Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

 

      


Gedichten van Hendrik.

 

Hendrik Klaassens is een geboren Groninger maar is gehuwd met een Friese en woont al sinds tijden in Leeuwarden. Hij heeft een grote passie voor astronomie, maar ook voor het spirituele en voor woordkunst. Dat is duidelijk merkbaar in zijn pennevruchten. Ik kreeg zijn toestemming om een aantal van zijn gedichten, die hij me in de loop der jaren toestuurde, hier te publiceren. Sommige van zijn gedichten werden door zijn vrouw, Tineke, vertaald in het Fries.

Ik hoop dat jullie ervan genieten.

Gelieve deze gedichten niet te gebruiken zonder toestemming. Je kan Hendrik mailen via onderstaande button

Ik vond in mijn bestanden ook nog een paar korte verhalen van Hendrik. En ook daarvan wil ik jullie laten mee genieten. De verhalen staan op deze pagina.

Inzendingen van Hendrik op nederlands.nl vind je HIER

 


Rappend op weg naar een andere wereld - Stenen vingers - Satire op de valse romantiek, part 1 -

Satire op de valse romantiek, part 2 Het Luciferische Antifoon - Stervensuur - Dodencel, Houston, 1982 -  Rencarnatie -  Woordmagir - Meteoor - Kosmische geboorte Existentie Epiloog - De zwerver - De zelfmoordenaar Angst Thuiskomst - Tegenvoeter - Tijdwachter - Toen ik een boze brief had verscheurd - Schepping - Treurdicht op de theologie - Angst - Dageraad  - Orion - Stranfoto's, Schiermonnikoog, 1976 - Fleanende Hollanner  - Vliegende Hollander - Residu - Farewell to a friend - Euridice Klein Dodenboek - Op een Spaanse stier - Intercity -


 

Rappend op weg naar een andere wereld

 

Al die kerken, clubjes, sekten, wat al niet:

Ieder zingt op zijn manier het hoogste lied!

Maar de vrije geest zet men in t cachot:

Geloven zijn er veel, toch is er maar n God!

 

Moeten we de eenheid nog gaan leren

Na al die honderdduizend keren

Dat de kerken zijn gescheurd en zijn gesprongen

Omdat men zei: de waarheid wordt hier z verwrongen!

 

Zo wordt de ene kerk na d andere opgericht

En het brave volk door dominees verlicht

Maar welk licht geven zij dan door

En belijden zij in koor?

 

De mensengeest is vrij en kan niet worden gebonden.

Met woorden kunnen we elkaar verwonden,

Maar het licht van de geest blijft altijd stralen

En doet ons van een andere wereld verhalen

 

Waarin de leeuw zal spelen met het lam:

Dat is het woord dat elk van ons vernam

Over de nieuwe tijd die aan zal breken

En steeds meer mensen aan zal spreken!

 

Laten wij dan voortgaan met het Woord

Door geen kracht ter wereld meer gestoord,

Steeds ons hart op onze Vader gericht:

Hij alleen is ons leven, is ons Licht!

 

Geen macht ter wereld kan ons deren

Naarmate wij de liefde en de deemoed leren

Of wij dat nu doen in de rap of een gezang:

De liefde voor Hem duurt ons leven lang!

 

Hendrik Klaassens 28-2-2006.

 

 

 

Stenen vingers

 

in 1978 gepubliceerd in de verzamelbundel "Groningen Pozie", dl. 2.

 

Op een late namiddag in midfebruari

loop ik samen met jou

over bedauwd grasland

langs het riet van een traag kanaal.

Jouw laarzenen stevenen voor mij uit

door hoge vergeelde stengels

- sporen een weg uit naar de kim.

 

Jouw ogen schitteren vochtig

als de waterigrode zon

zich door de vochtlagen boort.

Je praat en je lacht tegen me:

strompelend door de kuilen

houd ik je bij.

Over bevroren kluiten modder

en krakende halmen

stappend, geef ik je antwoord

waarop jij me verrast aankijkt,

glimlachend porren in mn zij.

 

Na thee en breinaalden

neem je me mee

naar de schemer

van dalende stofbundels zonlicht

binnenvallend over t rommelige binnen

van je goedverwarmde slaapkamer.

Je nodigt me uit jou te raken

aan jouw warme lichaam,

maandagmorgen is nog ver.

 

Tot,

van mij, een schimmig woord,

misschien,

uit grove werkelijkheid van

ver- moei-de er- va-ring,

jou verkilt, de adem vertraagt,

verwolkt het in flarden, weg over

lege velden, grijnzen me uit

tot stof, illusies van tederheid.

 

Want ik,

ogen staren wijd uit,

ik ben bang,

bang me te verwonden

aan het witte marmer

van het beeld

dat ik van je had gehouwen

uit de verdichtsels

van mn verwondering.

