoogste gebouwen onderscheiden, maar als in een soort nevel, zoals je vanaf de vaste wal een eiland kunt zien liggen waarvan alleen een paar hoge duinen en kerktorens zichtbaar zijn. Midden in die stad stond een soort paleis. Het leek alsof al het licht dat ik zag daarvan uit leek te gaan.

Tranen vulden mijn ogen. Er viel niets meer te zeggen: er heerste hier een volkomen vrede en stilte. Een enorme afstand scheidde mij nog van die stad, maar toch raakte deze aanblik me midden in mijn hart. En opnieuw zonk ik weg. Het laatste waar ik me nog bewust van was, was het kloppen van mijn eigen hart. Toen werd alles duister voor mijn ogen.

 

 

VII

 

Ik werd wakker van een felle pijnscheut in mijn borst. Onwillekeurig spande ik de spieren in mijn nek en schouders, maar de pijn verergerde daardoor alleen maar. Ik sloeg m’n ogen op en keek om me heen. Wat was er gebeurd? Had ik al die tijd geslapen? Waarom zaten er dan allemaal slangetjes in mijn armen en neus?

 

Het leek wel alsof ik een hele tijd gedroomd had, een zeer levendige droom waarin ik aan de hand van een jonge vrouw een bergwandeling had gemaakt en had gekeken naar een zonsopkomst. Ik sloot mijn ogen weer en probeerde mij te herinneren wat zich tijdens die droom allemaal had afgespeeld. Stukje bij beetje kwam het ene fragment na het andere weer boven. De diepe vrede en het onuitsprekelijke geluk dat ik daarbij had ervaren, trilden nog in me na. Ze vormden een schril contrast tot de stekende pijn die ik voelde in mijn borst. Als die droom toch ‘es op waarheid berustte, dan....

“Mijnheer Verstegen, hoe voelt u zich?” Iemand had een hand op mijn schouder gelegd. Ik sloeg de ogen op en zag een ziekenbroeder naast mijn bed staan. Hoewel mijn gedachten al snel helderder begonnen te worden, lukte het me nog niet om te spreken. Ik bromde iets terug.

 

“U bent een tijdje weggeweest. Gaat het al weer wat? Er is een grote kans dat u er na het ongeval weer helemaal bovenop komt. Rust nog maar wat uit. Als er iets is, moet u op het rode knopje drukken. Akkoord?”

De man knikte mij bemoedigend toe en verwijderde zich met zachte tred. Er zaten vilten hoezen om zijn schoenen.

Wacht ‘es even, dacht ik, als ik pas ben bijgekomen na een ongeluk, hoe is het dan mogelijk dat ik dit zaaltje herken? Tussen het tijdstip van het ongeval en het moment waarop ik hier wakker werd was ik buiten kennis. Toch staat dit vertrek me nog helder voor de geest. Ook de mensen die aan weerskanten van me liggen komen me bekend voor. Stonden zij niet als in trance naar hun eigen lichaam te kijken, terwijl ze met hun geest uitgetreden waren?

 

Het was alsof de videoband van de droom in omgekeerde volgorde werd afgespeeld waarbij me telkens weer andere scenes te binnen schoten. Het dwalen door de gangen, de operatie waarbij ik de gedachten van de andere aanwezigen kon lezen.... al mijn herinneringen keerden terug. Met een schok realiseerde ik me, dat ik werkelijk buiten mijn lichaam was geweest. Geen twijfel mogelijk, het was allemaal écht! Ik mijmerde nog even na over de ster die ik het laatst had gezien, vlak voordat ik hier wakker werd. Was dat misschien het nieuwe Jeruzalem, de hoogste hemel, waar Christus Zelf woont?

Plotseling schoten me enkele dichtregels te binnen. Ze klonken me als muziek in de oren. Moeizaam draaide ik me om, op zoek naar papier en een pennetje. Op het nachtkastje vond ik een servetje en een balpen die een verpleegkundige per ongeluk had laten liggen. In een bijna onleesbaar handschrift krabbelde ik de woorden op die zich in me vormden:

 

Uit hellen en hemelen klimt Uw leven naar U op

over de brug van licht die Uw Zoon naar ons sloeg

tot elke grens van ruimte en tijd

weer in de hoogste hemelen is opgeheven.