Schuchter was ik,

jouw beeld te breken,

bloedend aan stenen vingers,

ijspegels die gaan smelten

in de zoutige midwinterzon.

Verdwaald, tastend in het donker,

vergeet ik dat steriele,

stomme beeld  in te ruilen

voor de directe zachtheid van jou,

huilend na mn wazige staar

van onbegrip.

 

Triest kijk ik om

en zie je weer staan:

je gaat lopen door het hoge

vergeelde gras.

Jij, een silhouet naar de einder,

Schemerend in het heilige mist.

 

Hendrik Klaassens, 1975.

 

 

"Satire op de valse romantiek" is een satire op de Candlelight-gedichten in het zwijmelprogramma van Jan van Veen, die jaren lang gedichten van luisteraars voorlas, vooral over verloren geliefden.

 

Satire op de valse romantiek part 1

 

Haar handen tasten in de nacht

nog naar de plek die ik verliet

nadat ik haar zo laag verried:

ik ben er niet, ik ben er niet!

 

Mijn foto prijkt nu levensgroot

aan een punaise in t behang.

het maakt haar bang, het maakt haar bang

hoe ik daar vrolijk lachend hang!

 

In al haar dromen waar ik rond:

zij schreit het uit, zij schreit het uit,

ik nam die mooie blonde tot mijn bruid

zodat zij nu het kussen in haar armen sluit!

 

Ach romantiek, zo poziek,

straks wiegelt zij nog aan een strop,

twee hete tranen op haar paarse kop:

t wordt er beslist niet beter op!

 

Hendrik Klaassens, ca. 1983

 

------------------------------------

 

Satire op de valse romantiek part 2

 

Haar handen tasten in de nacht

nog naar de plek die ik verliet

waarnaar zij nu zo hevig smacht:

Ik ben er niet, ik ben er niet!

 

Mijn foto prijkt nu levensgroot

aan een punaise op t behang.

Het wordt haar dood, het wordt haar dood

hoe ik daar vrolijk lachend hang!

 

In al haar dromen waar ik rond,

zij schreit het uit, zij schreit het uit.

Omdat ik mij niet met haar in de echt verbond

neemt zij tot slot een dwaas besluit:

 

Ach romantiek, zo poziek,

nu wiegelt zij zacht aan een strop

op t ritme van haar lievelingsmuziek:

t wordt er beslist niet beter op!

 

Hendrik Klaassens, ca. 1983.

 

 

"Het Luciferische" is van een heel ander kaliber: dat gaat over het duivelse, lagere in de mens. "De moordenaar in sp" waarvan hierin sprake is, is dat deel van de mens, dat vooral geestelijk moordt door de ander het recht te ontzeggen om te leven, te ademen, te bestaan, omdat de ander volgens het duivelse principe als een bedreiging wordt gezien.

 

Het Luciferische

 

Een naamloze schaduw komt binnen

door tijdloze koude tocht omspoeld,

spiegelt door mijn ogen de kamer in

op het netvlies van mijn gewonde zinnen.

 

Grimmig weersta ik zijn oude, vertrouwde blik

die mij doorzindert met duister, onaards geweld.

Welk bloed kan deze vlammengloed doorstaan

die niet door koudvuur is geveld?

 

Maar voordat de angst mijn hart verslaat

en radeloosheid mijn vlijmende wil versaagt

welt een oud weten in mij op:

 

het wezen dat daar staat

ben ik zelf: de zwarte spiegeling

uit zijn blikken stroomt in mijn ogen.

De tovermacht van zijn zwarte zegelring

bestaat alleen omdat mij angsten ze gedogen,

verdicht zich tot een drogbeeld vol duistere zin:

ik heb mij met dit schaduwbeeld bedrogen

de moordenaar in sp zit binnenin.

 

Het baanbrekend licht

dat mij met moed en hoop vervult,

doet de schim verbleken tot hij is gezwicht.

En langzaam keer ik om,

richt mijn blikken om mij heen:

de manke voetstap van de doodsdemon

sterft struikelend weg, terug;

het leven roert zijn trom.

 

Hendrik Klaassens, 19 december 1980.

 

 

 

Antifoon

 

Dit gedicht gaat over het bereiken van een verloren geliefde d.m.v. het evenbeeld dat in mezelf leeft.

 

Nog hoor ik soms jouw woorden

In het cryptisch uur van de nacht

als zwak nalichtende sporen

aan het flonkerend firmament.

Wij trekken parallelle voren

door de ruimte, door de tijd

langs evenwijdige lijnen

door de diepten der oneindigheid.

 

Ik waad nu door de stilte

die kwam toen jij verdween.

Jij drukte jouw evenbeeld in mij af,

spande met mij samen

in het holst van de nacht.