 

En eindelijk voor anker gegaan,

voorbij alle leed en alle pijn,

zullen wij als goden zijn,

de droom van het bestaan ontstegen.

 

 

En ik wist het, mijn taak op aarde was begonnen. Vol verlangen zag ik uit naar het moment waarop ik uit dit ziekenhuis zou worden ontslagen. Met een glimlach op m’n lippen zonk ik weg in een droomloze, genezende slaap.

 

 

 

 



De tijd, de herinnering

 

 

 

'Klein Ulsda', las ik op een wit bordje dat al half was weggezakt in de berm van de B-weg. De bebouwing van dit gehucht bestond uit wat boerderijen en rijtjeshuizen aan weerszijden van het smalle, al vele malen opgelapte asfaltweggetje op luttele kilometers van de Duitse grens. De ruitenwisser van de comfortabele Japanner veegde met brede, ritmische slagen het regenwater van de voorruit. Een donkergrijs wolkendek  dat uit het westen naderde hield de belofte in van nog minstens een uur zware regenval.

Ik wierp een blik opzij naar mijn broer Fred. Zwijgend en ondoorgrondelijk als altijd zat hij achter het stuur. Vanaf de achterbank drong het gebabbel van mijn zoontje Wilbert tot me door; hij voerde een gesprekje met mijn moeder. Ik trok een grimas tegen hem, maar hij nam geen notitie van me.

Het landschap was hier erg kaal, maar door zijn weidsheid en strakke geometrie ook indrukwekkend. Buiten de dorpen zag je hier en daar ware slagschepen van boerderijen, door hoge beuken en bijgebouwen omgeven. Lange oprijlanen, die steevast tussen trotse, verweerde leeuwen op stenen zuiltjes begonnen, leidden naar kasteelachtige boerenplaatsen, juweeltjes van negentiende-eeuwse bouwkunst. Daaromheen strekten zich eindeloze aardappel- en graanvelden uit.

 

Het was het landschap dat ik me nog herinnerde van mijn jeugd, toen ik wel 'es met mijn grootvader mee mocht als hij vlees bezorgde bij klanten die in de wijde omtrek woonden van het dorp waarin zijn slagerij was gevestigd. Mijn grootvader, die door zijn kleinzonen met een mengeling van ironie en respect 'opa Spek' werd genoemd, had hier jarenlang in steeds grotere autootjes rond getuft. Herenboeren die het te druk hadden om zelf de slagerij te bezoeken en er goed voor wilden betalen, bestelden bij hem vlees: menig bieflapje, rollade, blinde vink of pond spek had zijn weg naar identieke boerenplaatsen gevonden als ik hier in het landschap zag staan.

 

Edoch, ook de verwording had hier toegeslagen. In de vrijwel uitgestorven gehuchten die we passeerden prijkten op sommige plaatsen rode neonbuizen tegen de gevels van geblindeerde boerderijtjes: de seksindustrie eiste zijn tol. Wat zich daarbinnen afspeelde liet zich gemakkelijk raden. In gedachten zag ik al enkele hooggeblondeerde, topless 'gastvrouwen' achter de bar zitten, verveeld bladererend in Story's en Privé 's, wachtend op rijke boerenzonen die zich op deze zondagmiddag wilden vertreden. Op de bovenkamertjes, waar vroeger het kroost en de meiden sliepen, werd de liefde bedreven. Sexbaronnen maakten hier, samen met autochtone herenboeren, de dienst uit.

 

Nog een kilometer of drie en we waren er. Na twintig jaar zou ik om Adolf en tante Willie terugzien. Ik kon me, ondanks de kloof in de tijd die me van mijn vorige bezoek scheidde, nog goed herinneren hoe zij er destijds uitzagen en wat voor sfeer ze meebrachten. Oom Adolf was vóór de Tweede Wereldoorlog geboren, anders had hij die beroerde voornaam natuurlijk nooit gekregen. Ik herinnerde me hem als een gezette zestiger op een scooter, die een witte helm droeg die met leren bandjes onder de kin moest worden vastgemaakt. Tantie Willie droeg altijd een groene of donkerbruine leren jas die tot de knieën reikte.

 

Ze verspreidde een knapperig soort gezelligheid waarbij ik me als kleine jongen prima thuis voelde. Ze hield van kinderen. Anders dan de andere volwassen familieleden die bij mijn ouders op bezoek kwamen, hield zij zich wél met mij en mijn broer bezig en stelde belang in wat ons als kinderen interesseerde. Zij vormde een gunstige uitzondering op de regel, dat grote mensen waar mijn vader en moeder mee omgingen, één of twee korte vragen aan ons stelden waarop het antwoord nauwelijks werd afgewacht. Kinderen die aldus worden aangesproken, straffen dezulken met de ergste straf die de nieuwe generatie voor hen in petto heeft: ze worden domweg vergeten en rotten roemloos weg in fantasieloze verzorgingstehuizen, voorportalen van de dood waar de eenzaamheid door de gangen sluipt en de broeders en verpleegsters slechts met grote tegenzin ertoe kunnen worden bewogen om de verpleegpost te verlaten. Ik huiverde bij die gedachte alleen al en keek weer voor me.

 

Voor ons doemde een kleine terp op. Op het hoogste punt ervan priemde een korte kerktoren boven een ligusterhaag uit; het was de toren van een kleine kapel op een begraafplaats. Vreemd dat hier zulke kleine terpen lagen. Was de rest misschien afgegraven? En ik herinnerde me de boeken over stad en provincie Groningen die ik vroeger wel eens las. Oost-Groningen werd in de middeleeuwen vaak overstroomd. Diverse heiligen, nu bijna allemaal in vergetelheid geraakt, hadden hun naam gegeven aan overstromingsrampen die tegenwoordig op zo’n schaal alleen nog maar voorkomen bij tsunami’s in Oost-Azië. Polderland, door dijken nauwelijks beschermd, viel in de hoge middeleeuwen regelmatig ten prooi  aan stormvloeden, die bij springtij en krachtige oostenwind oprukten tot ver in het Oldambt en het Oosterwold. Verschrikkelijke rampen moeten dat geweest zijn, dorpen met man en muis door de golven weggespoeld, kerktorens die als enig overblijfsel het lugubere bewijs vormden dat hier ooit, ergens… Er gaat het verhaal van een schipper, die om middernacht over de Dollard voer en in het schijnsel van de volle maan een kerktoren voor zich zag opdoemen, de kerktoren van de stad Torum, eens het bloeiende middelpunt van het Reiderland. Tegenwoordig was de Dollard een binnenzee, maar vroeger moeten daar een grote stad en 31 dorpen hebben gelegen.

 

“Wie binnen d’r”, hoorde ik mijn broer mompelen. Ik schrok op uit mijn overpeinzingen. We reden de oprijlaan van de vrijstaande eengezinswoning op waar mijn oom en tante woonden. Met piepende remmen kwam de Japanner tot stilstand.

 

Opgetogen werden we door het hoogbejaarde echtpaar verwelkomd: ze waren oprecht blij dat we hen met een bezoek vereerden.  In feite waren ze na al die jaren nog geen spat veranderd. Hun loopjes waren wat langzamer en reumatischer geworden, maar hun blikken en gebaren straalden dezelfde sfeer van joviale gezelligheid uit die ik nog zo goed van vroeger kende. Tante gaf mij en mijn zoontje een paar fikse zoenen en schudde de anderen hartelijk de hand: “Ik bin bliede dat joe d’r binnen’n;  gao moar gaauw de koamer in”.

 

We volgden hen naar de woonkamer. Overal stonden of hingen er kleurenfoto’s van kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Deze mensen waren familieziek, dat zag je meteen. En inderdaad: we waren nog maar vijf minuten in gesprek, of een onbenullig, door mij aangesneden gespreksonderwerp werd geroutineerd omgeleid naar het Grote Gespreksthema van die middag: de grote welstand waarin hun kinderen leefden, dat ze zulke goede banen hadden, duizelingwekkend hoge opleidingen volgden en zulke aardige, lieve vrouwen hadden. Natuurlijk ontbraken ziektegeschiedenissen niet: ooms en tantes, achternichten en –neven wier namen ik die middag meestal voor het eerst – en hopelijk ook voor het laatst – hoorde noemen, passeerden de revue.