 

Steels heb jij jouw sporen

diep in mijn gemoed gedreven:

verlos mij daarom van de pijn

waarmee ik mijzelf verwond

op zoek naar jouw evenbeeld

dat in mijzelf verging.

 

De stilte is binnen deze muren verankerd

en breidt zijn armen in de ruimte uit.

Het leeg vertrek waarin ik woon

is het grondstation waarin ik troon,

en sterrenlicht uit voorbije aeonen

verzamel ik in dit brandend heden.

 

Mijn laatste woorden stamel ik

binnen de kantlijnen van dit gedicht:

vanuit de taaldomeinen waarin ik woon

zing ik zacht mijn antifoon:

 

Totdat de ziel van onze woorden wederkeert

werp ik een baken in de zee van tijd

dat uit de tal van tekens uit oneindigheid

slechts jouw bewegen registreert.

 

Wat komen moest en wat verloren ging

elk spreken kent zijn vastgesteld traject:

Het woord gelijkt de vorm van ieder ding

Slechts dat, wat na het spreken overblijft, is echt.

 

 

Stervensuur

 

Langzaam vulden haar ogen

zich met tranen.

Langzaam kromp zij ineen

als een stervende vlinder.

Voor t laatst zag zij op

naar het stralende licht

dat groots en gebundeld

door hoge ramen binnenviel.

 

Toen brak het bladstille licht

de staf over haar.

De armen gespreid,

haar ogen gesloten,

steeg haar witte ziel klapwiekend op

de stralende hoogten in.

Als een grote vogel

vluchtte ze uit mijn armen

vloog ze naar de verten,

eindelijk uit haar kerker bevrijd.

 

 

 

Dodencel, Houston, 1982

Electriserend staat de stilte
tegen vier muren op

herinneringen cirkelen
rond het lamplicht

angst en blinde hoop
geselen elkander voort

deze nacht houdt hij
over zichzelf gericht

hij pleit voor en tegen,
keert rollen om en om

en tegen beter weten in
verzint hij vluchtwegen
vr de dageraad

maar er is geen omkomen aan
CBS verslaat straks life
hoe hij siddert, het besterft
onder dit oog van de naald.

Miljoenen schakelen in
oog om oog om n

natriumlampen flitsen
koudvuur vlamt

in deze oneindige keten
is hij de zwakste schakel,
natuurlijk:

das gesundenes Volksempfinden
heeft altijd gelijk.

God, bless America!

1982.

 

 

Rencarnatie

 

De huizen slapen op een rij,

de stad droomt oude dromen.

Zwakke lichtschijnsels dwalen voorbij

in langzaam voortgolvende stromen.

 

En van die lichtbundels komt tot staan,

aarzelt nog, maar kan niet meer terug.

Ik koers recht op het schijnsel aan

en loop verwonderd over een brug.

 

Achter mij ligt nu het heden,

vr mij de contouren van een stad.

Ik beklim de uitgesleten treden

van een steil, slingerend pad

naar een met koper beslagen poort :

daar klop ik driemaal aan en wacht.

 

Een lansknecht, in zijn slaap gestoord,

opent een luik, spiedt door de nacht.

Hij ziet een bekende gestalte staan;

een roestige deur zwaait knarsend open.

Hij knikt, beduidt mij verder te gaan

en de slapende stad binnen te lopen.

 

Plotseling is het alsof ik alles weer herken:

de nauwe steegjes, het schuttershuis,

de basiliek, het Goudkantoor, ik ben

terug, in dit verre verleden kom ik thuis!

 

En zij, die ooit mijn vrouw eens was

hoort als vanouds mij weer de trap opkomen,

maar onder t gaan vertraagt mijn pas,

vervaagt dit wakend dromen.

 

De stad die nu geen stad meer is

lost langzaam op in mijn tegenwoordigheid;

mijn vroeger ik, die hier gestorven is,

wijkt langzaam terug in nevelen van vergetelheid.

 

Slaapdronken vlucht ik weerom,

door de poort, langs het steile pad.

En vlak vr de brug zie ik nog nmaal om;

ik werp een laatste blik op deze stad.

Waar, wanneer zag ik haar voor t laatst?

Mijn herinnering vervaagt, koortsachtig probeer

ik me dit in te prenten, maar veel te gehaast

keren daar de omtrekken van mijn kamer weer.

 

(1980)

 

 

Woordmagir

 

Ik wil doorgronden dood en leven

niet dadeloos maar staren in t verschiet

en vonken zonder dat een sterveling het ziet,

maar raken aan de grenzen van het niet,

 

waar geest en stof op woorden samenkomen

en paren in het baren van de tijd,

waar lucht en vuur het ongevormde binnenstromen

en, omgevormd, weer wijken in oneindigheid.