 

Na een half uur krulde ik al mijn tenen. Ik probeerde het beeld vast te houden van de lieve, zachte, aardige tante die ik mij herinnerde van mijn jeugd. Was ze misschien altijd al zo geweest, of had ik een dergelijke manier van praten vroeger in mijn jeugdige onschuld normaal gevonden, omdat vrijwel geen enkele volwassene enig belang stelde in wat er de hoofden van kleine kinderen omging? Hoe konden zij en haar man ooit zó stralend, zó knapperig-warm in mijn jongensziel zijn gegrift – de werkelijke reden waarom ik nu, tientallen jaren later, de moeite had genomen om met mijn moeder, mijn broer en mijn zoontje een slordige honderd kilometer af te leggen om bij hen op bezoek te gaan?

 

Terwijl ik dit alles overpeinsde, gebeurde na een uur het onvermijdelijke: uit een mahoniehouten kastje werd een drietal vetleren fotoalbums gehaald. Terwijl de albums rondgingen als schalen met koekjes op een verjaardagsvisite vertelde mijn tante breedvoerig over de heldendaden van mijn oom. Hoe hij zijn hele leven onderwijzer was geweest; geen gewóón onderwijzer, nee, hóófdonderwijzer, hoofd van de Lagere Christelijke School! Ook had hij koren gedirigeerd. Regelmatig had hij daar zelfs prijzen mee gewonnen; het waren er zó veel, dat het niet de moeite waard was om ze allemaal tevoorschijn te halen. Maar ook vergeelde krantenartikelen, verlucht met onherkenbaar geworden foto’s, getuigden van zijn roemrijk verleden.

 

Toen we deze spraakwaterval een half uur lang over ons heen hadden laten komen en we onze gezichten nauwelijks meer in een beleefde grimas konden persen, werd ik opeens door mijn zoontje, die al die tijd wat in de kamer had rondgescharreld, aan mijn trui getrokken. Ik boog me voorover naar hem. “Pappa”, fluisterde hij zacht, “wat praten die mensen vreemd. Dat vind ik niet leuk, pappa, want ik kan er niks van verstaan!” “Ja”, legde ik uit, “ze praten Gronings, jongen: dat is hier normaal. Dat sprak pappa vroeger ook toen hij nog klein was. Anders moet je vragen of ze Nederlands willen spreken.”

 

Toen de gastheer en zijn vrouw dit ter ore kwam, spraken ze enkele zinnen Nederlands, waarna ze weer op hun eigen dialect overschakelden. Daarop slaakte mijn zoontje moedeloos een zucht. Eén ding had hij in elk geval bereikt, en dat was dat hij voor even het middelpunt van de aandacht was geweest. Dat had ook positieve gevolgen. Tante haalde een doos met speelgoed tevoorschijn, waarin hij mocht grabbelen. Blij met deze kans om aan het deprimerende gesprek te ontsnappen ging ik naast hem in de hoek van de kamer zitten, achter de kist met speelgoed.

 

Toen ik daar zo een tijdje gezeten had, keek ik op de klok: vier uur. Dat betekende dat het zoetjesaan tijd werd om afscheid te nemen. Ik kuchte een paar keer nadrukkelijk en probeerde door het voortkabbelende gesprek heen te breken. Op een luidere toon dan ik eigenlijk gewild had riep ik: “Wie moat’n zometain weer vot!” En ik legde uit dat het hier weliswaar reuze gezellig was, maar dat mijn vrouw, die thuis was gebleven, samen met ons jongste kind op mijn terugkeer zat te wachten.

 

Verbaasd draaide tante zich om. “Moar ik wilde net de borrelhapjes op toavel zett’n.  Ach nee,  Hinnuk, dat mainst nait. Wost misschien ’n stokje kees of dreuge wôst? Tou, bliev nog eev’n zitt’n.”

Schoorvoetend gaf ik toe. Bedachtzaam stak ik een paar blokjes kaas in m’n mond. Dat was lekker, jonge kaas, dat moest ik toegeven. Nadat ik ook nog een paar stukjes droge metworst van een schaal had gegrist, nam ik een resolute houding aan. “Tante, ’t was gezellug, moar wie moat’n nou echt vot!”

“Tis nait aans, moar kom moar gaauw ains weer!” antwoordde ze zichtbaar teleurgesteld. Ik liep naar de gang en trok mijn zoon z’n jasje aan. Achter me hoorde ik het gescharrel van mijn moeder en mijn broer, die steeds meer tussen twee vuren kwamen in te zitten: aan de ene kant voelden ze mijn enorme irritatie en de bedekte aandrang om nu zo snel mogelijk te vertrekken, maar anderzijds werden ze door de nog immer voortdurende tegenwerpingen van mijn tante, die op een latere vertrektijd had gerekend, aan deze plaats vastgenageld.

 

Een kwartier later zaten we weer met z’n allen in de auto. Terwijl mijn broer de motor startte, wierp ik een blik door het portierruitje. Zoals zij daar stonden – twee oude mensen, de één 83, de ander 90 – waren ze aandoenlijk. Waarschijnlijk zou ik hen nooit meer terugzien: zulke dingen voorvoelde je gewoon. Een zoet schrijnend, nostalgisch gevoel nam bezit van me, wranger dan ik het me van de heenreis herinnerde. Oom stond in de deuropening, tante enkele meters vóór hem op het tuinpad. Ze zwaaiden hartelijk naar me. Zou ik me hen altijd blijven herinneren zoals ze daar stonden, hun gezichten vol rimpels en door ouderdom verweerd, maar met nog dezelfde blik die ik me zo goed kon herinneren uit mijn jeugd? Welk beeld, welke herinnering was krachtiger en zou de tand des tijds doorstaan: dat van de beuzelende oudjes, óf de oom en tante van vroeger, waar ik zo fijn mee kon spelen en praten? Ik voelde plotseling tranen in me opwellen, zomaar, uit het niets, niet meer te stuiten. En opeens drong het in alle hevigheid tot me door: nooit zou ik hen meer terugzien, dit was een afscheid voor eeuwig.

 

Hartelijk zwaaide ik terug en ik blééf zwaaien tot ze uit het zicht verdwenen waren. Het laatste wat ik van hen zag was de witte haardos van tante en één zwaaiende arm die boven een rododendron uitstak. Toen ook dat aan het zicht onttrokken werd, blikte ik verdrietig voor me uit. De tranen biggelden over mijn wangen en proefden zout aan mijn lippen. Door een waas van verdriet keek ik naar de huizen van het dorp, dat we nu in hoog tempo verlieten.

 

We sloegen af naar de hoofdweg van dit plaatsje. “Kijk”, zei mijn moeder, die naast mijn zoontje op de achterbank zat. “Daar staat de lagere school waar hij vroeger hoofd van was.” Ik draaide me om. Aan de linkerkant passeerden we een ouderwets, Jugendstilachtig schoolgebouw met een groot tegelplein ervoor. En plotseling schoot alles me weer te binnen als in een film van een Italiaanse meester, waarbij beelden uit heden en verleden elkaar voortdurend afwisselen en zich op den duur met elkaar vermengen, omdat tijd een relatief en denkbeeldig iets is: haarscherp zag ik de woning van het hoofd der school, waar ik als kind wel ‘es gespeeld had. Eind vijftiger jaren was ik daar eens met mijn ouders en mijn broer op bezoek geweest, in de tijd waarin oom en tante daar nog woonden. Vóór het huis lag de tuin waarin we op een zondagmiddag hadden gezeten. Mijn tante droeg toen een donkerblauwe jurk met witte stippen: dat was in het begin van de zestiger jaren mode. Oom liet me die middag een stereokijker zien waar ik doorheen mocht turen. Als je hem voor je ogen hield, werden twee vrijwel identieke foto’s samengevoegd tot één, waardoor de beelden een geweldige, betoverende diepgang verkregen. De stereoscopische opnamen van alpenlandschappen en vergezichten hadden me gefascineerd; telkens weer had ik gevraagd of ik hem nog even terug mocht hebben, wat mij nog twee of drie keer werd toegestaan totdat hun welwillendheid zijn grenzen had bereikt. Op het terras van die tuin hadden we thee gedronken, terwijl de zon stralend scheen. Vlak voor me stond op een laag tafeltje een schaal met zoute pinda’s, die voortdurend werd bijgevuld. Ruim vijfenveertig jaar geleden moet dat allemaal zijn geweest…