 

Wie ben ik, dat ik deze woorden,

met vuur en tomeloze drang bezield,

op laaiende, sterrensteigerende akkoorden

laat klinken en niet in halfbewuste oorden

van t ongevormde weten binnenhield?

 

Ik raakte aan de grenzen van het niet

en proefde van de angsten voor de dode tijd:

mijn wezen scheurde over grenzen van ondraaglijkheid

en liet mij achter als een reiker uit een ver gebied,

 

waar pijn en licht elkaar verdragen

tot alle roerselen omslaan in hun tegendeel,

waar angst en haat elkander schragen

zolang ik over t golven van de pijn beveel.

 

Mijn wezen draaide om de lengteas

van wat een mens kan dragen bij zijn leven;

ik ben nu iemand anders dan ik vroeger was:

een dichter, met het woord verweven,

 

een ziener, soms, die het gekerkerd woord bevrijdt

maar zelf niet weet waarvoor hij naamloos lijdt,

die niet weet waar hij dit verkrampen aan verdient

maar zich toch van de klankkleur van het woord bedient.

 

Ik zet de tonen, sla akkoorden

en draai de klanken met mijn handen om

toonladders van verklonken woorden

laat ik stijgend sterven met omfloerste trom.

 

Om het draaipunt van mijn musisch denken,

op het ritme van het altoos waaien van de tijd,

op de maat van melodien die mij steeds doordrenken

schrijf ik woorden neer, hoezeer ik daar ook onder lijd.

 

De pijn doortrekt mijn voelen en mijn denken,

want deze woordmacht wortelt in ontvanklijkheid,

maar daadkracht staat uit deze wenken

op, omdat een hoger woord mijn woord geleidt.

 

Het duister in mij is nu licht,

de klanken in mij zijn tot woord geworden.

Het ongerijmde is gevat in een gedicht,

maar het gerijmde is tot pijn verworden.

 

 

 

 

Meteoor

 

In een langgerekte parabool

verlegt een grijsgedraaid stuk gruis zijn baan.

De traag rondwentelende aarde

brengt zijn wilde zonneval tot staan.

 

Een neertuimelende fakkel wordt ontstoken:

hij boort zich lichtend door de lagen.

IJle rooksporen verdampen in mistige vlagen.

Een blinde wesp, een speldenknop van licht

is eindelijk tegen de lamp gelopen.

 

 

 

Kosmische geboorte

 

De stilte daalt over de velden,

de nacht stijgt uit de polders op.

 

Wachtvelden sterrenlicht

kantelen de aarde.

Oeroud ruisen vult de nacht

met dit weten:

 

er is geen weg terug -

de verten die ons daar tegenstaan

willen in ons geboren worden.

 

 

In het fries vertaald door Tineke

 

Stilte komt del oer de fjilden,

nacht stiicht t de polders op

 

wachtfjilden stjerreljocht

kantelje de ierde

 

oerld rzjen follet de nacht

mei dit witten:

 

der is gjin wei werom

neinige fierten

wolle yn s berne wurde

 

 

 

Existentie

 

In steeds eender, ander licht

en vaak tegen beter weten in

trekken wij onze sporen op aarde:

na de diepten van de nacht

is er immer een nieuwe dageraad

die voorbij de einder op ons wacht.

 

Door elke levensloop

verliezen wij aan zwaarte

maar winnen wij aan gewicht

totdat wij te langen leste,

verankerd op Christus liefdeslicht,

bevrijd van alle aardse dromen,

langs een flonkerend lint van sterren

in het Vaderhuis worden opgenomen.

 

De wervelende tunnel van de tijd

kent geen eind en geen begin

als de hartslag van het leven zelf zijn wij:

de eeuwigheid ruist diep binnenin.

 

*****************

 

Eksistinsje

 

Stilte komt del oer de fjilden,

nacht stiicht t de polders op

 

wachtfjilden stjerreljocht

kantelje de iede

 

oerld rzjen follet de nacht

mei dit witten:

 

der is gjin wei werom

neinige fierten

wolle yn s berne wurde

 

 

 

Na een verbroken verhouding

 

Epiloog

 

Nu de stilte achter woorden is neergedaald

gaan wij langs pelgrimswegen van het zwijgen

totdat de tijd de uren heeft bepaald

waarop de weg geleidelijk begint te stijgen.

 

Aan al wat restte kleeft sindsdien de pijn

waarmee wij tasten in elkaars herinneringen:

een handvol foto's, brieven vol venijn

- tastbare relikwien van ons samenzijn -

woordsporen die voorgoed verloren gingen.

 

 

De zwerver

 

Verdriet sluiert hem in

als een dempende mist waarin

met trage pas zijn gedachten gaan;

hij weet niet waarvandaan,

waarheen de weg hem voert,

welke naam de schaduw draagt

die zijn verweesd gemoed beroert.

 

Alleen de brok binnenin

zijn keel en in zijn bloed

weet waar hij doolt naar het begin

van alles wat hem drijft en doet

verstijven in de klem van angst

die soeverein steeds in hem woedt.

 

 

De zelfmoordenaar

 

Geen hoop, geen hoger streven meer

brengt mij nog stervend in 't geweer:

het einde is als het begin.

Ik was geen dichter, priester of soldaat

maar zat daar ergens tussenin.

 

Het helse dwaallicht aan de kim

splitst zich uiteindelijk in twee;

'k ga met die lichten mee,

verdrink om nooit meer op te komen

en word tot stof en as

in 't huilen van de herfstwind opgenomen.

 

De allerlaatste droom,

gehuld in wolken van vergetelheid,

daagt aan het einde van de nacht.

Ik sluit de luiken van de tijd

- droomsluizen naar oneindigheid -

de Dood: ik had U hier verwacht.

 

 

 

 

Angst

 

Overal om hem heen prijken

lege gezichten

starende ogen

monden die bewegen

kinderen die spelen -

maar hij durft hen niet te horen:

alleen geluiden van het stadsverkeer

de rechte straten op en neer

razen in zijn ogen.

 

Iedereen ziet hem

maar hij ziet niemand

hij voelt alleen

hun ogen prikken

in zijn rug

hij wil terug

naar het lege huis.

 

 

Thuiskomst

 

Uit een peilloze schacht van duisternis,

een stilte als de wereld zo diep,

golfden de eerste lichtstralen af en aan.

Puls na puls stuwde U Uw geest de wereld in

totdat de verten wemelden van Uw bestaan.

 

Zo schiep U ook ons als vrije geesten,

als Uw kinderen, spelend en wandelend in Uw licht.

Maar in het spoor van de Lichtdrager,

voor zijn duistere drang naar macht gezwicht,

tuimelden wij in vrije val uit Uw eeuwigheid.

 

Sindsdien gevangen in het web van ruimte en tijd

zijn wij duizend doden gestorven:

van geboorteschreeuw tot laatste snik

leven na leven na leven

eendere echos van het ik

 

Uit hellen en hemelen klimt Uw leven naar U op

over de brug van licht die Uw Zoon naar ons sloeg

tot elke grens van ruimte en tijd

weer in de hoogste hemelen is opgeheven.

 

En eindelijk voor anker gegaan,

voorbij alle leed en alle pijn,

zullen wij als goden zijn,

de droom van het bestaan ontstegen

 

THUISKOMST als PowerPointPresentatie

 (Door Hendrik en Hugo Klaassens)

 

 

Tegenvoeter

 

s Nachts staat er iemand anders uit haar op

die overdag steeds sluimert onder haar gedachten.

Wanneer zij inslaapt, slaat hij traag de ogen op

en laadt zich met een spinsel van verborgen krachten.

 

Hij danst en krijst en roept formules door het open raam,

hij kent geheime spreuken uit een zinderend verleden.

Hij schreeuwt drudenwoorden naar de volle maan:

kaarslicht en wierook begeleiden zijn gebeden.

 

Hoger en hoger stijgt hij zo de sterrenhemel in,

koortsachtig zoekend naar een uitweg door de tijd,

maar in de vroege morgen door het licht weerlegd

gaat hij weer mokkend liggen in haar waakzaamheid.

 

 

 

 

Tijdwachter

 

Verder dan woorden

draagt de stilte

waar onze wegen scheiden.

De ruimte tussen onze blikken

meet uren van vergetelheid.

 

De laatste klanken

tussen ons verklonken

planten zich voort over de velden,

reikhalzend naar de grens

van hun mededeelbaarheid

totdat de laatste echos zijn verdronken

voorbij de drempel der oneindigheid.

 

Langs oude, steile wegen

keren onze woorden ooit eens weer

terug naar t licht

en raken stil

de grenzen van de tijd.

 

 

Ook dit gedicht werd door Tineke vertaald in het Fries.

 

De tiidwachter

 

Fierder as wurden

swalket de stilte

drt s paden skiede.

De romte tusken s blikken

mjit tiden fan ferjitnis.

 

 

De lste klanken

tusken s ferklonken

sette har fuort oer de fjilden

longerjend nei de grins

fan harren mei-dielberens

oant de lste wjerlden ferdronken binne

fierder as de drompel fan e neinigens.

 

 

Lns lde, steile paden

komme s wurden wer werom

werom nei it ljocht

en reitsje stil

de grinzen fan e  tiid.

 

 

Toen ik een boze brief had verscheurd, schreef ik er een gedicht over

 

Bij het verscheuren

van een nooit verstuurde brief

 

Ik verscheur een boze brief

en ontleed daarmee een oude grief.

Ik verbreek de samenhang der zinnen

om van de wrok de spijt te laten winnen.