 

Na enkele ogenblikken was ook deze voormalige dienstwoning van het hoofd der school uit het zicht verdwenen. Het begon opnieuw te regenen. Ritmisch veegden de ruitenwissers van de grote Mitsubishi het hemelwater van de voorruit. Ik veegde de tranen van mijn wangen. Onherroepelijk is de tijd, en al wat rest is een handvol herinneringen…

 


 


 

De ontdekking van het Franse leven

(een verhaal met een knipoog)

 

 

 

‘Rita Dubois

hypnotherapeute

behandeling uitsluitend volgens afspraak’

 

stond in gekalligrafeerde letters op het bordje naast de voordeur. Het pand, een monumentale woonboerderij, lag aan de rand van een gehucht dat zo klein was dat het op de meeste kaarten niet eens werd vermeld. Nieuwsgierig drukte ik op de bel.

Na ongeveer een minuut werd er binnenshuis wat gestommel hoorbaar. Even later verscheen een hooggehakte blondine in de deuropening. Ze droeg een helrood jurkje met zwarte panty’s eronder.

“Ach, meneer, bent u daar al? Komt u toch binnen.”

Zwijgend liep ik achter haar aan door een woonkamer met hoge zoldering. Een tienermeisje zat in een hoek met een paar peuters te spelen. Mijn therapeute wees met haar roodgelakte nagel naar het spelende groepje.

“Het is moeilijk om mijn therapeutisch werk met de zorg voor de kinderen te combineren, ziet u. Zou u mij maar willen volgen?”

Ze opende de deur van een laag kamertje. Tegen een wand stond een sofa die met saffraankleurig ribfluweel was bekleed. Door een stalraam kon je uitkijken over de weilanden. Ze wees mij een leunstoel aan en ging pal tegenover mij zitten, waarbij ze haar rechterbeen over haar linker kruiste. De zoom van haar jurkje kroop daardoor ver op over haar dijen.

“Mag ik ‘es wat gegevens over u noteren?” Ze pakte een bloknootje en een pen waarop ze begon te sabbelen. “Uw naam en adres had ik al. Maar wat zijn nu precies de problemen?”

 

Ik schraapte mijn keel en staarde door het raampje naar buiten.

“Het zijn de Fransen, mevrouw”, bracht ik uit, “ziet u, zodra ik Frans hoor praten op de radio of tv, krijg ik een hyperventilatie. Er heeft zich bij mij een allergie ontwikkeld waarvan de oorsprong onbekend is. De symptomen zijn echter zó ernstig, dat ik daarvoor een therapeut moet consulteren, anders groeien de klachten mij boven het hoofd, wat mijn sociale leven ernstig bemoeilijkt.”

“Enne, hebt u dat al lang?”

Ze hield haar hoofd wat schuin, haar ogen vernauwden zich tot spleetjes.

“Nou, eigenlijk kan ik niet precies zeggen wanneer het begonnen is, maar ik heb wel een vermoeden. Het begon op mijn zevende. Toen zat ik met mijn vader in de trein en zag een advertentie voor een LOI-cursus Frans voor beginners. Met alle geweld wilde ik die cursus volgen, maar mij werd te verstaan gegeven dat ik daar nog te jong voor was. Toen is de kiem voor deze afwijking gelegd, geloof ik.”

“Juist, ja. Ik houd van een directe aanpak, als ik zo vrij mag zijn. Heeft u er bezwaar tegen als ik u in trance breng om in een vorig leven de oorzaak van uw angst op te sporen?”