 

Samen met de pijn,

verwoord in dit gewroken zinsverband,

verdwijnen resten van 't venijn

geruisloos in de prullenmand.

 

't Geheel is nu niet mr

dan de bekende som der delen;

begin nou alsjeblieft niet wr

zo vreselijk op te spelen!

 

 

Schepping

 

Jij ging op weg als tastend licht

dat over de wateren zwierf:

glanzende kiem, geduldige vonk

waaruit de sterren zijn geboren.

 

Het melkwegstelsel streek jij aan

tot een flonkerend wiel van licht:

om elke ster, uit gas en stof verdicht,

schiep jij groene werelden

vol hunkerend, denkend leven.

 

Zo blies jij ook de mens de levensadem in -

denkende schakel in een eindeloze keten:

lichtvonk die tot de stof is ingedaald,

vandaaruit weer omhoog streeft naar de bron,

als een Voyager die naar de verten klom -

zijn blindenstok tast in het heelal.

 

Maar als een kind dat slechts de moeder kent

waant hij zich op een hoge troon alleen

kroon van de schepping op zijn koud brok steen

en stamelt na van het oorspronkelijk gezicht

dat hij alleen zijn eigen naam heeft horen noemen.

 

 

 

 

Treurdicht op de theologie

 

Het wachten moe, de therapien beu

treedt zij binnen onze muren in

op witte laarsjes voetzoekend,

als een verdwaalde vlinder

die van ver is aan komen vliegen.

 

Max Factor en de Bijbel onder handbereik,

zijzelf daartussen middelevenreden,

zet zij aarzelend de eerste schreden

op weg naar de oorsprong en de zin,

het raadsel van haar eigen onbestaan.

 

Maar God verbergt zich rationeel

achter collegecoulissen van de Rede,

geflankeerd door links grondpersoneel,

de IKV-apostelen van de neutronenvrede.

 

Tussen waan en wetenschap dolgedraaid

werpt zij tevergeefs haar ankers uit,

maar vindt geen landingsbanen voor de hoop

die zij nu Hebreeuws en Grieks kan spellen;

 

de godverleerde colleges pellen

laag na laag van haar verwachting af:

de godgeleerdheid delft haar eigen graf.

 

In het crisiscentrum mag zij nu vertellen

waarom zij ronddoolt in eindeloze cirkelingen

- de co-assistent maakt mompelend aantekeningen.

 

Maar het wachten moe, de therapien beu,

treedt zij morgen andere zalen binnen:

de wijzen uit het Oosten wachten haar op

de rest mag een ieder zelf verzinnen...

 

 

Angst

 

Overal om hem heen prijken

lege gezichten

starende ogen

monden die bewegen

kinderen die spelen -

maar hij durft hen niet te horen:

alleen geluiden van het stadsverkeer

de rechte straten op en neer

razen in zijn ogen.

 

Iedereen ziet hem

maar hij ziet niemand

hij voelt alleen

hun ogen prikken

in zijn rug

hij wil terug

naar het lege huis.

 

 

 

Dageraad

 

De einder begint te vonken

als uit een diepzee-droomgezicht

wanneer met een lans van licht

de dag openbreekt.

 

Eindeloze verten breken aan -

de trilling aan de horizon

bergt een keten van beloften,

elk een suizelend pijlschot ver

van zijn vervulling vandaan.

 

De wereld is van zijn dode schaal ontdaan

en sterrenvelden ruimen naar het westen:

de poort tussen het nu en het ooit

is in zijn eerste oorsprong opengegaan.

 

 

Een gedicht over het sterrenbeeld Orion. In de Griekse mythologie verbeeldt Orion de 'Grote Jager', die jacht maakt op de Stier, daarbij geholpen door de 'Grote Hond', die als sterrenbeeld linksonder van hem staat. Symbolisch staat dat ook voor de rusteloze zoektocht naar de diepste geheimen van de mens en zijn oorsprong. Hun spel van jacht en achtervolging is aan de winterse sterrenhemel tot stilstand gekomen; daarover gaat het gedicht hieronder:

 

Orion

 

Hij bond de strijd aan

met het eind en het begin.

Hij daalde af van 't licht

op zoek naar oorsprong en naar zin.

 

Maar al wat hij vond was as

en sintels van een dovend vuur,

geen Olympische god die hem genas

van deze queeste zonder duur.

 

Hij is uit sterrenstof weer opgestaan,

vervolgt de Stier als nooit tevoren.

Maar tevergeefs tracht hij hem te verslaan -

hij is voorgoed in winters licht bevroren.

 

 

Stranfoto's, Schiermonnikoog, 1976

 

Licht en sterk waren onze dagen,

de zon was een grote brand

die hoog boven ons woedde

in een stralende ster.

 

Overal weerspiegelden de wolken

zich flonkerend in de golven.

De zeewind voerde verre geuren mee

en speelde met jouw natte, blonde haren.

 

Vanaf de duinen zag ik

tegen terugwijkende verten,

in het wit van de branding,

jouw vertrouwde gestalte staan

en ik bevroor de tijd in celluloid

met een knipoog van mijn polaroid.

 

Nu waart de nagedachtenis rond

om oude foto's, lege spiegels,

gevangen in bundels oud, gebroken licht.

De tijd keert licht in schaduw om,

de kleurenbeelden trekken krom,

herleven kort, maar sterven dan voorgoed

in de hoge hoed der herinnering.

 

 

Onderstaand gedicht gaat over iemand die cocane gebruikt. In de tijd waarin ik in Groningen woonde, zag ik vaak druggebruikers over straat lopen. Ik vond dat altijd heel triest en probeerde me in hun wereld te verplaatsen. Naar aanleiding daarvan schreef ik een gedicht

( 'wekamine' is een naam voor stimulerende middelen)

 

 

Fleanende Hollanner

(oer in dopebrker)

 

Syn eagen yn deade kassen

syn hannen stiif en stram

syn skonken stadich, knikjend

doalet hy ferdve troch lege strjitten.

 

Tiidmasine, wekamine,

wachter oer dizze lege std

yn tunnels fan bestjurre tiid;

nearne noch komt syn blik ta rst

yn dizze nbegonnen wurklikheid.

 

't Leafst wol hy ferjitte:

it longerjen fan syn hannen

de koarts yn syn tinzen

de tsjintaal fan syn seare liif.

't Leafst wol hy

yn al syn dreamen sinke,

brge bouwe nei ferjitnis,

 

mar der is gjin wei werom,

hy draacht it teken op syn rch,

en mei hieltyd swierder speed foart

follet hy de leechte foar him t -

de doses winne oan gewicht

oan 't ndert it stiigjend tsjinwicht

de tiid it teken wei sil reagje;

 

hy hat miskien in jier,

hy hat miskien wat mear

om himsels oan ivichheid

- dy lste dope - te weagjen.

 

 

Vliegende Hollander

 

in het Nederlands werd dit een experimenteel gedicht in twee kolommen, die zich tot elkaar verhouden als de eerste en de tweede stem bij het zingen van een lied; in de linker kolom beleef je de wereld vanuit het perspectief van de dope-gebruiker, terwijl in de rechter kolom alles wordt beschouwd vanuit een diepere, geestelijke werkelijkheid. Deze twee perspectieven vallen samen in het laatste couplet, waarin het onvermijdelijke einde wordt beschreven. Zelf noem ik deze vorm een 'stereo-gedicht'.

 

(over een dope-gebruiker)

zijn ogen in dode kassen
zijn handen star en doof
zijn benen stram knikkend
doolt hij verdoofd door lege straten

tijdmachine, wekamine,
wachter over deze lege stad
in regionen van gestolde tijd
nergens komt nog zijn blik tot rust
in deze onbegonnen werkelijkheid.

't liefst wil hij vergeten
de hunkering van zijn handen
de koorst in zijn gedachten
de tegentaal van zijn zere lijf
't liefst wil hij in al zijn dromen zinken
bruggen bouwen naar vergetelheid
maar er is geen weg terug
hij draagt het teken op zijn rug
en met steeds zwaarder speed vooruit
vult hij het vacum voor hem uit
de doses winnen aan gewicht
tot onder 't stijgend tegenwicht
de tijd het teken heeft verslagen.

 hij heeft misschien een jaar,

 hij heeft misschien iets mee
om zich aan eeuwigheid
- die laatste dope - te wagen


 

Residu

 

Totdat de ziel van onze woorden wederkeert
werp ik een baken in de zee van tijd
dat uit de tal van tekens uit oneindigheid
slechts jouw bewegen registreert.

Wat komen moest en wat verloren ging,
elk spreken kent zijn vastgesteld traject:
het woord bepaalt de vorm van ieder ding -
slechts dat, wat na het spreken overblijft, is echt.

 



Farewell to a friend

Now that your soul has departed, heading for the world beyond,
you leave me behind, with a heart filled with memories...
And it is as if you've returned to life, are part of the living again;
you dance and laugh, you look cheerfully to me, offer me a drink,
and we walk and talk on a summer evening, when the shadows fall
and the sounds of the city pass by, dreaming, almost unconscious.

You are part of the immortals now, and you look at me,
like you did in your lifetime: cheerful, with your tender laugh,
and I can almost feel your hand that touches my hair,
see your smile. Your voice whispers to me from beyond the veil
that is draped between this world and thine, between you and me.