Het zweet brak me uit, maar nu ik zo ver gekomen was, moest ik doorzetten.

“U bedoelt, dat u zo meteen...”

Ze stond op, kwam vlak voor me staan en boog zich voorover. Haar handen rustten op de leuningen van mijn stoel.

Precies, meneer, precies!”

 

Behaaglijk strekte ik me op de sofa uit, wachtend op haar instructies.

‘Breng uw ogen in een horizontale positie en kijk recht voor u uit’, sprak ze op zachte toon, elk woord met nadruk uitsprekend. ‘Vervolgens draait u uw ogen helemaal naar boven, zo ver als u maar kunt. Tegelijkertijd ademt u zo diep mogelijk in. Oefent u maar eens.”   

Krachtig zoog ik mijn longen vol lucht en draaide met mijn ogen totdat ze pijn begonnen te doen.

“Vooral niet forceren hoor”, fluisterde ze. “Doe het nog maar een keer, maar dan langzamer.”

Ze was op haar knieën naast de sofa gaan zitten. Ik deed wat ze verlangde.

“Uitstekend. Nu stelt u zich voor dat u alle angst en rottigheid in uw longen verzamelt. Beschouw alle ellende als een zwarte wolk die zich vanuit alle delen van uw lichaam samentrekt naar uw longen. Probeert u het maar eens.”

Ik werd wat soezerig. De kamer en alles wat erin stond vervaagden, op haar gezicht en haar stem na.

Lukt het al een beetje, mmm?”

Ja hoor, het gaat uitstekend”, mompelde ik.

“Fijn. Stelt u zich nu voor dat die zwarte wolk uw lichaam verlaat als u diep uitademt. Sluit, als u al uw verdriet uitgeademd hebt, uw ogen. Zit er dan nòg wat spanning in uw lichaam, dan moet u dat nog eens herhalen, net zo lang totdat uw lichaam helemaal ontspannen aanvoelt – lekker zacht, warm en ontspannen.”

 

Ik perste alle lucht uit mijn longen en voelde me inderdaad al wat beter. Daarna liet ik nog twee keer een wolk negatieve energie uit mijn mond ontsnappen.

“Nou, hoe voelt u zich”, fleemde ze. Ik voelde haar koele hand op mijn voorhoofd rusten. Haar lange, gelakte nagels schraapten zachtjes over mijn huid.

“Nu verbeeldt u zich dat u zachtjes, helemaal gewichtloos, door de kamer zweeft. Rustig, helemaal ontspannen, zweeft u hier rond. Er is niets dat u hindert, er is alleen maar dat heerlijke gevoel van gewichtloosheid.”

Ik zag mezelf met trage, lichtvoetige passen door de kamer lopen, als een Apollo-astronaut die licht als een veertje over het maanoppervlak huppelt, mijn buik behangen met camera’s en meetinstrumenten.

“Als u dat prettiger vindt, mag u ook wel drijven op het water. Ook dat is bijzonder prettig voor u”, voegde ze eraan toe.

“Nee, dank u, ik zweef al”, antwoordde ik.

“Heel goed meneer”. Het gekrab met haar nagels was opgehouden. Ze had haar hand verplaatst naar mijn borst.

“En nu stelt u zich voor dat u op het strand ligt. De zon schijnt, het is een stralende zomerdag. U hoort vanuit de verte het ruisen van de branding. Boven u scheren een paar meeuwen over. U ligt helemaal alleen aan het strand, aan de voet van de duinen. U bent helemaal ontspannen, er is niets wat u hindert. U voelt zich heerlijk.”

Ik voelde dat ze de knoopjes van mijn overhemd losfriemelde, wat de trance verder verdiepte.

 

“Nu ziet u een opening in het strand, een groot, rond gat. U loopt ernaar toe en kijkt erin: een wenteltrap voert naar beneden, het einde ervan is niet te zien. U daalt de trap af. Bij elke trede gaat u een jaar terug in de tijd. U loopt net zo lang naar beneden totdat u bij een tree gekomen bent waar de oorzaak ligt van uw ellende. Kunt u mij volgen?”