I pray for you, I speak to you, I wish you goodnight, my friend,
my companion, who joined me, who told me the story of your life.
I hear your voice from the Great Beyond, see your eyes still,
though they are closed. You are still part of me, as I am part of you.
My friend, may the heavens open their gates for your tender soul.
My heart greets you for a last farewell, though you'll ever stay here,
in the vast spaces of my love, in the deep realms of time and space.

You will never be forgotten, coz' you'll ever stay here, my friend.
May God bless you, caress you, take you home to his dominions.
May all the pain and all the sorrow you suffered on earth stay behind.
May a torch of light and the power of love accompany you
as you enter the realms of heaven and pass the gates of eternity.


Farewell!

Your friend Hendrik, who'll always remember you.

 



 

 

Eurydice

 

Eurydice

In het wemelen van het licht aan de einder
doemen jouw lieflijke trekken op,
de glans van jouw gezicht ontstaat.

Ik open de droomsluizen van de tijd.
Simultaan met jouw aards bestaan
leeft jouw droomgestalte in mij voort,
begiftigd met verborgen, immer groeiend leven.

Niet uit het lichaam, maar uit de ziel geboren
reis jij in je mantel van licht met mij mee
zoals je ooit tegenover mij zat en gebaarde:
een lichtgestalte, aan dood en leven ontstegen.

Zo waar je rond in mijn tastend, hunkerend bestaan,
eeuwen ver en meer nabij dan mijn harteklop,
belofte van weleer, oerlicht en einddoel tegelijk,
mijn handen schrijven tekens uit jouw naam.

Blinkend rijs jij op, koelwarm als jouw huid
strijkt het ochtendlicht mij ten leven
totdat ik in de geest geheel en al
met jouw bloed en adem samenval.

Hendrik Klaassens.

 

 

Klein Dodenboek

Klein dodenboek

Als God t uur van uw afscheid heeft bepaald
doorsnijdt de doodsengel t levenskoord
dat uw ziel met t lichaam verbindt;
onherroepelijk spreekt hij het laatste woord.

Zodra het Effatha weerklinkt, lost de ziel
in een lichtende nevel op, van t lichaam bevrijd,
en stijgt naar de sfeer die ginder bij haar past;
dan blijkt waaraan ge uw hart hebt gewijd!

 

Eenmaal ontwaakt over de drempel van de dood
als u veilig in het avondland bent aangekomen
ontdekt u in het tussenrijk andere gestalten
omwolkt door herinneringen en aardse dromen.

Een engel wenkt u, neemt u bij de hand
voor een terugblik op t aardse leven, een dja vu.
U voelt wat uw woorden teweeg hebben gebracht
bij anderen, en tal van scnes passeren de revue.

Bont wervelen de beelden door elkander:
dit was uw bestaan, dit is uw levensoverzicht
en uit de diepten van uw ziel welt als een oude zweer
de pijn, de spijt, maar ook het milde liefdeslicht.

Tussen de wereld waaruit we zijn voortgekomen
en de voleinding in de geest, ons eigenlijke domein,
is de aarde niet meer dan een doorgangshuis,
een wereld vol illusies, onbegrip en venijn.

De lichtende verte die ieder van ons wacht
is vervuld van beloften van een goddelijk bestaan
als we de drogbeelden van t ego hebben afgelegd
en alle angst en schijn in liefde is opgegaan.

Vanaf de oudste tijden heeft men dit geweten
maar in deze tijd waant men zich liever verlicht.
God en de eigen geest heeft men vergeten,
voor t ego en de materie is een altaar opgericht.

 

Hendrik Klaassens

 

 

 

Op een Spaanse stier

dit vers ontstond na het zien van dit filmpje

 

Een stier in het Spaanse Navarra

verliet dol van drift de arena.

Briesend stormde hij de tribunes op

en beukte zijn spotters met zijn kop.

 

Uiteindelijk werd hij door de Guardia geveld.

Toch is deze stier voor mij een held.

Wie stieren tergt voor zijn lage zinnen

ziet voor straf het hospitaal van binnen.

 


 

Intercity

 

 

 

 

 

Onafwendbaar naderen wij het onbekende doel
dat in de sluier van de toekomst verloren gaat.
Niet door berekening, maar op de tastzin van 't gevoel
bespeuren wij wat ons daar te wachten staat.

Engelen reizen met ons mee, wegwijzers van de geest;
ze fluisteren ons hun zachtheid en hun dromen in.
Wie als een engel de ogen van de ander leest,
is slechts op liefde uit, nooit op zelfzucht of gewin.

Tot slot bereiken wij 't allerlaatste station.
De trein remt af, alle sporen komen hier samen.
Er is een druk gewemel op het perron
en iemand leest van alle reizigers de namen.

Over ons wordt niet geoordeeld. Niet de wet,
maar de liefde is het die uiteindelijk regeert.
Het enige waar de baas van 't station op let
is de vraag wat we van de reis hebben geleerd.