Ik bromde wat. Slaapdronken daalde ik de ijzeren trap af. Aan de wanden waren fakkels bevestigd, ze flakkerden door de sterke luchtstroming die er stond. De tocht scheen helemaal onder uit de tunnel te komen. De gemetselde bakstenen wanden van de schacht leken bij elke wending van de trap ouder en verweerder te worden. Kennelijk daalde ik niet alleen in de diepte af, maar ook in de tijd.

 

Toen ik al een hele tijd bezig was met traplopen, overviel mij opeens een beklemming op de borst, alsof ik iets afschuwelijks naderde dat ik niet ontlopen kon, maar toch het liefst uit alle macht wilde ontvluchten.

“Vooral rustig blijven, meneer. Is er iets wat u deed schrikken? Toe, vertel het me maar, bij mij bent u veilig.” Met haar slanke vingers, die ze geroutineerd onder mijn overhemd gestoken had, begon ze ritmisch mijn borst te masseren. Haar andere hand legde ze kalmerend op mijn voorhoofd. “Wat ziet u?”

Ik kreunde zacht, dorst geen antwoord te geven.

“Wat ziet u toch?”, drong ze aan, “waarom trilt u zo?”

“Een veldslag, ik zie allemaal legertenten branden. Duizenden ruiters stormen in slagorde een tentenkamp binnen. Ze schreeuwen elkaar bevelen toe in het Frans. Het kamp dat aangevallen wordt, is van de Pruisen. Ze worden volledig verrast. Velen liggen dood of gewond, kreunend in doodsnood, op het slagveld. Ik zie ook een Pruis met een groen officiersuniform aan. Op de één of andere manier komt hij mij bekend voor, maar ik weet niet waar ik hem van ken.”

Toe, probeer eens geconcentreerd te kijken. Wie is hij?”

 Het beeld werd helderder. En opeens viel alles op zijn plaats. Alle flarden en fragmenten die ik zag mondden uit in één allesoverheersend besef, één allesoverheersende angst: ik had die aanval op het vijandelijke legerkamp bevolen en de officier, die stervend voor me op de grond lag, was in dit leven de therapeute die mij onder hypnose terug liet gaan in de tijd!

Stotterend en hakkelend vertelde ik haar wat ik gezien had. Ik probeerde de boodschap diplomatiek te verpakken, maar door mijn opwinding slaagde ik daar maar moeilijk in.

 

Geschrokken stond ze op. Er stond ongeloof in haar ogen te lezen, maar al gauw nam ze een strijdvaardige houding aan.

“Eruit, schoft! Sodemieter op!” Ze had zichzelf niet meer onder controle en begon wild op me in te slaan. Nu ze zo kwaad naar me keek begon ze haast nog mooier te worden, de rimpeltjes op haar voorhoofd trokken strak.

Maak dat je wegkomt, verdwijn!”, schreeuwde ze. “Betalen hoef je me niet, hou je geld maar. Van een moordenaar, míjn moordenaar, neem ik geen geld aan.” Ze trok haar lage schoentjes met hoge hakken uit en beukte ermee op mij in.

Als door een wesp gestoken stoof ik overeind. Alle nevelen der hypnose waren nu als bij toverslag verdwenen. Krampachtig weerde ik haar klappen af, griste mijn schoenen bij elkaar en rende naar de uitgang. Bijna botste ik nog tegen haar dienstmeisje op, dat juist de toiletten had gereinigd. Met een smak gooide ik de voordeur achter me dicht.

 

“Hoer!”, riep ik nog, “vuile Pruis, Germaanse slettebak, spreekkamerprostituee!”

Ik wankelde naar mijn auto en stapte in. Was ik maar niet in dat Franse leven terechtgekomen, dan had het nog heel plezierig kunnen aflopen. De condities waren eigenlijk heel gunstig geweest. 

Uit het dashboardkastje haalde ik mijn lijstje met therapeutes tevoorschijn. Ik streepte de bovenste naam door en startte de motor. Ik had nog levens genoeg in voorraad. Op naar de volgende!

 

 

 



 

Lees ook: Gedichten van Hendrik

 

 

 



 

Hendrik